EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004PC0486

Voorstel voor RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

/* COM/2004/0486 def. */

52004PC0486

Voorstel voor RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen /* COM/2004/0486 def. */


NL

|| COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 14.7.2004

COM(2004) 486 definitief

2004/0155 (COD) 2004/0159 (COD) Deel I

 

Voorstel voor

RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

(ingediend door de Commissie) {SEC(2004) 921}

TOELICHTING

1.           ALGEMENE OPMERKINGEN

Eén enkele financiële EU-markt is van het grootste belang om het concurrentievermogen van de Europese economie te bevorderen en de kosten van kapitaal voor het bedrijfsleven te verlagen. In het Actieplan voor financiële diensten is in het verlengde van de vooruitgang die in het Bazelse Comité voor het bankentoezicht[1] op G-10-niveau is geboekt, voor 2004 een richtlijn met nieuwe kapitaaltoereikendheidsvoorschriften voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen aangekondigd.

Naar aanleiding van het Bazelse Akkoord (Bazel I), dat in 1988 is gesloten tussen de leden van het Bazelse Comité voor het bankentoezicht, zijn in meer dan honderd landen minimumkapitaalvereisten vastgesteld[2]. Min of meer gelijktijdig stelde de EU een aantal fundamentele richtlijnen vast (Richtlijn 89/299/EEG van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen, Richtlijn 89/647/EEG van 18 december 1989 betreffende en solvabiliteitstratio, geconsolideerd in Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen).

Deze richtlijnen hadden betrekking op de risico´s die kredietinstellingen op hun kredietverlening lopen. Sinds de vaststelling van Richtlijn 93/6/EEG van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen gelden de voorschriften voor het krediet- en het marktrisico ook voor beleggingsondernemingen.

1) Redenen waarom Europese voorschriften moeten worden verbeterd

De bestaande voorschriften hebben weliswaar een belangrijke bijdrage geleverd aan de vorming van de interne markt en aan hoogwaardige prudentiële normen, maar er zijn een aantal belangrijke tekortkomingen vastgesteld.

1. Grove ramingen van kredietrisico´s leiden tot een uiterst grove meting van risico´s en zetten daarmee het vertrouwen in dergelijke ramingen op het spel.

2. Speelruimte voor kapitaalarbitrage: door marktinnovaties beschikken de financiële instellingen nu over de mogelijkheid effectief arbitragevoordeel te behalen uit het verschil tussen de eigen kapitaalallocatie voor risico’s en de minimum kapitaalvereisten.

3. Te beperkte inaanmerkingneming van een doeltreffende risicolimitering: risicolimiteringstechnieken worden in de huidige richtlijnen te weinig in aanmerking genomen.

4. Onvolledige risicodekking: de huidige richtlijnen bevatten onder meer geen kapitaalvereisten voor het operationele risico.

5. De toezichthouders hoeven geen evaluatie te verrichten van het feitelijke risicoprofiel van kredietinstellingen om zich ervan te overtuigen dat het eigen vermogen dat wordt aangehouden in overeenstemming is met dit risicoprofiel.

6. De toezichthouders hoeven niet onderling samen te werken: op een markt waar steeds vaker grensoverschrijdend wordt geopereerd, moeten de autoriteiten ter beperking van de regelgeving doeltreffend met elkaar samenwerken bij de uitoefening van het toezicht op internationale groepen.

7. Onvoldoende informatie voor marktdeelnemers: de huidige richtlijnen werken de marktdiscipline niet in de hand als het gaat om de verschaffing van informatie aan marktdeelnemers die zo betrouwbaar is dat zij een goed gefundeerde inschatting kunnen maken.

8. Regelgevingskader te weinig flexibel: het huidige EU-stelsel is niet flexibel genoeg om gelijke tred te houden met de snelle ontwikkelingen op de financiële markten en op het gebied van het risicobeheer en met de verbeteringen in de hulpmiddelen voor regelgeving en toezicht.

Wat zou er gebeuren als alles bij het oude blijft?

Nagenoeg iedereen is het erover eens dat de huidige situatie onhoudbaar is. Als alles bij het oude blijft, blijven de kapitaalvereisten niet in overeenstemming met de risico´s, hetgeen negatieve gevolgen heeft voor de effectiviteit van de prudentiële voorschriften en tot grotere risico´s voor de consument en de financiële stabiliteit leidt. Ook blijven dan de risico´s van een aantal financiële instellingen niet volledig gedekt. Verder worden dan de nieuwste en meest doeltreffende risicobeheerstechnieken niet actief gestimuleerd of in aanmerking genomen en blijven groepen voor financiële dienstverlening die in meer dan een lidstaat actief zijn, als gevolg van de verschillende regelgevings- en toezichtssystemen geconfronteerd worden met een onevenredig zware administratieve belasting. Ten slotte kan, aangezien het huidige EU-regelgevingskader moeilijk snel kan worden geactualiseerd, de EU dan niet voldoende profiteren van toekomstige ontwikkelingen. Omdat is voorgesteld het nieuwe Bazelse akkoord wereldwijd in te voeren, zou de financiële-dienstverleningssector in de EU ten opzichte van de concurrenten overzee aanzienlijk in het nadeel zijn.

2) Concept van de richtlijn

De Commissie wijst er in haar Actieplan voor financiële diensten uit 1998 op dat de EU behoefte heeft aan accurate, internationaal consistente en bijgewerkte prudentiële normen. Ook zouden deze in verhouding moeten staan tot het beoogde doel en omstandigheden in aanmerking moeten nemen die het risico verkleinen, met name bij kredietverlening aan de consument en het MKB. De voorschriften zouden moeten gelden voor kredietinstellingen én beleggingsondernemingen (er moet immers sprake zijn van een gelijk speelveld), maar moeten ook in verhouding staan tot het beoogde doel en volledig rekening houden met de "biodiversiteit" van de financiële instellingen in de EU.

2.           Raadpleging en effectbeoordeling

a) Raadpleging van belanghebbenden en betrokken partijen

Sinds november 1999 heeft de Commissie de belanghebbenden en betrokken partijen een aantal malen geraadpleegd. Daartoe zijn drie omvangrijke raadplegingsdocumenten gepubliceerd (op 22 november 1999, 5 februari 2001 en 1 juli 2003). Op 18 november 2002 is een uitgebreide, gestructureerde dialoog met de belanghebbenden gevoerd. Ook zijn raadplegingsdocumenten over een aantal technische kwesties gepubliceerd, en wel over onroerend-goedkredieten en gedekte obligaties (7 april 2003), verwachte en niet-verwachte verliezen (26 november 2003) en collectieve beleggingsondernemingen (3 februari 2004).

Over het algemeen hebben de deelnemers zich uiterst positief uitgelaten over de voornaamste doelstellingen van het project, met name over het feit dat de risicogevoeligheid wordt verbeterd en daarmee de financiële stabiliteit wordt vergroot. Daar de risicometings- en risicobeheerstechnieken in de financiële-dienstverleningssector sterk zijn verbeterd en rekening moet worden gehouden met de steeds complexere regelgevings- en toezichtpraktijk, moeten de voorschriften nu dringend worden bijgewerkt. Er bestaat grote steun voor het uitgangspunt van de Commissie dat het EU-kader in overeenstemming moet worden gebracht met de nieuwe internationale voorschriften, maar dat daarbij wel waar nodig rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van de sector in de EU.

Minder complexe instellingen

De intentie om in Europa de nieuwe voorschriften op alle kredietinstellingen en beleggingsondernemingen toe te passen ongeacht de rechtsvorm en complexiteit van de instelling, hetgeen ook van belang is om te voorkomen dat er "tweederangs" instellingen ontstaan (niet onwaarschijnlijk als bepaalde instellingen worden uitgesloten) geniet in brede kringen steun. Daaruit blijkt dat het voorgestelde nieuwe kader geschikt wordt geacht om in breed verband te worden toegepast.

Flexibiliteit van de nieuwe richtlijn

Er bestaat een aanhoudende brede steun voor de voorgestelde aanpak om een nieuw kader te creëren waarmee kan worden ingespeeld op markt- en toezichtsinnovaties en de doeltreffendheid en concurrentiekracht van de financiële-dienstverleningssector op een zo hoog mogelijk niveau kan worden gehouden. De belanghebbenden steunen de aanpak waarbij de vaste beginselen en doelstellingen in de artikelen worden vermeld en als basis dienen voor de meer gedetailleerde en technische voorschriften in de bijlagen. De procedure die nodig is om de bijlagen te wijzigen, moet ervoor zorgen dat de betrokken partijen uitgebreid en vlot kunnen worden geraadpleegd.

Beleggingsondernemingen

Op dit gebied zijn belangrijke wijzigingen doorgevoerd om de zorgen weg te nemen van een aantal ondernemingen uit de beleggingssector die vrezen te moeten voldoen aan kapitaalvereisten die volgens hen meer geschikt zijn voor kredietinstellingen.

Complexiteit

Een aantal respondenten hebben verzocht om minder en eenvoudigere voorschriften. Daarop is de Commissie gekomen met een duidelijker geformuleerde en gebruikersvriendelijkere versie, die aantrekkelijk is voor de instellingen die eenvoudige regels willen of geleidelijk willen overstappen op complexere kapitaalvoorschriften. Het nieuwe kader bevat een reeks mogelijkheden en methoden van uiteenlopende complexiteit.

Sinds 1999 hebben er ook diverse raadplegingen over gedetailleerde kwesties plaatsgevonden. In het voorstel is rekening gehouden met de zeer uitvoerige en nuttige opmerkingen van de betrokken partijen, met name uit het bankwezen en de beleggingssector.

b) Effectbeoordeling

Er is een uitvoerige effectbeoordeling uitgevoerd om na te gaan of op EU-niveau maatregelen moeten worden genomen, en zo ja, welke maatregelen.

Het Bazelse Comité heeft onder kredietinstellingen uit veertig verschillende landen een onderzoek verricht naar de kwantitatieve gevolgen van de nieuwe Bazelse voorstellen voor de minimumkapitaalvereisten van banken. De Commissie heeft dit onderzoek uitgebreid tot EU-landen die niet in Bazel zijn vertegenwoordigd. De voornaamste conclusie luidde dat de kapitaalvereisten voor EU-kredietinstellingen door de nieuwe regels over het geheel genomen met ongeveer 5% zullen afnemen ten opzichte van het huidige niveau. Verder beantwoorden de resultaten voor de verschillende benaderingen aan de doelstellingen, met name de doelstelling om kapitaalneutraliteit te combineren met prikkels die de kredietinstellingen ertoe moeten aanzetten over te stappen op complexere benaderingen. Ten slotte zullen de kapitaalvereisten voor de kleinere binnenlandse kredietinstellingen die voor de eenvoudige benadering kiezen, iets lager uitvallen en zullen deze voor de grotere, internationaal opererende kredietinstellingen nauwelijks veranderen; daarentegen zullen de kapitaalvereisten voor kleinere, maar gespecialiseerde en complexe kredietinstellingen die voor de geavanceerde benadering kiezen, in vergelijking met de huidige situatie veel lager uitvallen. Belangrijk is dat de vermindering van de kapitaalvereisten vooral te danken is aan de portefeuille particulieren en kleine partijen, die vooral bestaat uit leningen aan het MKB van minder dan 1 miljoen EUR en uit hypothecaire leningen voor woningen. Vooral door het nieuwe kapitaalvereiste voor het operationele risico wordt deze vermindering van de kapitaalvereisten voor kredietinstellingen evenwel tenietgedaan.

Voorts heeft de Commissie op verzoek van de Europese Raad van Barcelona opdracht gegeven tot het verrichten van een onderzoek naar de gevolgen van de voorgestelde nieuwe kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in de EU[3]. In het eindverslag, dat is opgesteld door PricewaterhouseCoopers, worden de gevolgen positief beoordeeld (slechts op twee terreinen – beleggingsondernemingen en durfkapitaal – wordt kritiek geuit, waarmee in de Commissievoorstellen rekening is gehouden)[4]. De hoofdconclusie luidt dat de nieuwe solvabiliteitsregeling gunstig zou moeten uitpakken voor de EU en voor de prudentiële regulering in de EU. De kapitaalvereisten van de EU-kredietinstellingen zouden met ± 5% (90 miljard EUR) afnemen en de winst zou een stijging op jaarbasis met ± 10-12 miljard EUR te zien geven. Aan de nieuwe solvabiliteitsregeling zijn geen nadelen verbonden voor kleinere kredietinstellingen en niets wijst erop dat zij fusies of concentraties in de hand zal werken. De beslissing om alle kredietinstellingen onder de richtlijn te doen vallen, zal niet leiden tot een concurrentienadeel voor de EU-instellingen. De VS-beslissing om op een twintigtal grote kredietinstellingen alleen geavanceerde benaderingen toe te passen, is evenmin een belangrijke concurrentiefactor. De uitvoeringskosten voor de EU-kredietinstellingen zijn niet uitsluitend toe te schrijven aan Bazel II en vele van deze investeringen (misschien wel 80%) zouden toch zijn verricht, zij het over een langere periode. Belangrijk is ook dat er in de meeste EU-lidstaten geen sprake is van een negatief effect op de beschikbaarheid van en de kosten voor de financiering van het MKB (het “procyclische” effect is beperkter – en minder schadelijk – dan het effect dat van de huidige voorschriften uitgaat). De bezorgdheid van het MKB vloeit voort uit het feit dat de informatie over Bazel II onvoldoende wordt begrepen. De macro-economische gevolgen van Bazel II voor de EU-economie zijn beperkt: er kan zich een positieve aanbodschok voordoen waardoor de kapitaalkosten voor bedrijven worden verminderd en het BBP in de EU met 0,07% stijgt. Algemeen genomen zal de nieuwe solvabiliteitsregeling resulteren in een geringere kwetsbaarheid van het bankstelsel doordat een groter risicobewustzijn, een beter risicobeheer en een efficiëntere kapitaalallocatie op lange termijn gunstige gevolgen zullen hebben voor de EU-economie.

3.           Rechtsgrond

De voorstellen zijn gebaseerd op artikel 47, lid 2, van het Verdrag. Deze bepaling vormt de rechtsgrond voor de vaststelling van communautaire maatregelen met het oog op de totstandbrenging van een interne markt voor financiële diensten. Er is gekozen voor een richtlijn omdat dit het meest geschikte instrument is om de gestelde doelen te bereiken en omdat het gaat om wijzigingen in bestaande richtlijnen die op dezelfde technische aangelegenheden betrekking hebben. De bepalingen van de richtlijn gaan niet verder dan hetgeen nodig is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken.

4.           Artikelsgewijze toelichting

In de voorstellen is de techniek van herschikking toegepast (Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001, PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1), die de mogelijkheid biedt materiële wijzigingen in bestaande wetgeving aan te brengen zonder dat een afzonderlijke wijzigingsrichtlijn behoeft te worden vastgesteld. Deze techniek resulteert in een vermindering van de complexiteit van de EU-wetgeving en maakt deze toegankelijker en begrijpelijker.

In tal van bepalingen worden ook niet-materiële wijzigingen aangebracht om de opzet, redactie en leesbaarheid van de richtlijnen te verbeteren.

A.          Richtlijn 2000/12/EG

Artikel 4: definities

Artikel 4 bevat een aantal nieuwe definities van essentiële concepten waarmee wordt beoogd de betekenis van deze concepten te verduidelijken en tot een beter begrip ervan bij te dragen.

Artikel 22

De bestaande formulering is aangepast met de bedoeling meer duidelijkheid te scheppen over en nadere invulling te geven aan de voor kredietinstellingen geldende verplichting om in doeltreffende interne risicobeheersystemen te voorzien. Gezien de diversiteit van de bestreken kredietinstellingen zal op evenredige basis aan deze vereisten moeten worden voldaan. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage V.

Artikelen 56 t/m 67

In deze artikelen is een beperkt aantal wijzigingen aangebracht. Hoewel het niet de bedoeling is de definitie van “eigen vermogen” te herzien, is het als gevolg van de gewijzigde benadering die door het Bazelse Comité ten aanzien van verwachte verliezen wordt gevolgd (besluit van Madrid) noodzakelijk gebleken enige beperkte aanpassingen aan te brengen.

Artikelen 68 t/m 75

Kredietinstellingen moeten doorlopend voldoende eigen vermogen aanhouden en bekendmaken over hoeveel eigen vermogen zij minimaal beschikken. In de artikelen wordt bepaald hoe aan de vereisten moet worden voldaan indien de kredietinstelling deel uitmaakt van een groep (de thans aan de nationale autoriteiten geboden mogelijkheid om van sommige vereisten ontheffing te verlenen, is gehandhaafd maar nauwkeuriger omschreven). In het licht van de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1606/2002 betreffende de internationale standaarden voor jaarrekeningen is duidelijker aangegeven op welke wijze de vereisten moeten worden berekend.

Artikelen 76 t/m 101

Deze bepalingen vervangen de bestaande voorschriften betreffende de solvabiliteitsratio voor het kredietrisico en voorzien in twee methoden voor de berekening van risicogewogen posten.

De standaardbenadering (artikelen 78 tot en met 83) is gebaseerd op de bestaande regeling, waarbij de risicogewichten worden berekend door de onderbrenging van de activa en posten buiten de balanstelling in een beperkt aantal risicocategorieën. De risicogevoeligheid is verhoogd als gevolg van het grotere aantal vorderingen- en risicocategorieën (artikel 79). Er gelden lagere risicogewichten voor andere vorderingen op particulieren en op kleine partijen dan hypotheken (75%) en voor hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed (35%). Voor activa waarvoor sprake is van een betalingsachterstand van 90 dagen is een risicogewicht van 150% ingevoerd (100% voor hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed). Het is toegestaan om van beschikbare ratings van ratingbureaus (“externe ratings”) gebruik te maken om risicogewichten toe te kennen (artikelen 81, 82 en 83). De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VI.

Bij de interne-ratingbenadering (IRB) (artikelen 84 tot en met 89) is het kredietinstellingen toegestaan eigen ramingen te hanteren van de risicoparameters die samenhangen met hun verschillende kredietrisicoposities. Deze parameters vormen de inputs in een voorgeschreven berekening die is bedoeld om soliditeit met een betrouwbaarheid van 99,9% te verkrijgen. In het kader van de elementaire benadering (Foundation Approach) is het kredietinstellingen toegestaan van eigen ramingen van de kans op wanbetaling gebruik te maken, terwijl voor de overige risicocomponenten wettelijk voorgeschreven waarden moeten worden gehanteerd. In het kader van de geavanceerde benadering (Advanced Approach) mogen kredietinstellingen ook voor verlies bij wanbetaling en het uitstaande bedrag bij wanbetaling eigen ramingen hanteren. Bij de raming van de waarden van de risicoparameters mogen kredietinstellingen gebruik maken van gegevens uit datapools. Dit biedt kleinere kredietinstellingen de gelegenheid een risicogevoeliger benadering te volgen bij de berekening van de kapitaalvereisten.

De voorgestelde regels voor een stapsgewijze invoering van de IRB (artikel 85) bieden kredietinstellingen voldoende flexibiliteit om voor de verschillende divisies en vorderingencategorieën binnen een redelijk tijdsbestek naar de elementaire of geavanceerde IRB over te stappen. Bij vorderingencategorieën en divisies van geringere betekenis is een “gedeeltelijke” toepassing toegestaan (de kapitaalvereisten mogen volgens de standaardbenadering worden berekend, ook al volgt de kredietinstelling voor andere vorderingencategorieën de IRB). In de voorgestelde EU-regeling wordt erkend dat het vereiste om voor bepaalde tegenpartijen een ratingsysteem te ontwikkelen, voor kleine kredietinstellingen een zeer zware last kan betekenen. Daarom wordt voor deze vorderingencategorieën een permanente gedeeltelijke toepassing voorgesteld, zelfs in gevallen waarin de vorderingen van de kredietinstellingen op dergelijke tegenpartijen wel van betekenis zijn (artikel 89).

De relevante technische bepalingen voor de IRB zijn opgenomen in bijlage VI.

Artikelen 90 t/m 93

De artikelen behandelen gemeenschappelijke aspecten van de limiteringstechnieken en voorzien in een consequente behandeling van gebruikelijke onderliggende risico’s of economische effecten. Zo wordt onder meer een groter scala aan verschaffers van zekerheden en garanties/kredietderivaten erkend dan thans het geval is. De elementaire IRB resulteert in een vanuit prudentieel oogpunt adequate inaanmerkingneming van financiële kortlopende vorderingen en materiële zekerheden. Kredietinstellingen kunnen kiezen tussen alternatieve benaderingen van een verschillende mate van complexiteit (de eenvoudige benadering die makkelijk is toe te passen en berust op de substitutie van risicogewichten, dan wel de uitgebreide benadering waarbij op de waarde van de ontvangen zekerheid volatiliteitsaanpassingen worden toegepast). Voor de berekening van de volatiliteitsaanpassingen zijn benaderingen van complexe en van minder complexe aard mogelijk (een eenvoudige toezichtbenadering waarbij de omvang van de referentiewaardeaanpassingen in een tabel wordt weergegeven, dan wel een risicogevoeliger benadering waarbij van eigen ramingen wordt uitgegaan). De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VIII.

Artikelen 94 t/m 101

In deze artikelen wordt voor het eerst een geharmoniseerd samenstel van voorschriften vastgelegd voor securitisatieactiviteiten en beleggingen. Dit resulteert in een aanmerkelijk betere solvabiliteitsregeling doordat kredietinstellingen kunnen profiteren van de voordelen op onder meer het gebied van de financiering en het balansbeheer die dergelijke transacties te bieden hebben. Dit zal er ook toe leiden dat securitisatie minder als een instrument voor kapitaalarbitrage zal worden beschouwd. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage IX.

Artikelen 102 t/m 105

Deze artikelen bevatten voorschriften voor het aanpakken van het operationele risico waaraan kredietinstellingen zijn blootgesteld. Er zijn drie verschillende benaderingen mogelijk. De eerste (artikel 103) is de basisindicatorbenadering (Basic Indicator Approach – BIA), een eenvoudige benadering die gebaseerd is op één enkele indicator voor de inkomsten. Deze benadering resulteert in een kapitaalbuffer voor het operationele risico, zonder dat de kredietinstellingen ertoe worden genoopt geavanceerde en dure systemen voor het verzamelen van informatie over het door hen gelopen operationele risico op te zetten. De tweede (artikel 104) is de standaardbenadering (STA), een nauwkeuriger benadering die gebaseerd is op de divisies en risicogevoeliger is omdat het kapitaalvereiste voor het operationele risico is uitgesplitst om rekening te houden met de relatieve risico’s die aan de afzonderlijke divisies verbonden zijn. Deze benadering zal vermoedelijk aantrekkelijk zijn voor een groot aantal kleinere en minder complexe kredietinstellingen. Als derde mogelijkheid (artikel 105) zijn er de geavanceerde meetbenaderingen (Advanced Measurement Approaches – AMA’s), die eigen metingen van het operationele risico opleveren en onderworpen zijn aan strengere normen voor het risicobeheer. Verwacht wordt dat AMA’s geleidelijk ingang zullen vinden in vooral grote, internationaal actieve kredietinstellingen en kleinere gespecialiseerde kredietinstellingen die geavanceerde risicobewakingssystemen voor hun hoofdactiviteiten hebben ontwikkeld. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage X.

Artikelen 106 t/m 119

Door middel van een beperkt aantal wijzigingen wordt ervoor gezorgd dat de voorschriften voor grote posities aansluiten bij de kapitaalvereisten, waarin met name in ruimere mate rekening wordt gehouden met de technieken voor de limitering van het kredietrisico.

Artikelen 123 en 124

Deze artikelen geven uitdrukking aan de tweede pijler van het kapitaalakkoord van het Bazelse Comité. Artikel 123 schrijft voor dat kredietinstellingen over interne procedures moeten beschikken voor de meting en het beheer van hun risico’s en voor de vaststelling van het “interne” kapitaal dat zijzelf toereikend achten om deze risico’s te dekken. Van de bevoegde autoriteiten wordt verlangd (artikel 124) dat zij verifiëren of de kredietinstellingen zich aan de diverse wettelijke verplichtingen voor de organisatie en de risicobeheersing houden en dat zij de door de kredietinstellingen aangegane risico’s evalueren. De toezichthouders dienen van deze toetsing gebruik te maken om na te gaan of er zwakke punten bestaan in de controlemaatregelen en het aangehouden kapitaal. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage XIII.

Artikelen 125 t/m 143

In de EU is er sprake van een intensivering van de grensoverschrijdende activiteiten en van een tendens in de richting van de centralisering van het risicobeheer binnen grensoverschrijdende groepen. Dit alles vereist een betere coördinatie en samenwerking tussen de nationale toezichthoudende autoriteiten in de EU. De bestaande en gevestigde rol van de toezichthouder op geconsolideerde basis is dan ook verder uitgewerkt. Artikel 136 verleent toezichthouders een minimale geharmoniseerde reeks van bevoegdheden zodat zij van de kredietinstellingen kunnen eisen dat deze eventuele onvolkomenheden in de naleving van de richtlijnvoorschriften verhelpen.

Artikel 144

Er is een minimum aan openbaarmakingsregels vastgesteld waaraan de nationale autoriteiten zich dienen te houden om een sterkere convergentie van de tenuitvoerlegging te bewerkstelligen en te zorgen voor transparantie.

Artikelen 145 t/m 149

Deze bepalingen geven uitdrukking aan de derde pijler van het nieuwe kapitaalakkoord van het Bazelse Comité. De verstrekking van informatie door kredietinstellingen aan marktdeelnemers draagt bij tot een grotere financiële soliditeit en stabiliteit, zorgt voor gelijke concurrentievoorwaarden en respecteert de gevoeligheid van bepaalde informatie. Artikel 147 schrijft voor dat de meeste kredietinstellingen minimaal eenmaal per jaar informatie moeten bekendmaken – op grond van specifieke criteria kan worden besloten dat het nodig is vaker informatie bekend te maken. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage XII.

Artikel 150

Deze richtlijn moet gelijke tred kunnen houden met de marktontwikkelingen. Er wordt voor de daartoe vereiste flexibiliteit gezorgd door een onderscheid te maken tussen kernbepalingen en technische regels (vooral vervat in de bijlagen bij de richtlijn) die mogelijkerwijs op korte à middellange termijn aanpassing behoeven. Artikel 150 voegt een aantal nieuwe technische terreinen toe aan die welke in Richtlijn 2000/12/EG (aangenomen in 1989) waren opgenomen en bepaalt dat de nieuwe technische bijlagen volgens dezelfde snelle procedure moeten kunnen worden gewijzigd.

B.           Richtlijn 93/6/EEG inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Artikel 2: toepassingsgebied

Artikel 2 specificeert hoe de vereisten op afzonderlijke beleggingsondernemingen, groepen van beleggingsondernemingen en gemengde groepen moeten worden toegepast.

Artikel 3: definities

Dit artikel bevat een aantal nieuwe en gewijzigde definities van essentiële concepten met de bedoeling de betekenis van deze concepten te verduidelijken en tot een beter begrip ervan bij te dragen.

Artikel 11: behandeling van kapitaal in de handelsportefeuille

Het begrip “handelsportefeuille” is beter gedefinieerd om meer zekerheid te bieden ten aanzien van de toepasselijke kapitaalvereisten en mogelijke arbitrage tussen de niet-handelsportefeuille en de handelsportefeuille tegen te gaan. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VII.

Artikelen 18 en 20

In artikel 18 zijn de minimumkapitaalvereisten voor het marktrisico vastgelegd waaraan kredietinstellingen en beleggingsondernemingen zich dienen te houden. Nieuw zijn de behandeling van posities in instellingen voor collectieve belegging en kredietderivaten en een aantal andere wijzigingen om tot een grotere risicogevoeligheid te komen. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met VII. Artikel 20 breidt de in Richtlijn 2000/12/EG vervatte voorschriften betreffende de kapitaalvereisten voor het kredietrisico en het operationele risico uit tot beleggingsondernemingen, zoals thans ook het geval is. Nieuwe, met het kredietrisico verband houdende aspecten zijn onder meer de bepaling betreffende de behandeling van kredietderivaten en een gewijzigde maatstaf voor het risico verbonden aan repo’s en financieringstransacties met betrekking tot effecten/grondstoffen. Wat het operationele risico betreft, zijn er ingrijpende wijzigingen aangebracht om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sector van de beleggingsondernemingen, waarbij de mogelijkheid wordt geboden het op de uitgaven gebaseerde vereiste te blijven toepassen voor beleggingsondernemingen die behoren tot de categorieën met een laag, middelgroot en middelgroot/groot risico.

Artikel 28: grote risico’s

De huidige werkwijze wordt voortgezet: kredietinstellingen en beleggingsondernemingen blijven onderworpen aan dezelfde voorschriften, die evenwel gewijzigd zijn wat de grote risico’s voor transacties met betrekking tot de handelsportefeuille betreft. Een nieuw aspect is de gewijzigde maatstaf voor het risico verbonden aan repo’s en financieringstransacties met betrekking tot effecten/grondstoffen. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VI.

Artikel 33: waardering van posities voor verslagleggingsdoeleinden

In het kader van de voorschriften die voorzien in de dagelijkse bepaling van de waarde van de posities in de handelsportefeuille, zijn strengere eisen gesteld aan de waardering van deze posities om de prudentiële soliditeit te bevorderen. De desbetreffende technische bepalingen zijn opgenomen in bijlage VII.

Artikel 22: geconsolideerde vereisten

De thans aan de bevoegde autoriteiten geboden mogelijkheid om ontheffing te verlenen van de toepassing van geconsolideerde vereisten op groepen van beleggingsondernemingen wordt gehandhaafd, maar er worden voorwaarden gesteld die deugdelijker zijn vanuit prudentieel oogpunt.

Artikel 34: risicobeheer en beoordeling van de kapitaaltoereikendheid

Artikel 34 breidt de voor kredietinstellingen geldende verplichting om in doeltreffende interne risicobeheersystemen te voorzien (artikel 17 van Richtlijn 2000/12/EG) uit tot beleggingsondernemingen. Gezien de diversiteit van de bestreken instellingen zal op evenredige basis aan deze vereisten moeten worden voldaan. Ook het vereiste van artikel 123 van Richtlijn 2000/12/EG wordt op beleggingsondernemingen toegepast: zij moeten over interne procedures beschikken voor de meting en het beheer van de risico’s waaraan zij zijn blootgesteld en voor de vaststelling van het kapitaalbedrag (“intern” kapitaal) dat zij toereikend achten om deze risico’s te dekken. De in het artikel gestelde eisen komen bij de reeds in Richtlijn 2004/39/EG vervatte vereisten waaraan het risicobeheer van beleggingsondernemingen moet voldoen.

Artikel 37: toezicht

Dit artikel past de voorschriften van Richtlijn 2000/12/EG mutatis mutandis toe op beleggingsondernemingen.

Artikel 42

Evenals Richtlijn 2000/12/EG moet Richtlijn 93/6/EEG gelijke tred kunnen houden met de marktontwikkelingen. Er wordt voor de daartoe vereiste flexibiliteit gezorgd door een onderscheid te maken tussen kernbepalingen en technische regels (vooral vervat in de bijlagen bij de richtlijn) die op korte à middellange termijn aanpassing behoeven. De technische bijlagen moeten volgens een snelle procedure kunnen worden gewijzigd. Om met de in de komende jaren verwachte verdere belangrijke ontwikkelingen op toezichtgebied rekening te kunnen houden, is een herzieningsclausule voor de behandeling van het tegenpartijrisico opgenomen.

ê 2000/12/EG

2004/0155 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking)

ò nieuw

(Voor de EER relevante tekst)

ê 2000/12/EG (aangepast)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité[5],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[6],

Overwegende hetgeen volgt:

ê 2000/12/EG overweging 1 (aangepast)

(1) Richtlijn 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen[7], Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[8], Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen[9], Tweede Richtlijn 89/646/EEG van de Raad van 15 december 1989 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[10], Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen[11], Richtlijn 92/30/EEG van de Raad van 6 april 1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis[12] alsmede Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21 december 1992 betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen[13] zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Zij dienen derhalve zowel om redenen van rationele ordening van de tekst als om redenen van duidelijkheid te worden gecodificeerd door samenbrenging ervan in één tekst. Ö Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[14] is diverse malen ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan. Õ

ê 2000/12/EG overweging 2 (aangepast)

Krachtens het Verdrag is elke discriminerende behandeling terzake van vestiging en het verrichten van diensten op grond van nationaliteit of van het feit dat de onderneming niet is gevestigd in de lidstaat waar de dienstverlening plaatsvindt, verboden.

ê 2000/12/EG overweging 3

(2) Teneinde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk de hinderlijkste verschillen tussen de wetgevingen der lidstaten inzake de regeling waaraan deze instellingen zijn onderworpen, op te heffen.

ê 2000/12/EG overweging 4 (aangepast)

(3) De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt waartoe bij de Europese Akte werd besloten en die in het programma van het Witboek van de Commissie is opgenomen.

ê 2000/12/EG overweging 5 (aangepast)

(4) De coördinatiewerkzaamheden inzake kredietinstellingen, zowel voor de bescherming van de spaargelden als ter bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor de kredietinstellingen, moeten van toepassing zijn op alle kredietinstellingen. Hierbij dient echter, zo nodig, rekening te worden gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale wetgevingen vastgestelde specifieke taken.

ê 2000/12/EG overweging 6

(5) Het toepassingsgebied van de coördinatiewerkzaamheden moet derhalve zo ruim mogelijk zijn en moet alle instellingen bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst nemen, in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals de permanente uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken, en voor eigen rekening kredieten verlenen. Uitzonderingen moeten echter worden gemaakt voor bepaalde kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing kan zijn. Deze richtlijn laat de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet wanneer hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren.

ê 2000/12/EG overweging 7 (aangepast)

(6) Met de richtlijn wordt beoogd Ö Het is aangewezen Õ een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. De eis dat een programma van werkzaamheden wordt ingediend mag in dit opzicht slechts worden beschouwd als een factor die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te besluiten op grond van een nauwkeuriger informatie binnen het kader van objectieve criteria. Een zekere versoepeling van de regels is niettemin mogelijk met betrekking tot de vereisten die worden gesteld aangaande de rechtsvormen van de kredietinstellingen en Ö met betrekking tot Õ de bescherming van de benamingen.

ò nieuw

(7) Aangezien de doelstelling van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in ditzelfde artikel genoemde evenredigheidsbeginsel beperkt deze richtlijn zich tot het minimum dat vereist is, en gaat zij niet verder dan wat daartoe nodig is.

ê 2000/12/EG overweging 8

(8) Voor de kredietinstellingen moeten gelijkwaardige financiële eisen gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen kredietinstellingen. In afwachting van een betere coördinatie dienen geëigende, de structuur betreffende verhoudingsgetallen te worden ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt om in het kader van de samenwerking tussen nationale autoriteiten volgens standaardmethoden de positie van vergelijkbare categorieën kredietinstellingen in het oog te houden. Deze procedure kan de geleidelijke onderlinge aanpassing van door de lidstaten vastgestelde en toegepaste coëfficiënten vergemakkelijken. Het is evenwel noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de coëfficiënten welke ten doel hebben een degelijk beheer van de kredietinstellingen te waarborgen en die welke oogmerken van economische en monetaire politiek dienen.

ê 2000/12/EG overweging 9 (aangepast)

(9) De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de lokalisatie Ö van de werkzaamheden Õ of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de kredietinstelling het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Aan een kredietinstelling die een rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Een kredietinstelling die geen rechtspersoon is, moet een hoofdbestuur hebben in de lidstaat waar haar vergunning is verleend. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdbestuur van een kredietinstelling zich steeds in haar lidstaat van herkomst bevindt en daar feitelijk ook werkzaam is.

ê 2000/12/EG overweging 10 (aangepast)

(10) De bevoegde autoriteiten zouden geen vergunning aan een kredietinstelling mogen verlenen of handhaven, wanneer de nauwe banden die tussen deze instelling en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken. Kredietinstellingen waaraan reeds vergunning is verleend, moeten de bevoegde autoriteiten in dat opzicht eveneens voldoening schenken. De in deze richtlijn gegeven definitie van «nauwe banden» berust op minimumcriteria en belet de lidstaten niet ook bepalingen vast te stellen voor andere situaties dan die welke door genoemde definitie worden bestreken. Dat de verwerving van een aanzienlijk percentage van het kapitaal van een vennootschap louter op zich vormt geen deelneming die in de zin van «nauwe banden» in aanmerking moet worden genomen, indien deze verwerving slechts als een tijdelijke belegging is bedoeld, die het niet mogelijk maakt invloed uit te oefenen op de structuur en het financiële beleid van de instelling.

ê 2000/12/EG overweging 11

(11) Met "juiste uitoefening van de toezichthoudende taken door de autoriteiten", wordt ook gedoeld op het toezicht op geconsolideerde basis, dat op een kredietinstelling dient te worden uitgeoefend wanneer de communautaire rechtsregels een dergelijk toezicht voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op deze kredietinstelling.

ê 2000/12/EG overweging 12 (aangepast)

De lidstaat van herkomst kan voorts wat de kredietinstellingen betreft waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend, strengere regels dan die van artikel 5, lid 1, eerste alinea, en lid 2, en de artikelen 7, 16, 30, en 51 stellen.

ê 2000/12/EG overweging 13 (aangepast)

De afschaffing van de vergunning die voor bijkantoren van kredietinstellingen uit de Gemeenschap is vereist, brengt noodzakelijkerwijs afschaffing van het dotatiekapitaal mee.

ê 2000/12/EG overweging 14 (aangepast)

(12) De gevolgde benadering houdt in dat, op grond van wederzijdse erkenning, Ö Het moet Õ kredietinstellingen waaraan in een lidstaat van herkomst vergunning is verleend, Ö worden toegestaan Õ alle werkzaamheden die in de in bijlage I opgenomen lijst zijn vermeld, of een deel daarvan, door vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten overal in de Gemeenschap mogen uitoefenen Ö uit te oefenen Õ . Voor de uitoefening van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, blijft de vrijheid van vestiging en van het verrichten van diensten gelden overeenkomstig de algemene Verdragsbepalingen.

ê 2000/12/EG overweging 15 (aangepast)

(13) Het is evenwel dienstig de wederzijdse erkenning ook te laten gelden voor de werkzaamheden die in voornoemde lijst zijn opgenomen wanneer zij worden verricht door een financiële instelling die dochteronderneming is van een kredietinstelling, mits deze dochteronderneming is opgenomen onder het toezicht op geconsolideerde basis waaraan haar moederonderneming is onderworpen, en aan strenge voorwaarden voldoet.

ê 2000/12/EG overweging 16 (aangepast)

(14) De lidstaat van ontvangst kan Ö moet Õ voor de uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten Ö kunnen Õ eisen dat de specifieke voorschriften van zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden nageleefd door instellingen die geen vergunning als kredietinstelling hebben ontvangen in de lidstaat van herkomst, dan wel ten aanzien van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, voorzover deze voorschriften verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en worden ingegeven door het algemeen belang, en deze instellingen, respectievelijk werkzaamheden niet op grond van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige regels onderworpen zijn.

ê 2000/12/EG overweging 17

(15) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er geen enkele belemmering is voor de uitoefening, op dezelfde wijze als in de lidstaat van herkomst, van de werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen, voorzover zij niet in strijd zijn met de vigerende wettelijke bepalingen van algemeen belang van de lidstaat van ontvangst.

ê 2000/12/EG overweging 18 (aangepast)

Tussen het doel van de onderhavige richtlijn en de door middel van andere communautaire besluiten tot stand gebrachte liberalisatie van het kapitaalverkeer bestaat een noodzakelijk verband. De maatregelen tot liberalisatie van de bankdiensten moeten in ieder geval in harmonie zijn met de maatregelen tot liberalisatie van het kapitaalverkeer.

ê 2000/12/EG overweging 19 (aangepast)

(16) De regeling voor bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zou in alle lidstaten analoog moeten zijn. Er moet worden bepaald dat deze regeling niet gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van instellingen uit een lidstaat. Er dient te worden bepaald dat dDe Gemeenschap Ö moet Õ met derde landen overeenkomsten kan Ö kunnen Õ sluiten die, met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid, voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt. De bijkantoren met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap komen Ö mogen Õ niet in aanmerking Ö komen Õ voor het vrij verrichten van diensten uit hoofde van artikel 49, tweede alinea, van het Verdrag, noch voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waarin zij gevestigd zijn. Vergunningaanvragen voor een dochteronderneming of verzoeken voor het verwerven van deelnemingen afkomstig van een onderneming die onder het recht van een derde land ressorteert, zijn echter onderworpen aan een procedure die erop gericht is te waarborgen dat kredietinstellingen uit de Gemeenschap in de betrokken derde landen een op wederkerigheid berustende behandeling verkrijgen.

ê 2000/12/EG overweging 20 (aangepast)

Door de bevoegde nationale autoriteiten verleende vergunningen van kredietinstellingen hebben overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn een communautaire en niet meer een uitsluitend nationale reikwijdte en de bestaande wederkerigheidsclausules zijn daarom niet meer geldig. Derhalve is een soepele procedure nodig aan de hand waarvan de wederkerigheid op een communautaire grondslag kan worden beoordeeld. Deze procedure heeft niet ten doel de financiële markten van de Gemeenschap te sluiten, maar - aangezien de Gemeenschap voornemens is haar financiële markten voor de rest van de wereld open te houden - de liberalisatie van de globale financiële markten in andere derde landen te verbeteren. Deze richtlijn voorziet daartoe in procedures voor onderhandelingen met derde landen of, in laatste instantie, in de mogelijkheid maatregelen te nemen die bestaan in het opschorten van nieuwe vergunningaanvragen of in het beperken van het aantal nieuwe vergunningen.

ê 2000/12/EG overweging 21

(17) Tussen de Gemeenschap en derde landen dienen overeenkomsten op basis van wederkerigheid te worden gesloten om de concrete toepassing van geconsolideerd toezicht op een zo breed mogelijke geografische basis mogelijk te maken.

ê 2000/12/EG overweging 22 (aangepast)

(18) De verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de financiële soliditeit en met name de solvabiliteit van een kredietinstelling berust Ö dient Õ voortaan Ö te berusten Õ bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de instelling. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Ö dienen Õ behouden hun verantwoordelijkheden Ö verantwoordelijk te zijn Õ voor het toezicht op de liquiditeit Ö van de bijkantoren Õ en voor het monetair beleid. Met betrekking tot het toezicht op het marktrisico moet er een nauwere samenwerking zijn tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst.

ê 2000/12/EG overweging 23 en 24 (aangepast)

ð nieuw

(19) De harmonische werking van de interne bankmarkt, vereist naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ð en een veel grotere convergentie van hun regelgevings- en toezichtpraktijken ï. ÖMet name Õ Derhalve blijft met betrekking tot ð moeten ï de individuele behandeling van problemen betreffende een bepaalde kredietinstelling, ð en de onderlinge uitwisseling van informatie ï Dderhalve ð geschieden in het Comité van Europese bankentoezichthouders ïde contactgroep datie is opgericht door de autoriteiten die toezicht houden op de banken, het geschikte kader.ð bij Besluit 2004/5/EG van de Commissie[15] ï. Deze groep is een passend forum voor de in artikel 28 bedoelde uitwisseling van gegevens. Deze procedure voor de uitwisseling van gegevens Ö mag Õ in geen geval in de plaats Ö treden Õvan de bij artikel 28 ingestelde bilaterale samenwerking. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst kan, oOnverminderd haar eigen toezichtsbevoegdheden, Ö moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst Õ op eigen initiatief of op initiatief van de Ö bevoegde autoriteiten van de Õ lidstaat van herkomst, in dringende gevallen blijven Ö kunnen Õ nagaan of de werkzaamheden van een instelling op haar grondgebied in overeenstemming zijn met de wet, en met de beginselen van een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en van een adequate interne controlemaatregelen.

ê 2000/12/EG overweging 25

(20) Het is dienstig de mogelijkheid toe te staan van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de stabiliteit van het financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.

ê 2000/12/EG overwegingen 26 en 27 (aangepast)

(21) Bepaalde praktijken zoals fraude en voorkennisdelicten, ook al hebben zij betrekking op andere dan kredietinstellingen, tasten toch de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan aan. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden de genoemde uitwisseling van informatie Ö in dergelijke gevallen Õ is toegestaan.

ê 2000/12/EG overweging 28

(22) Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten in voorkomend geval aan hun instemming strikte voorwaarden verbinden.

ê2000/12/EG overweging 29

(23) Ook uitwisseling van informatie dient te worden toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds de centrale banken en andere instellingen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, en in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.

ê 2000/12/EG overweging 30 (aangepast)

(24) Ter versterking van het bedrijfseconomische toezicht op kredietinstellingen en ter bescherming van de cliënten van kredietinstellingen, dient te worden voorgeschreven dat Ö moeten Õ een met de wettelijke controle van de jaarrekeningen belaste persoonen de bevoegde autoriteiten snel in kennis moet stellen wanneer hzij in de in de onderhavige richtlijn bedoelde gevallen, in de uitvoering van zijhun taken kennis krijgten van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een kredietinstelling ernstig kunnen aantasten. Gelet op het beoogde doel is het wenselijk dat Ö Om dezelfde reden moeten Õ de lidstaten Ö ook Õ bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een kredietinstelling nauwe banden heeft. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten en besluiten met betrekking tot een kredietinstelling, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een niet-kredietinstelling constateren, houdt Ö mag Õ op zich geen wijziging Ö inhouden Õ van de aard van hun taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taak bij die onderneming dienen te kwijten.

ê 2000/12/EG overwegingen 31 tot en met 35 (aangepast)

Gemeenschappelijke basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen vormen een centraal element in de opbouw van een interne markt in de banksector omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit in de activiteit van de kredietinstellingen te waarborgen en het spaarwezen te beschermen. Deze harmonisatie draagt bij tot de versterking van het toezicht dat op kredietinstellingen wordt uitgeoefend en zal de coördinatie van andere aspecten van het bankwezen in de hand werken.

Deze voorschriften dienen van toepassing te zijn op alle in de Gemeenschap toegelaten kredietinstellingen.

Het eigen vermogen van een kredietinstelling kan dienen tot dekking van verliezen waartegenover geen te verwachten winst van voldoende omvang staat. Het eigen vermogen wordt tevens door de bevoegde autoriteiten als een belangrijke maatstaf aangelegd, inzonderheid voor de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen en voor andere toezichtsdoeleinden.

Aangezien kredietinstellingen op een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de definities en voorschriften op het gebied van het eigen vermogen bijgevolg gelijkwaardig zijn. Te dien einde mogen de criteria ter bepaling van de samenstelling van het eigen vermogen niet alleen een zaak blijven van de lidstaten. Met de vaststelling van gemeenschappelijke basisvoorschriften zal het belang van de Gemeenschap het best worden gediend, doordat verstoring van de mededingingsvoorwaarden wordt voorkomen en het bankwezen in de Gemeenschap wordt versterkt.

De in deze richtlijn vervatte definitie van eigen vermogen behelst een maximum aan bestanddelen en limietbedragen, waarbij het aan iedere lidstaat wordt overgelaten alle of slechts enkele van deze bestanddelen te hanteren of lagere maxima vast te stellen dan de limietbedragen.

ê 2000/12/EG overweging 36 (aangepast)

(25) Deze richtlijn geeft aan welke criteria Ö Ingevolge deze richtlijn moeten criteria worden vastgesteld waaraan Õ bepaalde bestanddelen van het eigen vermogen moeten voldoen., wDaarbij Ö behouden Õ de lidstaten de vrijheid behouden stringentere voorwaarden toe te passen.

ê 2000/12/EG overweging 37 (aangepast)

De gemeenschappelijke bankvoorschriften worden in een eerste fase vrij ruim afgebakend teneinde de veelheid van bestanddelen te kunnen bestrijken die in de verschillende lidstaten tot het eigen vermogen worden gerekend.

ê 2000/12/EG overweging 38

(26) In deze richtlijn wordt volgens de kwaliteit van de bestanddelen van het eigen vermogen een onderscheid gemaakt tussen bestanddelen die het basisvermogen en bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen.

ê 2000/12/EG overweging 39 (aangepast)

(27) De bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen moeten Ö mogen Õ, vanwege het feit dat zij niet dezelfde kwaliteit hebben als die welke het basisvermogen vormen, niet ten belope van meer dan 100 % van het basisvermogen tot het eigen vermogen worden gerekend. De meetelling van bepaalde bestanddelen van het aanvullend vermogen moet bovendien beperkt worden tot 50 % van het basisvermogen.

ê 2000/12/EG overweging 39

(28) Openbare kredietinstellingen mogen, teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen, bij de berekening van hun eigen vermogen niet de garanties meetellen die hun door de lidstaten of door lagere overheden zijn verstrekt.

ê 2000/12/EG overweging 40

(29) Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep van kredietinstellingen te bepalen, dient deze berekening te geschieden overeenkomstig deze richtlijn.

ê 2000/12/EG overweging 41 (aangepast)

ð nieuw

(30) Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen vermogen en van de solvabiliteitsratio ð toereikendheid ervan voor het risico waaraan een kredietinstelling is blootgesteld ï en ten aanzien van de bij de risicobepaling te gebruiken boekhoudkundige techniek dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen[16] waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 44, lid 2, onder g), van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening Ö [17] Õ zijn vervat, ð of met Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen[18], mocht deze van toepassing zijn op de boekhouding van kredietinstellingen in het kader van de nationale wetgeving ï.

ê 2000/12/EG overweging 42 tot en met 47 (aangepast)

De bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen sluiten aan bij het internationale streven om op ruimere schaal te komen tot een onderlinge aanpassing van de in de voornaamste landen inzake gelijkwaardigheid van het eigen vermogen geldende regels.

De kredietinstellingen zullen in een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar in concurrentie moeten treden en het aannemen van gemeenschappelijke solvabiliteitsnormen in de vorm van een minimumratio zal concurrentievervalsing voorkomen en zal het bankwezen van de Gemeenschap versterken.

De Commissie zal een rapport opstellen en zal de bepalingen met betrekking tot het eigen vermogen periodiek onderzoeken teneinde deze te versterken en aldus tot een grotere convergentie te komen in de gemeenschappelijke definitie van het eigen vermogen. Door deze convergentie kan de gelijkwaardigheid van het eigen vermogen van de kredietinstellingen van de Gemeenschap worden verbeterd.

De bepalingen betreffende de solvabiliteitsratio zijn het resultaat van de werkzaamheden van het Raadgevend Comité voor het Bankwezen, op hetwelk de verantwoordelijkheid rust aan de Commissie voorstellen te doen met het oog op de coördinatie van de in de lidstaten geldende coëfficiënten.

De vaststelling van een passende solvabiliteitsratio speelt een centrale rol bij het toezicht op kredietinstellingen.

Een ratio waarbij activa en posten buiten de balanstelling naar kredietrisicograad worden gewogen, is een bijzonder nuttige solvabiliteitsmaatstaf.

ò nieuw

(31) De minimumkapitaalvereisten spelen een centrale rol bij het toezicht op kredietinstellingen en bij de wederzijdse erkenning van toezichthoudende technieken. De bepalingen met betrekking tot de minimumkapitaalvereisten moeten derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen.

(32) Teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen en het bankwezen in de interne markt te versterken, is het aangewezen gemeenschappelijke minimumkapitaalvereisten vast te stellen.

(33) Omwille van een toereikende solvabiliteit moeten minimumkapitaalvereisten worden vastgesteld waarbij actiefposten en posten buiten de balanstelling naar risicograad worden gewogen.

ê 2000/12/EG overwegingen 48 tot en met 51 (aangepast)

De totstandbrenging van gemeenschappelijke normen voor het eigen vermogen in verhouding tot activa en posten buiten de balanstelling waarvoor een kredietrisico bestaat, vormt derhalve een wezenlijk onderdeel van de harmonisatie die nodig is om te komen tot wederzijdse erkenning van de toezichtmethoden en bijgevolg tot voltooiing van de interne markt voor het bankwezen.

De bepalingen met betrekking tot de solvabiliteitsratio moeten derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen.

De kredietinstellingen zullen in een interne markt voor het bankwezen rechtstreeks met elkaar in concurrentie moeten treden en het aannemen van gemeenschappelijke solvabiliteitsnormen in de vorm van een minimumratio zal concurrentievervalsing voorkomen en zal het bankwezen van de Gemeenschap versterken.

De onderhavige richtlijn voorziet in verschillende wegingsfactoren voor de door de onderscheiden financiële instellingen verstrekte garanties. De Commissie verbindt zich er derhalve toe te onderzoeken of de onderhavige richtlijn in haar geheel aanzienlijke mededingingsdistorsies tussen kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen meebrengt en in het licht van dat onderzoek na te gaan of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn.

ò nieuw

(34) Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de minimumkapitaalvereisten ten aanzien van het kredietrisico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Dankzij het gebruik van externe ratings en van door de kredietinstellingen zelf opgestelde ramingen van individuele kredietrisicoparameters verbeteren de risicogevoeligheid en de soliditeit van de kredietrisicovoorschriften in aanzienlijke mate. Kredietinstellingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden.

(35) De minimumkapitaalvereisten moeten evenredig zijn aan de gelopen risico´s. Met name moet daarin het risicoverlagende effect van een groot aantal relatief beperkte vorderingen tot uiting komen.

(36) Met technieken om het kredietrisico te limiteren, moet meer rekening worden gehouden. Daarbij moet het regelgevingskader ervoor zorgen dat de solventie niet wordt ondermijnd doordat een techniek ten onrechte wordt geaccepteerd.

(37) Om ervoor te zorgen dat de risico´s en risicobeperkingen als gevolg van securitisatieactiviteiten en investeringen van kredietinstellingen tot uiting komen in hun minimumkapitaalvereisten, zijn er regels nodig die een risicogevoelige en vanuit prudentieel oogpunt deugdelijke behandeling van dergelijke activiteiten en investeringen garanderen.

ê 2000/12/EG overweging 52 (aangepast)

In bijlage III is bepaald op welke wijze posten buiten de balanstelling bij de berekening van het vereiste eigen vermogen voor kredietinstellingen moeten worden behandeld. De lidstaten zijn teneinde een soepel functioneren van de interne markt en inzonderheid gelijke mededingingsvoorwaarden te garanderen, verplicht ernaar te streven dat hun bevoegde autoriteiten overeenkomsten inzake contractuele verrekening uniform beoordelen. Bijlage III is in overeenstemming met de werkzaamheden van een internationaal forum van banktoezichthouders op het gebied van de erkenning van bilaterale verrekening door toezichthouders, meer bepaald de mogelijkheid om het vereiste eigen vermogen voor bepaalde transacties op basis van een netto- en niet van een brutobedrag te berekenen, op voorwaarde dat er rechtens bindende overeenkomsten bestaan krachtens welke het kredietrisico tot het nettobedrag wordt beperkt. De regels die in breder internationaal verband zijn vastgesteld voor internationaal werkzame kredietinstellingen en groepen kredietinstellingen in vele landen, die met communautaire kredietinstellingen concurreren, zullen leiden tot een meer verfijnde prudentiële behandeling van afgeleide «over the counter» (OTC)-instrumenten. Deze verfijning resulteert in een adequater verplichte dekking met eigen vermogen, waarbij het risicoverlagende effect van door de toezichthouders aanvaarde contractuele verrekening voor het potentiële toekomstige kredietrisico in aanmerking wordt genomen. Clearing van afgeleide OTC-instrumenten door als centrale tegenpartij optredende clearinginstellingen speelt in bepaalde lidstaten een belangrijke rol. Het is aangewezen de baten van die clearing, in de vorm van demping van het kredietrisico en het daarmee verband houdende systeemrisico, bij de prudentiële behandeling van kredietrisico te erkennen. De huidige en potentiële toekomstige risico's die uit geclearde afgeleide OTC-contracten voortvloeien, moeten volledig met onderpand worden gedekt, en het gevaar dat de risicoposities van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het gestelde onderpand uitstijgen, moet worden geëlimineerd teneinde aan geclearde afgeleide OTC-instrumenten gedurende een overgangsperiode dezelfde prudentiële behandeling te kunnen toekennen als aan ter beurze verhandelde afgeleide instrumenten. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn dat de vereiste begin- en variatiemarges, alsmede de kwaliteit en de mate van bescherming van het gestelde onderpand, toereikend zijn. Voor kredietinstellingen die hun statutaire zetel in de lidstaten hebben, schept bijlage III een soortgelijke mogelijkheid tot erkenning van bilaterale verrekening door de bevoegde autoriteiten, waardoor zij onder dezelfde voorwaarden kunnen concurreren. De desbetreffende regels zijn evenwichtig en geschikt om de toepassing van maatregelen van bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen nog krachtiger te maken. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten dienen zich ervan te vergewissen dat de berekening van de opslagen («add-ons») niet op de in de boeken vermelde, maar op de effectieve theoretische bedragen gebaseerd is.

ò nieuw

(38) Kredietinstellingen staan bloot aan een groot operationeel risico, dat met eigen vermogen moet worden opgevangen. Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de vereisten ten aanzien van het operationeel risico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Kredietinstellingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Omdat de technieken voor de meting en het beheer van het operationele risico nog niet helemaal zijn uitgerijpt, moeten deze regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgewerkt; dit geldt ook voor de vereisten ten aanzien van de verschillende bedrijfsactiviteiten en de inaanmerkingneming van risicolimiteringstechnieken.

(39) Om de solvabiliteit van kredietinstellingen binnen een groep te waarborgen, is het van essentieel belang dat bij de minimumkapitaalvereisten wordt uitgegaan van de geconsolideerde financiële positie van de groep. Om te waarborgen dat het eigen vermogen op de juiste wijze binnen de groep wordt verdeeld en waar nodig kan worden ingezet voor de bescherming van spaargelden, dienen de minimumkapitaalvereisten te gelden voor de afzonderlijke kredietinstellingen binnen een groep, tenzij dit doel op een andere, effectieve wijze kan worden gerealiseerd.

ê 2000/12/EG overweging 53 (aangepast)

De bij de onderhavige richtlijn vastgestelde minimumratio versterkt het eigen vermogen van de kredietinstellingen in de Gemeenschap. Voor 8% is gekozen op grond van een statistische enquête naar de begin 1988 geldende vermogenseisen.

ê 2000/12/EG overweging 54 (aangepast)

(40) De fundamentele regels voor de bewaking van grote risico's Ö posities Õ van kredietinstellingen dienen te worden geharmoniseerd. De lidstaten dienen over de mogelijkheid te beschikken om stringentere regels vast te stellen dan in deze richtlijn zijn voorgeschreven.

ê 2000/12/EG overweging 55 (aangepast)

(41) De bewaking van de Ö posten Õ risico's van kredietinstellingen vormen Ö dient Õ een integrerend deel van het bedrijfseconomisch toezicht op deze instellingen Ö te vormen Õ. Een overmatige concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan Ö derhalve Õ tot een onaanvaardbaar verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling.

ê 2000/12/EG overweging 56 (aangepast)

(42) Aangezien op een interne markt in de banksector de kredietinstellingen Ö op de interne markt Õ rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de eisen inzake de bewaking in de gehele Gemeenschap gelijkwaardig zijn. Daartoe moeten de criteria voor het bepalen van de concentratie van risico's het voorwerp vormen op communautair niveau van dwingende rechtsregels en de vaststelling van die criteria mag niet volledig aan de lidstaten worden overgelaten. De vaststelling van gemeenschappelijke regels dient derhalve het best de belangen van de Gemeenschap omdat aldus verschillen in concurrentievoorwaarden worden voorkomen en het bankwezen van de Gemeenschap wordt versterkt.

ê 2000/12/EG overweging 57 (aangepast)

ð nieuw

(43) De bepalingen betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen bevatten een nomenclatuur van de door kredietinstellingen gelopen kredietrisico's. Derhalve dient van deze nomenclatuur gebruik te worden gemaakt ten behoeve van de definitie van de risico's voor de beperking van grote risico's. ð Het is weliswaar aangewezen om in het kader van de beperking van grote posities de definitie van "positie" te baseren op die welke wordt gebruikt in het kader van de minimumkapitaalvereisten voor het kredietrisico, maar ï Eer dient echter niet uit principe Ö niet Õ te worden verwezen naar de wegingsfactoren of naar de risicograden welke bij deze bepalingen zijn vastgesteld. Deze wegingsfactoren en risicograden zijn immers opgezet met het oog op de vaststelling van een algemeen solvabiliteitsvereiste ter dekking van het kredietrisico van kredietinstellingen. In het raam van een regelgeving inzake grote risico's bestaat het oogmerk erin Ö Om Õ het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden,. Derhalve is een behoedzame benadering aangewezen waarbij als algemene regel de risico's tegen hun nominale waarde moeten worden opgenomen Ö moeten regels voor de bepaling van grote posities worden vastgesteld waarbij de posities tegen hun nominale waarde worden opgenomen Õ, zonder toepassing van wegingsfactoren of risicograden.

ò nieuw

(44) Het is weliswaar wenselijk om, in afwachting van een verdere aanpassing van de bepalingen inzake grote posities, de effecten van kredietrisicolimitering op vergelijkbare wijze in aanmerking te nemen als in het kader van de minimumkapitaalvereisten en zo de berekeningsvereisten te beperken, maar daarbij moet worden bedacht dat de voorschriften voor kredietrisicolimitering bedoeld zijn voor een algemeen gespreid kredietrisico dat voortvloeit uit vorderingen op een groot aantal tegenpartijen. Derhalve zouden in het kader van de beperking van grote posities met de bedoeling het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden, de effecten van dergelijke technieken alleen in aanmerking mogen worden genomen als ze onderworpen zijn aan prudentiële voorzorgsmaatregelen.

ê 2000/12/EG overweging 58 (aangepast)

(45) Wanneer een kredietinstelling risico's aangaat Ö posities inneemt ten opzichte van Õ met betrekking tot haar eigen moederonderneming of andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, is bijzondere voorzichtigheid geboden. Het beheer van de door de kredietinstellingen aangegane risico's Ö ingenomen posities Õ moet volledig zelfstandig worden gevoerd, met inachtneming van de beginselen van een gezonde bedrijfsvoering in het bankbedrijf, en los van elke Ö andere Õ overwegingdie vreemd is aan deze beginselen. De bepalingen van de onderhavige richtlijn bepalen dat iIngeval de invloed die wordt uitgeoefend door de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling hebben, een gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de instelling kan belemmeren, Ö dienen Õ de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen Ö te Õ treffen om aan deze toestand een einde te maken. Op het gebied van grote risico's Ö posities Õ dient tevens in specifieke Ö , eventueel strengere Õ voorschriften te worden voorzien ten aanzien van de door een kredietinstelling aangegane risico's met betrekking tot Ö ingenomen posities ten opzichte van Õ ondernemingen van de eigen groep, in concreto, strikter beperkende voorschriften voor deze risico's dan voor andere risico's. Deze striktere beperking Ö Dergelijke normen Õ behoeftven echter niet te worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële holding of een kredietinstelling is, en de andere dochterondernemingen kredietinstellingen, financiële instellingen, of ondernemingen die nevenactiviteiten van het bankbedrijf verrichten, mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de kredietinstelling vallen. Het toezicht op geconsolideerde basis op het aldus gevormde geheel maakt in dit geval immers een voldoende doeltreffend toezicht mogelijk, zonder dat noodzakelijk stringentere voorschriften ter beperking van de risico's moeten worden vastgesteld. Tevens zullen op deze wijze de bankgroepen worden aangemoedigd hun structuur zodanig te organiseren dat de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis mogelijk wordt gemaakt, hetgeen wenselijk is, omdat aldus een vollediger toezicht kan worden ingevoerd.

ò nieuw

(46) Kredietinstellingen moeten ervoor zorgen dat ze een eigen vermogen hebben dat wat hoeveelheid, kwaliteit en verdeling betreft is afgestemd op de risico´s waaraan ze blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten ze beschikken over strategieën en procedures om de toereikendheid van hun eigen vermogen te beoordelen en dit vermogen op peil te houden.

(47) De bevoegde autoriteiten moeten zich ervan overtuigen dat de organisatie en het eigen vermogen van kredietinstellingen zijn afgestemd op de risico´s waaraan deze blootgesteld zijn of kunnen worden.

(48) Met het oog op een effectieve werking van de interne markt voor het bankwezen moet het Comité van Europese bankentoezichthouders er mede zorgen dat de onderhavige richtlijn in de gehele Gemeenschap consistent wordt toegepast en dat op dit niveau de toezichtpraktijken naar elkaar toegroeien.

(49) Om diezelfde reden en ook om ervoor te zorgen dat de communautaire kredietinstellingen die in meer dan een lidstaat actief zijn, niet onevenredig zwaar worden belast doordat de autoriteiten die belast zijn met de verlening van vergunningen en met de uitoefening van toezicht, hun taken op nationaal niveau blijven uitvoeren, is het van essentieel belang dat de samenwerking tussen deze autoriteiten sterk wordt geïntensiveerd. In dit verband moet de rol van de consoliderende toezichthouder worden versterkt. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet ervoor zorgen dat een dergelijke samenwerking duidelijker gestalte krijgt.

ê 2000/12/EG overweging 65 (aangepast)

(50) Het toezicht op de kredietinstellingen op geconsolideerde basis moet Ö heeft Õ met name ten doel hebben de belangen van de inleggers van die instellingen Ö kredietinstellingen Õ te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.

ê 2000/12/EG overweging 59

(51) Het toezicht op geconsolideerde basis moet, om doeltreffend te zijn, kunnen worden toegepast op alle bankgroepen, met inbegrip van die waarvan de moederonderneming geen kredietinstelling is. De bevoegde autoriteiten moeten de nodige juridische instrumenten krijgen om een dergelijk toezicht te kunnen uitoefenen.

ê 2000/12/EG overweging 60 (aangepast)

(52) Voor groepen met gespreide activiteiten waarvan de moederonderneming de zeggenschap heeft over ten minste één dochteronderneming die een kredietinstelling is, moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn de financiële situatie van de kredietinstelling in het groepsverband te beoordelen. De lidstaten mogen, tot een latere coördinatie, de nodige consolidatiemethoden voorschrijven met het oog op verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn. De bevoegde autoriteiten moeten ten minste beschikken over middelen om van alle ondernemingen van de groep de gegevens te verkrijgen die nodig zijn om hun taak te kunnen uitoefenen. Voor groepen van ondernemingen die uiteenlopende financiële activiteiten uitoefenen, moet tussen de voor het toezicht op de verschillende financiële sectoren verantwoordelijke autoriteiten een vorm van samenwerking worden ingesteld. De lidstaten mogen Ö moeten Õ, tot een latere coördinatie, de nodige consolidatiemethoden Ö kunnen Õ voorschrijven met het oog op verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn.

ê 2000/12/EG overweging 61 (aangepast)

(53) De lidstaten kunnen tevens Ö moeten Õ een bankvergunning Ö kunnen Õ weigeren of intrekken in het geval van bepaalde groepsstructuren die zij voor het uitoefenen van bankactiviteiten ongeschikt achten, met name omdat op deze activiteiten onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. De bevoegde autoriteiten beschikken Ö moeten Õ ten dezen over de in artikel 7, lid 1, eerste alinea, en lid 2, in artikel 14, lid 1, onder c), en in artikel 16 vermelde Ö nodige Õ bevoegdheden Ö beschikken Õ om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstellingen te waarborgen.

ê 2000/12/EG overwegingen 62 tot en met 64 (aangepast)

De lidstaten kunnen ook, met gebruikmaking van daartoe geëigende technieken, voorzien in het toezicht op groepen met een structuur die niet onder deze richtlijn valt. Indien dergelijke structuren algemener ingang zouden vinden, zal deze richtlijn moeten worden aangevuld teneinde ook die structuren te bestrijken.

Het toezicht op geconsolideerde basis dient alle activiteiten te omvatten die in bijlage I omschreven zijn. Derhalve moeten alle ondernemingen die in hoofdzaak deze activiteiten uitoefenen onder toezicht op geconsolideerde basis vallen. Derhalve omvat de definitie van «kredietinstelling» ook deze activiteiten.

Bij Richtlijn 86/635/EEG in samenhang met Richtlijn 83/349/EEG zijn de consolidatieregels vastgelegd ten aanzien van door kredietinstellingen gepubliceerde geconsolideerde jaarrekeningen. Het is thans mogelijk nader aan te geven welke methoden dienen te worden gehanteerd in het kader van het bedrijfseconomisch toezicht dat op een geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.

ò nieuw

(54) Om de effectiviteit van de interne markt voor het bankwezen te vergroten en de burgers van de Gemeenschap voldoende transparantie te bieden, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten publiekelijk bekendmaken hoe zij deze richtlijn ten uitvoer hebben gelegd. Dit dient zodanig te geschieden dat een zinvolle vergelijking mogelijk wordt.

(55) Om de marktdiscipline te versterken en kredietinstellingen aan te moedigen hun marktstrategie en de organisatie van hun risicobeheersing en interne beheer te verbeteren, is het tevens aangewezen dat in een adequate informatieverstrekking door de kredietinstellingen wordt voorzien.

ê 2000/12/EG overweging 66 (aangepast)

(56) Het onderzoek van de problemen die zich voordoen op de gebieden die door de onderhavige richtlijn en door andere, eveneens de werkzaamheden van kredietinstellingen betreffende richtlijnen worden bestreken, in het bijzonder met het oog op een nadere coördinatie, vereist de samenwerking van de bevoegde autoriteiten en van de Commissie in een raadgevend comité. De instelling van dit Raadgevend Comité voor het bankwezen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten laat andere vormen van samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten op het gebied van de toegang tot en de controle op kredietinstellingen onverlet, met name de samenwerking die tot stand is gebracht in de door de autoriteiten voor controle op de banken opgericht contactgroep.

ê 2000/12/EG overweging 67 (aangepast)

(57) Van tijd tot tijd kunnen technische wijzigingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn noodzakelijk zijn om op nieuwe ontwikkelingen in de banksector te kunnen reageren. De Commissie zal de nodige wijzigingen aanbrengen, na raadpleging van het Raadgevend Comité voor het bankwezen, binnen de grenzen van de door het Verdrag aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden Ö [19] Õ .

ò nieuw

(58) Om marktverstoring te voorkomen en ervoor te zorgen dat het totale eigen vermogen op peil blijft, moeten specifieke overgangsregelingen worden getroffen.

(59) Gezien de risicogevoeligheid van de voorschriften voor de minimumkapitaalvereisten moet regelmatig worden nagegaan of deze van grote invloed zijn op de conjuncturele cyclus. De Commissie dient, rekening houdende met het standpunt van de Europese Centrale Bank, over deze aspecten verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad.

ê 2000/12/EG overweging 68 (aangepast)

Op grond van artikel 36, lid 1, van de onderhavige richtlijn mogen kredietinstellingen met de rechtsvorm van een coöperatieve vereniging of die georganiseerd zijn als fonds de hoofdelijke verplichtingen van kredietnemers behandelen als bestanddelen van het eigen vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 2, punt 7. De Deense regering hecht er sterk aan dat de enkele Deense instellingen voor hypothecair krediet die de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen hebben of georganiseerd zijn als fonds, in naamloze vennootschappen worden omgezet. Teneinde de omzetting te vergemakkelijken of mogelijk te maken, is een tijdelijke ontheffing vereist waarbij het deze instellingen wordt toegestaan een gedeelte van hun hoofdelijke verplichtingen tot het eigen vermogen te rekenen. Deze tijdelijke ontheffing zal de mededinging tussen kredietinstellingen niet nadelig beïnvloeden.

ê 2000/12/EG overwegingen 69 tot en met 71

Toepassing van de wegingsfactor 20% op het bezit aan hypothecaire obligaties van een kredietinstelling kan moeilijkheden veroorzaken op een nationale financiële markt waar dergelijke financiële instrumenten een overheersende rol spelen. In dit geval worden voorlopige maatregelen genomen om een risicowegingsfactor van 10% toe te passen. De effectiseringsmarkt neemt een hoge vlucht. Het is derhalve wenselijk dat de Commissie met de lidstaten de prudentiële behandeling van door activa gedekte waardepapieren bestudeert en uiterlijk op 22 juni 1999 voorstellen indient die strekken tot aanpassing van de bestaande wetgeving, zodat een geschikte prudentiële behandeling kan worden vastgesteld voor door activa gedekte waardepapieren. De bevoegde autoriteiten mogen tot en met 31 december 2006 een wegingsfactor van 50% toepassen op activa die gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen en panden voor diverse handelsdoeleinden. De onroerende goederen waarop de hypotheek rust, moeten aan strikte waarderingscriteria en aan geregelde taxatie worden onderworpen, teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op de commerciële vastgoedmarkt. Deze goederen moeten worden gebruikt of verhuurd door de eigenaar. Leningen voor vastgoedprojecten zijn van deze wegingsfactor van 50% uitgesloten.

De lidstaten dienen, met het oog op een harmonieuze toepassing van de bepalingen ten aanzien van grote risico's, de mogelijkheid te hebben een toepassing in twee fasen van de nieuwe grenswaarden toe te staan. Voor de kleinste kredietinstellingen kan immers een langere overgangsperiode gerechtvaardigd zijn in die zin dat een snellere toepassing van de norm van 25 % hun kredietverleningsactiviteit te plotseling zou kunnen verminderen.

Voorts wordt verder gewerkt aan de harmonisatie van de voorwaarden voor de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen.

ê 2000/12/EG overweging 72 (aangepast)

(60) Eveneens moet Ö zal Õ de harmonisatie van de nodige instrumenten voor het toezicht op liquiditeitsrisico's ter hand worden genomen.

ê 2000/12/EG overweging 73 (aangepast)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage V, deel B, vermelde termijnen voor omzetting van de richtlijnen in nationaal recht betreft,

ò nieuw

(61) Deze richtlijn is opgesteld met inachtneming van de grondrechten en van de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht zijn erkend.

(62) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(63) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

ê 2000/12/EG

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

ò nieuw

INHOUDSOPGAVE

TITEL I || ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

TITEL II || VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN

TITEL III || BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

Afdeling 1 || Kredietinstellingen

Afdeling 2 || Financiële instellingen

Afdeling 3 || Uitoefening van het recht tot vestiging

Afdeling 4 || Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

Afdeling 5 || Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

TITEL IV || BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Afdeling 1 || Kennisgeving van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen

Afdeling 2 || Samenwerking inzake controle op geconsolideerde basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen

TITEL V || BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT EN OPENBAARMAKING

Hoofdstuk 1 || Grondregels voor bedrijfseconomisch toezicht

Afdeling 1 || Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst

Afdeling 2 || Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

Afdeling 3 || Verplichtingen van de personen belast met de controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

Afdeling 4 || Sanctiebevoegdheid en beroepsrecht

Hoofdstuk 2 || Technische instrumenten voor bedrijfseconomisch toezicht

Afdeling 1 || Eigen vermogen

Afdeling 2 || Risicovoorziening

Onderafdeling 1 || Toepassingsniveau

Onderafdeling 2 || Berekening van de vereisten

Onderafdeling 3 || Minimumniveau eigen vermogen

Afdeling 3 || Minimumkapitaalvereisten voor kredietrisico

Onderafdeling 1 || Standaardbenadering

Onderafdeling 2 || Interne-ratingbenadering

Onderafdeling 3 || Kredietrisicolimitering

Onderafdeling 4 || Securitisatie

Afdeling 4 || Minimumkapitaalvereisten voor het operationeel risico

Afdeling 5 || Grote posities

Afdeling 6 || Gekwalificeerde deelnemingen buiten het financiële gebied

Hoofdstuk 3 || Beoordelingsproces van kredietinstellingen

Hoofdstuk 4 || Toezicht van en verstrekking van informatie door de bevoegde autoriteiten

Afdeling 1 || Toezicht

Afdeling 2 || Verstrekking van informatie door de bevoegde autoriteiten

Hoofdstuk 5 || Verstrekking van informatie door de kredietinstellingen

TITEL VI || BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING

TITEL VII || OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Hoofdstuk 1 || Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 2 || Slotbepalingen

BIJLAGE I || Lijst van werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen

BIJLAGE II || Indeling van posten buiten de balanstelling

BIJLAGE III || Behandeling van afgeleide instrumenten

BIJLAGE IV || Categorieën derivaten

BIJLAGE V || Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s

BIJLAGE VI || Standaardbenadering

BIJLAGE VI, deel 1 || Risicogewichten

BIJLAGE VI, deel 2 || Erkenning van EKBI’s en koppeling van hun kredietbeoordelingen aan risicogewichten (“mapping”)

BIJLAGE VI, deel 3 || Gebruik van kredietbeoordelingen van EKBI’s voor de bepaling van risicogewichten

BIJLAGE VII || Interne-ratingbenadering

BIJLAGE VII, deel I || Risicogewogen posten en verwachte verliesposten

BIJLAGE VII, deel 2 || PD, LGD en looptijd

BIJLAGE VII, deel 3 || Waarde van de posten

BIJLAGE VII, deel 4 || Minimumvereisten voor de interne-ratingbenadering

BIJLAGE VIII || Kredietrisicolimitering

BIJLAGE VIII, deel I || Toelaatbaarheid

BIJLAGE VIII, deel 2 || Minimumvereisten

BIJLAGE VIII, deel 3 || Berekening van het effect van kredietrisicolimitering

BIJLAGE VIII, deel 4 || Looptijdverschil

BIJLAGE VIII, deel 5 || Combinaties van kredietrisicolimitering in de standaardbenadering

BIJLAGE VIII, deel 6 || Basket technieken inzake kredietrisicolimitering

BIJLAGE IX || Securitisatie

BIJLAGE IX, deel I || Definities met het oog op de toepassing van bijlage IX

BIJLAGE IX, deel 2 || Minimumvereisten voor de erkenning van de overdracht van een aanzienlijk deel van het kredietrisico en de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen

BIJLAGE IX, deel 3 || Externe kredietbeoordelingen

BIJLAGE IX, deel 4 || Berekening

BIJLAGE X || Operationeel risico

BIJLAGE X, deel I || Basisindicatorbenadering

BIJLAGE X, deel 2 || Standaardbenadering

BIJLAGE X, deel 3 || Geavanceerde meetbenaderingen

BIJLAGE X, deel 4 || Gecombineerde toepassing van verschillende methodologieën

BIJLAGE X, deel 5 || Indeling van verliesgebeurtenissen

BIJLAGE XI || Technische criteria inzake de evaluatie door de bevoegde autoriteiten

BIJLAGE XII || Technische criteria inzake openbaarmaking

BIJLAGE XII, deel I || Algemene criteria

BIJLAGE XII, deel I || Algemene vereisten

BIJLAGE XII, deel 3 || Te vervullen vereiste voor het gebruik van bijzondere instrumenten of methodologieën

BIJLAGE XIII, deel A || Ingetrokken richtlijnen met de achtereenvolgende wijzigingen op die richtlijnen (bedoeld in artikel 158)

BIJLAGE XIII, deel B || Tijdslimieten voor omzetting in nationaal recht (bedoeld in artikel 159)

BIJLAGE XIV || Concordantietabel

ê 2000/12/EG (aangepast)

TITEL I

Ö ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN Õ DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

ê 2000/12/EG artikel 2, leden 1 en 2 (aangepast)

Artikel 1

1.           Bij deze richtlijn heeft betrekking op Ö worden voorschriften vastgesteld voor Õ de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen Ö en voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop Õ. Zij is van toepassing op alle kredietinstellingen.

2.           De artikelen 25 en 52 tot en met 56 Ö Artikel 39 en titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ zijn ook van toepassing op financiële en op gemengde holdings die hun zetel in de Gemeenschap hebben.

3.           Met uitzondering van de centrale banken van de lidstaten worden de instellingen die bij lid 3 Ö artikel 5 Õ permanent zijn uitgesloten, voor de toepassing van de artikelen 25 en 52 tot en met 56 Ö artikel 39 en titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ als financiële instellingen behandeld.

ê 2000/12/EG artikel 2, lid 3

Artikel 2

Deze richtlijn heeft geen betrekking op de werkzaamheden van:

– de centrale banken der lidstaten;

– de postcheque- en girodiensten;

– in België, het "Herdiscontering- en Waarborginstituut/Institut de Réescompte et de Garantie";

– in Denemarken, het "Dansk Eksportfinansieringsfond" en het "Danmarks Skibskreditfond" en het "Dansk Landbrugs Realkreditfond";

– in Duitsland, de "Kreditanstalt für Wiederaufbau", instellingen die op grond van de "Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz" erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut;

– in Griekenland, de "Ελληνική Τράπεζα Βιομηχανικής Αναπτύξεως,", (Elliniki Trapeza Viomichanikis Anaptyxeos), de "Ταμείο Παρακαταθηκών και Δανείων" (Tamio Parakatathikon kai Danion), en de "Ταχυδρομικό Ταμιευτήριο" (Tachidromiko Tamieftirio);

– in Spanje, het "Instituto de Crédito Oficial";

– in Frankrijk, de "Caisse des dépôts et consignations";

– in Ierland, de "credit unions" en de "friendly societies";

– in Italië, de "Cassa Depositi e Prestiti";

– in Nederland, de "Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV", de "NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij", de "NV Industriebank Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering" en de "Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij NV";

– in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als bouwvereniging van algemeen nut en de "Österreichische Kontrollbank AG";

– in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande "Caixas Económicas" met uitzondering van die gedeelten die naamloze vennootschap zijn en de "Caixa Económica Montepio Geral";

– in Finland, "Teollisen yhteistyön rahasto Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab" en "Kera Oy/Kera Ab";

– in Zweden, de "Svenska Skeppshypotekskassan";

– in het Verenigd Koninkrijk, de "National Savings Bank", de "Commonwealth Development Finance Company Ltd", de "Agricultural Mortgage Corporation Ltd", de "Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd", de "Crown Agents for overseas governments and administrations", de "credit unions" en de "municipal banks".

ê Akte van toetreding van 2003

– in Letland, de "kra¯jaizdevu sabiedrı¯bas", ondernemingen die op grond van de "kra¯jaizdevu sabiedrı¯bu likums" erkend zijn als coöperatieve ondernemingen die alleen aan hun leden financiële diensten verlenen;

– in Litouwen, de "kredito unijos", behalve de "Centrine˙ kredito unija";

– in Hongarije, de "Magyar Fejlesztési Bank Rt." en de "Magyar Export-Import Bank Rt.";

– in Polen, de "Spółdzielcze Kasy Oszcze˛dnos´ciowo – Kreditowe" en de "Bank Gospodarstwa Krajowego".

ê Richtlijn 2004/xx/EG artikel 3, punt 1 (aangepast)

4.         De Commissie besluit over elke eventuele wijziging van de in lid 3 vermelde lijst volgens de procedure van artikel 60, lid 2."

ê 2000/12/EG artikel 2, leden 5 en 6 (aangepast)

Artikel 3

1.         Ö Een of meer Õ De op 15 december 1997 in eenzelfde lidstaat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 6, lid 1, en in de artikelen 8 en 59 Ö 7 en in artikel 11, lid 1 Õ worden vrijgesteld, mits uiterlijk op 15 december 1979 de nationale wetgeving erin heeft voorzien dat:

(a)          de verplichtingen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn, of dat de verplichtingen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale orgaan worden gewaarborgd;

(b)          de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen op basis van geconsolideerde rekeningen globaal worden bewaakt;

(c)          de leiding van het centrale orgaan bevoegd is instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen.

Bij een centraal orgaan als bedoeld in de eerste alinea na 15 december 1977 Ö blijvend Õ aangesloten kredietinstellingen met een plaatselijk werkterrein kunnen onder de in de eerste alinea gestelde voorwaarden vallen als zij een normale uitbreiding vormen van het net dat onder dit centrale orgaan ressorteert.

ê Richtlijn 2004/xx/EG, artikel 3, punt 2 (aangepast)

Voorzover het gaat om andere kredietinstellingen dan die welke worden opgericht in nieuw ingepolderde gebieden, respectievelijk zijn voortgekomen uit fusie of afsplitsing van bestaande, onder het centrale orgaan ressorterende instellingen, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 60, lid 2, Ö 150 Õ aanvullende regels vaststellen voor de toepassing van het bepaalde in de tweede alinea, zulks met inbegrip van de opheffing van de in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen, wanneer zij oordeelt dat aansluiting van nieuwe instellingen volgens de in de tweede alinea vermelde regeling de concurrentie negatief kan beïnvloeden.

ê 2000/12/EG artikel 2, leden 5 en 6 (aangepast)

2.         Kredietinstellingen als gedefinieerd Ö bedoeld Õ in lid 5 Ö 1 Õ , eerste alinea, die in eenzelfde lidstaat zijn aangesloten bij een in die lidstaat gevestigd centraal orgaan kunnen eveneens van toepassing van artikel 5 en van de artikelen 40 Ö 9 en 10 Õ tot en met 51 en 65Ö en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 2, 3, 4, 5 en 6, en hoofdstuk 3 Õ worden vrijgesteld, mits, onverminderd de toepassing van deze richtlijn op het centraal orgaan, het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, op geconsolideerde basis aan genoemde voorschriften is onderworpen.

In geval van vrijstelling zijn op het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, de artikelen 13, 18 en 19, artikel 20, leden 1 tot en met 6, Ö 16, 23, 24, 25, 26, leden 1 tot en met 3 Õ en de artikelen 21 en 22 Ö 28 en 29 tot en met 37 Õ van toepassing.

ê 2000/12/EG artikel 1

Artikel 4

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

ê 2000/28/EG artikel 1, leden 1 tot en met 5 (aangepast)

(1) "kredietinstelling":

a)      een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening, of;

b)      een instelling voor elektronisch geld in de zin van Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad[20];van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld

            Voor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis worden als kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, en iedere particuliere of openbare onderneming die aan de definitie van de eerste alinea beantwoordt en waaraan in een derde land vergunning is verleend.

            Voor de toepassing van het toezicht op en de controle van grote risico's worden als kredietinstelling beschouwd: een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, met inbegrip van de bijkantoren in derde landen van een dergelijke kredietinstelling alsmede iedere particuliere of openbare onderneming, met inbegrip van haar bijkantoren, die aan de definitie van de eerst alinea beantwoordt, en waaraan in een derde land vergunning is verleend;

(2) "vergunning": een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen;

(3) "bijkantoor": een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling; verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor;

(4) "bevoegde autoriteiten": de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om op kredietinstellingen toezicht uit te oefenen;

(5) "financiële instelling": een onderneming die geen kredietinstelling is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de onder de punten 2 tot en met 12 van de lijst in bijlage I opgenomen werkzaamheden;

ò nieuw

(6) "instellingen", voor de toepassing van de afdelingen 2 en 3 van titel V, hoofdstuk 2: instellingen in de zin van [artikel 2, lid 3, van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad[21];

ê 2000/12/EG artikel 1, leden 6 tot en met 8 (aangepast)

(7) "lidstaat van herkomst": de lidstaat waarin aan een kredietinstelling de vergunning werd verleend, overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 Ö 6 tot en met 9 en 11 tot en met 14 Õ;

(8) "lidstaat van ontvangst": de lidstaat waarin een kredietinstelling een bijkantoor heeft of diensten verricht;

(9) "zeggenschap": het verband dat bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG of een verband van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 1, onder a) (aangepast)

(10) "deelneming voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis en voor de toepassing van artikel 34 Ö 57 Õ , lid 2, punten 15 en 16 Ö onder o) en p) , van de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 4Õ: een deelneming in de zin van artikel 17, eerste zin, van Richtlijn 78/660/EEG Ö [22] Õ of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;

ê 2000/12/EG artikel 1, leden 10 tot en met 13 (aangepast)

(11) "gekwalificeerde deelneming": het in een onderneming, rechtstreeks of onrechtstreeks, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel een deelneming die de mogelijkheid inhoudt een invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de Ö deze Õ onderneming waarin wordt deelgenomen; Ö ; Õ

aanvangskapitaal: het kapitaal in de zin van artikel 34, lid 2, punten 1 en 2;

(12) "moederonderneming":

(a)     een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;.

b)      Vvoor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's Ö de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 5 en 6 Õ worden als moederonderneming beschouwd: een moederonderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;

(13) "dochteronderneming":

a)      een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;.

b)      Vvoor de toepassing van het toezicht op geconsolideerde basis en de controle van grote risico's Ö de artikelen 71 tot en met 73 en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 5 en 6 Õ worden als moederonderneming beschouwd: een dochteronderneming in de zin van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, alsmede iedere onderneming die naar de mening van de bevoegde autoriteiten feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent.;

Elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochter van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

ò nieuw

(14) "moederkredietinstelling in een lidstaat": een kredietinstelling die een kredietinstelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming heeft in zo´n instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding en waarin een andere kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, geen deelneming heeft;

(15) "financiële moederholding in een lidstaat": een financiële holding die zelf geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding;

(16) "EU-moederkredietinstelling": een moederkredietinstelling in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, of van een in een van de lidstaten opgerichte financiële holding en waarin een andere kredietinstelling waaraan in een van de lidstaten vergunning is verleend, geen deelneming heeft;

(17) "financiële EU-moederholding": een financiële holding in een lidstaat die geen dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een van lidstaten vergunning is verleend;

ê 2000/12/EG artikel 1, leden 14 tot en met 18 (aangepast)

«zone A»         de lidstaten en alle overige landen die volwaardig lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn en de landen die bijzondere leningsarrangementen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben gesloten in samenhang met de algemene leningsarrangementen (GAB) van het IMF. Elk land dat zijn buitenlandse overheidsschuld herschikt, wordt echter voor een periode van vijf jaar van zone A uitgesloten;

«zone B»         alle andere landen dan die van zone A;

«kredietinstellingen van zone A»       alle kredietinstellingen die in de lidstaten overeenkomstig artikel 4 een vergunning hebben verkregen, inclusief hun bijkantoren in derde landen, en alle onder de definitie van punt 1, eerste alinea, vallende particuliere en openbare ondernemingen waaraan een vergunning is verleend in andere landen van zone A, inclusief hun bijkantoren;

«kredietinstellingen van zone B»        alle particuliere en openbare ondernemingen die een vergunning hebben verkregen buiten zone A en die voldoen aan de definitie van punt 1, eerste alinea, inclusief hun bijkantoren in de Gemeenschap;

alle andere kredietnemers dan kredietinstellingen zoals deze zijn gedefinieerd in de punten 16 en 17, centrale banken, centrale, regionale en lokale overheden, de Europese Gemeenschappen, de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken zoals gedefinieerd in punt 19;

ê 2004/69/EG artikel 1 (aangepast)

«multilaterale ontwikkelingsbanken»: de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank), de Internationale Financieringsmaatschappij, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank, de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, het Vestigingsfonds van de Raad van Europa, de «Nordic Investment Bank», de Caraïbische Ontwikkelingsbank, de Europese Bank voor Herstel en Ontwikkeling, het Europees Investeringsfonds en de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij;

ê 2000/12/EG artikel 1, lid 20 (aangepast)

«posten buiten de balanstelling met een «volledig risico», «middelgroot risico», «middelgroot/laag risico» en «laag risico»»: de posten omschreven in artikel 43, lid 2, en genoemd in bijlage II;

ò nieuw

(18) "publiekrechtelijke lichamen": administratieve organen zonder winstoogmerk die verantwoording moeten afleggen aan de centrale, regionale of lagere overheid of aan overheden die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lagere overheden;

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 1, onder b) (aangepast)

(19) "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen of financiële instellingen zijn, van welke dochterondernemingen er ten minste één een kredietinstelling is, en die geen gemengde financiële holding is in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad[23]van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat;

(20) "gemengde holding": een moederonderneming die geen financiële holding, kredietinstelling of gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één kredietinstelling telt;

ê 2000/12/EG artikel 1, lid 23 (aangepast)

(21) "onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht": een onderneming waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezit en het beheer van onroerend goed, het beheer van gegevensverwerkingsdiensten of een andere soortgelijke activiteit welke ten opzichte van de hoofdactiviteit van een of meer kredietinstellingen het karakter van een ondersteunende activiteit heeft;

ò nieuw

(22) "operationeel risico": het risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen. Juridische risico´s worden er ook toe gerekend;

ê 2000/12/EG artikel 1, lid 24 (aangepast)

"risico's", voor de toepassing van de artikelen 48, 49 en 50: de activa en posten buiten de balanstelling, als bedoeld in artikel 43 en in de bijlagen II en IV, zonder toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde wegingsfactoren of risicograden; de risico's met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten worden berekend volgens een van de in bijlage III beschreven methoden, zonder toepassing van de wegingsfactoren die gelden voor het risico op de tegenpartij; van de definitie van de risico's kunnen met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen die voor 100% door eigen vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het eigen vermogen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de solvabiliteitsratio en van de andere ratio's voor toezichtsdoeleinden die bij de onderhavige richtlijn en bij andere communautaire besluiten worden vastgesteld; onder risico's vallen niet:

– in het geval van valutatransacties, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden, of

– in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico's die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;

ò nieuw

(23) "centrale banken": daartoe wordt, tenzij anders aangegeven ook de Europese Centrale Bank gerekend;

(24) "verwateringsrisico": het risico dat een kortlopende vordering afneemt door geldelijke of niet-geldelijke kredieten aan de debiteur;

(25) "kans op wanbetaling": de kans dat een tegenpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;

(26) "verlies": economisch verlies, met inbegrip van de gevolgen van aanzienlijke kortingen, en omvangrijke directe en indirecte incassokosten;

(27) "verlies bij wanbetaling": de verhouding tussen het verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling door een tegenpartij en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(28) "omrekeningsfactor": de verhouding tussen het momenteel onbenutte bedrag van een kredietlijn dat extra opgenomen wordt en open staat bij wanbetaling, en het momenteel onbenutte bedrag van de kredietlijn;

(29) "verwacht verlies": de verhouding tussen het verlies op een vordering dat bij een eventuele wanbetaling van een tegenpartij of bij verwatering over een periode van een jaar te verwachten is, en het uitstaande bedrag bij wanbetaling;

(30) "kredietrisicolimitering": een door een kredietinstelling gehanteerde techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan een vordering of aan vorderingen die de kredietinstelling blijft houden;

(31) "volgestorte kredietprotectie": een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling, wordt beperkt dankzij het recht van de kredietinstelling om bij wanbetaling van de tegenpartij of bij andere specifieke, kredietgebeurtenissen ("credit events") in verband met de tegenpartij bepaalde activa of posten te liquideren, over te nemen, daarvan het eigendom te verwerven of te behouden dan wel de post te verlagen tot of deze te vervangen door het verschil tussen de post zelf en een vordering op de kredietinstelling;

(32) "niet-volgestorte kredietprotectie": een techniek van kredietrisicolimitering waarbij het kredietrisico dat verbonden is aan de vordering van een kredietinstelling wordt beperkt dankzij de garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de leningnemer of bij andere specifieke gebeurtenissen;

(33) "repo": een transactie in het kader van een contract dat valt onder de definitie van "retrocessieovereenkomst" of "omgekeerde retrocessieovereenkomst" in [artikel 3, onder m), van Richtlijn 93/6/EEG];

(34) "transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen": alle transacties die vallen onder de definitie van "opgenomen effecten/goederen" of "verstrekte effecten/goederen" in [artikel 3, onder n), van Richtlijn 93/6/EEG];

(35) "met contanten vergelijkbaar instrument": een certificaat van deposito of soortgelijk papier dat door een leningverstrekkende kredietinstelling wordt uitgegeven;

(36) "securitisatie": transactie of regeling waarbij het kredietrisico van een vordering of pool van vorderingen wordt onderverdeeld. De kenmerken ervan zijn:

a)      de in het kader van de transactie of regeling verrichte betalingen hangen af van de performance van de vordering of pool van vorderingen;

b)      de rangorde van de tranches is bepalend voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling;

(37) "traditionele securitisatie": securitisatie waarbij de gesecuritiseerde vorderingen in economische zin worden overgedragen aan een special purpose entity voor securitisatiedoeleinden die effecten uitgeeft. Daartoe wordt het eigendom van de gesecuritiseerde vorderingen door de initiërende kredietinstelling of via subdeelneming overgedragen. De uitgegeven effecten vormen voor de initiërende kredietinstelling geen betalingsverplichting;

(38) "synthetische securitisatie": securitisatie waarbij de onderverdeling in tranches geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties. De pool van vorderingen verdwijnt niet uit de balans van de initiërende kredietinstelling;

(39) "tranche": een contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een vordering of van een aantal vorderingen, waarbij een positie in dit segment een groter of kleiner verliesrisico meebrengt dan een positie van dezelfde omvang in elk ander segment, als tenminste geen rekening wordt gehouden met de kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de posities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;

(40) "securitisatiepositie": een vordering in het kader van een securitisatie;

(41) "initiator":

a)      een onderneming die zelf of via verwante ondernemingen direct of indirect betrokken is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of de potentiële verplichtingen van de debiteur of potentiële debiteur zijn ontstaan die tot securitisatie van vorderingen hebben geleid;

b)      een onderneming die de vorderingen van een derde koopt, in haar balans opneemt en daarna securitiseert;

(42) "sponsor": een niet-initiërende kredietinstelling die een door activa gedekt commercieel-papierprogramma of een andere securitisatieregeling waarbij vorderingen van derden worden gekocht, uitgeeft en beheert;

(43) "kredietverbetering": een contractuele regeling waarbij de kredietkwaliteit van een securitisatiepositie verbetert ten opzichte van een situatie waarin van een dergelijke regeling geen sprake zou zijn geweest; daartoe worden ook verbeteringen gerekend die worden gerealiseerd door meer achtergestelde tranches in de securitisatie en door andere soorten kredietprotectie;

(44) special purpose entity voor securitisatiedoeleinden (securitisation special purpose entity - SSPE): een vennootschap, trust of een ander soort onderneming die geen kredietinstelling is, die is opgericht voor een of meer securitisaties, waarvan de activiteiten beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de realisatie van dit doel, waarvan de constructie bedoeld is om de SSPE-verplichtingen te scheiden van die van de initiërende kredietinstelling, en waarvan de economische eigenaars hun deelneming mogen belenen of verkopen zonder dat daar voorwaarden aan verbonden zijn;

ê 2000/12/EG artikel 1, leden 25 tot en met 27 (aangepast)

(45) "groep van verbonden cliënten":

a)      betzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die, behoudens bewijs van het tegendeel, uit een oogpunt van risico een geheel vormen omdat een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere persoon of personen;

b)      hetzij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen tussen wie geen zeggenschapsrelatie als bedoeld in het eerste streepje bestaat, maar die uit een oogpunt van risico als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen zou ondervinden, de andere of alle anderen waarschijnlijk in betalingsmoeilijkheden zouden komen;

(46) "nauwe banden": een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen Ö op een van de volgende wijzen Õ zijn verbonden door:

a)      een deelneming, dat wil zeggen Ö in de vorm van het eigendom, Õ het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband Ö , Õ houden van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming Ö ; Õ , of

b)      een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat. Ö ; Õ

c)      Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen Ö het feit dat beide of allen Õ via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde Ö een en dezelfde, derde Õ persoon;

(47) "erkende beurzen": beurzen die door de bevoegde autoriteiten Ö als zodanig Õ zijn erkend en die Ö aan de volgende voorwaarden voldoen Õ:

a)      regelmatig werken Ö ze werken regelmatig Õ;

b)      Ö ze zijn Õ onderworpen zijn aan door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst van de beurs opgestelde of goedgekeurde bepalingen waarin de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de beurs zijn vastgelegd, alsmede de voorwaarden waaraan contracten moeten voldoen om daadwerkelijk op de beurs verhandeld te kunnen worden;

c)      Ö ze Õ beschikken over een clearingregeling die met betrekking tot Ö waarbij Õ de in bijlage IV vermelde contracten voorschrijft dat zij onderworpen zijn aan dagelijkse margeverplichtingen die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een adequate bescherming bieden.

ê 2000/12/EG artikel 3 (aangepast)

Artikel 5

Verbod op de uit ontvangst van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden van het publiek bestaande werkzaamheden van ondernemingen die geen kredietinstelling zijn

De lidstaten verbieden personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, bedrijfsmatig van het publiek deposito's of andere terugbetaalbare gelden in ontvangst te nemen.

Dit verbod geldt niet voor het in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden door een lidstaat, door de regionale of lokale Ö lagere Õ overheden van een lidstaat of door internationale openbare instellingen waarvan een of meer lidstaten lid zijn en voor de uitdrukkelijk in de nationale of communautaire wetgeving bedoelde gevallen, mits deze werkzaamheden onderworpen zijn aan reglementering en controle ter bescherming van inleggers en beleggers die op deze gevallen van toepassing zijn.

ê 2000/12/EG

TITEL II

VOORWAARDEN VOOR DE TOEGANG TOT EN DE UITOEFENING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN KREDIETINSTELLINGEN

ê 2000/12/EG artikel 4 (aangepast)

è1 Richtlijn 2004/xx/EG artikel 3

Artikel 6

Vergunning

De lidstaten schrijven voor dat de onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen een vergunning moeten hebben verkregen alvorens hun werkzaamheden aan te vangen. Zij stellen daarvoor de voorwaarden vast, onverminderd de artikelen 5 tot en met 9 Ö 7, 8, 9, 11, en 12 Õ en brengen deze ter kennis van è1 de Commissie ç .

ê 2000/12/EG artikel 8 (aangepast)

Artikel 7

Programma van werkzaamheden en organisatiestructuur

De lidstaten bepalen dat de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de instelling moeten worden vermeld.

ê 2000/12/EG artikel 9 (aangepast)

Artikel 8

Economische behoefte

De lidstaten kunnen niet bepalen dat de vergunningaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de economische behoeften van de markt.

ê 2000/12/EG artikel 5, lid 1 (aangepast)

Artikel 9

Beginkapitaal

1.           Onverminderd andere bij de nationale regelingen vastgestelde algemene voorwaarden verlenen de bevoegde autoriteiten geen vergunning wanneer de kredietinstelling geen afgescheiden eigen vermogen heeft of wanneer het aanvangskapitaal minder bedraagt dan 5 miljoen EUR.

ê 2000/12/EG artikel 1, lid 11 (aangepast)

Ö Onder Õ Aaanvangskapitaal: Ö wordt verstaan: Õ het kapitaal Ö en de reserves Õ in de zin van artikel 34, lid 2, punten 1 en 2 Ö als bedoeld in artikel 57, onder a) en b) Õ.;

ê 2000/12/EG artikel 5, leden 1 en 2 (aangepast)

De lidstaten mogen voortzetting toestaan van de werkzaamheden van kredietinstellingen die niet voldoen aan de voorwaarde betreffende het afgescheiden eigen vermogen, en die op 15 december 1979 bestonden. Zij mogen deze ondernemingen vrijstellen van de in artikel Ö 11 Õ 6, lid 1, eerste alinea, bedoelde voorwaarde.

2.           Het staat de Ö De Õ lidstaten evenwel vrij om de vergunning Ö mogen Õ in uitzonderlijke gevallen toch Ö een vergunning Õ te verlenen aan bijzondere categorieën kredietinstellingen met een aanvangskapitaal dat minder bedraagt dan wat in lid 1 is voorgeschrevenÖ ,mits Õ: In dat geval:

a)      mag het aanvangskapitaal niet geringer zijn Ö is Õ dan 1 miljoen EUR;

b)      stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis Ö stellen Õ van de redenen waarom zij van de in dit lid geboden Ö deze Õ mogelijkheid gebruikmaken;

c)      wordt bij de bekendmaking van de lijst bedoeld in artikel 11 in een aantekening bij de naam van de kredietinstelling aangegeven dat zij Ö die Õ niet het in lid 1 bepaalde minimumaanvangskapitaal bereiktÖ , met name wordt genoemd in de in artikel 14 bedoelde lijst Õ .

ê 2000/12/EG artikel 5, leden 3 tot en met 7 (aangepast)

Artikel 10

1.         Het eigen vermogen van een kredietinstelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning krachtens de leden 1 en 2 Ö artikel 9 Õ vereiste aanvangskapitaal.

2.         De lidstaten kunnen besluiten dat de kredietinstellingen die op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het eigen vermogen de in de leden 1 en 2 Ö artikel 9 Õ vastgestelde niveaus voor het aanvangskapitaal niet bereikte, hun werkzaamheden mogen blijven uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen niet kleiner worden dan het hoogste bedrag dat het sinds 22 december 1989 had bereikt.

3.         Indien de zeggenschap over een kredietinstelling die tot de in lid 4 Ö 2 Õ bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het eigen vermogen van deze Ö krediet Õinstelling ten minste gelijk te zijn aan het in de leden 1 en 2 Ö artikel 9 Õ vastgestelde niveau voor het aanvangskapitaal.

4.         In welbepaalde omstandigheden en met instemming van de bevoegde autoriteiten mag bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 4 Ö 2 Õ bedoelde categorie behorende kredietinstellingen het eigen vermogen van de Ö krediet Õinstelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde Ö krediet Õinstellingen op de datum van de fusie, zolang de passende niveaus op grond van de leden 1 en 2 Ö zoals vastgesteld in artikel 9, Õ niet zijn bereikt.

5.         Indien het eigen vermogen in de in de leden 3, 4 en 6 Ö 1, 2 en 4 Õ bedoelde gevallen vermindert, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de Ö krediet Õinstelling een beperkte termijn toestaan om aan dit voorschrift te voldoen dan wel haar werkzaamheden te beëindigen.

ê 2000/12/EG artikel 6 (aangepast)

Artikel 11

Voor de leiding verantwoordelijke personen en lokalisatie van het hoofdbestuur van kredietinstellingen

1.           De bevoegde autoriteiten verlenen de vergunning aan de kredietinstelling slechts wanneer ten minste twee personen daadwerkelijk het beleid van de kredietinstelling bepalen.

Voorts verlenen de Ö De Õ autoriteiten Ö verlenen Õ de vergunning niet wanneer deze personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

2.           De lidstaten eisen:

a)      dat het hoofdbestuur van kredietinstellingen die rechtspersonen zijn en overeenkomstig hun nationale wetgeving een statutaire zetel hebben, zich bevindt in de lidstaat waar de statutaire zetel is gevestigd;,

b)      dat het hoofdbestuur van andere kredietinstellingen zich bevindt in de lidstaat waar de vergunning is afgegeven en waar zij feitelijk werkzaam zijn.

ê 2000/12/EG artikel 7 (aangepast)

Artikel 12

Aandeelhouders en vennoten

1.           De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling voordat Ö tenzij Õ zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de directe of indirecte aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.

Voor de toepassing in het onderhavige artikel van het begrip Ö vaststelling van Õ "gekwalificeerde deelneming" Ö in het onderhavige artikel Õ worden de stemrechten, vermeld in artikel 7 Ö 92 Õ van Richtlijn 88/627/EEG van de Raad[24] Ö 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad Õ[25] in aanmerking genomen.

2.           De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de genoemde aandeelhouders of vennoten.

3.           Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.

De bevoegde autoriteiten weigeren ook de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die Ö wettelijke of bestuursrechtelijke Õ bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.

De bevoegde autoriteiten verlangen van kredietinstellingen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben om zich ervan te vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.

ê 2000/12/EG artikelen 8 en 9 (aangepast)

Artikel 8

Programma van werkzaamheden en organisatiestructuur

De lidstaten bepalen dat de vergunningaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de instelling moeten worden vermeld.

Artikel 9

Economische behoefte

De lidstaten kunnen niet bepalen dat de vergunningaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de economische behoeften van de markt.

ê 2000/12/EG artikel 10 (aangepast)

Artikel 13

Weigering van de vergunning

Iedere weigering een vergunning af te geven, wordt met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag, of, indien de aanvraag onvolledig is, binnen zes maanden na de toezending door de aanvrager van de voor de beslissing nodige gegevens. In elk geval wordt binnen twaalf maanden na de aanvraag een beslissing genomen.

ê 2000/12/EG artikel 11 (aangepast)

Artikel 14

Kennisgeving van de vergunning aan de Commissie

Elke toekenning van een vergunning wordt ter kennis van de Commissie gebracht.

Ö De namen van alle kredietinstellingen waaraan Õ Elke toekenning van een vergunning Ö is verleend Õ wordt ter kennis van de Commissie gebracht. Alle kredietinstellingen worden vermeld op een lijst.die door dDe Commissie Ö maakt deze lijst Õ in het Publicatieblad van de Europese Ö Unie Õ Gemeenschappen wordt bekendgemaakt en Ö houdt haar bij Õ door haar wordt bijgehouden.

ê 2000/12/EG artikel 12 (aangepast)

Artikel 15

Voorafgaande raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten

1.         Ö Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de ÕDe bevoegde autoriteiten Ö de bevoegde autoriteiten Õ van de andere lidstaat moeten vooraf worden geraadpleegd bij het verlenen van een vergunning aan een kredietinstelling die Ö in de volgende gevallen Õ:

Öa) de desbetreffende kredietinstelling is Õ ofwel een dochteronderneming is van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

Öb) de desbetreffende kredietinstelling is Õ ofwel een dochteronderneming is van de moederonderneming van een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

Öc) de desbetreffende kredietinstelling staat Õ ofwel onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die de zeggenschap hebben over een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

ê 2002/87/EG artikel 29, punt 2 (aangepast)

2.         Ö Vóór de verlening van een vergunning aan een kredietinstelling raadpleegt de Õ bevoegde autoriteit Ö de bevoegde autoriteit Õ van een betrokken lidstaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op verzekeringsondernemingen of beleggingsondernemingen wordt geraadpleegd alvorens een vergunning wordt verleend aan een kredietinstelling die Ö in de volgende gevallen Õ:

a)      Ö de desbetreffende kredietinstelling is Õ een dochteronderneming is van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend; , dan wel

b)      Ö de desbetreffende kredietinstelling is Õ een dochteronderneming is van de moederonderneming van een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend;, dan wel

c)      Ö de desbetreffende kredietinstelling staat Õ onder de zeggenschap staat van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend.

3.         De in de eerste en de tweede alinea Ö onder de leden 1 en 2 Õ bedoelde relevante bevoegde autoriteiten raadplegen elkaar in het bijzonder indien de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van de bij de leiding van een andere entiteit van dezelfde groep betrokken bestuurders worden beoordeeld. Zij stellen elkaar in kennis van Ö wisselen Õ alle informatie Ö uit Õ betreffende de geschiktheid van de aandeelhouders en de reputatie en ervaring van bestuurders welke van belang is voor de andere betrokken bevoegde autoriteiten, voor het verlenen van een vergunning, alsook voor de doorlopende toetsing van de naleving van de voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening.

ê 2000/12/EG artikel 13 (aangepast)

Artikel 16

Bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend

De lidstaten van ontvangst mogen noch een vergunning noch dotatiekapitaal eisen voor bijkantoren van kredietinstellingen waaraan in andere lidstaten vergunning is verleend. Voor de vestiging van en het toezicht op deze bijkantoren gelden de voorschriften van Ö de artikelen 22 en 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3, de artikelen 29 tot en met 37 en artikel 40 Õ artikel 17, artikel 20, leden 1 tot en met 6, en van de artikelen 22 en 26.

ê 2000/12/EG artikel 14 (aangepast)

Artikel 17

Intrekking van de vergunning

1.           De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan een kredietinstelling alleen dan intrekken wanneer de instelling:

a)      binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruikmaakt van de vergunning, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt, tenzij de betrokken lidstaat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt;

b)      de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c)      niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend;

d)      geen voldoende eigen vermogen meer bezit of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde gelden waarborgt;

e)      of wanneer een van de overige gevallen van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien, zich voordoet.

2.           Iedere intrekking van een vergunning moet Ö wordt Õ , met redenen omkleed, worden medegedeeld aan de belanghebbenden;. Dde intrekking wordt ter kennis van de Commissie gebracht.

ê 2000/12/EG artikel 15 (aangepast)

Artikel 18

Benaming

De kredietinstellingen mogen voor de uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde benaming gebruiken als in de lidstaat van hun hoofdkantoor, niettegenstaande de voorschriften Ö in de lidstaat van ontvangst Õ betreffende het gebruik van de woorden "bank", "spaarbank" of andere soortgelijke benamingen die in de lidstaat van ontvangst kunnen bestaan. Ingeval gevaar voor verwarring bestaat, kunnen de lidstaten van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd.

ê 2000/12/EG artikel 16, lid 1 (aangepast)

Artikel 19

Gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling

1.           De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft om rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling aan te houden, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van die deelneming.

Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te vergroten dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen 20%, 33% of 50% bereikt of overschrijdt of dat de kredietinstelling zijn dochteronderneming wordt.

Onverminderd het bepaalde in lid 2 beschikken de bevoegde autoriteiten over een termijn van ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de in de eerste Ö en tweede Õ alinea bedoelde kennisgeving, om zich tegen het voornemen te verzetten indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de in de eerste alinea bedoelde Ö desbetreffende Õ persoon. Indien er geen bezwaar is, kunnen de autoriteiten een maximumtermijn vaststellen voor de uitvoering van het in de eerste alinea bedoelde voornemen.

ê 2002/87/EG artikel 29, punt 3 (aangepast)

2.           Indien de verwerver Ö persoon die het voornemen heeft Õ van de in lid 1 bedoelde deelnemingen Ö te verwerven, Õ een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming is waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een moederonderneming van een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap uitoefent over een kredietinstelling, verzekeringsonderneming of beleggingsonderneming waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, en indien de entiteit Ö kredietinstelling Õ waarin de verwerver een deelneming beoogt te houden, daardoor een dochteronderneming van de verwerver wordt of onder zijn zeggenschap komt, moet Ö wordt Õ zijn acquisitie worden beoordeeld volgens de procedure van voorafgaande raadpleging Ö waarin artikel 15 voorziet Õbedoeld in artikel 12.

ê 2000/12/EG artikel 16, lid 3

Artikel 20

3. De lidstaten bepalen dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft zijn rechtstreekse of onrechtstreekse gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling af te stoten, de bevoegde autoriteiten daarvan vooraf in kennis moet stellen onder vermelding van het bedrag van zijn voorgenomen deelneming. Tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten is eveneens gehouden iedere natuurlijke of rechtspersoon die het voornemen heeft de omvang van zijn gekwalificeerde deelneming zodanig te verkleinen dat het percentage van de door hem gehouden stemrechten of aandelen onder 20%, 33% of 50% daalt of dat de kredietinstelling ophoudt zijn dochteronderneming te zijn.

ê 2000/12/EG artikel 16, leden 4 tot en met 6 (aangepast)

Artikel 21

14.         Zodra zij daarvan kennis hebben, stellen de Ö De Õ kredietinstellingen Ö stellen, zodra zij kennis hebben van Õ de bevoegde autoriteiten in kennis van de verwervingen of afstotingen van deelnemingen in hun kapitaal, waardoor stijging boven of daling onder één van de drempels als bedoeld in de leden 1 en 3 Ö artikel 19, lid 1, en artikel 20 Õ optreedtÖ , de bevoegde autoriteiten van deze verwervingen of afstotingen in kennis Õ.

Tevens stellen zij de bevoegde autoriteiten ten minste eens per jaar in kennis van de identiteit van de aandeelhouders of vennoten die gekwalificeerde deelnemingen bezitten, alsmede van de omvang van de deelnemingen zoals deze met name blijken uit de gegevens die worden vastgelegd bij de jaarlijkse algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten, of uit de informatie die is ontvangen uit hoofde van de verplichtingen van ter beurze genoteerde vennootschappen.

25.         De lidstaten bepalen dat, indien de door de in lid 1 Ö artikel 19, lid 1, Õ bedoelde personen uitgeoefende invloed een prudente en gezonde bedrijfsvoering van de instelling zou kunnen belemmeren, de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen treffen om aan deze toestand een einde te maken. Die maatregelen kunnen met name omvatten Ö bestaan uit Õ bindende aanwijzingen, sancties tegen bestuurders en schorsing van de uitoefening van de stemrechten die verbonden zijn aan de aandelen welke door de betrokken aandeelhouders of vennoten worden gehouden.

Soortgelijke maatregelen zijn van toepassing op natuurlijke of rechtspersonen die de in lid 1 Ö artikel 19, lid 1, Õ bedoelde verplichting inzake voorafgaande kennisgeving niet naleven. Wanneer een deelneming wordt verworven ondanks het bezwaar van de bevoegde autoriteiten, bepalen de lidstaten, onverminderd andere te treffen sancties, dat de uitoefening van de betrokken stemrechten wordt geschorst of dat de uitgebrachte stemmen nietig zijn of nietig verklaard kunnen worden.

36.         Voor de toepassing Ö vaststelling Õ van het Ö een Õ in het onderhavige artikel bedoelde begrip "gekwalificeerde deelneming" en van de daarin bedoelde andere deelnemingspercentages worden de stemrechten, vermeld in artikel 7 Ö 92 Õ van Richtlijn 88/627/EEG Ö 2001/34/EG Õ, in aanmerking genomen.

ê 2000/12/EG, artikel 17 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 22

Organisatie en internecontroleprocedures

1.           De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst eisen dat er in elke kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en adequate internecontroleprocedures bestaan. ð solide governancesystemen bestaan, waaronder een duidelijke organisatorische structuur met duidelijk omschreven, transparante en samenhangende verantwoordelijkheden, effectieve procedures voor de detectie, het beheer, de bewaking en verslaglegging van de risico´s waaraan zij blootstaat of bloot kan komen te staan, en adequate internecontroleprocedures, zoals een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie.

2.           De in lid 1 bedoelde systemen en procedures zijn gedetailleerd uitgewerkt en staan in verhouding tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de kredietinstelling. Er wordt rekening gehouden met de technische criteria van bijlage V. ï

ê 2000/12/EG

TITEL III

BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJHEID VAN VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 1 Kredietinstellingen Õ

ê 2000/12/EG artikel 18 (aangepast)

Artikel 23

Kredietinstellingen

De lidstaten bepalen dat de werkzaamheden die in de lijst in bijlage I zijn genoemd op hun grondgebied kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in artikel 22 Ö 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3, artikel 28, leden 1 en 2, en de artikelen 29 tot en met 37 Õ, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere kredietinstelling waaraan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat vergunning is verleend en waarop door hen toezicht wordt gehouden, mits deze werkzaamheden onder de vergunning vallen.

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 2 Financiële instellingen Õ

ê 2000/12/EG artikel 19, eerste en derde alinea (aangepast)

Artikel 24

Financiële instellingen

1.           De lidstaten bepalen dat de in bijlage I genoemde lijst werkzaamheden op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel Ö 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3, artikel 28, leden 1 en 2, en de artikelen 29 tot en met 37 Õ 20, leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in artikel 22, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, die wettelijk de betrokken werkzaamheden mag uitoefenen en die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)      aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat onder het recht waarvan de dochteronderneming Ö financiële instelling Õ valt;

b)      de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk uitgeoefend op het grondgebied van dezelfde lidstaat;

c)      de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn in het bezit van 90% of meer van de aan de aandelen van de Ö financiële instelling Õ dochteronderneming verbonden stemrechten;

d)      de moederonderneming of -ondernemingen moet, respectievelijk moeten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de Ö financiële instelling Õ dochteronderneming op een prudente wijze wordt beheerd en zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg hebben gesteld voor de verplichtingen van de Ö financiële instelling Õ dochteronderneming;

e)      de dochteronderneming Ö financiële instelling Õ is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig Ö titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ de artikelen 52 tot en met 56, is onderworpen, met name voor de berekening van de solvabiliteitsratio, voor het toezicht op de grote risico's Ö posities Õ en de in artikel 120 Ö 50 Õ gestelde beperking van de deelnemingen.

De vervulling van deze voorwaarden moet worden Ö wordt Õ geverifieerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest aan de dochteronderneming Ö financiële instelling Õ afgeven dat dient te worden gevoegd bij de in Ö de artikelen 25 en 28 Õ artikel 20, leden 1 tot en met 6, en artikel 21, leden 1 en 2, bedoelde kennisgevingen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dragen zorg voor het toezicht op de dochteronderneming Ö financiële instelling Õ overeenkomstig het bepaalde in artikel Ö 10, lid 1, de artikelen 19 tot en met 22, artikel 40, de artikelen 42 tot en met 52 en artikel 54 Õ 5, lid 3, en in de artikelen 16, 17, 26, 28, 29, 30 en 32.

ê 2000/12/EG artikel 19, zesde alinea (aangepast)

2.           Indien de financiële instelling Ö als bedoeld in lid 1, eerste alinea, Õ die onder de bepalingen van dit artikel valt, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die Ö financiële Õ instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

ê 2000/12/EG artikel 19, vierde alinea (aangepast)

3.           De bepalingen waarnaar dit artikel verwijst, Ö van de leden 1 en 2 Õ zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen Ö van een financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea Õ. In het bijzonder dient het woord «kredietinstelling» te worden gelezen als «financiële instelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19», en het woord «vergunning» als «wettelijke regeling».

ê 2000/12/EG artikel 19, vijfde en zesde alinea (aangepast)

De tweede alinea van artikel 20, lid 3, wordt als volgt gelezen:

«De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen van de financiële instelling die dochteronderneming is en van de geconsolideerde solvabiliteitsratio van de kredietinstelling die haar moederonderneming is.».

Indien de financiële instelling die onder de bepalingen van dit artikel valt, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 3 Uitoefening van het recht tot vestiging Õ

ê 2000/12/EG artikel 20, lid 1, lid 2 en lid 3, eerste en tweede alinea (aangepast)

Artikel 25

Uitoefening van het recht tot vestiging

1.           Iedere kredietinstelling die op het grondgebied van een andere lidstaat een bijkantoor wenst te vestigen, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

2.           De lidstaten verlangen dat de kredietinstelling die een bijkantoor in een andere lidstaat wenst te vestigen, de in lid 1 bedoelde kennisgeving vergezeld doet gaan van de volgende gegevens:

a)      de lidstaat op het grondgebied waarvan zij voornemens is een bijkantoor te vestigen;

b)      een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de voorgenomen activiteiten en de organisatiestructuur van het bijkantoor worden vermeld;

c)      het adres in de lidstaat van ontvangst waar documenten kunnen worden opgevraagd;

d)      de naam van de verantwoordelijke bestuurders Ö degenen die Õ van het bijkantoor Ö gaan beheren Õ .

3.           Tenzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, gelet op het betrokken project, redenen heeft om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de administratieve structuur of van de financiële positie van de kredietinstelling, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 2 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst en stelt zij de betrokken kredietinstelling hiervan in kennis.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling.

ê 2000/12/EG artikel 19, vijfde alinea (aangepast)

Ö In afwijking van de tweede alinea doet Õ dDe bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst Ö in het in artikel 24 genoemde geval Õ doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen van de financiële instelling die dochteronderneming is en van de geconsolideerde solvabiliteitsratio van de kredietinstelling die haar moederonderneming is

ê 2000/12/EG artikel 20, lid 3, derde alinea (aangepast)

4.           Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst weigert de in lid 2 bedoelde gegevens mede te delen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, deelt zij de redenen van deze weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken Ö krediet Õinstelling.

Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

ê 2000/12/EG artikel 20, leden 4 tot en met 7 (aangepast)

Artikel 26

14.         Voordat het bijkantoor van de kredietinstelling met zijn werkzaamheden aanvangt, beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst over twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid Ö artikel Õ 25 bedoelde mededeling, om het in artikel 22 Ö afdeling 5 Õ bedoelde toezicht op de kredietinstelling voor te bereiden en om, in voorkomend geval, de voorwaarden aan te geven waaronder deze werkzaamheden om redenen van algemeen belang in de lidstaat van ontvangst moeten worden uitgeoefend.

25.         Zodra een mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst is binnengekomen of, wanneer deze niet reageert, zodra de in lid 14 bedoelde termijn is verstreken, kan het bijkantoor gevestigd worden en met zijn werkzaamheden aanvangen.

36.         In geval van wijziging van de inhoud van een van de overeenkomstig Ö artikel 25, Õ lid 2, onder b), c) en d), verstrekte gegevens stelt de kredietinstelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst schriftelijk van de betreffende wijziging in kennis, zulks ten minste één maand voor de toepassing van de wijziging, opdat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst zich overeenkomstig Ö artikel 25 Õ lid 25, en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst zich overeenkomstig lid 4 Ö 1 van dit artikel Õ kunnen uitspreken.

47.         De bijkantoren die, overeenkomstig de bepalingen van de lidstaat van ontvangst, hun werkzaamheden hebben aangevangen vóór 1 januari 1993, worden geacht onderworpen te zijn geweest aan de procedure van de leden 1 tot en met 5 Ö artikel 25 en van de leden 1 en 2 Õ van het onderhavige artikel. Zij vallen vanaf deze datum onder het bepaalde in lid 6 Ö 3 Õ van het onderhavige artikel en onder de artikelen 18, 19, 22 en 29 Ö artikel 23, afdeling 2 en 5 Õ.

ê 2000/12/EC artikel 1, lid 3, laatste zin

Artikel 27

Vverscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden beschouwd als één enkel bijkantoor.;

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 4 Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten Õ

ê 2000/12/EG artikel 21 (aangepast)

Artikel 28

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten

1.           Elke kredietinstelling die voor de eerste maal in het kader van het vrij verrichten van diensten haar werkzaamheden wil uitoefenen op het grondgebied van een andere lidstaat, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de in de lijst in bijlage I voorkomende werkzaamheden die zij wenst uit te oefenen.

2.           De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mededeling van de in lid 1 bedoelde kennisgeving, zulks binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de kennisgeving.

3.           Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten die verkregen zijn door kredietinstellingen welke vóór 1 januari 1993 werkzaam waren bij wege van het verrichten van diensten.

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 5 Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst Õ

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 1 (aangepast)

Artikel 29

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

1. De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, verlangen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op zijn grondgebied zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens artikel 27Ö 41 Õ op hem rustende verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van de bijkantoren van kredietinstellingen dezelfde gegevens verlangen als deze voor dat doel van de nationale kredietinstellingen verlangt.

ê 2000/12/EG artikel 22, leden 2 tot en met 4 (aangepast)

Artikel 30

12.         Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een Ö krediet Õinstelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken Ö krediet Õinstelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.

23.         Indien de betrokken Ö krediet Õinstelling niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

Deze laatsten treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken Ö krediet Õinstelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. De aard van deze maatregelen wordt medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

34.         Indien de Ö krediet Õinstelling, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in lid Ö 1 Õ 2 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voorzover zulks noodzakelijk is, kan hij deze Ö krediet Õinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de kredietinstellingen kunnen worden betekend.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 5 (aangepast)

Artikel 31

5.De bepalingen van de leden 1 tot en met 4 Ö de artikelen 29 en 30 Õ laten de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst onverlet om passende maatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van onregelmatigheden op zijn grondgebied die in strijd zijn met de wettelijke bepalingen die deze om redenen van algemeen belang heeft vastgesteld. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken Ö krediet Õinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 6 (aangepast)

Artikel 32

6. Elke ter uitvoering van de leden 3, 4 en 5Ö artikel 30, leden 2 en 3, of artikel 31 Õ genomen maatregel die sancties en een beperking van de uitoefening van het verrichten van diensten behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken Ö krediet Õinstelling worden medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de lidstaat waar hij is genomen, beroep open bij de rechter.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 7 (aangepast)

Artikel 33

7. Alvorens de in de leden 2, 3 en 4Ö artikel 30 Õ bedoelde procedure toe te passen kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van inleggers, beleggers of andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten moeten zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte worden gesteld Ö gebracht Õ.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 8 (aangepast)

Artikel 34

8.De lidstaat van ontvangst kan in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij deze richtlijn wordt toegekend passende maatregelen treffen om onregelmatigheden op zijn grondgebied te voorkomen of te bestraffen. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken Ö krediet Õinstelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 9 (aangepast)

Artikel 35

9.Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen teneinde de betrokken Ö krediet Õinstelling te beletten om op hun grondgebied nieuwe transacties aan te vangen en teneinde de belangen van de inleggers te vrijwaren.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 10 (aangepast)

Artikel 36

10.De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 20, leden 1 tot en met 6,Ö de artikelen 25 en 26 Õ een weigering is uitgesproken of waarin overeenkomstig lid 4Ö artikel 30, lid 3, Õ van het onderhavige artikel maatregelen zijn genomen.

ê 2000/12/EG artikel 22, lid 11 (aangepast)

Artikel 37

11. Dit artikel Ö Deze afdeling Õ belet kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, niet hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de lidstaat van ontvangst, mits zij alle eventuele voorschriften inzake de vorm en de inhoud van dit adverteren in acht nemen die zijn vastgesteld om redenen van algemeen belang.

ê 2000/12/EG

TITEL IV

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 1 Kennisgeving van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen Õ

ê 2000/12/EG artikel 23 (aangepast)

Kennisgeving van dochterondernemingen van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen

1.           De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie in kennis van:

a) elke vergunningsverlening voor een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan één of meer moederondernemingen onder het recht van een derde land vallen.

b) elke deelneming van een dergelijke onderneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

Wanneer vergunning wordt verleend aan een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming van één of meer moederondernemingen die onder het recht van een derde land vallen, wordt de structuur van de groep vermeld in de kennisgeving van de bevoegde autoriteiten aan de Commissie overeenkomstig artikel 11.

2.           2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun kredietinstellingen ondervinden bij vestiging of uitoefening van bankwerkzaamheden in een derde land.

3.           3. De Commissie stelt periodiek een verslag op waarin de in de leden 4 en 5 bedoelde behandeling van kredietinstellingen van de Gemeenschap in derde landen, met betrekking tot de vestiging en de uitoefening van bankwerkzaamheden en het verwerven van deelnemingen in kredietinstellingen van derde landen wordt onderzocht. De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen, voor aan de Raad.

4.           4. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat een derde land de kredietinstellingen van de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan kredietinstellingen van dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen teneinde voor de kredietinstellingen van de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

5.           5. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 1 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat in een derde land kredietinstellingen van de Gemeenschap geen nationale behandeling krijgen die dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse kredietinstellingen worden geboden, en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit euvel te verhelpen.

6.           In de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan ook, naast het openen van onderhandelingen, overeenkomstig de procedure van artikel 60, lid 2, worden besloten dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissingen inzake ten tijde van het besluit ingediende of toekomstige vergunningaanvragen en het verwerven van deelnemingen door rechtstreekse of onrechtstreekse moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen, moeten beperken of opschorten. De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig.

Vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden kan de Raad in het licht van het resultaat van de onderhandelingen op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten of de maatregelen van toepassing blijven.

6.           6. Indien de Commissie een van de in de leden 4 en 5 bedoelde vaststellingen doet, stellen de lidstaten haar desgevraagd in kennis van:

a)       elke vergunningaanvraag door een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan een of meer moederondernemingen onder het recht van het betrokken derde land vallen;

b)       van elk op grond van artikel 16 door een dergelijke onderneming voorgelegd project voor verwerving van een deelneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap, waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

Deze kennisgevingsverplichting vervalt zodra met een derde land als bedoeld in lid 4 of lid 5 een overeenkomst is gesloten of wanneer de in lid 5, tweede en derde alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn.

7.           7. De krachtens dit artikel getroffen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van inernationale bi- of multilaterale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen.

ê 2000/12/EG artikel 24 (aangepast)

è1 Richtlijn 2004/xx/EG artikel 3, punt 7

Artikel 38

Bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap

1.         De lidstaten passen op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap voor wat betreft de toegang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Gemeenschap hebben.

2.         De bevoegde autoriteiten geven de Commissie en het è1 Europees Comité voor het bankwezen ç kennis van de vergunningen voor bijkantoren die aan de kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zijn verleend.

3.         Onverminderd lid 1 kan de Gemeenschap, bij overeenkomstig het Verdrag met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten, regelingen treffen inzake de toepassing van bepalingen die, op basis van wederkerigheid, de bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap eenzelfde behandeling op het gehele grondgebied van de Gemeenschap verzekeren.

ò nieuw

Afdeling 2

Samenwerking inzake controle op geconsolideerde basis met de bevoegde autoriteiten van derde landen

ê 2000/12/EG artikel 25 (aangepast)

Artikel 39

1.           De Commissie kan op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief aan de Raad voorstellen doen voor onderhandelingen over overeenkomsten met één of meer derde landen met het oog op afspraken over de toepassing van toezicht op geconsolideerde basis Ö op Õ:

a)      op kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar zetel in een derde land heeft;en

b)      op kredietinstellingen die in een derde land gelegen zijn en waarvan de moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding met zetel in de Gemeenschap is.

2.           De in lid 1 bedoelde overeenkomsten hebben met name ten doel te waarborgen dat:

a)      enerzijds de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht, op grond van de geconsolideerde financiële positie, op een kredietinstelling of op een financiële holding die in de Gemeenschap gelegen is en die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling heeft die buiten de Gemeenschap gelegen is, of die in zulke instellingen een deelneming heeft;

b)      anderzijds de bevoegde autoriteiten van derde landen de inlichtingen verkrijgen die nodig zijn voor het toezicht op moederondernemingen met zetel op hun grondgebied die als dochteronderneming een kredietinstelling of een financiële instelling hebben die gelegen is in één of meer lidstaten, of die in zulke instellingen deelnemingen hebben.

ê Richtlijn 2004/xx/EG artikel 3, punt 8

3.           Onverminderd artikel 300, leden 1 en 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, onderzoekt de Commissie met het Europees Comité voor het bankwezen het resultaat van de in lid 1 bedoelde onderhandelingen en de daaruit voortvloeiende situatie.

ê 2000/12/EG

TITEL V

ê 2000/12/EG

ð nieuw

BEGINSELEN VAN EN TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT ð EN OPENBAARMAKING ï

ê 2000/12/EG

HOOFDSTUK 1

GRONDREGELS VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

ò nieuw

Afdeling 1

Bevoegdheden van de lidstaten van herkomst en van ontvangst

ê 2000/12/EG artikel 26 (aangepast)

Artikel 40

Bevoegdheid tot toezicht van de lidstaat van herkomst

1.           Het bedrijfseconomisch toezicht op een kredietinstelling, met inbegrip van het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden die deze instelling overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 18 en 19 Ö 23 en 24 Õ uitoefent, berust bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, onverminderd de bepalingen van de onderhavige richtlijn welke een bevoegdheid van de autoriteit van de lidstaat van ontvangst inhouden.

2.           Lid 1 laat het toezicht op geconsolideerde basis op grond van de onderhavige richtlijn onverlet.

ê 2000/12/EG artikel 27 (aangepast)

Artikel 41

Bevoegdheden van de lidstaat van ontvangst

Tot aan een latere coördinatie blijft de lidstaat van ontvangst, in samenwerking met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, belast met het toezicht op de liquiditeit van het bijkantoor van een kredietinstelling.

Onverminderd de maatregelen die noodzakelijk zijn ter versterking van het Europees Monetair Stelsel, blijft de lidstaat van ontvangst volledig verantwoordelijk voor de maatregelen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van zijn monetair beleid.

Deze maatregelen mogen geen discriminerende of restrictieve behandeling inhouden uit hoofde van het feit dat aan de kredietinstelling in een andere lidstaat vergunning is verleend.

ê 2000/12/EG artikel 28 (aangepast)

Artikel 42

Samenwerking inzake toezicht

Teneinde toezicht te houden op de werkzaamheden van de kredietinstellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere lidstaten uitstrekt dan de lidstaat van hun hoofdkantoor, met name doordat zij daar bijkantoren hebben gevestigd, werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten nauw samen. Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende de leiding, het beheer en de eigenaars van de betrokken kredietinstellingen, waardoor het toezicht op die kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt, alsmede alle gegevens die het toezicht op deze instellingen, met name op het gebied van de liquiditeit, de solvabiliteit, de depositogarantie, de beperking van de grote risico's Ö posities Õ , de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle kunnen vergemakkelijken.

ê 2000/12/EG artikel 29 (aangepast)

Artikel 43

Verificatie ter plaatse van in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

1.           De lidstaten van ontvangst bepalen dat, wanneer een kredietinstelling waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, haar werkzaamheden uitoefent door middel van een bijkantoor, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan vooraf in kennis te hebben gesteld, zelf of met inschakeling van door de eerstgenoemde autoriteiten daartoe gemachtigden ter plaatse de in artikel 28 Ö 42 Õ bedoelde gegevens kunnen verifiëren.

2.           De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst kunnen voor de verificatie van de bijkantoren ook gebruikmaken van een van de andere in artikel 141, lid 7, genoemde procedures.

3.           Dit artikel laat Ö De leden 1 en 2 laten Õ het recht onverlet van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om op hun grondgebied gevestigde bijkantoren ter plaatse te verifiëren teneinde de verantwoordelijkheden uit te oefenen die uit hoofde van deze richtlijn op hen rusten.

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 2 Uitwisseling van informatie en beroepsgeheimÕ

ê 2000/12/EG artikel 30, leden 1 tot en met 3 (aangepast)

Artikel 44

Uitwisseling van informatie en beroepsgeheim

1.           De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede accountants of deskundigen die in opdracht van de bevoegde autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

Dit houdt in dat de Ö De Õ vertrouwelijke gegevens waarvan zij beroepshalve kennis krijgen, Ö mogen Õ aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele Ö krediet Õinstellingen niet kunnen worden geïdentificeerd, zulks onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen.

Indien een kredietinstelling failliet is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak moet worden geliquideerd, mogen echter vertrouwelijke gegevens die geen betrekking hebben op derden welke betrokken zijn bij pogingen om de kredietinstellingen te redden, in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar worden gemaakt.

2.           Lid 1 belet niet dat tussen de bevoegde autoriteiten van de verschillende lidstaten uitwisseling van gegevens plaatsvindt als bedoeld in onderhavige richtlijn alsmede in andere richtlijnen die van toepassing zijn op kredietinstellingen. Deze gegevens vallen onder het in lid 1 bedoelde beroepsgeheim.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 4 (aangepast)

Artikel 45

4. De bevoegde autoriteit die uit hoofde van lid 1 of 2 Ö artikel 44 Õ vertrouwelijke gegevens ontvangt, mag deze slechts Ö alleen Õ gebruiken voor de uitoefening van haar taken Ö en alleen voor de volgende doeleinden Õ:

a)         voor het onderzoek van de voorwaarden voor de toegang tot de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het vergemakkelijken van de controle, op individuele en op geconsolideerde basis, op de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van het toezicht op de liquiditeit, de solvabiliteit, de grote Ö posities Õ risico's, de administratieve en boekhoudkundige organisatie en de interne controle;, of

b)         voor het opleggen van sancties;, of

c)         in het kader van een administratief beroep tegen een besluit van de bevoegde autoriteit;, of

d)         bij rechtszaken die aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 33 Ö 55 Õ of overeenkomstig bijzondere bepalingen van zowel de onderhavige richtlijn als andere richtlijnen betreffende kredietinstellingen.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 3 (aangepast)

Artikel 46

3.         De lidstaten mogen met de bevoegde autoriteiten van derde landen of met de autoriteiten of instanties van derde landen, zoals gedefinieerd in Ö artikel 47 en artikel 48, lid 1, Õ lid 5 en lid 6, alleen dan samenwerkingsovereenkomsten voor de uitwisseling van gegevens sluiten, als met betrekking tot de meegedeelde gegevens ten minste gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden als de in dit artikel bedoelde. De uitwisseling van gegevens moet geschieden ten behoeve van het uitoefenen van de toezichthoudende taak van de genoemde autoriteiten of instanties.

Gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben meegedeeld en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten ingestemd hebben.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 5 (aangepast)

Artikel 47

5. De leden 1 en 4 Ö Artikel 44, lid 1, en artikel 45 Õ vormen geen belemmering voor de uitwisseling van gegevens binnen eenzelfde lidstaat, wanneer er verscheidene bevoegde autoriteiten zijn of, tussen lidstaten, tussen de bevoegde autoriteiten en:

a)         de autoriteiten aan wie van overheidswege het toezicht op de andere financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen is opgedragen, alsmede de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten;

b)         en de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures;

c)         en de met de wettelijke controle van de rekeningen van kredietinstellingen en andere financiële belaste personen,

voor de vervulling van hun toezichthoudende taak.

Ö Evenmin vormen zij Õ , en vormen evenmin een belemmering voor de toezending aan de organen die belast zijn met de uitvoering van de depositogarantiestelsels, van de gegevens die nodig zijn voor de vervulling van hun taak.

Ö In beide gevallen vallen de Õ De ontvangen gegevens vallen onder het in Ö artikel 44, lid 1 Õ lid 1 bedoelde beroepsgeheim waartoe de autoriteiten, organen en personen zijn gehouden.

ê 2000/12/EG artikel 30, leden 6 en 7 (aangepast)

Artikel 48

16.         Onverminderd de Ö artikelen 44 tot en met 46 Õ leden 1 tot en met 4 kunnen de lidstaten toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en:

a)      de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie en het faillissement van kredietinstellingen en andere soortgelijke procedures;, of

b)      de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op personen die belast zijn met de wettelijke controle van de rekeningen van verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen.

Ö In dergelijke gevallen eisen de Õ De lidstaten die van de in de eerste alinea vervatte mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)       de informatie is Ö moet Õ bestemd Ö zijn Õ voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde toezichthoudende taken;

b)      de in dit verband ontvangen informatie valt Ö dient Õ onder het in Ö artikel 44, lid 1, Õ lid 1 bedoelde beroepsgeheim Ö te vallen Õ;

c)      gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten die op grond van dit lid informatie mogen ontvangen.

27.         Onverminderd de leden 1 tot en met 4 Ö artikelen 44 tot en met 46 Õ kunnen de lidstaten, ter versterking van de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan, toestaan dat uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen de bevoegde autoriteiten en de autoriteiten of instanties die wettelijk belast zijn met de opsporing en het onderzoek van inbreuken op het vennootschapsrecht.

Ö In dergelijke gevallen eisen de Õ De lidstaten die van de in de eerste alinea vervatte mogelijkheid gebruikmaken, eisen dat minimaal aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)      de informatie is bestemd voor de uitoefening van de in de eerste alinea bedoelde taken;

b)      de in dit verband ontvangen informatie valt onder het in Ö artikel 44, lid 1, Õ lid 1 bedoelde beroepsgeheim;

c)      gegevens die afkomstig zijn van een andere lidstaat mogen alleen worden doorgegeven met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben medegedeeld, en in voorkomend geval alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmede deze autoriteiten ingestemd hebben.

Indien de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties die in een lidstaat bij de uitoefening van hun opsporings- of onderzoekstaken een beroep doen op personen die op grond van hun specifieke deskundigheid met een opdracht worden belast en die geen openbaar ambt bekleden, kan de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid tot uitwisseling van informatie tot deze personen worden verruimd op de in de tweede alinea genoemde voorwaarden.

Voor de toepassing van het derde streepje van de tweede Ö de derde Õ alinea delen de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instanties aan de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben medegedeeld, de identiteit en de juiste opdracht mede van de personen aan wie deze informatie zal worden doorgegeven.

De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten de identiteit mede van de autoriteiten of instanties die op grond van dit lid Ö het onderhavige artikel Õ informatie mogen ontvangen.

De Commissie stelt vóór 31 december 2000 een verslag op over de toepassing van de bepalingen van Ö het onderhavige artikel Õdit lid.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 8 (aangepast)

Artikel 49

8. De bepalingen van Ö deze afdeling Õ dit artikel houden geen belemmering voor een bevoegde autoriteit in om Ö voor de uitoefening van hun taak dienstige gegevens mede te delen aan Õ:

a)         aan de centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit;,

b)         (in voorkomend geval) aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.,

voor de uitoefening van hun taak dienstige gegevens mede te delen en houden Ö Evenmin houden ze Õ voor deze autoriteiten of instanties evenmin een belemmering in om aan de bevoegde autoriteiten de gegevens toe te zenden die deze nodig hebben ter uitvoering Ö van artikel 45. Õ van lid 4.

De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in Ö artikel 44, lid 1, Õ dit artikel bedoelde beroepsgeheim.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 9, eerste en tweede alinea (aangepast)

Artikel 50

9. Bovendien mogen de lidstaten, nNiettegenstaande Ö artikel 44, lid 1, en artikel 45, mogen de lidstaten Õ de leden 1 en 4, op grond van wettelijke bepalingen de mededeling van bepaalde gegevens toestaan aan andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de wetgeving inzake het toezicht op kredietinstellingen, of financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsmaatschappijen alsmede aan de inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze gegevens mogen echter alleen worden verstrekt wanneer zulks ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 9, derde alinea (aangepast)

Artikel 51

De lidstaten bepalen echter dat de gegevens die op grond van Ö artikel 44, lid 2, en artikel 47 Õ de leden 2 en 5 zijn ontvangen, en die welke zijn verkregen naar aanleiding van in artikel Ö 43 Õ 29, leden 1 en 2, bedoelde verificaties ter plaatse, in geen enkel geval op grond van dit Ö artikel Õ lid mogen worden medegedeeld, tenzij met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit die de gegevens heeft verstrekt of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

ê 2000/12/EG artikel 30, lid 10 (aangepast)

Artikel 52

10. De bepalingen van Ö deze afdeling Õ dit artikel vormen geen belemmering voor de bevoegde autoriteiten Ö van een lidstaat Õ om de in de Ö artikelen 44 tot en met 46 Õ leden 1 tot en met 4 bedoelde gegevens mede te delen aan een clearinginstelling of een ander, soortgelijk orgaan dat bij de nationale wetgeving is erkend voor het verstrekken van clearing- en afwikkelingsdiensten op één van de markten van hun lidstaat, indien zij van oordeel zijn dat dit nodig is om de regelmatige werking van deze organen te garanderen in verband met het, zelfs potentiële, in gebreke blijven van een marktdeelnemer. De in dit verband ontvangen gegevens vallen onder het in Ö artikel 44, lid 1, Õ lid 1 genoemde beroepsgeheim.

De lidstaten zien er evenwel op toe dat uit hoofde van Ö artikel 44, lid 2, Õ lid 2 ontvangen gegevens in het in dit Ö artikel Õ lid bedoelde geval niet kunnen worden doorgegeven, tenzij met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten die de gegevens hebben verstrekt.

ò nieuw

Afdeling 3

Verplichtingen van de personen belast met de controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

ê 2000/12/EG artikel 31 (aangepast)

Artikel 53

Verplichtingen van de personen belast met de controle van de jaarrekening en de geconsolideerde rekening

1.           De lidstaten bepalen minimaal: a) dat iedere persoon die is toegelaten in de zin van Ö Achtste Õ Richtlijn 84/253/EEG van de Raad[26], en die bij een kredietinstelling de taken verricht zoals bedoeld in artikel 51 van Ö Vierde Õ Richtlijn 78/660/EEG van de Raad[27], artikel 37 van Richtlijn 83/349/EEG Ö van de Raad Õ of artikel 31 van Richtlijn 85/611/EEG[28] van de Raad, dan wel een andere wettelijke taak, de verplichting heeft aan de bevoegde autoriteiten snel melding te doen van elk feit of besluit met betrekking tot deze Ö krediet Õinstelling, waarvan hij bij de uitvoering van die taken kennis heeft gekregen en dat van dien aard is:

(a)     dat het een inbreuk ten gronde inhoudt op de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot vaststelling van de voorwaarden voor vergunning of van specifieke voorschriften betreffende de uitoefening van de werkzaamheden van de kredietinstelling;, of

b)      dat het de bedrijfscontinuïteit van de kredietinstelling aantast;, of

c)      dat het leidt tot weigering van de goedkeuring van de jaarrekening of tot het uiten van voorbehouden.;

Ö De lidstaten bepalen minimaal Õ b) dat dezelfde verplichting rust op deze persoon ten aanzien van feiten en Ö of Õ besluiten waarvan hij kennis zou hebben gekregen bij de uitvoering van taken als beschreven onder a) Ö in de eerste alinea Õ, bij een onderneming die uit een zeggenschapsband voortvloeiende nauwe banden heeft met de kredietinstelling waar deze persoon bovengenoemde Ö de desbetreffende Õ taken uitvoert.

2.           Melding te goeder trouw aan de bevoegde autoriteiten door de personen die zijn toegelaten in de zin van Richtlijn 84/253/EEG van in lid 1 bedoelde feiten of besluiten vormt geen inbreuk op ongeacht welke op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde beperking inzake de openbaarmaking van informatie, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid.

ê 2000/12/EG (aangepast)

Ö Afdeling 4 Sanctiebevoegdheid en beroepsrecht Õ

ê 2000/12/EG artikel 32 (aangepast)

Artikel 54

Bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten tot het nemen van sancties

Onverminderd de voor de intrekking van de vergunning geldende procedures en de bepalingen van het strafrecht, bepalen de lidstaten dat hun respectieve bevoegde autoriteiten tegen kredietinstellingen of hun verantwoordelijke bestuurders, die de wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften inzake het toezicht of de uitoefening van de werkzaamheden overtreden, sancties kunnen uitspreken dan wel maatregelen treffen die beogen een eind te maken aan de geconstateerde overtredingen of de oorzaken daarvan weg te nemen.

ê 2000/12/EG artikel 33 (aangepast)

Artikel 55

Beroep op de rechter

De lidstaten bepalen dat tegen besluiten die jegens een kredietinstelling worden genomen uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld, beroep op de rechter mogelijk is; dit geldt eveneens voor het geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen aangaande een vergunningaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat.

ê 2000/28/EG artikel 1, punt 2 (aangepast)

Artikel 33 bis

Artikel 3 van Richtlijn 2000/46/EG is van toepassing op kredietinstellingen.

ê 2000/12/EG

HOOFDSTUK 2

TECHNISCHE INSTRUMENTEN VOOR BEDRIJFSECONOMISCH TOEZICHT

Afdeling 1

Eigen vermogen

ê 2000/12/EG artikel 34, lid 1 (aangepast)

Artikel 56

Algemene beginselen

1.Indien een lidstaat bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, ter uitvoering van de communautaire wetgeving inzake bedrijfseconomisch toezicht, maatregelen treft waarin de term "eigen vermogen" wordt gebruikt of wordt gerefereerd aan dat begrip, ziet hij erop toe dat deze term of dit begrip in overeenstemming is met de definitie in de Ö artikelen 57 tot en met 61 en 63 tot en met 66 Õleden 2, 3 en 4 en in de artikelen 35 tot en met 38.

ê 2000/12/EG artikel 34, lid 2, eerste alinea (aangepast)

Artikel 57

Onverminderd de in artikel 38 Ö 66 Õ vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:

1a)    gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening, maar zonder de cumulatief preferente aandelen;

2b)    reserves in de zin van artikel 23 van Richtlijn 86/635/EEG en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat;. De lidstaten kunnen alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden;

3c)    de fondsen voor algemene bankrisico's in de zin van artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;

4d)    herwaarderingsreserves in de zin van artikel 33 van Richtlijn 78/660/EEG;

5e)    waardecorrecties in de zin van artikel 37, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG;

6f)     andere bestanddelen in de zin van artikel 35 Ö 63 Õ ;

7g)    de in artikel Ö 64 Õ 36, lid 1, bedoelde aansprakelijkheidsverplichtingen van leden van kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen en de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers van bepaalde, in de vorm van een fonds georganiseerde instellingen;

8h)    cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd alsmede achtergestelde leningen in de zin van artikel Ö 64 Õ 36, lid 3.

Zoals bepaald in artikel 38 Ö 66 Õ worden de volgende bestanddelen afgetrokken:

9i)     het bezit aan eigen aandelen van de kredietinstelling, tegen boekwaarde;

10j)   immateriële activa in de zin van artikel 4 (Activa), punt 9, van Richtlijn 86/635/EEG;

k11)  negatieve resultaten van enige betekenis van het lopende boekjaar;

ê 2002/87/EG artikel 29, punt 4, onder a) (aangepast)

l12)   deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen;

m13) achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 Ö 63 Õ en artikel 36 Ö 64 Õ, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels uitgegeven door kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 % van hun kapitaal deelneemt;

n14)  deelnemingen in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van 10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 Ö 63 Õ en artikel Ö 64 Õ36, lid 3, bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de in Ö deze alinea Õ de punten 12 en 13 bedoelde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen genoemd in de punten 12 tot en met 16 Ö onder l) tot en met p) Õ te boven gaat;

o15)  deelnemingen in de zin van artikel 1, punt 9, Ö artikel 4, punt 10, Õ die een kredietinstelling houdt in:

i)       verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 6 van Ö Eerste Õ Richtlijn 73/239/EEG Ö van de Raad[29] Õ , artikel 6 van Ö Eerste Õ Richtlijn 79/267/EEG Ö van de Raad[30] Õ of artikel 1, onder b), van Richtlijn 98/78/EG van het Europees Parlement en de Raad[31];

(ii)     herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder c), van Richtlijn 98/78/EG;

iii)     herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 1, onder i), van Richtlijn 98/78/EG;

p16)  elk van de volgende bestanddelen die de kredietinstelling houdt jegens de in punt 15 Ö onder o) Õ omschreven entiteiten waarin zij een deelneming heeft:

i)       de in artikel 16, lid 3, van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde instrumenten;

ii)      de in artikel 18, lid 3, van Richtlijn 79/267/EEG bedoelde instrumenten;.

ò nieuw

q)      bij kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3, onderafdeling 2, berekenen, de negatieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 34, en de verwachte verliesposten zoals berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 30 en 31;

r)       het bedrag aan vorderingen bij securitisatieposities die overeenkomstig bijlage IX, deel 4, een risicogewicht van 1250% krijgen, zoals berekend op de aldaar aangegeven wijze.

ê 2000/12/EG artikel 34, lid 2, punt 2, laatste zin (aangepast)

ð nieuw

Ö Voor de toepassing van punt b) kunnen de lidstaten Õ De lidstaten kunnen alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86 /635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden.;

ðBij een kredietinstelling die een initiator van een securitisatie is, worden de nettowinsten die het resultaat zijn van de kapitalisatie van toekomstige inkomsten uit de gesecuritiseerde activa en die als kredietverbetering voor de securitisatieposities dienen, niet als bestanddeel als bedoeld onder b) beschouwd. ï

ê 2002/87/EG artikel 29, punt 4, onder b) (aangepast)

Artikel 58

Indien aandelen in een andere kredietinstelling, beleggingsonderneming, financiële instelling, verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of verzekeringsholding tijdelijk worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om die entiteit te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit ontheffing van de bepalingen inzake aftrek als bedoeld in de punten 12 tot en met 16 Ö onder l) tot en met p) Õ verlenen.

Artikel 59

Als alternatief voor de aftrek van de in de punten 15 en 16 Ö onder o) en p) Õ genoemde bestanddelen mogen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan mutatis mutandis de methoden 1, 2 of 3 van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG toe te passen. Methode 1 ("Consolidatie van jaarrekeningen") wordt Ö mag Õ alleen Ö worden Õ toegepast indien de bevoegde autoriteit overtuigd is van het niveau van geïntegreerd beheer en interne-controlemaatregelen van de entiteiten die onder de consolidatie zouden vallen. De gekozen methode wordt in de loop van de tijd consequent toegepast.

Artikel 60

Voor de berekening van het eigen vermogen op individuele basis, kunnen de lidstaten bepalen dat kredietinstellingen die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig hoofdstuk 3 Ö 4, afdeling 1 Õ of aan het aanvullende toezicht overeenkomstig Richtlijn 2002/87/EG, de in de punten 12 tot en met 16 Ö onder l) tot en met p) Õ bedoelde bestanddelen die worden gehouden in kredietinstellingen, financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, verzekeringsholdings of herverzekeringsondernemingen die onder het toepassingsgebied van het toezicht op geconsolideerde basis of van het aanvullende toezicht vallen, niet hoeven af te trekken.

Deze bepalingen zijn van toepassing op alle prudentiële regels die op Gemeenschapsniveau zijn geharmoniseerd.

ê 2000/12/EG artikel 34, lid 3 (aangepast)

Artikel 61

3. Het begrip "eigen vermogen" als gedefinieerd in lid 2, punten 1 tot en met 8 Ö artikel 57, onder a) tot en met h) Õ, houdt een maximum aan bestanddelen en bedragen in. Het gebruik van deze bestanddelen of de vaststelling van lagere plafonds alsmede de aftrek van andere bestanddelen dan die welke vermeld zijn in lid 2, punten 9 tot en met 13 Ö artikel 57, onder i) tot en met r) Õ, worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten. Deze zijn evenwel gehouden te streven naar een grotere convergentie met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het begrip «eigen vermogen».

Daartoe legt de Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 een verslag betreffende de toepassing van het onderhavige artikel en van de artikelen 35 tot en met 39 voor aan het Europees Parlement en aan de Raad, eventueel vergezeld van de wijzigingen die zij nodig acht. Uiterlijk op 1 januari 1998 zullen het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de definitie van het eigen vermogen onderzoeken en opnieuw bezien met het oog op een uniforme toepassing van de gemeenschappelijke definitie.

ê 2000/12/EG artikel 34, lid 4 (aangepast)

4. De kredietinstelling moet onmiddellijk en zonder beperking kunnen beschikken over de in lid 2, punten 1 tot en met 5 Ö artikel 57, onder a) tot en met e) Õ, vermelde bestanddelen om risico's of verliezen te dekken zodra deze zich voordoen. Het bedrag van deze bestanddelen moet ten tijde van hun berekening vrij zijn van elke voorzienbare belasting of daarvoor gecorrigeerd zijn voorzover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.

ò nieuw

Artikel 62

De lidstaten zullen aan de Commissie verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang op convergentiegebied met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het begrip "eigen vermogen". Op basis van deze verslagen dient de Commissie eventueel uiterlijk 1 januari 2009 bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor wijziging van dit artikel en van de artikelen 35 tot en met 39.

ê 2000/12/EG artikel 35 (aangepast)

Artikel 63

Andere bestanddelen

1.           Het door een lidstaat gebruikte begrip "eigen vermogen" kan andere bestanddelen inhouden, mits deze, ongeacht hun wettelijke of boekhoudkundige benamingen, de volgende kenmerken bezitten:

a)      zij staan ter vrije beschikking van de kredietinstelling ter dekking van de normale risico's van het bankbedrijf, indien de verliezen of de waardeverminderingen nog niet zijn vastgesteld;

b)      het bestaan ervan blijkt uit de interne rekeningen;

c)      het betrokken bedrag wordt vastgesteld door het bestuur van de kredietinstelling, gecontroleerd door onafhankelijke accountants, ter kennis gebracht aan de bevoegde autoriteiten en aan hun toezicht onderworpen.

2.           Als andere bestanddelen kunnen ook worden aanvaard schuldtitels met een onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)      zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit;

b)      de schuldovereenkomst moet bepalen dat de kredietinstelling de betaling van rente over de schuld mag uitstellen;

c)      de vorderingen van de leninggever op de leningnemende kredietinstelling moeten volledig achtergesteld zijn bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren:

d)      de documenten inzake de uitgifte van de schuldtitels moeten bepalen, dat schuld en niet-betaalde rente gebruikt kunnen worden om verliezen op te vangen, terwijl de kredietinstelling haar werkzaamheden kan voortzetten;

e)      alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen worden in aanmerking genomen.

Hierbij komen nog andere cumulatief preferente aandelen dan die bedoeld in artikel 34 Ö 57, lid 2, onder h). Õ , lid 2, punt 8.

ò nieuw

3.           Bij kredietinstellingen die de risicogewogen posten op basis van afdeling 3, onderafdeling 2, berekenen, kunnen de positieve bedragen die de uitkomst zijn van de berekening op basis van bijlage VII, deel 1, punt 34, tot maximaal 0,6% van de risicogewogen posten zoals berekend op basis van onderafdeling 2, worden aanvaard als andere bestanddelen. Bij deze kredietinstellingen worden waardeaanpassingen en voorzieningen in de berekening als bedoeld in bijlage VII, afdeling 3, deel 1, punt 34, en waardecorrecties en voorzieningen voor vorderingen als bedoeld in artikel 57, onder e), alleen op basis van deze bepaling opgenomen in het eigen vermogen. Daartoe worden bij de risicogewogen posten niet de posten meegeteld die zijn berekend voor securitisatieposities met een risicogewicht van 1250%.

ê 2000/12/EG artikel 36 (aangepast)

Artikel 64

Andere bepalingen inzake het eigen vermogen

1.           De aansprakelijkheidsverplichtingen van de leden van de in artikel 34, lid 2, punt 7 Ö artikel 57, onder g) Õ, bedoelde kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve vereniging, omvatten het niet-gestorte kapitaal van deze instellingen en de statutaire verplichting van de leden van deze coöperatieve instellingen tot het doen van aanvullende niet-terugbetaalbare stortingen wanneer de kredietinstelling verlies lijdt. In dat geval dienen de stortingen onmiddellijk gevorderd te kunnen worden.

Met de hiervoor bedoelde bestanddelen worden gelijkgesteld de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers in het geval van als fonds georganiseerde kredietinstellingen.

Al deze bestanddelen kunnen in het eigen vermogen worden opgenomen, voorzover zij overeenkomstig de nationale wetgeving tot het eigen vermogen van dit soort instellingen worden gerekend.

2.           De lidstaten mogen garanties die zij of hun autoriteiten aan openbare kredietinstellingen verlenen, niet tot het eigen vermogen van deze kredietinstellingen rekenen.

3.           De lidstaten of de bevoegde autoriteiten mogen de in artikel 34, lid 2, punt 8 Ö 57, onder h) Õ, bedoelde cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd, alsmede de aldaar bedoelde achtergestelde leningen in het eigen vermogen opnemen, indien er bindende overeenkomsten bestaan volgens welke deze leningen in geval van faillissement of liquidatie van de kredietinstelling worden achtergesteld bij de vorderingen van alle andere crediteuren en eerst worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip opeisbare schulden zijn voldaan.

De achtergestelde leningen moeten daarnaast aan de volgende Ö aanvullende Õ criteria voldoen:

a)      alleen de daadwerkelijk gestorte middelen worden in aanmerking genomen;

b)      de betrokken middelen hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar, waarna terugbetaling mogelijk is; indien de looptijd van de schuld onbepaald is, moet een opzeggingstermijn van vijf jaar worden overeengekomen, tenzij de betrokken middelen niet langer als eigen vermogen worden beschouwd, of tenzij voor vervroegde terugbetaling uitdrukkelijk voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten is vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke middelen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de kredietnemer en de solvabiliteit van de kredietinstelling onaangetast blijft;

c)      de hoogte tot welke zij kunnen worden gerekend tot het eigen vermogen zal geleidelijk worden verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de terugbetaling;

d)      de leningovereenkomst bevat geen bepalingen krachtens welke de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de liquidatie van de kredietinstelling, vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald.

ê 2000/12/EG artikel 36, lid 3, onder b), met uitzondering van de eerste zestien woorden (aangepast)

ð nieuw

ð Voor de toepassing van lid 2, onder b), moet ï indien de looptijd van de schuld onbepaald is, moet een opzeggingstermijn van vijf jaar worden overeengekomen, tenzij de betrokken middelen niet langer als eigen vermogen worden beschouwd, of tenzij voor vervroegde terugbetaling uitdrukkelijk voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten is vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke middelen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de kredietnemer en de solvabiliteit van de kredietinstelling onaangetast blijft;

ò nieuw

4.           Kredietinstellingen nemen niet in hun eigen vermogen op: de reserves voor de waarde in het economisch verkeer ("reële waarde") in verband met winsten of verliezen op kasstroomafdekkingstransacties van financiële instrumenten gewaardeerd tegen de aanschaffingswaarde verminderd met de afschrijvingen alsmede de door veranderingen in hun eigen kredietwaardigheid ontstane winsten of verliezen op de tegen de reële waarde gewaardeerde verplichtingen.

ê 2000/12/EG artikel 37 (aangepast)

Artikel 65

Berekening van het eigen vermogen op geconsolideerde basis

1.           Wanneer de berekening op geconsolideerde grondslag dient te geschieden, worden de in artikel 34 Ö 57 Õ, lid 2, genoemde bestanddelen voor hun geconsolideerde bedragen in aanmerking genomen overeenkomstig de in de artikelen 52 tot en met 56 Ö hoofdstuk 4, afdeling 1 Õ vastgestelde regels. Bovendien mogen de volgende creditbestanddelen ("negatieve bestanddelen'') voor de berekening van het eigen vermogen met de geconsolideerde reserves worden gelijkgesteld:

a)      - minderheidsbelangen in de zin van artikel 21 van Richtlijn 83/349/EEG als de integrale consolidatiemethode wordt toegepast;

b)      - het eerste consolidatieverschil in de zin van de artikelen 19, 30 en 31 van Richtlijn 83/349/EEG;

(c)     - de omrekeningsverschillen die overeenkomstig artikel 39, lid 6, van Richtlijn 86/635/EEG in de geconsolideerde reserves worden opgenomen;

d)      - het verschil dat voortvloeit uit de vermelding van bepaalde deelnemingen overeenkomstig de in artikel 33 van Richtlijn 83/349/EEG beschreven methode.

2.           Wanneer bovengenoemde Ö de in lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde Õ bestanddelen debetbestanddelen ("positieve bestanddelen") zijn, dienen Ö worden Õ zij bij de berekening van het geconsolideerde eigen vermogen in mindering te worden gebracht.

ê 2000/12/EG artikel 38, lid 1 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 66

Aftrek en limieten

1. Voor de in artikel 34, lid 2, punten 4 tot en met 8, Ö 57, onder d) tot en met h), Õ bedoelde bestanddelen gelden de volgende limieten:

a)      de som van de bestanddelen genoemd in de punten 4 tot en met 8 Ö onder d) tot en met h) Õ mag niet meer bedragen dan 100% van de som van de bestanddelen genoemd in de punten 1, 2 en 3 Ö onder a) tot en met c) Õ, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in de punten 9, 10 en 11 Ö onder i) tot en met k) Õ ð en 50% van de som van de bedragen genoemd onder bestanddeel q ï ;

b)      de som van de bestanddelen genoemd in de punten 7 tot en met 8 Ö onder g) en h) Õ mag niet meer bedragen dan 50% van de som van de bestanddelen genoemd in de punten 1, 2 en 3 Ö onder a) tot en met c) Õ, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in de punten 9, 10 en 11 onder i) tot en met k) ð en 50% van de som van de bedragen genoemd onder bestanddeel q ï;

c)      de som van de bestanddelen genoemd in de punten 12 en 13 Ö onder l) tot en met q) Õ wordt in mindering gebracht op de som van alle bestanddelen.

ò nieuw

2.           De som van de bestanddelen genoemd in artikel 57, onder r), wordt in mindering gebracht op de som van de bestanddelen genoemd onder a) tot en met h) van dat artikel, tenzij de kredietinstelling voor de toepassing van artikel 75 de eerstgenoemde bestanddelen meetelt in haar berekening van de risicogewogen posten zoals aangegeven in bijlage IX, deel 4.

ê 2000/12//EG artikel 38, lid 2

23.         De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestemming geven om in tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden de in lid 1 genoemde limiet te overschrijden.

ê 2000/12/EG artikel 39 (aangepast)

Artikel 67

Aan bevoegde autoriteiten te leveren bewijs

Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten moet worden aangetoond dat aan de voorwaarden van Ö deze afdeling Õ artikel 34, leden 2, 3 en 4, en van de artikelen 35 tot en met 38 is voldaan.

ò nieuw

Afdeling 2

Risicovoorziening

onderafdeling 1 - Toepassingsniveau

Artikel 68

1.           Alle kredietinstellingen voldoen op individuele basis aan het bepaalde in de artikelen 22 en 75 en in afdeling 5.

2.           Als een kredietinstelling geen dochterneming is in de lidstaat waar zij een vergunning heeft gekregen en onder toezicht staat, en evenmin een moederonderneming is, of als een kredietinstelling niet in de consolidatie wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan het bepaalde in de artikelen 120 en 123.

3.           Als een kredietinstelling geen moederonderneming en ook geen dochteronderneming is, of als een kredietinstelling ingevolge artikel 73 niet in de consolidatie wordt opgenomen, voldoet zij op individuele basis aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Artikel 69

1.           De lidstaten mogen ervoor kiezen om artikel 68, lid 1, niet op een dochteronderneming van een kredietinstelling toe te passen als de desbetreffende lidstaat een vergunning heeft verleend aan en toezicht houdt op zowel de dochteronderneming als de kredietinstelling, de dochteronderneming betrokken is bij het toezicht op geconsolideerde basis van de kredietinstelling die de moederonderneming is, en met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen tussen de moederonderneming en de dochterondernemingen voldaan is aan de volgende voorwaarden:

a)      er is geen substantiële of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van middelen door de moederonderneming kan verhinderen;

b)      de moederonderneming is onvoorwaardelijk, uitdrukkelijk en onherroepelijk verplicht eigen vermogen aan de dochteronderneming over te dragen en aan haar verplichtingen te voldoen, tenzij de risico´s ten aanzien van de dochteronderneming nauwelijks van betekenis zijn;

c)      de risicobeoordeling, meet- en controleprocedures van de moederonderneming omvatten ook de dochteronderneming;

d)      de moederonderneming heeft het recht om het grootste deel van de leden van het leidinggevend orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan.

2.           De lidstaten mogen van de in lid 1 genoemde mogelijkheid gebruikmaken als het bij de moederonderneming om een financiële holding gaat die in dezelfde lidstaat is opgericht als de kredietinstelling en aan hetzelfde toezicht onderworpen is als dat welke op kredietinstellingen wordt uitgeoefend. Dit geldt met name voor de in artikel 71 vastgelegde normen.

Artikel 70

De bevoegde autoriteiten mogen aan moederkredietinstellingen in een lidstaat op ad-hocbasis toestaan om bij de berekening van hun vereisten in het kader van artikel 68, lid 1, dochterondernemingen in de Gemeenschap in aanmerking te nemen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 69, lid 1, onder a), c) en d), en die aanzienlijke vorderingen hebben op of aanzienlijke verplichtingen hebben jegens deze moederkredietinstelling in een lidstaat.

Artikel 71

1.           Onverminderd de artikelen 68 tot en met 70 voldoen moederkredietinstellingen in een lidstaat in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan het bepaalde in de artikelen 75, 120, en 123 en in afdeling 5 op basis van hun geconsolideerde financiële positie.

2.           Onverminderd de artikelen 68 tot en met 70 voldoen kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 133 aan de voorschriften van de artikelen 75, 120, en 123 en van hoofdstuk 5 op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.

Als meerdere kredietinstellingen onder de zeggenschap staan van een financiële moederholding in een lidstaat, is lid 1 alleen van toepassing op de kredietinstelling die ingevolge de artikelen 125 en 126 onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis.

Artikel 72

1.           EU-moederkredietinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde financiële positie aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Voor belangrijke dochterondernemingen maken zij de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde informatie echter openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.

2.           Kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, voldoen op basis van de geconsolideerde financiële positie van deze holding aan het bepaalde in hoofdstuk 5.

Voor belangrijke dochterondernemingen maken zij de in bijlage XII, deel 1, punt 5, genoemde informatie echter openbaar op individuele of gesubconsolideerde basis.

3.           De bevoegde autoriteiten die ingevolge de artikelen 125 tot en met 131 verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, mogen de leden 1 en 2 niet van toepassing verklaren op de kredietinstellingen waarvan de moederonderneming in een derde land gevestigd is, mits zij op geconsolideerde basis vergelijkbare informatie over deze kredietinstellingen openbaar maakt.

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 3 (aangepast)

Artikel 73

61.         De lidstaten of de Ö bevoegde autoriteiten die Õ overeenkomstig artikel 53 Ö 125 tot en met 131 verantwoordelijk zijn voor Õ met het toezicht op geconsolideerde basis, belaste bevoegde autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen, financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien:

a)      de in de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming gevestigd is in een derde land waar juridische belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan,;

b)      de in de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de in de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen:

i)       10 miljoen EUR;of

ii)      1% van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt;.

indien verscheidene ondernemingen aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van bovenstaande doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft, of

c)      de consolidatie van de financiële positie van de in de consolidatie te betrekken Ö desbetreffende Õ onderneming, naar de mening van de Ö bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis, Õ met het toezicht op geconsolideerde basis belaste autoriteiten, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn.

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 3, tweede streepje, laatste zin (aangepast)

Iindien Ö in de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen Õ verscheidene ondernemingen aan bovenstaande Ö de daar genoemde Õ voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van bovenstaande Ö de vermelde Õ doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft., of

ò nieuw

2.           De bevoegde autoriteiten verplichten kredietinstellingen die een dochteronderneming zijn, het bepaalde in de artikelen 75, 120 en 123 en in hoofdstuk 5 op gesubconsolideerde basis toe te passen als deze kredietinstellingen of de moederonderneming als deze een financiële holding is, een kredietinstelling, financiële instelling of een vermogensbeheerder in de zin van artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2002/87/EG als dochteronderneming in een derde land hebben of een deelneming in een dergelijke onderneming hebben.

3.           De bevoegde autoriteiten verplichten de moeder- en dochterondernemingen die onder deze richtlijn vallen, op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis te voldoen aan het bepaalde in artikel 22, zodat hun regels, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen.

Onderafdeling 2 – Berekening van de vereisten

Artikel 74

1.           Tenzij anders bepaald, worden de actiefposten en de posten buiten de balanstelling gewaardeerd op basis van het boekhoudkundig kader dat krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 en Richtlijn 86/635/EEG op de kredietinstelling van toepassing is.

2.           Niettegenstaande het bepaalde in de artikelen 68 tot en met 72 zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat ten minste twee keer per jaar wordt berekend of de kredietinstellingen nog voldoen aan artikel 75.

De berekeningen worden door de kredietinstellingen zelf uitgevoerd, die de resultaten en alle gevraagde desbetreffende gegevens vervolgens aan de bevoegde autoriteiten toezenden, of door de bevoegde autoriteiten die gebruikmaken van de door de kredietinstellingen verstrekte gegevens.

Onderafdeling 3 – Minimumniveau eigen vermogen

Artikel 75

Onverminderd artikel 136 verplichten de lidstaten de kredietinstellingen om eigen vermogen te verschaffen dat te allen tijde ten minste de som van de volgende kapitaalvereisten bedraagt:

a)         acht procent van het totaal van de risicogewogen posten, zoals berekend op basis van afdeling 3, voor kredietrisico´s en verwateringsrisico´s in hun gehele bedrijf, met uitzondering van de handelsportefeuille en de niet-liquide activa indien deze op basis van [artikel 13, lid 2, onder d), van Richtlijn 93/6/EEG] in mindering worden gebracht op het eigen vermogen;

b)         met betrekking tot de handelsportefeuille: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld op basis van [hoofdstuk V, afdeling 4, van Richtlijn 93/6/EEG] voor de positie-, afwikkelings- en tegenpartijrisico´s en - voorzover de in de artikelen 111 tot en met 117 vastgestelde limieten mogen worden overschreden - voor grote posities waarbij deze limieten worden overschreden;

c)         met betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld bij [artikel 18 van Richtlijn 93/6/EEG], voor het valutarisico en voor het grondstoffenrisico;

d)         met betrekking tot hun gehele bedrijf: de kapitaalvereisten die zijn vastgesteld bij afdeling 4, voor het operationele risico.

ê 2000/12/EG (nieuw)

Afdeling 2

Solvabiliteitsratio

Artikel 40

Algemene beginselen

1. De solvabiliteitsratio drukt de verhouding uit tussen het eigen vermogen, zoals omschreven in artikel 41, en het totaal van de naar risicograad gewogen activa en posten buiten de balanstelling als omschreven in artikel 42.

2. De solvabiliteitsratio van kredietinstellingen die geen moederonderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG zijn en evenmin een dochteronderneming daarvan, wordt op individuele basis berekend.

3. De solvabiliteitsratio van kredietinstellingen die moederonderneming zijn, wordt berekend op geconsolideerde basis overeenkomstig de methoden omschreven in deze richtlijn en in de Richtlijnen 86/635/EEG en 86/635/EEG.

4. De bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunning van en het toezicht op de moederonderneming die een kredietinstelling is, mogen ook van haar en van elke dochteronderneming daarvan die onder hun vergunning en toezicht valt, eisen dat een ratio op basis van een deelconsolidatie of een niet-geconsolideerde ratio wordt berekend. Indien er niet zo'n controle op de passende verdeling van het kapitaal binnen de bankengroep wordt toegepast, moeten er andere maatregelen worden genomen om dat doel te bereiken.

5. 5. Onverminderd de in de leden 2, 3 en 4 en in artikel 52, leden 8 en 9, omschreven verplichtingen van de kredietinstellingen dragen de bevoegde autoriteiten er zorg voor dat de ratio's ten minste tweemaal per jaar worden berekend, ofwel door de kredietinstelling zelf, die de resultaten en alle gevraagde desbetreffende gegevens aan de bevoegde autoriteiten verstrekt, ofwel door de bevoegde autoriteiten die gebruikmaken van de door de kredietinstellingen verstrekte gegevens.

6. De waardering van activa en van posten buiten de balanstelling geschiedt overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG.

Artikel 41

De teller: eigen vermogen

Het eigen vermogen, zoals gedefinieerd in deze richtlijn, vormt de teller van de solvabilieitsratio.

Artikel 42

De noemer: naar risicograad gewogen activa en posten buiten de balanstelling

1. Aan de actiefposten worden risicograden, in de vorm van in procenten uitgedrukte wegingsfactoren, toegekend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 43 en 44, en, in uitzonderlijke gevallen, in de artikelen 45, 62 en 63. De balanswaarde van elk activum wordt vervolgens vermenigvuldigd met de desbetreffende wegingsfactor om te komen tot een naar risicograad gewogen waarde.

2. In het geval van de in bijlage II vermelde posten buiten de balanstelling wordt een berekening in twee fasen verricht, overeenkomstig artikel 43, lid 2.

3. In het geval van de in artikel 43, lid 3, bedoelde posten buiten de balanstelling worden de potentiële kosten van vervanging van contracten bij in gebreke blijven van de tegenpartij berekend door toepassing van een van de twee in bijlage III genoemde methoden. Deze kosten worden vermenigvuldigd met de desbetreffende, in artikel 43, lid 1, vermelde wegingsfactor voor de tegenpartij, met dien verstande dat de wegingsfactor 100% op 50% wordt gesteld, om naar risicograad gewogen waarden te krijgen.

4. De som van de in de leden 2 en 3 bedoelde naar risicograad gewogen waarden van activa en posten buiten de balanstelling is de noemer van de solvabiliteitsratio.

Artikel 43

Risicowegingsfactoren

1. Op de hierna vermelde activacategorieën worden de daarbij aangegeven wegingsfactoren toegepast, tenzij de bevoegde autoriteiten het dienstig achten hogere factoren vast te stellen:

a)         Wegingsfactor 0 %

(1)     kasmiddelen en gelijkwaardige posten;

(2)     activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken van zone A vertegenwoordigen;

(3)     activa die vorderingen op de Europese Gemeenschappen vertegenwoordigen;

(4)     activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A, of door de Europese Gemeenschappen;

(5)     activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en gefinancierd in de nationale valuta van de kredietnemer;

(6)     activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden en centrale banken van zone B, luidende en gefinancierd in de gemeenschappelijke nationale valuta van de garant en de kredietnemer;

(7)     activa die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A of door de Europese Gemeenschappen, door deposito's in contanten bij de leningverstrekkende instelling of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven door en gedeponeerd bij laatstgenoemde instelling.

b)         Wegingsfactor 20%

(1)     1. activa die vorderingen op de EIB vertegenwoordigen;

(2)     activa die vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken vertegenwoordigen;

(3)     3. activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door de EIB;

(4)     activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door multilaterale ontwikkelingsbanken;

(5)     activa die vorderingen op regionale of lokale overheden van zone A vertegenwoordigen, behoudens het bepaalde in artikel 44;

(6)     activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door regionale of lokale overheden van zone A behoudens het bepaalde in artikel 44;

(7)     7. activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone A vertegenwoordigen, en die geen eigen vermogen van die instellingen zijn;

(8)     activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone B vertegenwoordigen met een looptijd van ten hoogste een jaar, met uitzondering van door deze instellingen uitgegeven effecten die als bestanddelen van hun eigen vermogen zijn erkend;

(9)     activa die uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door kredietinstellingen van zone A;

(10)   activa die vorderingen met een looptijd van ten hoogste een jaar vertegenwoordigen, welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door kredietinstellingen van zone B;

(11)   activa die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door de EIB of door multilaterale ontwikkelingsbanken;

(12)   liquide middelen in de inningsfase.

c)         Wegingsfactor 50%

(1)     leningen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten geheel en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken op woningen die worden of zullen worden bewoond of verhuurd door de kredietnemers en leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, volledig zijn gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van residentiële eigendommen die zullen worden bewoond of verhuurd door de kredietnemer;

         "door hypotheek gedekte waardepapieren" die kunnen worden gelijkgesteld aan de in de eerste alinea of de in artikel 62, lid 1, bedoelde leningen indien de bevoegde, autoriteiten, rekening houdend met het in elke lidstaat geldende rechtskader, van oordeel zijn dat zij ten aanzien van het kredietrisico gelijkwaardig zijn. Onverminderd de soorten waardepapieren die door dit punt kunnen worden bestreken en die aan de voorwaarden ervan voldoen, kunnen "door hypotheek gedekte waardepapieren" mede instrumenten omvatten in de zin van deel B, punt 1, onder a) en b), van de bijlage bij Richtlijn 93/22/EEG van de Raad[32]. In het bijzonder moet ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn aangetoond:

i)       dat deze waardepapieren volledig en rechtstreeks zijn gedekt door een pool van hypotheken van gelijke aard als die welke in de eerste alinea of in artikel 62, lid 1, zijn omschreven, en die ten tijde van de uitgifte van de betrokken waardepapieren volledig operationeel zijn;

ii)      dat de beleggers in door hypotheek gedekte waardepapieren hetzij rechtstreeks, hetzij via een trustee of in hun opdracht handelend vertegenwoordiger, een recht van aanvaardbare rang met hoge prioriteit hebben op de onderliggende door hypotheek belichaamde actiefposten naar evenredigheid van hun aandeel in de waardepapieren;

(2)     overlopende posten : op deze activa wordt de voor de tegenpartij geldende wegingsfactor toegepast wanneer de kredietinstelling deze overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG kan bepalen; wanneer de kredietinstelling niet in staat is om de tegenpartij te bepalen, past zij een forfaitaire wegingsfactor van 50% toe.

d)         Wegingsfactor 100%

(1)     activa die vorderingen op centrale overheden en centrale banken van zone B vertegenwoordigen, tenzij deze luiden en gefinancierd zijn in de nationale valuta van de kredietnemers;

(2)     activa die vorderingen op regionale en lokale overheden van zone B vertegenwoordigen;

(3)     activa die vorderingen op kredietinstellingen van zone B vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan een jaar;

(4)     activa die vorderingen op de niet-bancaire sectoren van zone A en zone B vertegenwoordigen;

(5)     5. materiële activa in de zin van artikel 4 (activa), punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG;

(6)     bezit van aandelen, deelnemingen en andere bestanddelen van het eigen vermogen van andere kredietinstellingen voor zover niet in mindering gebracht op het eigen vermogen van de leningverstrekkende instelling;

(7)     alle andere activa, tenzij in mindering gebracht op het eigen vermogen.

2. De volgende behandeling is van toepassing op andere dan de in lid 3 bedoelde posten buiten de balanstelling. Eerst worden de posten ingedeeld in de risicocategorieën van bijlage I. Voor posten met een volledig risico wordt de totale waarde in aanmerking genomen; Eerst worden de posten ingedeeld in de risicocategorieën van bijlage II.Voor posten met een volledig risico wordt de totale waarde in aanmerking genomen; voor posten met een middelgroot risico 50% van de waarde; voor posten met een middelgroot/laag risico 20% van de waarde; de waarde van de posten met een laag risico wordt vastgesteld op nul. De tweede fase bestaat erin de aldus in aanmerking genomen waarden van de posten buiten de balanstelling te vermenigvuldigen met de wegingsfactoren die gelden voor de betrokken tegenpartijen, overeenkomstig de weging van activa in lid 1 en in artikel 44. Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking zijn de wegingsfactoren die welke gelden voor de betrokken activa, en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties. Op het niet-gestorte gedeelte van de inschrijvingen op het kapitaal van het Europees Investeringsfonds mag een wegingsfactor van 20% worden toegepast.

3. De methoden van bijlage III worden toegepast op de in bijlage IV vermelde posten buiten de balanstelling, behalve voor:

– - contracten die verhandeld worden op erkende beurzen,

– - valutacontracten (uitgezonderd contracten betreffende goudtransacties) met een oorspronkelijke looptijd van 14 kalenderdagen of minder.

Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een vrijstelling van de methoden van bijlage III toestaan voor OTC-contracten die worden gecleard door een clearinginstelling die optreedt als de wettelijke tegenpartij, en waarbij alle deelnemers het risico dat zij voor de clearinginstelling belichamen, dagelijks volledig met onderpand dekken, zodat bescherming wordt geboden tegen zowel het huidige risico als het potentiële toekomstige risico. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn dat het gestelde onderpand dezelfde mate van bescherming biedt als onderpand in de zin van lid 1, onder a), punt 7, en dat het gevaar dat de gezamenlijke risico's van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het geplaatste onderpand uitstijgen, wordt geëlimineerd. De lidstaten lichten de Commissie in over het gebruik dat zij van deze keuzemogelijkheid maken.

4. Indien voor posten buiten de balanstelling uitdrukkelijke garanties zijn verstrekt, worden zij gewogen als waren zij aangegaan voor de garant in plaats van de tegenpartij. Indien het risico dat voortvloeit uit transacties buiten de balanstelling, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en volledig is gegarandeerd door activa die in lid 1, onder a), punt 7, en in lid 1, onder b), punt 11, als passend onderpand worden aangemerkt, gelden wegingsfactoren van 0 of 20% naar gelang van het desbetreffende onderpand.

De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 50% toepassen op posten buiten de balanstelling die borgstellingen of kredietgaranties met het karakter van kredietvervangingen zijn en die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, geheel en volledig zijn gegarandeerd door hypotheken die voldoen aan de voorwaarden van lid 1, onder c), punt 1, mits de garant een direct recht op dat onderpand heeft.

5. Indien voor activa en posten buiten de balanstelling een lagere wegingsfactor wordt toegepast wegens het bestaan van een uitdrukkelijke garantie of van een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbaar onderpand, is die lagere wegingsfactor alleen van toepassing op het gedeelte dat is gegarandeerd of dat volledig door het onderpand is gegarandeerd.

Artikel 44

Wegingsfactor van vorderingen op regionale of lokale overheden van de lidstaten

1. Onverminderd de voorschriften van artikel 43, lid 1, onder b), kunnen de lidstaten een wegingsfactor van 0% vaststellen voor hun eigen regionale en lokale overheden indien er geen verschil in risico bestaat tussen vorderingen op laatstgenoemde overheden en vorderingen op hun centrale overheden vanwege de bevoegdheden van de regionale en lokale overheden om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels om de kans op in gebreke blijven door genoemde overheden te verminderen. Een overeenkomstig deze criteria vastgestelde wegingsfactor van 0 % geldt voor vorderingen op en posten buiten de balanstelling voor rekening van de betrokken regionale en lokale overheden, alsmede voor vorderingen op derden en posten buiten de balanstelling voor rekening van derden, welke gegarandeerd zijn door die regionale en lokale overheden of die, ten genoegen van de betrokken bevoegde autoriteiten, gegarandeerd zijn door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door die regionale of lokale overheden.

2. Indien zij wegingsfactor 0 % op grond van de in lid 1 genoemde criteria gerechtvaardigd achten, stellen de lidstaten de Commissie daarvan in kennis. De Commissie verspreidt deze informatie. Andere lidstaten kunnen de kredietinstellingen, onder toezicht van hun bevoegde autoriteiten, toestaan om wegingsfactor 0 % toe te passen voor transacties met de regionale of lokale overheden in kwestie of wanneer zij vorderingen hebben welke door die overheden worden gegarandeerd, met inbegrip van garanties door onderpand in de vorm van effecten.

Artikel 45

Overige wegingsfactoren

1. Onverminderd artikel 44, lid 1, kunnen de lidstaten een wegingsfactor van 20% toepassen op activa die ten genoegen van de betrokken bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van effecten die zijn uitgegeven door regionale of lokale overheden van zone A, door deposito's bij andere kredietinstellingen van zone A dan de leningverstrekkende instelling, of door certificaten van deposito of soortgelijk papier, uitgegeven door deze kredietinstellingen.

2. De lidstaten kunnen de wegingsfactor 10% toepassen op vorderingen op instellingen die zijn gespecialiseerd op het gebied van de interbancaire markt en de markt voor overheidsschuld in de Lid-Staat van herkomst en die aan een streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen, wanneer die activa, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst, geheel en volledig zijn gegarandeerd door een combinatie van in artikel 43, lid 1, onder a) en b), vermelde activa die door deze autoriteiten als een passend onderpand wordt aangemerkt.

3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 aangenomen bepalingen en van de motivering van deze bepalingen. De Commissie geeft deze informatie door aan de lidstaten. De Commissie bestudeert op gezette tijden de gevolgen van deze bepalingen om te verzekeren dat zij niet tot concurrentievervalsing leiden.

Artikel 46

Administrative organen en niet-commerciële ondernemingen

Voor de toepassing van artikel 43, lid 1, onder b), kunnen de bevoegde autoriteiten onder de definitie van "regionale en lokale overheden" ook niet-commerciële administratieve organen laten vallen die verantwoording moeten afleggen aan regionale of lokale overheden, alsmede niet-commerciële ondernemingen die eigendom zijn van centrale, regionale of lokale overheden of overheden die, naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, dezelfde verantwoordelijkheden dragen als de regionale en lokale overheden.

De bevoegde autoriteiten kunnen bovendien kerken en godsdienstige gemeenschappen die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, gelijkstellen met regionale en lokale overheden, voorzover zij belastingen heffen op grond van een hun daartoe bij wet verleend recht.

Artikel 47

Het peil van de solvabiliteitsratio

1. Kredietinstellingen moeten de in artikel 40 omschreven ratio permanent op ten minste 8% handhaven.

2. Onverminderd lid 1 mogen de bevoegde autoriteiten hogere minimumratio's vaststellen indien zij zulks dienstig achten.

3. Indien de ratio lager wordt dan 8%, zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de betrokken kredietinstelling passende maatregelen neemt om de ratio zo spoedig mogelijk weer op het overeengekomen minimum te brengen.

ò nieuw

AFDELING 3

Minimumkapitaalvereisten voor het kredietrisico

Artikel 76

Voor de berekening van de risicogewogen posten met het oog op de toepassing van artikel 75, onder a), volgen kredietinstellingen ofwel de standaardbenadering als beschreven in de artikelen 78 tot en met 83, ofwel - mits de bevoegde autoriteiten daarvoor in het kader van artikel 84 toestemming hebben verleend - de interne-ratingbenadering als beschreven in de artikelen 84 tot en met 89.

Artikel 77

In deze afdeling wordt onder "vordering" verstaan: een actief of een post buiten de balanstelling.

Onderafdeling 1 – Standaardbenadering

Artikel 78

1. Onverminderd lid 2 is de vorderingswaarde van een actief de balanswaarde ervan en is de vorderingswaarde van een in bijlage II vermelde post buiten de balanstelling het volgende percentage van de waarde ervan: 100% bij een post met een volledig risico, 50% bij een post met een middelgroot risico, 20% bij een post met een middelgroot/laag risico en 0% bij een post met een laag risico. De in de eerste zin genoemde posten buiten de balanstelling worden ondergebracht in de risicocategorieën zoals aangegeven in bijlage II.

2. Voor de bepaling van de vorderingswaarde van een in bijlage IV vermeld afgeleid instrument wordt een van de twee methoden van bijlage III gehanteerd, waarbij voor de toepassing van deze methoden op basis van bijlage III rekening wordt gehouden met de gevolgen van schuldvernieuwingsovereenkomsten en andere verrekeningsovereenkomsten.

3. Als een vordering door een volgestorte kredietprotectie is gegarandeerd, mag de waarde van deze post op basis van onderafdeling 3 worden aangepast.

4. Als een kredietinstelling in het kader van bijlage VIII, deel 3, de uitvoerige methode voor de inaanmerkingneming van financiële zekerheden hanteert, is de waarde van vorderingen in de vorm van effecten of grondstoffen die in het kader van een repo of een transactie inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen worden verkocht, gedeponeerd of verstrekt, de waarde van de effecten of grondstoffen die is vastgesteld op basis van artikel 74, lid 1; deze waarde wordt op basis van bijlage VIII, deel 3, punten 35 tot en met 60, verhoogd met de volatiliteitsaanpassing voor dergelijke effecten of grondstoffen.

Artikel 79

1.           Elke vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

(a)     vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden of centrale banken;

b)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op regionale of lagere overheden;

c)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen;

d)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken;

e)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op internationale organisaties;

f)       vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op instellingen;

g)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen;

h)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en kleine partijen;

i)       vorderingen of voorwaardelijke vorderingen die zijn gegarandeerd door onroerend goed;

j)       posten waarvoor sprake is van een betalingsachterstand;

k)      posten met een hoog risico;

l)       vorderingen in de vorm van obligaties met zekerheidsstelling;

m)     securitisatieposities;

n)      kortlopende vorderingen op instellingen en ondernemingen;

o)      vorderingen in de vorm van rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging;

p)      overige posten.

2.           Om in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen, als bedoeld onder h), ondergebracht te kunnen worden, voldoet een vordering aan de volgende voorwaarden:

a)      zij moet betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming;

b)      zij moet deel uitmaken van een groot pakket vorderingen met ongeveer dezelfde kenmerken zodat het risico dat aan dergelijke leningen verbonden is, aanzienlijk wordt beperkt;

c)      het totale bedrag dat de debiteur of groep van verbonden cliënten aan de kredietinstelling en eventueel de moederonderneming en haar dochterondernemingen verschuldigd is, mag met inbegrip van de achterstallige posten volgens de informatie van de kredietinstelling niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. De kredietinstelling moet gepaste maatregelen nemen om aan deze informatie te komen.

Effecten kunnen niet worden ondergebracht in de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen.

Artikel 80

1.           Voor de berekening van de risicogewogen posten worden risicogewichten toegepast op alle vorderingen, tenzij deze op basis van bijlage VI, deel 1, in mindering worden gebracht op het eigen vermogen. Het risicogewicht dat wordt toegepast, hangt af van de categorie waarin de vordering is ondergebracht, en (in de mate als bepaald in bijlage VI, deel 1) van de kredietkwaliteit ervan. Voor de bepaling van de kredietkwaliteit mogen de kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI´s) of de kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen, zoals beschreven in bijlage VI, deel 1, worden gebruikt, mits de artikelen 81 tot en met 83 in acht worden genomen.

2.           Voor de toepassing van een risicogewicht als bedoeld in lid 1, wordt de waarde van de post vermenigvuldigd met het risicogewicht dat op basis van deze onderafdeling is voorgeschreven of vastgesteld.

3.           Bij vorderingen op instellingen beslissen de bevoegde autoriteiten of bij de berekening van de risicogewogen posten wordt uitgegaan van de kredietkwaliteit van de centrale overheid van het rechtsgebied waarin de kredietinstelling haar statutaire zetel heeft, of - overeenkomstig bijlage VI - van de kredietkwaliteit van de instelling van de tegenpartij.

4.           Niettegenstaande lid 1 mag het risicogewicht van een vordering die door kredietprotectie is gegarandeerd, op basis van onderafdeling 3 worden aangepast.

5.           Bij gesecuritiseerde vorderingen worden de risicogewogen posten berekend op basis van onderafdeling 4.

6.           Vorderingen waarvoor in deze afdeling geen voorschriften voor de berekening van de risicogewogen posten zijn vastgesteld, krijgen een risicogewicht van 100%.

7.           Met uitzondering van vorderingen waardoor verplichtingen ontstaan in de vorm van de in artikel 57, lid 1, punten 1 tot en met 8, genoemde bestanddelen, mogen de bevoegde autoriteiten de vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, vrijstellen van het bepaalde in lid 1 van het onderhavige artikel, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de tegenpartij is een instelling of een financiële holding, financiële instelling, vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn;

b)      de tegenpartij en de kredietinstelling zijn opgenomen in dezelfde volledige consolidatie;

c)      de tegenpartij is onderworpen aan dezelfde risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures als de kredietinstelling;

d)      de tegenpartij is gevestigd in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling;

e)      er is geen substantiële of juridische belemmering aanwezig of te voorzien die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van middelen door de tegenpartij aan de kredietinstelling kan verhinderen;

In een dergelijk geval wordt een risicogewicht van 0% toegepast.

Artikel 81

1.           Een externe kredietbeoordeling mag voor de bepaling van het risicogewicht van een vordering op basis van artikel 80 alleen worden gebruikt als de instelling die de beoordeling afgeeft, door de bevoegde autoriteiten is erkend als zijnde geschikt voor deze doeleinden. Hieronder wordt een dergelijke instelling als "erkende EKBI" aangeduid.

2.           De bevoegde autoriteiten erkennen een EKBI als zijnde geschikt voor de doeleinden van artikel 80 alleen als ze zich ervan hebben overtuigd dat de beoordelingsmethodiek van de instelling voldoet aan de criteria objectiviteit, onafhankelijkheid, doorlopende toetsing en transparantie en dat de ontwikkelde kredietbeoordelingen betrouwbaar en transparant zijn. Daartoe houden de bevoegde autoriteiten rekening met de technische criteria in bijlage VI, deel 2.

3.           Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een EKBI hebben erkend, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze erkenning overnemen en hoeven ze niet zelf een evaluatie te verrichten.

4.           De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een toelichting op de erkenningsprocedure en een lijst van erkende EKBI´s voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 82

1.           De bevoegde autoriteiten bepalen op basis van de technische criteria in bijlage VI, deel 2, in welke in deel 1 van deze bijlage genoemde kredietkwaliteitscategorie de desbetreffende kredietbeoordelingen van een erkende EKBI moeten worden ondergebracht. Daarbij moeten ze objectief en consequent tewerkgaan.

2.           Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat de onderbrenging op basis van lid 1 hebben bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze overnemen en hoeven ze niet zelf een onderbrenging te bepalen.

Artikel 83

1.           Als voor de berekening van de risicogewogen posten van een kredietinstelling kredietbeoordelingen van EKBI´s worden gebruikt, wordt consequent en op basis van bijlage VI, deel 3, te werk gegaan. Kredietbeoordelingen worden niet selectief gebruikt.

2.           Een kredietinstelling maakt alleen gebruik van kredietbeoordelingen waarom zij zelf heeft gevraagd. Met toestemming van de bevoegde autoriteit mag ze echter ook gebruikmaken van ongevraagde beoordelingen.

Onderafdeling 2 - Interne-ratingbenadering

Artikel 84

1.           De bevoegde autoriteiten mogen met inachtneming van het bepaalde in deze onderafdeling een kredietinstelling toestemming verlenen om haar risicogewogen posten te berekenen aan de hand van de interne-ratingbenadering (IRB). Voor elke kredietinstelling is uitdrukkelijke toestemming vereist.

2.           Er wordt alleen toestemming verleend als de bevoegde autoriteit zich ervan heeft overtuigd dat de in de kredietinstelling gehanteerde systemen voor het beheer en de rating van kredietrisico´s solide zijn, zorgvuldig worden toegepast en met name aan de volgende normen van bijlage VII, deel 4 voldoen:

a)      de ratingsystemen van de kredietinstelling maken een bruikbare beoordeling van de debiteuren- en transactiekenmerken, een bruikbare risicodifferentiatie en precieze en samenhangende kwantitatieve risicoramingen mogelijk.

(b)     de voor de berekening van de kapitaalvereisten gehanteerde interne ratings en ramingen van de omvang van het kredietverzuim en de verliezen, alsmede de daarmee samenhangende systemen en procedures spelen een essentiële rol bij het risicobeheer en de besluitvorming en bij de kredietacceptatie, interne kapitaalallocatie en corporate governance van de kredietinstelling;

c)      de kredietinstelling heeft een voor haar ratingsystemen verantwoordelijke eenheid kredietrisicobeheersing die voldoende onafhankelijk kan opereren en niet al te sterk kan worden beïnvloed;

d)      de kredietinstelling verzamelt alle gegevens aan de hand waarvan de kredietrisico´s effectief kunnen worden gemeten en beheerd, en slaat deze gegevens op;

e)      de kredietinstelling legt haar ratingsystemen schriftelijk vast, geeft aan waarom ze zo zijn opgezet en valideert ze.

Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen de IRB voor moeder- en dochteronderneming centraal toepassen, kunnen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat de moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de in bijlage VII, deel 4, vermelde minimumvereisten.

3.           Een kredietinstelling die een aanvraag indient om de IRB te mogen toepassen, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, voor de desbetreffende IRB-categorieën van vorderingen ratingsystemen hanteert die in grote lijnen in overeenstemming zijn met de in deze bijlage vermelde minimumvereisten voor de meting en het beheer van interne risico´s. Deze verplichting gaat in op 31 december 2010.

4.           Een kredietinstelling die een aanvraag indient om gebruik te mogen maken van eigen ramingen van LGD´s (verliezen bij wanbetaling) en/of omrekeningsfactoren, legt bewijsstukken over waaruit blijkt dat zij al ten minste drie jaar voordat zij daartoe het recht krijgt, eigen ramingen van LGD´s en/of omrekeningsfactoren samenstelt en daarvan gebruikmaakt, en wel op een wijze die in grote lijnen in overeenstemming is met de in deze bijlage vermelde minimumvereisten voor het gebruik van eigen ramingen van de desbetreffende parameters. Deze verplichting gaat in op 31 december 2010.

5.           Als een kredietinstelling niet meer voldoet aan de in deze onderafdeling vermelde vereisten, wordt door haar ofwel bij de bevoegde autoriteit een plan ingediend om tijdig terug te keren naar de oude situatie, ofwel aangetoond dat de afwijkende situatie geen noemenswaardige gevolgen heeft.

6.           Als de EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de financiële EU-moederholding en haar dochteronderneming de IRB willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel op basis van de voorschriften van de artikelen 129 tot en met 132.

Artikel 85

1.           Onverminderd artikel 89 passen kredietinstellingen en alle moederondernemingen met hun dochterondernemingen de IRB op alle vorderingen toe.

Als de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming verlenen, is per categorie vorderingen, als bedoeld in artikel 86, binnen dezelfde bedrijfsactiviteit, per bedrijfsactiviteit binnen dezelfde groep of voor het gebruik van eigen ramingen van LGD´s of omrekeningsfactoren voor de berekening van risicogewichten voor vorderingen op bedrijven, instellingen en centrale overheden en centrale banken een stapsgewijze invoering toegestaan.

Bij de categorie vorderingen op particulieren en kleine partijen als bedoeld in artikel 86, is een stapsgewijze invoering toegestaan voor de categorieën vorderingen volgens de verschillende correlaties in de punten 9, 10 en 11 van bijlage VII waarmee de verschillende correlaties overeenkomen.

2.           De in lid 1 bedoelde invoering vindt binnen een redelijke termijn plaats. Daarover moet met de bevoegde autoriteiten overeenstemming worden bereikt. Invoering vindt plaats op strikte voorwaarden, die door de bevoegde autoriteiten worden vastgesteld. Deze voorwaarden moeten ervoor zorgen dat de in lid 1 geboden flexibiliteit niet selectief wordt gebruikt met als doel voor categorieën vorderingen of voor bedrijfsactiviteiten die nog niet onder de IRB vallen, of bij het gebruik van eigen ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren lagere minimumkapitaalvereisten te verkrijgen.

3.           Kredietinstellingen die voor alle categorieën vorderingen de IRB hanteren, passen deze benadering ook toe op de categorie positie in aandelen.

4.           Behoudens de leden 1 tot en met 3 en artikel 89 vallen kredietinstellingen die in het kader van artikel 84 toestemming hebben gekregen voor het gebruik van de IRB, voor de berekening van risicogewogen posten niet terug op onderafdeling 1, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

5.           Behoudens de leden 1 en 2 en artikel 89 vallen kredietinstellingen die in het kader van artikel 87, lid 9, toestemming hebben gekregen voor het gebruik van eigen ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren niet terug op de in artikel 87, lid 8, genoemde LGD´s en omrekeningsfactoren, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

Artikel 86

1.         Elke vordering wordt ondergebracht in een van de volgende categorieën:

a)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op centrale overheden en centrale banken;

b)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op instellingen;

c)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op ondernemingen;

d)      vorderingen of voorwaardelijke vorderingen op particulieren en op kleine partijen;

e)      posities in aandelen;

f)       securitisatieposities;

g)      andere activa die geen kredietverplichting vertegenwoordigen.

2.         De volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op centrale overheden en centrale banken:

a)      vorderingen op regionale en lagere overheden die in het kader van onderafdeling 1 worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

b)      vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties die in het kader van onderafdeling 1 een risicogewicht van 0% krijgen.

3.         De volgende vorderingen worden behandeld als vorderingen op instellingen:

a)      vorderingen op regionale en lagere overheden die in het kader van onderafdeling 1 niet worden behandeld als vorderingen op centrale overheden;

b)      vorderingen op publiekrechtelijke lichamen die in het kader van onderafdeling 1 worden behandeld als vorderingen op instellingen;

c)      vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken die in het kader van onderafdeling 1 geen risicogewicht van 0% krijgen.

4.         Om in de categorie vorderingen op particulieren en op kleine partijen, als bedoeld in lid 1, onder d), ondergebracht te kunnen worden, voldoen de vorderingen aan de volgende voorwaarden:

a)      zij moeten betrekking hebben op een individuele persoon of individuele personen dan wel op een kleine of middelgrote onderneming. In het laatste geval bedraagt het totale bedrag dat de debiteur of de groep van verbonden cliënten verschuldigd is aan de kredietinstelling en eventueel aan de moederonderneming en haar dochterondernemingen, voorzover de kredietinstelling weet, niet meer dan 1 miljoen EUR. De kredietinstelling moet wel stappen hebben gezet om zich te overtuigen van de juistheid van deze informatie;

b)      ze worden in het interne risicobeheer van de kredietinstelling in de tijd gezien consistent en op dezelfde wijze behandeld;

c)      ze worden niet op individuele basis beheerd, zoals in de categorie vorderingen op ondernemingen wel gebeurt;

d)      ze maken elk deel uit van een groot aantal op vergelijkbare wijze beheerde vorderingen.

5.         De volgende vorderingen worden als posities in aandelen geclassificeerd:

a)      andere posities dan schulden die een achtergestelde restvordering op de activa of het vermogen van de uitgevende instelling vormen;

b)      schuldvorderingen waarvan de belangrijkste economische kenmerken overeenkomen met die van de vorderingen die onder a) zijn genoemd.

6.         Vorderingen in de categorie vorderingen op ondernemingen worden door de kredietinstellingen apart geregistreerd als vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening als ze de volgende kenmerken bezitten:

a)      de vordering heeft betrekking op een entiteit die speciaal is opgericht om materiële activa te financieren en/of te beheren;

b)      in het contract is geregeld dat de kredietverlener een grote zeggenschap heeft over de activa en de inkomsten die daarmee worden gegenereerd;

c)      de afbetaling van de verplichting is vooral gerelateerd aan de inkomsten die met de gefinancierde activa worden gegenereerd, en niet zozeer aan de algemene capaciteit van een in breder verband opererende commerciële onderneming.

7.         Kredietverplichtingen die niet zijn ondergebracht in een onder a), b) of d) tot en met f) van lid 1, genoemde categorie, vallen onder de in dit lid, onder c), genoemde categorie.

8.         De onder g) van lid 1 genoemde categorie omvat ook de restwaarde van geleasd onroerend goed, waar dit niet onder een andere bepaling van deze richtlijn valt.

9.         Voor de onderbrenging van de vorderingen in de verschillende categorieën past de kredietinstelling een geschikte, in de tijd gezien consistente methodiek toe.

Artikel 87

1.         De voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met e) en g), genoemde categorieën vallen, worden, als ze niet op het eigen vermogen in mindering worden gebracht, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 1 tot en met 25.

2.         De voor het verwateringsrisico gewogen posten die verband houden met gekochte kortlopende vorderingen, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 26.

3.         Bij de berekening van voor het krediet- en het verwateringsrisico gewogen posten wordt uitgegaan van de parameters voor de desbetreffende vordering. Daaronder vallen de kans op wanbetaling (PD), het verlies bij wanbetaling (LGD), de looptijd (M) en de waarde van de post. Overeenkomstig bijlage VII, deel 2, mogen de PD en het LGD apart of gezamenlijk in aanmerking worden genomen.

4.         Onverminderd lid 3 worden de voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met alle posities die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), genoemde categorie vallen, berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punten 15 tot en met 24, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan. De bevoegde autoriteiten verlenen een kredietinstelling alleen toestemming om de benadering zoals uiteengezet in bijlage VII, deel 1, punten 24 en 25, toe te passen als de kredietinstelling voldoet aan de in bijlage VII, deel 4, punten 114 tot en met 122 vermelde minimumvereisten.

5.         Onverminderd lid 3 mogen voor het kredietrisico gewogen posten die verband houden met vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, worden berekend op basis van bijlage VII, deel 1, punt 5. De bevoegde autoriteiten maken richtsnoeren bekend voor de wijze waarop de instellingen in het kader van bijlage VII, deel 1, punt 5, risicogewichten dienen toe te kennen aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, en verlenen hun goedkeuring aan de door de instellingen daarvoor gebruikte methodieken.

6.         Voor vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met d), genoemde categorieën vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van PD´s op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.

7.         Voor vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder d) genoemde categorie vallen, stellen kredietinstellingen eigen ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren op op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.

8.         Op vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, passen de kredietinstellingen de LGD-waarden van bijlage VII, deel 2, punt 8, en de omrekeningsfactoren van bijlage VII, deel 3, punt 11, onder a) tot en met c), toe.

9.         Onverminderd lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten aan de kredietinstellingen toestemming verlenen om voor alle vorderingen die onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met c), genoemde categorieën vallen, gebruik te maken van eigen ramingen van LGD´s en omrekeningsfactoren op basis van artikel 84 en bijlage VII, deel 4.

10.       De risicogewogen posten voor gesecuritiseerde vorderingen en voor vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder f), genoemde categorie vallen, worden berekend op basis van onderafdeling 4.

11.       Als vorderingen op een collectief beleggingsfonds (ICB) voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 74 en 75, en de kredietinstelling op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van het ICB, controleert de kredietinstelling deze vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de methodieken die in deze onderafdeling worden beschreven.

Als de kredietinstelling niet voldoet aan de voorwaarden om de in deze onderafdeling beschreven methodieken te mogen gebruiken, worden de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten als volgt berekend:

a)      bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), vallen, wordt de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 17 tot en met 19, gehanteerd. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;

b)      bij alle overige onderliggende vorderingen wordt de in onderafdeling 1 beschreven benadering gehanteerd. Deze wijkt echter op de volgende punten af:

i)       de vorderingen worden in een categorie ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht;

ii)      vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200%.

12.       Als vorderingen op een ICB niet voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punten 74 en 75, of de kredietinstelling niet op de hoogte is van alle onderliggende vorderingen van het ICB, controleert de kredietinstelling de onderliggende vorderingen en berekent zij de risicogewogen posten en de verwachte verliesposten op basis van de benadering die is beschreven in bijlage VII, deel 1, punten 17 tot en met 19. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen. Daartoe worden vorderingen waarbij het niet om posities in aandelen gaat, ondergebracht in een van de in bijlage VII, deel 1, punt 17, genoemde categorieën (posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen).

Als alternatief voor de bovenbeschreven methodiek kunnen kredietinstellingen aan een derde opdracht geven de gemiddelde risicogewogen posten op basis van de onderliggende vorderingen op de ICB te berekenen en hen van de resultaten op de hoogte te brengen. Wel moet voldoende gewaarborgd zijn dat de berekening en de rapportage volgens de regels plaatsvinden. Voor de berekeningen worden de volgende benaderingen gevolgd:

a)      bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder e), vallen, de benadering van bijlage VII, deel 1, punten 17 tot en met 19. Als de kredietinstelling niet in staat is een onderscheid te maken tussen posities in niet ter beurze verhandelde, ter beurze verhandelde en overige aandelen, behandelt zij de desbetreffende vorderingen als posities in overige aandelen;

b)      bij alle overige onderliggende vorderingen de in onderafdeling 1 beschreven benadering, die echter op de volgende punten afwijkt:

i)       de vorderingen worden in een categorie ondergebracht en krijgen het risicogewicht van de trap boven de kredietkwaliteitstrap waarin de vordering normaalgesproken zou zijn ondergebracht;

ii)      vorderingen die worden ondergebracht in een hogere kredietkwaliteitstrap en normaalgesproken een risicogewicht van 150% zouden krijgen, krijgen een risicogewicht van 200%.

Artikel 88

1.         Bij vorderingen die vallen onder een van de in artikel 86, lid 1, onder a) tot en met e), genoemde categorieën, worden de verwachte verliesposten berekend op basis van de methodieken die in bijlage VII, deel 1, punten 27 tot en met 33, staan beschreven.

2.         Als de verwachte verliesposten op basis van bijlage VII, deel 1, punten 27 tot en met 33, worden berekend, wordt bij elke vordering uitgegaan van dezelfde inputparameters voor PD, LGD en de waarde van de post als die welke worden gebruikt voor de berekening van risicogewogen posten op basis van artikel 87.

3.         Bij gesecuritiseerde vorderingen worden de verwachte verliesposten berekend op basis van onderafdeling 4.

4.         Bij vorderingen die onder de in artikel 86, lid 1, onder g), genoemde categorie vallen, is de verwachte verliespost gelijk nul.

5.         De verwachte verliesposten in verband met het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden berekend op basis van de methodieken van bijlage VII, deel 1, punt 33.

6.         De verwachte verliesposten bij de in artikel 87, leden 11 en 12, genoemde vorderingen worden berekend op basis van de methodieken die beschreven staan in bijlage VII, deel 1, punten 27 tot en met 33.

Artikel 89

1.         Kredietinstellingen die bij de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten voor een of meer categorieën vorderingen de IRB mogen hanteren, mogen, mits de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan, onderafdeling 1 toepassen op:

a)      de in artikel 86, lid 1, onder a), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren;

b)      de in artikel 86, lid 1, onder b), genoemde categorie, als het aantal grote tegenpartijen beperkt is en het voor de kredietinstelling te belastend zou zijn om voor deze tegenpartijen een ratingsysteem in te voeren;

c)      vorderingen in verband met niet-belangrijke bedrijfsactiviteiten en in categorieën die geen noemenswaardige omvang hebben en waarvan het risicoprofiel als laag wordt aangemerkt;

d)      vorderingen op de centrale overheid, regionale overheden, lagere overheden en administratieve organen in de lidstaat van herkomst, mits:

i)       er op grond van bepaalde publiekrechtelijke regelingen geen verschil in risico bestaat tussen de vorderingen op de centrale overheid en de andere vorderingen;

ii)      vorderingen op de centrale overheid ingevolge onderafdeling 1 ondergebracht zijn in kredietkwaliteitbeoordelingstrap 1;

e)      vorderingen van een kredietinstelling op een tegenpartij die haar moederonderneming, dochteronderneming of een dochteronderneming van haar moederonderneming is, mits het bij deze tegenpartij om een instelling of een financiële holding, een financiële instelling, een vermogensbeheerder of een nevendiensten verrichtende onderneming gaat waarop prudentiële voorschriften van toepassing zijn;

f)       posities in aandelen van entiteiten waarvan de kredietverplichtingen ingevolge onderafdeling 1 voor een risicogewicht van nul in aanmerking komen (daartoe behoren ook met overheidsgeld gefinancierde entiteiten waarvoor een risicogewicht van nul geldt).

g)      posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van overheidsprogramma´s waarmee steun wordt verleend aan bepaalde economische sectoren en waarbij de kredietinstelling omvangrijke subsidies ontvangt voor haar belegging en de beleggingen op de een of andere wijze onderworpen zijn aan overheidstoezicht en restricties. In totaal mag hiermee niet meer dan in totaal 10% van het oorspronkelijke eigen vermogen plus het aanvullende eigen vermogen gemoeid zijn.

De bevoegde autoriteiten mogen op grond van het bepaalde in dit lid niet weigeren akkoord te gaan met de toepassing van de regels van onderafdeling op posities in aandelen als deze posities in andere lidstaten al zo behandeld mogen worden.

2.         Voor de toepassing van punt c) worden posities in aandelen van een kredietinstelling als omvangrijk beschouwd als de totale waarde ervan exclusief de onder g) genoemde posities in aandelen die zijn ingenomen in het kader van overheidsprogramma´s in het voorgaande jaar gemiddeld meer dan 10% van het eigen vermogen van de kredietinstelling bedraagt. Als in minder dan tien individuele bedrijven een positie in aandelen is opgebouwd, bedraagt de drempel 5% van het eigen vermogen van de kredietinstelling.

Onderafdeling 3 - Kredietrisicolimitering

Artikel 90

Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder "leningverstrekkende kredietinstelling" verstaan: de kredietinstelling die de vordering in kwestie heeft, ongeacht of daaraan een lening ten grondslag ligt.

Artikel 91

Kredietinstellingen die de standaardbenadering op basis van de artikelen 78 tot en met 83 of de IRB op basis van de artikelen 84 tot en met 89 hanteren, maar niet gebruikmaken van eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 87 en 88, mogen conform deze onderafdeling kredietrisicolimitering in aanmerking nemen bij de berekening van de risicogewogen posten voor de toepassing van artikel 75, onder a), of - indien van toepassing - bij de berekening van de verwachte verliesposten met het oog op de in artikel 57, onder q), en artikel 63, lid 3, bedoelde berekening.

Artikel 92

1.           De voor de kredietprotectie gehanteerde techniek in combinatie met de maatregelen, stappen, procedures en gedragslijnen van de leningverstrekkende kredietinstelling leiden tot zekerheidsregelingen die in alle desbetreffende rechtsgebieden rechtsgeldig en afdwingbaar zijn.

2.           De leningverstrekkende kredietinstelling neemt alle vereiste maatregelen om de effectiviteit van de zekerheidsregeling te waarborgen en de daaraan verbonden risico´s te beperken.

3.           Bij volgestorte kredietprotectie mogen alleen activa in aanmerking worden genomen waarvan de liquiditeit niet te wensen overlaat en waarvan de waarde in de tijd gezien zo stabiel is dat ze gelet op de benadering die gehanteerd wordt voor de berekening van risicogewogen posten en gelet op de toegestane mate van erkenning voldoende zekerheid bieden wat de protectie van het krediet betreft. Alleen de in bijlage VIII, deel 1, genoemde activa komen voor deze doeleinden in aanmerking.

4.           Bij volgestorte kredietprotectie heeft de leningverstrekkende kredietinstelling het recht om bij in gebreke blijven, insolventie of faillissement van de debiteur of indien van toepassing, van de bewaarnemer van de zekerheid of bij een andere credit event die in het desbetreffende contract wordt vermeld, de activa die als zekerheid dienen, bijtijds te liquideren of te behouden. De waarde van de activa die als zekerheid worden gebruikt, mag niet te nauw gekoppeld zijn aan de kredietkwaliteit van de leningnemer.

5.           Bij niet-volgestorte kredietprotectie mag de partij van wie de garanties afkomstig zijn, alleen in aanmerking worden genomen als deze betrouwbaar genoeg is en de kredietprotectieovereenkomst in de desbetreffende rechtsgebieden rechtsgeldig is; pas dan is er, gelet op de benadering die gehanteerd wordt voor de berekening van risicogewogen posten en gelet op de toegestane mate van inaanmerkingneming, sprake van voldoende zekerheid wat de protectie van het krediet betreft. Alleen de in bijlage VIII, deel 1, genoemde protectiegevers en soorten kredietprotectieovereenkomsten komen voor deze doeleinden in aanmerking.

6.           Er wordt voldaan aan de in bijlage VIII, deel 2, vermelde minimumeisen.

Artikel 93

1.           Als aan artikel 92 wordt voldaan, mogen de berekening van risicogewogen vorderingen en – indien van toepassing – de berekening van de verwachte verliesposten overeenkomstig bijlage VIII, delen 3 tot en met 6, worden gewijzigd.

2.           Een vordering waarbij het kredietrisico wordt gelimiteerd, levert in geen geval een hogere risicogewogen post of verwachte verliespost op dan een vordering zonder kredietrisicolimitering die in alle overige opzichten identiek is.

3.           Als bij de risicogewogen vordering in het kader van de artikelen 78 tot en met 83 of de artikelen 84 tot en met 93 al rekening wordt gehouden met kredietprotectie, wordt kredietprotectie in het kader van deze onderafdeling niet meer als zodanig in aanmerking genomen.

Onderafdeling 4 - Securitisatie

Artikel 94

Als een kredietinstelling de standaardbenadering van onderafdeling 1 hanteert voor de berekening van risicogewogen posten voor de categorie vorderingen waarin de gesecuritiseerde posten op basis van artikel 79 zouden zijn ondergebracht, berekent zij de risicogewogen post voor een securitisatiepositie op basis van bijlage IX, deel 4, punten 6 tot en met 35.

In alle overige gevallen berekent zij de risicogewogen post op basis van bijlage IX, deel 4, punten 36 tot en met 74.

Artikel 95

1.         Als een aanzienlijk deel van het aan de gesecuritiseerde posities verbonden kredietrisico door de initiërende kredietinstelling overeenkomstig de voorwaarden van bijlage IX, deel 2, is overgedragen, mag deze kredietinstelling

a)      ingeval van een traditionele securitisatie de door haar gesecuritiseerde posten buiten de berekening van risicogewogen posten en – indien van toepassing – van de verwachte verliesposten laten;

b)      in geval van een synthetische securitisatie de risicogewogen posten en – indien van toepassing – de verwachte verliesposten voor de gesecuritiseerde posities op basis van bijlage IX, deel 2, berekenen.

2.         Als lid 1 van toepassing is, berekent de initiërende kredietinstelling de risicogewogen posten die in bijlage IX voor de securitisatieposities zijn voorgeschreven.

Slaagt de initiërende kredietinstelling er niet in een aanzienlijk deel van het kredietrisico overeenkomstig het bepaalde in lid 1 over te dragen, hoeft zij voor geen enkele van de desbetreffende securitisatieposities risicogewogen posten te berekenen.

Artikel 96

1.         De risicogewogen post van een securitisatiepositie wordt berekend door op basis van bijlage IX risicogewichten toe te passen op de waarde van de post en daarbij uit te gaan van de kredietkwaliteit van de positie, die ingevolge bijlage IX aan de hand van een kredietbeoordeling van een EKBI of op andere wijze kan worden vastgesteld.

2.         Als een securitisatiepositie verschillende tranches telt wordt elke tranche van de positie als een afgescheiden securitisatiepositie beschouwd. De kredietprotectiegevers bij securitisatieposities worden beschouwd als houders van posities in deze securitisatie. Securitisatieposities omvatten ook posities die ontstaan als gevolg van rente- of valutaderivaten.

3.         Als op een securitisatiepositie een al dan niet volgestorte kredietprotectie van toepassing is, mag het risicogewicht dat voor die positie geldt, op basis van de artikelen 90 tot en met 93 – lees: in combinatie met bijlage IX - worden gewijzigd.

4.         Behoudens artikel 57, onder r), en artikel 66, lid 2, wordt de risicogewogen post voor de toepassing van artikel 75, onder a), opgenomen in het totaal van de risicogewogen posten van de kredietinstelling.

Artikel 97

1.         Een kredietbeoordeling van een EKBI mag voor de bepaling van het risicogewicht van een securitisatiepositie op basis van artikel 96 alleen worden gebruikt als de EKBI door de bevoegde autoriteiten is erkend als zijnde geschikt voor dit doel. Hieronder wordt deze EKBI als "erkende EKBI" aangeduid.

2.         De bevoegde autoriteiten erkennen een voor de toepassing van lid 1 alleen als zijnde geschikt als ze, rekening houdende met de technische criteria van bijlage VI, deel 2, ervan overtuigd zijn dat het voldoet aan artikel 81 en met bijvoorbeeld een grote marktacceptatie zijn bekwaamheid op securitisatiegebied heeft aangetoond.

3.         Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een EKBI voor de toepassing van lid 1 hebben erkend, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten de erkenning voor deze doeleinden overnemen en hoeven ze niet een eigen evaluatie te verrichten.

4.         De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat een toelichting op de erkenningsprocedure en een lijst van erkende EKBI´s voor het publiek toegankelijk zijn.

5.         Een kredietbeoordeling van een erkende EKBI wordt alleen voor dit doel gebruikt als deze voldoet aan de beginselen van geloofwaardigheid en transparantie, zoals uitgewerkt in bijlage IX, deel 3.

Artikel 98

1.         Met het oog op de toepassing van risicogewichten op securitisatieposities bepalen de bevoegde autoriteiten in welke kredietkwaliteitstrap van bijlage IX de desbetreffende kredietbeoordeling van een erkende EKBI wordt ondergebracht. Daarbij gaan ze objectief en consequent te werk.

2.         Als de bevoegde autoriteiten van een lidstaat in het kader van lid 1 de onderbrenging hebben bepaald, mogen de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten deze overnemen en hoeven ze geen eigen onderbrenging meer te vast te stellen.

Artikel 99

Bij het gebruik van EKBI-kredietbeoordelingen voor de berekening van de risicogewogen posten van een kredietinstelling op basis van artikel 96 wordt consequent en op basis van bijlage IX, deel 3, te werk gegaan. Kredietbeoordelingen worden niet selectief gebruikt.

Artikel 100

1.           Als op een securitisatie van revolverende posities een vervroegde-aflossingsbepaling van toepassing is, berekent de initiërende kredietinstelling of de sponsor, op basis van bijlage IX, voor het gevaar dat hun kredietrisico toeneemt ingeval van de vervroegde-aflossingsbepaling gebruik wordt gemaakt, een extra risicogewogen post

2.           In dit verband wordt onder een revolverende positie verstaan: een vordering waarbij de klant tot een van tevoren afgesproken limiet uiteenlopende bedragen kan opnemen, en onder een vervroegde-aflossingsbepaling: een contractuele clausule op grond waarvan de posities van de beleggers vóór de oorspronkelijke vervaldatum van de uitgegeven effecten moeten worden afgelost.

3.           Als op securitisaties van vorderingen op particulieren en kleine partijen die niet voor een bepaald doel zijn bestemd en onvoorwaardelijk, zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd, een vervroegde-aflossingsbepaling van toepassing is en een kwantitatieve waarde die niet van doen heeft met het driemaandsgemiddelde van de overgebleven rentemarge, de aanleiding is voor de vervroegde aflossing, mogen de bevoegde autoriteiten voorschriften toepassen die nauw aansluiten op de voorschriften van bijlage IX, deel 4, punten 27 tot en met 30, voor de bepaling van de aldaar aangegeven omrekeningswaarde.

4.           Als een bevoegde autoriteit bij een bepaalde securitisatie lid 3 wil toepassen, stelt deze eerst de desbetreffende bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis. Voordat een dergelijke aanpak van securitisaties met dit soort vervroegde-aflossingsbepalingen deel gaat uitmaken van het algemeen beleid van de bevoegde autoriteit, wint zij advies in bij de desbetreffende autoriteiten van de andere lidstaten en houdt zij rekening met de door hen ingenomen standpunten. De bevoegde autoriteit in kwestie maakt publiekelijk bekend welke standpunten zijn ingenomen en voor welke aanpak zij heeft gekozen.

Artikel 101

1.         Als een initiërende kredietinstelling of een sponsor steunt verleent aan een securitisatie, overschrijdt zij niet de grenzen van haar contractuele verplichtingen teneinde de mogelijke of feitelijke verliezen van de beleggers te beperken.

2.         Als een initiërende kredietinstelling of een sponsor zich bij een securitisatie niet houdt aan lid 1, legt de bevoegde autoriteit in ieder geval deze in ieder geval de verplichting op dat zij voor alle gesecuritiseerde vorderingen evenveel eigen vermogen aanhouden als noodzakelijk was geweest als deze vorderingen niet waren gesecuritiseerd. De kredietinstelling maakt publiekelijk bekend dat zij niet-contractuele steun heeft verleend en welke gevolgen dit heeft voor het toetsingsvermogen.

Afdeling 4

Minimumkapitaalvereisten voor het operationeel risico

Artikel 102

1.         De bevoegde autoriteiten leggen de kredietinstellingen de verplichting op om voor het operationeel risico eigen vermogen aan te houden conform de in de artikelen 103, 104 en 105 omschreven benaderingen.

2.         Onverminderd lid 4 vallen kredietinstellingen die de in artikel 104 genoemde benadering hanteren niet terug op de in artikel 103 genoemde benadering, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

3.         Onverminderd lid 4 vallen kredietinstellingen die de in artikel 105 genoemde benadering hanteren niet terug op de in artikel 103 of 104 genoemde benaderingen, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd en de bevoegde autoriteiten daarmee akkoord gaan.

4.         De bevoegde autoriteiten mogen de kredietinstellingen toestemming verlenen om benaderingen te combineren op basis van bijlage X, deel 4.

Artikel 103

In de basisindicatorbenadering bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationeel risico een bepaald percentage van een indicator die berust op de in bijlage X, deel 1, genoemde parameters.

Artikel 104

1.           In de standaardbenadering splitsen de kredietinstellingen hun activiteiten in een aantal divisies zoals beschreven in bijlage X, deel 2.

2.           Voor elke divisie berekenen de kredietinstellingen voor het operationeel risico een kapitaalvereiste dat bestaat uit een bepaald percentage van een indicator die berust op de in bijlage X, deel 2, genoemde parameters.

3.           Voor bepaalde divisies mogen de bevoegde autoriteiten aan een kredietinstelling vergunning verlenen om voor de vaststelling van haar kapitaalvereiste voor het operationeel risico een alternatieve indicator te gebruiken.

4.           In de standaardbenadering bedraagt het kapitaalvereiste voor het operationeel risico de som van de kapitaalvereisten voor het operationeel risico in de afzonderlijke divisies.

5.           De parameters voor de standaardbenadering staan in bijlage X, deel 2, vermeld.

6.           Om in aanmerking te komen voor de standaardbenadering voldoen de kredietinstellingen aan de criteria van bijlage X, deel 2.

Artikel 105

1.         De kredietinstellingen mogen alleen geavanceerde meetbenaderingen toepassen die berusten op hun eigen interne systemen voor de meting van het risico, als de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk instemmen met het gebruik van de modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten.

2.         De kredietinstellingen moeten de bevoegde autoriteiten ervan overtuigen dat ze voldoen aan de criteria van bijlage X, deel 3.

3.         Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of de dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een geavanceerde meetbenadering willen toepassen, werken de voor de verschillende rechtspersonen bevoegde autoriteiten nauw samen, en wel op basis van de voorschriften van de artikelen 128 tot en met 132. Daarbij wordt rekening gehouden met de in bijlage X, deel 3, genoemde punten.

4.         Als een EU-moederkredietinstelling en haar dochterondernemingen of een financiële EU-moederinstelling en haar dochterondernemingen een geavanceerde meetbenadering voor moeder- en dochteronderneming centraal toepassen, mogen de bevoegde autoriteiten ermee instemmen dat moeder- en dochteronderneming samen voldoen aan de criteria die in bijlage X, deel 3, worden genoemd.

ê 2000/12/EG

Afdeling 5

Grote posities

ê 2000/12/EG artikel 1, lid 24 (aangepast)

ðnieuw

Artikel 106

1.           Ö Onder "posities" wordt Õ "risico's", voor de toepassing van de artikelen 48, 49 en 50: Ö deze onderafdeling Õ Ö verstaan: Õ de Ö alle Õ actiefposten en posten buiten de balanstelling, als bedoeld in artikel 43 en in de bijlagen II en IV Ö afdeling 3, onderafdeling 1 Õ , zonder toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde wegingsfactoren Ö risicogewichten Õ of risicograden;.

de risico's Ö De posities die betrekking hebben op de Õ met betrekking tot de in bijlage IV genoemde posten Ö posten Õ worden berekend op basis van een van de in bijlage III beschreven methoden,.

zonder toepassing van de wegingsfactoren die gelden voor het risico op de tegenpartij; van de definitie van de risico's Ö posities Õ kunnen met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten worden uitgesloten alle bestanddelen die voor 100 % door eigen vermogen zijn gedekt voorzover met dit deel van het eigen vermogen geen rekening wordt gehouden bij de berekening van de solvabiliteitsratio ð het eigen vermogen van de kredietinstelling voor de toepassing van artikel 75 ï en van de andere ratio's voor toezichtsdoeleinden die bij de onderhavige richtlijn en bij andere communautaire besluiten worden vastgesteld;.

2.           oOnder posities vallen niet:

a)      in het geval van valutatransacties, de risico's die zich Ö posities die Õ tijdens de normale afwikkeling voordoen Ö worden ingenomen Õ in de periode van 48 uur nadat betaling heeft plaatsgevonden, of Ö ; Õ

b)      in het geval van transacties betreffende de verkoop of aankoop van effecten, de risico's Ö posities Õ die zich tijdens de normale afwikkeling voordoen Ö worden ingenomen Õ in de periode van vijf werkdagen nadat betaling heeft plaatsgevonden of nadat de effecten geleverd zijn indien deze levering eerder plaatsvindt;:

ê 2000/12/EG artikel 1, lid 1, derde alinea (aangepast)

Artikel 107

Voor de toepassing van het toezicht op en de controle van grote risico's Ö deze afdeling Õ worden als Ö heeft de term "kredietinstelling" betrekking op Õ kredietinstelling beschouwd:

a)           een kredietinstelling in de zin van de eerste alinea, met inbegrip van de Ö haar Õ bijkantoren in derde landen;van een dergelijke kredietinstelling alsmede

b)           iedere particuliere of openbare onderneming die aan de definitie van Ö "kredietinstelling" voldoet Õ de eerste alinea beantwoordt en waaraan in een derde land vergunning is verleend.

ê 2000/12/EG artikel 48, lid 1 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 108

Melding van grote risico's

1.         Een risico Ö positie Õ van een kredietinstelling met betrekking tot Ö jegens Õ een cliënt of een groep van verbonden cliënten wordt als groot beschouwd indien de waarde ervan 10% of meer van haar eigen vermogen bedraagt.

ð In dit verband is afdeling 1 van toepassing, eventueel met uitzondering van artikel 57, onder q), en artikel 63, lid 3, en in ieder geval met uitzondering van artikel 66, lid 2.ï

ê 2000/12/EG artikel 48, lid 4, eerste alinea (aangepast)

Artikel 109

De bevoegde autoriteiten eisen dat er in elke kredietinstelling een goede administratieve en boekhoudkundige organisatie en adequate interne controleprocedures bestaan voor het vaststellen en vastleggen van alle grote risico's Ö posities Õ en daarin optredende wijzigingen, zoals omschreven en vereist Ö op basis van Õ in deze richtlijn, alsmede voor het toetsen van deze risico's Ö posities Õ aan het risico Ö terzake gevoerde Õ beleid van de kredietinstelling.

ê 2000/12/EG artikel 48, lid 2 (aangepast)

Artikel 110

Melding van grote risico's

21.       De grote risico's, zoals omschreven in lid 1, Ö posities Õ worden door de kredietinstelling aan de bevoegde autoriteiten gemeld.

De lidstaten bepalen dat deze melding, naar hun keuze, plaatsvindt volgens een van de volgende twee formules:

a)           melding van alle grote risico's Ö posities Õ ten minste eenmaal per jaar, gecombineerd met mededeling in de loop van het jaar van alle nieuwe grote risico's Ö posities Õ en van een toeneming van bestaande grote risico's Ö posities Õ met ten minste 20% ten opzichte van de laatste mededeling;

b)           melding van alle grote risico's Ö posities Õ ten minste viermaal per jaar.

ê 2000/12/EG artikel 48, lid 3 (aangepast)

ð nieuw

3.2 ð Behalve bij kredietinstellingen die gebruikmaken van artikel 114 wat betreft de inaanmerkingneming van zekerheden bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van de leden 1, 2, en 3 van artikel 111 ,ï Ö behoeft Õ Mmelding in de zin van lid ð 1 ï 2 behoeft evenwel niet plaats te vinden voor risico's Ö posities Õ die op grond van artikel 49, Ö 111 Õ lid 7 ð 3 ï , onder a), b), c), d), f), g) en h), zijn vrijgesteld. Voor de risico's Ö posities Õ die in artikel 49 Ö 111 Õ , lid ð 3 ï 7, onder e) en i) tot en met s), en leden 8, 9 en 10, ð in de artikelen 115 en 116 ï worden bedoeld, hoeft de in lid ð 1, onder b) ï 2, tweede streepje, bedoelde melding slechts tweemaal per jaar plaats te vinden.

ê 2000/12/EG artikel 48, lid 4, tweede alinea (aangepast)

Wanneer een kredietinstelling gebruikmaakt van lid Ö 2 Õ 3, dient zij de gegevens omtrent de beweegredenen daarvoor gedurende een jaar na het tot ontheffing aanleiding gevende feit te bewaren, teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de rechtmatigheid daarvan te verifiëren.

ò nieuw

3. De lidstaten mogen de eis opleggen dat concentraties van vorderingen op de uitgevende instellingen van door de kredietinstelling aanvaarde zekerheden worden gemeld.

ê 2000/12/EG artikel 49, leden 1 tot en met 5 (aangepast)

è1 2004/xx/EG, artikel 3, lid 7

ðnieuw

Artikel 111

Voor grote risico's geldende grenswaarden

1.           Een kredietinstelling mag met betrekking tot Ö ten opzichte van Õ één cliënt of een groep van verbonden cliënten geen risico Ö positie Õ innemen met een totale waarde van meer dan 25% van haar eigen vermogen. ð Op deze bepaling en de overige bepalingen van het onderhavige artikel is afdeling 1 van toepassing, eventueel zonder inachtneming van artikel 57, onder q), en artikel 63, lid 3, en in ieder geval zonder inachtneming van artikel 66, lid 2. ï

2.           Indien de cliënt of groep van verbonden cliënten de moederonderneming of dochteronderneming van de kredietinstelling en/of een of meer van de dochterondernemingen van deze moederonderneming is, wordt het in lid 1 genoemde percentage verlaagd tot 20%. De lidstaten behoeven deze grenswaarde van 20% echter niet op de risico's Ö posities Õ met betrekking tot Ö ten opzichte van Õ deze cliënten toe te passen indien zij die Ö posities Õ risico's via andere maatregelen of procedures aan bijzonder toezicht onderwerpen. Zij stellen de Commissie en het è1 Europees Comité voor het bankwezen ç in kennis van de strekking van deze maatregelen of procedures.

3.           Een kredietinstelling mag geen grote risico's Ö posities innemen Õ aangaan waarvan de totale waarde meer dan 800% van haar eigen vermogen bedraagt.

ê 2000/12/EG artikel 49, lid 4 (aangepast)

4. De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in de leden 1, 2 en 3 vermelde grenswaarden.

ê 2000/12/EG artikel 49, leden 1 tot en met 5 (aangepast)

54.         Een kredietinstelling moet met betrekking tot de door haar aangegane risico's Ö ingenomen posities Õ doorlopend de in de leden 1, 2 en 3 bepaalde grenswaarden in acht nemen. Indien de aangegane risico's Ö ingenomen posities Õ in een uitzonderlijk geval de genoemde grenswaarden toch overschrijden, moet dit onverwijld worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten, die, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn kunnen toestaan om alsnog aan de grenswaarden te voldoen.

ò nieuw

Artikel 112

1.           Voor de toepassing van de artikelen 113 tot en met 117 omvat het begrip "garantie" ook de in het kader van de artikelen 90 tot en met 93 in aanmerking genomen kredietderivaten, behalve credit linked notes.

2.           Als op grond van de artikelen 113 tot en met 117 al dan niet volgestorte kredietprotectie in aanmerking mag worden genomen, wordt behoudens lid 3 voldaan aan de voorwaarden en andere minimumeisen die in de artikelen 90 tot en met 93 ten aanzien van de berekening van risicogewogen posten op basis van de artikelen 78 tot en met 83 worden genoemd.

3.           Als een kredietinstelling gebruikmaakt van artikel 114, lid 2, wordt kredietprotectie alleen in aanmerking genomen als voldaan is aan de desbetreffende voorschriften van de artikelen 84 tot en met 89.

ê 2000/12/EG artikel 49, leden 4 en 6 (aangepast)

Artikel 113

1.         De lidstaten mogen striktere grenswaarden vaststellen dan de in de leden 1, 2 en 3 Ö in artikel 111 Õ vermelde grenswaarden.

62.       62. De lidstaten mogen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3 Ö artikel 111 Õ geheel of gedeeltelijk vrijstellen de risico's Ö posities Õ die door een kredietinstelling zijn aangegaan met betrekking tot Ö ingenomen ten opzichte van Õ haar moederonderneming, de andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voorzover deze ondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de kredietinstelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de onderhavige richtlijn of overeenkomstig de in een derde land geldende gelijkwaardige normen.

ê 2000/12/EG Art 49, lid 7 (aangepast)

ð nieuw

73. De lidstaten mogen de volgende risico's Ö posities Õ geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van de leden 1, 2 en 3 Ö artikel 111 Õ :

(a) activa die vorderingen Ö vertegenwoordigen Õ op centrale overheden of centrale banken van zone A vertegenwoordigen; ð centrale overheden of centrale banken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen; ï

(b) activa die vorderingen Ö vertegenwoordigen Õ op de Europese Gemeenschappen; ð internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken die als ze niet gegarandeerd waren, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen; ï

(c) activa die vorderingen vertegenwoordigen welke uitdrukkelijk zijn gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A, of door de Europese Gemeenschappen ð centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken; voorwaarde is wel dat niet gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de garantie verstrekt, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen ï ;

(d) andere Ö vorderingen Õ risico's op of gegarandeerd door centrale overheden of centrale banken van zone A of de Europese Gemeenschappen;ð centrale overheden, centrale banken, internationale organisaties of multilaterale ontwikkelingsbanken; voorwaarde is wel dat niet-gegarandeerde vorderingen op de entiteit die de debiteur dan wel de garantiegever is, ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen; ï

(e) ð niet onder a) bedoelde ï activa die vorderingen Ö op Õ en andere Ö posities jegens Õ risico’s op centrale overheden of centrale banken van zone B vertegenwoordigen, luidende en in voorkomend geval gefinancierd in de nationale valuta van de leningnemer;

(f) activa en andere risico's Ö posities Õ die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm ð van schuldtitels die door de centrale overheden of de centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of door de regionale of lagere overheden van een lidstaat zijn uitgegeven en een vordering vertegenwoordigen op de uitgevende instellingen ervan, mits deze vordering ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zou krijgen; ï van effecten die zijn uitgegeven door centrale overheden of centrale banken van zone A, door de Europese Gemeenschappen of door regionale of lagere overheden van de lidstaten waarvoor overeenkomstig artikel 44 inzake solvabiliteit een wegingsfactor van 0% wordt toegepast;

(g) activa en andere Ö posities Õ risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van deposito's in contanten bij de leningverstrekkende Ö kredietinstelling Õ instelling, of bij een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende instelling is;

(h) activa en andere Ö posities Õ risico's die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van depositocertificaten die zijn uitgegeven door de leningverstrekkende Ö kredietinstelling Õ instelling of door een kredietinstelling die de moederonderneming of een dochteronderneming van de leningverstrekkende Ö kredietinstelling Õ instelling is, en die bij een van deze zijn gedeponeerd;

(i) activa die vorderingen Ö op Õ en andere Ö posities jegens Õ risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van ten hoogste één jaar en die geen eigen vermogen van die instellingen vormen;

(j) activa die vorderingen en andere risico'sÖ posities Õ met een looptijd van ten hoogste één jaar vertegenwoordigen welke gegarandeerd zijn overeenkomstig artikel 45, lid 2, ð bijlage VI, deel 1, punt 82, ï op Ö of jegens Õ instellingen die geen kredietinstelling zijn, maar voldoen aan de voorwaarden van voornoemd artikel;

(k) wissels en promessen met een looptijd van ten hoogste één jaar die de handtekening van een andere kredietinstelling dragen;

(l) ð gedekte obligaties in de zin van de artikelen 78 tot en met 83; ï

ê 2000/12/EG (aangepast)

(m) tot aan een latere coördinatie, deelnemingen in verzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 5, lid 3, Ö 122, lid 1 Õ tot een maximum van 40% van het eigen vermogen van de kredietinstelling die de deelneming houdt;

(n) activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale of centrale kredietinstellingen waarmede de leningverstrekkende kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van deze bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;

ê 2000/12/EG (aangepast)

(o) risico's Ö posities Õ die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door onderpand in de vorm van andere effecten dan die bedoeld onder f) Ö ; Õ , mits de effecten niet door de kredietinstellingen zelf of door hun moederonderneming of een van hun dochterondernemingen, noch door de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten zijn uitgegeven. De in onderpand gegeven effecten moeten tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde risico's bezitten en moeten op een effectenbeurs genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100 %; zij bedraagt evenwel 150% in het geval van aandelen en 50% in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door kredietinstellingen, regionale of lokale overheden van de lidstaten andere dan die bedoeld in artikel 44, en in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken.

ê 2000/12/EG

(p) leningen die, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, zijn gegarandeerd door een hypotheek op residentiële eigendom of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving en transacties inzake financieringshuur (leasing) voor woningen krachtens welke de lessor de volledige eigendom van de verhuurde residentiële woning behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, in alle gevallen tot 50% van de waarde van de betrokken woning.; De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van dit punt wordt onder woning verstaan, de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer;

ò nieuw

(q) posities die ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 50% zouden krijgen; voorwaarde is wel dat tot 50% van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in aanmerking wordt genomen en:

i)       de posities gegarandeerd zijn door een hypotheek op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden of door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving die betrekking heeft op kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden;

ii)      de posities verband houden met transacties inzake financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden.

Voor de toepassing van punt ii) mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kredietinstellingen tot 31 december 2011 toestemming verlenen om 100% van de waarde van het desbetreffende onroerend goed in aanmerking te nemen. Na afloop van deze termijn wordt deze afwijking aan een evaluatie onderworpen. De lidstaten delen de Commissie mede of zij van deze mogelijkheid gebruikmaken.

ê 2000/12/EG (aangepast)

qr)     50% van de posten buiten balanstelling met middelgroot/laag risico, bedoeld in bijlage II;

rs)      mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, garanties die geen garanties op verstrekte kredieten zijn, die een wettelijke of reglementaire basis hebben en die verstrekt worden aan aangesloten cliënten door onderlinge borgtochtmaatschappijen met de status van kredietinstelling onder voorbehoud dat een wegingsfactor van 20% op het bedrag daarvan wordt toegepast;.

Indien de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij de Commissie daarvan in kennis, om te voorkomen dat zich dientengevolge concurrentieverstoringen voordoen;

st)      posten buiten de balanstelling met een laag risico, bedoeld in bijlage II, voorzover met de cliënt of groep van verbonden cliënten een overeenkomst is gesloten op grond waarvan het risico Ö de positie Õ alleen mag worden aangegaan Ö ingenomen Õ indien vastgesteld is dat de volgens Ö artikel 111, leden 1 tot en met 3, Õ de leden 1, 2 en 3 geldende grenswaarden niet worden overschreden.

ò nieuw

Punt g) omvat ook contanten die ontvangen worden in het kader van een door de kredietinstelling uitgegeven credit linked note, alsmede leningen en deposito´s van een tegenpartij aan, respectievelijk bij de kredietinstelling die onder een ingevolge de artikelen 90 tot en met 93 erkende overeenkomst tot verrekening van balansposten vallen.

ê 2000/12/EG Art 49, onder o), tweede en derde zin (aangepast)

ð nieuw

Ö Voor de toepassing van punt o) moeten de Õ De in onderpand gegeven effecten moeten tegen marktprijs worden gewaardeerd en een overwaarde ten opzichte van de gegarandeerde risico's bezitten en moeten Ö ze Õ op een effectenbeurs genoteerd zijn, dan wel daadwerkelijk verhandelbaar en regelmatig genoteerd zijn op een markt die via erkende professionele marktdeelnemers functioneert, en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de kredietinstelling de mogelijkheid garandeert om een objectieve koers te bepalen aan de hand waarvan te allen tijde de overwaarde van deze effecten kan worden geverifieerd. De vereiste overwaarde bedraagt 100%. Zij bedraagt evenwel 150% in het geval van aandelen en 50% in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door kredietinstellingen, regionale of lokale Ö lagere Õ overheden van de lidstaten andere dan die bedoeld Ö onder f) Õ in artikel 44, en in het geval van obligaties die zijn uitgegeven door de Europese Investeringsbank en multilaterale ontwikkelingsbanken ð andere dan die welke in de standaardbenadering een risicogewicht van 0% krijgen. Als er sprake is van een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie, wordt de zekerheid niet in aanmerking genomen. ï Ö De in onderpand gegeven effecten mogen niet tot het eigen vermogen van kredietinstellingen worden gerekend. Õ

Ö Voor de toepassing van punt p) wordt de Õ De waarde van het goed wordt ten genoegen van de bevoegde autoriteiten berekend op basis van strikte, in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vastgelegde waarderingsnormen. De waardering vindt ten minste éénmaal per jaar plaats. Voor de toepassing van dit punt Ö p) Õ wordt onder woning verstaan: de woning die bewoond of verhuurd wordt/zal worden door de leningnemer;

Indien de lidstaten van deze mogelijkheid gebruikmaken, stellen zij Ö De lidstaten delen Õ de Commissie daarvan in kennis Ö mede of zij in het kader van punt s) een afwijking hebben toegestaan, dit Õ , om te voorkomen dat zich dientengevolge concurrentieverstoringen voordoen.

ò nieuw

Artikel 114

1.         Behoudens lid 3 mogen de lidstaten besluiten geen volledige of gedeeltelijke afwijking te verlenen die in het kader van artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o) is toegestaan, en mogen ze in plaats daarvan een kredietinstelling die voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de waarde van posities berekent en daarvoor de (uitgebreide) benadering van financiële zekerheden op basis van de artikelen 90 tot en met 93 hanteert, toestaan een lagere waarde dan de waarde van de posities te hanteren, mits deze niet lager uitvalt dan de totale volledig aangepaste waarde van haar posities jegens de cliënt of groep van verbonden cliënten.

In dit verband houdt "volledig aangepaste waarde van de positie" in dat de waarde is berekend op basis van artikel 90 tot en met 93 en dat daarbij rekening is gehouden met kredietrisicolimitering, volatiliteitsaanpassingen en eventuele looptijdverschillen (E*).

Als dit lid wordt toegepast op een bepaalde kredietinstelling, is artikel 113, lid 3, onder f), g), h) en o), niet van toepassing op deze kredietinstelling.

2.         Behoudens lid 3 kan een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen gebruik mag maken van eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 en die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het effect van financiële zekerheden op haar posities kan inschatten, los van andere LGD-relevante aspecten, toestemming worden verleend om deze effecten in aanmerking te nemen bij de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 113, lid 3.

Ten genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat de ramingen van de kredietinstelling geschikt zijn om de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111 te verlagen.

Als een kredietinstelling haar eigen ramingen van de effecten van financiële zekerheden mag gebruiken, dan dient zij daarin naar de overtuiging van de bevoegde autoriteiten consequent te werk te gaan. Dit geldt met name voor alle grote posities.

Een kredietinstelling die voor een categorie vorderingen haar eigen LGD-ramingen en omrekeningsfactoren op basis van de artikelen 84 tot en met 89 mag gebruiken en voor de berekening van de waarde van haar posities niet gebruikmaakt van de in de eerste alinea genoemde methode, mag deze waarde berekenen aan de hand van de benadering van artikel 9, lid 1, dan wel die van artikel 113, lid 3, onder o). Zij past evenwel slechts een van beide methoden toe.

3.         Een kredietinstelling die voor de berekening van de waarde van posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, de in de leden 1 en 2 genoemde methoden mag toepassen, voert op gezette tijden een stresstest op hun kredietconcentraties uit die ook de realiseerbare waarde van de zekerheden omvat.

In zo´n test wordt gekeken naar de risico´s die ontstaan als zich eventueel veranderingen in de marktsituatie voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de toereikendheid van het eigen vermogen van de kredietinstelling, en naar de risico´s die ontstaan als zekerheden in crisissituaties worden gerealiseerd.

De kredietinstelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aan dat zij in staat is om dergelijke risico´s met haar stresstests te beoordelen.

Mocht uit een dergelijke test blijken dat de realiseerbare waarde van een zekerheid lager is dan die waarvan op grond van de leden 2 of 3 eigenlijk uit mag worden gegaan, wordt de waarde van de zekerheid die bij de berekening van de waarde van de posities voor de toepassing van artikel 111, leden 1 tot en met 3, in aanmerking mag worden genomen, dienovereenkomstig verlaagd.

De strategieën van deze kredietinstellingen om het concentratierisico te verminderen, omvatten ook:

a)           gedragslijnen en procedures om de risico´s tegen te gaan die ontstaan als er sprake is van een mismatch tussen enerzijds posities en anderzijds kredietprotectie in verband met deze posities;

b)           gedragslijnen en procedures inzake het concentratierisico dat ontstaat door kredietrisicolimitering, met name bij grote indirecte kredietrisico´s (waarvan bijvoorbeeld sprake is als de effecten die als zekerheid worden aanvaard, slechts één organisatie als uitgevende instelling hebben).

4.         Als het effect van zekerheden ingevolge de leden 1 en 2 in aanmerking wordt genomen, mogen de lidstaten elk deel van de positie dat is gedekt, behandelen als vordering op de uitgevende instelling van de zekerheid en niet op de cliënt.

ê 2000/12/EG Art 49, leden 8 en 9 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 115

81.       De lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 Ö artikel 111, leden 1 tot en met 3 Õ een wegingsfactor van 20% toepassen op de activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lokale Ö lagere Õ overheden van de lidstaten ð als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20% zouden krijgen, alsmede op andere vorderingen op of gegarandeerd door deze overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 20% zouden krijgen. ï , alsmede op de andere risico's op of gegarandeerd door deze overheden; de lidstaten mogen deze factor evenwel onder de voorwaarden van artikel 44 tot 0% verlagen.

ð De lidstaten mogen deze factor tot 0% verlagen voor activa die vorderingen vertegenwoordigen op regionale en lagere overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen, alsmede voor andere vorderingen op of gegarandeerd door deze overheden als deze vorderingen ingevolge de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% zouden krijgen. ï

9.2.      De lidstaten mogen voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 Ö artikel 111, leden 1 tot en met 3, Õ een wegingsfactor van 20% toepassen op de activa die vorderingen alsmede andere risico's op kredietinstellingen vertegenwoordigen, met een looptijd van meer dan één tot ten hoogste drie jaar, en een wegingsfactor van 50% op de activa die vorderingen op kredietinstellingen vertegenwoordigen met een looptijd van meer dan drie jaar, mits deze vorderingen bestaan uit schuldbewijzen die zijn uitgegeven door een kredietinstelling en mits deze schuldbewijzen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten effectief op een markt voor professionele marktdeelnemers verhandelbaar zijn en op deze markt dagelijks worden genoteerd of waarvan de uitgifte door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de Ö uitgevende Õ emitterende kredietinstelling is goedgekeurd. In alle gevallen mogen deze posten niet behoren tot het eigen vermogen.

ê 2000/12/EG artikel 49, lid 10 (aangepast)

Artikel 116

10. In afwijking van Ö artikel 113, lid 3, onder i), en artikel 115, lid 2, Õ lid 7, onder i), en van lid 9, mogen de lidstaten een wegingsfactor van 20% toepassen op de activa die vorderingen en andere risico's op Ö posities jegens Õ kredietinstellingen vertegenwoordigen, ongeacht de looptijd.

ê 2000/12/EG artikel 49, lid 11 (aangepast)

Artikel 117

111.       Wanneer een risico met betrekking tot Ö positie jegens Õ een cliënt is gegarandeerd door een derde partij, dan wel door onderpand in de vorm van effecten die onder de in lid 7, Ö artikel 113, lid 3, Õ onder o), beschreven voorwaarden zijn uitgegeven door een derde partij, mogen de lidstaten:

a)      - het risico Ö de positie Õ beschouwen als een Ö positie jegens de Õ risico op de derde partij Ö garantiegever Õ en niet op Ö jegens Õ de cliënt, indien het risico ten genoegen van de bevoegde autoriteiten rechtstreeks en onvoorwaardelijk is gegarandeerd door deze derde partij;

b)      - het risico Ö de positie Õ beschouwen als een risico op Ö positie jegens Õ de derde partij en niet op Ö jegens Õ de cliënt, indien het Ö in artikel 113, lid 3 Õ in lid 7, onder o), beschreven risico is gegarandeerd door onderpand onder de daarin genoemde voorwaarden.

ò nieuw

2.           Als de lidstaten lid 1, onder a), toepassen, dan geldt het volgende:

a)      Als de garantie luidt in een andere valuta luidt dan de positie wordt de waarde van de positie die als gedekt geldt, berekend aan de hand van de in bijlage VIII vervatte voorschriften voor de behandeling van valutamismatches bij niet-volgestorte kredietprotectie;

b)      bij een verschil tussen de looptijd van de positie en de looptijd van de kredietprotectie worden de in bijlage VIII vervatte voorschriften voor de behandeling van looptijdverschillen gevolgd;

c)      een gedeeltelijke dekking mag in aanmerking worden genomen, maar alleen als het bepaalde in bijlage VIII in acht wordt genomen.

ê 2000/12/EG artikel 49, lid 2 (aangepast)

12. De Raad onderwerpt uiterlijk op 1 januari 1999 op basis van een verslag van de Commissie de behandeling van de in lid 7, onder i), en de in de leden 9 en 10 bedoelde interbancaire risico's aan een onderzoek. De Raad neemt op basis van een voorstel van de Commissie een besluit over de eventueel daarin aan te brengen wijzigingen.

ê 2000/12/EG artikel 50 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 118

Toezicht betreffende grote risico's op geconsolideerde en op niet-geconsolideerde basis

1. Indien de kredietinstelling geen moederonderneming en geen dochteronderneming is, wordt het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere ter zake geldende communautaire voorschriften, op niet-geconsolideerde basis uitgeoefend.

2. In de andere gevallen wordt het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende communautaire voorschriften, uitgeoefend op geconsolideerde basis overeenkomstig de artikelen 52 tot en met 56.

3. De lidstaten kunnen afzien van het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bepaald in de artikelen 48 en 49 of in andere terzake geldende communautaire voorschriften op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis, voor een kredietinstelling die als moederonderneming onderworpen is aan toezicht op geconsolideerde basis, en voor elke dochteronderneming van deze kredietinstelling die voor vergunning en toezicht onder deze lidstaten ressorteert en onder het toezicht op geconsolideerde basis valt.

Van dit toezicht kan eveneens worden afgezien indien de moederonderneming een financiële holding is die in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling is gevestigd, mits die holding aan hetzelfde toezicht onderworpen is als kredietinstellingen.

In de gevallen, bedoeld in de eerste en de tweede alinea,

ð Als een kredietinstelling ingevolge artikel 69 ,lid 1, op niet geconsolideerde of gesubconsolideerde basis mag afwijken van het bepaalde in deze afdeling of als artikel 70 op een moederkredietinstelling wordt toegepast, ï moeten er maatregelen worden genomen om te zorgen voor een bevredigende spreiding van de risico's binnen de groep.

ò nieuw

Artikel 119

Uiterlijk 31 december 2007 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de wijze waarop de voorschriften van deze afdeling in de praktijk werken. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen.

ê 2000/12/EG

Afdeling 6

Gekwalificeerde deelnemingen buiten het financiële gebied

ê 2000/12/EG artikel 51, leden 1 en 2 (aangepast)

Artikel 120

Beperkingen aan gekwalificeerde deelnemingen welke geen financieringsdeelnemingen zijn

1.         Een kredietinstelling mag in een onderneming die geen kredietinstelling, financiële instelling of onderneming met werkzaamheden als bedoeld in artikel 43, lid 2, onder f), van Richtlijn 86/635/EEG, is, geen gekwalificeerde deelneming hebben waarvan het bedrag meer dan 15% van haar eigen vermogen bedraagt.

2.         Het totale bedrag van de gekwalificeerde deelnemingen in andere ondernemingen dan kredietinstellingen, financiële instellingen of ondernemingen met werkzaamheden als bedoeld in artikel 43, lid 2, onder f), van Richtlijn 86/635/EEG, mag niet meer bedragen dan 60% van het eigen vermogen van de kredietinstelling.

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 5 (aangepast)

5. De lidstaten hebben de mogelijkheid de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toe te passen op deelnemingen in verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 73/239/EEG(18) en van Richtlijn 79/267/EEG(98) of in herverzekeringsondernemingen als gedefinieerd in Richtlijn 98/78/EG.

ê 2000/12/EG artikel 51, lid 4 (aangepast)

4. Aandelen die wegens een financiële bijstandsoperatie ter sanering of redding van een onderneming, of wegens de overname van een effectenemissie voor de normale duur van die overname, of in eigen naam maar voor rekening van derden, tijdelijk worden gehouden, worden voor de berekening van de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet meegeteld in de gekwalificeerde deelnemingen. Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa in de zin van artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegeteld.

ê 2000/12/EG artikel 51, lid 5

53.       De in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten mogen alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden overschreden. In dat geval eisen de bevoegde autoriteiten echter dat de kredietinstelling haar eigen vermogen verhoogt of andere maatregelen van gelijke werking treft.

ê 2000/12/EG artikel 51, lid 6 (aangepast)

6. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toepassen indien zij voorschrijven dat het gedeelte van de gekwalificeerde deelneming dat deze limieten te boven gaat, voor 100% door eigen vermogen moet zijn gedekt en dat dit gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de solvabiliteitsratio. In geval van overschrijding van zowel de in lid 1 als de in lid 2 gestelde limiet, dient het grootste van de overschrijdende gedeelten door eigen vermogen te worden gedekt.

ê 2000/12/EG artikel 51, lid 4

Artikel 121

4. Aandelen die wegens een financiële bijstandsoperatie ter sanering of redding van een onderneming, of wegens de overname van een effectenemissie voor de normale duur van die overname, of in eigen naam maar voor rekening van derden, tijdelijk worden gehouden, worden voor de berekening van de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet meegeteld in de gekwalificeerde deelnemingen. Aandelen die niet het karakter van financiële vaste activa in de zin van artikel 35, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG hebben, worden niet meegeteld.

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 5

Artikel 122

31.         De lidstaten hebben de mogelijkheid de in de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toe te passen op deelnemingen in verzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 73/239/EEG en van Richtlijn 79/267/EEG of in herverzekeringsondernemingen in de zin van Richtlijn 98/78/EG.

ê 2000/12/EG artikel 51, lid 6 (aangepast)

62.         De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten de in Ö artikel 120, leden 1 en 2, Õ de leden 1 en 2 vastgestelde limieten niet toepassen indien zij voorschrijven dat het gedeelte van de gekwalificeerde deelneming dat deze limieten te boven gaat, voor 100% door eigen vermogen moet zijn gedekt en dat dit gedeelte niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de solvabiliteitsratio. In geval van overschrijding van zowel de in lid 1 als de in lid 2 Ö van artikel 120 Õ gestelde limiet, dient het grootste van de overschrijdende gedeelten door eigen vermogen te worden gedekt.

ò nieuw

HOOFDSTUK 3

BEOORDELINGSPROCES VAN DE KREDIETINSTELLING

Artikel 123

De kredietinstellingen beschikken over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend kunnen nagaan of en ervoor kunnen zorgen dat de hoogte, samenstelling en verdeling van het interne kapitaal nog aansluiten op de omvang en de aard van hun huidige en mogelijke toekomstige risico´s.

Deze strategieën en procedures worden op gezette tijden intern tegen het licht gehouden; daarbij wordt ervoor gezorgd dat eventuele hiaten worden aangevuld en dat ze in verhouding blijven staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling.

ê 2000/12/EG (aangepast)

HOOFDSTUK 34

TOEZICHT Ö VAN EN VERSTREKKING VAN INFORMATIE DOOR DE BEVOEGDE AUTORITEITEN Õ OP GECONSOLIDEERDE BASIS

ê 2000/12/EG (nieuw)

è1 2002/87/EG artikel 29, lid 6

Artikel 52

Toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen

1. Een kredietinstelling die als dochteronderneming een kredietinstelling of financiële instelling heeft, dan wel een deelneming in dergelijke instellingen houdt, is in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 54 onderworpen aan toezicht op basis van haar geconsolideerde financiële positie. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6 genoemde terreinen.

2. Een kredietinstelling waarvan de moederonderneming een financiële holding is, is onderworpen aan toezicht op basis van de geconsolideerde financiële positie van de financiële holding in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 54. Dit toezicht bestrijkt ten minste de in de leden 5 en 6 genoemde terreinen. è1 Onverminderd artikel 54 bis houdt de consolidatie van de financiële positie van de financiële holding voor de bevoegde autoriteiten geenszins de verplichting in de financiële holding te onderwerpen aan toezicht op individuele basis. ç

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 3

3. De lidstaten of de overeenkomstig artikel 53 met het toezicht op geconsolideerde basis belaste autoriteiten mogen in individuele gevallen kredietinstellingen, financiële instellingen of nevendiensten van het bankbedrijf verrichtende ondernemingen die dochterondernemingen zijn of waarin een deelneming wordt gehouden, buiten de consolidatie houden indien:

– - de in de consolidatie te betrekken onderneming gevestigd is in een derde land waar wettelijke belemmeringen voor de mededeling van de nodige inlichtingen bestaan;

– of - de in de consolidatie te betrekken onderneming volgens de bevoegde autoriteiten in het licht van de doelstellingen van het toezicht op de kredietinstellingen te verwaarlozen is, en in ieder geval indien het balanstotaal van de in de consolidatie te betrekken onderneming lager is dan het laagste van de twee volgende bedragen: 10 miljoen ecu of 1% van het balanstotaal van de moederonderneming, of van de onderneming die de deelneming houdt; indien verscheidene ondernemingen aan bovenstaande voorwaarden voldoen, dienen zij toch in de consolidatie te worden opgenomen indien het geheel van deze ondernemingen in het licht van bovenstaande doelstellingen, een niet te verwaarlozen belang heeft,

– - de consolidatie van de financiële positie van de in de consolidatie te betrekken onderneming, naar de mening van de met het toezicht op geconsolideerde basis belaste autoriteiten, in het licht van de doelstellingen van het toezicht op kredietinstellingen misplaatst of misleidend zou zijn.

ê 2000/12/EG artikel 52, leden 5 tot en met 8

5. Het toezicht op de solvabiliteit, de kapitaaltoereikendheid in het licht van de marktrisico's en de controle op grote risico's worden overeenkomstig het onderhavige artikel en de artikelen 53 tot en met 56 uitgeoefend op geconsolideerde basis. De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings overeenkomstig lid 2 in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken.

De naleving van de in artikel 51, leden 1 en 2, bepaalde limieten wordt onderworpen aan toezicht en aan controle op basis van de geconsolideerde of gesubconsolideerde financiële positie van de kredietinstelling.

6. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat alle ondernemingen die worden betrokken bij het toezicht op geconsolideerde basis waaraan een kredietinstelling op grond van de leden 1 en 2 onderworpen is, over adequate interne controleprocedures moeten beschikken om de gegevens en inlichtingen te kunnen produceren die van nut zijn voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis.

7. Onverminderd de specifieke bepalingen van andere richtlijnen kunnen de lidstaten ervan afzien de in lid 5 bedoelde normen op basis van subconsolidatie of op individuele basis toe te passen op kredietinstellingen die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen zijn, alsmede op elke dochteronderneming van deze kredietinstelling die voor vergunning en toezicht onder deze lidstaten ressorteert en die in het toezicht op geconsolideerde basis van de moederkredietinstelling is opgenomen. Deze vrijstelling wordt ook toegestaan wanneer de moederinstelling een financiële holding is met haar zetel in dezelfde lidstaat als de kredietinstelling, op voorwaarde dat zij aan hetzelfde toezicht wordt onderworpen als kredietinstellingen en met name aan de in lid 5 vastgestelde voorschriften.

In de twee in de eerste alinea bedoelde gevallen moeten maatregelen worden genomen om te zorgen voor een adequate verdeling van het kapitaal binnen de bankgroep.

Indien de bevoegde autoriteiten deze normen op individuele basis toepassen, mogen zij voor de berekening van het eigen vermogen artikel 34, lid 2, laatste alinea, aanwenden.

8. Indien een kredietinstelling die een dochteronderneming is van een moederonderneming die zelf en kredietinstelling is, een vergunning heeft gekregen en in een andere lidstaat gelegen is, passen de bevoegde autoriteiten die de vergunning hebben verleend, op deze instelling de in lid 5 bedoelde voorschriften toe, op individuele basis, dan wel, in voorkomend geval, op basis van subconsolidatie.

ê 2000/12/EG Art. 52, lid 9 (aangepast)

è1 2004/xx/EG Art. 3, lid 9

9. Onverminderd het bepaalde in lid 8, mogen de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een kredietinstelling is, bij overeenkomst hun toezichthoudende verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen overeenkomstig deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de strekking van dergelijke overeenkomsten ingelicht. è1 De desbetreffende bevoegde autoriteit informeert de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten. ç

ò nieuw

Afdeling 1 - Toezicht

Artikel 124

1.           Aan de hand van de technische criteria van bijlage XI onderwerpen de bevoegde autoriteiten de regelingen, strategieën, procedures en mechanismen die de kredietinstellingen met het oog op deze richtlijn hebben ingevoerd, alsmede hun huidige en mogelijke toekomstige risico´s aan een evaluatie.

2.           De reikwijdte van de in lid 1 bedoelde evaluatie is in overeenstemming met de voorschriften van de onderhavige richtlijn.

3.           Op basis van de in lid 1 bedoelde evaluatie bepalen de bevoegde autoriteiten of de door de kredietinstellingen ingevoerde regelingen, strategieën, procedures en mechanismen en het eigen vermogen dat door deze instellingen wordt aangehouden, een degelijk beheer en een solide dekking van hun risico´s waarborgen.

4.           De bevoegde autoriteiten stellen de frequentie en de omvang van de in lid 1 bedoelde evaluatie vast en houden daarbij rekening met het belang van de werkzaamheden van de desbetreffende kredietinstelling voor het financiële stelsel en met de aard, omvang en complexiteit ervan. De evaluatie wordt minimaal eenmaal per jaar bijgewerkt.

5.           De evaluatie van de bevoegde autoriteiten omvat ook het renterisico dat een kredietinstelling bij niet-handelsactiviteiten loopt. Als de economische waarde van een kredietinstelling met meer dan twintig procent afneemt doordat in de rentetarieven plotseling en onverwacht een bepaalde verandering is opgetreden - de bevoegde autoriteiten leggen vast om wat voor verandering het minimaal gaat – moeten maatregelen worden getroffen, die niet van kredietinstelling tot kredietinstelling mogen verschillen.

ê 2000/12/EG artikel 53, leden 1 en 2, eerste alinea (aangepast)

ð nieuw

Artikel 125

Tot toezicht bevoegde autoriteiten

1.           Indien de moederonderneming een ð moeder ïkredietinstelling ð in een lidstaat of een EU-moederkredietinstelling ï is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 Ö 6 Õ bedoelde vergunning hebben verleend

2.           Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een financiële ð moeder ïholding ð in een lidstaat of een financiële EU-moederholding ï is, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die aan deze kredietinstelling de in artikel 4 Ö 6 Õ bedoelde vergunning hebben verleend.

ê 2000/12/EG Art. 53, lid 2, tweede en derde alinea, en lid 3 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 126

3.1.        Indien evenwel kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend, dezelfde financiële ð moeder ïholding ð in een lidstaat of dezelfde financiële EU-moederholding ï als moederonderneming hebben, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de kredietinstelling waaraan vergunning is verleend in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht.

Indien in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht, aan geen dochterkredietinstellingen vergunning is verleend, komen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten (daarbij begrepen de autoriteiten van de lidstaat waar de financiële holding is opgericht) met elkaar overeen wie van hen het toezicht op geconsolideerde basis zal uitoefenen. Bij gebreke van een dergelijke afspraak wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die een vergunning hebben verleend aan de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal; in het geval van gelijke balanstotalen wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die als eerste een vergunning als bedoeld in artikel 4 hebben verleend.

3. De betrokken bevoegde autoriteiten kunnen met elkaar overeenkomen van het bepaalde in lid 2, eerste en tweede alinea, af te wijken.

ò nieuw

Indien kredietinstellingen waaraan in meer dan één lidstaat vergunning is verleend meer dan één financiële holding met zetel in diverse lidstaten als moederonderneming hebben en zich in elk van deze lidstaten een kredietinstelling bevindt, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de voor de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal bevoegde autoriteit.

2.           Indien meer dan één kredietinstelling waaraan in de Gemeenschap vergunning is verleend, dezelfde financiële holding als moederonderneming hebben en aan geen van deze kredietinstellingen in de lidstaat waar de financiële holding is opgericht, vergunning is verleend, wordt het toezicht op geconsolideerde basis uitgeoefend door de bevoegde autoriteit die de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal vergunning heeft verleend; voor de toepassing van deze richtlijn wordt deze kredietinstelling als de instelling beschouwd die onder de zeggenschap staat van een financiële EU-moederholding.

ê 2000/12/EG artikel 53, lid 4

4. De in lid 2, derde alinea, en in lid 3 bedoelde overeenkomsten bevatten concrete maatregelen inzake samenwerking en informatie-uitwisseling met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen betreffende het toezicht op geconsolideerde basis.

ò nieuw

3.           In bijzondere gevallen mogen de bevoegde autoriteiten onderling overeenkomen af te wijken van de criteria in de leden 1 en 2, en wel als de toepassing ervan, gelet op het relatieve belang van de werkzaamheden van de kredietinstellingen in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn; ze mogen dan een andere bevoegde autoriteit aanwijzen die op geconsolideerde basis toezicht zal houden. In die gevallen bieden de bevoegde autoriteiten, alvorens een besluit te nemen, de EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding dan wel de kredietinstelling met het hoogste balanstotaal de gelegenheid haar mening ten aanzien van dit besluit kenbaar te maken.

4.           Als de bevoegde autoriteiten in het kader van lid 3 onderling afspraken hebben gemaakt, brengen zij de Commissie daarvan op de hoogte.

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 2, laatste zin

ð nieuw

Artikel 127

1.           ð De lidstaten stellen in voorkomend geval de maatregelen vast die nodig zouden blijken om financiële holdings in het geconsolideerde toezicht te kunnen betrekken. Onverminderd artikel 135 ï houdt de consolidatie van de financiële positie van de financiële holding voor de bevoegde autoriteiten geenszins de verplichting in de financiële holding te onderwerpen aan toezicht op individuele basis.

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 4 (aangepast)

42.         Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een dochterkredietinstelling niet in het toezicht op geconsolideerde basis betrekken op grond van een van de in lid 3, tweede en derde streepje, Ö artikel 73, lid 1, onder b) en c), Õ bedoelde gevallen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar deze dochterkredietinstelling gelegen is, van de moederonderneming inlichtingen verlangen om de uitoefening van het toezicht op deze kredietinstelling te vergemakkelijken.

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 10 (aangepast)

103.       De lidstaten bepalen dat hun met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten van de dochteronderneming van een kredietinstelling of een financiële holding die niet onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de in artikel 55 Ö 137 Õ bedoelde inlichtingen mogen verlangen. In dat geval zijn de in dat artikel bedoelde procedures voor toezending en verificatie van de inlichtingen van toepassing.

ê 2000/12/EG artikel 53, lid 5

Artikel 128

5. Indien er in de lidstaten meer dan één bevoegde autoriteit is voor het bedrijfseconomisch toezicht of kredietinstellingen en financiële instellingen, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de onderlinge coördinatie te organiseren.

ò nieuw

Artikel 129

1.           De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis op EU-moederkredietinstellingen en kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een financiële EU-moederholding, neemt de volgende taken op zich:

a)      ze voert superviserende controles uit en gaat na of voldaan is aan artikel 71, artikel 72, leden 1 en 2, en artikel 73, lid 3;

b)      ze coördineert de vergaring en verspreiding van informatie die relevant of essentieel is in normale omstandigheden en in noodsituaties;

c)      ze plant en coördineert toezichtactiviteiten in normale omstandigheden en in noodsituaties. Daaronder vallen ook de in artikel 124 genoemde activiteiten, waarbij wordt samengewerkt met de andere bevoegde autoriteiten, en de in de artikelen 43 en 141 genoemde activiteiten.

2.           Als een EU-moederkredietinstelling met haar dochterondernemingen of de gezamenlijke dochterondernemingen van een financiële EU-moederholding een aanvraag indienen voor de in artikel 84, lid 1, artikel 87, lid 9, of artikel 105 bedoelde vergunning, bepalen de bevoegde autoriteiten in onderling overleg of de aanvraag wordt ingewilligd en welke voorwaarden eventueel aan zo´n vergunning moeten worden verbonden.

Een aanvraag als bedoeld in de eerste alinea, wordt alleen ingediend bij de in lid 1 genoemde bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteiten nemen binnen zes maanden een besluit over de aanvraag en maken dit besluit in één document bekend. Dit document wordt aan de aanvrager toegezonden. Als er binnen zes maanden geen besluit wordt genomen, bepaalt de in lid 1 genoemde autoriteit op eigen gezag of de aanvraag wordt ingewilligd.

Artikel 130

1.           Als zich een noodsituatie voordoet die de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel kan ondermijnen, waarschuwen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis, de in artikel 49, onder a), en artikel 50 genoemde autoriteiten zo snel mogelijk, maar daarbij nemen ze wel de voorschriften van titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, in acht. Dit geldt voor alle bevoegde autoriteiten die in de artikelen 125 en 126 voor een bepaalde groep worden genoemd, alsmede voor de bevoegde autoriteit die in lid 1 van artikel 129 wordt genoemd.

2.           De bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis, treedt als zij informatie nodig heeft die al aan een andere bevoegde autoriteit is verstrekt, zo mogelijk met deze autoriteit in contact zodat de andere toezichthoudende autoriteiten niet tweemaal worden geïnformeerd.

Artikel 131

Om het toezicht doeltreffend en gemakkelijker uit te kunnen oefenen, kan de autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis en kunnen de andere bevoegde autoriteiten beschikken over documenten waarin de coördinatie- en samenwerkingsafspraken schriftelijk zijn vastgelegd.

Daarin kan zijn geregeld dat de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis extra taken krijgt, en kunnen de procedures voor de besluitvorming en voor de samenwerking met andere bevoegde autoriteiten zijn vastgelegd.

ê 2000/12/EG artikel 52, lid 9 (aangepast)

9. Onverminderd het bepaalde in lid 8, mogen de Ö De Õ bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een kredietinstelling is, Ö mogen Õ bij overeenkomst hun toezichthoudende verantwoordelijkheden overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming, opdat deze autoriteiten het toezicht op de dochteronderneming op zich nemen overeenkomstig deze richtlijn. De Commissie wordt over het afsluiten en de strekking van dergelijke overeenkomsten ingelicht. Zij licht de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten en het Raadgevend Comité voor het bankwezen hierover in.

ò nieuw

Artikel 132

1.           De bevoegde autoriteiten werken nauw samen. Zij verstrekken elkaar informatie die van essentieel belang of relevant is voor de uitoefening van de toezichthoudende taken waarmee zij in het kader van de onderhavige richtlijn zijn belast. Daartoe geven zij op verzoek alle relevante informatie en komen ze zelf met alle essentiële informatie.

Met name zorgen de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het geconsolideerde toezicht op EU-ondernemingen ervoor dat relevante informatie wordt verstrekt aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten die toezicht houden op dochterondernemingen van deze moederondernemingen. Wel wordt als het gaat om de hoeveelheid toe te zenden informatie rekening gehouden met het belang van deze dochterondernemingen in het financiële stelsel

De in de eerste alinea genoemde essentiële informatie omvat met name gegevens over:

a)      de structuur van de groep, alle belangrijke kredietinstellingen van een groep, alsmede de voor de kredietinstellingen van de groep bevoegde autoriteiten;

b)      procedures voor de verzameling van informatie bij de kredietinstellingen van een groep, alsmede de toetsing van deze informatie;

c)      ongunstige ontwikkelingen bij kredietinstellingen of andere entiteiten van een groep die ernstige nadelige gevolgen voor de kredietinstellingen zouden kunnen hebben;

d)      belangrijke sancties en buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met deze richtlijn hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105.

2.           De bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen die onder de zeggenschap staan van een EU-moederkredietinstelling, treden in contact met de in artikel 129, lid 1, genoemde bevoegde autoriteit als zij informatie nodig hebben over de invoering van benaderingen en methodieken zoals beschreven in de onderhavige richtlijn, en deze bevoegde autoriteit eventueel al beschikt over de desbetreffende informatie.

3.           Voordat ze een besluit nemen dat van belang is voor de toezichthoudende taken van andere bevoegde autoriteiten, raadplegen de desbetreffende bevoegde autoriteiten elkaar over:

a)      veranderingen in het aandeelhouderschap, de organisatie of de bestuursstructuur van kredietinstellingen in een groep die goedkeuring of machtiging door de bevoegde autoriteiten vereisen;

b)      belangrijke sancties of buitengewone maatregelen die de bevoegde autoriteiten hebben getroffen; zo kan in het kader van artikel 136 een extra kapitaalvereiste zijn opgelegd of kunnen restricties zijn opgelegd aan de toepassing van de geavanceerde meetbenadering voor de berekening van de kapitaalvereisten op basis van artikel 105.

Voor de toepassing van punt b) wordt in ieder geval het advies ingewonnen van de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis.

Een bevoegde autoriteit mag evenwel besluiten om geen advies in te winnen, maar alleen als er sprake is van een noodsituatie of als de besluiten daardoor hun doel kunnen missen. In dat geval brengt de bevoegde autoriteiten de andere bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld op de hoogte.

ê 2000/12/EG artikel 54, lid 1 (aangepast)

Artikel 133

Vorm en mate van de consolidatie

1.           De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op het toezicht de volledige consolidatie van kredietinstellingen en financiële instellingen die dochterondernemingen van de moederonderneming zijn.

Ö De bevoegde autoriteiten mogen evenwel slechts een Õ Een proportionele consolidatie kan evenwel worden voorgeschreven Ö verlangen Õ in geval de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een deel van het kapitaal houdt, naar Ö hun Õ het oordeel van de bevoegde autoriteiten beperkt is tot dat deel van het kapitaal, op grond van de aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders of vennoten en van de toereikende solvabiliteit van deze laatsten. De aansprakelijkheid van de overige aandeelhouders en vennoten moet duidelijk worden aangetoond, zo nodig aan de hand van uitdrukkelijk aangegane verbintenissen.

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 7, onder a)

Indien ondernemingen verbonden zijn door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.

ê 2000/12/EG artikel 54, leden 2 en 3 (aangepast)

2.           De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten verlangen met het oog op het toezicht de proportionele consolidatie van de deelnemingen in kredietinstellingen of financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet opgenomen ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van het door hen gehouden aandeel van het kapitaal.

3.           In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 2, bepalen de bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Zij kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen.

ê 2000/12/EG artikel 54, lid 4, eerste alinea (aangepast)

Artikel 134

41.       Onverminderd de leden 1, 2 en 3 Ö artikel 133 Õ bepalen de bevoegde autoriteiten in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:

a)      een kredietinstelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer kredietinstellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben;

b)      twee of meer kredietinstellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit in een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

ê2002/87/EG artikel 29, lid 7, onder b)

---------

ê 2000/12/EG artikel 54, lid 4, tweede alinea

De bevoegde autoriteiten mogen in het bijzonder het gebruik van de in artikel 12 van Richtlijn 83/349/EEG bedoelde methode toestaan of voorschrijven. Deze methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden opgenomen.

ê 2000/12/EG Art 54, lid 5 (aangepast)

ð nieuw

52. Wanneer het toezicht op geconsolideerde basis op grond van Ö de artikelen 125 en 126 Õ artikel 52, leden 1 en 2, is voorgeschreven, worden de ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf verrichten, ð alsmede vermogensbeheerders in de zin van Richtlijn 2002/87/EG ï in de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in de leden 1 tot en met 4 Ö artikel 133 en lid 1 Õ van het onderhavige artikel zijn omschreven.

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 8 (aangepast)

Artikel 135

Leidinggevend orgaan van financiële holdings

De lidstaten eisen dat personen die het bedrijf van een financiële holding feitelijk leiden, voldoende betrouwbaarheid en voldoende ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen.

ònieuw

Artikel 136

1.         De bevoegde autoriteiten eisen van een kredietinstelling die niet aan deze richtlijn voldoet, dat deze vroegtijdig de noodzakelijke maatregelen neemt om iets aan deze situatie te doen.

Daartoe kunnen de bevoegde autoriteiten onder meer:

a)           kredietinstellingen verplichten een groter eigen vermogen aan te houden dan dat welk ingevolge artikel 75 minimaal vereist is;

b)           de regelingen en strategieën aan te scherpen die met het oog op de artikelen 22 en 123 zijn ingevoerd;

c)           kredietinstellingen verplichten in verband met de kapitaalvereisten een specifiek voorzieningenbeleid te voeren of de activa op een specifieke wijze te behandelen;

d)           restricties opleggen aan de bedrijfsactiviteiten en transacties van of netwerkrelaties tussen kredietinstellingen;

e)           het risico inperken dat verbonden is aan de werkzaamheden, producten en systemen van kredietinstellingen.

Bij de vaststelling van maatregelen worden wel de voorschriften van titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2. in acht genomen.

2.         De bevoegde autoriteiten leggen in ieder geval kredietinstellingen die met hun regelingen, procedures, mechanismen en strategieën hun risico´s niet adequaat kunnen beheren of dekken, strengere kapitaalvereisten op dan die welke zijn vastgelegd in artikel 75, als andere maatregelen, naar alle waarschijnlijkheid op zich niet zullen volstaan om binnen een redelijk tijdsbestek een aanscherping van deze regelingen te bewerkstelligen.

ê 2000/12/EG artikel 55, lid 1 (aangepast)

Artikel 137

Door gemengde holdings en hun dochterondernemingen te verstrekken inlichtingen

1.           Tot een latere coördinatie van de consolidatiemethoden bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is, de voor vergunning aan en toezicht op deze kredietinstellingen verantwoordelijke bevoegde autoriteiten van de gemengde holding en de dochterondernemingen daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij door toedoen van de dochterkredietinstellingen, de mededeling verlangen van alle dienstige inlichtingen en gegevens voor de uitoefening van het toezicht op de dochterkredietinstellingen.

ê 2000/12/EG artikel 55, lid 2 (aangepast)

2.           De lidstaten bepalen dat hun bevoegde autoriteiten de van de gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan ontvangen inlichtingen ter plaatse kunnen verifiëren, of door externe controleurs kunnen doen verifiëren. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan een verzekeringsonderneming is, kan ook de procedure van artikel Ö 140, lid 1, Õ 56, lid 4, worden gevolgd. Indien de gemengde holding of een van de dochterondernemingen daarvan in een andere lidstaat is gelegen dan die waar de dochterkredietinstelling is gelegen, geschiedt de verificatie ter plaatse volgens de procedure van artikel Ö 140, lid 1 Õ 56, lid 7.

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 9 (aangepast)

Artikel 138

Intragroeptransacties bij gemengde holdings

1.         Onverminderd het bepaalde in titel V, hoofdstuk 2, afdeling Ö 5 Õ 3, van deze richtlijn bepalen de lidstaten dat, indien de moederonderneming van één of meer kredietinstellingen een gemengde holding is, de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op deze kredietinstellingen algemeen toezicht uitoefenen op de transacties tussen de kredietinstellingen en de gemengde holding en haar dochterondernemingen.

2.         De bevoegde autoriteiten verlangen dat de kredietinstellingen beschikken over adequate risicobeheer- en internecontroleprocedures, met inbegrip van gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op een juiste herkenning, meting, bewaking en controle van de transacties met de gemengde moederholding en haar dochterondernemingen. De bevoegde autoriteiten verlangen tevens dat de kredietinstellingen alle andere significante transacties met deze entiteiten rapporteren, naast de transacties bedoeld in artikel Ö 110 Õ 48. Deze procedures en significante transacties worden gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten.

Indien de bovengenoemde intragroeptransacties een bedreiging voor de financiële positie van een kredietinstelling vormen, neemt de voor het toezicht op de instelling bevoegde autoriteit passende maatregelen.

ê 2000/12/EG artikel 56, leden 1 tot en met 3 (aangepast)

Artikel 139

Maatregelen om het toezicht op geconsolideerde basis te vergemakkelijken

1.         De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen juridische belemmeringen de onder het toezicht op geconsolideerde basis vallende ondernemingen, of gemengde holdings en dochterondernemingen daarvan, of de in artikel Ö 127, lid 3, Õ 51, lid 10, bedoelde dochterondernemingen verhinderen om onderling de inlichtingen uit te wisselen die voor de uitoefening van het toezicht overeenkomstig de artikelen Ö 124 tot en met 138 Õ 52 tot en met 55 en het onderhavige artikel dienstig zijn.

2.         Indien de moederonderneming en de één of meer kredietinstellingen die dochterondernemingen daarvan zijn, in verschillende lidstaten zijn gelegen, verstrekken de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat elkaar alle dienstige inlichtingen die voor het toezicht op geconsolideerde basis nodig zijn of die dat toezicht kunnen vergemakkelijken.

Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de moederonderneming is gelegen, niet zelf op grond van Ö de artikelen 125 en 126 Õ artikel 53 het toezicht op geconsolideerde basis uitoefenen, mag hun door de met dit toezicht belaste bevoegde autoriteiten worden gevraagd om van de moederonderneming de inlichtingen te verlangen die voor het toezicht op geconsolideerde basis dienstig zijn, en om die inlichtingen aan deze autoriteiten door te geven.

3.         De lidstaten staan toe dat hun bevoegde autoriteiten de in lid 2 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat, met betrekking tot financiële holdings, financiële instellingen of ondernemingen die nevendiensten van het bankbedrijf verrichten, het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de instellingen of ondernemingen afzonderlijk toezicht moeten houden.

De lidstaten staan eveneens toe dat hun bevoegde autoriteiten de in artikel Ö 137 Õ 55 bedoelde inlichtingen uitwisselen, met dien verstande dat het inwinnen of bezitten van inlichtingen geenszins betekent dat de bevoegde autoriteiten op de gemengde holding en dochterondernemingen daarvan die geen kredietinstelling zijn, of op de in artikel Ö 127, lid 3, Õ 52, lid 10, bedoelde dochterondernemingen, toezicht houden.

ê 2000/12/EG artikel 56, leden 4 tot en met 6 (aangepast)

Artikel 140

41.       Indien een kredietinstelling, een financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over één of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn of andere ondernemingen die beleggingsdiensten verrichten waarvoor een vergunningsstelsel geldt, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op de verzekeringsondernemingen of op de genoemde andere instellingen die beleggingsdiensten verrichten. Onverminderd hun respectieve bevoegdheden delen deze autoriteiten elkaar alle inlichtingen mee waardoor de vervulling van hun taak kan worden vergemakkelijkt en controle op de activiteit en de financiële positie van alle aan hun toezicht onderworpen ondernemingen kan worden uitgeoefend.

52.       De op grond van het toezicht op geconsolideerde basis ontvangen inlichtingen, en met name de in deze richtlijn bedoelde uitwisseling van inlichtingen tussen bevoegde autoriteiten, vallen onder het beroepsgeheim als bepaald in Ö titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2 Õ artikel 30.

63.       De met het toezicht op geconsolideerde basis belaste bevoegde autoriteiten stellen een lijst op van de in artikel Ö 71 Õ 52, lid 2, bedoelde financiële holdings. Deze lijst wordt aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en aan de Commissie gezonden.

ê 2000/12/EG artikel 56, lid 7 (aangepast)

è1 2002/87/EG artikel 29, punt 10

Artikel 141

7. Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij de toepassing van deze richtlijn in welbepaalde gevallen inlichtingen betreffende een in een andere lidstaat gelegen kredietinstelling, financiële holding, financiële instelling, onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht, gemengde holding, dochteronderneming als bedoeld in artikel 55, of dochteronderneming als bedoeld in artikel 52, lid 10, wensen te verifiëren, verzoeken zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaat om deze verificatie. De autoriteiten die het verzoek hebben ontvangen, moeten hieraan in het kader van hun bevoegdheden gevolg geven door de verificatie zelf te verrichten, door de verzoekende autoriteiten toestemming te verlenen om de verificatie te verrichten, dan wel door toe te staan dat de verificatie door een registeraccountant of een deskundige wordt verricht.è1 De verzoekende bevoegde autoriteit kan indien zij dat wenst aan de verificatie deelnemen indien zij deze niet zelf verricht. ç

ê 2000/12/EG artikel 56, lid 8 (aangepast)

Artikel 142

8. De lidstaten bepalen dat, onverminderd gevallen die onder de strafwet vallen, jegens financiële holdings en gemengde holdings, of verantwoordelijke bestuurders daarvan, die wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overtreden welke ter uitvoering van de artikelen 52 tot en met 55 Ö 124 tot en met 141 Õ en van het onderhavige artikel zijn vastgesteld, sancties of maatregelen kunnen worden opgelegd om aan de vastgestelde overtredingen een einde te maken of de oorzaken daarvan weg te nemen. In bepaalde gevallen kunnen deze maatregelen een optreden van de rechter vereisen.

De bevoegde autoriteiten werken nauw samen opdat de genoemde Ö deze Õ sancties of maatregelen de beoogde uitwerking hebben, inzonderheid als de zetel van een financiële holding of van een gemengde holding zich elders dan zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging bevindt.

ê 2002/87/EG artikel 29, lid 11 (aangepast)

è1 2004/xx/EG, artikel 3, punt 10

Artikel 143

Moederondernemingen uit derde landen

1.         Indien de moederonderneming van een kredietinstelling een kredietinstelling of een financiële holding met hoofdkantoor Ö in een derde land Õ buiten de Gemeenschap is en er op de kredietinstelling geen toezicht op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in Ö de artikelen 125 en 126 Õ artikel 52, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de kredietinstelling onderworpen is aan door de bevoegde autoriteit van een derde land uitgeoefend toezicht op geconsolideerde basis dat gelijkwaardig is met dat van de in Ö de onderhavige richtlijn Õ artikel 52 neergelegde beginselen.

De verificatie geschiedt door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis indien Ö lid 3 Õ de vierde alinea van toepassing was, op verzoek van de moederonderneming of van een van de gereglementeerde autoriteiten die in de Gemeenschap een vergunning hebben verkregen, dan wel op haar eigen initiatief. Die bevoegde autoriteit raadpleegt de andere betrokken bevoegde autoriteiten.

2.         è1 De Europese Commissie kan het Europees Comité voor het bankwezen verzoeken algemene richtsnoeren te verstrekken ç over de vraag of de regelingen inzake geconsolideerd toezicht van de bevoegde autoriteiten in derde landen waarschijnlijk de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis zullen verwezenlijken zoals die in dit hoofdstuk zijn bepaald, voor de kredietinstellingen waarvan de moederonderneming haar hoofdbestuur Ö in een derde land Õ buiten de Gemeenschap heeft. Het Comité werkt die richtsnoeren bij en houdt rekening met alle wijzigingen in de regelingen inzake geconsolideerd toezicht die door die bevoegde autoriteiten worden toegepast.

De bevoegde autoriteit die de in de vorige Ö eerste Õ alinea Ö van lid 1 Õ bedoelde verificatie uitvoert, neemt die richtsnoeren in aanmerking. De bevoegde autoriteit raadpleegt te dien einde het comité voordat zij haar besluit neemt.

3.         Indien een dergelijk gelijkwaardig toezicht ontbreekt, passen de lidstaten naar analogie op de kredietinstelling het bepaalde in artikel 52 toe Ö of staan ze hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen worden gerealiseerd Õ.

Als alternatief staan de lidstaten hun bevoegde autoriteiten toe andere passende toezichtmethoden toe te passen waarmee de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen worden gerealiseerd.

Over deze methoden Ö toezichtmethoden Õ moet overeenstemming worden bereikt door de betrokken bevoegde autoriteit die verantwoordelijk zou zijn voor het geconsolideerde toezicht, zulks na overleg met de andere Ö betrokken Õ bevoegde autoriteiten.

De bevoegde autoriteiten kunnen meer bepaald verlangen dat een financiële holding met hoofdbestuur in de Gemeenschap wordt opgericht en op de geconsolideerde positie van deze financiële holding de bepalingen inzake het toezicht op geconsolideerde basis toepassen.

De methoden Ö toezichtmethoden Õ moeten de mogelijkheid bieden de doeleinden van het toezicht op geconsolideerde basis als omschreven in dit hoofdstuk te verwezenlijken, en moeten aan de overige betrokken bevoegde autoriteiten en de Commissie worden medegedeeld.

ò nieuw

Afdeling 2

Verstrekking van informatie door de bevoegde autoriteiten

Artikel 144

1.         De bevoegde autoriteiten verstrekken de volgende informatie:

a)           de bewoordingen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en algemene richtlijnen die in hun lidstaat op prudentieel gebied zijn vastgesteld;

b)           de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en speelruimte die de Gemeenschapswetgeving biedt;

c)           de algemene criteria en methodieken op basis waarvan zij de in artikel 124 genoemde evaluatie verrichten;

d)           onverminderd het bepaalde in titel V, hoofdstuk 1, afdeling 2, geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de tenuitvoerlegging van de prudentiële kadervoorschriften in elke lidstaat.

Er wordt genoeg informatie als bedoeld in de eerste alinea, verstrekt om een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen de handelwijzen van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten.

HOOFDSTUK 5

VERSTREKKING VAN INFORMATIE DOOR DE KREDIETINSTELLINGEN

Artikel 145

1.         Onverminderd het bepaalde in artikel 146 maken de kredietinstellingen voor de toepassing van deze richtlijn de informatie als bedoeld in bijlage XII, deel 2, openbaar.

2.         De bevoegde autoriteiten nemen in het kader van hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdelingen 2 en 3, en artikel 105 de in bijlage XII, deel 3, bedoelde instrumenten en methodieken alleen in aanmerking als de kredietinstellingen de daarin genoemde informatie openbaar maken.

3.         De kredietinstellingen leggen formeel vast hoe ze willen voldoen aan de informatie-eisen van de leden 1 en 2; ook hebben ze vastgelegd op welke wijze ze de door henzelf verstrekte informatie evalueren en dus ook op juistheid controleren en hoe vaak dit dient te gebeuren.

Artikel 146

1.         Onverminderd artikel 145 verlenen de bevoegde autoriteiten een kredietinstelling toestemming om geen informatie te verstrekken over een of meer van de in bijlage XII, deel 2, genoemde onderdelen als de desbetreffende instelling van mening is dat deze informatie op grond van het criterium dat in bijlage XII, deel 1, punt 1, wordt genoemd, niet van wezenlijk belang hoeft te worden geacht.

2.         Onverminderd artikel 145 verlenen de bevoegde autoriteiten een kredietinstelling toestemming om af te zien van publicatie van informatie over een of meer onderdelen die genoemd worden in bijlage XII, delen 2 en 3, als de desbetreffende kredietinstelling van mening is dat deze informatie op grond van de criteria die bijlage XX, deel 1, punten 2 en 3, als geheim of vertrouwelijk moet worden aangemerkt.

3.         In de in lid 2 genoemde uitzonderingsgevallen geeft de desbetreffende kredietinstelling in haar informatie aan dat bepaalde onderdelen ontbreken en waarom deze ontbreken; wel publiceert zij meer algemene informatie over het desbetreffende onderdeel.

Artikel 147

1.         Een kredietinstelling publiceert minimaal eenmaal per jaar de op grond van artikel 145 vereiste informatie. De informatie wordt zo snel mogelijk gepubliceerd.

2.         Ook bepaalt een kredietinstelling of het op grond van de criteria in bijlage XII, deel 1, punt 4, nodig is om vaker met informatie te komen dan ingevolge lid 1 vereist is.

Artikel 148

1.         De bevoegde autoriteiten verlenen een kredietinstelling toestemming om zelf te bepalen in welk medium en op welke locatie zij willen voldoen aan de informatie-eisen van artikel 145 en hoe ze de in dat artikel voorgeschreven juistheid van hun informatie willen controleren. Voorzover mogelijk wordt alle informatie in één medium of op één locatie verstrekt.

2.         Als dezelfde informatie al in het kader van boekhoudkundige, beurs- of andere voorschriften is gepubliceerd, kan artikel 145 worden beschouwd als zijnde nageleefd. Als de informatie niet in de jaarrekening wordt opgenomen, dan geven de kredietinstellingen aan waar deze informatie wel kan worden gevonden.

Artikel 149

Onverminderd de artikelen 146 tot en met 148 worden de bevoegde autoriteiten door de lidstaten gemachtigd om de kredietinstellingen de volgende verplichtingen op te leggen:

a)           ze verstrekken informatie over een of meer onderdelen die in bijlage XII, delen 2 en 3 worden genoemd;

b)           ze publiceren vaker dan eenmaal per jaar informatie en ze krijgen een termijn opgelegd voor de publicatie van informatie;

c)           ze verstrekken de informatie niet in de jaarrekening, maar in bepaalde media of op bepaalde locaties;

d)           ze controleren de juistheid van informatie waarvoor geen wettelijke controle vereist is, en gebruiken daarvoor bepaalde middelen.

ê 2004/xx/EG artikel 3, punt 11

-----

ê 2000/12/EG

TITEL VI

BEVOEGDHEDEN INZAKE UITVOERING

ê 2000/12/EG, Art. 60 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 150

Technische aanpassingen

1.           Onverminderd het in artikel 34, lid 3, tweede alinea, genoemde verslag ð het voorstel dat de Commissie ingevolge artikel 62 zal indienen ï, worden wat betreft het eigen vermogen de op de onderstaande gebieden aan te brengen technische aanpassingen ð wijzigingen ï vastgesteld volgens de procedure van ð artikel 151 ï lid 2:

a)       verduidelijking van de definities om bij de toepassing van de onderhavige richtlijn rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

b)      verduidelijking van de definities teneinde een eenvormige toepassing van deze richtlijn binnen de Gemeenschap te waarborgen;

c)       aanpassing van de terminologie en van de verwoording van de definities aan latere richtlijnen inzake het bankwezen en aanverwante onderwerpen;

definitie van zone A in artikel 1, punt 14;

definitie van multilaterale ontwikkelingsbanken in artikel 1, punt 19;

d)      wijzigingen in de lijst van artikel 2;

e)       wijziging van het bedrag van het in artikel 5 Ö 9 Õ vereiste aanvangskapitaal om rekening te houden met de economische en monetaire ontwikkelingen;

f)       uitbreiding van de in de artikelen Ö 23 en 24 Õ 18 en 19 bedoelde lijst in bijlage I of aanpassing van de terminologie van de lijst om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

g)      de in artikel Ö 42 Õ 28 genoemde gebieden waarop de bevoegde autoriteiten gegevens moeten uitwisselen;

h)      ð wijzigingen in de artikelen 56 en 57 om rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen zoals vastgelegd in de Gemeenschapswetgeving;ï

i)       wijziging van de omschrijving Ö lijst Õ van de activa in artikel 43 Ö categorieën vorderingen in de artikelen 79 en 86 Õ om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten;

j)       ð het in artikel 79, lid 2, onder c), en in artikel 86, lid 4, onder a), bedoelde bedrag om rekening te houden met de gevolgen van inflatie; ï

k)      de lijst en de indeling van de posten buiten de balanstelling in de bijlagen II en IV en hun behandeling bij de berekening van de ratio als omschreven in de artikelen 42, 43 en 44 en in bijlage III ð bij de vaststelling van de waarde van de posten voor de toepassing van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3 ï;

l)       ð aanpassing van de bijlagen V tot en met VII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten (met name nieuwe financiële producten en op het gebied van standaarden voor of eisen aan jaarrekeningen zoals vastgelegd in de Gemeenschapswetgeving; ï

Ö 2.     De Commissie kan volgens de procedure van artikel 151 de volgende uitvoeringsmaatregelen vaststellen:Õ

a)       ðzij kan een nadere invulling geven aan de omvang van plotselinge, onverwachte veranderingen in de rentetarieven als bedoeld in artikel 124, lid 5; ï

b)      een tijdelijke verlaging van Ö het Õ de in artikel Ö 75 Õ 47 vastgestelde minimumÖ niveau van het eigen vermogen Õ ratio of van de in artikel 43 Ö titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, Õ vastgestelde Ö risicogewichten Õ wegingsfactoren, om rekening te houden met specifieke omstandigheden;

c)       ð onverminderd het in artikel 119 bedoelde verslag ï, verduidelijking van de uitzonderingen genoemd in artikel 49, leden 5 tot en met 10 Ö 111, lid 4, en de artikelen 113, 115 en 119 Õ;

d)      ð een nadere invulling van de voornaamste aspecten waarover ingevolge artikel 144, lid 1, onder d), geaggregeerde statistische gegevens dienen te worden geleverd ï;

e)       ð een nadere invulling van het formaat, de structuur, de inhoud en de jaarlijkse publicatiedatum van de in artikel 114 bedoelde informatie. ï

ê 2004/xx/EG artikel 3, punt 12 (aangepast)

Artikel 151

1.           De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2004/10/EG van de Commissie ingestelde Europees Comité voor het bankwezen (hierna "het comité" te noemen), dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie..

2.           Wanneer naar dit lid Ö artikel Õ wordt verwezen is de comitéprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

ê 2000/12/EG

TITEL VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

OVERGANGSBEPALINGEN

ê 2000/12/EG artikel 60, lid 2 (aangepast)

Artikel 61

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 36

Denemarken mag de Deense instellingen voor hypothecair krediet die vóór 1 januari 1990 de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen hadden of als fonds georganiseerd waren, en die in naamloze vennootschappen zijn omgezet, toestaan om de hoofdelijke verplichtingen van de leden, respectievelijk van de leningnemers als bedoeld in artikel 36, lid 1, wier vorderingen met deze hoofdelijke verplichtingen worden gelijkgesteld, te blijven opnemen in het eigen vermogen, met inachtneming van de volgende beperkingen:

a)         de berekeningsgrondslag van het aandeel van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers is de som van de bestanddelen genoemd in artikel 35, lid 2, punten 1 en 2, verminderd met de som van de bestanddelen genoemd in artikel 35, lid 2, punten 9, 10 en 11;

b)         de berekeningsgrondslag op 1 januari 1991 of, indien de omzetting op een latere datum plaatsvindt, op de datum van omzetting is de maximale berekeningsgrondslag. De berekeningsgrondslag mag nooit hoger zijn dan de maximale berekeningsgrondslag;

c)         de maximale berekeningsgrondslag wordt vanaf 1 januari 1997 verminderd met de helft van de opbrengst van eventuele nadien plaatsvindende uitgiften van kapitaal, als gedefinieerd in artikel 35, lid 2, punt 1, en

d)         het maximumbedrag van de hoofdelijke verplichtingen van leningnemers dat in het eigen vermogen wordt opgenomen, mag nooit meer bedragen dan:

            50% in 1991 en 1992,

            45% in 1993 en 1994,

            40% in 1995 en 1996,

            35% in 1997,

            30% in 1998,

            20% in 1999,

            10% in 2000 en

            0% vanaf 1 januari 2001 van de berekeningsgrondslag.

ê 2000/12/EG (aangepast)

Artikel 62

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 43

1. Tot en met 31 december 2006 mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan een wegingsfactor van 50% toe te passen op leningen die ten genoegen van die autoriteiten geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen en panden voor diverse handelsdoeleinden, gelegen op het grondgebied van de lidstaten die de wegingsfactor van 50% toestaan, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)          de wegingsfactor van 50% is van toepassing op het gedeelte van de lening dat niet hoger ligt dan het volgens het onderstaande punt a), dan wel volgens b) berekende maximum:

a)      50% van de marktwaarde van het betrokken goed.

         De marktwaarde van het goed moet door twee onafhankelijke taxateurs worden berekend; zij maken onafhankelijke taxaties op het ogenblik van de lening. De laagste taxatie is het uitgangspunt voor de lening.

         Het goed word minstens één keer per jaar opnieuw getaxeerd door één taxateur. Voor leningen die niet hoger liggen dan 1 miljoen EUR en 5% van het eigen vermogen van de kredietinstelling, dient het goed ten minste eens in de drie jaar door één taxateur te worden getaxeerd;

b)      50% van de marktwaarde van het goed of, als dit lager ligt, 60% van de hypotheekwaarde, in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de berekening van hypotheekwaarden hebben vastgesteld.

         De hypotheekwaarde is de waarde van het goed die is vastgesteld door een taxateur op grond van een voorzichtige prognose van de toekomstige verhandelbaarheid van het goed, rekening houdend met duurzame langetermijnaspecten van het goed, de normale en plaatselijke marktvoorwaarden, het gebruik dat op dat ogenblik van het goed wordt gemaakt en eventuele andere doeleinden waarvoor het geschikt is. Speculatieve factoren mogen niet in de hypotheekwaarde worden verrekend. De vastgestelde hypotheekwaarde moet op doorzichtige en heldere wijze worden gedocumenteerd.

         De hypotheekwaarde en met name de onderliggende hypothesen in verband met de ontwikkeling van de betrokken markt moeten ten minste eens in de drie jaar, of als de marktprijzen met meer dan 10% dalen, opnieuw worden bezien.

            Zowel onder a) als onder b) wordt onder «de marktwaarde» verstaan de prijs waartegen het goed op de dag van de taxatie door een willige verkoper onderhands zou kunnen worden verkocht aan een onafhankelijke koper, in de veronderstelling dat het goed openlijk te koop wordt aangeboden, de marktvoorwaarden van dien aard zijn dat de verkoop in normale omstandigheden kan plaatsvinden en er een normale periode voorhanden is, gezien de aard van het goed, om de verkoop te sluiten;

ii)         op het gedeelte van de lening dat boven de onder i) genoemde maxima ligt, wordt een wegingsfactor van 100% toegepast;

iii)        het goed moet door de eigenaar worden gebruikt of verhuurd.

De eerste alinea sluit niet uit dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat die op zijn grondgebied een hogere wegingsfactor toepast, onder de bovengenoemde voorwaarden kunnen toestaan dat de wegingsfactor van 50% voor dit type leningen wordt toegepast op het grondgebied van de lidstaten die de wegingsfactor van 50% wel toestaan.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen hun kredietinstellingen toestaan een wegingsfactor van 50% toe te passen op op 21 juli 2000 uitstaande leningen, mits de in dit lid genoemde voorwaarden vervuld zijn. In dat geval wordt het goed uiterlijk 21 juli 2003 volgens de bovengenoemde criteria gewaardeerd.

Op vóór 31 december 2006 toegekende leningen blijft de wegingsfactor van 50% van toepassing tot de vervaldag als de kredietinstelling verplicht is de contractuele bedingen na te komen.

Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun kredietinstellingen tevens toestaan een wegingsfactor van 50% toe te passen op het gedeelte van leningen dat ten genoegen van deze autoriteiten geheel en volledig gedekt is door aandelen in Finse huisvestingsmaatschappijen die onder de Finse huisvestingswet van 1991 of soortgelijke wetgeving van latere datum vallen, mits aan de in dit lid gestelde voorwaarden is voldaan.

De lidstaten brengen ter kennis van de Commissie hoe zij de bepalingen van dit lid toepassen.

2. De lidstaten kunnen een wegingsfactor van 50% toepassen bij transacties inzake onroerendgoedleasing die vóór 31 december 2006 worden gesloten en betrekking hebben op voor beroepsdoeleinden bestemde goederen die in het land van de zetel gelegen zijn en waarop wettelijke bepalingen van toepassing zijn krachtens welke de «lessor» de volledige eigendom van het gehuurde goed behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend. De lidstaten brengen ter kennis van de Commissie hoe zij de bepalingen van dit lid toepassen.

3. Artikel 43, lid 3, laat onverlet de erkenning door de bevoegde autoriteiten van bilaterale schuldvernieuwingscontracten die zijn gesloten, in het geval van:

– België, vóór 23 april 1996,

– Denemarken, vóór 1 juni 1996,

– Duitsland, vóór 30 oktober 1996,

– Griekenland, vóór 27 maart 1997,

– Spanje, vóór 7 januari 1997,

– Frankrijk, vóór 30 mei 1996,

– Ierland, vóór 27 juni 1996,

– Italië, vóór 30 juli 1996,

– Luxemburg, vóór 29 mei 1996,

– Nederland, vóór 1 juli 1996,

– Oostenrijk, vóór 30 december 1996,

– Portugal, vóór 15 januari 1997,

– Finland, vóór 21 augustus 1996,

– Zweden, vóór 1 juni 1996, en

– het Verenigd Koninkrijk, vóór 30 april 1996.

Artikel 63

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 47

1. Kredietinstellingen waarvan de minimumratio op 1 januari 1991 de in artikel 47, lid 1, voorgeschreven 8% niet bereikte, moeten geleidelijk in opeenvolgende fasen naar dit niveau toewerken. Zolang deze doelstelling niet is bereikt, mogen zij de ratio niet onder het in de betreffende fase bereikte niveau laten dalen. Indien een dergelijke fluctuatie zich toch voordoet, moet die van tijdelijke aard zijn en de reden ervoor moet aan de bevoegde autoriteiten worden meegedeeld.

ê 2000/12/EG artikel 62, leden 2 en 3 (aangepast)

2. Gedurende een periode van maximaal vijf jaar vanaf 1 januari 1993 mogen de lidstaten de wegingsfactor van 10% toepassen op de obligaties bedoeld in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG en, indien zij zulks nodig achten, voor de kredietinstellingen handhaven, om een ernstige verstoring van de werking van hun markten te voorkomen. Deze uitzonderingen worden aan de Commissie gemeld.

3. Gedurende een periode van ten hoogste zeven jaar vanaf 1 januari 1993 is artikel 47, lid 1, niet van toepassing op de Griekse Bank voor Landbouwkrediet. Deze instelling moet evenwel in opeenvolgende fasen, volgens de in het onderhavige artikel, lid 1, omschreven methode, naar het in artikel 47, lid 1, voorgeschreven niveau toewerken.

ê 2000/12/EG (aangepast)

è1 2004/xx/EG artikel 3, punt 13

Artikel 64

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 49

1. Indien op 5 februari 1993 een kredietinstelling reeds een risico of risico's had aangegaan dat of die de voor grote risico's geldende grenswaarden of de grenswaarde voor het totaal der grote risico's, als bepaald in artikel 49, overschreed of overschreden, verlangen de bevoegde autoriteiten dat de betrokken kredietinstelling de nodige maatregelen neemt om het betrokken risico of de betrokken risico's te verlagen tot het niveau dat in artikel 49 is bepaald.

2. De wijze waarop het risico of de risico's tot het toegestane niveau wordt of worden verlaagd, wordt uitgewerkt, goedgekeurd, toegepast en voltooid binnen de termijn die de bevoegde autoriteiten in overeenstemming achten met het beginsel van gezonde bedrijfsvoering en eerlijke concurrentie. De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie en è1 Europees Comité voor het bankwezen ç in kennis van het tijdschema voor de gehanteerde algemene werkwijze.

3. Een kredietinstelling mag geen maatregelen nemen die tot gevolg zouden hebben dat de in lid 1 bedoelde risico's de waarde overschrijden die zij op 5 februari 1993 hadden.

4. De in lid 2 bedoelde termijn loopt uiterlijk op 31 december 2001 af. Risico's met een langere looptijd waarvoor de contractvoorwaarden door de leningverstrekkende instelling moeten worden nageleefd, mogen echter tot het verstrijken van die looptijd worden voortgezet.

ê 2000/12/EG artikel 64, leden 5 tot en met 7 (nieuw)

è1 2004/xx/EG artikel 3, punt 13

5. Tot en met 31 december 1998 beschikken de lidstaten over de mogelijkheid de in artikel 49, lid 1, gestelde grenswaarde tot 40% en de in artikel 49, lid 2, gestelde grenswaarde tot 30% te verhogen. Onverminderd de leden 1, 2, 3 en 4, loopt de termijn om de bij het verstrijken van deze periode bestaande risico's tot de in artikel 49 bedoelde niveaus terug te brengen, in dat geval op 31 december 2001 af.

6. Uitsluitend voor kredietinstellingen waarvan het eigen vermogen niet meer dan 7 miljoen EUR bedraagt, mogen de lidstaten de in lid 5 bedoelde termijnen met vijf jaar verlengen. De lidstaten die van de in dit lid vervatte mogelijkheid gebruikmaken, nemen maatregelen om concurrentievervalsing te voorkomen en stellen de Commissie en het è1Europees Comité voor het bankwezen ç daarvan in kennis.

7. In de in de leden 5 en 6 bedoelde gevallen kan een risico als groot worden beschouwd indien de waarde ervan ten minste 15% van het eigen vermogen bedraagt.

ê 2000/12/EG artikel 64, lid 8 (aangepast)

8. Tot en met 31 december 2001 kunnen de lidstaten de frequentie van de in artikel 48, lid 2, tweede streepje, bedoelde melding van grote risico's wijzigen in ten minste twee keer per jaar.

ê 2000/12/EG artikel 64, lid 9

9. De lidstaten kunnen geheel of gedeeltelijk van de toepassing van artikel 49, leden 1, 2 en 3, uitsluiten de door een kredietinstelling aangegane risico's die bestaan uit hypothecaire leningen als omschreven in artikel 62, lid 1, die zijn gesloten vóór 1 januari 2002, alsmede transacties inzake financieringshuur van onroerende goederen als omschreven in artikel 62, lid 2, die zijn gesloten vóór 1 januari 2002, een en ander tot 50% van de waarde van het betrokken onroerend goed.

Dezelfde behandeling geldt voor leningen die ten genoegen van de bevoegde autoriteiten zijn gegarandeerd door aandelen in Finse bedrijven voor de bouw van residentiële woningen, die werkzaam zijn volgens de Finse wet op de woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving, die gelijk zijn aan de in de eerste alinea bedoelde hypothecaire leningen.

ê 2000/12/EG artikel 65 (aangepast)

Artikel 65

Overgangsbepalingen met betrekking tot artikel 51

Kredietinstellingen die op 1 januari 1993 de in artikel 51, leden 1 en 2, vastgestelde limieten overschreden, beschikken, te rekenen vanaf deze datum, over een termijn tot 1 januari 2003 om zich ernaar te voegen.

ò nieuw

Artikel 152

1.         Een kredietinstelling die de risicogewogen posten op basis van de artikelen 84 tot en met 89 berekent of die voor de berekening van haar kapitaalvereisten voor het operationeel risico de in artikel 105 bedoelde geavanceerde meetbenadering hanteert, houdt in de eerste, tweede en derde periode van twaalf maanden na de in artikel 157 genoemde datum een eigen vermogen aan dat te allen tijde gelijk is aan of hoger is dan de in de leden 2, 3 en 4 genoemde bedragen.

2.         Voor de eerste periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 95% van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden omdat deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG al bestonden vóór de in artikel 157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum.

3.         Voor de tweede periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 90% van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden omdat deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG al bestonden vóór de in artikel 157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum.

4.         Voor de derde periode van twaalf maanden als bedoeld in lid 1 komt dit bedrag aan eigen vermogen overeen met 80% van het bedrag dat de kredietinstelling ingevolge artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG minimaal aan eigen vermogen zou moeten aanhouden; met artikel 4 van Richtlijn 93/6/EEG moet rekening worden gehouden omdat deze richtlijn en Richtlijn 2000/12/EG al bestonden vóór de in artikel 157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum.

5.         Om te voldoen aan de leden 1 tot en met 4 wordt uitgegaan van bedragen aan eigen vermogen die volledig zijn aangepast, dit om rekening te houden met verschillen in de berekening van het eigen vermogen op basis van Richtlijn 2000/12/EG en op basis van Richtlijn 93/6/EEG, die al bestonden vóór de in artikel 157 van de onderhavige richtlijn genoemde datum en dus voorrang hebben op de berekeningsvoorschriften van de onderhavige richtlijn, waarin de verwachte en de niet-verwachte verliezen in het kader van de artikelen 84 tot en met 89 apart worden behandeld.

6.         Op de leden 1 tot en met 5 zijn de artikelen 68 tot en met 73 van toepassing.

7.         Tot 31 december 2007 mogen de kredietinstellingen in plaats van de artikelen van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1, over de standaardbenadering de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG toepassen, omdat deze al bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum.

8.         Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 genoemde mogelijkheid, geldt wat Richtlijn 2000/12/EG betreft het volgende:

a)       de artikelen 42 tot en met 46 van die richtlijn zijn van toepassing omdat deze al bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum;

b)      onder de term "naar risico gewogen waarde" in artikel 42, lid 1, van die richtlijn wordt verstaan: "risicogewogen post";

c)       de op basis van artikel 42, lid 2, van die richtlijn berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten;

d)      kredietderivaten worden onder "Volledig risico" opgenomen in de lijst van posten in bijlage II van die richtlijn;

e)       de in artikel 43, lid 3, van die richtlijn bedoelde methoden gelden voor alle in bijlage IV van die richtlijn genoemde afgeleide instrumenten, ongeacht of het daarbij om balansposten of om posten buiten de balanstelling gaat; de op basis van die bijlage berekende bedragen worden beschouwd als risicogewogen posten.

9.         Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid, geldt wat betreft de vorderingen waarvoor de standaardbenadering wordt gevolgd, het volgende:

a)       titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 2, over de inaanmerkingneming van kredietrisicolimitering is niet van toepassing;

b)      de bevoegde autoriteiten mogen titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 4, over de behandeling van securitisaties buiten beschouwing laten;

b)      de volgende voorschriften van bijlage XII over de verstrekking van informatie zijn niet van toepassing:

i)       deel 2, punt 4, onder b);

ii)      deel 2, punt 6;

iii)     deel 2, punt 10.

10.       Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid, wordt het kapitaalvereiste voor het operationele risico dat in artikel 75, onder e), is vastgelegd, verlaagd met een bepaald percentage, dat wordt verkregen door de waarde van de vorderingen van een kredietinstelling waarvoor op basis van deze mogelijkheid risicogewogen posten worden berekend, te delen door de totale waarde van haar vorderingen.

11.       Als een kredietinstelling gebruikmaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid en voor al haar vorderingen risicogewogen posten berekent, mogen de artikelen 48 tot en met 50 van Richtlijn 2000/12/EG over grote posities worden toegepast, omdat deze al bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum.

12.         Als gebruik wordt gemaakt van de in lid 7 geboden mogelijkheid, worden verwijzingen naar de artikelen 46 tot en met 52 van de onderhavige richtlijn gelezen als verwijzingen naar de artikelen 42 tot en met 46 van Richtlijn 2000/12/EG, omdat deze al bestonden vóór de in artikel 157 genoemde datum.

Artikel 153

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogen tot 31 december 2012 ermee akkoord gaan dat op posten die voortvloeien uit transacties inzake financieringshuur (leasing) van kantoren of andere panden voor handelsdoeleinden op hun grondgebied en die voldoen aan de criteria van bijlage VI, deel 1, punt 51, bij de berekening van risicogewogen posten een risicogewicht van 50% wordt toegepast en de punten 55 en 56 van bijlage VI, deel 1, niet in aanmerking worden genomen.

Tot 31 december 2010 mogen de bevoegde autoriteiten, als voor de toepassing van bijlage VI het gegarandeerde gedeelte van een achterstallige post moet worden bepaald, andere zekerheden in aanmerking nemen dan die welke op grond van de artikelen 90 tot en met 93 aanvaard mogen worden.

Artikel 154

1.           Artikel 84, leden 3 en 4, geldt vanaf 31 december 2009.

2.           Tot 31 december 2010 ligt het risicogewogen gemiddelde LGD van alle vorderingen op particulieren en kleine partijen waarvoor een woning in onderpand is gegeven en de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, niet onder de 10%.

3.           Tot 31 december 2017 mogen de bevoegde autoriteiten ermee akkoord gaan dat voor bepaalde posities in aandelen die op 31 december 2007 worden gehouden, wordt afgeweken van de IRB.

De desbetreffende positie wordt gemeten door het aantal aandelen op die datum te nemen en daarbij eventueel een aantal aandelen op te tellen, mits deze toename een rechtstreeks gevolg is van het bezit van deze aandelen en daarmee niet het belang in een onderneming in portefeuille is uitgebreid.

Als met een acquisitie het belang in een bepaalde onderneming toeneemt, geldt de afwijking niet voor het deel dat uitstijgt boven het oorspronkelijke belang. Evenmin geldt de afwijking voor belangen waarvoor oorspronkelijk een afwijking gold, maar die verkocht en daarna weer teruggekocht zijn.

De kapitaalvereisten voor posities in aandelen die onder deze overgangsbepaling vallen, worden berekend op basis van titel V, deel 2, afdeling 3, onderafdeling 1.

4.           Tot 31 december 2011 mogen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat voor vorderingen op ondernemingen het aantal dagen vaststellen dat verstreken moet zijn voordat er sprake is van wanbetaling; alle kredietinstellingen van de desbetreffende lidstaat hanteren in het kader van de definitie van wanbetaling in bijlage VII, deel 4, punt 44, dit aantal voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die in dit land gevestigd zijn. Dit aantal bedraagt minimaal 90 dagen en kan afhankelijk van de lokale omstandigheden oplopen tot 180 dagen. Voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die gevestigd zijn in een andere lidstaat, ligt het aantal door de bevoegde autoriteiten vastgestelde dagen niet hoger dan het door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat vastgestelde aantal.

5.           Wat de in bijlage VII, deel 4, punt 66, genoemde waarnemingsperiode betreft, mogen de lidstaten kredietinstellingen die de IRB hanteren en geen gebruik mogen maken van eigen LGD-ramingen of omrekeningsfactoren, toestemming verlenen om tot uiterlijk 31 december 2007 uit te gaan van gegevens die een periode van twee jaar omspannen. Tot 31 december 2010 wordt deze periode elk jaar met één jaar verlengd.

6.           Wat de in bijlage VII, deel 4, punten 71, 85 en 94, genoemde waarnemingsperiode betreft, mogen de lidstaten kredietinstellingen die de IRB hanteren, toestemming verlenen om tot uiterlijk 31 december 2007 uit te gaan van gegevens die een periode van twee jaar omspannen. Tot 31 december 2010 wordt deze periode elk jaar met één jaar verlengd.

Artikel 155

Tot 31 december 2012 mogen de lidstaten bij kredietinstellingen waarin de indicator voor de divisie handel en verkoop ("trading and sales") alleen al goed is voor ten minste 50% van de som van alle indicatoren die op basis van bijlage X, deel 2, punten 1 tot en met 8, voor de verschillende divisies worden berekend, een percentage van 15% toepassen op de divisie "handel en verkoop".

ê 2000/12/EG

HOOFDSTUK 2

SLOTBEPALINGEN

ò nieuw

Artikel 156

De Commissie onderzoekt in samenwerking met de lidstaten en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank op gezette tijden of de onderhavige richtlijn als zodanig in combinatie met Richtlijn [93/6/EEG] van grote invloed is op de conjuncturele cyclus, en gaat in het licht van dat onderzoek na of maatregelen om dit te verhelpen gerechtvaardigd zijn.

Op basis van deze analyse en rekening houdende met de bijdrage van de Europese Centrale Bank stelt zij om de twee jaar een verslag op, dat zo nodig vergezeld van passende voorstellen wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 157

1.         De lidstaten dragen zorg voor vaststelling en bekendmaking uiterlijk 31 december 2006 van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4, 22, 57, 61, 62, 63, 64, 66, 68 tot en met 106, 108, 110 tot en met 115, 117 tot en met 119, 123 tot en met 127, 129 tot en met 132, 133, 136, 144 tot en met 149, 152 tot en met 155 en de bijlagen II, III, en V tot en met XII. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede en zenden ook een concordantietabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn toe.

Onverminderd lid 2 passen zij die bepalingen vanaf 31 december 2006 toe.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn(en), gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

2.         De lidstaten passen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 87, lid 9, en artikel 105 vanaf 31 december 2007 (een eerdere of latere datum is niet toegestaan) toe.

ê 2000/12/EG artikel 66 (aangepast)

Artikel 66

Informatie aan de Commissie

De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van alle belangrijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen Ö van intern recht Õ die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

ê 2000/12/EG artikel 67 (aangepast)

Artikel 158

1. De Richtlijnen 73/183/EEG, 77/780/EEG, 89/299/EEG, 89/646/EEG, 89/647/EEG, 92/30/EEG en 92/121/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage Ö XV Õ V, deel A, genoemde richtlijnen, Ö wordt Õ worden ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de in bijlage Ö XV Õ V, deel B, opgenomen tijdslimieten voor de omzetting en toepassing van de richtlijnen in nationaal recht.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens het in bijlage Ö XVI Õ VI opgenomen concordantietabel.

ê 2000/12/EG artikel 68 (aangepast)

Artikel 159

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Ö Unie Õ Gemeenschappen.

ê 2000/12/EG artikel 69 (aangepast)

Artikel 160

Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op […].

                                                                       Voor het Europees Parlement

                                                                       De Voorzitter

                                                                      

                                                                       Voor de Raad

                                                                       De Voorzitter

                                                                      

ê 2000/12/EG

BIJLAGE I

LIJST VAN WERKZAAMHEDEN DIE ONDER DE WEDERZIJDSE ERKENNING VALLEN

1. In ontvangst nemen van deposito's of andere terugbetaalbare gelden

2. Verstrekken van leningen, waaronder consumptieve kredieten, hypotheekleningen, factoring (met of zonder regres), financiering van commerciële transacties (voorschotten hierbij inbegrepen)[33]

3. Leasing

4. Betalingsverrichtingen

5. Uitgifte en beheer van betaalmiddelen (creditcards, reischeques, kredietbrieven)

6. Verlenen van garanties en het stellen van borgtochten

7. Handelingen voor eigen rekening van de instelling of voor rekening van de cliënten, met betrekking tot:

a)         geldmarktinstrumenten (cheques, wissels, depositocertificaten enz.)

b)         valuta's

c)         financiële futures en opties

d)         swaps en soortgelijke financieringsinstrumenten

e)         effecten

8. Deelneming aan effectenemissies en dienstverrichting in verband daarmee

9. Advisering aan ondernemingen inzake kapitaalstructuur, bedrijfsstrategie en daarmee samenhangende aangelegenheden, alsmede advisering en dienstverrichtingen op het gebied van fusie en overname van ondernemingen

10. Bemiddeling op interbankmarkten

11. Vermogensbeheer en -advisering

12. Bewaarneming en beheer van effecten

13. Commerciële inlichtingen

14. Verhuur van safes

ê 2004/39/EG artikel 68 (aangepast)

Wanneer wordt verwezen naar de financiële instrumenten genoemd in Deel C van Bijlage I van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten[34] vallen de diensten en activiteiten genoemd in Deel A en Deel B van Bijlage I van die richtlijn onder de wederzijdse erkenning overeenkomstig die richtlijn.

ê 2000/12/EG

BIJLAGE II

ê 2000/12/EG (aangepast)

ð nieuw

INDELING VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING

Volledig risico:

– Garanties met het karakter van kredietvervangingen

– ð Kredietderivaten ï

– Accepten

– Endossementen van wissels die niet de handtekening van andere kredietinstellingen dragen

– Transacties met regres

– Onherroepelijke "stand by"-accreditieven met het karakter van kredietvervangingen

– Activa aangekocht onder overeenkomsten betreffende koop op termijn zonder rugdekking

– Deposito's in de vorm van tussenswaps ("forward forward deposits")

– Onbetaald deel van niet volgestorte aandelen en effecten

– ð°Overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa in de zin van artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn 86/635/EEG ï

– Overige posten met een volledig risico

Middelgroot risico:

– Verstrekte en geconfirmeerde documentaire kredieten (zie ook middelgroot/laag risico)

– Garanties en borgtochten (met inbegrip van inschrijvings- en uitvoeringsgaranties alsmede douane- en belastinggaranties) en garanties die niet het karakter van kredietvervangingen hebben

– Overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa in de zin van artikel 12, leden 3 en 5, van Richtlijn 86/635/EEG

– Onherroepelijke "stand by"-accreditieven die niet het karakter van kredietvervangingen hebben

– Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van meer dan een jaar

– Note issuance facilities (NIF's) en Revolving underwriting facilities (RUF's)

– Overige posten met een middelgroot risico ð waarvan de Commissie in kennis is gesteld ï

Middelgroot/laag risico:

– Documentaire kredieten met de onderliggende zendingen als zekerheid en andere zelfliquiderende transacties

– ð°Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of korter die niet te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor niet expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur ï

– Overige posten met een middelgroot/laag risico ð waarvan de Commissie in kennis is gesteld ï

Laag risico:

– Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of korter of die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd ð Niet opgenomen kredietfaciliteiten (overeenkomsten tot het verstrekken van leningen, het aankopen van effecten, het verschaffen van garanties of acceptfaciliteiten) die te allen tijde onvoorwaardelijk zonder opzegtermijn kunnen worden opgezegd of waarvoor expliciet is bepaald dat zij te allen tijde automatisch kunnen worden opgezegd op grond van de verminderde kredietwaardigheid van de debiteur ï Aan particulieren en kleine partijen toegekende kredietlijnen kunnen als onvoorwaardelijk opzegbaar worden beschouwd als de kredietinstelling deze op grond van de voorwaarden, maar wel met volledige inachtneming van hetgeen in het kader van de consumentenbeschermings- en daarmee samenhangende wetgeving is toegestaan, mag opzeggen.

– Overige posten met een laag risico ð waarvan de Commissie in kennis is gesteld ï

De lidstaten verbinden zich ertoe de Commissie onmiddellijk ervan in kennis te stellen wanneer zij ermee hebben ingestemd een nieuwe post buiten de balanstelling op te nemen in een van de laatste streepjes bij iedere risicocategorie. Deze post zal op communautair niveau definitief worden ingedeeld wanneer de procedure van artikel 59 is voltooid.

ê 2000/12/EG

BIJLAGE III

ê 2000/12/EG (aangepast)

ð nieuw

BEHANDELING VAN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING ð AFGELEIDE INSTRUMENTEN ï

1. KEUZE VAN DE METHODE

Onder voorbehoud van toestemming van hun bevoegde autoriteiten kunnen de kredietinstellingen één van de onderstaande methoden Ö in deze bijlage Õ kiezen ter bepaling van de kredietrisico's ð waarde van de posten ï die ð voortvloeien uit ï aan de in bijlage IV, punten 1 en 2, vermelde contracten verbonden zijn. Kredietinstellingen die moeten voldoen aan artikel Ö artikel 33, leden 1 en 2, Õ 6, lid 1, van Richtlijn 93/6/EEG[35], moeten de hierna uiteengezette methode 1 Ö in deze bijlage Õ gebruiken. Ter bepaling van de kredietrisico's ð waarde van de posten die voortvloeien uit ï die aan de in bijlage IV, punt 3, vermelde contracten verbonden zijn, moeten alle kredietinstellingen methode 1 Ö van deze bijlage Õ gebruiken.

ò nieuw

Op contracten die op erkende beurzen worden verhandeld, alsmede op valutacontracten (uitgezonderd contracten betreffende goudtransacties) met een oorspronkelijke looptijd van veertien kalenderdagen of minder hoeven de methoden van deze bijlage niet te worden toegepast; de waarde van de daaruit voortvloeiende posten wordt op nul gesteld.

De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat de methoden van deze bijlage niet worden toegepast op OTC-contracten en de waarde van de posten die daaruit voortvloeien op nul stellen als de contracten worden gecleard door een clearinginstelling die optreedt als de wettelijke tegenpartij, en alle deelnemers de vordering die de clearinginstelling op hen heeft, dagelijks volledig met onderpand dekken en daarmee protectie geven voor zowel de huidige vordering als de potentiële toekomstige vordering.

Het gestelde onderpand moet:

a)       in aanmerking komen voor een risicogewicht van 0%,

b)      bestaan uit deposito´s in contanten bij de leningverstrekkende instelling, dan wel

c)       bestaan uit depositocertificaten of vergelijkbare instrumenten die uitgegeven door en gedeponeerd zijn bij deze instelling.

De bevoegde autoriteiten moeten zich ervan hebben overtuigd dat er geen gevaar bestaat dat de gezamenlijke vorderingen van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het gestelde onderpand uitstijgen.

ê 2000/12/EG (aangepast)

2. METHODEN

Methode 1: benadering gebaseerd op de waardering tegen marktwaarde

Stap a):            voor het toekennen van de actuele marktwaarde aan de contracten ("market to market") wordt de actuele vervangingswaarde van alle contracten met een positieve waarde verkregen.

Stap b):            teneinde een waarde te bepalen voor de potentiële toekomstige kredietpositie[36], wordt Ö met uitzondering van op één valuta betrekking hebbende "floating floating-renteswaps" waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend Õ het totaal van de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden vermenigvuldigd met de Ö in tabel 1 genoemde Õ volgende percentages:

TABEL 1[37][38]

Resterende looptijd[39] || Rentecon-tracten || Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud || Contracten die betrekking hebben op aandelen || Contracten die betrekking hebben op andere edele metalen dan goud || Contracten die betrekking hebben op andere grondstoffen dan edele metalen

Eén jaar of korter || 0% || 1% || 6% || 7% || 10%

Eén tot vijf jaar || 0,5% || 5% || 8% || 7% || 12%

Langer dan vijf jaar || 1,5% || 7,5% || 10% || 8% || 15%

Om de potentiële toekomstige vordering volgens stap b) te berekenen, kunnen de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen tot en met 31 december 2006 toestaan dat de volgende percentages worden toegepast in plaats van die van tabel 1, op voorwaarde dat de instellingen voor contracten in de zin van bijlage IV, punt 3, onder b) en c), gebruikmaken van de mogelijkheid van Richtlijn 93/6/EEG, artikel 11 bis:

TABEL 1 bis

Resterende looptijd || Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Niet-duurzame (landbouw)pro-ducten ("softs") || Overige, inclusief energieproducten

Eén jaar of korter || 2% || 2,5% || 3% || 4%

Eén tot vijf jaar || 5% || 4% || 5% || 6%

Langer dan vijf jaar || 7,5% || 8% || 9% || 10%

ê 2000/12/EG (aangepast)

Stap c):            de som van de actuele vervangingswaarde en de potentiële toekomstige kredietpositie wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactor die in artikel 43 aan de betrokken tegenpartijen zijn toegekend. Ö is de waarde van de post. Õ

ê 2000/12/EG (aangepast)

Methode 2: benadering gebaseerd op de "oorspronkelijke vordering"

Stap a):            de theoretische hoofdsommen van ieder instrument worden vermenigvuldigd met de onderstaande Ö in tabel 2 genoemde Õ percentages:

TABEL 2

Oorspronkelijke looptijd[40] || Rentecontracten || Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud

Eén jaar of korter || 0,5% || 2%

Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar || 1% || 5%

Verhoging voor ieder jaar extra || 1% || 3%

ê 2000/12/EG (aangepast)

ð nieuw

Stap b):            de aldus verkregen oorspronkelijke vordering wordt vermenigvuldigd met de risicowegingsfactoren die in artikel 43 aan de tegenpartijen zijn toegekend. ð is de waarde van de post. ï

Voor de methoden 1 en 2 geldt dat de toezichthoudende autoriteiten ervoor moeten zorgen dat het in aanmerking te nemen theoretische bedrag een geschikte maatstaf is voor het risico dat aan het contract verbonden is. Indien bijvoorbeeld in het contract een vermenigvuldiging van de kasstromen bepaald is, moet het theoretische bedrag worden aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van het betrokken contract.

ê 2000/12/EG (aangepast)

3. CONTRACTUELE VERREKENING (SCHULDVERNIEUWINGSCONTRACTEN EN VERREKENINGSOVEREENKOMSTEN)

a) Vormen van verrekening die door de bevoegde autoriteiten in aanmerking mogen worden genomen

Voor de toepassing van dit punt 3 Ö deze afdeling Õ wordt onder "tegenpartij" verstaan: elk lichaam (met inbegrip van natuurlijke personen) dat bekwaam is een overeenkomst inzake contractuele verrekening te sluiten.

De bevoegde autoriteiten mogen de volgende vormen van contractuele verrekening als risicoverminderend in aanmerking nemen:

i)            bilaterale schuldvernieuwingscontracten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij, krachtens welke wederzijdse vorderingen en verplichtingen automatisch worden verrekend, zodat deze schuldvernieuwing telkens wanneer schuldvernieuwing van toepassing is, leidt tot de vaststelling van één nettobedrag, waardoor één rechtens bindend nieuw contract ontstaat dat in de plaats van de vroegere contracten treedt;

ii)           bilaterale verrekeningsovereenkomsten tussen een kredietinstelling en haar tegenpartij.

b) Voorwaarden voor de inaanmerkingneming

De bevoegde autoriteiten mogen contractuele verrekening slechts onder de volgende voorwaarden als risicoverminderend in aanmerking nemen:

i)            de kredietinstelling heeft een overeenkomst inzake contractuele verrekening met haar tegenpartij, waaruit één enkele juridische verplichting ontstaat die alle onder die overeenkomst vallende transacties bestrijkt, zodat als een tegenpartij ingevolge in gebreke blijven, faillissement of liquidatie, dan wel andere soortgelijke omstandigheden niet aan haar verplichtingen voldoet, de kredietinstelling slechts een vordering tot ontvangst of een verplichting tot betaling heeft van het nettobedrag van de tegen marktwaarde gewaardeerde positieve en negatieve waarden van de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties;

ii)           de kredietinstelling heeft aan de bevoegde autoriteiten schriftelijke en met redenen omklede juridische adviezen ter beschikking gesteld, volgens welke de bevoegde rechterlijke en bestuurlijke autoriteiten, in geval van een geschil, zouden oordelen dat in de onder i) beschreven gevallen de vorderingen en verplichtingen van de kredietinstelling beperkt zijn tot het nettobedrag als omschreven onder i), krachtens:

– het recht van het rechtsgebied waarin de tegenpartij haar statutaire zetel heeft en, indien het een buitenlands bijkantoor van een onderneming betreft, tevens het recht van het rechtsgebied waarin het bijkantoor is gevestigd;

– het recht dat van toepassing is op de afzonderlijke onder de overeenkomst vallende transacties;, en

– het recht dat van toepassing is op de eventuele contracten of overeenkomsten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de contractuele verrekening;

iii)          de kredietinstelling beschikt over procedures die garanderen dat de rechtsgeldigheid van de door haar verrichte contractuele verrekening voortdurend getoetst wordt aan eventuele wijzigingen in het toepasselijke recht.

De bevoegde autoriteiten moeten, indien nodig na overleg met andere betrokken bevoegde autoriteiten, ervan overtuigd zijn dat de contractuele verrekening krachtens het recht van alle betrokken rechtsgebieden rechtsgeldig is. Indien een van deze bevoegde autoriteiten te dien aanzien niet overtuigd is, zal de overeenkomst inzake contractuele verrekening voor geen van beide tegenpartijen als risicoverminderend in aanmerking worden genomen.

De bevoegde autoriteiten mogen met redenen omklede juridische adviezen aanvaarden die per type contractuele verrekening zijn opgesteld.

Overeenkomsten welke een beding bevatten op grond waarvan een niet in gebreke zijnde tegenpartij slechts beperkte betalingen of in het geheel geen betalingen aan de boedel van de in gebreke zijnde partij kan verrichten, zelfs wanneer deze laatste partij een nettocrediteur is ("afhaak"-beding ("walkaway clause")), worden niet als risicoverminderend in aanmerking genomen.

De bevoegde autoriteiten kunnen contractuele verrekening ("netting") betreffende valutacontracten met een oorspronkelijke looptijd van veertien kalenderdagen of minder, geschreven opties of soortgelijke posten buiten de belangstelling waarop deze bijlage niet van toepassing is omdat er slechts een te verwaarlozen of geen kredietrisico aan verbonden is, als risicoverminderend in aanmerking nemen. Indien de opneming van deze contracten in een ander verrekeningscontract, afhankelijk van de positieve of negatieve marktwaarde ervan, kan leiden tot een verhoging of verlaging van de kapitaalvereisten, moeten de bevoegde autoriteiten hun kredietinstellingen verplichten een consistente behandeling toe te passen.

c) Gevolgen van de inaanmerkingneming

i) Schuldvernieuwingscontracten

In plaats van de betreffende brutobedragen mogen de nettobedragen die uit schuldvernieuwingscontracten resulteren, worden gewogen. Op deze wijze kunnen bij toepassing van methode 1

– voor stap a): de actuele vervangingswaarde, en

– voor stap b): de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden

worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract. Bij toepassing van methode 2 kan voor stap a) de theoretische hoofdsom worden berekend met inachtneming van het schuldvernieuwingscontract; de percentages van tabel 2 zijn van toepassing.

ii) Overige verrekeningsovereenkomsten

Bij toepassing van methode 1

– mag voor stap a) de actuele vervangingswaarde voor contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden berekend door de actuele hypothetische nettovervangingswaarde die uit de overeenkomst resulteert in aanmerking te nemen; indien de verrekening ertoe leidt dat de kredietinstelling die de nettovervangingswaarde berekent, een nettobetalingsverplichting heeft, wordt de actuele vervangingswaarde op nul gesteld,

– mag voor stap b) het bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie, voor alle contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, worden verlaagd volgens de onderstaande vergelijking: PKRverlaagd = 0,4 * PKRbruto +0,6 * NBR * PKRbruto

waarin:

— || PKRverlaagd || = || het verlaagde bedrag van de potentiële toekomstige kredietpositie van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen

— || PKRbruto || = || de som van de bedragen van de potentiële toekomstige kredietposities van alle contracten met eenzelfde tegenpartij die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst vallen en worden berekend door de theoretische hoofdsommen ervan te vermenigvuldigen met de in tabel 1 vermelde percentages

— || NBR || = || "netto/bruto-ratio": naar keuze van de toezichthoudende autoriteiten: i)            afzonderlijke berekening: het quotiënt van de nettovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met een bepaalde tegenpartij vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder een rechtsgeldige bilaterale verrekeningsovereenkomst met dezelfde tegenpartij vallen (noemer); ofwel ii)           geaggregeerde berekening: het quotiënt van de som van de op bilaterale basis berekende nettovervangingswaarde met betrekking tot alle tegenpartijen, rekening houdend met de contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (teller), en de brutovervangingswaarde van alle contracten die onder rechtsgeldige verrekeningsovereenkomsten vallen (noemer).               Indien de lidstaten kredietinstellingen toestaan tussen de methoden te kiezen, moet de gekozen methode consistent gebruikt worden.

Voor de berekening van de potentiële toekomstige kredietpositie volgens bovenstaande formule mogen onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten. Perfect matchende contracten zijn valutatermijncontracten of soortgelijke contracten waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de kasstromen, indien de kasstromen op dezelfde datum vervallen en geheel of gedeeltelijk in dezelfde valuta luiden.

Bij toepassing van methode 2 mogen voor stap a):

– onder de verrekeningsovereenkomst vallende perfect matchende contracten worden beschouwd als één enkel contract waarvan de theoretische hoofdsom gelijk is aan de netto-opbrengsten; de theoretische hoofdsommen worden vermenigvuldigd met de in tabel 2 vermelde percentages;

– voor alle overige contracten die onder een verrekeningsovereenkomst vallen, de toe te passen percentages worden verlaagd overeenkomstig tabel 3:

TABEL 3

Oorspronkelijke looptijd[41] || Rentecontracten || Valutacontracten

Eén jaar of korter || 0,35% || 1,50%

Langer dan één jaar doch niet langer dan twee jaar || 0,75% || 3,75%

Verhoging voor ieder jaar extra || 0,75% || 2,25%

ê 2000/12/EG

BIJLAGE IV

ê 2000/12/EG (aangepast)

ð nieuw

CATEGORIEËN POSTEN BUITEN DE BALANSTELLING ð DERIVATEN ï

ê 2000/12/EG (aangepast)

1. Rentecontracten:

a)         Renteswaps die betrekking hebben op één valuta

b)         Basisswaps

c)         Rentetermijncontracten (FRA's)

d)         Rentefutures

e)         Gekochte renteopties

f)         Andere contracten van gelijke aard

2. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:

a)         Cross-currency renteswaps

b)         Valutatermijncontracten

c)         Valutafutures

d)         Gekochte valutaopties

e)         Andere contracten van gelijke aard

f)         Contracten die betrekking hebben op goud en van gelijke aard zijn als de contracten onder a) tot en met e)

3. Contracten die van gelijke aard zijn als die in punt 1, onder a) tot en met e), en punt 2, onder a) tot en met d), die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices die betrekking hebben op:

a)         aandelen

b)         edele metalen met uitzondering van goud

c)         andere grondstoffen dan edele metalen

d)         andere contracten van gelijke aard. Stap b):   teneinde een waarde te bepalen voor het potentiële toekomstige kredietrisico[42] wordt het totaal van de theoretische hoofdsommen of de onderliggende waarden vermenigvuldigd met de volgende percentages:

é

ò nieuw

BIJLAGE V TOT EN MET XII

[OMISSIS]

ò nieuw

BIJLAGE XIII

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN MET DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN OP DIE RICHTLIJNEN

(bedoeld in artikel 158)

Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

Richtlijn 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad

(alleen artikel 29, punt 1, onder a) en b), artikel 29, punt 2, artikel 29, punt 4, onder a) en b), artikel 29, punten 5 en 6, artikel 29, punt 7, onder a) en b), artikel 29, punten 8 tot en met 11)

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad

(alleen artikel 68)

Richtlijn 2004/69/EG van de Commissie van 27 april 2004 tot wijziging van Richtlijn°2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de definitie van "multilaterale ontwikkelingsbanken" betreft (Voor de EER relevante tekst)

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 85/611/EEG, 91/675/EEG, 92/49/EEG, 93/6/EEG en 94/19/EG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG, 2000/12/EG, 2001/34/EG, 2002/83/EG en 2002/87/EG met het oog op de instelling van een nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten

(alleen artikel 3)

NIET-INGETROKKEN WIJZIGINGEN

Akte van toetreding van 2003

DEEL B

TIJDSLIMIETEN VOOR OMZETTING IN NATIONAAL RECHT

(bedoeld in artikel 159)

Richtlijn || || Uiterste datum voor omzetting

Richtlijn 2000/12/EG || || -----

Richtlijn 2000/28/EG || || 27.4.2002

Richtlijn 2002/87/EG || || 11.8.2004

Richtlijn 2004/39/EG || || Nog niet bekend

Richtlijn 2004/69/EG || || 30.6.2004

Richtlijn 2004/xx/EG || || Nog niet bekend

BIJLAGE XIV

CONCORDANTIETABEL

Onderhavige richtlijn || Richtlijn 2000/12/EG || Richtlijn 2000/28/EG || Richtlijn 2001/87/EG || Richtlijn 2004/69/EG || Richtlijn 2004/xx/EG

Artikel 1 || Art. 2, leden 1 en 2 || || || ||

Artikel 2, lid 1 || Artikel 2, lid 3 Akte van Toetreding || || || ||

Artikel 2, lid 2 || Artikel 2, lid 4 || || || ||

Artikel 3 || Artikel 2, leden 5 en 6 || || || ||

Artikel 3, lid 1, laatste zin || || || || || Artikel 3, punt 2

Artikel 4.1, lid 1 || Artikel 1, lid 1 || || || ||

Artikel 4.1, leden 2, tot en met 5 || || Artikel 1, leden 2 tot en met 5 || || ||

Artikel 4.1, leden 7 tot en met 9 || || Artikel 1, leden 6 tot en met 8 || || ||

Artikel 4.1, lid 10 || || || Artikel 29, punt 1, onder a) || ||

Artikel 4.1, leden 11 tot en met 14 || Artikel 1, leden 10, 12 en 13 || || || ||

Artikel 4.1, leden 21 en 22 || || || Artikel 29, punt 1, onder b) || ||

Artikel 4.1, lid 23 || Artikel 1, lid 23 || || || ||

Artikel 4.1, leden 45 tot en met 47 || Artikel 1, leden 25 tot en met 27 || || || ||

Artikel 4.2 || Artikel 1, lid 1, tweede alinea || || || ||

Artikel 5 || Artikel 3 || || || ||

Artikel 6 || Artikel 4 || || || ||

Artikel 7 || Artikel 8 || || || ||

Artikel 8 || Artikel 9 || || || ||

Artikel 9, lid 1 || Artikel 5, lid 1, en 1, lid 11 || || || ||

Artikel 9, lid 2 || Artikel 5, lid 2 || || || ||

Artikel 10 || Artikel 5, leden 3 tot en met 7 || || || ||

Artikel 11 || Artikel 6 || || || ||

Artikel 12 || Artikel 7 || || || ||

Artikel 13 || Artikel 10 || || || ||

Artikel 14 || Artikel 11 || || || ||

Artikel 15, lid 1 || Artikel 12 || || || ||

Artikel 15, leden 2 en 3 || || || Artikel 29, punt 2 || ||

Artikel 16 || Artikel 13 || || || ||

Artikel 17 || Artikel 14 || || || ||

Artikel 18 || Artikel 15 || || || ||

Artikel 19, lid 1 || Artikel 16, lid 1 || || || ||

Artikel 19, lid 2 || || || Artikel 29, punt 3 || ||

Artikel 20 || Art. 16, lid 3 || || || ||

Artikel 21 || Artikel 16, leden 4 tot en met 6 || || || ||

Artikel 22 || Artikel 17 || || || ||

Artikel 23 || Artikel 18 || || || ||

Artikel 24, lid 1 || Artikel 19 leden 1 tot en met 3 || || || ||

Artikel 24, lid 2 || Artikel 19 lid 6 || || || ||

Artikel 24, lid 3 || Artikel 19, lid 4 || || || ||

Artikel 25, leden 1 tot en met 3 || Artikel 20, leden 1 tot en met 3, eerste en tweede alinea || || || ||

Artikel 25, lid 3 || Artikel 19, lid 5 || || || ||

Artikel 25, lid 4 || Artikel 20, lid 3, derde alinea || || || ||

Artikel 26 || Artikel 20, leden 4 tot en met 7 || || || ||

Artikel 27 || Artikel 1, lid 3, laatste zin || || || ||

Artikel 28 || Artikel 21 || || || ||

Artikel 29 || Artikel 22 || || || ||

Artikel 30 || Art. 22, leden 2 tot en met 4 || || || ||

Artikel 31 || Artikel 22, lid 5 || || || ||

Artikel 32 || Artikel 22, lid 6 || || || ||

Artikel 33 || Artikel 22, lid 7 || || || ||

Artikel 34 || Artikel 22, lid 8 || || || ||

Artikel 35 || Artikel 22, lid 9 || || || ||

Artikel 36 || Artikel 22, lid 10 || || || ||

Artikel 37 || Artikel 22, lid 11 || || || ||

Artikel 38 || Artikel 24 || || || ||

Artikel 39, leden 1 en 2 || Artikel 25 || || || ||

Artikel 39, lid 2 || || || || || Artikel 3, punt 8

Artikel 40 || Artikel 26 || || || ||

Artikel 41 || Artikel 27 || || || ||

Artikel 42 || Artikel 28 || || || ||

Artikel 43 || Artikel 29 || || || ||

Artikel 44 || Artikel 30, leden 1 tot en met 3 || || || ||

Artikel 45 || Artikel 30, lid 4 || || || ||

Artikel 46 || Artikel 30, lid 3 || || || ||

Artikel 47 || Artikel 30, lid 5 || || || ||

Artikel 48 || Artikel 30, leden 6 en 7 || || || ||

Artikel 49 || Artikel 30, lid 8 || || || ||

Artikel 50 || Artikel 30, lid 9, eerste en tweede alinea || || || ||

Artikel 51 || Artikel 30, lid 9, derde alinea || || || ||

Artikel 52 || Artikel 30, lid 10 || || || ||

Artikel 53 || Artikel 31 || || || ||

Artikel 54 || Artikel 32 || || || ||

Artikel 55 || Artikel 33 || || || ||

Artikel 56 || Artikel 34, lid 1 || || || ||

Artikel 57 || Artikel 34, lid 2, eerste alinea Artikel 34, lid 1, punt 2, laatste zin || || Artikel 29, punt 4, onder a) || ||

Artikel 58 || || || Artikel 29, punt 4, onder b) || ||

Artikel 59 || || || Artikel 29, punt 4, onder b) || ||

Artikel 60 || || || Artikel 29, punt 4, onder b) || ||

Artikel 61 || Artikel 34, leden 3 en 4 || || || ||

Artikel 63 || Artikel 35 || || || ||

Artikel 64 || Artikel 36 || || || ||

Artikel 65 || Artikel 37 || || || ||

Artikel 66, leden 1 en 2 || Artikel 38, leden 1 en 2 || || || ||

Artikel 67 || Artikel 39 || || || ||

Artikel 73 || Artikel 52, lid 3 || || || ||

Artikel 106 || Artikel 1, lid 24 || || || ||

Artikel 107 || Artikel 1, lid 1, derde alinea || || || ||

Artikel 108 || Artikel 48, lid 1 || || || ||

Artikel 109 || Artikel 48, lid 4, eerste alinea || || || ||

Artikel 110 || Artikel 48, leden 2 tot en met 4, tweede alinea || || || ||

Artikel 111 || Artikel 49, leden 1 tot en met 5 || || || ||

Artikel 113, leden 1 tot en met 3 || Artikel 49, leden 4, 6 en 7 || || || ||

Artikel 115, leden 1 en 2 || Artikel 49, leden 8 en 9 || || || ||

Artikel 116 || Artikel 49, lid 10 || || || ||

Artikel 117 || Artikel 49, lid 11 || || || ||

Artikel 118 || Artikel 50 || || || ||

Artikel 120 || Artikel 51, leden 1, 2 en 5 || || || ||

Artikel 121 || Artikel 51, lid 4 || || || ||

Artikel 122, leden 1 en 2 || Artikel 51, lid 6 || || Artikel 29, lid 5 || ||

Artikel 125 || Artikel 53, leden 1 en 2 || || || ||

Artikel 126 || Artikel 53, lid 3 || || || ||

Artikel 128 || Artikel 53, lid 5 || || || ||

Artikel 133, lid 1 || Artikel 54, lid 1 || || Artikel 29, lid 7, onder a) || ||

Artikel 133, leden 2 en 3 || Artikel 54, leden 2 en 3 || || || ||

Artikel 134, lid 1 || Artikel 54, lid 4, eerste alinea || || || ||

Artikel134, lid 2 || Artikel 54, lid 4, tweede alinea || || || ||

Artikel 135 || || || Artikel 29, lid 8 || ||

Artikel 137 || Artikel 55, leden 1 en 2 || || || ||

Artikel 138 || || || Art. 29, lid 9 || ||

Artikel 139 || Artikel 56, leden 1 tot en met 3 || || || ||

Artikel 140 || Artikel 56, leden 4 tot en met 6 || || || ||

Artikel 141 || Artikel 56, lid 7 || || Artikel 29, lid 10 || ||

Artikel 142 || Artikel 56, lid 8 || || || ||

Artikel 143 || || || Artikel 29, lid 11 || || Artikel 3, punt 10

Artikel 150 || Artikel 60, lid 1 || || || ||

Artikel 151 || Artikel 60, lid 2 || || || || Artikel 3, punt 10

Artikel 158 || Artikel 67 || || || ||

Artikel 159 || Artikel 68 || || || ||

Artikel 160 || Artikel 69 || || || ||

Bijlage I || Bijlage I || || || ||

Bijlage I, laatste zin || || || || Artikel 68 ||

Bijlage II || Bijlage II || || || ||

Bijlage III || Bijlage III || || || ||

Bijlage IV || Bijlage IV || || || ||

[1]               Het Bazelse Comité voor het bankentoezicht is opgericht door de presidenten van de centrale banken van de landen van de Groep van Tien (G-10). Het bestaat uit vertegenwoordigers van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bedrijfseconomische toezicht op banken uit de volgende landen: België, Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, Luxemburg, Nederland, Spanje, Zweden, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Evenals de Europese Centrale Bank neemt de Europese Commissie als waarnemer deel aan de vergaderingen van het comité.

[2]               Hoewel dit door de autoriteiten van de G-10 van geïndustrialiseerde landen gesloten akkoord uit 1988 formeel bedoeld was voor internationaal opererende banken, is het in gehele wereld toegepast op alle banken, ongeacht de omvang of complexiteit van de werkzaamheden ervan.

[3]               PB S 167 van 29.8.2002.

[4]               Beschikbaar op de website van de Commissie: http://europa.eu.int/comm/internal_market/regcapital/index_en.htm.

[5]               PB C 157 van 25.5.1998, blz. 13 Ö […] Õ .

[6]               Advies van het Europees Parlement van 18 januari 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad) Ö […] Õ en besluit van de Raad van 13 maart 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad) Ö […] Õ.

[7]               PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[8]               PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[9]               PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[10]             PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[11]             PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[12]             PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[13]             PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toedredingsakte van 2003.

[14]             PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/xx/EG (PB L […]).

[15]             PB L 3 van 7.1.2004, blz. 28.

[16]             PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1.

[17]             PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/51/EG (PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16).

[18]             PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

[19]             Ö PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Õ

[20]             PB L 275 van 27.10.2000, blz. 39.

[21]             PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1.

[22]             PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.

[23]             PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

[24]             Richtlijn 88/627/EEG van de Raad van 12 december 1988 betreffende de gegevens die moeten worden gepubliceerd bij verwerving en bij overdracht van een belangrijke deelneming in een ter beurze genoteerde vennootschap (PB L 348 van 17.12.1988, blz. 62).

[25]             PB L 184 van 6.7.2001, blz. 1.

[26]             PB L 126 van 12.5.1984, blz. 20.

[27]             PB L 222 van 14.8.1978. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/60/EG (PB L 162 van 26.6.1999, blz. 65).

[28]             PB L 375 van 31.12.1985. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 95/26/EG (PB L 168 van 18.7.1995, blz. 7).

[29]             Ö PB L 228 van 16.8.1973, blz. 3. Õ

[30]             Ö PB L 63 van 13.3.1979, blz. 1. Õ

[31]             PB L 330 van 5.12.1998, blz. 1.

[32]             Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/9/EG (PB L 84 van 26.03.1997, blz. 22).

[33]             Hierbij met name inbegrepen: consumptieve kredieten, hypotheekleningen, factoring, met of zonder regres, financiering van commerciële transacties (voorschotten hierbij inbegrepen).

[34]             PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

[35]             Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1). Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 98/33/EG (PB L 204 van 21.7.1998, blz. 29).

[36]             Met uitzondering van op één valuta betrekking hebbende «floating floating-renteswaps» waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend.

[37]             Contracten die niet tot een van de in de tabel vermelde vijf categorieën behoren, moeten worden behandeld als contracten die betrekking hebben op andere goederen dan edele metalen.

[38]             Voor contracten waarbij de hoofdsom meer dan eens wordt betaald, moeten de percentages worden vermenigvuldigd met het resterende aantal betalingen dat volgens het contract nog moet worden verricht.

[39]             Voor contracten die gestructureerd zijn om na gespecificeerde betalingsdata de risicopositie af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van het contract op deze gespecificeerde data nihil is, is de resterende looptijd gelijk aan de periode tot de volgende herzieningsdatum. In het geval van rentecontracten die aan deze criteria voldoen en een resterende looptijd van meer dan één jaar hebben, mag het percentage niet lager zijn dan 0,5%.

[40]             In het geval van rentecontracten kunnen kredietinstellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen.

[41]             In het geval van rentecontracten kunnen kredietinstellingen, behoudens goedkeuring van de bevoegde autoriteiten, voor de oorspronkelijke of voor de resterende looptijd kiezen.

[42]             Met uitzondering van op één valuta betrekking hebbende «floating floating-renteswaps» waarvoor alleen de vervangingskosten worden berekend.

NL

|| COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 14.7.2004

COM(2004) 486 definitief

2004/0155 (COD) 2004/0159 (COD) Deel II

 

Voorstel voor

RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

waarbij Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen worden herschikt

(ingediend door de Commissie) {SEC(2004) 921}

ê 93/6/EEG (aangepast)

2004/0159 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN Ö HET EUROPEES PARLEMENT EN Õ DE RAAD

inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

(herschikking)

Ö HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Õ

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57 Ö 47 Õ , lid 2, eerste en derde zin,

Gezien het voorstel van de Commissie[1]

In samenwerking met het Europees Parlement[2],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[3]

Ö Gezien het advies van het Comité van de regio’s[4], Õ

Ö Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[5], Õ

Overwegende hetgeen volgt:

ò nieuw

(1) Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen[6] is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan;

ê 93/6/EEG overweging 1 (aangepast)

(2) Overwegende dat het hoofddoel Ö Een van de doelstellingen Õ van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten[7] Ö 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad[8] en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad[9] Õ is, beleggingsondernemingen waaraan door de bevoegde autoriteiten van hun lid-staat van herkomst vergunning is verleend en waarop door deze autoriteiten toezicht wordt gehouden, toe te staan in andere lidstaten bijkantoren te vestigen en daar vrij diensten te verrichten;. dat Genoemde richtlijn voorziet derhalve in coördinatie van de regels betreffende de vergunningverlening aan en de bedrijfsvoering van beleggingsondernemingen;.

ê 93/6/EEG overweging 2 (aangepast)

(3) Overwegende dat iIn genoemde richtlijn worden echter geen gemeenschappelijke voorschriften voor het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en evenmin bedragen voor het aanvangskapitaal van dergelijke ondernemingen worden vastgesteld;, Ö noch Õ dat zij ook geen gemeenschappelijk kader biedt voor de bewaking van de risico's die deze ondernemingen lopen;. dat zij wel, in verscheidene bepalingen, naar een ander communautair initiatief verwijst, dat juist strekt tot het nemen van gecoördineerde maatregelen op deze gebieden;

ê 93/6/EEG overweging 3 (aangepast)

(4) Overwegende dat de gevolgde benadering erin bestaat Ö Het is dienstig Õ alleen de essentiële harmonisatie tot stand te brengen welke noodzakelijk en voldoende is om de wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht tot stand te brengen;. dat het nemen van Ö Om wederzijdse erkenning in het kader van de interne financiële markt te bereiken, moeten Õ maatregelen Ö worden genomen Õ tot coördinatie van de definitie van het eigen vermogen van beleggingsondernemingen, de vaststelling van de bedragen van het aanvangskapitaal en van een gemeenschappelijk kader voor de bewaking van de risico's die beleggingsondernemingen lopen, essentiële punten vormen van de harmonisatie die nodig is voor het bereiken van wederzijdse erkenning in het kader van de interne financiële markt;.

ò nieuw

(5) Aangezien het doel van het voorgenomen optreden niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat in artikel 5 van het Verdrag is neergelegd. Overeenkomstig het in dat artikel vervatte proportionaliteitsbeginsel, beperkt deze richtlijn zich tot het minimum dat vereist is om de doelstellingen te verwezenlijken en gaat zij niet verder dan wat daartoe strikt noodzakelijk is.

ê 93/6/EEG overweging 4

(6) Overwegende dat hHet is passend is voor het aanvangskapitaal verschillende bedragen vast te stellen naar gelang van de werkzaamheden waarvoor beleggingsondernemingen vergunning hebben verkregen;.

ê 93/6/EEG overweging 5 (aangepast)

(7) Overwegende dat rReeds bestaande beleggingsondernemingen moet onder bepaalde voorwaarden moet worden toegestaan hun bedrijf voort te zetten, ook indien zij niet aan het voor nieuwe Ö beleggings Õondernemingen vastgestelde minimumvereiste inzake aanvangskapitaal voldoen;.

ê 93/6/EEG overweging 6 (aangepast)

(8) Overwegende dat dDe lidstaten Ö moet worden toegestaan Õ ook stringentere regels dan die van deze richtlijn mogen vast te stellen;.

ê 93/6/EEG overweging 7 (aangepast)

Overwegende dat deze richtlijn deel uitmaakt van het bredere internationale streven naar onderlinge aanpassing van de geldende regels met betrekking tot het toezicht op beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (hierna te zamen instellingen te noemen);

ò nieuw

(9) De harmonische werking van de interne markt vereist, naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en aanzienlijk grotere convergentie van hun regelgevende en toezichthoudende praktijk.

ê 93/6/EEG overweging 8 (aangepast)

Overwegende dat gemeenschappelijke basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van instellingen een centraal element vormen van de interne markt in de sector beleggingsdiensten, omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit van de instellingen te waarborgen en de beleggers te beschermen;

ò nieuw

(10) Aangezien beleggingsondernemingen wat hun handelsportefeuille betreft dezelfde risico’s lopen als kredietinstellingen, dienen de relevante bepalingen van Richtlijn 2000/12/EG ook op beleggingsondernemingen van toepassing te zijn.

ê 93/6/EEG overweging 9 (aangepast)

ð nieuw

(11)             Overwegende dat de instellingen op een gemeenschappelijke financiële markt, ongeacht of dit ð Het eigen vermogen van ï beleggingsondernemingen of kredietinstellingen, ð (hierna tezamen instellingen te noemen), kan dienen tot dekking van verliezen waartegenover geen te verwachten winst van voldoende omvang staat om de continuïteit van de instellingen te waarborgen en de beleggers te beschermen. Het eigen vermogen wordt tevens door de bevoegde autoriteiten als een belangrijke maatstaf aangelegd, inzonderheid voor de beoordeling van de solvabiliteit van kredietinstellingen en voor andere toezichtsdoeleinden. Bovendien concurreren instellingen, ongeacht of dit beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zijn, op een gemeenschappelijke markt rechtstreeks met elkaar. Het is derhalve passend om, teneinde het financieel systeem van de Gemeenschap sterker te maken en verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen, gemeenschappelijke basisvoorschriften inzake het eigen vermogen vast te stellen. ï

ê 93/6/EEG overweging 10 (aangepast)

Overwegende dat het daarom wenselijk is tot een gelijke behandeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te komen;

ò nieuw

(12) Daartoe dient de eigenvermogensdefinitie van Richtlijn 2000/12/EG als basis te worden genomen en te worden voorzien in aanvullende specifieke voorschriften om rekening te houden met de verschillende draagwijdte van de kapitaalvereisten ter dekking van marktrisico’s.

ê 93/6/EEG overweging 11 (aangepast)

(13) Overwegende dat er, wWat kredietinstellingen betreft, zijn reeds gemeenschappelijke voorschriften voor het toezicht op en de bewaking van Ö verschillende soorten Õ kredietrisico's zijn vastgesteld in Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsrisico voor kredietinstellingen[10]Ö Richtlijn 2000/12/EG Õ;.

ò nieuw

(14) De bepalingen met betrekking tot de minimumkapitaalvereisten moeten derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op instellingen.

ê 93/6/EEG overweging 12

(15) Overwegende dat hHet is noodzakelijk is gemeenschappelijke voorschriften met betrekking tot de door kredietinstellingen gelopen marktrisico's te ontwikkelen en een aanvullend kader te bieden voor het toezicht op de risico's die instellingen lopen, inzonderheid de marktrisico's en, meer in het bijzonder, positie-, afwikkelings/tegenpartij- en valutarisico's;.

ê 93/6/EEG overweging 13 (aangepast)

(16) Overwegende dat hHet is noodzakelijk is Ö te voorzien in Õ het begrip "handelsportefeuille" in te voeren, dat posities in effecten en andere financiële elementen omvat die worden aagehouden voor handelsdoeleinden en die hoofdzakelijk aan marktrisico’s zijn onderworpen, alsmede risicoposites in verband met bepaalde voor cliënten verrichte financiële diensten;.

ê 93/6/EEG overweging 14 (aangepast)

(17) Overwegende dat het wenselijk is dat Ö Om de administratieve last te beperken voor Õ instellingen met zowel in absolute als in relatieve zin te verwaarlozen handelsportefeuilleactiviteitenÖ , moet die instellingen worden toegestaan Õ Richtlijn 89/647/EEG Ö [2000/12/EG] Õ kunnen toe te passen in plaats van de vereisten van de bijlagen I en II van de onderhavige richtlijn;.

ê 93/6/EEG overweging 15 (aangepast)

(18) Overwegende dat hHet is belangrijk is bij het toezicht op het leverings/afwikkelingsrisico rekening te houden met het bestaan van stelsels die goede bescherming bieden waardoor dat risico beperkt wordt;.

ê 93/6/EEG overweging 16 (aangepast)

(19) Overwegende dat dDe instellingen Ö dienen Õ in elk geval aan de bepalingen van deze richtlijn moeten Ö te Õ voldoen voor wat betreft de dekking van hun valutarisico met betrekking tot hun gehele bedrijf;. dat lLagere kapitaalvereisten dienen te gelden voor posities in nauw gecorreleerde valuta's, mits de correlatie bevestigd is door statistische gegevens dan wel volgt uit bindende overeenkomsten tussen Staten, inzonderheid in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de Europese Monetaire Unie;.

ê 93/6/EEG overweging 17 (aangepast)

(20) Overwegende dat hHet bestaan, bij alle instellingen, van interne stelsels voor bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot hun Ö het Õ gehele bedrijf Ö van de instellingen is Õ een bijzonder belangrijk middel is om dat risico te beperken;. dat dDergelijke stelsels Ö dienen Õ derhalve aan toetsing door de bevoegde autoriteiten moeten Ö te Õ zijn onderworpen;.

ê 93/6/EEG overweging 18 (aangepast)

(21) Overwegende dat Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21 december 1992 betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen[11] niet strekt tot het vaststellen van Ö Aangezien bij Richtlijn [2000/12/EG] geen Õ gemeenschappelijke regels Ö zijn vastgesteld Õ voor het toezicht op grote risico's in verband met activiteiten die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn;, is het passend te voorzien in dergelijke regels; dat in die richtlijn wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat erop gericht is de vereiste coördinatie van de methoden op dat gebied tot stand te brengen;.

ê 93/6/EEG overweging 19 (aangepast)

Overwegende dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke regels voor toezicht op en beheersing van grote risico's van beleggingsondernemingen vast te stellen;

ò nieuw

(22) Het operationeel risico is voor de instellingen een wezenlijk risico, waarvoor een dekking met eigen vermogen vereist is. Het is essentieel om door middel van verschillende benaderingswijzen rekening te houden met de diversiteit van de instellingen in de EU.

ê 93/6/EEG overwegingen 20 tot en met 22 (aangepast)

Overwegende dat voor kredietinstellingen het eigen vermogen reeds is gedefinieerd in Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen[12];

Overwegende dat voor de definitie van het eigen vermogen van instellingen uitgegaan moet worden van die definitie;

dat voor de toepassing van de onderhavige richtlijn echter van de definitie van genoemde richtlijn kan worden afgeweken, ten einde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de werkzaamheden van deze instellingen die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn;

ê 93/6/EEG overweging 23 (aangepast)

(23) Overwegende dat in Richltijn 92/30/EEG van de Raad van 6 april 1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis[13] Ö In Richtlijn [2000/12/EG] Õ wordt het consolidatiebeginsel wordt geponeerd;. dat dDie richtlijn behelst geen gemeenschappelijke regels behelst voor de consolidatie van financiële instellingen met werkzaamheden die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn;. dat in die richtlijn wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat gericht is op de vaststelling van gecoördineerde maatregelen op dat gebied;

ò nieuw

(24) Om een toereikende solvabiliteit van de instellingen binnen een groep te garanderen, is het van essentieel belang dat het vereiste minimumkapitaal wordt vastgesteld uitgaande van de geconsolideerde financiële situatie van de groep. Om te waarborgen dat het eigen vermogen adequaat is verdeeld binnen de groep en beschikbaar is om de beleggingen op de juiste plaats te beschermen, moeten de minimumkapitaalvereisten worden toegepast op de afzonderlijke instellingen binnen een groep, tenzij dat doel effectief op een andere wijze kan worden bereikt.

ê 93/6/EEG overweging 24 (aangepast)

(25) Overwegende dat Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ is niet van toepassing is op groepen die (een) beleggingsonderneming(en) maar geen kredietinstelling(en) omvatten;. dat het evenwel wenselijk werd geacht Ö Daarom dient Õ een gemeenschappelijk kader te worden geschapen scheppen voor de invoering van toezicht op beleggingsondernemingen op geconsolideerde basis;.

ò nieuw

(26) De instellingen zorgen ervoor te beschikken over intern kapitaal dat in verhouding tot de daadwerkelijke of potentiële risico’s die zij lopen, kwantitatief, kwalitatief en qua verdeling toereikend is. Zij dienen bijgevolg strategieën en processen in te stellen om de toereikendheid van hun intern kapitaal te beoordelen en in stand te houden.

(27) De bevoegde autoriteiten evalueren de toereikendheid van het eigen vermogen van de instellingen rekening houdende met de risico’s waaraan deze zijn blootgesteld.

(28) Voor een doeltreffende werking van de interne markt is een aanzienlijk grotere convergentie inzake de tenuitvoerlegging en de toepassing van de geharmoniseerde wettelijke Gemeenschapsbepalingen noodzakelijk.

(29) Om dezelfde reden, alsook om te voorkomen dat instellingen uit de Gemeenschap die in meer dan één lidstaat werkzaam zijn buitensporige lasten moeten dragen doordat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verantwoordelijk blijven voor vergunningverlening en toezicht, is het noodzakelijk de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten aanzienlijk te verbeteren. De rol van de toezichthouder op geconsolideerde basis dient in dit verband te worden versterkt.

(30) Om de interne markt steeds doeltreffender en op een voor de burgers van de Gemeenschap voldoende doorzichtige manier te laten werken, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten openbaar maken hoe aan de voorschriften van deze richtlijn wordt voldaan, en wel op zodanige wijze dat betekenisvolle vergelijkingen mogelijk zijn.

(31) Om de marktdiscipline te vergroten en de instellingen ertoe aan te sporen hun marktstrategie, risicobeheersing en interne managementorganisatie te verbeteren, dient te worden bepaald dat de instellingen de nodige publieke bekendmakingen doen.

ê 93/6/EEG overweging 25 (aangepast)

ð nieuw

(32) Overwegende dat technische aanpassingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn van tijd tot tijd noodzakelijk kunnen zijn om met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van beleggingsdiensten rekening te houden; dat de Commissie in voorkomend geval de nodige wijzigingen zal voorstellen ð De voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[14].ï;

ê 93/6/EEG overweging 26 (aangepast)

Overwegende dat de Raad in een latere fase bepalingen dient aan te nemen voor de aanpassing van deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek, overeenkomstig Besluit 87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden[15]; dat de Raad in afwachting daarvan zelf of op voorstel van de Commissie dergelijke aanpassingen dient te verrichten;

ê 93/6/EEG overweging 27

Overwegende dat uiterlijk drie jaar na de datum van toepassing moet worden voorzien in een heronderzoek van deze richtlijn, in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkelingen op de financiële markten en de werkzaamheden in internationale forums van regulerende autoriteiten; dat bij dat heronderzoek ook herziening van de lijst van onderwerpen die voor technische aanpassing in aanmerking komen, aan de orde moet komen;

ê 93/6/EEG overweging 28

Overwegende dat deze richtlijn en Richtlijn 93/22/EEG zo nauw bij elkaar aansluiten dat het van kracht worden van beide richtlijnen op verschillende data zou kunnen leiden tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden,

ò nieuw

(33) Om verstoring van de markten te voorkomen en de continuïteit van de eigenvermogensniveaus te garanderen, dient te worden voorzien in specifieke overgangsregelingen.

(34) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en strookt met de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht.

(35) De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(36) Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten.

ê 93/6/EEG (aangepast)

HEEFT HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Ö HOOFDSTUK I Õ

ÖOnderwerp, toepassingsgebied en definities Õ

Ö Afdeling 1 Õ

ÖOnderwerp en toepassingsgebied Õ

ê 93/6/EEG (aangepast)

Artikel 1

1.         ÖIn deze richtlijn worden de inzake de toereikendheid van het kapitaal aan beleggingsondernemingen en kredietinstellingen opgelegde vereisten, de wijze van berekening daarvan en de voorschriften voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop vastgesteld. Õ De Llid-Sstaten passen de vereisten van deze richtlijn toe op beleggingsondernemingen en op kredietinstellingen als omschreven in artikel 2.

2.         De Llid-Sstaten mogen aan de beleggingsondernemingen en kredietinstellingen waaraan zij vergunning hebben verleend, nadere of strengere eisen stellen.

ò nieuw

Artikel 2

1.         Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 18, 20, 28 tot en met 32, 34 en 39 van deze richtlijn, zijn de artikelen 68 tot en met 73 van Richtlijn [2000/12/EG] van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen.

Voorts zijn de artikelen 71, 72 en 73 van Richtlijn [2000/12/EG] van toepassing wanneer:

a)      een beleggingsonderneming een moederkredietinstelling in een lidstaat als moederonderneming heeft;

b)      een kredietinstelling een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat als moederonderneming heeft.

Wanneer een financiële holding een kredietinstelling en een beleggingsonderneming als dochterondernemingen heeft, gelden de eisen op basis van de geconsolideerde financiële situatie van de financiële holding voor de kredietinstelling.

ê 93/6/EEG artikel 7, leden 1 en 2 (aangepast)

Artikel 7

Algemene beginselen

1.         De in de artikelen 4 en 5 bedoelde kapitaalvereisten voor instellingen die noch moederondernemingen, noch dochterondernemingen van moederondernemingen zijn, worden toegepast op niet-geconsolideerde basis.

2.         De in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten voor:

– instellingen met een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 92/30/EEG, een beleggingsonderneming of een andere financiële instelling als dochteronderneming, of met een deelneming in een dergelijk lichaam, en

– instellingen waarvan de moederonderneming een financiële holding is,

worden toegepast op geconsolideerde basis overeenkomstig de methoden van genoemde richtlijn en de leden 7 tot en met 14 van de onderhavige richtlijn.

ê 93/6/EEG artikel 7, lid 3 (aangepast)

è1 2004/xx/EG artikel 1

ð nieuw

2.         Wanneer een groep die onder lid 2 Ö lid 1 Õ valt geen kredietinstelling omvat, is Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ van toepassing, met Ö inachtneming van het Õ de volgende aanpassingen:

– een «financiële holding» is een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, van welke er ten minste één een beleggingsonderneming is, en die geen gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat[16] is;

– een «gemengde holding» is een moederonderneming die geen financiële holding, beleggingsonderneming of gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt;

– -         «bevoegde autoriteiten» zijn de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om op beleggingsondernemingen toezicht uit te oefenen;

– artikel 3, lid 5, tweede alinea, van Richtlijn 92/30/EEG is niet van toepassing;

ða)   alle verwijzingen naar «kredietinstellingen» worden vervangen door verwijzingen naar «beleggingsondernemingen»; ï

b)      in artikel 4 Ö 125 Õ, leden 1 en 2, en artikel 7 Ö 140, lid 2, Õ, lid 5, van Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ wordt elke verwijzing Ö gelden alle verwijzingen Õ naar Ö andere artikelen van Õ Richtlijn 77/780/EEG Ö [2000/12/EG] Õ vervangen door een verwijzing Ö als verwijzingen Õ naar Richtlijn 93/22/EEG Ö 2004/39/EG Õ;

c)      voor de toepassing van artikel 3, leden 9 en 8, Ö 39, lid 3, Õ van Richtlijn 92/30/EEG Ö [2000/12/EG] Õ worden Ö gelden Õ de verwijzingen naar het è1 Europees Comité voor het bankwezen ç vervangen door Ö als Õ verwijzingen naar de Raad en de Commissie;

d)      Öin afwijking van het bepaalde in artikel 140, lid 1, van Richtlijn [2000/12/EG] wordt, wanneer een groep geen kredietinstelling omvat, Õ de eerste zin van Ö dat Õ artikel 7 wordt als volgt gelezen: «Indien een beleggingsonderneming, een financiële holding of een gemengde holding zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen die verzekeringsondernemingen zijn, werken de bevoegde autoriteiten nauw samen met de autoriteiten die van overheidswege belast zijn met het toezicht op verzekeringsondernemingen.».

ê 93/6/EEG artikel 7, lid 4

4. De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis op onder lid 3 vallende groepen, kunnen, in afwachting van verdere coördinatie van het geconsolideerde toezicht op dergelijke groepen en indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, ontheffing van deze verplichting verlenen, mits elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep:

i)            de in punt 9 van bijlage V gegeven definitie van het eigen vermogen toepast;

ii)           op niet-geconsolideerde basis voldoet aan de kapitaalvereisten van de artikelen 4 en 5;

iii)          systemen invoert voor bewaking en beheersing van de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle andere financiële instellingen binnen de groep.

ê 93/6/EEG artikel 7, leden 5 en 6 (aangepast)

5. De bevoegde autoriteiten verlangen dat beleggingsondernemingen in een groep waarvoor de in lid 4 bedoelde ontheffing geldt, hen in kennis stellen van de risico's, met inbegrip van die welke samenhangen met de samenstelling en de bronnen van eigen en vreemd vermogen, die de financiële positie van deze ondernemingen in gevaar kunnen brengen. Indien de bevoegde autoriteiten dan van oordeel zijn dat de financiële positie van deze beleggingsondernemingen onvoldoende beschermd is, verlangen zij dat deze ondernemingen maatregelen treffen, zo nodig met inbegrip van beperkingen van de overdracht van kapitaal van deze ondernemingen naar de lichamen binnen de groep.

6. Wanneer de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig lid 4, moeten zij andere passende maatregelen nemen voor het toezicht op de risico's, met name grote risico's, van de gehele groep, met inbegrip van die ondernemingen die niet in een van de Lid-Staten zijn gevestigd.

ê 93/6/EEG (aangepast)

ÖAfdeling 2 Õ

DEFINITIES

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 1 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 3

1.         ð Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities: ï

a)1.   «kredietinstellingen»: Ö kredietinstellingen als omschreven in artikel 4, lid 1, van Richtlijn [2000/12/EG]; Õ alle instellingen die voldoen aan de definitie in artikel 1, eerste streepje, van de eerste Richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[17], waarop de vereisten uit hoofde van Richtlijn 89/647/EEG van toepassing zijn;

ê2004/39/EG artikel 67, punt 2 (aangepast)

ð nieuw

b)      «beleggingsondernemingen»: alle instellingen Ö als omschreven Õ die voldoen aan de definitie Ö in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG Õ van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, en waarop de vereisten uit hoofde van diezelfde richtlijn van toepassing zijn, met uitzondering van:

a)i)    kredietinstellingen,

b)ii)   plaatselijke ondernemingen als omschreven Ö in lid 1, onder p), van dit artikel Õ in punt 20, en

c)iii)  ondernemingen die uitsluitend alleen ð een vergunning hebben om de dienst beleggingsadvies te verrichten en/of ï orders van beleggers in ontvangst nemen te ontvangen en door te geven, in beide gevallen zonder dat zij aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten Ö aan Õhouden, en daarom ten aanzien van waardoor zij jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie kunnen verkeren;

ê 93/6/EEG artikel 2, punten 3 en 4 (aangepast)

3. c)  «instellingen»: kredietinstellingen en beleggingsondernemingen;

4. d)  «erkende beleggingsondernemingen uit een derde land»: ondernemingen Ö die aan de volgende voorwaarden voldoen: Õ

Öi)  ondernemingen Õ die, indien zij in de Gemeenschap waren gevestigd, onder de definitie van beleggingsonderming in punt 2 zouden vallen;

Öii) ondernemingen Õ en waaraan vergunning is verleend in een derde land;

Öiii)   ondernemingen Õ en die onderworpen zijn en zich houden aan voorschriften inzake bedrijfseconomisch toezicht welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even streng als de voorschriften van deze richtlijn worden beschouwd;

ê 93/6/EEG (aangepast)

ð nieuw

5. e)  «financiële instrumenten»: instrumenten als omschreven in deel B van de bijlage van Richtlijn 93/22/EEG ð een overeenkomst die leidt tot zowel een financieel actief bij een partij als een financiële verplichting of eigen-vermogensinstrument bij een andere partij ï ;

ê 93/6/EEG artikel 2, punten 6 en 7 (nieuw)

6.           «handelsportefeuille van een instelling»: een portefeuille bestaande uit:

a)      de eigen posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten, die door de instelling voor wederverkoop worden aangehouden en/of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande en/of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening verrichte compenserende aan- en verkopen («matched principal broking») of posities die worden ingenomen teneinde andere elementen van de handelsportefeuille af te dekken;

b)      de risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties, leveringen zonder tegenprestatie («free deliveries») en afgeleide «over-the-counter» (OTC)-instrumenten als bedoeld in de punten 1, 2, 3 en 5 van bijlage II; de risicoposities in verband met retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen, als bedoeld in punt 4 van bijlage II, welke berusten op overeenkomstig punt a) hierboven in de handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen, en mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, beschreven in punt 4 van bijlage II, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder i), ii), iii) en v), dan wel aan de voorwaarden vermeld onder iv) en v);

i)       de risicoposities worden dagelijks tegen de marktwaarde gewaardeerd volgens de procedure van bijlage II;

ii)      de zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis in de waarde van de effecten of grondstoffen waarop de betrokken overeenkomst of transactie berust, overeenkomstig een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare regel;

iii)     in de overeenkomst of effectenleningstransactie is bepaald dat de vorderingen van de instelling automatisch en onmiddellijk worden gecompenseerd met de vorderingen van de tegenpartij, indien deze in gebreke blijft;

iv)     de overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie wordt aangegaan tussen professionele partijen;

v)      een dergelijke overeenkomst of effectenleningstransactie wordt uitsluitend aangegaan in de gebruikelijke en passende omstandigheden; kunstmatige transacties, vooral die welke geen korte-termijntransacties zijn, zijn uitgesloten;

c)      de risicoposities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot aan een beurs verhandelde afgeleide instrumenten, welke rechtstreeks verband houden met de in de portefeuille opgenomen elementen, als bedoeld in punt 6 van bijlage II.

              Het al dan niet opnemen van welbepaalde elementen in de handelsportefeuille geschiedt volgens objectieve procedures, waaronder in voorkomend geval de bij de betrokken instelling gehanteerde boekhoudkundige normen; op deze procedures en de consequente toepassing ervan wordt door de bevoegde autoriteiten toezicht gehouden;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 7 (aangepast)

7.           «moederonderneming», «dochteronderneming» en «financiële instelling» worden gedefinieerd overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn 92/30/EEG;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 8 (aangepast)

8.           «financiële holding»: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, met dien verstande dat ten minste één van die dochterondernemingen een kredietinstelling of beleggingsonderneming is;

ò nieuw

f)       «moederbeleggingsonderneming in een lidstaat»: een beleggingsonderneming, die een instelling of een andere financiële instelling als dochteronderneming heeft of die een deelneming in dergelijke entiteiten bezit, en die zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend of van een financiële holding die in de betrokken lidstaat is gevestigd, en waarin geen andere instelling waaraan in de betrokken lidstaat vergunning is verleend, een deelneming bezit;

g)      «EU-moederbeleggingsonderneming»: een moederbeleggingsonderneming in een lidstaat, die geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in een lidstaat vergunning is verleend of van een financiële holding die in de betrokken lidstaat is gevestigd, en waarin geen andere instelling waaraan in een lidstaat vergunning is verleend, een deelneming bezit;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 9 (aangepast)

9.           «risicowegingsfactoren»: de kredietrisicograden die van toepassing zijn op de tegenpartijen in kwestie overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG. Aan activa in de vorm van vorderingen en andere risicoposities op beleggingsondernemingen of op erkende beleggingsondernemingen uit een derde land en risicoposities op erkende clearinginstellingen en beurzen wordt evenwel dezelfde wegingsfactor toegekend als die welke wordt toegekend wanneer de tegenpartij in kwestie een kredietinstelling is;

ê98/33/EG artikel 3, punt 1 (aangepast)

10h)  «afgeleide «over-the-counter» (OTC)-instrumenten»: posten Ö vallend onder de lijst in bijlage IV van Richtlijn [2000/12/EG], met uitzondering van die waaraan overeenkomstig het bepaalde in bijlage III, punt 2, van die richtlijn een risicowaarde van nul is toegekend; Õ buiten de balanstelling waarop ingevolge artikel 6, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 89/647/EEG de in bijlage II bij genoemde richtlijn bepaalde methoden moeten worden toegepast;

ê 93/6/EEG (aangepast)

11.i)  «gereglementeerde markt»: markt Ö als omschreven in artikel 4, lid 14, van Richtlijn 2004/39/EG Õ; die voldoet aan de omschrijving van artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG;

ê 93/6/EEG (aangepast)

12.         «gekwalificeerde posten»: lange en korte posities in activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG en in schuldinstrumenten uitgegeven door beleggingsondernemingen of door erkende beleggingsondernemingen uit een derde land. De uitdrukking heeft ook betrekking op lange en korte posities in schuldinstrumenten, indien deze instrumenten aan de volgende voorwaarden voldoen: zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt van een Lid-Staat of aan een effectenbeurs in een derde land, mits die beurs door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat is erkend, én de betrokken instelling beschouwt de instrumenten als voldoende liquide, en de graad van het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico is, gelet op de solvabiliteit van de emittent, vergelijkbaar met, of lager dan die van de activa bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG;; de bevoegde autoriteiten oefenen toezicht uit op de wijze waarop de instrumenten worden beoordeeld, en wijzen de evaluatie van de instelling af indien aan de betrokken instrumenten naar hun oordeel een te hoog debiteurenrisico verbonden is om als gekwalificeerde posten te kunnen worden beschouwd.

              Onverminderd het voorgaande punt staat het de bevoegde autoriteiten, in afwachting van een verdere coördinatie, vrij om als gekwalificeerde posten die instrumenten aan te merken die voldoende liquide zijn en waaraan, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een graad van debiteurenrisico verbonden is die vergelijkbaar is met, of lager is dan die van de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG. Het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico moet op een zodanig niveau zijn gewaardeerd door ten minste twee door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstellingen, dan wel door één dergelijke credit-ratinginstelling, mits aan deze instrumenten door een andere door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstelling geen lagere waardering is toegekend.

              De bevoegde autoriteiten mogen evenwel afzien van toepassing van de in de voorgaande zin gestelde voorwaarden indien zij deze ongeschikt achten, bij voorbeeld gelet op de kenmerken van de markt, de emittent, of de emissie, dan wel een combinatie van deze kenmerken.

              Tevens verlangen de bevoegde autoriteiten van de instellingen dat zij de maximumwegingsfactor van tabel 1, punt 14, van bijlage I toepassen op effecten waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent en/of ontoereikende liquiditeit een bijzonder risico verbonden is.

              De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat verstrekken aan de Raad en aan de Commissie regelmatig informatie over de methoden die voor de waardering van gekwalificeerde posten worden gehanteerd, inzonderheid de methoden om de graad van liquiditeit van de emissie en de solvabiliteit van de emittent te evalueren;

13.         «posten centrale overheid»: lange en korte posities in de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), van Richtlijn 89/647/EEG, en activa waarvoor krachtens artikel 7 van die zelfde richtlijn een wegingsfactor 0 % geldt;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 14 (aangepast)

14.j)  «converteerbaar waardepapier»: een waardepapier dat naar keuze van de houder tegen een ander waardepapier, gewoonlijk een aandeel van de emittent, kan worden ingeruild;

ê98/31/EG artikel 1, punt 1, onder b) (aangepast)

15.k) «warrant»: een waardepapier dat de houder het recht geeft tot of op het einde van de looptijd van de «warrant» tegen een vastgestelde prijs een onderliggende waarde te kopen.; Ö Dde warrant kan worden afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf of door afwikkeling in contanten; Õ

16. l) «voorraadfinanciering»: posities waarbij fysieke voorraden op termijn verkocht worden en de financieringskosten tot de datum van de termijnverkoop zijn vastgelegd;

ê98/31/EG artikel 1, punt 1, onder c)

17.m)   «retrocessieovereenkomst» en «omgekeerde retrocessieovereenkomst» : een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen overdraagt, mits die garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen, en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen, onder de verbintenis deze effecten of grondstoffen — (of vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken) — tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, wordt aangemerkt als een «retrocessieovereenkomst» voor de instelling die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een «omgekeerde retrocessieovereenkomst» voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt.;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 17, tweede alinea

              Een omgekeerde retrocessieovereenkomst wordt als een transactie tussen professionele partijen beschouwd wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is als omschreven in Richtljn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land, of wanneer de overeenkomst is gesloten met een erkende clearinginstelling of beurs;

ê98/31/EG artikel 1, punt 1, onder d)

18.n) «verstrekte effecten- of grondstoffenlening» en «opgenomen effecten- of grondstoffenlening» : een transactie waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen overdraagt tegen een passende zekerheid, onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instelling daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten of grondstoffen teruglevert, wordt aangemerkt als een «verstrekte effecten- of grondstoffenlening» voor de instelling die de effecten of grondstoffen overdraagt, en een «opgenomen effecten- of grondstoffenlening» voor de instelling waaraan de effecten of grondstoffen worden overgedragen.;

ê98/31/EG artikel 1, punt 1, onder d)

              Een opgenomen effecten- of grondstoffenlening wordt beschouwd als een transactie tussen professionele partijen wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is in de zin van Richtlijn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land of wanneer de transactie is verricht met een erkende clearinginstelling of beurs;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 19 (aangepast)

19.o) «clearing member»: een lid van de beurs en/of van de clearinginstelling dat met de centrale tegenpartij («market guarantor») een rechtstreekse contractuele verhouding heeft. Niet-clearing members moeten voor hun handel een beroep doen op een clearing member;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 20 (aangepast)

ð nieuw

20.p) «plaatselijke onderneming»: een onderneming die op een beurs ð de markten ï voor financiële futures, of voor opties ð of voor andere afgeleide instrumenten en op de contante markten, uitsluitend om posities op markten voor afgeleide instrumenten af te dekken, ïalleen voor eigen rekening ð handelt ï of ð die ï voor rekening van andere leden ð van die markten ï van dezelfde beurs handelt of deze laatsten een prijs geeft, en die door een clearing members van dezelfde beurs ð markten ï wordt gegarandeerd, ð waarbij ï . Dde verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door dergelijke ondernemingen gesloten contracten berust bij een clearing members van dezelfde beurs ð markten; ï , en met deze contracten moet rekening worden gehouden bij de berekening van de totale kapitaalvereisten voor het clearing member, zolang de posities van de plaatselijke onderneming volledig gescheiden zijn van die van het clearing member;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 21

21.q) «delta» : de verwachte verandering van een optieprijs als evenredig deel van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende instrument;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 22 (aangepast)

22.         «lange positie» voor de toepassing van bijlage I, punt 4: een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente heeft vastgelegd en «korte positie»: een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft vastgelegd;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 23 (aangepast)

23.r)  «eigen vermogen»: het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ .Deze definitie kan echter worden gewijzigd onder de voorwaarden van bijlage V;

ê 93/6/EG artikel 2, punten 24 en 25 (aangepast)

24.       «aanvangskapitaal»: posten als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn 89/299/EEG;

25        «oorspronkelijk eigen vermogen»: de som van de activa als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1, 2 en 3, minus de som van de activa in de punten 9, 10 en 11, van Richtlijn 89/299/EEG;

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 26

26.s)  «kapitaal»: het eigen vermogen;.

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 27 (aangepast)

27.     «gewijzigde duration»: berekend volgens de formule in bijlage I, punt 26.

ò nieuw

Voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis omvat het begrip «beleggingsonderneming» ook vergunninghoudende beleggingsondernemingen uit derde landen.

Voor de toepassing van het bepaalde in de eerste alinea, onder e), omvat het begrip «financiële instrumenten» zowel primaire financiële instrumenten, of met contanten vergelijkbare instrumenten, als financiële derivaten waarvan de waarde is afgeleid van de prijs van een onderliggend financieel instrument, een rentevoet of een index, of van de prijs van een andere onderliggende post, en ten minste de instrumenten vermeld in bijlage I, deel C, van Richtlijn 2004/39/EG.

ê 93/6/EEG artikel 2, punten 7 en 8 (aangepast)

2.         ÖDe begrippen Õ «moederonderneming», «dochteronderneming», «onderneming voor het beheer van het vermogen» en «financiële instelling» Ö omvatten ondernemingen die als zodanig Õ worden gedefinieerd overeenkomstig Ö in artikel 4 Õ artikel 1 van Richtlijn 92/30/EEG; Ö [2000/12/EG] Õ.

ÖDe begrippen Õ «financiële holding», Ö «financiële moederholding in een lidstaat», «financiële EU-moederholding» en «onderneming die nevendiensten verricht»Õ is een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, van welke er ten minste één een beleggingsonderneming is Ö omvatten ondernemingen die als zodanig zijn gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn [2000/12/EG], met dien verstande dat verwijzingen naar kredietinstellingen gelden als verwijzingen naar instellingen.Õ

ò nieuw

3.         Voor de toepassing van Richtlijn [2000/12/EG] op onder artikel 2, lid 1, vallende groepen die geen kredietinstelling omvatten, gelden de volgende definities:

ê2002/87/EG artikel 26 (aangepast)

1.a)   een «financiële holding» is een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, van welke er ten minste één een beleggingsonderneming is, en die geen gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG[18] van het Europees Parlement en de Raad;

2. b)  een «gemengde holding» is een moederonderneming die geen financiële holding, beleggingsonderneming of gemengde financiële holding in de zin van Richtlijn 2002/87/EG is en die onder haar dochterondernemingen ten minste één beleggingsonderneming telt;

3. c)  «bevoegde autoriteiten» zijn de nationale autoriteiten die op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bevoegd zijn om op beleggingsondernemingen toezicht uit te oefenen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

ÖHOOFDSTUK II Õ

AANVANGSKAPITAAL

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 24 (aangepast)

Artikel 4

1. Ö Het Õ «aanvangskapitaal» Ö bestaat uit de bestanddelen genoemd onder a) en b) van Õ : posten als omschreven in artikel Ö 57 Õ 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ.

ê 93/6/EG artikel 3, leden 1 en 2 (aangepast)

Artikel 5

1.         De beleggingsondernemingen Ö die zelf geen transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verrichten of emissies van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie overnemen, maar Õ die geld en/of waardepapieren van cliënten onder zich houden, moeten een aanvangskapitaal van 125 000 ecu Ö EUR Õ hebben als zij een of meer van de volgende diensten verrichten:

a)      het ontvangen en doorgeven van orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten;

b)      het uitvoeren van orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten;

c)      het beheren van persoonlijke beleggingsportefeuilles van financiële instrumenten,.

mits zij zelf geen transacties met financiële instrumenten voor eigen rekening verrichten of emissies van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie overnemen.

Het houden van posities in financiële instrumenten buiten de handelsportefeuille om eigen middelen te beleggen, wordt niet beschouwd als het verrichten van transacties in de zin van de eerste alinea of in het kader van lid 2.

2.         De bevoegde autoriteiten mogen beleggingsondernemingen die orders van beleggers met betrekking tot financiële instrumenten uitvoeren, evenwel toestaan deze instrumenten voor eigen rekening te houden mits Ö aan de volgende voorwaarden is voldaan Õ:

a)      dergelijke posities zijn uitsluitend het resultaat zijn van het feit dat de beleggingsonderneming niet bij machte is de ontvangen order exact af te sluiten;

b)      de totale marktwaarde van deze posities vertegenwoordigt niet meer dan 15 % van het aanvangskapitaal van de onderneming vertegenwoordigt;

c)      de onderneming voldoet aan de in de artikelen 18, 20 en 28 bedoelde Ö gestelde vereisten Õ; en

d)      deze posities hebben een incidenteel en voorlopig karakter hebben en blijven strikt beperkt blijven tot de tijd die voor de uitvoering van de bewuste transactie nodig is.

Het houden van posities in financiële instrumenten buiten de handelsportefeuille om eigen middelen te beleggen, wordt niet beschouwd als het verrichten van transacties in de zin van de eerste alinea of in het kader van lid 3.

3.2       De lLid-sStaten mogen het in lid 1 gestelde niveau tot 50000 ecu Ö EUR Õ verlagen indien de onderneming niet over een vergunning beschikt om geld of effecten van cliënten te houden, transacties voor eigen rekening te verrichten, of emissies met plaatsingsgarantie over te nemen.

ê 93/6/EEG artikel 3, punt 3 (aangepast)

3. Alle andere beleggingsondernemingen moeten een aanvangskapitaal van 730 000 ecu hebben.

ê 2004/39/EEG artikel 67, punt 2 (aangepast)

Artikel 6

4. De ondernemingen bedoeld in artikel 2, punt 2, onder b, Ö Plaatselijke ondernemingen Õ moeten een aanvangskapitaal hebben van 50 000 EUR voorzover zij vrijheid van vestiging genieten of diensten verrichten Ö als omschreven in Õ uit hoofde van artikel 31 of 32 van Richtlijn 2004/39/EG

ê 2004/39/EEG artikel 67, punt 3 (aangepast)

Artikel 7

In afwachting van een herziening van Richtlijn 93/6/EG, moeten dDe in artikel 2 Ö 3 Õ , punt 1, onder b), iii), bedoelde ondernemingen beschikken over:

a)           een aanvangskapitaal van 50 000 EUR;

b)           een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied van de Gemeenschap bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 1 000 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het totaal 1 500 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen, of

c)           een combinatie van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b) hierboven.

De in dit lid bedoelde bedragen worden periodiek door de Commissie aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen, waarbij de aanpassingen in de lijn liggen van en tegelijkertijd plaatsvinden met die welke overeenkomstig artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad[19] worden verricht (*).

Ö Artikel 8 Õ

Wanneer een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2 Ö 3 Õ , punt 1, onder b, iii), tevens in een register of in registers is ingeschreven uit hoofde van Richtlijn 2002/92/EG, dan moet deze onderneming voldoen aan de voorschriften van artikel 4, lid 3, van die richtlijn en bovendien beschikken over:

a)           een aanvangskapitaal van 25 000 EUR;

b)           een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het volledige grondgebied van de Gemeenschap bestrijkt of een andere vergelijkbare waarborg tegen aansprakelijkheid als gevolg van beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 500 000 EUR, van toepassing per schadevordering, en in het totaal 750 000 EUR per jaar voor alle schadevorderingen, of

c)           een combinatie van aanvangskapitaal en beroepsaansprakelijkheidsverzekering die resulteert in een dekking die gelijkwaardig is aan die van de punten a) of b) hierboven.

ê 93/6/EEG artikel 3, punt 3 (aangepast)

Artikel 9

Alle andere beleggingsondernemingen moeten een aanvangskapitaal van 730 000 ecu Ö EUR Õhebben.

ê 93/6/EEG artikel 3, punten 5 en 8 (aangepast)

Artikel 10

1.         ÖIn afwijking van het bepaalde in artikel 5, lid 1, artikel 5, lid 3, en de artikelen 6 en 9 Õ Onverminderd de leden 1 tot en met 4 mogen de lLid-sStaten de vergunning handhaven voor beleggingsondernemingen en onder Ö artikel 6 Õ lid 4 vallende ondernemingen die vóór Ö 31 december 1995 Õ het van kracht worden van deze richtlijn bestonden, en waarvan het eigen vermogen geringer is dan de Ö artikel 5, lid 1, artikel 5, lid 3, en de artikelen 6 en 9 Õ in de leden 1 tot en met 4 genoemde bedragen van het aanvangskapitaal.

Het eigen vermogen van al deze ondernemingen mag niet kleiner worden dan het hoogste referentieniveau dat sinds de datum van kennisgeving van deze rRichtlijn Ö 1993/6/EEG Õ is berekend. Het referentieniveau is het daggemiddelde van het eigen vermogen, berekend over de zes maanden voorafgaande aan de datum van berekening. Dit referentieniveau wordt om de zes maanden berekend voor de overeenkomstige voorafgaande periode.

2.         Indien de zeggenschap over een beleggingsonderneming die onder lid 5 Ö 1 Õ valt, wordt verworven door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over de onderneming uitoefende, dient het eigen vermogen van deze onderneming ten minste gelijk te zijn aan de in Ö artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 Õ de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus, behalve in de volgende situaties: in het geval van de eerste overdracht door vererving na Ö 31 december 1995 Õ het van kracht worden van de richtlijn, onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten en gedurende niet meer dan tien jaar na het plaatsvinden van de overdracht.;

ii)           in het geval van wijziging van een partner in een partnership voor zover ten minste één van de partners op de datum van toepassing van de richtlijn in de partnership blijft en gedurende niet meer dan tien jaar na de datum van toepassing van de richtlijn.

3.         In welbepaalde omstandigheden evenwel, en met instemming van de bevoegde autoriteiten, behoeft bij een fusie tussen twee of meer beleggingsondernemingen en/of onder lid 4 Ö artikel 6 Õ vallende ondernemingen, het eigen vermogen van de onderneming die het resultaat van de fusie is, niet de in Ö artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 Õ de leden 1 tot en met 4 gestelde niveaus te bereiken. Gedurende de periode dat de in de leden 1 tot en met 4 Ö artikel 5, leden 1 en 3, en de artikelen 6 en 9 Õ gestelde niveaus niet zijn bereikt, mag het eigen vermogen van de nieuwe onderneming echter niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde ondernemingen op het tijdstip van de fusie.

4.         Het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en onder lid 4 Ö artikel 6 Õ vallende ondernemingen mag niet kleiner worden dan de in de leden 1 tot en met 5 en 7 Ö artikel 5, leden 1 en 3, de artikelen 6 en 9, en artikel 10, leden 1 en 3, Õ gestelde niveaus.

Als dit evenwel toch gebeurt, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, die ondernemingen een beperkte termijn toestaan om aan deze eis te voldoen dan wel hun werkzaamheden te beëindigen.

ò nieuw

HOOFDSTUK III

HANDELSPORTEFEUILLE

Artikel 11

1.         De handelsportefeuille van een instelling bestaat uit alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die worden aangehouden, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van andere elementen van de handelsportefeuille, die vrij van beperkende clausules ten aanzien van hun verhandelbaarheid of afdekbaar moeten zijn.

2.         Met de intentie om te handelen ingenomen posities zijn posities die door de instelling worden ingenomen om op korte termijn weer te worden afgestoten en/of met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen. De term «positie» omvat de eigen posities van de instelling en de posities uit hoofde van de dienstverlening aan cliënten en van het onderhouden van een markt.

3.         De intentie om te handelen zal blijken uit de strategieën, beleidsmaatregelen en procedures die door de instelling in het leven zijn geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig bijlage VII, deel A, te beheren.

4.         De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille overeenkomstig bijlage VII, deel B, te beheren.

5.         Interne afdekkingstransacties mogen worden opgenomen in de handelsportefeuille, in welk geval bijlage VII, deel C, van toepassing is.

ò nieuw

HOOFDSTUK IV

EIGEN VERMOGEN

ê 93/6/EEG artikel 2, punt 25 (aangepast)

Artikel 12

Onder «oorspronkelijk eigen vermogen» wordt verstaan, de som van de activa als omschreven in artikel 2, lid 1, ,de punten a) tot en met c),1, 2 en 4, minus de som van de activa in de punten Ö i) tot en met k) Õ 9, 10 en 11, Övan artikel 57 Õvan Richtlijn 89/299/EEG; Ö [2000/12/EG]. Õ

ò nieuw

De Commissie dient uiterlijk 1 januari 2009 bij het Europees Parlement en de Raad een passend voorstel in tot wijziging van dit hoofdstuk.

ê93/6/EEG bijlage V, punt 1, eerste en tweede alinea (aangepast)

ð nieuw

Artikel 13

1.         ðMet inachtneming van het bepaalde in de leden 2 tot en met 5 en in de artikelen 14 tot en met 17 ï wordt Hhet eigen vermogen van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen wordt gedefinieerd Ö berekend Õ in overeenstemming met Richtlijn 89/299/EEG van de Raad Ö [2000/12/EG] Õ .

De eerste alinea is bovendien van toepassing op beleggingsondernemingen met een andere rechtsvorm dan die welke worden genoemd in artikel 1, lid 1, van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad.

ê 93/6/EEG bijlage V, punt 1, tweede alinea, en punten 2 tot en met 5 (aangepast)

è1 98/31/EG artikel 1, punt 7, en bijlage, punt 4, onder a) en b)

ð nieuw

2.         è1 Niettegenstaande Ö In afwijking van Õ punt 1 kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen die moeten voldoen aan de in de Ö artikelen 21 en 28 tot en met 32 en de Õ bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII Ö en III tot en met VI Õ gestelde eigenvermogens Ö kapitaal Õ vereisten, toestaan om uitsluitend daartoe een alternatieve definitie Ö berekening Õ van het eigen vermogen te hanteren ter voldoening aan uitsluitend deze verplichtingen. çVan het aldus berekende daarvoor bestemde eigen vermogen mag geen bestanddeel tegelijkertijd worden gebruikt om aan andere kapitaalvereisten te voldoen.

Deze alternatieve definitie Ö berekening Õ omvat de onderstaande bestanddelen a) plus b) plus c) is het totaal van de onderstaande bestanddelen a), b) en c), minus d); de aftrek van dit bestanddeel wordt ter keuze van de bevoegde autoriteiten gelaten:

a)      het eigen vermogen als gedefinieerd in Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , met uitsluiting van alleen de bestanddelen 12 Ö punten l) tot en met p) Õ en 13 van artikel 2, lid 1, Ö 57 Õ van die richtlijn voor beleggingsondernemingen die onderstaand bestanddeel d) van het totaal van de bestanddelen a), b) en c) moeten aftrekken;

(b)     de nettowinst uit de handelsportefeuille van de instelling, na aftrek van alle te verwachten lasten en voorzieningen voor dividenden, min de nettoverliezen over de rest van haar bedrijf, mits geen van deze bedragen reeds in aanmerking is genomen in bestanddeel a) overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 2 of 11, Ö 57, onder b) of k) Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ ;

c)      achtergestelde leningen, en/of de in punt 5 vermelde bestanddelen, met inachtneming van de in de punten 3 tot en met 7 Ö en 4 en artikel 14 Õ hieronder vermelde voorwaarden;

d)      niet-liquide activa als omschreven in Ö in de zin van Õ punt 8 Ö artikel 15 Õ .

3.         De in punt 2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen moeten een oorspronkelijke looptijd van ten minste twee jaar hebben. Zij moeten volledig gestort zijn en de leningovereenkomst mag geen clausule bevatten op grond waarvan de schuld onder bepaalde omstandigheden, met uitzondering van de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen aflossingsdatum moet worden afgelost, tenzij de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. Noch de hoofdsom, noch de interest van deze achtergestelde leningen mogen worden afgelost indien zulks zou betekenen dat het eigen vermogen van de betrokken instelling tot minder dan 100 % van het totale vereiste voor de instelling zou dalen.

Daarenboven stellen de instellingen de bevoegde autoriteiten in kennis van alle aflossingen op deze achtergestelde leningen zodra het eigen vermogen van de instelling tot onder de 120 % van het totale Ö kapitaal Õ vereiste voor de instelling daalt.

4.         De in punt 2, onder c), bedoelde achtergestelde leningen mogen niet meer belopen dan maximaal 150 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om te voldoen aan de vereisten Ö berekend overeenkomstig de artikelen 21 en 28 tot en met 32 Õ en de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII Ö tot en met VI Õ en mogen dit maximum uitsluitend benaderen in voor de betrokken autoriteiten aanvaardbare bijzondere omstandigheden.

5.         De bevoegde autoriteiten mogen instellingen toestaan om de in Ö punt 2, onder c) Õ de punten 3 en 4 bedoelde achtergestelde leningen te vervangen door de bestanddelen bedoeld in artikel 2, lid 1, punten 3, 5, 6, 7 en 8 Ö 57, onder d) tot en met h), Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ .

ê98/31/EG bijlage, punt 4, onder c) (aangepast)

Artikel 14

1.         De bevoegde autoriteiten kunnen beleggingsondernemingen toestaan de in punt 4 Ö artikel 13, lid 4, Õ gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 Ö artikel 13, lid 5, Õ bedoelde bestanddelen niet meer bedraagt dan 200 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de Ö overeenkomstig de artikelen 21 en 28 tot en met 32 en Õ in de bijlagen I, II, III, IV, VI, VII en VIII Ö III, IV, V en VI berekende Õ gestelde vereisten te voldoen, dan wel 250 % van hetzelfde bedrag indien de beleggingsonderneming bij de berekening van het eigen vermogen het in punt 2, Ö artikel 13, lid 2, Õ onder d), bedoelde bestanddeel in mindering brengt.

2.         De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestaan de in punt 4 Ö artikel 13, lid 4, Õ gestelde grenswaarde voor achtergestelde leningen te overschrijden, als zij dit bedrijfseconomisch aanvaardbaar achten, en mits het totaal van deze achtergestelde leningen en de in punt 5 in artikel 35, lid 2, Ö 57, onder d), e), f), g) en h) Õ van Richtlijn [2000/12/EG] bedoelde bestanddelen 4 tot en met 8 niet meer bedraagt dan 250 % van het oorspronkelijke eigen vermogen dat resteert om aan de in Ö overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 32 en Õ de bijlagen I, Ö III, IV, V en VI berekende Õ II, III, VI, VII en VIII gestelde vereisten te voldoen.

ê 93/6/EEG bijlage V, punt 8 (aangepast)

Artikel 15

Niet-liquide activa Ö als bedoeld in artikel 12, lid 2, onder d) Õ omvatten:

a)      materiële vaste activa, (behalve voor zover kan worden toegestaan dat onroerend goed in aanmerking wordt genomen tegenover de leningen waarvoor zij als waarborg gelden);

b)      deelnemingen in, met inbegrip van achtergestelde schuldvorderingen op, kredietinstellingen of financiële instellingen, welke tot het eigen vermogen van die instellingen kunnen worden gerekend, tenzij deze zijn afgetrokken overeenkomstig artikel 2, lid 1, punten 12 en 13 Ö 57 Õ , Ö onder l), m), n), o) en p) Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ of overeenkomstig artikel 15, onder d) van deze bijlage Ö richtlijn Õ .

c)      niet onmiddellijk verhandelbare deelnemingen en andere beleggingen in ondernemingen die geen kredietinstellingen of andere financiële instellingen zijn;

d)      tekorten bij dochterondernemingen;

e)      deposito's met uitzondering van die welke binnen 90 dagen opvraagbaar zijn, en tevens met uitzondering van margebetalingen in verband met futures of optiecontracten;

f)       leningen en andere verschuldigde bedragen, met uitzondering van die welke binnen 90 dagen moeten worden terugbetaald;

g)      materiële voorraden, tenzij daarop Ö reeds Õ de kapitaalvereisten van artikel 4, lid 2, van toepassing zijn Ö die minstens even streng zijn als de vereisten van de artikelen 18 tot en met 20 Õ en mits die vereisten niet minder streng zijn dan de vereisten op grond van artikel 4, lid 1, onder iii).

ê 93/6/EEG bijlage V, punt 8, tweede streepje, tweede alinea (aangepast)

Wanneer aandelen in een kredietinstelling of financiële instelling tijdelijk worden gehouden in het kader van een financiële bijstandsoperatie met het oog op de reorganisatie of de redding van deze instelling, mogen de bevoegde autoriteiten ontheffing van deze verplichting verlenen Ö met het oog op de toepassing van het bepaalde onder b) Õ. Zij mogen eveneens ontheffing verlenen voor dergelijke aandelen die deel uitmaken van de handelsportefeuille van de beleggingsonderneming;.

ê 93/6/EEG bijlage V, punt 9 (aangepast)

Artikel 16

9. Beleggingsondernemingen die deel uitmaken van een groep waarvoor Ö waaraan Õ de in artikel 7, lid 4, Ö 22 Õ bedoelde ontheffing geldt Ö is verleend Õ, berekenen hun eigen vermogen overeenkomstig de punten 1 tot en met 8 Ö artikelen 13 tot en met 15 Õ hierboven, met inachtneming van de Ö het Õ volgende wijzigingen:

a)i)    de in punt 2, Ö artikel 13, lid 2, Õ onder d), bedoelde niet-liquide activa worden afgetrokken;

b)ii)   de in punt 2, Ö artikel 12, lid 2, Õ onder a), bedoelde uitsluiting heeft geen betrekking op de bestanddelen van artikel 2, lid 1, Ö 57, Õ punten 12 en 13, Ö l) tot en met p), Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ die de beleggingsonderneming houdt met betrekking tot ondernemingen die zijn opgenomen in de consolidatie bedoeld in artikel 7, lid 2 Ö 2, lid 1, van deze richtlijn Õ ;

c)iii) de in artikel 6 Ö 66 Õ, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ bedoelde grenswaarden worden berekend aan de hand van het oorspronkelijke eigen vermogen, min de onder ii) hierboven beschreven bestanddelen van artikel 2, lid 1, punten 12 en 13, Ö 57, punten l) tot en met p), Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ die deel uitmaken van het oorspronkelijke eigen vermogen van de betrokken ondernemingen;

d)iv) de onder c) bedoelde bestanddelen van artikel 2, lid 1, Ö 57, Õ punten 12 en 13 Ö l) tot en met p) Õ , van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ worden afgetrokken van het oorspronkelijke eigen vermogen, en niet van de som van alle bestanddelen, zoals voorgeschreven Ö is bepaald Õ in lid 1, onder c), van artikel 6 Ö 66 Õ van die richtlijn, meer bepaald in het bijzonder voor de toepassing van de punten 4 tot en met 7 Ö artikel 13, leden 4 en 5, en artikel 14 Õ van deze bijlage Ö richtlijn Õ .

ò nieuw

Artikel 17

1.         Wanneer een instelling risicogewogen posten berekent voor de toepassing van bijlage II overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn [2000/12/EG], geldt voor de berekening volgens bijlage VII, deel 1, punt 4, van Richtlijn [2000/12/EG] het volgende:

a)      waardeaanpassingen om rekening te houden met de kredietkwaliteit van de tegenpartij kunnen worden opgenomen in het totaal van de waardeaanpassingen en voorzieningen voor posten als bedoeld in bijlage II;

b)      onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten kan het verwacht verlies voor het tegenpartijrisico als nihil worden beschouwd indien bij de waardering van een in de handelsportefeuille opgenomen positie adequaat rekening is gehouden met het kredietrisico van de tegenpartij.

De bovengenoemde waardeaanpassingen die door de betrokken instellingen met het oog op het bepaalde onder a) worden aangebracht, mogen slechts in overeenstemming met het bepaalde in dit lid in het eigen vermogen worden verwerkt.

2.         Voor de toepassing van dit artikel geldt het bepaalde in de artikelen 153 en 154 van Richtlijn [2000/12/EG].

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö HOOFDSTUK V Õ

Ö Afdeling 1 Õ

VOORZIENING VOOR RISICO'S

ê 93/6/EEG artikel 4, punt 1, eerste alinea (aangepast)

ð nieuw

Artikel 18

1.         De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat iInstellingen beschikken doorlopend over een eigen vermogen moeten beschikken dat ten minste gelijk is aan de som van Ö het volgende Õ :

ê98/31/EG artikel 1, punt 2 (aangepast)

i) a)   de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de Ö methoden en werkwijzen als omschreven in de artikelen 28 tot en met 32 en de Õ bijlagen I, II en VI en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun handelsportefeuille;

ii) b)  de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de Ö methoden en werkwijzen als omschreven in de Õ bijlagen III en VII Ö IV Õ en, in voorkomend geval, bijlage VIII, met betrekking tot hun gehele bedrijf;.

ê 93/6/EG artikel 4, lid 1, eerste alinea, punten iii) en iv) (aangepast)

iii)          de kapitaalvereisten als bedoeld in Richtlijn 89/647/EEG met betrekking tot hun gehele bedrijf, met uitzondering van de handelsportefeuille en de niet-liquide activa indien deze overeenkomstig punt 2, onder d), van bijlage V op het eigen vermogen in mindering worden gebracht;

iv)          het kapitaalvereiste als bedoeld in lid 2.

ê 93/6/EEG artikel 4, lid 1, tweede alinea, punten iii) en iv

Ongeacht het bedrag van de kapitaalvereisten als bedoeld in de punten i) tot en met iv) mag het vereiste eigen vermogen van beleggingsondernemingen in geen geval lager zijn dan het in bijlage IV vastgestelde niveau.

ê 93/6/EEG artikel 4, punten 2 tot en met 5

2. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen over toereikend eigen vermogen moeten beschikken ter dekking van de risico's in verband met werkzaamheden die buiten de werkingssfeer van zowel deze richtlijn als Richtlijn 89/647/EEG vallen en die als gelijkaardig beschouwd worden met de risico's waarop die richtlijnen betrekking hebben.

3. Indien het eigen vermogen van een instelling lager wordt dan het overeenkomstig lid 1 berekende vereiste bedrag, zien de bevoegde autoriteiten erop toe dat de bewuste instelling passende maatregelen treft om zo spoedig mogelijk aan het vereiste te voldoen.

4. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over systemen voor de bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot hun gehele bedrijf, welke systemen aan toetsing door de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen.

5. Instellingen dienen ten genoegen van hun bevoegde autoriteiten aan te tonen dat zij over passende systemen beschikken om te allen tijde hun financiële positie redelijk nauwkeurig te kunnen berekenen.

ê 93/6/EEG artikel 4, punt 6 (aangepast)

2.         Onverminderd Ö In afwijking van Õ lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan de kapitaalvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten te berekenen overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG in plaats van overeenkomstig de bijlagen I en II van de onderhavige richtlijn, mits Ö artikel 75, onder a), van Richtlijn [2000/12/EG] en bijlage II, punten 6, 7, 8 en 10, van deze richtlijn Õ in plaats van overeenkomstig de bijlagen I en II van deze richtlijn, mits

i) a)   de handelsportefeuilleactiviteiten van deze instellingen normaal niet meer dan 5% van hun totale bedrijf uitmaken,

ii) b)  het totaal van de handelsportefeuilleposities normaal niet meer bedraagt dan 15 miljoen ecu Ö EUR Õ en;

c)iii)  de handelsportefeuilleactiviteiten van deze instellingen nooit meer dan 6% van hun totale bedrijf uitmaken en het totaal van hun handelsportefeuilleposities nooit meer dan 20 miljoen ecu Ö EUR Õ bedraagt.

ê 93/6/EEG artikel 4, punt 7 (aangepast)

3.         Om het aandeel van de handelsportefeuilleactiviteiten ten opzichte van het totale bedrijf, als bedoeld in lid 6 Ö 2 Õ , onder Ö a) en c) Õ i) en iii), te berekenen, mogen de bevoegde autoriteiten zich baseren op hetzij het gecombineerde bedrag van de posten in en buiten balanstelling, hetzij de winst- en verliesrekening, hetzij het eigen vermogen van de betrokken instellingen, of een combinatie daarvan. Bij de berekening van de omvang van de activiteiten in en buiten balanstelling worden schuldinstrumenten gewaardeerd tegen marktprijs of tegen nominale waarde, aandelen tegen marktprijs en afgeleide instrumenten tegen nominale waarde of marktwaarde van de onderliggende instrumenten. Hausse- en baisseposities worden samengevoegd, ongeacht of zij positief of negatief zijn.

ê 93/6/EEG artikel 4, punt 8 (aangepast)

4.         Indien een instelling voor langere tijd een van beide of beide in lid 6 Ö 2 Õ , onder Ö a) en b) Õ i) en ii), gestelde grenswaarden overschrijdt of een van beide of beide in lid 6 Ö 2 Õ , onder Ö c) Õ iii), gestelde grenswaarden overschrijdt, moet zij met betrekking tot haar handelsportefeuilleactiviteiten voldoen aan het vereiste van lid 1, onder Ö a) Õ i), en niet aan de vereisten van Ö artikel 75, onder a), van Õ Richtlijn 89/647/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , en moet zij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen.

ò nieuw

Artikel 19

1.         Voor de toepassing van bijlage I, punt 14, kan door de lidstaten een wegingsfactor van 0% worden toegekend aan door dezelfde entiteiten uitgegeven schuldtitels, luidend en gefinancierd in de nationale valuta.

ê 93/6/EEG artikel 11, punt 2 (aangepast)

2.         Onverminderd Ö In afwijking van Õ het bepaalde in Ö de Õ punten Ö 13 en Õ 14 van bijlage I mogen de Llid-Sstaten met betrekking tot obligaties waaraan uit hoofde van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 89/647/EEG in die richtlijn een risicowegingsfactor van 10 % is toegekend Ö vallend onder bijlage VI, deel 1, punten 65 tot en met 67 van Richtlijn [2000/12/EG] Õ , een vereiste voor het specifieke risico vaststellen, dat gelijk is aan de helft van het vereiste voor gekwalificeerde posten met dezelfde resterende looptijd als die obligatie Ö , verminderd met de percentages van bijlage VI, deel 1, punt 68 van Richtlijn [2000/12/EG] Õ .

ò nieuw

3.         Wanneer een ICB uit een derde land door een bevoegde autoriteit wordt erkend overeenkomstig het bepaalde in punt 52 van bijlage I, kan een bevoegde autoriteit uit een andere lidstaat deze erkenning overnemen zonder zelf een evaluatie uit te voeren.

Artikel 20

1.         Met inachtneming van het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel en in artikel 34 van deze richtlijn, zijn de voorschriften van artikel 75 van Richtlijn [2000/12/EG] van toepassing op beleggingsondernemingen.

2.         In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat beleggingsondernemingen waaraan geen vergunning is verleend om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, deel A, van Richtlijn 2004/39/EG opgesomde beleggingsdiensten te verstrekken, een eigen vermogen aanhouden dat te allen tijde minstens gelijk is aan het hoogste van beide volgende bedragen:

a)      het totaal van de kapitaalvereisten als bedoeld onder a), b, en c) van artikel 75 van Richtlijn [2000/12/EG];

b)      het bedrag als bedoeld in artikel 21 van deze richtlijn.

3.         In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat beleggingsondernemingen met een aanvangskapitaal als bepaald in artikel 9 die onder één van de hierna bedoelde categorieën vallen, een eigen vermogen aanhouden dat te allen tijde minstens gelijk is aan de kapitaalvereisten berekend overeenkomstig de voorschriften van artikel 75, onder a), b) en c), van Richtlijn [2000/12/EG] plus het bedrag als bedoeld in artikel 21 van deze richtlijn.

a)      beleggingsondernemingen die voor eigen rekening handelen om orders van cliënten in te willigen of uit te voeren of om toegang te verkrijgen tot een clearing- en afwikkelingssysteem of een erkende beurs in de hoedanigheid van gemachtigde of uitvoerder van een order van een cliënt;

b)      beleggingsondernemingen:

i)       waarbij cliënten geen gelden of effecten aanhouden;

ii)      die uitsluitend voor eigen rekening handelen;

iii)     die geen externe cliënten hebben;

iv)     waarvan de uitvoering en afwikkeling van de transacties plaatsvinden onder verantwoordelijkheid en garantie van een clearinginstelling.

4.         Ten aanzien van de in de leden 2 en 3 bedoelde beleggingsondernemingen gelden alle andere bepalingen betreffende operationele risico’s van bijlage V van Richtlijn [2000/12/EG].

ê 93/6/EEG bijlage IV

Artikel 21

Beleggingsondernemingen moeten eigen vermogen aanhouden ten belope van een kwart van hun vaste kosten in het voorafgaande jaar.

De bevoegde autoriteiten mogen dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de onderneming sinds het voorgaande jaar.

Wanneer de onderneming haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend (met inbegrip van de dag van bedrijfsaanvang) bedraagt het vereiste een kwart van het in haar programma van werkzaamheden begrote cijfer voor vaste kosten, tenzij de autoriteiten een aanpassing van dit programma verlangen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö afdeling 2 Toepassing van de vereisten op geconsolideerde basis Õ

ò nieuw

Artikel 22

1.         De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis op onder artikel 2 vallende groepen, kunnen per geval ontheffing van de kapitaalvereisten op geconsolideerde basis verlenen, mits:

a)      elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep de definitie van eigen vermogen van artikel 16 hanteert;

b)      elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep tot de in artikel 20, leden 2 en 3, genoemde categorieën behoort;

c)      elke beleggingsonderneming in een dergelijke groep op niet-geconsolideerde basis aan de bij de artikelen 18 en 20 gestelde vereisten voldoet en alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, in mindering brengt op het eigen vermogen;

d)      elke financiële holding in een dergelijke groep die moeder is van een beleggingsonderneming een eigen vermogen heeft — gedefinieerd als de som van de punten a) tot en met h) van artikel 57 van Richtlijn [2000/12/EG] — dat ten minste gelijk is aan het totaal van de volledige boekwaarde van alle in artikel 57 van Richtlijn [2000/12/EG] genoemde deelnemingen in, achtergestelde vorderingen op en instrumenten van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden;

Elke beleggingsonderneming die aan de criteria van de eerste alinea voldoet, beschikt over systemen om de bronnen van eigen en vreemd vermogen van alle tot de groep behorende financiële holdings, beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, te bewaken en te beheersen.

2.         In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat financiële moederholdings van een beleggingsonderneming in een dergelijke groep een waarde in aanmerking nemen die lager is dan de overeenkomstig lid 1, onder d), berekende waarde, maar die in geen geval minder bedraagt dan het totaal van de bij de artikelen 18 en 20 gestelde vereisten op niet-geconsolideerde basis voor beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden, plus het totaal van alle latente verplichtingen ten aanzien van beleggingsondernemingen, financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, die normaliter geconsolideerd zouden worden. In het kader van dit lid dient voor financiële instellingen, vermogensbeheerders en ondernemingen die nevendiensten verrichten, een theoretisch kapitaalvereiste te worden gesteld.

ê 93/6/EG artikel 7, leden 5 en 6 (aangepast)

Artikel 23

De bevoegde autoriteiten verlangen dat beleggingsondernemingen in een groep waarvoor de in lid 20 Ö artikel 22 Õ bedoelde ontheffing geldt, hen in kennis stellen van de risico's, met inbegrip van die welke samenhangen met de samenstelling en de bronnen van eigen en vreemd vermogen, die de financiële positie van deze ondernemingen in gevaar kunnen brengen. Indien de bevoegde autoriteiten dan van oordeel zijn dat de financiële positie van deze beleggingsondernemingen onvoldoende beschermd is, verlangen zij dat deze ondernemingen maatregelen treffen, zo nodig met inbegrip van beperkingen van de overdracht van kapitaal van deze ondernemingen naar de lichamen binnen de groep.

Wanneer de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig lid 4 Ö artikel 22 Õ, moeten zij andere passende maatregelen nemen voor het toezicht op de risico's, met name grote risico's, van de gehele groep, met inbegrip van die ondernemingen die niet in een van de Llid-Sstaten zijn gevestigd.

ò nieuw

Wanneer de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 22 ontheffing verlenen van de verplichting van toezicht op geconsolideerde basis, blijven de voorschriften van titel V, hoofdstuk 5, van Richtlijn [2000/12/EG] op niet-geconsolideerde basis van toepassing en blijven de voorschriften van artikel 124 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden voor het toezicht op beleggingsondernemingen op niet-geconsolideerde basis.

ê 93/6/EEG artikel 7, punten 7 tot en met 9

7. De Lid-Staten kunnen ervan afzien de in de artikelen 4 en 5 bedoelde vereisten op niet-geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toe te passen op instellingen die als moederonderneming aan toezicht op geconsolideerde basis onderworpen zijn, en op elke dochteronderneming van een dergelijke instelling die voor vergunning en toezicht onder deze Lid-Staat ressorteert en die is opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis op de instelling die haar moederonderneming is.

Deze ontheffing kan ook worden toegestaan wanneer de moederonderneming een financiële holding is die haar zetel in dezelfde Lid-Staat heeft als de instelling, mits zij aan hetzelfde toezicht is onderworpen als kredietinstellingen of beleggingsondernemingen, en met name aan de vereisten van de artikelen 4 en 5.

In beide bovenstaande gevallen moeten, wanneer van de ontheffing gebruik wordt gemaakt, maatregelen worden genomen met het oog op een adequate verdeling van het eigen vermogen binnen de groep.

8. Wanneer een instelling waarvan de moederonderneming zelf een instelling is, vergunning heeft verkregen en gelegen is in een andere Lid-Staat, passen de bevoegde autoriteiten die de vergunning verleend hebben, op die instelling de voorschriften van de artikelen 4 en 5 toe op niet-geconsolideerde basis, of in voorkomend geval op gesubconsolideerde basis.

9. Onverminderd lid 8 mogen de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan de dochteronderneming van een moederonderneming die een instelling is, bij bilateraal akkoord hun verantwoordelijkheid voor het toezicht op de kapitaaltoereikendheid en de grote risico's van de dochteronderneming overdragen aan de bevoegde autoriteiten die vergunning hebben verleend aan en toezicht uitoefenen op de moederonderneming. De Commissie moet over het bestaan en de inhoud van dergelijke akkoorden worden ingelicht. Zij deelt deze informatie mee aan de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten alsmede aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen en aan de Raad, behoudens in het geval van groepen die onder lid 3 vallen.

ò nieuw

Artikel 24

In afwijking van artikel 2, lid 2, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen ontheffing verlenen van het bij genoemde bepaling opgelegde geconsolideerde kapitaalvereiste mits alle beleggingsondernemingen in de groep voldoen aan het bepaalde in artikel 20, lid 2, en de groep geen kredietinstellingen omvat.

Wanneer aan de voorwaarden van de eerste alinea is voldaan, wordt de moederbeleggingsonderneming verplicht een eigen vermogen aan te houden dat te allen tijde minstens gelijk is aan de hoogste van de twee geconsolideerde vereisten hierna, berekend overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk:

(a) het totaal van de kapitaalvereisten als bedoeld onder a), b, en c) van artikel 75 van Richtlijn [2000/12/EG];

(b) het bij artikel 21 vereiste bedrag.

Artikel 25

In afwijking van artikel 2, lid 2, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen ontheffing verlenen van het bij genoemde bepaling opgelegde geconsolideerde kapitaalvereiste mits alle beleggingsondernemingen in de groep voldoen aan het bepaalde in artikel 20, leden 2 en 3, en de groep geen kredietinstellingen omvat.

Wanneer aan de voorwaarden van de eerste alinea is voldaan, wordt de moederbeleggingsonderneming verplicht een eigen vermogen aan te houden dat te allen tijde minstens gelijk is aan de geconsolideerde kapitaalvereisten, berekend overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk, de bij artikel 75, onder a), b) en c), van Richtlijn [2000/12/EG] gestelde vereisten plus het bij artikel 21 van deze richtlijn vereiste bedrag.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Afdeling 3 Õ

berekening van de geconsolideerde vereisten

ê98/31/EG artikel 1, punt 4 (aangepast)

Artikel 26

1.         Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in de leden 7 en 9 Ö artikel 22 Õ bedoelde ontheffing, kunnen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de kapitaalvereisten (bijlagen I en VIII) en de risico's met betrekking tot cliënten ( Ö artikelen 28 tot en met 32 en Õ bijlage VI) op geconsolideerde basis, toestaan dat posities in de handelsportefeuille van één instelling worden gecompenseerd met posities in de handelsportefeuille van een andere instelling overeenkomstig de voorschriften van de Ö artikelen 28 tot en met 32 en de Õ bijlagen I, VI en VIII.

Zij kunnen ook toestaan dat valutaposities bij één instelling worden gecompenseerd met valutaposities bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III en/of bijlage VIII. Voorts kunnen zij toestaan dat posities in grondstoffen bij één instelling worden gecompenseerd met posities in grondstoffen bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII Ö IV Õ en/of bijlage VIII.

ê 93/6/EEG artikel 7, punt 11 (aangepast)

2.         De bevoegde autoriteiten kunnen ook compensatie toestaan met betrekking tot de handelsportefeuille-, alsmede de valuta- en grondstoffenposities van in derde landen gevestigde ondernemingen, mits tegelijkertijd wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden:

i) a)   aan die ondernemingen is vergunning verleend in een derde land en zij beantwoorden aan de definitie van kredietinstelling in artikel 1 Ö 4, lid 1 Õ , eerste streepje, van Richtlijn 77/780/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , of zijn erkende beleggingsondernemingen uit een derde land;

ii) b)  die ondernemingen voldoen op niet-geconsolideerde basis aan kapitaalvereisten die gelijkwaardig zijn aan de kapitaalvereisten van deze richtlijn;

iii) c) in de betrokken landen bestaan geen voorschriften met aanzienlijke gevolgen voor de overdracht van middelen binnen de groep.

ê 93/6/EEG artikel 7, punt 12 (aangepast)

3.         De bevoegde autoriteiten mogen tevens toestemming verlenen voor compensatie als beschreven in lid 10 Ö 1 Õ , tussen instellingen binnen een groep waaraan in de betrokken Lid-Staat vergunning is verleend, op voorwaarde dat:

i) a)   er binnen de groep een adequate verdeling van kapitaal is;

ii) b)  het reglementaire, juridische en/of contractuele kader waarbinnen de instellingen werken wederzijdse financiële ondersteuning binnen de groep waarborgt.

ê 93/6/EEG artikel 7, punt 13 (aangepast)

4.         Bovendien mogen de bevoegde autoriteiten compensatie als beschreven in lid 10 Ö 1 Õ toestaan tussen instellingen binnen een groep die voldoen aan de voorwaarden van lid 12 Ö 3 Õ en elke instelling binnen die zelfde groep waaraan in een andere Lid-Staat vergunning is verleend, op voorwaarde dat die instelling verplicht is op niet-geconsolideerde basis te voldoen aan de haar door de artikelen 4 en 5 Ö 18, 20 en 28 Õ opgelegde kapitaalvereisten.

ê 93/6/EEG artikel 7, punten 14 en 15 (aangepast)

Artikel 27

1.         Voor de berekening van het eigen vermogen op geconsolideerde basis is artikel 5 Ö 65 Õ van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ van toepassing.

2.         De bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis, mogen de specifieke definities van eigen vermogen welke overeenkomstig hoofdstuk IV voor de betrokken instellingen gelden, als toepasselijk bij de berekening van hun geconsolideerd eigen vermogen aanmerken.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Afdeling 4 Õ

Ö BEWAKING EN BEHEERSING VAN GROTE RISICO'S Õ

ê 93/6/EEG artikel 5, lid 1 (aangepast)

Artikel 28

1.         Instellingen dienen hun grote risico's te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG Ö de artikelen 106 tot en met 118 van Richtlijn [2000/12/EG] Õ.

ê98/31/EG artikel 1, punt 3 (aangepast)

2.         Niettegenstaande Ö In afwijking van Õ lid 1 dienen instellingen die de kapitaalvereisten met betrekking tot hun handelsportefeuille overeenkomstig de bijlagen I en II en, in voorkomend geval, bijlage VIII berekenen, hun grote risico’s te bewaken en te beheersen overeenkomstig Richtlijn 92/121/EEG Ö de artikelen 106 tot en met 118 van Richtlijn [2000/12/EG] Õ , behoudens de in de artikelen 27 tot en met 30 Ö 29 tot en met 32 Õ van deze onderhavige richtlijn neergelegde wijzigingen.

ò nieuw

3.         Uiterlijk 31 december 2007 brengt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uit over de toepassing van deze afdeling, eventueel vergezeld van passende voorstellen.

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 2 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 29

1.         De risico's op individuele cliënten in het kader van de handelsportefeuille worden berekend door optelling van de onderstaande posten i) tot en met iii):

i) a)   het verschil - indien positief - tussen de hausse- en baisseposities van de instelling in alle door de betrokken cliënt uitgegeven financiële instrumenten, Ö waarbij Õ (de netto-positie in elk onderscheiden instrument wordt berekend volgens de in bijlage I omschreven methode);

ii) b)  in het geval van overneming van een schuld- of aandeleninstrument, is het risico voor de instelling haar Ö het Õ netto-risico(berekend door aftrek van de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities), verminderd met de factoren vermeld in bijlage I, punt 39.;

iii)c)  de risico's in verband met de in bijlage II bedoelde transacties, overeenkomsten en contracten met de betrokken cliënt; deze risico's worden berekend zoals voorgeschreven in die bijlage ð voor de risicowaardering ï , zonder toepassing van de wegingsfactoren voor het tegenpartijrisico.

Ö Voor de toepassing van punt b) wordt het nettorisico berekend door aftrek van de op grond van een formele overeenkomst bij derden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities, en verminderd met de factoren vermeld in bijlage I, punt 41. Õ

Ö Voor de toepassing van punt b) en Õ Iin afwachting van verdere coördinatie schrijven de bevoegde autoriteiten voor dat de instellingen systemen invoeren voor bewaking en beheersing van hun overnemingsrisico's in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en werkdag 1, rekening houdend met de aard van de risico's waaraan zij op de bewuste markten blootstaan;.

ð Voor de toepassing van punt c) geldt dat de verwijzing in bijlage II, punt 5, van deze richtlijn geen betrekking heeft op de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn [2000/12/EG].ï

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 3 (aangepast)

2.         Vervolgens worden dDe risico's met betrekking tot groepen van verbonden cliënten in het kader van de handelsportefeuille worden berekend door optelling van de risico's met betrekking tot de individuele cliënten in een groep, zoals berekend in punt 12.

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 4 (aangepast)

Artikel 30

1.         De totale risico's met betrekking tot individuele cliënten of groepen van verbonden cliënten worden berekend door de risico's met betrekking tot de activiteiten in en buiten het kader van hun handelsportefeuille op te tellen, met inachtneming van Ö de Õ artikelen 4, leden 6 tot en met 12, Ö 112 tot en met 117 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ.

Ter berekening van het risico met betrekking tot activiteiten buiten het kader van de handelsportefeuille beschouwen instellingen het risico verbonden aan activa die op grond van punt 2 Ö artikel 13, lid 2 Õ , onder (d), van bijlage V op hun eigen vermogen in mindering worden gebracht, als nul.

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 5 (aangepast)

ð nieuw

2.         De totale risico's van instellingen met betrekking tot individuele cliënten en groepen van verbonden cliënten, als berekend overeenkomstig punt 4, worden overeenkomstig artikel 3 Ö 110 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ gemeld.

ðTenzij het repo’s en verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen betreft, wordt voor de berekening van grote risico’s op cliënten en groepen van verbonden cliënten voor rapportagedoeleinden geen rekening gehouden met kredietrisicovermindering. ï

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 6 (aangepast)

3.         Behoudens de overgangsbepalingen van artikel 6 van Richtlijn 92/121/EEG gelden vVoor die Ö in lid 1 bedoelde Õ som van de risico's met betrekking tot een individuele cliënt of groep van verbonden cliënten gelden de grenswaarden van Ö de Õ artikelen 4 Ö 111 tot en met 117 Õ van die rRichtlijn Ö [2000/12/EG] Õ.

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 7 (aangepast)

4.         Ö In afwijking van ÕOnverminderd punt 6 Ö lid 3 Õ mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat activa in de vorm van vorderingen en andere risico's op beleggingsondernemingen, erkende beleggingsondernemingen van derde landen en erkende «clearing»-instellingen en beurzen in financiële instrumenten, op dezelfde wijze worden behandeld als de vorderingen en risico's op kredietinstellingen op grond van artikel Ö 113, lid 2, onder i), artikel 115, lid 2, en artikel 116 Õ 4, lid 7, onder i), lid 9 en lid 10, van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EC]. Õ

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 8 (aangepast)

Artikel 31

De bevoegde autoriteiten mogen toestaan dat de in Ö de Õ artikelen 4 Ö 111 tot en met 117 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ vastgestelde grenswaarden worden overschreden, mits tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. a)       het risico buiten de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van cliënten is niet groter dan de in Ö de artikelen 111 tot en met 117 van Õ Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ gestelde grenswaarden, berekend met betrekking tot het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille;

2.b)        de instelling voldoet aan een aanvullend kapitaalvereiste voor de overschrijding van de in artikel 4 Ö 111 Õ , leden 1 en 2, van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ gestelde grenswaarden Ö , berekend overeenkomstig bijlage VI van deze richtlijn; Õ .

3.c)        wanneer niet meer dan tien dagen zijn verstreken sedert het ontstaan van de overschrijding, bedraagt het risico binnen de handelsportefeuille op de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten niet meer dan 500 % van het eigen vermogen van de instelling;

4.d)        alle overschrijdingen die langer dan tien dagen duren, bedragen samen niet meer dan 600 % van het eigen vermogen van de instelling;

5 .e)       de instellingen dienen om de drie maanden aan de bevoegde autoriteiten alle gevallen te melden waarin de grenswaarden van artikel 4 Ö 111 Õ , leden 1 en 2, van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ in de afgelopen drie maanden zijn overschreden.

Voor elk geval waarin de Ö onder e) bedoelde Õ grenswaarden zijn overschreden, dient opgave te worden gedaan van de hoogte van de overschrijding en van de naam van de betrokken cliënt.

ê 93/6/EEG bijlage VI, punten 9 en 12 (aangepast)

Artikel 32

1.         De bevoegde autoriteiten stellen procedures vast - waarvan zij kennisgeving doen aan de Raad en de Commissie - om te voorkomen dat instellingen de aanvullende kapitaalvereisten die voortvloeien uit het langer dan tien dagen voortduren van risico's boven de grenswaarden van artikel 4 Ö 111 Õ , leden 1 en 2, van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ , opzettelijk omzeilen door deze risico's tijdelijk naar een andere onderneming, al of niet behorend tot dezelfde groep, over te dragen en/of door middel van kunstmatige transacties waardoor het risico binnen de periode van tien dagen wordt beëindigd en een nieuw risico wordt gecreëerd. De instellingen dienen te zorgen voor regelingen die waarborgen dat elke overdracht die dit effect heeft, onmiddellijk ter kennis van de bevoegde autoriteiten wordt gebracht.

De bevoegde autoriteiten geven Ö de Raad en Õ de Commissie kennis van die procedures.

De instellingen dienen te zorgen voor regelingen die waarborgen dat elke overdracht die dit effect heeft, onmiddellijk ter kennis van de bevoegde autoriteiten wordt gebracht.

2.         De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen die overeenkomstig punt 2 van bijlage V Ö artikel 13, lid 2, Õ de alternatieve definitie Ö berekening Õ van het eigen vermogen mogen hanteren, toestaan die definitie Ö berekening Õ te gebruiken voor de toepassing van bovenstaande punten 5, 6 en 8 Ö artikel 30, leden 2 en 3, en artikel 31 Õ , mits de betrokken instellingen daarenboven moeten voldoen aan alle in de artikelen 3 en 4 Ö 110 tot en met 117 Õ van Richtlijn 92/121/EEG Ö [2000/12/EG] Õ voorgeschreven verplichtingen met betrekking tot risico's buiten hun handelsportefeuille, door gebruikmaking van eigen vermogen in de zin van Richtlijn 89/299/EEG Ö [2000/12/EG] Õ .

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Afdeling 5 Õ

WAARDERING VAN POSITIES VOOR RAPPORTAGEDOELEINDEN

Artikel 33

ò nieuw

1.         Op alle in de handelsportefeuille opgenomen posities worden conservatieve waarderingsregels in de zin van bijlage VII, deel B, toegepast. Deze regels verplichten de instellingen ertoe aan elke positie in de handelsportefeuille een waarde toe te kennen die de actuele marktwaarde adequaat weerspiegelt. In deze waarde dient een zekerheidsmarge te zijn verdisconteerd waarin rekening is gehouden met het dynamische karakter van de betrokken posities, de eisen inzake prudentiële soliditeit en de doelstellingen en de toepassing van de kapitaalvereisten met betrekking tot de handelsportefeuille.

2.         De posities worden ten minste dagelijks gewaardeerd.

ê 93/6/EEG artikel 6 (aangepast)

1. Instellingen dienen hun handelsportefeuilles dagelijks tegen marktwaarde te waarderen, tenzij zij onder artikel 4, lid 6, vallen.

23.       Bij ontstentenis van direct beschikbare marktprijzen, bij voorbeeld indien het nieuwe emissies op de primaire markten betreft, behoeven de bevoegde autoriteiten het vereiste van lid de leden 1 Ö en 2 Õ niet toe te passen, en mogen zij voorschrijven zij voor dat de instellingen andere waarderingsmethoden gebruiken, mits deze methoden voldoende voorzichtig zijn en door de bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd.

ê93/6/EEG

TOEZICHT OP GECONSOLIDEERDE BASIS

ò nieuw

werkingssfeer

ê 93/6/EEG

Artikel 7

Algemene beginselen

ê 98/31EG artikel 7, lid 10

10. Wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de in de leden 7 en 9 bedoelde ontheffing, kunnen de bevoegde autoriteiten voor de berekening van de kapitaalvereisten (bijlagen I en VIII) en de risico's met betrekking tot cliënten (bijlage VI) op geconsolideerde basis, toestaan dat posities in de handelsportefeuille van één instelling worden gecompenseerd met posities in de handelsportefeuille van een andere instelling overeenkomstig de voorschriften van de bijlagen I, VI en VIII.

Zij kunnen ook toestaan dat valutaposities bij één instelling worden gecompenseerd met valutaposities bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage III en/of bijlage VIII. Voorts kunnen zij toestaan dat posities in grondstoffen bij één instelling worden gecompenseerd met posities in grondstoffen bij een andere instelling, overeenkomstig de voorschriften van bijlage VII en/of bijlage VIII.

ò nieuw

afdeling 6

Risicobeheer en beoordeling van de kapitaaltoereikendheid

Artikel 34

De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat alle beleggingsondernemingen niet alleen aan de eisen van artikel 13 van Richtlijn 2004/39/EG, maar ook aan de eisen van de artikelen 22 en 123 van Richtlijn [2000/12/EG] voldoen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Afdeling 7 Õ

RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN

ê 93/6/EEG artikel 8 (aangepast)

Artikel 35

1.         De Llid-Sstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen aan de bevoegde autoriteiten van de Llid-Sstaat van herkomst alle nodige gegevens verstrekken om te beoordelen of zij voldoen aan de regels die ingevolge deze richtlijn zijn vastgesteld. De Llid-Sstaten dragen er tevens zorg voor dat de interne controlemechanismen en de administratieve en boekhoudprocedures van de instellingen het mogelijk maken te allen tijde na te gaan of aan deze regels wordt voldaan.

2.         Beleggingsondernemingen dienen verplicht te zijn aan de bevoegde autoriteiten, op de door deze autoriteiten voorgeschreven wijze, verslag uit te brengen, en wel ten minste eenmaal per maand in het geval van ondernemingen als bedoeld in artikel 3, lid 3, Ö 9 Õ ten minste eens in de drie maanden in het geval van de onder artikel 3 Ö 5 Õ , lid 1, vallende ondernemingen, en ten minste eens in de zes maanden in het geval van de onder artikel 3 Ö 5 Õ , lid 2, vallende ondernemingen.

3.         Onverminderd lid 2 hoeven de onder artikel 3, leden Ö 5, lid Õ 1 en 3 Ö artikel 9 Õ , vallende beleggingsondernemingen de gegevens op geconsolideerde of op gesubconsolideerde basis slechts eens in de zes maanden te verstrekken.

4.         Kredietinstellingen dienen verplicht te zijn aan de bevoegde autoriteiten op de door deze autoriteiten voorgeschreven wijze verslag uit te brengen met dezelfde frequentie als voor hun rapportageverplichtingen ingevolge Richtlijn 89/647/EEG Ö [2000/12/EG] Õ .

ê98/31/EG artikel 1, punt 5

5.         De bevoegde autoriteiten verplichten instellingen ertoe om hen onmiddellijk in kennis te stellen van gevallen waarin hun tegenpartijen bij retrocessieovereenkomsten en omgekeerde retrocessieovereenkomsten of bij verstrekte en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen in gebreke blijven. De Commissie brengt uiterlijk drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum bij de Raad verslag uit over die gevallen en over de gevolgen daarvan voor de behandeling van dergelijke overeenkomsten en transacties in deze richtlijn. In dat verslag wordt ook uiteengezet op welke wijze instellingen voldoen aan de voorwaarden i) tot en met v) van artikel 2, punt 6, onder b), welke op die instellingen van toepassing zijn, inzonderheid voorwaarde v). Voorts worden in dat verslag nadere gegevens verstrekt over eventuele veranderingen in de relatieve omvang van de door de instellingen verstrekte traditionele leningen en de leningen die zij verstrekken via omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen. Indien de Commissie op grond van dit verslag en van andere informatie concludeert dat verdere waarborgen nodig zijn om misbruiken te voorkomen, dient zij passende voorstellen in.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Hoofdstuk VI Õ

Ö Afdeling 1 Õ

BEVOEGDE AUTORITEITEN

ê 93/6/EEG artikel 9 (aangepast)

Artikel 36

1.         De Llid-Sstaten wijzen de autoriteiten aan die Ö bevoegd zijn om Õ de in deze richtlijn omschreven taken moeten vervullen. Zij stellen de Commissie van deze aanwijzing in kennis, onder vermelding van een eventuele taakverdeling.

2.         De in lid 1 bedoelde Ö bevoegde Õ autoriteiten moeten overheidsinstanties zijn of lichamen die bij de nationale wetgeving of door overheidsinstanties officieel zijn erkend als deel uitmakend van het in de betrokken Llid-Sstaat geldende stelsel van toezicht.

3.         Aan de betrokken Ö bevoegde Õ autoriteiten moeten worden alle benodigde bevoegdheden worden verleend voor de vervulling van hun taken, in het bijzonder met het oog op het toezicht op de samenstelling van de handelsportefeuille.

1. 4. De bevoegde autoriteiten van de onderscheiden Lid-Staten werken nauw samen voor de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken, in het bijzonder wanneer beleggingsdiensten worden verstrekt in het kader van dienstverrichting of door het vestigen van bijkantoren in een of meer Lid-Staten. Zij verstrekken elkaar op verzoek alle gegevens die het toezicht op de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, en in het bijzonder het controleren van de naleving van de in deze richtlijn vastgelegde regels kunnen vergemakkelijken. Voor elke uitwisseling van gegevens tussen bevoegde autoriteiten op grond van deze richtlijn geldt, met betrekking tot beleggingsondernemingen, de geheimhoudingsplicht omschreven in artikel 25 van Richtlijn 93/22/EEG en, met betrekking tot kredietinstellingen, de geheimhoudingsplicht omschreven in artikel 12 van Richtlijn 77/780/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG.

ò nieuw

Afdeling 2

Toezicht

Artikel 37

1.         Met inachtneming van het volgende, zijn de artikelen 124 tot en met 132, 136 en 144 van Richtlijn [2000/12/EG] van overeenkomstige toepassing op beleggingsondernemingen:

a)      verwijzingen naar artikel 6 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden als verwijzingen naar artikel 5 van Richtlijn 2004/39/EG;

b)      verwijzingen naar de artikelen 22 en 123 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden als verwijzingen naar artikel 34 van deze richtlijn;

c)      verwijzingen naar de artikelen 44 tot en met 52 van Richtlijn [2000/12/EG] gelden als verwijzingen naar de artikelen 54 en 58 van Richtlijn 2004/39/EG.

Wanneer een financiële EU-moederholding een kredietinstelling en een beleggingsonderneming als dochterondernemingen heeft, wordt één bevoegde autoriteit die voor het toezicht op de kredietinstelling verantwoordelijk is, aangewezen als bevoegde autoriteit voor het geconsolideerd toezicht op de entiteiten waarover de moederonderneming zeggenschap heeft.

2.         De voorwaarden van artikel 129, lid 2, van Richtlijn [2000/12/EG] gelden eveneens voor de erkenning van interne modellen van instellingen overeenkomstig bijlage V van deze richtlijn.

De termijn voor de in bovenstaande alinea bedoelde erkenning bedraagt zes maanden.

ê 93/6/EEG artikel 9, lid 4 (aangepast)

Artikel 38

1.         De bevoegde autoriteiten van de onderscheiden Llid-Sstaten werken nauw samen voor de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven taken, in het bijzonder wanneer beleggingsdiensten worden verstrekt in het kader van dienstverrichting of door het vestigen van bijkantoren in een of meer Lid-Staten.

Zij verstrekken elkaar op verzoek alle gegevens die het toezicht op de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, en in het bijzonder het controleren van de naleving van de in deze richtlijn vastgelegde regels kunnen vergemakkelijken.

2.         Voor elke uitwisseling van gegevens tussen bevoegde autoriteiten op grond van deze richtlijn geldt, met betrekking tot beleggingsondernemingen, de geheimhoudingsplicht Ö : Õ

a)      Ö met betrekking tot beleggingsondernemingen, als Õ omschreven in Ö de Õ artikel 25 Ö en 54 en 58 Õ van Richtlijn 93/22/EEG Ö 2004/39/EG; Õ

b)      en, met betrekking tot kredietinstellingen, Ö als Õ omschreven in Ö de Õ artikel 12 Ö en 44 tot en met 52 Õ van Richtlijn 77/780/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG Ö van Richtlijn [2000/12/EG] Õ .

ò nieuw

Hoofdstuk VII

Openbaarmaking

Artikel 39

De voorschriften van titel V, hoofdstuk 5, van Richtlijn [2000/12/EG] zijn van toepassing op beleggingsondernemingen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Hoofdstuk VIII Õ

Ö Afdeling 1 Õ

ò nieuw

Artikel 40

Onverminderd het bepaalde in de bijlage III, punten twee tot en met zes, van Richtlijn [2000/12/EG], worden voor de berekening van de minimumkapitaalvereisten welke gelden ten aanzien van het tegenpartijrisico op grond van deze richtlijn en ten aanzien van het kredietrisico op grond van Richtlijn [2000/12/EG], posities op erkende beleggingsondernemingen uit derde landen en posities op erkende clearinginstellingen en beurzen behandeld als posities op instellingen.

Artikel 41

De behandeling van het tegenpartijrisico zoals omschreven in bijlage II wordt uiterlijk tegen 31 december 2008 door de Commissie geëvalueerd en, zo nodig, herzien.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Afdeling 2 Õ

Ö Uitvoeringsbevoegdheden Õ

ê 93/6/EEG artikel 10 (aangepast)

ð nieuw

Artikel 42

1.         In afwachting van de aanneming van een volgende richtlijn waarin bepalingen worden vastgesteld tot aanpassing van deze richtlijn aan de technische vooruitgang op de hierna genoemde gebieden, neemt de Raad overeenkomstig Besluit 87/373/EEG, met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie, de nodige aanpassingen aan: Ö De Commissie neemt volgens de procedure van artikel 43, lid 2 besluiten aan over wijzigingen op de volgende gebieden: Õ

a)      verduidelijking van de definities van artikel 2 Ö 3 om Õ ten einde een eenvormige toepassing van deze richtlijn in de Gemeenschap te verzekeren,

b)      verduidelijking van de definities van artikel 2 Ö 3 Õ om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten,

c)      wijziging van de in Ö de Õ artikel Ö en 5 tot en met 9 Õ 3 vermelde bedragen van het aanvangskapitaal en van het in artikel 4, lid 6, Ö 18, lid 2, Õ genoemde bedrag om rekening te houden met de ontwikkelingen op economisch en monetair gebied,

ðd)  wijziging van de in artikel 20, leden 2 en 3, genoemde categorieën van beleggingsondernemingen om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten, ï

ðe)   verduidelijking van het vereiste van artikel 21 om een eenvormige toepassing van deze richtlijn in de Gemeenschap te verzekeren, ï

f)       aanpassing van de terminologie aan en formulering van de definities overeenkomstig latere besluiten betreffende instellingen en aanverwante onderwerpen.,

ðg)   wijziging van de technische voorschriften van de bijlagen I tot en met VII om rekening te houden met de ontwikkelingen op de financiële markten en inzake risicometing, standaarden voor jaarrekeningen en door de Gemeenschapswetgeving gestelde eisen. ï

ò nieuw

Artikel 43

1.         De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.         Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de procedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

ê 93/6/EEG (aangepast)

Ö Afdeling 3 Õ

OVERGANGSBEPALINGEN

ê93/6/EG artikel 11

Artikel 11

1. De Lid-Staten mogen vergunning verlenen aan de beleggingsondernemingen vallend onder artikel 30, lid 1, van Richtlijn 93/22/EEG waarvan het eigen vermogen op de datum van toepassing van deze richtlijn lager is dan het bedrag voorgeschreven uit hoofde van artikel 3, leden 1 tot en met 3. Het eigen vermogen van die beleggingsondernemingen moet daarna echter voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 3, leden 5 tot en met 8.

2. Onverminderd het bepaalde in punt 14 van bijlage I mogen de Lid-Staten met betrekking tot obligaties waaraan uit hoofde van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 89/647/EEG in die richtlijn een risicowegingsfactor van 10 % is toegekend, een vereiste voor het specifieke risico vaststellen, dat gelijk is aan de helft van het vereiste voor gekwalificeerde posten met dezelfde resterende looptijd als die obligatie.

ê98/31/EG artikel 1, punt 6 (aangepast)

Artikel 1

Tot en met 31 december 2006 kunnen de lidstaten hun instellingen toestaan de minimale «spread»-, overdrachts- en «outright»-coëfficiënten van onderstaande tabel te gebruiken in plaats van de in de punten 13, 14, 17 en 18 van bijlage VII genoemde, op voorwaarde dat de instellingen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten:

i)            in aanzienlijke mate in grondstoffen handelen

ii)           een gediversifieerde grondstoffenportefeuille hebben, en

iii)          nog niet in een positie verkeren om voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het grondstoffenrisico van interne modellen gebruik te maken overeenkomstig bijlage VIII.

Tabel I

|| Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Zachte grondstoffen (landbouw) || Overige, met inbegrip van energieproducten

Spreadcoëfficiënt (%) || 1.0 || 1.2 || 1.5 || 1.5

Overdrachtscoëfficiënt (%) || 0.3 || 0.5 || 0.6 || 0.6

Outrightcoëfficiënt (%) || 8 || 10 || 12 || 15

De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het gebruik dat zij maken van dit artikel.

ò nieuw

Artikel 44

Overeenkomstig artikel 2 en hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, van deze richtlijn is artikel 152, leden 1 tot en met 6, van Richtlijn [2000/12/EG] van toepassing op beleggingsondernemingen die voor de toepassing van bijlage II van deze richtlijn risicogewogen posten berekenen volgens de artikelen 84 tot en met 89 van Richtlijn [2000/12/EG] of die voor de berekening van hun kapitaalvereisten met betrekking tot operationele risico’s gebruik maken van de geavanceerde meetbenadering (AMA – Advanced Measurement Approach) zoals omschreven in artikel 105 van die richtlijn.

Artikel 45

Tot en met 31 december 2012 kunnen de lidstaten ten aanzien van beleggingsondernemingen waarvan de relevante indicator betreffende de trading- en salesafdeling ten minste 50% uitmaakt van het totaal van de relevante indicatoren voor alle divisies, berekend overeenkomstig artikel 20 van deze richtlijn en bijlage X, deel 2, punten 1 tot en met 8, van Richtlijn [2000/12/EG], een percentage van 15% hanteren voor de afdeling “trading en sales”.

ê 93/6/EEG artikel 12 (aangepast)

ð nieuw

Ö Afdeling 4 Õ

SLOTBEPALINGEN

Artikel 46

1.         De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op de datum vastgesteld in artikel 31, tweede alinea, van Richtlijn 93/22/EEG aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

1.         De lidstaten dragen er zorg voor dat uiterlijk op 31 december 2006 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen worden vastgesteld en bekendgemaakt om aan de artikelen 2, 3, 11, 13, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 29, 30, 33, 34, 35, 37, 39, 40, 42, 44, 45 en 47, en de bijlagen I, II, III, V en VII te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede alsmede een concordantietabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 31 december 2006.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. Ö In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in de bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. ÕDe regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2.         De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

ò nieuw

Artikel 47

1.         In het kader van deze richtlijn is artikel 152, leden 7 tot en met 12, van Richtlijn [2000/12/EG] van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in gevallen waarin het recht op beroepsgeheim als bedoeld in artikel 152, lid 7, van Richtlijn [2000/12/EG] wordt uitgeoefend, het volgende geldt:

a)      de verwijzingen in bijlage II, punt 6, van Richtlijn [2000/12/EG] worden gelezen als verwijzingen naar Richtlijn 2000/12/EG zoals deze luidde vóór de in artikel 46 genoemde datum;

b)      Het bepaalde in bijlage II, punt 4.1, is van toepassing zoals dit luidde vóór de in artikel 46 genoemde datum.

2.         Artikel 157, lid 2, van Richtlijn [2000/12/EG] geldt mutatis mutandis voor de toepassing van de artikelen 18 en 20.

ê93/6/EEG artikel 13

Artikel 13

De Commissie dient bij de Raad ten spoedigste voorstellen in voor kapitaalvereisten met betrekking tot de grondstoffenhandel, van grondstoffen afgeleide instrumenten en rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging.

De Raad spreekt zich uiterlijk zes maanden vóór de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, uit over de voorstellen van de Commissie.

ò nieuw

Artikel 48

Richtlijn 93/6/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VIII, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage VIII, deel B, genoemde termijn voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage IX opgenomen concordantietabel.

Artikel 49

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

ê93/6/EEG artikel 14

HERZIENINGSCLAUSULE

Artikel 14

Binnen drie jaar na de in artikel 12 bedoelde datum gaat de Raad, op voorstel van de Commissie, over tot onderzoek en, indien nodig, herziening van de richtlijn in het licht van de ervaring die met de toepassing ervan is opgedaan; daarbij houdt hij rekening met de vernieuwingen op de markt en, in het bijzonder, de ontwikkelingen in de internationale forums van regulerende autoriteiten.

ê93/6/EEG artikel 15

Artikel 50

Deze richtlijn is gericht tot de Llid-Sstaten.

Gedaan te Brussel, […]

Voor het Europees Parlement                        Voor de Raad

De voorzitter                                                  De voorzitter

[…]                                                                […]

ê 93/6/EEG (aangepast)

ð nieuw

BIJLAGE I

ð BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET ï POSITIERISICO

INLEIDING Ö ALGEMENE BEPALINGEN Õ

Saldering

1. Het saldo van de hausseposities (baisseposities) van de instelling tegenover haar baisseposities (hausseposities) posities in dezelfde aandelen, schuldinstrumenten en converteerbare waardepapieren en identieke financiële futures, opties, warrants en gedekte warrants, is de netto-positie van de instelling in elk van de verschillende instrumenten. Bij de berekening van de netto-positie staan de bevoegde autoriteiten toe dat posities in afgeleide instrumenten op de in de punten 4 tot en met 7 beschreven wijze behandeld worden als posities in de onderliggende (of virtuele) effecten. Door de instelling gehouden eigen schuldinstrumenten worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het specifieke risico overeenkomstig punt 14.

2. Tussen een converteerbaar waardepapier en een compenserende positie in het onderliggende instrument is geen saldering toegestaan, tenzij de bevoegde autoriteiten een benadering volgen waarbij rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid van de conversie van een bepaald converteerbaar waardepapier, of een kapitaalvereiste stellen ter dekking van eventuele bij conversie geleden verliezen.

3. Alle netto-posities, ongeacht of zij positief of negatief zijn, moeten voordat zij worden samengevoegd, op dagbasis tegen de geldende contante wisselkoers worden omgerekend in de rapportagevaluta van de instelling.

Specifieke instrumenten

ê 93/6/EEG (aangepast)

è1 1 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder c)

è1 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder a)

4. Rentefutures, rentetermijncontracten (FRA's) en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van schuldinstrumenten worden behandeld als combinaties van hausse- en baisseposities. Aldus wordt een lange rentefuturepositie behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum van het futurecontract en een vordering waarvan de vervaldatum gelijk is aan die van het instrument of de virtuele positie die aan het futurecontract in kwestie ten grondslag liggen. Evenzo wordt een verkocht FRA behandeld als een haussepositie die vervalt op de afwikkelingsdatum, verlengd met de contractduur, en een baissepositie die vervalt op de afwikkelingsdatum. Zowel de schuld als de vordering worden opgenomen in de kolom «centrale overheid» Ö eerste categorie Õ van tabel 1 in punt 14 Ö 14 Õ voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico in verband met rentefutures en FRA's. Een termijnverbintenis tot aankoop van een schuldinstrument wordt behandeld als een combinatie van een schuld die vervalt op de leveringsdatum en een lange (contante) positie in het schuldinstrument zelf. De schuld wordt opgenomen in de kolom «centrale overheid» Ö eerste categorie Õ van tabel 1 Ö in punt 14 Õ voor het specifieke risico en het schuldinstrument in de daarvoor in aanmerking komende kolom in dezelfde tabel. è1 --- ç

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder a) (aangepast)

De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor een future dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen.

Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-derivatencontract van het type als bedoeld in dit punt en dat door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan het derivatencontract verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor het contract in kwestie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen.

ê 93/6/EEG artikel 2, lid 22 (aangepast)

Ö Voor de toepassing van dit lid wordt onder Õ «haussepositie» voor de toepassing van bijlage I, punt 4: Ö verstaan, Õ een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente heeft vastgelegd en Ö onder Õ «baissepositie»:, een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft vastgelegd;.

ê 93/6/EEG

5. Opties op rente, schuldinstrumenten, aandelen, aandelenindexen, financiële futures, swaps en valuta's worden voor de toepassing van deze bijlage behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van het onderliggende instrument waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met compenserende posities in dezelfde onderliggende effecten of daarvan afgeleide instrumenten. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten berekende delta dan wel, indien deze niet beschikbaar is, of voor OTC-opties, de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits de bevoegde autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de instelling gebruikte model.

De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel ook voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de bevoegde autoriteiten aangegeven methode.

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder b) (aangepast)

De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat vVoor de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, Ö moet Õ dekking aanwezig moet zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven ter beurze verhandelde optie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt, en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste ter dekking van een optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-grondstoffenoptie die door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijk is aan het kapitaalvereiste voor een OTC-optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methoden dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen. Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte ter beurze verhandelde of OTC-optie gelijk is aan dat voor het onderliggende instrument, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van het onderliggende instrument.

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder c)

6. Warrants die betrekking hebben op schuldinstrumenten en aandelen, worden op dezelfde wijze behandeld als opties in punt 5.

ê 93/6/EEG

7. Swaps worden met betrekking tot het renterisico op dezelfde basis behandeld als balansinstrumenten. Aldus wordt een renteswap waarbij een instelling een variabele rente ontvangt en een vaste rente betaalt, behandeld als een haussepositie in een instrument met variabele rente met een looptijd die gelijk is aan de periode tot de volgende rentevaststelling, en een baissepositie in een instrument met vaste rente en met dezelfde looptijd als de swap zelf.

ò nieuw

8. Voor kredietderivaten dient, tenzij anders is bepaald, de onderliggende waarde van het contract te worden gebruikt. Voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het marktrisico van de partij die het kredietrisico draagt (de "protectiegever") worden de posities als volgt bepaald:

Een totale-opbrengstenswap geeft aanleiding tot boeking van een haussepositie onder het algemeen marktrisico van de referentieverplichting en van een baissepositie onder het algemeen marktrisico van een overheidsobligatie waaraan overeenkomstig bijlage VI van Richtlijn [2000/12/EG] een risicogewicht van 0% wordt toegewezen. Daarnaast geeft een dergelijke swap aanleiding tot boeking van een haussepositie onder het specifieke risico van de referentieverplichting.

Voor een kredietverzuimswap behoeft onder het algemeen marktrisico geen positie te worden geboekt. Wat betreft het specifieke risico, dient de instelling een synthetische haussepositie in een verplichting van de referentie‑entiteit te boeken. Indien uit hoofde van het product premie- of rentebetalingen verschuldigd zijn, dienen de desbetreffende kasstromen als theoretische posities in een overheidsobligatie, met de corresponderende vaste of variabele rente, te worden weergegeven.

Een 'credit linked note' geeft aanleiding tot boeking van een haussepositie onder het algemeen marktrisico van de note zelf, zoals voor een renteproduct. Wat betreft het specifieke risico, wordt een synthetische haussepositie in een verplichting van de referentie‑entiteit geboekt. Tevens wordt een haussepositie onder het specifieke risico van de emittent van de note geboekt.

Een 'first-asset-to-default' mandje geeft aanleiding tot boeking, voor het theoretische bedrag, van een positie in een verplichting van elke referentie-entiteit. Indien het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de kredietwaardigheid aantast kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van dit lid verkregen kredietvereiste, dan kan dat maximumbedrag als kapitaalvereiste voor het specifieke risico worden aangehouden.

Een 'second-asset-to-default' mandje geeft aanleiding tot boeking, voor het theoretische bedrag, van een positie in een verplichting van elke referentie-entiteit minus één (die met het kleinste kapitaalvereiste voor het specifieke risico). Indien het hoogste te betalen bedrag bij een omstandigheid die de kredietwaardigheid aantast kleiner is dan het overeenkomstig de eerste zin van dit lid verkregen kredietvereiste, dan kan dat maximumbedrag als kapitaalvereiste voor het specifieke risico worden aangehouden.

Wanneer een credit linked note-mandje een externe rating heeft en als gekwalificeerd schuldinstrument wordt erkend, volstaat het één haussepositie voor het specifieke risico van de emittent van de note in plaats van afzonderlijke posities voor het specifieke risico van alle refentie-entiteiten te boeken.

Een mandje dat proportionele protectie verschaft, geeft wat betreft het specifieke risico aanleiding tot boeking van een positie in elke referentie-entiteit, waarbij de totale onderliggende waarde van het contract over de posities wordt gespreid in verhouding tot het aandeel van elke aan een referentie-entiteit verbonden risicopositie in de totale onderliggende waarde. Wanneer voor een referentie-entiteit meer dan één verplichting in aanmerking komt, wordt de verplichting met het hoogste risicogewicht in aanmerking genomen voor het specifieke risico. In plaats van de looptijd van de verplichting geldt de looptijd van de kredietderivaatovereenkomst.

In hoofde van de partij die het kredietrisico overdraagt ("de protectienemer") worden de posities vastgesteld als spiegelbeeld van die van de protectiegever, behalve voor credit linked notes (die bij de emittent geen aanleiding geven tot een baissepositie). Als op een gegeven moment een combinatie van een call-optie en een step-up optreedt, wordt het desbetreffende tijdstip beschouwd als de looptijd van het protectie-instrument. In het geval van nth-to-default kredietderivaten kunnen protectienemers het specifieke risico van n-1 van de onderliggende waarden (namelijk de n-1 activa met het laagste kapitaalvereiste voor het specifieke risico) buiten beschouwing laten.

ê 93/6/EEG (aangepast)

89. Instellingen die het renterisico op afgeleide instrumenten als bedoeld in de punten 4 tot en met 7 op «discounted cash flow»-basis waarderen en beheren, mogen gebruik maken van gevoeligheidsmodellen voor de berekening van de bovengenoemde posities, en dienen daarvan gebruik te maken voor obligaties die over de resterende looptijd, en niet aan het einde daarvan via terugbetaling van de hoofdsom in één termijn worden afgelost. Zowel het model als het gebruik ervan door de instelling moeten door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd. Deze modellen moeten posities opleveren die dezelfde gevoeligheid voor renteschommelingen hebben als de onderliggende cash flows. Bij de evaluatie van deze gevoeligheid moet worden uitgegaan van onafhankelijke schommelingen in over de gehele rendementscurve bemonsterde renten, waarbij ten minste één gevoeligheidspunt in elk van de in tabel 2 van punt 18 Ö 20 Õ hieronder genoemde looptijdklassen wordt genomen. De posities worden bij de berekening van de kapitaalvereisten in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen van de punten 15 tot en met 30 Ö 17 tot en met 32 Õ .

910. Instellingen die geen gebruik maken van modellen overeenkomstig punt 8 Ö 9 Õ , mogen in de plaats daarvan, met goedvinden van de bevoegde autoriteiten, posities in afgeleide instrumenten als bedoeld in de punten 4 tot en met 7 als volledig compenserende posities behandelen, mits zij ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

ia)     de posities hebben dezelfde waarde en luiden in dezelfde valuta;

iib)    de referentierenten (voor posities met variabele rente) of coupons (voor posities met vaste rente) sluiten nauw bij elkaar aan;

iiic)   de eerstvolgende data van rentevaststelling of, voor vastecouponposities, de resterende looptijden vallen binnen de volgende grenzen samen:

i)       minder dan een maand: dezelfde dag;

ii)      tussen een maand en een jaar: binnen zeven dagen;

iii)     meer dan een jaar: binnen dertig dagen.

1011. De partij die effecten of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van effecten overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die effecten in lening geeft bij een effectenleningstransactie, dient deze effecten te betrekken in de berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze bijlage, mits deze effecten voldoen aan de criteria van artikel 2, punt 6, onder a) Ö 11 Õ .

ê 93/6/EEG (aangepast)

11. Posities in rechten van deelneming van instellingen voor collectieve belegging worden onderworpen aan de kapitaalvereisten van Richtlijn 89/647/EEG, in plaats van aan de positierisicovereisten uit hoofde van deze bijlage.

Specifieke en algemene risico's

12. Het positierisico met betrekking tot een verhandelbaar schuldinstrument of aandeel (of een van een schuldinstrument of een aandeel afgeleid instrument) wordt met het oog op de berekening van het desbetreffende kapitaalvereiste gesplitst in twee componenten. De eerste component betreft het specifieke risico. Dit is het risico van een prijsverandering in het betrokken instrument als gevolg van factoren die verband houden met de emittent ervan of, in het geval van een afgeleid instrument, de emittent van het onderliggende instrument. De tweede component betreft het algemene risico. Dit is het risico van een prijsverandering van het instrument als gevolg van (bij een verhandelbaar schuldinstrument of van een schuldinstrument afgeleid instrument) een wijziging in de rentestand of (bij een aandeel of van een aandeel afgeleid instrument) een algemene koersontwikkeling op de aandelenmarkt die geen verband houdt met enigerlei specifieke aspecten van de betrokken waardepapieren.

VERHANDELBARE SCHULDINSTRUMENTEN

13.       De instelling deelt haar nNetto-posities in Ö worden ingedeeld Õ naar de valuta's waarin zij luiden en berekent het kapitaalvereiste voor het algemene en het specifieke risico Ö wordt berekend Õ in elke valuta afzonderlijk.

Specifiek risico

ê 93/6/EEG

ð nieuw

14. De instelling brengt haar overeenkomstig punt 1 berekende netto-posities op grond van hun resterende looptijden onder in de desbetreffende categorieën van tabel 1, en vermenigvuldigt deze vervolgens met de wegingsfactoren. It shall sum its weighted positions (regardless of whether they are long or short) in order to calculate its capital requirement against specific risk. ðop grond van de emittent/debiteur, de externe of interne kredietbeoordeling en hun resterende looptijden in de handelsportefeuille onder in de desbetreffende categorieën van tabel 1, en vermenigvuldigt deze vervolgens met de overeenkomstige wegingsfactoren. Zij bepaalt de som van haar gewogen posities (ongeacht of het hausse- dan wel baisseposities betreft) teneinde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te berekenen. ï

ê 93/6/EEG

Tabel 1

Posten van de centrale overheid || Gekwalificeerde posten || Overige posten

|| 0-6 maand || 6-24 maand || > 24 maand ||

0,00 % || 0,25 % || 1,00 % || 1,60 % || 8,00 %

ò nieuw

Tabel 1

Posten || Kapitaalvereiste voor het specifieke risico

Schuldtitels uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden, uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens de standaard- of interne-ratingbenadering een risicogewicht van 0% zou worden toegepast || 0%

Schuldtitels uitgegeven of gegarandeerd door centrale overheden, uitgegeven door centrale banken, internationale organisaties, multilaterale ontwikkelingsbanken of regionale of lagere overheden waarop volgens de standaardbenadering een risicogewicht van 20% of 50% zou worden toegepast Andere gekwalificeerde posten als gedefinieerd in punt 15 hierna || 0,25% (resterende looptijd tot eindvervaldatum van zes maand of minder) 1,00% (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan zes maand tot ten hoogste 24 maand) 1,60% (resterende looptijd tot eindvervaldatum van meer dan 24 maand)

Alle andere || 8,00%

15.       Voor de toepassing van punt 14 wordt onder gekwalificeerde posten verstaan:

a)      hausse- en baisseposities in activa waaraan een kredietkwaliteitstrap kan worden toegekend welke minstens overeenkomt met de kwalificatie “investeringswaardig (investment grade)” van de categorisering als bedoeld in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 1, van Richtlijn [2000/12/EG];

b)      hausse- en baisseposities in activa die, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een PD hebben die niet hoger is dan die van de onder a) hierboven bedoelde activa, volgens de benadering van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 2, van Richtlijn [2000/12/EG];

c)      hausse- en baisseposities in activa waarvoor geen kredietbeoordeling door een aangewezen exteren kredietbeoordelingsinstelling beschikbaar is en die aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)       zij worden door de betrokken instellingen als voldoende liquide beschouwd;

ii)      de beleggingskwaliteit ervan is volgens de eigen beoordeling van de instelling minstens gelijkwaardig aan die van de onder a) hierboven bedoelde activa;

iii)     zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt in een lidstaat of aan een beurs in een derde land, mits deze beurs erkend is door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat;

d)      het betreft, naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten, hausse- en baisseposities in activa uitgegeven door instellingen die aan de kapitaalvereisten van Richtlijn [2000/12/EG] zijn onderworpen.

De bevoegde autoriteiten oefenen toezicht uit op de wijze waarop de schuldinstrumenten worden beoordeeld, en wijzen de evaluatie van de instelling af indien aan de betrokken instrumenten naar hun oordeel een te hoog specifiek risico verbonden is om als gekwalificeerde posten te kunnen worden beschouwd.

16. De bevoegde autoriteiten verlangen van de instellingen dat zij de maximumwegingsfactor van tabel 1 toepassen op instrumenten waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent en/of ontoereikende liquiditeit een bijzonder risico verbonden is.

ê 93/6/EEG

Algemeen risico

a) Op grond van de looptijd

ê 93/6/EEG (aangepast)

1517. De procedure voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het algemene risico bestaat uit twee fasen. Eerst worden alle posities gewogen naar looptijd (zoals uiteengezet in punt 16 Ö 18 Õ ) ten einde het bedrag van het desbetreffende kapitaalvereiste te berekenen. Vervolgens kan dit vereiste worden verlaagd wanneer een gewogen positie naast een tegengestelde gewogen positie in dezelfde looptijdklasse wordt ingenomen. Verlaging van het vereiste is ook toegestaan wanneer de tegengestelde gewogen posities zich in verschillende looptijdklassen bevinden; de omvang van deze verlaging hangt af van het zich al dan niet in dezelfde zone bevinden van de twee posities alsmede van de concrete zones waarin zij zich bevinden. In totaal zijn er drie zones (groepen van looptijdklassen).

1618. De instelling brengt haar netto-posities onder in de desbetreffende looptijdklassen in de tweede of derde kolom van tabel 2 van punt 18 Ö 20 Õ . Zij doet dit op grond van resterende looptijden in het geval van vastrentende instrumenten en op grond van de periode tot de volgende rentevaststelling in het geval van instrumenten waarvan de rente vóór de eindvervaldatum kan veranderen. Zij maakt tevens onderscheid tussen schuldinstrumenten met een coupon van 3 % of meer en schuldinstrumenten met een coupon van minder dan 3 %, en deelt deze dienovereenkomstig in in de tweede dan wel de derde kolom van tabel 2. Zij vermenigvuldigt dan elk van deze netto-posities met de wegingsfactor die voor de desbetreffende looptijdklasse is vermeld in de vierde kolom van tabel 2.

ê 93/6/EEG

1719. Vervolgens bepaalt zij de som van de gewogen hausseposities en de som van de gewogen baisseposities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde som, vormt de gecompenseerde gewogen positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende hausse- of baissepositie de niet-gecompenseerde gewogen positie in deze zelfde looptijdklasse is. Vervolgens wordt het totaal van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen berekend.

1820. De instelling berekent het totaal van de niet-gecompenseerde gewogen hausseposities voor de looptijdklassen in elk van de zones in tabel 2, ten einde de niet-gecompenseerde gewogen haussepositie voor elke zone te bepalen. Op dezelfde wijze wordt de som van de niet-gecompenseerde gewogen baisseposities voor elke looptijdklasse in een bepaalde zone bepaald om te komen tot de niet-gecompenseerde gewogen baissepositie voor deze zone. Het deel van de niet-gecompenseerde gewogen haussepositie van een bepaalde zone dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde gewogen baissepositie voor dezelfde zone, is de gecompenseerde gewogen positie voor die zone. Het deel van de niet-gecompenseerde gewogen lange of niet-gecompenseerde gewogen baissepositie voor een zone dat niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de niet-gecompenseerde gewogen positie voor die zone.

Tabel 2

Zones || Looptijdklassen || Wegingsfactor (%) || Veronderstelde renteverandering (%)

Coupon van 3 % of meer || Coupon van minder dan 3 %

Een || 0 ≤ 1 maand || 0 ≤ 1 maand || 0,00 || —

> 1 ≤ 3 maand || > 1 ≤ 3 maand || 0,20 || 1,00

> 3 ≤ 6 maand || > 3 ≤ 6 maand || 0,40 || 1,00

> 6 ≤ 12 maand || > 6 ≤ 12 maand || 0,70 || 1,00

Twee || > 1 ≤ 2 jaar || > 1,0 ≤ 1,9 jaar || 1,25 || 0,90

> 2 ≤ 3 jaar || > 1,9 ≤ 2,8 jaar || 1,75 || 0,80

> 3 ≤ 4 jaar || > 2,8 ≤ 3,6 jaar || 2,25 || 0,75

Drie || > 4 ≤ 5 jaar || > 3,6 ≤ 4,3 jaar || 2,75 || 0,75

> 5 ≤ 7 jaar || > 4,3 ≤ 5,7 jaar || 3,25 || 0,70

> 7 ≤ 10 jaar || > 5,7 ≤ 7,3 jaar || 3,75 || 0,65

> 10 ≤ 15 jaar || > 7,3 ≤ 9,3 jaar || 4,50 || 0,60

> 15 ≤ 20 jaar || > 9,3 ≤ 10,6 jaar || 5,25 || 0,60

> 20 jaar || > 10,6 ≤ 12,0 jaar || 6,00 || 0,60

|| > 12,0 ≤ 20,0 jaar || 8,00 || 0,60

|| > 20 jaar || 12,50 || 0,60

ê 93/6/EEG (aangepast)

1921. Vervolgens wordt het bedrag berekend ten belope waarvan de niet-gecompenseerde gewogen lange (korte) positie in zone 1 gelijk is aan het bedrag van de niet-gecompenseerde gewogen korte (lange) positie in zone 2. Dit bedrag wordt in punt 23 Ö 25 Õ aangeduid als de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 2. Dezelfde berekening vindt vervolgens plaats voor het resterende deel van de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 2 en de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 3, ten einde de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 2 en 3 te bepalen.

2022. De instelling mag desgewenst de volgorde in punt 19 Ö 21 Õ omkeren, dat wil zeggen eerst de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 2 en 3 berekenen en vervolgens die tussen de zones 1 en 2.

ê 93/6/EEG (aangepast)

2123. Ten einde de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 3 te bepalen, wordt vervolgens bepaald tot welk bedrag het resterende deel van de niet-gecompenseerde gewogen positie in zone 1 gelijk is aan het deel dat voor zone 3 resteert nadat deze zone is gecompenseerd met zone 2.

2224. De na de drie afzonderlijke compensatieberekeningen van de punten 19 tot en met 21 Ö , 22 en 23 Õ resterende posities worden opgeteld.

2325. Het kapitaalvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van:

a)           10 % van de som van de gecompenseerde gewogen posities in alle looptijdklassen;

b)           40 % van de gecompenseerde gewogen positie in zone 1;

c)           30 % van de gecompenseerde gewogen positie in zone 2;

d)           30 % van de gecompenseerde gewogen positie in zone 3;

e)           40 % van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 2, en tussen de zones 2 en 3 (zie punt 19 Ö 21 Õ );

f)            150 % van de gecompenseerde gewogen positie tussen de zones 1 en 3;

g)           100 % van de resterende niet-gecompenseerde gewogen posities.

b) Op grond van de «duration»

2426. De bevoegde autoriteiten in een Llid-Sstaat mogen als algemene regel of per geval toestaan dat de instellingen voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het algemene risico met betrekking tot verhandelbare schuldinstrumenten een systeem gebruiken dat de «duration» weergeeft in plaats van het systeem dat in de punten 15 tot en met 23 Ö 17 tot en met 25 Õ is beschreven, mits zulks consequent geschiedt.

ê 93/6/EEG (aangepast)

2527. In een dergelijk systeem Ö als bedoeld in punt 26 Õ berekent de instelling, uitgaande van de marktwaarde van elk vastrentend schuldinstrument, het rendement tot het einde van de looptijd, dat het impliciete discontopercentage voor dat instrument is. Bij instrumenten met variabele rente berekent de onderneming, uitgaande van de marktwaarde van elk instrument, het rendement op basis van de hypothese dat het kapitaal verschuldigd wordt op het tijdstip dat de rente voor wijziging vatbaar is (voor de eerstvolgende periode).

ê 93/6/EEG

2628. Vervolgens berekent de instelling voor elk schuldinstrument de «gewijzigde duration» op grond van de volgende formule:gewijzigde duration = ((duration (D))/(1 + r)), waarin

D || = || ((∑t = 1m((t Ct)/((1 + r)t)))/(∑t = 1m((Ct)/((1 + r)t))))

en

R || = || rendement tot einde van de looptijd (zie punt 25)

Ct || = || constante betaling in tijd t

M || = || totale looptijd (zie punt 25)

2729. De instelling brengt elk instrument onder in de passende zone van tabel 3 en gaat daarbij uit van de gewijzigde «duration» voor elk instrument.

Tabel 3

Zones || Gewijzigde duration (in jaar) || Veronderstelde renteverandering (in %)

Een || > 0 ≤ 1,0 || 1.0

Twee || > 1,0 ≤ 3,6 || 0.85

Drie || > 3,6 || 0.7

2830. De instelling berekent vervolgens de naar duration gewogen positie van elk instrument door de marktwaarde ervan te vermenigvuldigen met de gewijzigde duration en met de veronderstelde renteverandering voor een instrument met die specifieke gewijzigde duration (zie kolom 3 van tabel 3).

2931. De instelling bepaalt haar naar duration gewogen lange en haar naar duration gewogen baisseposities in elke zone. Het bedrag van de eerstgenoemde posities dat in elke zone door laatstgenoemde posities wordt gecompenseerd, is de gecompenseerde naar duration gewogen positie voor deze zone.

ê 93/6/EEG (aangepast)

De instelling berekent vervolgens de niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities voor elke zone. Zij volgt dan de werkwijze die in de punten 19 tot en met 22 Ö 21 tot en met 24 Õ voor niet-gecompenseerde gewogen posities is beschreven.

ê 93/6/EEG

3032. Het kapitaalvereiste voor de instelling wordt berekend als de som van:

a)           2 % van de som van de gecompenseerde naar duration gewogen positie in elke zone;

b)           40 % van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 2 en tussen de zones 2 en 3;

c)           150 % van de gecompenseerde naar duration gewogen posities tussen de zones 1 en 3;

d)           100 % van de resterende niet-gecompenseerde naar duration gewogen posities.

AANDELEN

3133. De instelling bepaalt de som van al haar netto - volgens punt 1 - hausseposities en van al haar netto baisseposities. De som van de twee cijfers is haar totale bruto-positie. Het verschil tussen de twee cijfers is haar totale netto-positie.

Specifiek risico

ê 93/6/EEG

ð nieuw

32.34ð De instelling bepaalt de som van al haar netto hausseposities en van al haar netto baisseposities overeenkomstig punt 1. ï Zij vermenigvuldigt haar totale brutopositie met 4 % teneinde haar kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico te bepalen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

3335. Onverminderd punt 35 Ö In afwijking van punt 34 Õ mogen de bevoegde autoriteiten een kapitaalvereiste voor het specifieke risico toestaan van 2% in plaats van 4% voor door een instelling gehouden portefeuilles van aandelen die voldoen aan de volgende voorwaarden:

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 1, onder d) (aangepast)

ia)          de aandelen mogen niet afkomstig zijn van emittenten die uitsluitend verhandelbare schuldinstrumenten hebben uitgegeven waarvoor momenteel in tabel 1 van punt 14 een vereiste van 8 % geldt, of waarvoor, uitsluitend omdat zij zijn gegarandeerd of door zekerheid zijn gedekt, een lager kapitaalvereiste geldt;

ê 93/6/EEG

iib)         de aandelen moeten door de bevoegde autoriteiten zeer liquide worden geacht op basis van objectieve criteria;

ê 93/6/EEG (aangepast)

iiic)        geen individuele positie mag meer dan 5 % bedragen van de waarde van de totale aandelenportefeuille van de instelling.

Ö Voor de toepassing van c) kunnen Õ Dde bevoegde autoriteiten kunnen evenwel individuele posities van ten hoogste 10 % toestaan op voorwaarde dat het totaal van die posities niet meer dan 50 % van de portefeuille bedraagt.

ê 93/6/EEG

Algemeen risico

3436. Het kapitaalvereiste met betrekking tot het algemene risico is de totale netto-positie vermenigvuldigd met 8 %.

Aandelenindexfutures

ê 93/6/EEG (aangepast)

3537. Aandelenindexfutures, naar de delta gewogen equivalenten van opties in aandelenindexfutures en aandelenindexen, hierna aangeduid met de verzamelnaam «aandelenindexfutures», mogen worden opgesplitst in posities in elk van de daaraan ten grondslag liggende aandelen. Deze posities mogen worden behandeld als onderliggende posities in de desbetreffende aandelen; Ö en mogen Õ met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten mogen zij derhalve worden gesaldeerd met tegengestelde posities in de onderliggende aandelen zelf.

ê 93/6/EEG

3638. De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat een instelling die haar posities in een of meer van de aan een aandelenindexfuture ten grondslag liggende aandelen gesaldeerd heeft met een of meer tegengestelde posities in de aandelenindexfuture zelf, over toereikend kapitaal beschikt ter dekking van het risico van verlies als gevolg van het feit dat de waarde van de future niet exact de ontwikkeling volgt van de waarde van de onderliggende aandelen; hetzelfde geldt wanneer een instelling tegengestelde posities houdt in aandelenindexfutures die wat betreft looptijd en/of samenstelling niet identiek zijn.

ê 93/6/EEG (aangepast)

3739. Onverminderd Ö In afwijking van Õ de punten 35 en 36 Ö 37 en 38 Õ geldt voor ter beurze verhandelde aandelenindexfutures die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten op ruim gediversifieerde indices berusten, een kapitaalvereiste van 8 % met betrekking tot het algemene risico, maar geen kapitaalvereiste met betrekking tot het specifieke risico. Deze aandelenindexfutures worden in aanmerking genomen bij de berekening van de totale netto-positie als bedoeld in punt 31 Ö 33 Õ , maar buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de totale bruto-positie als bedoeld in hetzelfde punt.

ê 93/6/EEG

3840. Indien een aandelenindexfuture niet in onderliggende posities wordt opgesplitst, wordt hij behandeld als één afzonderlijk aandeel. Het specifieke risico met betrekking tot dit afzonderlijke aandeel kan echter buiten beschouwing blijven indien het gaat om een aandelenindexfuture die ter beurze wordt verhandeld en die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten op een ruim gediversifieerde index berust.

OVERNEMING

ê 93/6/EEG (aangepast)

3941. In het geval van overneming van emissies van schuldinstrumenten en aandelen kunnen de bevoegde autoriteiten een instelling toestaan de volgende methode te gebruiken ter berekening van de kapitaalvereisten. Eerst worden de netto-posities berekend door de op grond van een formele overeenkomst bijderden geplaatste of door derden herovergenomen overnemingsposities af te trekken. Vervolgens worden op de netto-posities de volgende Ö in tabel 4 vermelde Õ verlagingsfactoren toegepast:.

Tabel 4

- werkdag 0: || 100 %

- werkdag 1: || 90 %

- werkdagen 2 en 3: || 75 %

- werkdag 4: || 50 %

- werkdag 5: || 25 %

- na werkdag 5: || 0 %

ê 93/6/EEG

Werkdag 0 is de werkdag waarop de instelling een onherroepelijke verbintenis is aangegaan tot aanvaarding van een bekend aantal waardepapieren tegen een overeengekomen prijs.

Tenslotte worden de kapitaalvereisten berekend op basis van de verlaagde overnemingsposities.

De bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de instelling over voldoende kapitaal beschikt ter dekking van het risico van verlies in het tijdvak tussen het aangaan van de oorspronkelijke verbintenis en werkdag 1.

ò nieuw

KAPITAALVEREISTEN VOOR HET SPECIFIEKE RISICO VAN DOOR KREDIETDERIVATEN AFGEDEKTE POSITIES IN DE HANDELSPORTEFEUILLE

42. Het vereiste wordt overeenkomstig de in de punten 43 tot en met 46 uiteengezette beginselen verlaagd indien protectie wordt verschaft door middel van kredietderivaten.

43. Het vereiste wordt verlaagd tot 0% als de waardeverandering van een protectie-instrument in de ene richting altijd gepaard gaat met een vrijwel gelijke waardeverandering van een ander instrument in tegenovergestelde richting. Dat zal het geval zijn wanneer:

a)      in beide richtingen volstrekt identieke instrumenten worden gebruikt;

b)      een cashpositie à la hausse is afgedekt door een totale-opbrengstenswap (of andersom) en er volstrekte overeenstemming is tussen de referentieverplichting en de onderliggende vorderingen (d.i. de cashpositie). De looptijd van de swap kan verschillen van die van de onderliggende vordering.

In dergelijke gevallen is op geen van beide zijden van de positie een kapitaalvereiste voor het specifieke risico van toepassing.

44. Het vereiste wordt verminderd met 80% als de waardeverandering van een protectie-instrument in de ene richting altijd gepaard gaat met een waardeverandering van een ander instrument in tegenovergestelde richting en er volstrekte overeenstemming is wat betreft de referentieverplichting, de looptijd van zowel de referentieverplichting als het kredietderivaat, en de valuta van de onderliggende vordering. Bovendien mogen wezenlijke bepalingen van de kredietderivaatovereenkomst niet ertoe leiden dat er tussen veranderingen in de waarde van het kredietderivaat en veranderingen in de waarde van de cashpositie significante afwijkingen optreden. Wanneer de transactie gepaard gaat met een overdracht van risico, wordt het vereiste voor het specifieke risico met 80% verminderd aan de zijde van de transactie waar het hoogste kapitaalvereiste geldt en wordt het vereiste voor het specifieke risico aan de andere zijde verminderd tot nul.

45. Er wordt een gedeeltelijke vermindering toegestaan als de waardeverandering van een protectie-instrument in de ene richting gewoonlijk gepaard gaat met een waardeverandering van een ander instrument in tegenovergestelde richting. Dat zal het geval zijn wanneer:

a)      de positie onder punt 43, b), valt, maar er sprake is van een activamismatch tussen de referentieverplichting en de onderliggende vordering. De posities voldoen echter aan de volgende voorwaarden:

i)       de referentieverplichting heeft dezelfde of een lagere rangorde dan de onderliggende verplichting;

ii)      de onderliggende verplichting en de referentieverplichting hebben dezelfde debiteur en juridisch afdwingbare kruislingse kredietverzuimclausules of kruislingse vervroegde opeisbaarheidsclausules;

b)      de positie onder punt 43, a), of punt 44 valt, maar er sprake is van een valutamismatch of looptijdverschil tussen de kredietprotectie en het onderliggende actief (valutamismatches dienen overeenkomstig bijlage III in de gewone rapportage over het valutarisico te worden opgenomen);

c)      de positie onder punt 44 valt, maar er sprake is van een activamismatch tussen de cashpositie en het kredietderivaat. Het onderliggende actief wordt in de kredietderivaatdocumentatie evenwel opgenomen onder de te leveren verplichtingen.

In elk van bovenbedoelde gevallen worden de respectieve kapitaalvereisten voor beide zijden van de transactie niet bij elkaar opgeteld, maar wordt uitsluitend het hoogste van beide bedragen in aanmerking genomen.

46. Alle gevallen die niet onder punt 45 vallen, geven aanleiding tot een beoordeling van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico op grond van beide zijden van de positie.

Kapitaalvereisten voor in de handelsportefeuille opgenomen posities op ICB’s

47. De kapitaalvereisten voor posities op instellingen voor collectieve belegging (ICB’s) die voldoen aan de in artikel 11 gestelde voorwaarden om voor de kapitaalvoorschriften voor de handelsportefeuille in aanmerking te komen, worden berekend volgens de in de punten 48 tot en met 56 beschreven methoden.

48. Onverminderd andere bepalingen van deze afdeling geldt voor posities op ICB’s een kapitaalvereiste voor het (specifieke en algemene) positierisico van 32%. Onverminderd de bepalingen van bijlage III, punt 3, onder i), of bijlage V, punt 13, onder v), geldt wanneer de aldaar beschreven gewijzigde behandeling van goud wordt toegepast, voor posities op ICB's een kapitaalvereiste voor het (specifieke en algemene) positierisico en voor het wisselkoersrisico van ten hoogste 40%.

49. Instellingen kunnen het kapitaalvereiste voor posities op ICB’s die aan de criteria van punt 51 voldoen, bepalen volgens de in de punten 53 tot en met 56 beschreven methoden.

50. Tenzij anders is bepaald, is geen verrekening toegestaan tussen de onderliggende beleggingen van een ICB en andere door de instelling ingenomen posities.

ALGEMENE CRITERIA

51. De algemene criteria op grond waarvan de in de punten 53 tot en met 56 beschreven methoden mogen worden gebruikt voor ICB’s waarvan de rechten van deelneming worden uitgegeven door ondernemingen die onder toezicht staan van een instantie in de Gemeenschap of als rechtspersoon zijn erkend in de Gemeenschap, zijn:

a)      de prospectussen of gelijkwaardige documenten van de ICB bevatten de volgende gegevenselementen:

i)       de categorieën activa waarin de ICB mag beleggen;

ii)      als er beleggingsbeperkingen gelden, wat deze zijn en hoe zij berekend worden;

iii)     als beleggingen met geleend vermogen zijn toegestaan, het maximumpercentage;

iv)     als beleggingen in financiële OTC-derivaten of transacties van het type "repo" zijn toegestaan, een beschrijving van het gevoerde beleid om het tegenpartijrisico van dergelijke verrichtingen te beperken;

b)      over de activiteiten van de ICB wordt halfjaarlijks of jaarlijks een verslag uitgebracht op grond waarvan de activa en passiva, de inkomsten en de verrichtingen in de verslagperiode kunnen worden geëvalueerd;

c)      de rechten van deelneming in de ICB kunnen dagelijks door de ICB uit eigen activa worden teruggekocht tegen contanten wanneer zulks wordt gevraagd door houders van de rechten;

d)      de beleggingen in de ICB en de activa van de beheerder van de ICB worden van elkaar gescheiden gehouden;

e)      de ICB wordt door de beleggende instelling aan een adequate risicobeoordeling onderworpen.

52. Onder voorbehoud van goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van de instelling, kunnen ICB’s uit derde landen dezelfde behandeling genieten als aan de criteria van punt 51, onder a) tot en met e), is voldaan.

BIJZONDERE METHODEN

53. Voor zover de onderliggende beleggingen van de ICB op dagbasis worden gevolgd door de instelling, mag zij “doorkijken” naar die beleggingen om de kapitaalvereisten voor het aan de betrokken posities verbonden (algemene en specifieke) positierisico te berekenen, volgens de in deze bijlage beschreven methoden of, wanneer daartoe goedkeuring is verleend, volgens de methoden van bijlage V. Deze doorkijkbenadering houdt in dat posities op ICB's worden behandeld als posities in de onderliggende beleggingen van de ICB. Verrekening tussen posities in de onderliggende beleggingen van de ICB en andere door de instelling ingenomen posities is toegestaan mits de instelling een voldoende groot aantal rechten van deelneming in ICB’s bezit om terugkoop/creatie in ruil voor de onderliggende beleggingen mogelijk te maken.

54. Instellingen kunnen de kapitaalvereisten voor het aan posities in ICB’s verbonden (algemene en specifieke) positierisico volgens de in deze bijlage beschreven methoden of, wanneer daartoe goedkeuring is verleend, volgens de methoden van bijlage V berekenen op hypothetische posities overeenkomend met die welke nodig zijn om de samenstelling en de prestaties van de index van derden of een vast mandje van fondsen of schuldtitels waaraan onder a) wordt gerefereerd, te volgen, op voorwaarde dat:

a)      het beleggingsbeleid van de ICB erop is gericht de samenstelling en de prestaties van een index van derden of een vast mandje van fondsen of schuldtitels te volgen;

b)      er gedurende minimaal zes maanden tussen de dagelijkse koersbewegingen van de ICB en die van de gevolgde index of het mandje van fondsen of schuldtitels duidelijk een correlatie van 90 % kan worden vastgesteld. Onder correlatie wordt hier verstaan, de verhouding tussen het dagrendement van het aan de beurs verhandelde fonds en dat van de gevolgde index of het mandje van fondsen of schuldtitels.

55. Wanneer de onderliggende beleggingen van de ICB niet op dagbasis worden gevolgd door de instelling, kan zij de kapitaalvereisten voor het (algemene en specifieke) positierisico berekenen volgens de in deze bijlage beschreven methoden, met inachtneming van het volgende:

a)      er wordt aangenomen dat de ICB in de eerste plaats, binnen de toegestane grenzen, maximaal belegt in de activaklassen met het hoogste kapitaalvereiste voor het (algemene en specifieke) positierisico en vervolgens in dalende volgorde totdat de totale beleggingslimiet is bereikt. De op de ICB ingenomen positie wordt behandeld als een directe participatie in de hypothetische positie.

b)      instellingen nemen het maximale indirecte risico dat zij kunnen lopen door met geleend geld posities in te nemen via de ICB, in aanmerking bij het berekenen van hun kapitaalvereiste voor het positierisico, door de positie op de ICB proportioneel op te bouwen tot het maximale risico op de onderliggende beleggingen dat in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan;

c)      als deze benadering een kapitaalvereiste met betrekking tot het (algemene en specifieke) positierisico oplevert dat hoger is dan het in punt 48 vastgestelde percentage, dan wordt het vereiste tot dit laatste niveau begrensd.

56. Instellingen kunnen een beroep doen op een externe partij om de kapitaalvereisten voor het (algemene en specifieke) positierisico met betrekking tot posities op ICB’s die onder de punten 53 en 55 vallen, te berekenen en te rapporteren conform de in deze bijlage beschreven methoden, mits de deugdelijkheid van de berekening en de rapportage naar behoren wordt aangetoond.

ê 93/6/EEG (aangepast)

BIJLAGE II

Ö BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET Õ AFWIKKELINGS-/TEGENPARTIJRISICO

AFWIKKELINGS-/LEVERINGSRISICO

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 2, onder a)

1. In geval van transacties waarbij schuldinstrumenten, aandelen en grondstoffen (exclusief retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten en verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen) na de overeengekomen leveringsdata nog niet zijn afgewikkeld, moet een instelling het prijsverschil berekenen waarvoor zij een risico loopt. Dit is het verschil tussen de overeengekomen afwikkelingsprijs voor het schuldinstrument, het aandeel of de grondstof in kwestie, en de dagkoers daarvan, indien dit verschil voor de instelling een verlies zou kunnen opleveren. Zij moet dit verschil vermenigvuldigen met de passende factor in kolom A van de tabel in punt 2 om haar kapitaalvereiste te berekenen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

2. Onverminderd Ö In afwijking van Õ punt 1 mag een instelling, indien de bevoegde autoriteiten zulks toestaan, haar kapitaalvereisten berekenen door vermeningvuldiging van de overeengekomen afwikkelingsprijs van iedere transactie die tussen 5 en 45 werkdagen na de vastgestelde datum nog niet is afgewikkeld, met de passende factor in kolom B van genoemde tabel 1. Vanaf 46 werkdagen na de vastgestelde datum is het vereiste 100 % van het prijsverschil waarvoor zij een risico loopt, conform kolom A Ö van tabel 1 Õ .

Ö Tabel 1 Õ

Aantal werkdagen na vastgestelde afwikkelingsdatum || Kolom A (%) || Kolom B (%)

5 — 15 || 8 || 0,5

16 — 30 || 50 || 4,0

31 — 45 || 75 || 9,0

46 of meer || 100 || zie punt 2

TEGENPARTIJRISICO

ò nieuw

3. Een instelling moet kapitaal aanhouden tot dekking van het tegenpartijrisico dat verbonden is aan:

a)      leveringen zonder tegenprestaties ('free deliveries')

b)      afgeleide OTC-instrumenten en kredietderivaten;

c)      retrocessie-overeenkomsten ('repo’s'), omgekeerde retrocessie-overeenkomsten ('reverse repo’s'), opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen berustend op in de handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen;

d)      risicoposities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot aan de beurs verhandelde afgeleide instrumenten, die niet onder deze bijlage of onder bijlage I vallen en evenmin op grond van artikel 13, lid 2, onder d), in mindering worden gebracht op het eigen vermogen, en die rechtstreeks verband houden met de in de handelsportefeuille opgenomen posten.

4. Er is sprake van levering zonder tegenprestatie wanneer de instelling effecten of grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen of wanneer zij effecten of grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te ontvangen en er, in het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken sedert het tijdstip van betaling of levering.

5. Met inachtneming van de punten 6 tot en met 9 vindt de risicowaardering en de berekening van de risicogewogen posten voor dergelijke posities plaats overeenkomstig het bepaalde in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, van Richtlijn [2000/12/EG], waarbij de verwijzingen in die afdeling naar "kredietinstellingen" worden gelezen als verwijzingen naar "instellingen", verwijzingen naar "moederkredietinstellingen" als verwijzingen naar "moederinstellingen" enzovoorts.

6. Voor de toepassing van punt 5:

worden in bijlage IV van Richtlijn [2000/12/EG] aan punt 3, onder d), in fine de woorden "en kredietderivaten" toegevoegd;

wordt in bijlage III van Richtlijn [2000/12/EG] na tabel 1bis de volgende tekst ingevoegd:

"Teneinde een waarde te bepalen voor het potentiële toekomstige kredietrisico van op een totale-opbrengstenswap of een kredietverzuimswap gebaseerde kredietderivaten, wordt het nominaal bedrag van het instrument vermenigvuldigd met de volgende percentages:

5% wanneer de referentieverplichting, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct risico deed ontstaan, als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen voor de toepassing van bijlage I;

10% wanneer de referentieverplichting, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct risico deed ontstaan, niet als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen voor de toepassing van bijlage I.

In het geval van een kredietverzuimswap is het instellingen waarvoor het aan de swap verbonden risico een haussepositie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, echter toegestaan om voor het potentiële toekomstige kredietrisico een percentage van 0% toe te passen, tenzij de kredietverzuimswap bezwaard is met closeout in geval van insolventie van de entiteit waarvoor het aan de swap verbonden risico een baissepositie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, ook al is er voor de onderliggende waarde geen sprake van wanbetaling.

Wanneer het kredietderivaat protectie verschaft voor het nde optredende kredietverzuim onder een aantal onderliggende verplichtingen, wordt het toepasselijke van de hierboven vermelde percentages bepaald door de verplichting met de nde laagste kredietkwaliteit, die op haar beurt wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de onderliggende verplichting, gesteld dat zij in hoofde van de instelling een direct risico deed ontstaan, als gekwalificeerde post in aanmerking zou worden genomen voor de toepassing van bijlage I."

7. Voor de toepassing van punt 5 is het instellingen bij de berekening van de risicogewogen posten niet toegestaan om voor de verdiscontering van financiële zekerheden gebruik te maken van de methode van eenvoudige benadering van financiële zekerheden zoals uiteengezet in bijlage VIII, deel 3, punten 25 tot en met 30, van Richtlijn [2000/12/EG].

8. Voor de toepassing van punt 5 kunnen in het geval van retrocessie-overeenkomsten ('repo’s') en opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen, alle financiële instrumenten en grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen, als toelaatbare zekerheid worden beschouwd. Met betrekking tot de risico’s die verbonden zijn aan afgeleide OTC-instrumenten die in de handelsportefeuille zijn opgenomen, kunnen grondstoffen die in aanmerking komen om in de handelsportefeuille te worden opgenomen, eveneens als toelaatbare zekerheid worden beschouwd. Voor de bepaling van volatiliteitsaanpassingen in de gevallen waarin de financiële instrumenten of grondstoffen in het kader van dergelijke transacties worden uitgeleend, verkocht of verstrekt, dan wel geleend, gekocht of ontvangen als zekerheid of anderszins, worden de desbetreffende instrumenten en grondstoffen op dezelfde wijze behandeld als aan een erkende beurs genoteerde, maar niet in een hoofdindex opgenomen fondsen.

9. Voor de toepassing van punt 5 geldt, wat betreft de erkenning van kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessie-overeenkomsten en/of opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties, dat verrekening tussen posities in en posities buiten de handelsportefeuille slechts is toegestaan wanneer de verrekende posities aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)      alle transacties worden dagelijks tegen marktwaarde gewaardeerd;

b)      alle in het kader van de transacties uitgeleende, verkochte of verstrekte, dan wel geleende, gekochte of ontvangen waarden komen in aanmerking als toelaatbare financiële zekerheid in de zin van titel V, hoofdstuk 2, afdeling 3, onderafdeling 3, van Richtlijn [2000/12/EG], met dien verstande dat punt 8 van deze bijlage niet van toepassing is.

10. Wanneer een in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat deel uitmaakt van een intern afdekkingsinstrument en de kredietprotectie erkend is op grond van Richtlijn [2000/12/EG], wordt aangenomen dat aan de positie in het kredietderivaat geen tegenpartijrisico verbonden is.

11. Het kapitaalvereiste bedraagt 8% van de totale risicogewogen posten.

ê 93/6/EEG

Leveringen zonder tegenprestaties «free deliveries»

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 2, onder b)

3.1. Een instelling moet kapitaal tot dekking van het tegenpartijrisico aanhouden indien:

i)            zij voor waardepapieren of grondstoffen heeft betaald alvorens ze te ontvangen, of waardepapieren of grondstoffen heeft geleverd alvorens daarvoor betaling te hebben ontvangen, en

              en

ii)           in het geval van grensoverschrijdende transacties, één dag of meer zijn verstreken sedert deze betaling of levering.

3.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van de waarde van de aan de instelling verschuldigde waardepapieren, grondstoffen of contanten, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke risicowegingsfactor.

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 2, onder c)

Retrocessie- en omgekeerde retrocessieovereenkomsten, verstrekte en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen

4.1. In het geval van retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen op basis van tot de handelsportefeuille behorende effecten of grondstoffen, berekent de instelling het verschil tussen de marktwaarde van de effecten of grondstoffen en het bedrag van de lening die is opgenomen door de instelling of de marktwaarde van de zekerheid, indien dit verschil positief is. In het geval van omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen berekent de instelling het verschil tussen het bedrag van de door de instelling verstrekte lening of de marktwaarde van de zekerheid en de marktwaarde van de waardepapieren of grondstoffen die zij heeft ontvangen, indien dit verschil positief is.

ê 93/6/EEG

De bevoegde autoriteiten nemen maatregelen opdat de overwaarde aan zekerheid aanvaardbaar is.

Voorts mogen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan het bedrag van de overwaarde aan zekerheid niet te betrekken in de berekeningen als bedoeld in de eerste alinea van dit punt, indien het bedrag van de overwaarde zodanig is gegarandeerd dat de overdragende partij er altijd van verzekerd is dat zij de overwaarde aan zekerheid terugkrijgt in geval van in gebreke blijven van haar tegenpartij.

Opgelopen en nog niet vervallen rente wordt in aanmerking genomen bij de berekening van de marktwaarde van de geleende bedragen en van de zekerheid.

4.2. Het kapitaalvereiste bedraagt 8 % van het uit punt 4.1 resulterende bedrag, vermenigvuldigd met de voor de desbetreffende tegenpartij toepasselijke risicowegingsfactor.

Afgeleide OTC-instrumenten

ê98/33/EG artikel 1, punt 2

5. Om het kapitaalvereiste voor hun afgeleide OTC-instrumenten te berekenen passen de instellingen bijlage II van Richtlijn 89/647/EEG toe. De op de desbetreffende tegenpartijen toe te passen risicowegingsfactoren worden bepaald overeenkomstig artikel 2, punt 9, van deze richtlijn.

Tot en met 31 december 2006 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een vrijstelling van de methoden van bijlage II toestaan voor OTC-contracten die worden afgewikkeld door een clearinginstelling die optreedt als de wettelijke tegenpartij en waarbij alle deelnemers het risico dat zij voor de clearinginstelling belichamen, dagelijks volledig met onderpand dekken, zodat bescherming wordt geboden tegen zowel het huidige risico als het potentiële toekomstige risico. De bevoegde autoriteiten moeten ervan overtuigd zijn dat het gestelde onderpand dezelfde mate van bescherming biedt als onderpand in de zin van artikel 6, lid 1, onder a), punt 7, van Richtlijn 89/647/EEG en dat het gevaar dat de gezamenlijke risico's van de clearinginstelling boven de marktwaarde van het geplaatste onderpand uitstijgen, wordt geëlimineerd. De lidstaten lichten de Commissie in over het gebruik dat zij van deze keuzemogelijkheid maken.

ê 93/6/EEG

OVERIGE

6. De kapitaalvereisten van Richtlijn 89/647/EEG zijn van toepassing op posities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot ter beurze verhandelde future- en optiecontracten die niet onder deze bijlage of onder bijlage I vallen, noch krachtens punt 2, onder d), van bijlage V, in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen, en die rechtstreeks verband houden met bestanddelen van de handelsportefeuille.

De op de desbetreffende tegenpartijen toe te passen wegingsfactoren worden bepaald overeenkomstig artikel 2, punt 9, van deze richtlijn.

ê 93/6/EEG (aangepast)

BIJLAGE III

Ö BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET Õ VALUTARISICO

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder a) (aangepast)

1. Indien de som van de totale nettopositie in vreemde valuta's en de nettopositie in goud van een instelling, berekend volgens de hieronder Ö punt 2 Õ omschreven procedure, meer dan 2 % van het totale eigen vermogen van de instelling bedraagt, moet de instelling de som van haar nettopositie in vreemde valuta's en haar nettopositie in goud met 8 % vermenigvuldigen om het kapitaalvereiste ter dekking van het valutarisico te berekenen.

Tot en met 31 december 2004 kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan hun kapitaalvereiste te berekenen door het bedrag waarmee de som van de totale netto positie in vreemde valuta's en de netto positie in goud van een instelling 2 % van het totale eigen vermogen overschrijdt met 8 % te vermenigvuldigen.

ê 93/6/EEG (aangepast)

2. De berekening Ö van de kapitaalvereisten voor het valutarisico Õ geschiedt in twee fasen.

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder b) (aangepast)

32.1. Eerst wordt de netto open positie van de instelling in elke valuta en in goud (met inbegrip van de rapportagevaluta) berekend.

Deze Ö netto open Õ positie bestaat uit de som van de volgende elementen (positief of negatief):

a)      de netto cashpositie (dat wil zeggen alle activa min alle passiva, met inbegrip van de opgelopen en nog niet vervallen rente, in de betrokken valuta of, in het geval van goud, de netto cashpositie in goud);

b)      de netto termijnpositie (dat wil zeggen alle te ontvangen bedragen min alle te betalen bedragen in het kader van termijntransacties in valuta's en goud, met inbegrip van valuta- en goudfutures en de hoofdsom bij valutaswaps die niet zijn verwerkt in de contante positie);

c)      onherroepelijke garanties (en soortgelijke instrumenten) die zeker zullen worden opgevraagd en waarschijnlijk niet kunnen worden teruggevorderd;

d)      netto toekomstige inkomsten/uitgaven, nog niet vervallen maar reeds volledig afgedekt (naar keuze van de rapporterende instelling en met voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten mogen hier de netto toekomstige inkomsten/uitgaven worden opgenomen die nog niet in de rekeningen zijn geboekt maar reeds volledig zijn afgedekt door valutatermijntransacties. Deze keuze moet consequent worden aangehouden);

e)      het netto delta- (of op delta gebaseerde) equivalent van de totale portefeuille van valuta- en goudopties;

f)       de marktwaarde van andere (dan valuta- en goud-) opties;

- pPosities die een instelling doelbewust heeft ingenomen om valutarisico's voor haar kapitaalratio af te dekken, kunnen bij de berekening van de netto open valutaposities buiten beschouwing worden gelaten. Deze posities mogen geen handelskarakter dragen of moeten van structurele aard zijn, en voor het buiten beschouwing laten ervan, alsook voor wijzigingen in de daarvoor geldende voorwaarden, is de toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist. Op dezelfde wijze kan, onder dezelfde voorwaarden als hierboven, te werk worden gegaan voor posities van een instelling die betrekking hebben op posten die reeds bij de berekening van het eigen vermogen zijn afgetrokken.

ò nieuw

Voor de berekening als bedoeld in de eerste alinea met betrekking tot ICB’s, worden de feitelijke valutaposities van de ICB in aanmerking genomen. Instellingen kunnen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op ICB’s ingenomen valutaposities, mits de deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is aangetoond. Wanneer de valutaposities op een ICB niet worden gevolgd door de instelling, zal worden aangenomen dat de ICB binnen de grenzen van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in valuta en dient de instelling met betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door leveraged posities in te nemen via de ICB, in aanmerking te nemen bij het berekenen van haar kapitaalvereiste voor valutarisico’s. Daartoe wordt de positie op de ICB proportioneel opgebouwd tot de maximale positie in de onderliggende beleggingen die in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan. De hypothetische valutapositie van de ICB wordt als een afzonderlijke valuta beschouwd en behandeld zoals beleggingen in goud, met dien verstande dat naargelang van de beleggingsstrategie van de ICB – voor zover deze bekend is – de totale haussepositie kan worden opgeteld bij de totale openstaande valutapositie à la hausse en de totale baissepositie bij de totale openstaande valutapositie à la baisse. Verrekening tussen dergelijke posities vóór de berekening is niet toegestaan.

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder b)

3.2. Het staat de bevoegde autoriteiten vrij om de instellingen toe te staan bij de berekening van de netto open positie in elke valuta en in goud gebruik te maken van de netto actuele waarde.

ê 93/6/EEG

è1 1 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder c)

è1 42.2. Vervolgens worden de netto korte en hausseposities in elke valuta (behalve de rapportagevaluta) en de netto korte of haussepositie in goud tegen de contante koers in de rapportagevaluta omgerekend. ç Zij worden dan afzonderlijk samengevoegd tot respectievelijk het totaal van de netto baisseposities en het totaal van de netto hausseposities. Het hoogste van deze twee totalen is de totale netto valutapositie van de instelling.

ê 93/6/EEG (aangepast)

53. Onverminderd Ö In afwijking van Õ de punten 1 tot en met 4 Ö en 2 Õ mogen de bevoegde autoriteiten in afwachting van verdere coördinatie voorschrijven of toestaan dat de instellingen voor de toepassing van deze bijlage alternatieve Ö de hierna beschreven Õ procedures gebruiken.

ê 93/6/EEG (aangepast)

63.1. Ten eerste mogen dDe bevoegde autoriteiten Ö mogen Õ toestaan dat de instellingen ter dekking van posities in nauw gecorreleerde valuta's aan lagere kapitaalvereisten voldoen dan die welke de toepassing van de punten 1 tot en met 4 Ö en 2 Õ oplevert. De bevoegde autoriteiten mogen twee valuta's alleen dan als nauw gecorreleerd aanmerken indien het voor ten minste 99 % (bij een waarnemingsperiode van drie jaar) of 95 % (bij een waarnemingsperiode van vijf jaar) waarschijnlijk is dat een eventueel verlies op gelijke en tegengestelde posities in die valuta's gedurende de volgende tien werkdagen niet meer dan 4 % bedraagt van de waarde van de gecompenseerde positie in kwestie (berekend in de rapportagevaluta) - uitgaande van de dagelijkse wisselkoersen in de voorafgaande drie of vijf jaar. Het eigenvermogenvereiste met betrekking tot de gecompenseerde positie in twee nauw gecorreleerde valuta's bedraagt 4 %, vermenigvuldigd met de waarde van de gecompenseerde positie. Het kapitaalvereiste met betrekking tot niet-gecompenseerde posities in nauw gecorreleerde valuta's, en alle posities in andere valuta's, bedraagt 8 %, vermenigvuldigd met het totaal van de netto korte of,indien hoger, van de netto hausseposities in deze valuta's, na aftrek van de gecompenseerde posities in nauw gecorreleerde valuta's.

ê98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 3, onder d) (aangepast)

7. Ten tweede kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen tot en met 31 december 2004 toestaan om voor de toepassing van deze bijlage een andere dan de in de punten 1 tot en met 6 uiteengezette methode toe te passen. Het uit deze methode resulterende kaptitaalvereiste moet meer bedragen dan 2 % van de netto open positie zoals berekend in punt 4 en moet uitgaande van een analyse van de wisselkoersfluctuaties gedurende alle voortschrijdende periodes van tien werkdagen in de voorgaande drie jaar in ten minste 99 % van de gevallen meer bedragen dan het waarschijnlijke verlies.

De in dit punt beschreven alternatieve methode mag uitsluitend worden gebruikt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

i)            de formule voor de berekening en de correlatiecoëfficiënten zijn door de bevoegde autoriteiten vastgesteld op basis van hun analyse van de wisselkoersfluctuaties;

ii)           de correlatiecoëfficiënten worden door de bevoegde autoriteiten regelmatig getoetst aan de ontwikkelingen op de valutamarkten.

ê 93/6/EEG (aangepast)

83.2. Ten derde mogen dDe bevoegde autoriteiten Ö mogen Õ de instellingen toestaan om posities in valuta's ten aanzien waarvan een juridisch bindende overeenkomst tussen staten bestaat ter beperking van fluctuaties ten opzichte van andere onder dezelfde overeenkomst vallende valuta's, uit te sluiten van de door hen toegepaste methodes zoals uiteengezet in de punten 1 tot en met 7 Ö , 2 en 3.1 Õ . De instellingen berekenen hun gecompenseerde posities in die valuta's en passen daarop een kapitaalvereiste toe dat niet lager is dan de helft van de maximaal toegestane fluctuatie die voor de betrokken valuta's in de overeenkomst tussen staten is vastgesteld. Niet-gecompenseerde posities in deze valuta's worden op dezelfde wijze behandeld als andere valuta's.

Onverminderd Ö In afwijking van Õ de eerste alinea mogen de bevoegde autoriteiten toestaan dat het kapitaalvereiste met betrekking tot gecompenseerde posities in valuta's van Llid-Sstaten die deelnemen aan de tweede fase van de Europese Monetaire Unie, 1,6 % bedraagt, vermenigvuldigd met de waarde van deze gecompenseerde posities.

ê 93/6/EEG (aangepast)

9. De bevoegde autoriteiten stellen de Raad en de Commissie in voorkomend geval in kennis van de methodes die zij met betrekking tot de punten 6 tot en met 8 voorschrijven of toestaan.

10. De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over de in punt 9 bedoelde methodes en doet zo nodig, met inachtneming van de internationale ontwikkelingen, voorstellen voor een meer geharmoniseerde behandeling van het valutarisico.

ê 93/6/EEG

114. Netto posities in samengestelde valuta's mogen worden opgesplitst in de samenstellende valuta's aan de hand van de geldende quota.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

BIJLAGE VIII Ö IV Õ

Ö BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR HET Õ GRONDSTOFFENRISICO

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

1. Elke positie in grondstoffen of van grondstoffen afgeleide instrumenten moet worden uitgedrukt in de vaste rekeneenheid. De contante koers van elke grondstof wordt uitgedrukt in de rapportagevaluta.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

2. Voor posities in goud en in van goud afgeleide instrumenten wordt geacht een valutarisico te bestaan en zij worden voor de berekening van het marktrisico al naargelang het geval behandeld overeenkomstig bijlage III of bijlage VIII.

3. Voor de toepassing van deze bijlage mogen posities waarmee enkel voorraden worden gefinancierd, buiten de berekening van alleen het grondstoffenrisico worden gelaten.

4. De rente- en valutarisico's waarop geen andere bepalingen van deze bijlage van toepassing zijn, moeten worden opgenomen in de berekening van het algemene risico van verhandelbare schuldinstrumenten en in de berekening van het valutarisico.

5. Als de baissepositie eerder vervalt dan de haussepositie, moeten de instellingen ook rekening houden met het risico van een te geringe liquiditeit waarvan op bepaalde markten sprake kan zijn.

6. Voor de toepassing van punt 19 is het saldo van de lange (korte) posities van de instelling tegenover haar korte (lange) posities in dezelfde grondstof en identieke futures, opties en warrants op grondstoffen, de nettopositie van de instelling in elke grondstof.

Bij de berekening van de nettopositie staan de bevoegde autoriteiten toe dat posities in afgeleide instrumenten op de in de punten 8, 9 en 10 beschreven wijze behandeld worden als posities in de onderliggende grondstof.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

7. De bevoegde autoriteiten kunnen de volgende posities beschouwen als posities in dezelfde grondstof:

a)           posities in verschillende subcategorieën grondstoffen, indien deze subcategorieën in elkaars plaats leverbaar zijn, en

              en

b)           posities in vergelijkbare grondstoffen, indien deze verregaand voor elkaar substitueerbaar zijn en er gedurende minimaal één jaar tussen koersbewegingen duidelijk een correlatie van 90 % kan worden vastgesteld.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

Specifieke instrumenten

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

8. Grondstoffenfutures en termijnverbintenissen tot aan- of verkoop van afzonderlijke grondstoffen worden in het waardemetingssysteem verwerkt als theoretische bedragen op basis van de vaste rekeneenheid; er wordt op basis van de afloopdatum een looptijd aan toegekend.

De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het kapitaalvereiste voor een ter beurze verhandelde future gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de future verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor een future dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen.

Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-derivatencontract van het type als bedoeld in dit punt en dat door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan het derivatencontract verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste voor het contract in kwestie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

9. Grondstoffenswaps waarbij het ene onderdeel van de transactie een vastgestelde prijs is en het andere de dagkoers, worden Ö overeenkomstig de punten 13 tot en met 18 Õ in de looptijdklassen verwerkt als een reeks posities die gelijk zijn aan het theoretische bedrag van het contract, waarbij een positie overeenkomt met elke betaling op de swap en dienovereenkomstig wordt ondergebracht in de looptijdklassen (tabel 1). De posities zijn lang als de instelling de vastgestelde prijs betaalt en de variabele prijs ontvangt; de posities zijn kort als de instelling de vastgestelde prijs ontvangt en de variabele prijs betaalt.

Grondstoffenswaps waarbij de twee onderdelen van de transactie op verschillende grondstoffen betrekking hebben, moeten voor de benadering op grond van de looptijd in de desbetreffende categorieën worden ondergebracht.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

10. Opties op grondstoffen of op van grondstoffen afgeleide instrumenten worden voor de toepassing van deze bijlage behandeld alsof het posities zijn die in waarde gelijk zijn aan het bedrag van de onderliggende waarde waarop de optie betrekking heeft, vermenigvuldigd met zijn delta. De aldus berekende posities mogen gesaldeerd worden met compenserende posities in dezelfde onderliggende grondstof respectievelijk hetzelfde onderliggende van grondstoffen afgeleide instrument. De gebruikte delta moet die van de betrokken beurs zijn of de door de bevoegde autoriteiten berekende delta dan wel, indien geen van deze twee beschikbaar is of in het geval van OTC-opties, de delta welke door de instelling zelf is berekend, mits de bevoegde autoriteiten overtuigd zijn van de redelijkheid van het door de instelling gebruikte model.

De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel ook voorschrijven dat de instellingen hun delta berekenen volgens een door de bevoegde autoriteiten aangegeven methode.

De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat vVoor de andere aan opties verbonden risico's, afgezien van het deltarisico, Ö moet Õ dekking aanwezig moet zijn.

De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat het vereiste voor een geschreven op de beurs verhandelde grondstoffenoptie gelijk is aan de door de beurs verlangde marge, indien zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf voor het aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijkwaardig is aan het kapitaalvereiste ter dekking van een optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methode dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen.

Tevens kunnen zij tot en met 31 december 2006 toestaan dat het kapitaalvereiste voor een OTC-grondstoffenoptie die door een door hen erkende clearinginstelling is gecleard, gelijk is aan de marge die de clearinginstelling verlangt, wanneer zij er ten volle van overtuigd zijn dat deze een nauwkeurige maatstaf van het aan de optie verbonden risico vormt en ten minste gelijk is aan het kapitaalvereiste voor een OTC-optie dat zou resulteren uit een berekening aan de hand van de in het vervolg van deze bijlage omschreven methoden dan wel van de in bijlage VIII omschreven methode van interne modellen.

Tevens kunnen zij toestaan dat het vereiste voor een gekochte ter beurze verhandelde of OTC-grondstoffenoptie gelijk is aan dat voor de onderliggende grondstof, met dien verstande dat het daaruit resulterende vereiste niet hoger mag zijn dan de marktwaarde van de optie. Het vereiste voor een geschreven OTC-optie wordt vastgesteld op basis van de onderliggende grondstof.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

11. Warrants die op grondstoffen betrekking hebben, worden op dezelfde wijze behandeld als grondstoffenopties in punt 10.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

12. De partij die grondstoffen of gegarandeerde rechten inzake de eigendom van grondstoffen overdraagt bij een retrocessieovereenkomst, en de partij die grondstoffen in lening geeft bij een grondstoffenleningsovereenkomst, dient deze grondstoffen op te nemen in de berekening van haar kapitaalvereiste uit hoofde van deze bijlage.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

a) Benadering op grond van looptijdklassen

13. De instelling maakt voor elke grondstof gebruik van afzonderlijke looptijdklassen overeenkomstig onderstaande tabel 1. Alle posities in een bepaalde grondstof en alle posities die overeenkomstig punt 7 beschouwd worden als posities in dezelfde grondstof worden ondergebracht in de desbetreffende looptijdklassen. Fysiek aanwezige voorraden worden ondergebracht in de eerste looptijdklasse.

Ö Tabel 1 Õ

Looptijdklassen (1) || Spread (in %) (2)

0 ≤ 1 maand || 1,50

> 1 ≤ 3 maand || 1,50

> 3 ≤ 6 maand || 1,50

> 6 ≤ 12 maand || 1,50

> 1 ≤ 2 jaar || 1,50

> 2 ≤ 3 jaar || 1,50

> 3 jaar || 1,50

14. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat Ö de hierna vermelde Õ posities in dezelfde grondstof of posities die overeenkomstig punt 7 beschouwd worden als posities in dezelfde grondstof, op nettobasis worden gecompenseerd en ondergebracht in de desbetreffende looptijdklassen: voor

- a)       posities in contracten die op dezelfde datum aflopen;

en

- b)         posities in contracten die binnen tien dagen na elkaar aflopen indien de contracten worden verhandeld op markten waar dagelijkse leveringsdata bepaald worden.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

15. Vervolgens berekent de instelling de som van de hausseposities en de som van de baisseposities in elke looptijdklasse. Het bedrag ten belope waarvan de eerstgenoemde (laatstgenoemde) som in een bepaalde looptijdklasse gelijk is aan de laatstgenoemde (eerstgenoemde) som, vormt de gecompenseerde positie in deze looptijdklasse, terwijl de resterende hausse- of baissepositie de niet-gecompenseerde positie in deze zelfde looptijdklasse is.

16. Het deel van de niet-gecompenseerde lange (korte) positie in een bepaalde looptijdklasse dat gelijk is aan de niet-gecompenseerde korte (lange) positie in een volgende looptijdklasse, is de tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie. Het deel van de niet-gecompenseerde haussepositie of de niet-gecompenseerde baissepositie dat niet op deze wijze gecompenseerd kan worden, vormt de niet-gecompenseerde positie.

17. De kapitaalvereisten van de instelling worden voor iedere grondstof op basis van de desbetreffende looptijdklassen berekend als de som van:

ia)          de gecompenseerde hausse- en baisseposities, vermenigvuldigd met de toepasselijke «spread»-coëfficiënt die in kolom 2 van de tabel in punt 13 voor elke looptijdklasse wordt gegeven, en met de contante koers van de grondstof;

iib)         voor elke looptijdklasse waarnaar een niet-gecompenseerde positie uit een voorgaande looptijdklasse wordt overgedragen, de tussen twee looptijdklassen gecompenseerde positie, vermenigvuldigd met 0,6 % (de overdrachtscoëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof;

iiic)        de resterende niet-gecompenseerde posities, vermenigvuldigd met 15 % (de «outright»-coëfficiënt) en met de contante koers van de grondstof.

18. Het totale kapitaalvereiste van de instelling met betrekking tot het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig punt 17 berekende kapitaalvereisten voor elke grondstof.

b) Vereenvoudigde benadering

19. Het kapitaalvereiste van de instelling voor elke grondstof wordt berekend als de som van:

ia)          15% van de lange of korte nettopositie, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof;

iib)         3% van de lange plus de korte brutopositie, vermenigvuldigd met de contante koers van de grondstof.

20. Het totale kapitaalvereiste van de instelling met betrekking tot het grondstoffenrisico wordt berekend als de som van de overeenkomstig punt 19 berekende kapitaalvereisten voor elke grondstof.

ê 93/6/EEG artikel 11, onder a) (aangepast)

Ö c) Uitgebreide benadering op grond van looptijdklassen Õ

Tot en met 31 december 2006 Ö De bevoegde autoriteiten Õ kunnen de lidstaten hun instellingen toestaan de minimale «spread»-, overdrachts- en «outright»-coëfficiënten van onderstaande tabel te gebruiken in plaats van de in de punten 13, 14, 17 en 18 van bijlage VII genoemde, op voorwaarde dat de instellingen naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten:

a)      in aanzienlijke mate in grondstoffen handelen,

b)      een gediversifieerde grondstoffenportefeuille hebben, en

c)      nog niet in een positie verkeren om voor de berekening van het kapitaalvereiste met betrekking tot het grondstoffenrisico van interne modellen gebruik te maken overeenkomstig bijlage Ö V Õ VIII.

Tabel 2

|| Edele metalen (behalve goud) || Onedele metalen || Zachte grondstoffen (landbouw) || Overige, met inbegrip van energieproducten

Spread-coëfficiënt (%) || 1,0 || 1,2 || 1,5 || 1,5

Overdrachts-coëfficiënt (%) || 0,3 || 0,5 || 0,6 || 0,6

Outright-coëfficiënt (%) || 8 || 10 || 12 || 15

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

BIJLAGE VIII

Ö GEBRUIK VAN Õ INTERNE MODELLEN Ö VOOR DE BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN Õ

1. Onder de voorwaarden die in deze bijlage worden bepaald, kunnen de bevoegde autoriteiten de instellingen toestaan bij de berekening van hun kapitaalvereisten voor het positierisico, het valutarisico en/of het grondstoffenrisico hun eigen interne risicobeheermodellen te gebruiken, in plaats van of in combinatie met de methoden die in de bijlagen I, III en VII Ö IV Õ beschreven worden. Voor elk geval moet door de bevoegde autoriteiten uitdrukkelijk erkenning worden verleend voor het gebruik van modellen met het oog op het prudentiële toezicht op de kapitaalvereisten.

2. Deze erkenning wordt uitsluitend gegeven, indien de bevoegde autoriteiten ervan overtuigd zijn dat het risicobeheersysteem van de instelling qua concept solide is en zorgvuldig wordt toegepast, en dat met name aan de navolgende kwaliteitsnormen voldaan wordt:

ia)     het interne model voor risicometing is in hoge mate geïntegreerd in het dagelijkse proces van risicobeheer van de instelling en dient als basis voor het rapporteren van risicoposities aan de hoogste leiding van de instelling;

iib)    de instelling heeft een afdeling risicobewaking, die onafhankelijk is van de handelsafdelingen en rechtstreeks rapporteert aan de hoogste leiding. De betrokken afdeling moet belast zijn met het ontwerpen en implementeren van het risicobeheersysteem van de instelling. Tevens moet deze afdeling dagelijks rapporten opstellen en analyseren over de uitkomsten van het risicometingsmodel en over de maatregelen die op het stuk van transactielimieten moeten worden genomen;

iiic)   de raad van bestuur en de directie van de instelling zijn actief bij het proces van risicobewaking betrokken; de dagelijkse rapporten die de afdeling risicobewaking opstelt, worden beoordeeld door een directie-echelon dat voldoende bevoegdheden heeft om een vermindering van de posities die afzonderlijke handelaren ingenomen hebben, of van de totale risicopositie van de instelling op te leggen;

ivd)   de instelling beschikt over voldoende personeel dat onderlegd is in het gebruik van verfijnde modellen voor handel, risicobewaking, controle en administratieve verwerking;

ve)    de instelling heeft procedures vastgesteld voor de bewaking van en het toezicht op de naleving van een schriftelijk vastgelegde reeks interne richtsnoeren en controles, die betrekking hebben op de werking van het risicometingssysteem als geheel;

vif)    de modellen van de instelling hebben in het verleden bewezen redelijk accuraat te zijn als het gaat om het meten van risico's;

viig)  de instelling voert frequent een stringent programma van stresstests uit; de uitkomsten van deze tests worden beoordeeld door de hoogste leiding en worden verwerkt in het beleid en in de limieten die door haar bepaald worden;

viiih) Aals onderdeel van de periodieke interne controle moet de instelling een onafhankelijke evaluatie van het risicometingssysteem laten uitvoeren.

Deze Ö in de eerste alinea, onder h), bedoelde Õ evaluatie moet Ö heeft Õ betrekking hebben op de activiteiten van de handelsafdelingen en de zelfstandige afdeling risicobewaking. Ten minste eenmaal per jaar moet de instelling een evaluatie uitvoeren van het algehele risicobeheerproces.

In deze evaluatie moeten worden Ö de volgende elementen Õ betrokken:

- a)    het adequaat zijn van de documentatie over het risicobeheersysteem en -proces en van de organisatie van de afdeling risicobewaking;

- b)    de integratie van metingen van het marktrisico in het dagelijkse risicobeheer en de deugdelijkheid van het systeem voor informatie van de directie;

- c)    het proces dat de instelling toepast voor het fiatteren van risicowaarderingsmodellen en waarderingssystemen die door het personeel in de handelsafdelingen en de afdeling administratieve verwerking gebruikt worden;

- d)    aard en omvang van de marktrisico's die in het risicometingsmodel verwerkt zijn en de validering van significante wijzigingen in het risicometingsproces;

- e)    het accuraat en volledig zijn van gegevens over posities, het accuraat en correct zijn van aannames over volatiliteit en correlaties, en het accuraat zijn van de waarderings- en risicogevoeligheidsberekeningen;

- f)    het verificatieproces dat de instelling hanteert ter beoordeling van de consistentie, tijdigheid en betrouwbaarheid van de gegevensbronnen die voor de interne modellen gebruikt worden, alsmede van de onafhankelijkheid van deze gegevensbronnen;

         en

- g)    het verificatieproces waarvan de instelling gebruik maakt voor de evaluatie van tests die achteraf worden uitgevoerd («back-testing») om te beoordelen of het model accuraat is.

3. De financiële instelling bewaakt de accuratesse en de goede werking van haar model door een programma van achteraf uitgevoerde tests («back-testing») toe te passen. «Back-testing» behelst dat, voor iedere werkdag, de uit het model van de instelling resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies («value-at-risk») voor de eindedagsposities van de portefeuille wordt vergeleken met de eendagsverandering in de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag.

De bevoegde autoriteiten onderzoeken of de instelling in staat is tot het uitvoeren van tests achteraf op zowel feitelijke als hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille. «Back-testing» op de hypothetische veranderingen van de waarde van de portefeuille berust op een vergelijking van de eindedagswaarde van de portefeuille en, uitgaande van ongewijzigde posities, de waarde van de portefeuille aan het einde van de daaropvolgende werkdag. De bevoegde autoriteiten verlangen van de instellingen dat zij passende maatregelen treffen om hun «back-testing»-programma te verbeteren wanneer dat ontoereikend wordt geacht.

4. Voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico van verhandelbare schuldinstrumenten en aandelen, kunnen de bevoegde autoriteiten het gebruik van een intern model van een instelling erkennen wanneer dit model voldoet aan de voorwaarden in het vervolg van deze bijlage en bovendien:

- a)    de historische prijsschommeling in de portefeuille verklaart;

- b)    concentratie qua omvang en veranderingen in de samenstelling van de portefeuille weergeeft;

- c)    solide blijkt in een ongunstige omgeving;

- d)    gevalideerd wordt door back-testing ter beoordeling van de vraag of het specifieke risico accuraat wordt weergegeven. Als de bevoegde autoriteiten toestaan dat deze vorm van back-testing op basis van relevante subportefeuilles geschiedt, moeten deze laatste consequent worden gekozen.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

5. Voor instellingen die interne modellen gebruiken die niet overeenkomstig punt 4 zijn erkend, geldt een afzonderlijk kapitaalvereiste voor het specifieke risico, dat berekend wordt overeenkomstig bijlage I.

6. Voor de toepassing van punt 10, onder ii), worden de uitkomsten van de door de instelling zelf uitgevoerde berekening vermenigvuldigd met ten minste een factor 3.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

7. De vermenigvuldigingsfactor wordt verhoogd met een plus-factor tussen 0 en 1, overeenkomstig de volgende tabel Ö 1 Õ , afhankelijk van het aantal overschrijdingen («overshootings») dat de instelling gedurende de laatste 250 werkdagen bij het uitvoeren van de tests achteraf heeft geconstateerd. De bevoegde autoriteiten verlangen dat de instelling overschrijdingen consistent berekent door middel van tests achteraf op de feitelijke dan wel op de hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille. Een overschrijding is een eendagsverandering in de waarde van de portefeuille welke meer bedraagt dan de gerelateerde, uit het model van de instelling resulterende eendagswaarde van het potentiële verlies. Ter bepaling van de plus-factor wordt het aantal overschrijdingen minstens per kwartaal geëvalueerd.

Ö Tabel 1 Õ

Aantal overschrijdingen || «Plus»-factor

minder dan 5 || 0,00

5 || 0,40

6 || 0,50

7 || 0,65

8 || 0,75

9 || 0,85

10 of meer || 1,00

In afzonderlijke gevallen en ingevolge uitzonderlijke omstandigheden kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting de vermenigvuldigingsfactor met een plus-factor overeenkomstig de bovenstaande tabel Ö 1 Õ te verhogen indien de instelling tot voldoening van de bevoegde autoriteiten aantoont dat een dergelijke verhoging onterecht is en dat het model in wezen solide is.

Indien een groot aantal overschrijdingen erop wijst dat het model onvoldoende accuraat is, moeten de bevoegde autoriteiten de erkenning van het model intrekken of passende maatregelen opleggen om ervoor te zorgen dat het model terstond wordt verbeterd.

Om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de juistheid van de plus-factor voortdurend in het oog te houden, moet de instelling de bij de toepassing van het back-testing-programma geconstateerde overschrijdingen die overeenkomstig de voorgaande tabel een verhoging van de plus-factor met zich zouden brengen, terstond en in ieder geval binnen vijf dagen ter kennis brengen van de bevoegde autoriteiten.

8. Als het model van de instelling door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig punt 4 is erkend voor de berekening van het kapitaalvereiste voor het specifieke risico, verhoogt de instelling haar overeenkomstig de punten 6, 7 en 10 berekende kapitaalvereiste met een toeslag ten belope van ofwel:

(ia)         het aandeel «specifiek risico» in het gemeten potentieel verlies (value-at-risk) dat moet worden afgezonderd overeenkomstig de richtsnoeren voor het toezicht;

iib)         de metingen van het potentieel verlies van subportefeuilles van schuld- en aandelenposities die een specifiek risico inhouden.

De instellingen die gebruik maken van keuze ii) Ö b Õ moeten vooraf de structuur van hun subportefeuilles omschrijven en mogen deze niet wijzigen zonder de instemming van de bevoegde autoriteiten.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

9. De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de in punt 8 vereiste toeslag wanneer de instelling aantoont dat haar model overeenkomstig internationaal overeengekomen normen ook het «event»-risico en het debiteurenrisico weergeeft voor haar verhandelbare schuldinstrumenten en aandelenposities.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

10. Elke instelling moet voldoen aan een kapitaalvereiste dat is uitgedrukt als het hoogste van de volgende waarden:

ia)          het potentiële verlies van de voorgaande dag, gemeten volgens de in deze bijlage bepaalde parameters, of

iib)         het gemiddelde van het dagelijkse potentiële verlies op elk van de 60 eraan voorafgaande werkdagen, vermenigvuldigd met de in punt 6 genoemde factoren en gecorrigeerd met de in punt 7 genoemde factor.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

11. Voor de berekening van het potentiële verlies gelden de volgende minimale normen:

ia)          het potentiële verlies moet ten minste eenmaal per dag berekend worden;

iib)         een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99 %;

iiic)        een equivalent voor de periode gedurende welke de positie wordt aangehouden, van tien dagen;

ivd)        een feitelijke historische waarnemingsperiode van ten minste één jaar, tenzij een kortere waarnemingsperiode op grond van een aanmerkelijke toeneming van de koersvolatiliteit gerechtvaardigd is;

ve)         driemaandelijkse bijwerking van het gegevensbestand.

12. De bevoegde autoriteiten verlangen dat het model accuraat alle wezenlijke koersrisico's van opties en op opties gelijkende posities bestrijkt en dat de overige niet door het model bestreken risico's afdoende met eigen vermogen afgedekt zijn.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

13. De bevoegde autoriteiten verlangen dat, aAfhankelijk van de mate waarin de instelling op de betrokken markten actief is, wordt in het risicometingsmodel een voldoende aantal risicofactoren bestreken wordt Ö en in het bijzonder het volgende: Õ .

Minimaal moet aan de navolgende voorwaarden zijn voldaan:

Ö Het renterisico Õ

i)          Met betrekking tot het renterisico moet hHet interne model dient risicofactoren te hanteren welke corresponderen met de rentevoeten voor elk van de valuta's waarin de instelling renterisicogevoelige posities binnen of buiten de balanstelling inneemt. De instelling geeft de rendementscurves weer door middel van een van de algemeen aanvaarde benaderingen. Voor wezenlijke renterisico's in de voornaamste valuta's en markten wordt de rendementscurve in ten minste zes looptijdsegmenten verdeeld, om de variaties van de rentevolatiliteit in de rendementscurve weer te geven. Het risicometingssysteem moet ook het risico van minder perfect gecorreleerde bewegingen tussen verschillende rendementscurves bestrijken.

Ö Het valutarisico Õ

ii)         Met betrekking tot het valutarisico moeten iIn het risicometingssysteem dienen risicofactoren te worden gebruikt die overeenkomen met goud en met de afzonderlijke buitenlandse valuta's waarin de posities van de instelling luiden.

ò nieuw

Voor ICB’s worden de feitelijke valutaposities van de ICB in aanmerking genomen. Instellingen kunnen zich baseren op de rapportage van een derde partij over de op ICB’s ingenomen valutaposities, mits de deugdelijkheid van de rapportage naar behoren is aangetoond. Wanneer de valutaposities op een ICB niet worden gevolgd door de instelling, zal worden aangenomen dat de ICB binnen de grenzen van haar beleggingsbeleid maximaal heeft belegd in valuta en neemt de instelling met betrekking tot posities in de handelsportefeuille het maximale indirecte risico dat zij kan lopen door leveraged posities in te nemen via de ICB, in aanmerking bij het berekenen van haar kapitaalvereiste voor valutarisico’s. Daartoe wordt de positie op de ICB proportioneel vermeerderd tot de maximale positie in de onderliggende beleggingen die in het kader van het beleggingsbeleid is toegestaan. De hypothetische valutapositie van de ICB wordt als een afzonderlijke valuta beschouwd en behandeld zoals beleggingen in goud. Voor zover de beleggingsstrategie van de ICB bekend is, kan naargelang van de richting ervan de totale haussepositie worden opgeteld bij de totale openstaande valutapositie à la hausse en de totale baissepositie bij de totale openstaande valutapositie à la baisse. Verrekening tussen dergelijke posities vóór de berekening is niet toegestaan.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5 (aangepast)

Ö Het aandelenrisico Õ

iii)        Met betrekking tot het aandelenrisico moet iIn het risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke aandelenmarkt waarop de instelling significante posities inneemt.

Ö Grondstoffenrisico Õ

iv)        Met betrekking tot het grondstoffenrisico moet iIn het risicometingssysteem dient een afzonderlijke risicofactor gebruikt te worden voor ten minste elke grondstof waarin de instelling significante posities inneemt. In het risicometingssysteem moeten voorts het risico van niet-perfect gecorreleerde bewegingen van vergelijkbare, doch niet identieke grondstoffen, alsmede het risico van veranderingen van termijnkoersen dat uit niet op elkaar passende looptijden voortvloeit, zijn verwerkt. Voorts moet in het systeem rekening worden gehouden met kenmerken van markten, met name de leveringsdata en de ruimte die handelaren wordt geboden om posities af te dekken.

ê 98/31/EG artikel 1, punt 7 en bijlage, punt 5

14. De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen toestaan binnen risicocategorieën en over risicocategorieën heen empirische correlaties te hanteren, indien zij ervan overtuigd zijn dat het systeem waarmee de instelling de correlaties meet, solide is en op integere wijze wordt toegepast.

ê 93/6/EEG bijlage VI, punt 8.2, tweede zin (aangepast)

BIJLAGE VI

Ö BEREKENING VAN DE KAPITAALVEREISTEN VOOR Õ GROTE RISICO’S

1. Dit vereiste wordt berekend door uit het totale handelsrisico op de betrokken cliënt of groep van cliënten die componenten te selecteren waarvoor de hoogste kapitaalvereisten ter dekking van het specifieke risico in bijlage I en/of kapitaalvereisten in bijlage II gelden, en waarvan de som gelijk is aan het bedrag van de in punt 29 Ö artikel 31, onder a), Õ bedoelde overschrijding;

2. Wanneer de overschrijding niet langer duurt dan tien dagen, bedraagt het aanvullende kapitaalvereiste 200 % van de in punt 1 bedoelde vereisten voor deze componenten.

3. Vanaf tien dagen na het ontstaan van de overschrijding worden de componenten van de overschrijding die volgens de bovenstaande criteria zijn geselecteerd, ondergebracht op de passende regel van kolom 1 van tabel I, in stijgende volgorde van de kapitaalvereisten voor het specifieke risico in bijlage I en/of de vereisten in bijlage II. De instelling moet dan voldoen aan een aanvullend kapitaalvereiste dat gelijk is aan de som van de kapitaalvereisten voor specifieke risico's in bijlage I en/of de vereisten in bijlage II voor deze componenten, vermenigvuldigd met de overeenkomstige factor uit kolom 2;

Ö Tabel 1 Õ

Overschrijding van de grenswaarden (als percentage van het eigen vermogen) || Factoren

Gedeelte tot 40 % || 200 %

Gedeelte tussen 40 % en 60 % || 300 %

Gedeelte tussen 60 % en 80 % || 400 %

Gedeelte tussen 80% en 100% || 500 %

Gedeelte tussen 100 % en 250 % || 600 %

Gedeelte boven 250 % || 900 %

é

ò nieuw

BIJLAGE VII

HANDELSACTIVITEITEN

Deel A – Intentie om te handelen

1. De volgende voorschriften worden in acht genomen met betrekking tot posities/portefeuilles die worden ingenomen/aangehouden met de intentie om te handelen:

a)      ten aanzien van de betrokken posities, instrumenten of portefeuilles wordt een goed gedocumenteerde en door de hoogste directie goedgekeurde handelsstrategie gevolgd, in het kader waarvan onder andere een verwachte tijdshorizon voor het innemen van posities of het aanhouden van instrumenten of portefeuilles is vastgesteld;

b)      voor het actieve beheer van de ingenomen posities gelden duidelijk omschreven gedragslijnen en procedures, die onder andere bepalen:

i)       welke posities een tradingafdeling mag innemen;

ii)      welke positielimieten gelden en hoe de adequaatheid ervan wordt gevolgd;

iii)     dat handelaars met inachtneming van de vastgestelde strategie autonoom posities kunnen innemen/beheren binnen de overeengekomen limieten;

iv)     dat als onderdeel van het risicomanagement van de instelling aan de hoogste directie wordt gerapporteerd over de ingenomen posities;

v)      dat de ingenomen posities actief worden bewaakt op basis van marktinformatiebronnen en het voorwerp uitmaken van beoordeling ten aanzien van de verhandelbaarheid of de afdekbaarheid van posities of de risicocomponenten ervan, en in het bijzonder wat betreft de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt voor het waarderingsproces, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de op de markt verhandelde posities;

c)      er gelden duidelijk omschreven gedragslijnen en procedures voor toetsing van posities aan de handelsstrategie van de instelling, die onder andere het bewaken van de omzet en van slapende posities in de handelsportefeuille van de instelling omvatten.

Deel B – Systemen en Controles

1. De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van toereikende systemen en controles om voorzichtige en betrouwbare waardeschattingen voort te brengen.

2. Deze systemen en controles bestaan minimaal uit:

a)      gedocumenteerde gedragslijnen en procedures voor het waarderingsproces. Dit omvat de volgende aspecten: duidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende terreinen die bij de waardering betrokken zijn, marktinformatiebronnen en beoordeling van de deugdelijkheid ervan, frequentie van onafhankelijke waardering, timing van slotkoersen, procedures voor het aanpassen van waarderingen, verificatieprocedures (einde maand, ad hoc).

b)      duidelijke, autonome (d.w.z. onafhankelijk van het front office) rapportagelijnen voor de afdeling die verantwoordelijk is voor het waarderingsproces.

Aan het einde van de rapportageketen staat een lid van de directie dat deel uitmaakt van het hoogste bestuursorgaan.

Conservatieve waarderingsmethoden

3. Waarderen tegen marktwaarde ('mark to market') is het minstens dagelijks bepalen van de waarde van posities op basis van direct beschikbare slotkoersen, afkomstig van onafhankelijke bronnen. Daarbij kan worden gedacht aan beurskoersen, prijzen in de schermenhandel of noteringen van een aantal onafhankelijke gereputeerde effectenmakelaars.

4. Bij waardering tegen marktwaarde wordt gebruik gemaakt van de bied- of de laatprijs, naargelang van wat het voorzichtigst is, tenzij de instelling een belangrijk marktmaker is in het betrokken financieel instrument of goed en vóór het sluiten uit de markt kan stappen.

5. Wanneer waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, dienen instellingen hun posities/portefeuilles te waarderen op basis van een modellenbenadering alvorens zij de kapitaalvoorschriften voor de handelsportefeuille toepassen. Waardering op basis van een modellenbenadering ('mark to model') is het door middel van benchmarking, extrapolatie of een andere berekeningswijze bepalen van de waarde op basis van een input uit de markt.

6. Bij waardering op basis van een modellenbenadering dienen de volgende voorschriften in acht te worden genomen:

a)           de hoogste directie draagt kennis van de bestanddelen van de handelsportefeuille waarvoor waardering op basis van een modellenbenadering wordt toegepast en is bekend met de belangrijkheid van de onzekerheid die zulks meebrengt voor de rapportage over de bedrijfsrisico’s en de bedrijfsresultaten;

b)           de inputs uit de markt zijn, voor zover mogelijk, in overeenstemming met de marktprijzen en de relevantie van de marktinputs voor de positie die wordt gewaardeerd en de parameters van het model worden dagelijks geëvalueerd;

c)           waar zij beschikbaar zijn, worden waarderingsmethoden gebruikt die voor bepaalde financiële instrumenten of grondstoffen als vaste marktpraktijk worden beschouwd;

d)           modellen die door de instelling zelf worden ontwikkeld, berusten op deugdelijke hypothesen, die zijn geanalyseerd en beproefd door voldoende gekwalificeerde partijen die niet bij het ontwikkelingsproces betrokken zijn;

e)           er zijn formele controleprocedures voor veranderingen ingesteld en er wordt een veilig exemplaar van het model bewaard, dat periodiek wordt gebruikt om waarderingen te verifiëren;

f)            het risicobeheer is op de hoogte van de tekortkomingen van de gebruikte modellen en weet hoe de impact ervan op het waarderingsresultaat maximaal kan worden beperkt;

g)           de nauwkeurigheid van het model wordt periodiek onderzocht (b.v. wat betreft de blijvend relevantie van de hypothesen, analyse van P&L versus risicofactoren, vergelijking van daadwerkelijke sluitprijzen met de modeluitkomsten).

In verband met punt d) geldt dat het front office niet mag worden betrokken bij de ontwikkeling en erkenning van het model. De beproeving van het model geschiedt op onafhankelijke wijze. Dit omvat het valideren van de wiskundige formules, de hypothesen en de implementatie van de computerprogrammatuur.

7. Naast de dagelijkse waardering tegen marktprijzen of op basis van een modellenbenadering dient ook onafhankelijke prijsverificatie plaats te vinden. Hierbij worden marktprijzen of modelinputs op regelmatige basis gecontroleerd op hun nauwkeurigheid en onafhankelijkheid. Dagelijkse waardering tegen marktprijzen mag door handelaars worden gedaan; verificatie van marktprijzen en modelinputs daarentegen, dient minstens maandelijks (of, afhankelijk van de aard van de markt/handelsactiviteit, met een grotere frequentie) door een van de dealing room onafhankelijke eenheid te worden verricht. Wanneer geen onafhankelijke bronnen van prijsinformatie beschikbaar zijn of de bronnen van prijsinformatie een veeleer subjectief karakter vertonen, kunnen prudente maatregelen zoals aanpassing van de waarderingen aangewezen zijn.

Waarderingsaanpassingen of -reserves

8. De instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van procedures ter beoordeling van de noodzaak van waarderingsaanpassingen of –reserves.

Algemene voorschriften

9. De bevoegde autoriteiten schrijven voor dat de noodzaak van waarderingsaanpassingen of –reserves voor de volgende elementen formeel wordt beoordeeld: niet benutte kredietspreidingswinsten, liquidatiekosten, operationele risico’s, vervroegde beëindiging, beleggings- en financieringskosten, toekomstige administratiekosten en, indien van toepassing, aan het model verbonden risico.

Voorschriften voor minder liquide posten

10. Posities kunnen minder liquide worden als gevolg van marktgebeurtenissen en instellingsgerelateerde situaties, bijvoorbeeld geconcentreerde posities en/of starre posities.

11. Bij de beoordeling of een waarderingsreserve voor minder liquide posten noodzakelijk is, houden de instellingen rekening met een aantal verschillende factoren. Deze omvatten de termijn die nodig is om de positie/risicobestanddelen binnen de positie af te dekken, de volatiliteit en het gemiddelde van de spread tussen bied- en laatprijzen, de beschikbaarheid van marktnoteringen (aantal marktmakers en hun identiteit) en de volatiliteit en het gemiddelde van de handelsvolumes.

12. Wanneer de instellingen gebruik maken van externe waarderingen of waardering op basis van een modellenbenadering, beoordelen zij of het noodzakelijk is een waarderingsaanpassing te verrichten. Tevens beoordelen zij op continue basis of het noodzakelijk is reserves aan te leggen voor minder liquide posities.

13. Wanneer waarderingsaanpassingen of –reserves aanleiding geven tot materiële verliezen voor het lopende boekjaar, worden deze overeenkomstig artikel 57, punt k), van Richtlijn [2000/12/EG] in mindering gebracht op het oorspronkelijke eigen vermogen van de instelling.

14. Andere winsten/verliezen voortvloeiend uit waarderingsaanpassingen of –reserves worden opgenomen in de berekening van de nettowinst uit de handelsportefeuille als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder b), en opgeteld bij/in mindering gebracht op de extra eigen middelen waarmee op grond van de betrokken bepalingen aan de eisen met betrekking tot marktrisico's kan worden voldaan.

Part C – Interne afdekkingsinstrumenten

1. Een intern afdekkingsinstrument is een positie waarmee de risicocomponent van een positie in de niet-handelsportefeuille of een reeks posities materieel of compleet wordt geneutraliseerd. Als gevolg van interne afdekkingsinstrumenten ontstane posities kunnen in aanmerking komen voor toepassing van de kapitaalvoorschriften voor de handelsportefeuille indien zij met de intentie om te handelen worden ingenomen en mits aan de algemene criteria inzake intentie om te handelen en conservatieve waardering van respectievelijk deel A en deel B is voldaan. In het bijzonder:

a)      hebben interne afdekkingsinstrumenten niet in de eerste plaats tot doel om kapitaalvereisten te ontlopen of te verminderen;

b)      worden interne afdekkingsinstrumenten naar behoren gedocumenteerd en onderworpen aan bijzondere interne procedures ten aanzien van goedkeuring en auditing;

c)      wordt de interne transactie afgewikkeld tegen marktvoorwaarden;

d)      wordt het overgrote deel van het aan het interne afdekkingsinstrument verbonden marktrisico, met inachtneming van de toegestane limieten, dynamisch beheerd in de handelsportefeuille;

e)      worden de interne transacties zorgvuldig gemonitord.

De deugdelijkheid van de monitoring wordt gewaarborgd door middel van adequate procedures.

2. De in lid 1 beschreven behandeling is van toepassing onverminderd de kapitaalvereisten die van toepassing zijn op het niet tot de handelsportefeuille behorende bestandeel van het interne afdekkingsinstrument.

BIJLAGE VIII

INGETROKKEN RICHTLIJNEN

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN MET DE ACHTEREENVOLGENDE WIJZIGINGEN OP DIE RICHTLIJNEN

(als bedoeld in artikel 48)

Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Richtlijn 98/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 tot wijziging van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Richtlijn 98/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 tot wijziging van artikel 12 van Richtlijn 77/780/EEG van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, de artikelen 2, 5, 6, 7 en 8 en de bijlagen II en III van Richtlijn 89/647/EEG van de Raad betreffende een solvabiliteitsratio voor kredietinstellingen en artikel 2 en bijlage II van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad

Enkel artikel 26

Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad

Enkel artikel 67

DEEL B

TERMIJNEN VOOR DE OMZETTING IN NATIONAAL RECHT

(als bedoeld in artikel 48)

Richtlijn || || Termijn voor omzetting

Richtlijn 93/6/EEG van de Raad || || 1.7.1995

Richtlijn 98/31/EG || || 21.7.2000

Richtlijn 98/33/EG || || 21.7.2000

Richtlijn 2002/87/EG || || 11.8.2004

Richtlijn 2004/39/EG || || Nog niet bekend

Richtlijn 2004/xx/EG || || Nog niet bekend

ò nieuw

BIJLAGE IX

CONCORDANTIETABEL

Deze richtlijn || Richtlijn 93/6/EG || Richtlijn 98/31/EG || Richtlijn 98/33/EG || Richtlijn 2002/87/EG || Richtlijn 2004/39/EG

Artikel 1, punt 1, eerste zin || || || || ||

Artikel 1, lid 1, tweede zin, en lid 2 || Artikel 1 || || || ||

Artikel 2, punt 1 || || || || ||

Artikel 2, punt 2 || Artikel 7, punt 3 || || || ||

Artikel 3, lid 1, a) || Artikel 2, punt 1 || || || ||

Artikel 3, punt 1, b) || Artikel 2, punt 2 || || || || Artikel 67, punt 1

Artikel 3, lid 1, c), d) en e) || Artikel 2, punten 3 tot en met 5 || || || ||

Artikel 3, lid 1, f) en g) || || || || ||

Artikel 3, lid 1, h) || Artikel 2, punt 10 || || || ||

Artikel 3, lid 1, i) || Artikel 2, punt 11 || || Artikel 3, punt 1 || ||

Artikel 3, lid 1, j) || Artikel 2, punt 14 || || || ||

Artikel 3, lid 1, k) en l) || Artikel 2, leden 15 en 16 || Artikel 1, punt 1, b) || || ||

Artikel 3, lid 1, m) || Artikel 2, punt 17 || Artikel 1, lid 1, c) || || ||

Artikel 3, lid 1, n) || Artikel 2, punt 18 || Artikel 1, punt 1, d) || || ||

Artikel 3, lid 1, o), p) en q) || Artikel 2, punten 19 tot en met 21 || || || ||

|| || || || ||

Artikel 3, lid 1, b) || Artikel 2, punt 23 || || || ||

Artikel 3, lid 1, s) || Artikel 2, punt 26 || || || ||

Artikel 3, punt 2 || Artikel 2, leden 7 en 8 || || || ||

Artikel 3, lid 3, a) en b) || Artikel 7, punt 3 || || || Artikel 26 ||

Artikel 3, lid 3, c) || Artikel 7, punt 3 || || || ||

Artikel 4 || Artikel 2, punt 24 || || || ||

Artikel 5 || Artikel 3, leden 1 en 2 || || || ||

Artikel 6 || Artikel 3, punt 4 || || || || Artikel 67, punt 2

Artikel 7 || Artikel 3, punt 4, a) || || || || Artikel 67, punt 3

Artikel 8 || Artikel 3, punt 4, b) || || || || Artikel 67, punt 3

Artikel 9 || Artikel 3, punt 3 || || || ||

Artikel 10 || Artikel 3, punten 5 tot en met 8 || || || ||

Artikel 11 || Artikel 2, punt 6 || || || ||

Artikel 12, eerste alinea || Artikel 2, punt 25 || || || ||

Artikel 12, tweede alinea || || || || ||

Artikel 13, punt 1, eerste alinea || Bijlage V, punt 1, eerste alinea || || || ||

Artikel 13, lid 1, tweede alinea, en leden 2 tot en met 5 || Bijlage V, punt 1, tweede alinea, en punten 2 tot en met 5 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 4, a) en b) || || ||

Artikel 14 || Bijlage V, punten 6 en 7 || Bijlage 4, c) || || ||

Artikel 15 || Bijlage V, punt 8 || || || ||

Artikel 16 || Bijlage V, punt 9 || || || ||

Artikel 17 || || || || ||

Artikel 18, punt 1, eerste alinea || Artikel 4, punt 1, eerste alinea || || || ||

Artikel 18, lid 1, a) en b) || Artikel 4, lid 1, i) en ii) || Artikel 1, punt 2 || || ||

Artikel 18, punten 2 tot en met 4 || Artikel 4, punten 6 tot en met 8 || || || ||

Artikel 19, punt 1 || || || || ||

Artikel 19, punt 2 || Artikel 11, punt 2 || || || ||

Artikel 19, punt 3 || || || || ||

Artikel 20 || || || || ||

Artikel 21 || Bijlage IV || || || ||

Artikel 22 || || || || ||

Artikel 23, eerste en tweede alinea || Artikel 7, leden 5 en 6 || || || ||

Artikel 23, derde alinea || || || || ||

Artikel 24 || || || || ||

Artikel 25 || || || || ||

Artikel 26, punt 1 || Artikel 7, punt 10 || Artikel 1, punt 4 || || ||

Artikel 26, punten 2 tot en met 4 || Artikel 7, punten 11 tot en met 13 || || || ||

Artikel 27 || Artikel 7, leden 14 en 15 || || || ||

Artikel 28, punt 1 || Artikel 5, punt 1 || || || ||

Artikel 28, punt 2 || Artikel 5, punt 2 || Artikel 1, punt 3 || || ||

Artikel 28, punt 3 || || || || ||

Artikel 29, lid 1, a), b) en c), en volgende twee alinea’s || Bijlage VI, punt 2 || || || ||

Artikel 29, lid 1, laatste alinea || || || || ||

Artikel 29, punt 2 || Bijlage VI, punt 3 || || || ||

Artikel 30, lid 1 en lid 2, eerste alinea || Bijlage VI, punten 4 en 5 || || || ||

Artikel 30, lid 2, tweede alinea || || || || ||

Artikel 30, leden 3 en 4 || Bijlage VI, punten 6 en 7 || || || ||

Artikel 31 || Bijlage VI, punt 8.1, 8.2, eerste zin, 8.3, 8.4 en 8.5 || || || ||

Artikel 32 || Bijlage VI, punten 9 en 10 || || || ||

Artikel 33, leden 1 en 2 || || || || ||

Artikel 33, punt 3 || Artikel 6, punt 2 || || || ||

Artikel 34 || || || || ||

Artikel 35, punten 1 tot en met 4 || Artikel 8, punten 1 tot en met 4 || || || ||

Artikel 35, punt 5 || Artikel 8, punt 5, eerste zin || Artikel 1, punt 5 || || ||

Artikel 36 || Artikel 9, punten 1 tot en met 3 || || || ||

Artikel 37 || || || || ||

Artikel 38 || Artikel 9, punt 4 || || || ||

Artikel 39 || || || || ||

Artikel 40 || Artikel 2, punt 9 || || || ||

Artikel 41 || || || || ||

Artikel 42, lid 1, a), b) en c) || Artikel 10, eerste, tweede en derde streepje || || || ||

Artikel 42, lid 1, d) en e) || || || || ||

Artikel 42, punt 1, f) || Artikel 10, vierde streepje || || || ||

Artikel 42, punt 1, g) || || || || ||

Artikel 43 || || || || ||

Artikel 44 || || || || ||

Artikel 45 || || || || ||

Artikel 46 || Artikel 12 || || || ||

Artikel 47 || || || || ||

Artikel 48 || || || || ||

Artikel 49 || || || || ||

Artikel 50 || Artikel 15 || || || ||

|| || || || ||

Bijlage I, punten 1 tot en met 4 || Bijlage I, punten 1 tot en met 4 || || || ||

Bijlage I, lid 4, laatste alinea || Artikel 2, punt 22 || || || ||

Bijlage I, punten 5 tot en met 7 || Bijlage I, punten 5 tot en met 7 || || || ||

Bijlage I, punt 8 || || || || ||

Bijlage I, punten 9 tot en met 11 || Bijlage I, punten 8 tot en met 10 || || || ||

Bijlage I, punten 12 tot en met 14 || Bijlage I, punten 12 tot en met 14 || || || ||

Bijlage I, punten 15 en 16 || Artikel 2, punt 12 || || || ||

Bijlage I, punten 17 tot en met 41 || Bijlage I, punten 15 tot en met 39 || || || ||

Bijlage I, punten 42 tot en met 56 || || || || ||

Bijlage II, punten 1 en 2 || Bijlage II, punten 1 en 2 || || || ||

Bijlage II, punten 3 tot en met 11 || || || || ||

Bijlage III, punt 1 || Bijlage V, punt 1, eerste alinea || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, a) || || ||

Bijlage III, punt 2 || Bijlage III, punt 2 || || || ||

Bijlage III, punt 2.1, eerste, tweede en derde alinea || Bijlage III, punt 3,1 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, b) || || ||

Bijlage III, punt 2,1, vierde alinea || || || || ||

Bijlage III, punt 2.1, vijfde alinea || Bijlage III, punt 3.2 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, b) || || ||

Bijlage III, punten 2.2, 3 en 3.1 || Bijlage III, punten 4 tot en met 6 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 3, c) || || ||

Bijlage III, punt 3.2 || Bijlage III, punt 8 || || || ||

Bijlage III, punt 4 || Bijlage III, punt 11 || || || ||

Bijlage IV, punten 1 tot en met 20 || Bijlage VII, punten 1 tot en met 20 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 5 || || ||

Bijlage IV, punt 21 || Artikel 11 bis || Artikel 1, punt 6 || || ||

Bijlage V, punten 1 tot en met 13, eerste alinea || Bijlage VIII, punten 1 tot en met 13, ii) || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 5 || || ||

Bijlage V, punt 13, vierde alinea || || || || ||

Bijlage V, punt 13, vijfde alinea tot en met punt 14 || Bijlage VIII, punten 13, iii), tot en met 14 || Artikel 1, punt 7, en Bijlage 5 || || ||

Bijlage VI || Bijlage VI, punt 8.2, na de eerste zin || || || ||

Bijlage VII || || || || ||

Bijlage VIII || || || || ||

Bijlage IX || || || || ||

[1]               PB C […] van […], blz. […].

[2]               PB C

[3]               PB C […] van […], blz. […].

[4]               PB C […] van […], blz. […].

[5]               PB C […] van […], blz. […].

[6]               PB L 141 van 11.6.1993, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/xx/EG, PB […]

[7]               PB L 141 van 11.06.1993, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/xx/EG, PB […]

[8]               PB L 126 van 26.5.2000, blz. 1.

[9]               PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

[10]             PB L 386 van 30.12.1989, blz. 14. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB L 110 van 28.4.1992, blz. 52).

[11]             PB L 29 van 5. 2. 1993, blz. 1.

[12]             PB L 124 van 5. 5. 1989, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/30/EEG (PB L 110 van 24. 9. 1992, blz. 52).

[13]             PB L 110 van 28. 4. 1992, blz. 52.

[14]             PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[15]             PB L 197 van 18. 7. 1987, blz. 33.

[16]             PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

[17]             PB L 322 van 17. 12. 1977, blz. 30. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/646/EEG (PB L 386 van 30. 12. 1989, blz. 1).

[18]             PB nr. L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

[19]             PB nr. L 9 van 15.01.2003, blz. 3.

NL

|| COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Brussel, 14.7.2004

COM(2004) 486 definitief

2004/0155 (COD) 2004/0159 (COD) Technische bijlagen

 

Voorstel voor

RICHTLIJNEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot herschikking van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

(ingediend door de Commissie) {SEC(2004) 921}

TOELICHTING

-

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van […]

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel […],

Gezien het voorstel van de Commissie[1],

Gezien het advies van het Europees Parlement[2],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[3],

Gezien het advies van het Comité van de Regio's[4],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) [Hoofdletter …].

(2) [Hoofdletter …],

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

[…]

Artikel […]

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór ...... aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel […]

Deze richtlijn treedt in werking op de […] dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel […]

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, […]

                                                                       Voor de Raad

                                                                       De Voorzitter

                                                                       […]

BIJLAGE

ò nieuw

Bijlage V - Technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s

1. Governance

1. Het in artikel 11 bedoelde leidinggevende orgaan treft regelingen met het oog op de scheiding van taken in de organisatie en de voorkoming van belangenconflicten.

2. Behandeling van risico’s

2. Het in artikel 11 bedoelde leidinggevende orgaan hecht zijn goedkeuring aan en gaat periodiek over tot de evaluatie van de strategieën en gedragslijnen voor het aangaan, beheren, bewaken en verminderen van de risico’s waaraan de kredietinstelling blootgesteld is of eventueel kan zijn, met inbegrip van de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de instelling actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.

3. Krediet- en tegenpartijrisico

3. De kredietverlening geschiedt op basis van gedegen en welomschreven criteria. De procedure voor de acceptatie, aanpassing, vernieuwing en herfinanciering van kredieten wordt duidelijk vastgelegd.

4. Voor de lopende administratie en bewaking van de diverse portefeuilles en vorderingen waaraan een kredietrisico verbonden is, met inbegrip van de detectie en het beheer van probleemkredieten, het verrichten van adequate waardeaanpassingen en de vorming van voorzieningen, wordt van doeltreffende systemen gebruik gemaakt.

5. De spreiding van de kredietportefeuilles sluit aan bij de doelmarkten en bij de algemene kredietstrategie van de kredietinstelling.

4. Restrisico

6. Het risico dat door de kredietinstelling toegepaste, erkende technieken voor de vermindering van het kredietrisico minder doeltreffend blijken dan verwacht, wordt aangepakt en beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.

5. Concentratierisico

7. Het concentratierisico dat voortvloeit uit vorderingen op tegenpartijen, groepen van verbonden tegenpartijen en tegenpartijen van dezelfde economische sector of geografische regio, dan wel uit dezelfde activiteit of grondstof, de toepassing van technieken voor de vermindering van het kredietrisico, en met name grote indirecte kredietrisico’s (bv. jegens één enkele uitgevende instelling van zekerheden), wordt aangepakt en beheerst door middel van schriftelijk vastgelegde gedragslijnen en procedures.

6. Securitisatierisico’s

8. De risico’s die voortvloeien uit securitisatietransacties waarbij de kredietinstellingen als initiator of sponsor optreden, worden beoordeeld en aangepakt aan de hand van passende gedragslijnen en procedures om er met name voor te zorgen dat bij het nemen van beslissingen op het gebied van de risicobeoordeling en het risicobeheer ten volle met het economische belang van de transactie rekening wordt gehouden.

9. Kredietinstellingen die optreden als initiator van revolverende securitisatietransacties waarbij er sprake is van vervroegde-aflossingsbepalingen, stellen een liquiditeitsplan vast om de gevolgen van zowel geplande als vervroegde aflossingen op te vangen.

7. Uit niet-handelsactiviteiten voortvloeiend renterisico

10. Er worden systemen toegepast voor de beoordeling en het beheer van het risico dat uit potentiële veranderingen in rentetarieven voortvloeit, voorzover deze veranderingen van invloed zijn op de niet-handelsactiviteiten van een kredietinstelling.

8. Operationeel risico

11. Er worden gedragslijnen en procedures toegepast om de blootstelling aan operationeel risico, met inbegrip van zelden voorkomende, zeer ernstige gebeurtenissen, te beoordelen en te beheren. Onverminderd de in artikel 4, punt (22), vervatte definitie wordt door de kredietinstellingen nader omschreven wat voor de toepassing van deze gedragslijnen en procedures onder operationeel risico moet worden verstaan.

12. Er bestaan calamiteiten- en bedrijfscontinuïteitsplannen om ervoor te zorgen dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van kredietinstellingen is verzekerd en dat de verliezen kunnen worden beperkt ingeval de bedrijfsactiviteiten ernstig worden verstoord.

9. Liquiditeitsrisico

13. Er bestaan gedragslijnen en procedures voor de meting en het beheer van de actuele en toekomstige netto financiële positie en behoeften. Er worden alternatieve scenario’s in overweging genomen en de hypothesen die aan beslissingen betreffende de netto financiële positie ten grondslag liggen, worden regelmatig aan een nieuw onderzoek onderworpen.

14. Er bestaan calamiteitenplannen om aan liquiditeitscrises het hoofd te kunnen bieden.

BIJLAGE VI Standaardbenadering Deel 1 - Risicogewichten

10. VORDERINGEN OP CENTRALE OVERHEDEN OF CENTRALE BANKEN 10.1. Behandeling

15. Onverminderd de punten 2 tot en met 8 wordt aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken een risicogewicht van 100% toegekend.

16. Aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) beschikbaar is, wordt conform tabel 1 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 1

Krediet-kwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risico-gewicht || 0% || 20% || 50% || 100% || 100% || 150%

17. Aan vorderingen op de Europese Centrale Bank wordt een risicogewicht van 0% toegekend.

10.2. Vorderingen luidend in de nationale valuta van de leningnemer

18. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen op hun centrale overheid en centrale bank een lager risicogewicht toe te kennen dan in punt 2 is aangegeven.

19. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 4 geboden keuzemogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen eveneens toestaan hetzelfde risicogewicht toe te passen op in de desbetreffende valuta luidende en gefinancierde vorderingen op de betrokken centrale overheid of centrale bank.

20. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast, aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen op hun centrale overheid en centrale bank een lager risicogewicht toekennen dan in de punten 1 en 2 is aangegeven, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van dergelijke vorderingen op dezelfde wijze vast te stellen.

10.3. Gebruik van kredietbeoordelingen van exportkredietverzekeringsmaatschappijen

21. Een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij mag alleen worden erkend als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de kredietbeoordeling is een via een consensus tot stand gekomen risicoscore van een exportkredietverzekeringsmaatschappij die deelneemt aan de OESO-regeling inzake richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten;

b)      de exportkredietverzekeringsmaatschappij publiceert haar kredietbeoordelingen en houdt zich aan de OESO-methodologie; de kredietbeoordeling is gekoppeld aan een van de zeven minimumexportverzekeringspremies (MEVP’s) waarin de OESO-methodologie voorziet.

22. Aan vorderingen waarvoor een kredietbeoordeling van een exportkredietverzekeringsmaatschappij voor risicowegingsdoeleinden wordt erkend, wordt conform tabel 2 een risicogewicht toegekend.

Tabel 2

MEVP || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6 || 7

Risico-gewicht || 0% || 20% || 50% || 100% || 100% || 100% || 150%

11. VORDERINGEN OP REGIONALE OF LAGERE OVERHEDEN

23. Onverminderd de punten 10, 11 en 12 wordt aan vorderingen op regionale en lagere overheden hetzelfde risicogewicht toegekend als aan vorderingen op instellingen. De gebruikmaking door de bevoegde autoriteiten van deze keuzemogelijkheid staat los van de gebruikmaking door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 80, lid 3, gespecificeerde keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de punten 30, 31 en 36 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet toegepast.

24. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om vorderingen op regionale en lagere overheden te behandelen als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn, indien er tussen deze vorderingen geen verschil in risico bestaat vanwege de specifieke bevoegdheden van de regionale en lagere overheden om inkomsten te verkrijgen en het bestaan van specifieke institutionele regels waardoor de kans dat genoemde overheden in gebreke blijven, wordt verminderd.

25. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 10 geboden keuzemogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen eveneens toestaan hetzelfde risicogewicht toe te passen op vorderingen op de betrokken regionale en lagere overheden.

26. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast, vorderingen op regionale en lagere overheden behandelen als vorderingen op hun centrale overheid, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van de betrokken regionale en lagere overheden op dezelfde wijze vast te stellen.

12. VORDERINGEN OP ADMINISTRATIEVE ORGANEN EN NIET-COMMERCIËLE ONDERNEMINGEN 12.1. Behandeling

27. Onverminderd de punten 14 tot en met 18 wordt aan vorderingen op administratieve organen en niet-commerciële ondernemingen een risicogewicht van 100% toegekend.

12.2. Publiekrechtelijke lichamen

28. Onverminderd de punten 15, 16 en 17 wordt aan vorderingen op publiekrechtelijke lichamen een risicogewicht van 100% toegekend.

29. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen te behandelen als vorderingen op instellingen. De gebruikmaking door de bevoegde autoriteiten van deze keuzemogelijkheid staat los van de gebruikmaking door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 80, lid 3, gespecificeerde keuzemogelijkheid. De preferentiële behandeling van de in de punten 30, 31 en 36 gespecificeerde kortlopende vorderingen wordt niet toegepast.

30. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat gebruik maken van de mogelijkheid om vorderingen op publiekrechtelijke lichamen als vorderingen op instellingen te behandelen, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van de vorderingen op de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze vast te stellen.

31. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een derde land met een toezicht- en regelgevingsstelsel dat ten minste gelijkwaardig is aan de stelsels die in de Gemeenschap worden toegepast, vorderingen op publiekrechtelijke lichamen behandelen als vorderingen op instellingen, kunnen de lidstaten hun kredietinstellingen toestaan het risicogewicht van de betrokken publiekrechtelijke lichamen op dezelfde wijze vast te stellen.

12.3. Kerken en godsdienstige gemeenschappen

32. Vorderingen op kerken en godsdienstige gemeenschappen die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, worden behandeld als vorderingen op publiekrechtelijke lichamen, voorzover zij belastingen heffen op grond van een hun daartoe bij wet verleend recht.

13. VORDERINGEN OP MULTILATERALE ONTWIKKELINGSBANKEN 13.1. Toepassingsgebied

33. Voor de toepassing van de artikelen 78 tot en met 83 wordt de Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij als een multilaterale ontwikkelingsbank aangemerkt.

13.2. Behandeling

34. Onverminderd de punten 21 en 22 worden vorderingen op multilaterale ontwikkelingsbanken op dezelfde wijze behandeld als vorderingen op instellingen, dat wil zeggen conform de punten 28 tot en met 31. De preferentiële behandeling van de in de punten 30, 31 en 36 gespecificeerde kortlopende vorderingen is niet van toepassing.

35. Aan vorderingen op de volgende multilaterale ontwikkelingsbanken wordt een risicogewicht van 0% toegekend:

a) de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling;

b) de Internationale Financieringsmaatschappij;

c) de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank;

d) de Aziatische Ontwikkelingsbank;

e) de Afrikaanse Ontwikkelingsbank;

f) het Vestigingsfonds van de Raad van Europa;

g) de Nordic Investment Bank;

h) de Caraïbische Ontwikkelingsbank;

i) de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling;

j) de Europese Investeringsbank;

k) het Europees Investeringsfonds;

l) het Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties.

36. Op het niet-gestorte gedeelte van de inschrijvingen op het kapitaal van het Europees Investeringsfonds wordt een risicogewicht van 20% toegepast.

14. VORDERINGEN OP INTERNATIONALE ORGANISATIES

37. Aan vorderingen op de volgende internationale organisaties wordt een risicogewicht van 0% toegekend:

a) de Europese Gemeenschap;

b) het Internationaal Monetair Fonds;

c) de Bank voor Internationale Betalingen.

15. VORDERINGEN OP INSTELLINGEN 15.1. Behandeling

38. Bij de vaststelling van de risicogewichten van vorderingen op instellingen wordt een van de beide methoden toegepast die in respectievelijk de punten 26 en 27 en de punten 28 tot en met 31 worden beschreven.

15.2. Minimumrisicogewicht van vorderingen op instellingen zonder externe rating

39. Het risicogewicht van vorderingen op een instelling zonder externe rating mag niet lager zijn dan het risicogewicht dat op vorderingen op haar centrale overheid wordt toegepast.

15.3. Op het risicogewicht van de centrale overheid gebaseerde methode

40. Aan vorderingen op een instelling wordt conform tabel 3 een risicogewicht toegekend op basis van de kredietkwaliteitscategorie waarin vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied de statutaire zetel van de betrokken instelling gelegen is, zijn ondergebracht.

Tabel 3

Kredietkwaliteits-categorie waarin de centrale overheid is ondergebracht || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risicogewicht van de vordering || 20% || 50% || 100% || 100% || 100% || 150%

41. Het risicogewicht van vorderingen op instellingen waarvan de statutaire zetel gelegen is in landen waarvan de centrale overheid geen externe rating heeft, bedraagt ten hoogste 100%.

15.4. Op een kredietbeoordeling gebaseerde methode

42. Aan vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van meer dan drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 4 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 4

Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risicogewicht || 20% || 50% || 50% || 100% || 100% || 150%

43. Aan vorderingen op instellingen zonder externe rating wordt een risicogewicht van 50% toegekend.

44. Aan vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 5 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 5

Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risicogewicht || 20% || 20% || 20% || 50% || 50% || 150%

45. Aan vorderingen op instellingen zonder externe rating met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden wordt een risicogewicht van 20% toegekend.

15.5. Interactie met kredietbeoordelingen voor de korte termijn

46. Indien de in de punten 28 tot en met 31 gespecificeerde methode op vorderingen op instellingen wordt toegepast, dan is de interactie met specifieke kredietbeoordelingen voor de korte termijn als volgt.

47. Indien er voor de vordering geen kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat, dan is de in punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen van toepassing op alle vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste drie maanden.

48. Indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat gunstiger is dan of gelijk aan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen, dan wordt uitsluitend voor deze specifieke vordering van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt. Voor andere kortlopende vorderingen wordt de in punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling toegepast.

49. Indien er een kredietbeoordeling voor de korte termijn bestaat en indien deze leidt tot de toepassing van een risicogewicht dat minder gunstig is dan het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de in punt 30 gespecificeerde algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen, dan wordt geen gebruik gemaakt van de algemene preferentiële behandeling van kortlopende vorderingen en wordt aan alle kortlopende schuldvorderingen zonder externe rating hetzelfde risicogewicht toegekend als het risicogewicht dat voortvloeit uit de toepassing van de desbetreffende kredietbeoordeling voor de korte termijn.

15.6. Kortlopende vorderingen luidend in de nationale valuta van de leningnemer

50. Wanneer de bevoegde autoriteiten gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om voor vorderingen op centrale overheden en centrale banken de in de punten 4, 5 en 6 beschreven methode toe te passen, kan aan in de nationale valuta luidende en gefinancierde vorderingen op instellingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden volgens zowel de in de punten 26 en 27 als de in de punten 28 tot en met 31 beschreven methode een risicogewicht worden toegekend dat één klasse slechter is dan het in de punten 4, 5 en 6 beschreven preferentiële risicogewicht dat aan vorderingen op de centrale overheid wordt toegekend.

51. Het risicogewicht van in de nationale valuta van de leningnemer luidende en gefinancierde vorderingen met een oorspronkelijke effectieve looptijd van ten hoogste drie maanden bedraagt ten minste 20%.

15.7. Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten

52. Aan beleggingen in door instellingen uitgegeven aandelen of eigenvermogensinstrumenten wordt een risicogewicht van 100% toegekend, tenzij deze instrumenten in mindering zijn gebracht op het eigen vermogen.

16. VORDERINGEN OP ONDERNEMINGEN 16.1. Behandeling

53. Aan vorderingen waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 6 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 6

Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 100% || 150% || 150%

54. Aan vorderingen waarvoor een dergelijke kredietbeoordeling niet beschikbaar is, wordt een risicogewicht van 100% of het risicogewicht van de centrale overheid van het bedrijf toegekend, al naar gelang welk risicogewicht het hoogste is.

17. VORDERINGEN OP PARTICULIEREN EN KLEINE PARTIJEN

55. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen die aan de in artikel 79, lid 2, opgesomde criteria voldoen, een risicogewicht van 75% toe te kennen.

18. DOOR ONROEREND GOED GEDEKTE VORDERINGEN

56. Onverminderd de punten 43 tot en met 57 wordt aan vorderingen die volledig door onroerend goed zijn gedekt, een risicogewicht van 100% toegekend.

18.1. Door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen

57. Aan vorderingen waarvoor ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, wordt een risicogewicht van 35% toegekend.

58. Aan vorderingen waarvoor ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, wordt een risicogewicht van 35% toegekend.

59. De bevoegde autoriteiten spreken pas een gunstig oordeel uit indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer;

b)      het risico van de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen. De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert;

c)      de minimumvereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 63 tot en met 66, zijn in acht genomen;

d)      de waarde van het onroerend goed is aanzienlijk hoger dan het bedrag van de vorderingen.

60. Voor vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat zich op hun grondgebied bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de in punt 45, onder b), gestelde voorwaarde, mits zij over het bewijs beschikken dat er op hun grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met verliescijfers die voldoende laag zijn om een dergelijke behandeling van deze vorderingen te wettigen.

61. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 46 geboden mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 35% toe te passen op de desbetreffende vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed.

18.2. Door hypotheken op zakelijk onroerend goed gedekte vorderingen

62. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen waarvoor volgens hen naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten die zich op hun grondgebied bevinden, een risicogewicht van 50% toe te kennen.

63. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen waarvoor volgens hen naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig gedekt zijn door aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten, een risicogewicht van 50% toe te kennen.

64. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan vorderingen die verband houden met transacties inzake financieringshuur van onroerende goederen welke betrekking hebben op kantoorgebouwen of andere bedrijfsruimten die zich op hun grondgebied bevinden, en waarop wettelijke bepalingen van toepassing zijn krachtens welke de verhuurder de volledige eigendom van het verhuurde goed behoudt zolang de huurder zijn koopoptie niet heeft uitgeoefend, een risicogewicht van 50% toe te kennen.

65. De toepassing van de punten 48, 49 en 50 is onderworpen aan de volgende voorwaarden:

a)      de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer;

b)      het risico van de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen. De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert;

c)      de minimumvereiste van bijlage VIII, deel 2, punt 8 en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 63 tot en met 66, zijn in acht genomen.

66. Het risicogewicht van 50% is van toepassing op het gedeelte van de lening dat niet hoger ligt dan het op een van de volgende wijzen berekende maximum:

a)      50% van de marktwaarde van het onroerend goed in kwestie;

b)      50% van de marktwaarde van het onroerend goed of, indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van de hypotheekwaarde in lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de berekening van de hypotheekwaarden hebben vastgesteld.

67. Op het gedeelte van de lening dat boven de in punt 52 bedoelde maxima ligt, is een risicogewicht van 100% van toepassing.

68. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van een in de punten 48, 49 en 50 geboden mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 50% toe te passen op dergelijke vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed.

69. Voor vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat zich op hun grondgebied bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten ontheffing verlenen van de in punt 51, onder b), gestelde voorwaarde, mits zij over het bewijs beschikken dat er op hun grondgebied sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed met verliescijfers die de volgende maxima niet overtreffen:

a)      50% van de marktwaarde (of, in voorkomend geval en indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van de hypotheekwaarde) mag niet meer zijn dan 0,3 % van de in een gegeven jaar uitstaande leningen;

b)      de totale verliezen die uit hypotheken op zakelijk onroerend goed voortvloeien, mogen niet hoger liggen dan 0,5% van de in een gegeven jaar uitstaande leningen.

70. Indien in een gegeven jaar niet aan één van beide in punt 55 genoemde maxima is voldaan, komt deze behandeling niet meer in aanmerking en moet opnieuw aan de in punt 51, onder b), gestelde voorwaarde worden voldaan voordat zij wederom kan worden toegepast.

71. Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van de in punt 55 geboden mogelijkheid gebruik maken, kunnen de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat hun kredietinstellingen toestaan een risicogewicht van 50% toe te passen op dergelijke vorderingen die geheel en volledig gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed.

19. ACHTERSTALLIGE POSTEN

72. Onverminderd het bepaalde in de punten 59 tot en met 62 wordt aan het niet-gedekte gedeelte van een post die meer dan 90 dagen achterstallig is, een risicogewicht toegekend van:

a)      150% indien de waardeaanpassingen minder dan 20% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen;

b)      100% indien de waardeaanpassingen niet minder dan 20% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen;

c)      50% indien de waardeaanpassingen niet minder dan 50% van het niet-gedekte gedeelte van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen, mits de bevoegde autoriteiten van deze mogelijkheid gebruik wensen te maken.

73. Voor de bepaling van het gedekte gedeelte van de achterstallige post zijn de toelaatbare zekerheden en garanties die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicovermindering.

74. Ingeval een achterstallige post volledig wordt gedekt door andere vormen van zekerheden dan die welke toelaatbaar zijn voor de kredietrisicovermindering, beschikken de bevoegde autoriteiten niettemin over de mogelijkheid een risicogewicht van 100% toe te passen wanneer de waardeaanpassingen 15% van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen, mits zij strikte operationele criteria vaststellen om de goede kwaliteit van de zekerheden te waarborgen.

75. Aan de in de punten 43 tot en met 47 bedoelde vorderingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn, wordt een risicogewicht toegekend van 100% exclusief waardeaanpassingen. Indien de waardeaanpassingen niet minder dan 20% van de vorderingen vóór waardeaanpassingen bedragen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de mogelijkheid het op de rest van de vordering toepasselijke risicogewicht tot 50% te verlagen.

76. Aan de in de punten 48 tot en met 57 bedoelde vorderingen die meer dan 90 dagen achterstallig zijn, wordt een risicogewicht van 100% toegekend.

20. POSTEN MET VERHOOGD RISICO

77. De bevoegde autoriteiten beschikken over de mogelijkheid om aan bijzonder risicovolle vorderingen, zoals investeringen in durfkapitaalfondsen en risicokapitaalinvesteringen, een risicogewicht van 150% toe te kennen.

78. De bevoegde autoriteiten kunnen toestaan dat aan niet-achterstallige posten waaraan overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande afdelingen een risicogewicht van 150% wordt toegekend en waarvoor waardeaanpassingen zijn vastgesteld, een risicogewicht wordt toegekend van:

a)      100% indien de waardeaanpassingen niet minder dan 20% van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen;

b)      50% indien de waardeaanpassingen niet minder dan 50% van de vordering vóór waardeaanpassingen bedragen.

21. POSITIES IN GEDEKTE OBLIGATIES

79. Onder “gedekte obligaties” wordt het volgende verstaan: obligaties als omschreven in artikel 22, lid 4, van Richtlijn 85/611/EEG en afgedekt door middel van de volgende in aanmerking komende activa:

a)      vorderingen op of gegarandeerd door centrale overheden, centrale banken, multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties, welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage;

b)      vorderingen op of gegarandeerd door publiekrechtelijke lichamen, regionale overheden en lagere overheden, welke overeenkomstig respectievelijk de punten 15, 9 en 10 eenzelfde risicogewicht hebben als vorderingen op instellingen of centrale overheden en centrale banken en welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage;

c)      vorderingen op instellingen welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitbeoordelingscategorie 1 als vastgelegd in deze bijlage. Het totaalbedrag van dergelijke vorderingen mag niet hoger liggen dan 10% van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling. Vorderingen die het gevolg zijn van overdrachten van betalingen van debiteuren uit hoofde van door onroerend goed gedekte leningen aan houders van gedekte obligaties, worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de grenswaarde van 10%;

d)      leningen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed of aandelen in de in punt 44 bedoelde Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, maar alleen ingeval de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 80% van de waarde van het in pand gegeven goed blijven;

e)      leningen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed of aandelen in de in punt 49 bedoelde Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, maar alleen ingeval de pandrechten in combinatie met eerder verleende pandrechten onder de 60% van de waarde van het in pand gegeven goed blijven. De bevoegde autoriteiten kunnen door zakelijk onroerend goed gedekte leningen ook als toelaatbaar aanmerken wanneer de ratio van de lening ten opzichte van de waarde meer dan 60% maar minder dan 70% bedraagt, op voorwaarde dat de totale waarde van de als zekerheid voor de gedekte obligaties verschafte activa het nominale bedrag van de gedekte obligatie met ten minste 10% overtreft en de rechten van de obligatiehouders voldoen aan de in bijlage VIII gestelde rechtszekerheidseisen. De rechten van de obligatiehouders hebben voorrang op alle andere zekerheidsrechten.

80. Met betrekking tot als zekerheid voor gedekte obligaties verschaft onroerend goed nemen de kredietinstellingen de minimumvereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 8, en de waarderingsregels van bijlage VIII, deel 3, punten 63 tot en met 66, in acht.

81. In afwijking van de punten 65 en 66 komen ook gedekte obligaties die aan de definitie van artikel 22, punt 4, van Richtlijn 85/611/EEG voldoen en die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, tot op hun eindvervaldag voor de preferentiële behandeling in aanmerking.

82. Bij de toekenning van een risicogewicht aan gedekte obligaties wordt uitgegaan van het risicogewicht dat is toegekend aan preferente niet-gedekte vorderingen op de kredietinstelling die deze obligaties uitgeeft, waarbij tussen de desbetreffende risicogewichten het volgende verband geldt:

a)      indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 20% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 10% toegekend;

b)      indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 50% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 20% toegekend;

c)      indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 100% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 50% toegekend;

d)      indien aan de vorderingen op de instelling een risicogewicht van 150% wordt toegekend, wordt aan de gedekte obligatie een risicogewicht van 100% toegekend.

22. POSTEN DIE SECURITISATIEPOSITIES VERTEGENWOORDIGEN

83. De risicogewichten van posten die securitisatieposities vertegenwoordigen, worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 94 tot en met 101.

23. KORTLOPENDE VORDERINGEN OP INSTELLINGEN EN ONDERNEMINGEN

84. Aan kortlopende vorderingen op een instelling of bedrijf waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 7 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 7

Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 150% || 150% || 150%

24. POSITIES IN INSTELLINGEN VOOR COLLECTIEVE BELEGGING (ICB’S)

85. Onverminderd het bepaalde in de punten 72 tot en met 78 wordt aan posities in instellingen voor collectieve belegging (icb’s) een risicogewicht van 100% toegekend.

86. Aan posities in icb’s waarvoor een kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt conform tabel 8 een risicogewicht toegekend in overeenstemming met de onderbrenging door de bevoegde autoriteiten van de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s in zes categorieën van een kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

Tabel 8

Kredietkwaliteits-categorie || 1 || 2 || 3 || 4 || 5 || 6

Risicogewicht || 20% || 50% || 100% || 100% || 150% || 150%

87. Indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat aan een positie in een icb bijzonder grote risico’s verbonden zijn, verlangen zij dat aan deze positie een risicogewicht van 150% wordt toegekend.

88. Het risicogewicht van een icb mag door een kredietinstelling op de in de punten 76, 77 en 78 beschreven wijze worden vastgesteld, indien aan de volgende criteria is voldaan:

a)      de icb wordt beheerd door een maatschappij waarop in een lidstaat toezicht wordt uitgeoefend of, mits de voor de kredietinstelling bevoegde autoriteit daarmee instemt:

i)       de icb wordt beheerd door een maatschappij die onderworpen is aan toezicht dat gelijkwaardig wordt geacht aan het toezicht waarin het Gemeenschapsrecht voorziet; en

ii)      de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten is genoegzaam gewaarborgd;

b)      het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat:

– de categorieën activa waarin de icb mag beleggen,

– de relatieve beleggingsgrenzen en de methoden om deze te berekenen, indien dergelijke grenzen van toepassing zijn;

c)      over de bedrijfsactiviteiten van de icb wordt ten minste jaarlijks op zodanige wijze verslag uitgebracht dat de activa en passiva, alsmede de inkomsten en transacties over de verslagperiode kunnen worden beoordeeld.

89. Indien een icb uit een derde land overeenkomstig punt 74, onder a), door een bevoegde autoriteit als aanvaardbaar wordt erkend, dan kan een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat van deze erkenning gebruik maken zonder zelf een beoordeling te verrichten.

90. Wanneer de kredietinstelling op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, mag zij zich op deze onderliggende posities baseren om een gemiddeld risicogewicht voor de icb te berekenen overeenkomstig de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven methoden.

91. Wanneer de kredietinstelling niet op de hoogte is van de onderliggende posities van een icb, mag zij een gemiddeld risicogewicht voor de icb berekenen overeenkomstig de in de artikelen 78 tot en met 83 beschreven methoden, mits zij zich houdt aan de volgende regel: er wordt aangenomen dat de icb eerst tot de toegestane grens belegt in de categorieën posities waarvoor het hoogste kapitaalvereiste geldt, en vervolgens belegt in posities waarvoor een steeds verder afnemend kapitaalvereiste geldt totdat de maximale totale beleggingsgrens is bereikt.

92. Kredietinstellingen mogen een beroep doen op een derde om overeenkomstig de in de punten 76 en 77 beschreven methoden een risicogewicht voor de icb te berekenen en te rapporteren, mits de juistheid van de berekening en de rapportage op adequate wijze is gewaarborgd.

25. ANDERE POSTEN 25.1. Behandeling

93. Aan fysieke activa in de zin van artikel 4, punt 10, van Richtlijn 86/635/EEG wordt een risicogewicht van 100% toegekend.

94. Aan overlopende posten waarvoor de instelling niet in staat is om overeenkomstig Richtlijn 86/635/EEG uit te maken wie de tegenpartij is, wordt een risicogewicht van 100% toegekend.

95. Aan liquide middelen in de inningsfase wordt een risicogewicht van 20% toegekend. Aan kasmiddelen en gelijkwaardige posten wordt een risicogewicht van 0% toegekend.

96. De lidstaten kunnen toestaan dat een risicogewicht van 10% wordt toegekend aan vorderingen op instellingen die in hun lidstaat van herkomst gespecialiseerd zijn op het gebied van de interbancaire markt en de markt voor overheidsschuld en die aan een streng toezicht van de bevoegde autoriteiten zijn onderworpen, mits voor deze activa ten behoeve van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst naar behoren is aangetoond dat zij geheel en volledig zijn gedekt door activa waaraan een risicogewicht van 0% of 20% is toegekend en deze activa door deze autoriteiten als een passende zekerheid worden aangemerkt.

97. Aan aandelen en andere deelnemingen wordt een risicogewicht van ten minste 100% toegekend, tenzij in mindering gebracht op het eigen vermogen.

98. Aan het goud dat in eigen kluizen wordt bewaard of is toegewezen voorzover daar verplichtingen in de vorm van goud tegenover staan, wordt een risicogewicht van 0% toegekend.

99. Bij overeenkomsten inzake cessie en retrocessie van activa en bij koop op termijn zonder rugdekking, zijn de risicogewichten die welke gelden voor de desbetreffende activa en niet die welke gelden voor de tegenpartijen bij de transacties.

100. Wanneer een kredietinstelling voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de nde wanbetaling op de vorderingen aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, zijn de in de artikelen 78 tot en met 83 voorgeschreven risicogewichten van toepassing indien voor het product een externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n-1 vorderingen na, geaggregeerd tot een maximum van 1250% en vermenigvuldigd met het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie om de risicogewogen actiefpost te verkrijgen. De n-1 vorderingen die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke vordering waarvan het risicogewogen bedrag lager is dan het risicogewogen bedrag van alle vorderingen die in de aggregatie zijn opgenomen.

Deel 2 – Erkenning van EKBI’s en koppeling van hun kredietbeoordelingen aan risicogewichten (“mapping”)

1. METHODOLOGIE 1.1. Objectiviteit

1. De bevoegde autoriteiten verifiëren of de methodologie voor de toekenning van kredietbeoordelingen wordt gekenmerkt door zorgvuldigheid, systematiek en continuïteit, en tevens op basis van historische ervaring wordt gevalideerd.

1.2. Onafhankelijkheid

2. De bevoegde autoriteiten verifiëren of de methodologie vrij is van externe politieke invloeden of beperkingen en van economische spanningen die de kredietbeoordeling kunnen beïnvloeden.

3. De onafhankelijkheid van de door een EKBI gehanteerde methodologie wordt door de bevoegde autoriteiten beoordeeld op grond van onder meer de volgende factoren:

a)      eigendoms- en organisatiestructuur van de EKBI;

b)      financiële positie van de EKBI;

c)      personeel en deskundigheid van de EKBI;

d)      corporate governance van de EKBI.

1.3. Doorlopende controle

4. De bevoegde autoriteiten verifiëren of de kredietbeoordelingen van de EKBI doorlopend worden gecontroleerd en zijn alert op wijzigingen in de financiële positie. Een dergelijke controle vindt na elke significante gebeurtenis en ten minste eenmaal per jaar plaats.

5. Voordat tot erkenning wordt overgegaan, verifiëren de bevoegde autoriteiten of de beoordelingsmethodologie voor elk marktsegment is opgesteld conform onder meer de volgende normen:

a)      de empirische validatie is voor ten minste een jaar vastgelegd;

b)      de bevoegde autoriteiten moeten toezien op de regelmatigheid van het controleproces van de EKBI;

c)      de bevoegde autoriteiten zijn in staat om van de EKBI informatie te verlangen over de reikwijdte van haar contacten met de hoogste directie van de entiteiten die worden beoordeeld.

6. De bevoegde autoriteiten nemen de nodige maatregelen opdat de EKBI’s hen onmiddellijk in kennis kunnen stellen van eventuele wijzigingen van betekenis in hun methodologie voor de toekenning van kredietbeoordelingen.

1.4. Transparantie en openbaarmaking

7. De bevoegde autoriteiten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de beginselen van de door de EKBI voor de opstelling van haar kredietbeoordelingen toegepaste methodologie publiek bekend zijn, zodat potentiële gebruikers kunnen oordelen of deze kredietbeoordelingen op redelijke wijze zijn verkregen.

2. INDIVIDUELE KREDIETBEOORDELINGEN 2.1. Geloofwaardigheid en marktacceptatie

8. De bevoegde autoriteiten verifiëren of de individuele kredietbeoordelingen van een EKBI op de markt als geloofwaardig en betrouwbaar worden beschouwd door de gebruikers van dergelijke kredietbeoordelingen.

9. De bevoegde autoriteiten toetsen de geloofwaardigheid aan onder meer de volgende factoren:

a)      het marktaandeel van de EKBI;

b)      de inkomsten die de EKBI genereert, en meer in het algemeen haar financiële positie;

c)      of er prijszetting op basis van de rating plaatsvindt.

2.2. Transparantie en openbaarmaking

10. De bevoegde autoriteiten verifiëren of de individuele kredietbeoordelingen onder gelijkwaardige voorwaarden beschikbaar zijn voor ten minste alle partijen die een rechtmatig belang bij deze individuele kredietbeoordelingen hebben.

11. De bevoegde autoriteiten verifiëren in het bijzonder of de voorwaarden waaronder de individuele kredietbeoordelingen voor buitenlandse partijen beschikbaar zijn, gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor binnenlandse partijen die een rechtmatig belang bij deze individuele kredietbeoordelingen hebben.

3. KOPPELING VAN KREDIETBEOORDELINGEN AAN RISICOGEWICHTEN (“MAPPING”)

12. Om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten uit van kwantitatieve factoren zoals de wanbetalingsgraad op lange termijn die overeenkomt met alle posten met dezelfde kredietbeoordeling. Voor recentelijk opgerichte EKBI’s en voor EKBI’s die over nog maar weinig wanbetalingsgegevens beschikken, vragen de bevoegde autoriteiten de betrokken EKBI welke wanbetalingsgraad op lange termijn volgens haar overeenkomt met alle posten waaraan dezelfde kredietbeoordeling is toegekend.

13. Om onderscheid te maken tussen de relatieve risicograden waaraan door elke kredietbeoordeling uitdrukking wordt gegeven, gaan de bevoegde autoriteiten uit van kwalitatieve factoren zoals de groep uitgevende instellingen die door de EKBI wordt bestreken, het spectrum van kredietbeoordelingen die door de EKBI worden toegekend, de betekenis van elke kredietbeoordeling en de door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling.

14. De bevoegde autoriteiten vergelijken de voor elke kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden en vergelijken deze met een referentiewaarde die is opgesteld op basis van de wanbetalingsgraden die door andere EKBI’s zijn geconstateerd bij een populatie van uitgevende instellingen waaraan volgens de bevoegde autoriteiten een gelijkwaardig kredietrisico verbonden is.

15. Wanneer de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de voor de kredietbeoordeling van een specifieke EKBI geconstateerde wanbetalingsgraden systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, brengen zij de kredietbeoordeling van de betrokken EKBI onder in een hogere risicocategorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal.

16. Wanneer de bevoegde autoriteiten het met een specifieke kredietbeoordeling van een EKBI overeenkomende risicogewicht hebben verhoogd en indien de betrokken EKBI aantoont dat de voor haar kredietbeoordeling geconstateerde wanbetalingsgraden niet langer systematisch wezenlijk hoger zijn dan de referentiewaarde, kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten de kredietbeoordeling van de EKBI wederom in de oorspronkelijke categorie van de kredietkwaliteitbeoordelingsschaal onder te brengen.

Deel 3 – Gebruik van kredietbeoordelingen van EKBI’s voor de bepaling van risicogewichten

1. Behandeling

1. Een instelling kan een of meer erkende EKBI’s aanwijzen als de EKBI’s waarvan zij de kredietbeoordelingen zal gebruiken voor de bepaling van de risicogewichten die op de actiefposten en posten buiten de balanstelling van toepassing zijn.

2. Een kredietinstelling die besluit om voor een bepaalde categorie posten van de kredietbeoordelingen van een erkende EKBI gebruik te maken, hanteert deze kredietbeoordelingen consequent voor alle vorderingen die tot deze categorie behoren.

3. Een instelling die besluit om van de kredietbeoordelingen van een erkende EKBI gebruik te maken, past deze kredietbeoordelingen continu en consequent in de tijd toe.

4. Een kredietinstelling mag alleen gebruik maken van EKBI-kredietbeoordelingen die rekening houden met alle haar zowel in hoofdsom als in rente verschuldigde bedragen.

5. Indien voor een post met een externe rating slechts één kredietbeoordeling van een aangewezen EKBI beschikbaar is, wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het risicogewicht van de desbetreffende post.

6. Indien voor een post met een externe rating twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI’s beschikbaar zijn en elk van beide kredietbeoordelingen met een verschillend risicogewicht overeenkomt, dan wordt het hoogste risicogewicht toegepast.

7. Indien voor een post met een externe rating meer dan twee kredietbeoordelingen van aangewezen EKBI’s beschikbaar zijn, wordt verwezen naar de twee kredietbeoordelingen die met de laagste risicogewichten overeenkomen. Indien de laagste twee risicogewichten verschillend zijn, wordt het hoogste risicogewicht toegepast. Indien de laagste twee risicogewichten gelijk zijn, wordt dat risicogewicht toegepast.

8. Kredietinstellingen maken gebruik van gevraagde kredietbeoordelingen. De bevoegde autoriteiten kunnen kredietinstellingen toestaan van ongevraagde kredietbeoordelingen gebruik te maken.

2. Kredietbeoordeling van uitgevende instellingen en uitgiften

9. Wanneer een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering deel uitmaakt, wordt van deze kredietbeoordeling gebruik gemaakt voor de bepaling van het op die post toepasselijke risicogewicht.

10. Wanneer er voor een bepaalde post geen rechtstreeks toepasselijke kredietbeoordeling beschikbaar is, maar er een kredietbeoordeling bestaat voor een specifiek uitgifteprogramma of een specifieke uitgiftefaciliteit waarvan de met de post overeenkomende vordering geen deel uitmaakt, dan wel een algemene kredietbeoordeling voorhanden is voor de uitgevende instelling, dan wordt van die kredietbeoordeling gebruik gemaakt indien deze een hoger risicogewicht oplevert dan anderszins het geval zou zijn, of indien deze een lager risicogewicht oplevert en de vordering in kwestie in alle opzichten van gelijke of hogere rang is dan ofwel het specifieke uitgifteprogramma of de specifieke uitgiftefaciliteit, ofwel niet door zekerheden gedekte vorderingen van een hogere rangorde van die uitgevende instelling, al naar gelang het geval.

11. De punten 9 en 10 mogen de toepassing van de punten 65 tot en met 68 van deel 1 van deze bijlage niet beletten.

12. Kredietbeoordelingen van uitgevende instellingen die tot een concern behoren, mogen niet worden gebruikt als kredietbeoordeling voor een andere uitgevende instelling van hetzelfde concern.

3. Kredietbeoordelingen voor de korte en de lange termijn

13. Kredietbeoordelingen voor de korte termijn mogen alleen worden gebruikt voor actiefposten en posten buiten de balanstelling op korte termijn die vorderingen op instellingen en ondernemingen vertegenwoordigen.

14. Een kredietbeoordeling voor de korte termijn is uitsluitend van toepassing op de post waarop deze kredietbeoordeling betrekking heeft en mag niet worden gebruikt voor de bepaling van risicogewichten voor andere posten.

15. Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 150% wordt toegekend, dan wordt in afwijking van punt 14 aan alle niet-gedekte vorderingen zonder rating op de betrokken debiteur, ongeacht of deze kortlopend dan wel langlopend zijn, eveneens een risicogewicht van 150% toegekend.

16. Indien aan een faciliteit met een korte-termijnrating een risicogewicht van 50% wordt toegekend, dan wordt in afwijking van punt 14 aan geen enkele kortlopende vordering zonder rating een risicogewicht van minder dan 100% toegekend.

4. Posten luidend in nationale en buitenlandse valuta

17. Een kredietbeoordeling die betrekking heeft op een post die in de nationale valuta van de debiteur luidt, mag niet worden gebruikt voor de bepaling van een risicogewicht van een andere vordering op dezelfde debiteur welke in een buitenlandse valuta luidt.

18. Wanneer er een vordering ontstaat als gevolg van de deelneming van een kredietinstelling in een lening die is verstrekt door een multilaterale ontwikkelingsbank waarvan de status van preferente crediteur in de markt wordt erkend, kunnen de bevoegde autoriteiten in afwijking van punt 17 toestaan dat voor de bepaling van het risicogewicht de kredietbeoordeling wordt gebruikt van de post die in de nationale valuta van de debiteur luidt.

BIJLAGE VII Interne-ratingbenadering Deel 1 - Risicogewogen posten en verwachte verliesposten

1. Berekening van risicogewogen posten voor het kredietrisico

1. Tenzij anders is aangegeven, worden de inputparameters kans op wanbetaling (probability of default – PD), verlies bij wanbetaling (loss given default – LGD) en looptijdwaarde (maturity value – M) bepaald op de in deel 2 beschreven wijze en de waarde van de post op de in deel 3 beschreven wijze.

2. De risicogewogen post voor elke vordering wordt berekend volgens de onderstaande formules.

1.1. Risicogewogen posten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken.

3. Behoudens de punten 4 tot en met 8 worden de risicogewogen posten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken berekend volgens de onderstaande formules:

Correlatie (R) =        

Looptijdfactor (b) =

Risicogewicht (RW) =         

N() staat voor de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan x).  staat voor de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. x heeft een zodanige waarde dat = z).

Risicogewogen post =          RW * waarde van de post

4. Voor vorderingen op ondernemingen waarbij de totale jaaromzet van de geconsolideerde groep waarvan het bedrijf deel uitmaakt minder is dan 50 miljoen EUR, mogen kredietinstellingen gebruik maken van de onderstaande correlatieformule om de risicogewichten van vorderingen op ondernemingen te berekenen. In deze formule staat S voor de totale jaaromzet in miljoen euro, waarbij 5 miljoen EUR <= S <= 50 miljoen EUR. Een opgegeven omzet van minder dan 5 miljoen EUR wordt behandeld als een omzet van 5 miljoen EUR. Voor gekochte kortlopende vorderingen is de totale jaaromzet het gewogen gemiddelde van de individuele vorderingen die tot de pool behoren.

Correlatie (R) =

De kredietinstellingen vervangen de totale jaaromzet door de totale activa van de geconsolideerde groep wanneer de totale jaaromzet geen relevante indicator is van de omvang van het bedrijf en de totale activa een meer relevante indicator vormen dan de totale jaaromzet.

5. Aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarvoor een kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen voldoen aan de in deel 4 vastgestelde minimumvereisten, kent zij risicogewichten toe conform tabel 1.

Tabel 1

Resterende looptijd || categorie1 || categorie 2 || categorie 3 || categorie 4 || categorie 5

Minder dan 2,5 jaar || 50% || 70% || 115% || 250% || 0%

Ten minste 2,5 jaar || 70% || 90% || 115% || 250% || 0%

De bevoegde autoriteiten kunnen een kredietinstelling toestaan aan alle vorderingen van categorie 1 een preferentieel risicogewicht van 50% en aan alle vorderingen van categorie 2 een risicogewicht van 70% toe te kennen, mits de overnemings- en andere risicokenmerken van de kredietinstelling voor de desbetreffende categorie in wezen deugdelijk zijn.

Bij de toekenning van risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening houden kredietinstellingen rekening met de volgende factoren: financiële draagkracht, politieke en juridische omgeving, kenmerken van de transactie en/of activa, draagkracht van de sponsor en ontwikkelaar, met inbegrip van enigerlei inkomstenstroom uit hoofde van een publiek-privaat partnerschap of garantiepakket.

6. Om voor een behandeling als een vordering op een bedrijf in aanmerking te komen, moeten gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen voldoen aan de minimumvereisten van deel 4, punten 104 tot en met 108. Voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen welke tevens aan de in punt 12 gestelde voorwaarden voldoen en waarvoor het voor kredietinstellingen te belastend zou zijn om de in deel 4 vervatte normen voor risicokwantificering van vorderingen op ondernemingen toe te passen, mag gebruik worden gemaakt van de eveneens in deel 4 vervatte normen voor de risicokwantificering van vorderingen op particulieren en kleine partijen.

7. Bij gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen mogen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, in het IRB-securitisatiekader als eerste-verliesposities worden behandeld.

8. Wanneer een instelling voor een reeks vorderingen kredietprotectie biedt onder voorwaarde dat de nde wanbetaling op de vorderingen aanleiding geeft tot betaling en dat deze kredietgebeurtenis de beëindiging van het contract met zich brengt, zijn de in de artikelen 94 tot en met 101 voorgeschreven risicogewichten van toepassing indien voor het product een externe kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is. Indien er voor het product geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI beschikbaar is, worden de risicogewichten van alle beschermde vorderingen, op n-1 vorderingen na, geaggregeerd, waarbij de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet hoger mag zijn dan het nominale bedrag van de door het kredietderivaat geboden protectie vermenigvuldigd met 12,5. De n-1 vorderingen die bij de aggregatie buiten beschouwing worden gelaten, worden op de volgende wijze geselecteerd: het betreft elke vordering waarvoor de risicogewogen post lager is dan de risicogewogen post voor alle vorderingen die in de aggregatie zijn opgenomen.

1.2. Risicogewogen posten voor vorderingen op particulieren en kleine partijen

9. Behoudens de punten 10 en 11 worden de risicogewogen posten voor vorderingen op particulieren en kleine partijen berekend volgens de onderstaande formules:

Correlatie (R) =

Risicogewicht (RW):           

N() staat voor de cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. de kans dat een normale willekeurige variabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan x).  staat voor de inverse cumulatieve verdelingsfunctie van een standaardnormale willekeurige variabele (d.w.z. x heeft een zodanige waarde dat = z).

Risicogewogen post =          RW * waarde van de post

10. Bij door onroerend goed gedekte vorderingen op particulieren of op kleine partijen vervangt een correlatie (R) van 0,15 het cijfer dat door de correlatieformule van punt 9 wordt verkregen.

11. Bij gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen als omschreven onder a) tot en met e), vervangt een correlatie (R) van 0,04 het cijfer dat door de correlatieformule van punt 9 wordt verkregen.

Vorderingen worden als gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen aangemerkt indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)      het gaat om posities ten opzichte van personen;

b)      het gaat om revolverende, niet door zekerheden gedekte posities die, voorzover de kredietlijnen niet zijn aangesproken, onvoorwaardelijk door de kredietinstelling kunnen worden opgezegd (in deze context worden revolverende posities gedefinieerd als kredietlijnen waarbij de openstaande saldi van cliënten al naar gelang hun beslissingen om te lenen en terug te betalen mogen schommelen tot een grens die door de kredietinstelling is vastgesteld). Onbenutte kredietlijnen mogen worden aangemerkt als kredietlijnen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd indien de kredietinstelling deze kredietlijnen krachtens de daaraan verbonden voorwaarden mag opzeggen in de mate dat dit toegestaan wordt door de wetgeving inzake consumentenbescherming en aanverwante wetgeving;

c)      de maximumvordering op één enkele persoon in de subportefeuille bedraagt 100 000 EUR of minder;

d)      de kredietinstelling kan aantonen dat het gebruik van de correlatieformule van deze afdeling beperkt is tot portefeuilles die gekenmerkt werden door een lage volatiliteit van de verliespercentages in vergelijking met het gemiddelde niveau van hun verliespercentages, vooral in de lage PD-banden. De toezichthouders onderwerpen de relatieve volatiliteit van de verliespercentages van zowel alle gekwalificeerde revolverende retailsubportefeuilles als de geaggregeerde gekwalificeerde revolverende retailportefeuille aan een onderzoek en zijn bereid tussen jurisdicties informatie uit te wisselen over de typische kenmerken van verliespercentages van gekwalificeerde revolverende retailportefeuilles;

e)      de bevoegde autoriteit is het ermee eens dat de behandeling als gekwalificeerde revolverende positie spoort met de onderliggende risicokenmerken van de subportefeuille.

12. Om voor een behandeling als een vordering op een particulier of op een kleine partij in aanmerking te komen, moeten gekochte kortlopende vorderingen voldoen aan de minimumvereisten van deel 4, punten 104 tot en met 108 en aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

a)      de kredietinstelling heeft de kortlopende vorderingen gekocht van niet-verbonden, derde verkopers en haar vordering op de debiteur van de vordering omvat geen vorderingen die rechtstreeks of middellijk hun oorsprong vinden bij de kredietinstelling zelf;

b)      de gekochte kortlopende vorderingen zijn op marktconforme wijze tot stand gekomen tussen de verkoper en de debiteur. Te ontvangen posten en kortlopende vorderingen opgenomen in tegenrekeningen tussen ondernemingen die van elkaar kopen en aan elkaar verkopen, komen als zodanig niet in aanmerking;

c)      de kopende kredietinstelling heeft recht op alle opbrengsten van de gekochte kortlopende vorderingen of een evenredig belang in de opbrengsten;

d)      de portefeuille gekochte kortlopende vorderingen is voldoende gespreid.

13. Bij gekochte kortlopende vorderingen mogen het restitueerbare disagio op aankopen, zekerheden of gedeeltelijke garanties die protectie voor het eerste verlies bij verliezen bij wanbetaling, verwateringsverliezen of beide bieden, in het IRB-securitisatiekader als eerste-verliesposities worden behandeld.

14. Bij hybride pools van gekochte kortlopende vorderingen op particulieren of op kleine partijen waarbij de kopende kredietinstelling door onroerend goed gedekte vorderingen en gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen niet kan onderscheiden van andere vorderingen op particulieren en kleine partijen, is de risicogewichtfunctie van toepassing die de hoogste kapitaalvereisten voor deze vorderingen oplevert.

1.3. Risicogewogen posten voor posities in aandelen

15. Mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, mag een kredietinstelling verschillende benaderingen voor verschillende portefeuilles volgen wanneer de kredietinstelling zelf intern verschillende benaderingen volgt. Wanneer het een kredietinstelling wordt toegestaan verschillende benaderingen te volgen, toont zij ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan dat het gaat om een consequente keuze die niet is ingegeven door redenen van toezichtarbitrage.

16. In afwijking van punt 15 kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat de risicogewogen posten voor posities in aandelen van ondernemingen die nevendiensten verrichten, worden bepaald volgens de behandeling die geldt voor andere activa die geen kredietverplichtingen zijn.

1.3.1. Eenvoudige risicogewichtenbenadering

17. De risicogewogen posten worden berekend volgens de onderstaande formule:

Risicogewicht (RW) = 190% voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles.

Risicogewicht (RW) = 290% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen.

Risicogewicht (RW) = 370% voor alle overige posities in aandelen.

Risicogewogen post =          RW * waarde van de post

18. Het is toegestaan van cashposities à la baisse en afgeleide instrumenten buiten de handelsportefeuille gebruik te maken om hausseposities in dezelfde individuele aandelen te compenseren, mits deze instrumenten uitdrukkelijk als dekkingsinstrumenten van specifieke posities in aandelen worden aangemerkt en mits zij voor ten minste nog een jaar dekking verschaffen. Andere baisseposities worden behandeld alsof het gaat om hausseposities, waarbij op de absolute waarde van elke positie het relevante risicogewicht wordt toegepast. Bij posities waarvan de looptijden van elkaar verschillen, wordt de methode voor vorderingen op ondernemingen toegepast.

19. Kredietinstellingen kunnen met een niet-volgestorte kredietprotectie voor een positie in aandelen rekening houden volgens de in de artikelen 90 tot en met 93 beschreven methode.

1.3.2. PD/LGD-benadering

20. De risicogewogen posten worden berekend volgens de formules in punt 3. Indien kredietinstellingen niet over voldoende informatie beschikken om de in deel 4, punten 44 tot en met 48, vervatte definitie van wanbetaling te gebruiken, worden de risicogewichten vermenigvuldigd met een factor 1,5.

21. Op het niveau van de individuele vordering mag de som van de verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5 en de risicogewogen post niet hoger zijn dan de waarde van de post vermenigvuldigd met 12,5.

22. Kredietinstellingen kunnen met een niet-volgestorte kredietprotectie voor een positie in aandelen rekening houden volgens de in de artikelen 90 tot en met 93 beschreven methode. In dat geval geldt voor de vordering op de verschaffer van het dekkingsinstrument een LGD van 90%. Voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles mag gebruik worden gemaakt van een LGD van 65%. Voor deze doeleinden is M gelijk aan 5 jaar.

1.3.3. Interne-modellenbenadering

23. De risicogewogen post is het potentiële verlies (value-at-risk – VAR) op de posities in aandelen van de kredietinstelling dat is bepaald aan de hand van interne VAR-modellen met een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 99% van het verschil tussen driemaandelijkse rendementen en een passend risicovrij percentage berekend over een lange steekproefperiode, vermenigvuldigd met 12,5. Op het niveau van de individuele vordering mag de risicogewogen post niet minder zijn dan de som van de bij de PD/LGD-benadering vereiste minimale risicogewogen post en de overeenkomstige verwachte verliespost vermenigvuldigd met 12,5.

24. Kredietinstellingen kunnen met een niet-volgestorte kredietprotectie voor een positie in aandelen rekening houden.

1.4. Risicogewogen posten voor andere activa die geen kredietverplichting zijn

25. De risicogewogen posten worden berekend volgens de onderstaande formule:

Risicogewogen post = 100% * waarde van de post

2. Berekening van risicogewogen posten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen

26. Risicogewichten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen en vorderingen op particulieren en kleine partijen:

De risicogewogen posten worden berekend volgens de formules in punt 3. De inputparameters PD en LGD worden bepaald op de in deel 2 beschreven wijze, de waarde van de post wordt vastgesteld op de in deel 3 beschreven wijze en M is gelijk aan 1 jaar. Indien kredietinstellingen ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren kunnen aantonen dat het verwateringsrisico te verwaarlozen is, behoeft er geen rekening mee te worden gehouden.

3. Berekening van verwachte verliesposten

27. Tenzij anders is aangegeven, worden de inputparameters PD en LGD bepaald op de in deel 2 beschreven wijze en de waarde van de post op de in deel 3 beschreven wijze.

28. De verwachte verliesposten voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken, alsook voor vorderingen op particulieren en kleine partijen worden berekend volgens de onderstaande formules:

Verwacht verlies (Expected loss – EL) =     PD × LGD

Verwachte verliespost =       EL × waarde van de post

Het agio op gekochte kortlopende vorderingen wordt als EL behandeld.

29. De EL-waarden voor vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening waarbij kredietinstellingen gebruik maken van de in punt 5 beschreven methode voor de toekenning van risicogewichten, worden toegewezen conform tabel 2.

Tabel 2

Resterende looptijd || categorie 1 || categorie 2 || categorie 3 || categorie 4 || categorie 5

Minder dan 2,5 jaar || 0% || 0,4% || 2,8% || 8% || 50%

Ten minste 2,5 jaar EL || 0,4% || 0,8% || 2,8% || 8% || 50%

Wanneer de bevoegde autoriteiten een kredietinstelling hebben toegestaan aan alle vorderingen van categorie 1 een preferentieel risicogewicht van 50% en aan alle vorderingen van categorie 2 een risicogewicht van 70% toe te kennen, dan bedraagt de EL-waarde voor vorderingen van categorie 1 0% en die voor vorderingen van categorie 2 0,4%.

30. De verwachte verliesposten voor posities in aandelen waarbij de risicogewogen posten worden berekend volgens de in de punten 17, 18 en 19 beschreven methoden, worden berekend volgens de onderstaande formule:

Verwachte verliespost =       EL × waarde van de post

Daarbij gelden de volgende EL-waarden:

Verwacht verlies (EL) =       0,8% voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles

Verwacht verlies (EL) =       0,8% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen

Verwacht verlies (EL) =       2,4% voor alle overige posities in aandelen

31. De verwachte verliesposten voor posities in aandelen waarbij de risicogewogen posten worden berekend volgens de in de punten 20, 21 en 22 beschreven methoden, worden berekend volgens de onderstaande formules:

Verwacht verlies (EL) =       PD × LGD

Verwachte verliespost =       EL × waarde van de post

32. De verwachte verliesposten voor posities in aandelen waarbij de risicogewogen posten worden berekend volgens de in de punten 23 en 24 beschreven methoden, zijn gelijk aan 0%.

33. De verwachte verliesposten voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen worden berekend volgens de onderstaande formules:

Verwacht verlies (EL) =       PD × LGD

Verwachte verliespost =       EL × waarde van de post

4. Behandeling van verwachte verliesposten

34. De overeenkomstig de punten 28, 29 en 33 berekende verwachte verliesposten worden in mindering gebracht op de som van de met deze posten samenhangende waardeaanpassingen en voorzieningen. Het conform deel 3, punt 1, bepaalde disagio op gekochte kortlopende vorderingen wordt op dezelfde wijze behandeld als waardeaanpassingen, terwijl het conform deel 3, punt 1, bepaalde agio op gekochte kortlopende vorderingen bij het verwachte verlies wordt geteld. Verwachte verliesposten voor gesecuritiseerde vorderingen en met deze vorderingen samenhangende waardeaanpassingen en vorderingen worden niet in deze berekening meegenomen.

Deel 2 - PD, LGD en looptijd

1. De inputparameters kans op wanbetaling (probability of default – PD), verlies bij wanbetaling (loss given default – LGD) en looptijdwaarde (maturity value – M) voor de berekening van de in deel 1 gespecificeerde risicogewogen posten en verwachte verliesposten worden door de kredietinstellingen geraamd overeenkomstig deel 4 en met inachtneming van de onderstaande voorschriften.

1. Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken 1.1. PD

2. De PD van een vordering op een bedrijf of op een instelling is ten minste gelijk aan 0,03%.

3. Voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen aan de minimumvereisten van deel 4 voldoen, worden de PD’s bepaald volgens de volgende methoden: de PD voor niet-achtergestelde rechten op gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is gelijk aan de door de kredietinstelling geraamde EL gedeeld door de LGD voor deze kortlopende vorderingen; voor achtergestelde rechten op gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is de PD gelijk aan de door de kredietinstelling geraamde EL. Indien het een kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen te hanteren en indien zij haar EL-ramingen voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag de PD-raming worden gebruikt.

4. De PD voor debiteuren voor wie er sprake is van wanbetaling, is gelijk aan 100%.

5. Kredietinstellingen mogen niet-volgestorte kredietprotectie overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 90 tot en met 93 in aanmerking nemen.

6. Kredietinstellingen die eigen LGD-ramingen gebruiken, mogen niet-volgestorte kredietprotectie in aanmerking nemen door hun PD’s aan te passen met inachtneming van punt 10.

7. Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen is de PD gelijk aan de EL-raming voor het verwateringsrisico. Indien het een kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen te hanteren en indien zij haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag de PD-raming worden gebruikt.

1.2. LGD

8. Kredietinstellingen hanteren de volgende LGD-waarden:

a)      voor niet-achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 45%;

b)      voor achtergestelde vorderingen zonder toelaatbare zekerheid: 75%;

c)      kredietinstellingen kunnen volgestorte en niet-volgestorte kredietprotectie in de LGD in aanmerking nemen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 90 tot en met 93;

d)      aan gedekte obligaties als omschreven in bijlage VI, deel 1, punten 65, 66 en 67, mag een LGD-waarde van 12,5% worden toegekend;

e)      voor niet-achtergestelde gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen aan de minimumvereisten van deel 4 voldoen: 45%;

f)       achtergestelde gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen waarvoor een kredietinstelling niet kan aantonen dat haar PD-ramingen aan de minimumvereisten van deel 4 voldoen: 100%;

g)      voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen: 75%.

9. Indien het een kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen te hanteren en indien zij haar EL-ramingen voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag in afwijking van punt 8 voor het verwaterings- en wanbetalingsrisico de LGD-raming voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen worden gebruikt.

10. Indien het een kredietinstelling is toegestaan eigen LGD-ramingen voor vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken te hanteren, mag niet-volgestorte kredietprotectie in afwijking van punt 8 in aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, mits de minimumvereisten van deel 4 in acht worden genomen en de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. Een kredietinstelling kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.

1.3. Looptijd

11. Behoudens punt 12 kennen kredietinstellingen aan vorderingen die ontstaan als gevolg van retrocessieovereenkomsten dan wel verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen een looptijdwaarde (M) van 0,5 jaar toe en aan alle andere vorderingen een M van 2,5 jaar. De bevoegde autoriteiten kunnen van alle kredietinstellingen in hun rechtsgebied verlangen dat zij voor elke vordering gebruik maken van M zoals berekend op de in punt 12 beschreven wijze.

12. Kredietinstellingen die eigen LGD’s of omrekeningsfactoren voor vorderingen op ondernemingen, instellingen of centrale overheden en centrale banken mogen gebruiken, berekenen voor elk van deze vorderingen M op de onder a) tot en met e) beschreven wijze en met inachtneming van de punten 13, 14 en 15. In al deze gevallen mag M niet meer bedragen dan 5 jaar.

a)      Voor een instrument dat onderworpen is aan een kasstroomschema, wordt M berekend volgens de onderstaande formule:

M = MAX{1; MIN{ ; 5}}

waarbij CFt staat voor de kasstromen (hoofdsom, rentebetalingen en provisies) die de debiteur in periode t contractueel verplicht is te betalen.

b)      Voor afgeleide instrumenten die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde resterende looptijd van de vordering, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt.

c)      Voor vorderingen die ontstaan als gevolg van retrocessieovereenkomsten dan wel verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen die onderworpen zijn aan een kaderverrekeningsovereenkomst, is M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de transacties, waarbij M ten minste gelijk is aan 5 dagen. Voor de weging van de looptijd wordt de theoretische hoofdsom van elke vordering gebruikt.

d)      Indien een kredietinstelling voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen eigen PD-ramingen mag gebruiken, is voor opgenomen bedragen M gelijk aan de gewogen gemiddelde looptijd van de gekochte kortlopende vorderingen, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar. Deze zelfde waarde van M wordt ook gebruikt voor niet-opgenomen bedragen in het kader van een gecommitteerde koopfaciliteit mits de koopovereenkomst effectieve bedingen, vervroegde-aflossingsbepalingen of andere kenmerken omvat die de kopende kredietinstelling bescherming bieden tegen een significante verslechtering van de kwaliteit van de toekomstige kortlopende vorderingen die zij gedurende de looptijd van de faciliteit verplicht is te kopen. Bij gebreke van dergelijke effectieve beschermingsmiddelen wordt M voor niet-opgenomen bedragen berekend als de som van de langstlopende kortlopende potentiële vordering in het kader van de koopovereenkomst en de resterende looptijd van de koopfaciliteit, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar.

e)      Voor alle andere instrumenten dan die welke in dit punt worden genoemd of ingeval een kredietinstelling niet in staat is M op de onder a) beschreven wijze te berekenen, is M gelijk aan de maximale resterende periode (in jaren) die de debiteur mag wachten om zijn contractuele verplichtingen volledig na te komen, waarbij M ten minste gelijk is aan 1 jaar.

13. Voor door de bevoegde autoriteiten gespecificeerde kortlopende vorderingen waarvan de resterende looptijd minder is dan een jaar en die geen deel uitmaken van de doorlopende financiering door de kredietinstelling van de debiteur, is M in afwijking van punt 12, onder a), b), d) en e), ten minste gelijk aan 1 dag.

14. Voor vorderingen op ondernemingen die zich in de Gemeenschap bevinden en een geconsolideerde omzet en een geconsolideerd vermogen van minder dan 500 miljoen EUR hebben, kunnen de bevoegde autoriteiten het in punt 11 beschreven gebruik van M toestaan.

15. Looptijdverschillen worden behandeld op de in de artikelen 91 tot en met 93 beschreven wijze.

2. Vorderingen op particulieren en kleine partijen 2.1. PD

16. De PD van een vordering is ten minste gelijk aan 0,03%.

17. De PD van debiteuren of, bij een verplichtingenbenadering, de PD van vorderingen waarbij er sprake is van wanbetaling is gelijk aan 100%.

18. Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen is de PD gelijk aan de EL-ramingen voor het verwateringsrisico. Indien een kredietinstelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag de PD-raming worden gebruikt.

19. Niet-volgestorte kredietprotectie kan in aanmerking worden genomen door de PD’s aan te passen met inachtneming van punt 21.

2.2. LGD

20. Kredietinstellingen zorgen voor eigen LGD-ramingen, waarbij de minimumvereisten van deel 4 in acht worden genomen en de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten is vereist. Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen wordt een LGD-waarde van 75% gebruikt. Indien een kredietinstelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze kan ontbinden in PD’s en LGD’s, mag de LGD-raming worden gebruikt.

21. Niet-volgestorte kredietprotectie ter dekking van een individuele vordering of een pool van vorderingen kan in aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, waarbij de minimumvereisten van deel 4, punten 95 tot en met 103, in acht worden genomen en de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten is vereist. Een kredietinstelling kent aan gegarandeerde vorderingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare rechtstreekse vordering op de garantiegever.

3. Toepassing van de PD/LGD-methode op posities in aandelen 3.1. PD

22. De PD’s worden bepaald volgens de methoden die gelden voor vorderingen op ondernemingen.

De volgende minimum-PD’s zijn van toepassing:

a)      0,09% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de investering/belegging past in het kader van een duurzame cliëntrelatie;

b)      0,09% voor posities in niet ter beurze verhandelde aandelen, waarbij de opbrengsten van de investering/belegging berusten op regelmatige en periodieke kasstromen die niet samenhangen met vermogenswinsten;

c)      0,40% voor posities in ter beurze verhandelde aandelen, met inbegrip van andere tekortposities als bedoeld in deel 1, punt 17;

d)      1,25% voor alle overige posities in aandelen, met inbegrip van andere tekortposities als bedoeld in deel 1, punt 17.

3.2. LGD

23. Aan posities in niet ter beurze verhandelde aandelen in voldoende gespreide portefeuilles kan een LGD van 65% worden toegekend.

24. Aan alle overige posities wordt een LGD van 90% toegekend.

3.3. Looptijd

25. Aan alle posities wordt een M van 5 jaar toegekend.

Deel 3 – Waarde van de posten

1. Vorderingen op ondernemingen, instellingen, centrale overheden en centrale banken en vorderingen op particulieren en kleine partijen

1. Tenzij anders is aangegeven, wordt voor op de balans opgenomen vorderingen de waarde van de post bepaald exclusief waardeaanpassingen. Deze regel geldt ook voor activa die worden gekocht tegen een andere prijs dan het verschuldigde bedrag. Voor gekochte activa wordt het verschil tussen het verschuldigde bedrag en de in de balans van kredietinstellingen opgenomen nettowaarde disagio genoemd als het verschuldigde bedrag groter is en agio als het kleiner is.

2. Wanneer kredietinstellingen bij retrocessieovereenkomsten/verstrekte of opgenomen effectenleningen van kaderverrekeningsovereenkomsten gebruik maken, wordt de waarde van de post berekend overeenkomstig de artikelen 90 tot en met 93.

3. Bij saldering van leningen en deposito’s passen kredietinstellingen voor de berekening van de waarde van de posten de in de artikelen 90 tot en met 93 beschreven methoden toe.

4. Bij lease-overeenkomsten is de waarde van de post gelijk aan de gedisconteerde stroom van leasebetalingen.

5. Indien het gaat om een in bijlage IV genoemde post, wordt de waarde ervan bepaald aan de hand van een van de twee methoden die in bijlage III zijn beschreven.

6. De waarde die wordt gehanteerd voor de berekening van de risicogewogen posten die betrekking hebben op gekochte kortlopende vorderingen, is het uitstaande bedrag verminderd met het kapitaalvereiste voor het verwateringsrisico vóór kredietrisicovermindering.

7. In afwijking van punt 5 worden de in bijlage III beschreven methoden niet gehanteerd voor op erkende beurzen verhandelde contracten en valutacontracten (met uitzondering van goudcontracten) met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste 14 kalenderdagen. Aan dergelijke contracten wordt een waarde van nul toegekend.

8. In afwijking van punt 5 kunnen de bevoegde autoriteiten besluiten de in bijlage III beschreven methoden niet toe te passen op en een waarde van nul toe te kennen aan onderhandse contracten (over-the-counter of OTC contracts) die zijn gecleard door een clearinginstelling die optreedt als juridische tegenpartij en waarbij alle deelnemers het risico dat zij voor de clearinginstelling belichamen dagelijks volledig met zekerheden dekken, zodat een protectie wordt geboden die zowel de actuele vervangingskosten als het potentiële toekomstige risico afdekt.

De gestelde zekerheden voldoen aan één van de volgende drie voorwaarden:

a)      zij komen in aanmerking voor een risicogewicht van 0%;

b)      het betreft termijndeposito’s bij de leningverstrekkende kredietinstelling;

c)      het betreft door de leningverstrekkende kredietinstelling uitgegeven en bij haar gedeponeerde depositocertificaten of soortgelijke instrumenten.

De bevoegde autoriteit is ervan overtuigd dat er geen gevaar bestaat dat het totaalbedrag van de vorderingen van de clearinginstelling de marktwaarde van de gestelde zekerheden overtreft.

9. De waarde van niet-aangesproken gekochte verplichtingen uit hoofde van revolverende posities ten opzichte van ondernemingen wordt berekend door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te vermenigvuldigen met 75%.

10. Bij een positie in effecten of grondstoffen die verkocht, gedeponeerd of geleend zijn in het kader van een retrocessieovereenkomst of een verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenlening, is de waarde van de post gelijk aan de overeenkomstig artikel 74 bepaalde waarde van de effecten of grondstoffen. Wanneer de in bijlage VIII, deel 3, beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden wordt toegepast, wordt de waarde van de post verhoogd met de volatiliteitsaanpassing die in bijlage VIII, deel 3, voor de effecten of grondstoffen in kwestie is aangegeven.

11. De waarde van de volgende posten wordt berekend door het gecommitteerde maar niet opgenomen bedrag te vermenigvuldigen met een omrekeningsfactor.

Kredietinstellingen maken gebruik van de volgende omrekeningsfactoren:

a)      voor niet-gecommitteerde kredietlijnen die door een kredietinstelling op elk tijdstip zonder opzegtermijn onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd of waarvoor uitdrukkelijk in automatische opzegging is voorzien, geldt een omrekeningsfactor van 0%. Om een omrekeningsfactor van 0% te mogen toepassen, moeten kredietinstellingen nauwlettend de financiële situatie van de debiteur volgen en moeten hun interne-controlesystemen hen in staat stellen onmiddellijk een verslechtering van de kredietkwaliteit van de debiteur te detecteren. Onbenutte kredietlijnen ten behoeve van particulieren en kleine partijen mogen worden aangemerkt als kredietlijnen die onvoorwaardelijk kunnen worden opgezegd indien de kredietinstelling deze krachtens de daaraan verbonden voorwaarden mag opzeggen in de mate dat dit toegestaan wordt door de wetgeving inzake consumentenbescherming en aanverwante wetgeving;

b)      voor kortlopend documentair krediet waaraan goederenhandel ten grondslag ligt, geldt een omrekeningsfactor van 20% voor zowel de uitgevende als de confirmerende instelling;

c)      voor andere kredietlijnen, note issuance facilities (NIFs) en revolving underwriting facilities (RUFs) geldt een omrekeningsfactor van 75%;

d)      kredietinstellingen die aan de in deel 4 gespecificeerde minimumvereisten voldoen om eigen ramingen van omrekeningsfactoren te gebruiken, mogen eigen ramingen van omrekeningsfactoren voor verschillende producttypen gebruiken, mits zij daarvoor de toestemming krijgen van de bevoegde autoriteiten.

12. Wanneer een verplichting betrekking heeft op de uitbreiding van een andere verplichting, wordt gebruik gemaakt van de laagste van beide omrekeningsfactoren die voor de individuele verplichting gelden.

13. Voor alle andere posten buiten de balanstelling dan die welke in de punten 1 tot en met 11 worden vermeld, wordt de waarde bepaald conform bijlage II.

2. Posities in aandelen

14. De waarde van de post is de waarde die in de jaarrekening is opgenomen. Voor posities in aandelen zijn de volgende waarden toelaatbaar:

a)      voor tegen reële waarde gewaardeerde beleggingen waarbij waardeveranderingen via de inkomsten direct naar het eigen vermogen doorstromen, is de waarde van de post de in de balans opgenomen reële waarde;

b)      voor tegen reële waarde gewaardeerde beleggingen waarbij waardeveranderingen niet via de inkomsten naar het eigen vermogen maar naar een apart vermogensbestanddeel na belastingen stromen, is de waarde van de post de in de balans opgenomen reële waarde;

c)      voor tegen kostprijs of de lagere marktwaarde gewaardeerde beleggingen is de waarde van de post de in de balans opgenomen kostprijs of marktwaarde.

3. Andere activa die geen kredietverplichtingen zijn

15. De waarde van andere activa die geen kredietverplichtingen zijn, is gelijk aan de in de jaarrekening opgenomen waarde.

Deel 4 – Minimumvereisten voor de interne-ratingbenadering

1. Ratingsystemen

1. Een “ratingsysteem” omvat alle methoden, processen, controlemaatregelen, gegevensverzamelings- en IT-systemen die de beoordeling van het kredietrisico, de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen (rating) en de kwantificering van ramingen betreffende wanbetalingen en verliezen voor een bepaald type vordering ondersteunen.

2. Indien een kredietinstelling van meerdere ratingsystemen gebruik maakt, wordt de gedachtegang achter de toewijzing van een ratingsysteem voor een bepaalde debiteur of transactie schriftelijk vastgelegd en op zodanige wijze toegepast dat het risiconiveau adequaat wordt weerspiegeld.

3. De toewijzingscriteria en -procedures worden periodiek aan een nieuw onderzoek onderworpen om na te gaan of zij nog steeds adequaat zijn voor de actuele portefeuille en externe omstandigheden.

1.1. Opzet van ratingsystemen

4. Wanneer een kredietinstelling gebruik maakt van directe ramingen van risicoparameters, mogen deze worden aangemerkt als outputs van klassen op een continue ratingschaal.

1.1.1. Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

5. Een ratingsysteem houdt rekening met de debiteuren- en transactierisicokenmerken.

6. Een ratingsysteem heeft een ratingschaal voor debiteuren welke uitsluitend betrekking heeft op de kwantificering van het risico dat de debiteur in gebreke blijft. De ratingschaal voor debiteuren telt ten minste 7 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en één voor in gebreke gebleven debiteuren.

7. Een “debiteurenklasse” is een risicocategorie in een ratingschaal voor debiteuren van een ratingsysteem waarin debiteuren worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit PD-ramingen worden afgeleid. Een kredietinstelling legt de relatie tussen debiteurenklassen schriftelijk vast in termen van het met de verschillende debiteurenklassen samenhangende niveau van het wanbetalingsrisico en in termen van de gehanteerde criteria om de diverse risiconiveaus van elkaar te onderscheiden.

8. Kredietinstellingen waarvan de portefeuilles in een bepaald marktsegment en in een bepaald deel van de PD-verdeling zijn geconcentreerd, zorgen ervoor dat er binnen dat deel genoeg debiteurenklassen zijn om ongewenste concentraties van debiteuren in één bepaalde klasse te vermijden. Significante concentraties in één klasse worden gemotiveerd door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de debiteurenklasse een redelijk smalle PD-bandbreedte bestrijkt en dat het wanbetalingsrisico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte debiteuren verbonden is, binnen die bandbreedte valt.

9. Opdat het gebruik van eigen LGD-ramingen voor de berekening van het kapitaalvereiste voor erkenning door de bevoegde autoriteiten in aanmerking komt, omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin uitsluitend met de LGD verband houdende transactiekenmerken worden weerspiegeld.

10. Opdat het gebruik van eigen ramingen van omrekeningsfactoren voor de berekening van het kapitaalvereiste voor erkenning door de bevoegde autoriteiten in aanmerking komt, omvat een ratingsysteem een afzonderlijke ratingschaal voor faciliteiten waarin uitsluitend met de omrekeningsfactor verband houdende transactiekenmerken worden weerspiegeld.

11. Een “faciliteitsklasse” is een risicocategorie in een schaal voor faciliteiten van een ratingsysteem waarin vorderingen worden ondergebracht op grond van een gespecificeerd en welbepaald samenstel van ratingcriteria en waaruit ofwel LGD-ramingen, ofwel ramingen van omrekeningsfactoren worden afgeleid. De definitie van de klasse omvat een beschrijving van de wijze waarop een vordering in een klasse wordt ondergebracht en van de gehanteerde criteria om de risiconiveaus van de diverse klassen van elkaar te onderscheiden.

12. Significante concentraties in één faciliteitsklasse worden gemotiveerd door middel van overtuigend empirisch bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de faciliteitsklasse een redelijk smalle LGD- of omrekeningsfactorbandbreedte bestrijkt en dat het risico dat aan alle in de desbetreffende klasse ondergebrachte vorderingen verbonden is, binnen die bandbreedte valt.

13. Kredietinstellingen die voor de toekenning van risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening de in deel 1, punt 5, beschreven methoden toepassen, zijn vrijgesteld van de verplichting om een ratingschaal voor debiteuren te hanteren welke uitsluitend het risico kwantificeert dat de debiteur in gebreke blijft voor deze vorderingen. In afwijking van punt 6 hebben de kredietinstellingen voor deze vorderingen ten minste 4 klassen voor niet in gebreke gebleven debiteuren en ten minste één voor in gebreke gebleven debiteuren.

1.1.2. Vorderingen op particulieren en kleine partijen

14. Ratingsystemen weerspiegelen zowel het debiteuren- als het transactierisico en houden rekening met alle relevante debiteuren- en transactiekenmerken.

15. Het risico is op zodanige wijze gedifferentieerd dat het aantal vorderingen in een gegeven klasse of groep toereikend is voor een zinvolle kwantificering en validatie van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep. De vorderingen en debiteuren zijn op zodanige wijze over de klassen of groepen verdeeld dat buitensporige concentraties worden vermeden.

16. Kredietinstellingen tonen aan dat de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen in een zinvolle risicodifferentiatie resulteert, een groepering van voldoende homogene vorderingen oplevert en een accurate en consequente raming van de verlieskenmerken op het niveau van de klasse of groep mogelijk maakt. Voor gekochte kortlopende vorderingen weerspiegelt de groepering de overnemingspraktijken van de verkoper en de heterogeniteit van hun cliënten.

17. Kredietinstellingen houden rekening met de volgende risicobepalende factoren wanneer zij vorderingen in klassen of groepen onderbrengen:

a)      debiteurenrisicokenmerken;

b)      transactierisicokenmerken, met inbegrip van product- of zekerhedentypen of beide. Kredietinstellingen gaan uitdrukkelijk in op gevallen waarin voor verschillenden vorderingen dezelfde zekerheden zijn gesteld;

c)      achterstalligheid, tenzij de kredietinstelling ten behoeve van haar bevoegde autoriteiten naar behoren aantoont dat achterstalligheid geen echt bepalende factor voor het risico van de vordering is.

1.2. Onderbrenging in klassen of groepen

18. Een kredietinstelling past specifieke definities, procedures en criteria toe voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen van een ratingsysteem.

a)      De definities en criteria van de klassen of groepen zijn voldoende gedetailleerd om degenen die ratings toekennen in staat te stellen op consistente wijze debiteuren of faciliteiten waaraan vergelijkbare risico’s verbonden zijn, in dezelfde klasse of groep onder te brengen. Deze consistentie geldt voor alle business lines, afdelingen en geografische locaties.

b)      De documentatie van het ratingproces stelt derden in staat te begrijpen hoe vorderingen in klassen of groepen worden ondergebracht, de onderbrenging in klassen en groepen te reconstrueren en te oordelen of een onderbrenging in een bepaalde klasse of groep terecht is.

c)      De criteria sluiten tevens aan bij de door de kredietinstelling toegepaste interne normen voor de verstrekking van leningen en bij haar gedragslijnen voor de aanpak van dubieuze debiteuren en probleemfaciliteiten.

19. Bij de onderbrenging van debiteuren en faciliteiten in klassen of groepen houdt een kredietinstelling rekening met alle relevante informatie. Deze informatie is actueel en stelt de kredietinstelling in staat de toekomstige ontwikkeling van de vordering te voorspellen. Hoe minder informatie een kredietinstelling bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij de onderbrenging van vorderingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of -groepen. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van een externe rating als primaire factor voor de toekenning van een interne rating, houdt zij ook rekening met andere relevante informatie.

1.3. Onderbrenging van vorderingen 1.3.1. Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

20. Elke debiteur wordt in het kader van het kredietacceptatieproces in een debiteurenklasse ondergebracht.

21. Ingeval een kredietinstelling eigen ramingen van LGD’s of omrekeningsfactoren mag gebruiken, wordt elke vordering in het kader van het kredietacceptatieproces tevens in een faciliteitsklasse ondergebracht.

22. Kredietinstellingen die de in deel 1, punt 5, beschreven methoden toepassen voor de toekenning van risicogewichten aan vorderingen uit hoofde van gespecialiseerde kredietverlening, brengen elk van deze vorderingen conform punt 13 in een klasse onder.

23. Aan elke individuele rechtspersoon op wie de kredietinstelling een vordering heeft, wordt een afzonderlijke rating toegekend. Een kredietinstelling toont ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren aan dat zij acceptabele gedragslijnen heeft voor de behandeling van individuele debiteuren-cliënten en groepen verbonden cliënten.

24. Verschillende vorderingen op dezelfde debiteur worden in dezelfde debiteurenklasse ondergebracht, ongeacht of het karakter van elke specifieke transactie verschillen vertoont. Uitzonderingen hierop, waarbij verschillende vorderingen op dezelfde debiteur in meerdere klassen worden ondergebracht, zijn:

a)      het transferrisico, dat afhankelijk is van het feit of de vorderingen in de lokale dan wel in een buitenlandse valuta luiden;

b)      wanneer de behandeling van met een vordering samenhangende garanties kan worden weerspiegeld door de onderbrenging in een andere debiteurenklasse.

1.3.2. Vorderingen op particulieren en kleine partijen

25. Elke vordering wordt in het kader van het kredietacceptatieproces in een klasse of groep ondergebracht.

1.3.3. Bijsturingen

26. Bij de onderbrengingen in klassen of groepen leggen kredietinstellingen schriftelijk vast in welke situaties de inputs of outputs van het onderbrengingsproces door middel van subjectieve inschatting kunnen worden bijgestuurd en welk personeel voor de goedkeuring van deze bijsturingen verantwoordelijk is. Deze bijsturingen en het daarvoor verantwoordelijke personeel worden door de kredietinstellingen gedocumenteerd. Kredietinstellingen analyseren de ontwikkeling van de vorderingen waarvan de onderbrenging is bijgestuurd. Deze analyse omvat de beoordeling van de ontwikkeling van vorderingen waarvan de rating door een bepaalde persoon is bijgestuurd, waarbij voor alle verantwoordelijke personeelsleden verantwoording wordt afgelegd.

1.4. Integriteit van het onderbrengingsproces 1.4.1. Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

27. De onderbrengingen en periodieke evaluaties van onderbrengingen worden verricht of goedgekeurd door een onafhankelijke partij die geen onmiddellijk voordeel heeft bij de beslissingen om krediet te verstrekken.

28. De onderbrengingen worden ten minste jaarlijks door de kredietinstellingen bijgewerkt. Risicovolle debiteuren en probleemvorderingen worden veelvuldiger aan een nieuw onderzoek onderworpen. Kredietinstellingen gaan over tot een herziening van de onderbrenging indien belangrijke informatie over de debiteur of vordering beschikbaar komt.

29. Kredietinstellingen beschikken over een efficiënte procedure voor de verzameling en actualisering van relevante informatie over debiteurenkenmerken die op PD’s van invloed zijn en over transactiekenmerken die op LGD’s en omrekeningsfactoren van invloed zijn.

1.4.2. Vorderingen op particulieren en kleine partijen

30. Een kredietinstelling gaat ten minste eenmaal per jaar over tot de actualisering van de onderbrengingen in debiteuren- en faciliteitsklassen of tot de analyse van de verlieskenmerken en de achterstalligheidssituatie van elke onderscheiden risicogroep, al naar gelang het geval. Een kredietinstelling onderzoekt tevens ten minste eenmaal per jaar de status van een representatieve steekproef van individuele vorderingen uit elke groep om erop toe te zien dat vorderingen nog steeds in de juiste groep ondergebracht zijn.

1.5. Gebruik van modellen

31. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van statistische modellen en andere mechanische methoden om vorderingen in debiteuren- of faciliteitsklassen of ‑groepen onder te brengen, dan:

a)      toont zij ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren aan dat het model een goede voorspelkracht heeft en dat de kapitaalvereisten niet vertekend zijn als gevolg van het gebruik ervan. De inputvariabelen vormen een redelijke en doelmatige basis voor de resulterende prognoses. Het model wordt niet gekenmerkt door vertekeningen van betekenis;

b)      beschikt zij over een procedure voor de validatie van de in het model in te voeren gegevens, waarbij onder meer de juistheid, volledigheid en relevantie van die gegevens worden getoetst;

c)      toont zij aan dat de voor de opstelling van het model gebruikte gegevens representatief zijn voor de bestaande populatie van debiteuren of vorderingen van de kredietinstelling;

d)      voorziet zij in een regelmatige modelvalidatiecyclus die een bewaking van de prestatie en stabiliteit van het model, een herbeoordeling van de modelspecificatie en een toetsing van de modeloutputs aan de uitkomsten omvat;

e)      vult zij het statistische model aan met subjectieve inschattingen en menselijk toezicht om de op basis van het model verkregen onderbrengingen te toetsen en toe te zien op een oordeelkundig gebruik van de modellen. De toetsingsprocedures zijn erop gericht de met de gebreken van het model samenhangende fouten op te sporen en te beperken. Bij subjectieve inschattingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie die niet door het model in aanmerking wordt genomen. De kredietinstelling legt schriftelijk vast hoe de subjectieve inschatting en de modelresultaten moeten worden gecombineerd.

1.6. Documentatie van ratingsystemen

32. De kredietinstelling legt de opzet en operationele bijzonderheden van haar ratingsystemen schriftelijk vast. Uit de documentatie blijkt dat de in dit deel gestelde minimumeisen in acht worden genomen. In de documentatie komen onder meer de volgende onderwerpen aan de orde: portefeuillespreiding, ratingcriteria, verantwoordelijkheden van partijen die ratings toekennen aan debiteuren en vorderingen, de frequentie waarmee de ratings worden herbekeken, en het managementtoezicht op het ratingproces.

33. De kredietinstelling legt de motivering voor haar keuze van ratingcriteria en de analyse ter ondersteuning van deze keuze schriftelijk vast. De kredietinstelling documenteert alle belangrijke wijzigingen in het risicoratingproces en in die documentatie wordt aangegeven welke wijzigingen in het risicoratingproces zijn aangebracht na de laatste evaluatie ervan door de bevoegde autoriteiten en waarom. Ook de organisatie van de toekenning van ratings, met inbegrip van de procedure voor de toekenning van ratings en de interne-controlestructuur, wordt schriftelijk vastgelegd.

34. De kredietinstelling legt de intern gehanteerde specifieke definities van wanbetaling en verlies schriftelijk vast en toont aan dat deze definities consistent zijn met die in deze richtlijn.

35. Indien de kredietinstelling in het kader van het ratingproces van statistische modellen gebruik maakt, legt zij de methodologie ervan schriftelijk vast, waarbij:

a)      een gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de theorie, aannamen en/of wiskundige en empirische grondslagen voor de toewijzing van ramingen aan klassen, individuele debiteuren, vorderingen of pools, alsook van de voor de opstelling van het model gebruikte gegevensbron(nen);

b)      een strikt statistische procedure (met inbegrip van out-of-time en out-of-sample prestatietests) voor de validatie van het model wordt vastgelegd; en

c)      wordt aangegeven onder welke omstandigheden het model niet efficiënt werkt.

36. Het feit dat gebruik wordt gemaakt van een model dat verkregen is bij een derde-verkoper die aanvoert dat het om eigen technologie gaat, is geen voldoende reden om vrijstelling te verlenen van de documentatieplicht en andere verplichtingen die voor ratingsystemen gelden. Het is aan de kredietinstelling om aan de eisen van de bevoegde autoriteiten te voldoen.

1.7. Bijhouden van gegevens

37. Kredietinstellingen worden geacht gegevens over de aspecten van hun interne ratings te verzamelen en op te slaan, zoals voorgeschreven bij de artikelen 145 tot en met 149.

1.7.1. Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

38. De volgende gegevens worden door kredietinstellingen verzameld en opgeslagen:

a)      de volledige ratinghistorie van debiteuren en erkende garantiegevers;

b)      de data waarop de ratings zijn toegekend;

c)      de belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de ratings te bepalen;

d)      de voor de toekenning van de rating verantwoordelijke persoon;

e)      de in gebreke gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand;

f)       de datum waarop en omstandigheden waaronder debiteuren in gebreke zijn gebleven en vorderingen een betalingsachterstand hebben opgelopen;

g)      gegevens over de PD’s en de gerealiseerde wanbetalingsgraden die met ratingklassen en ratingmigraties samenhangen;

h)      kredietinstellingen die geen eigen ramingen van LGD’s en/of omrekeningsfactoren gebruiken, gaan over tot het verzamelen en opslaan van gegevens over vergelijkingen tussen gerealiseerde LGD’s en de in deel 2, punt 8, opgenomen waarden en tussen gerealiseerde omrekeningsfactoren en de in deel 3, punt 11, opgenomen waarden.

39. Kredietinstellingen die eigen ramingen van LGD’s en/of omrekeningsfactoren gebruiken, worden geacht de volgende gegevens te verzamelen en op te slaan:

a)      volledige historische gegevens over de met elke ratingschaal samenhangende faciliteitsratings en ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren;

b)      de data waarop de ratings zijn toegekend en de ramingen zijn verricht;

c)      de belangrijkste gegevens en methoden die werden gehanteerd om de faciliteitsratings en de ramingen van de LGD’s en omrekeningsfactoren te bepalen;

d)      de persoon die de faciliteitsrating heeft toegekend en de persoon die de ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren heeft verstrekt;

e)      gegevens over de met elke vordering met een betalingsachterstand samenhangende geraamde en gerealiseerde LGD’s en omrekeningsfactoren;

f)       voor de kredietinstellingen die via de LGD met de kredietrisicoverminderende gevolgen van garanties of kredietderivaten rekening houden, gegevens over de LGD van de vordering voor en na de beoordeling van de gevolgen van een garantie of kredietderivaat;

g)      gegevens over de verliescomponenten van elke vordering met een betalingsachterstand.

1.7.2. Vorderingen op particulieren en kleine partijen

40. De volgende gegevens worden door kredietinstellingen verzameld en opgeslagen:

a)      bij het proces van de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen gebruikte gegevens;

b)      gegevens over de geraamde PD’s, LGD’s en omrekeningsfactoren die samenhangen met de vorderingenklassen of -groepen;

c)      de in gebreke gebleven debiteuren en vorderingen met een betalingsachterstand;

d)      voor vorderingen met een betalingsachterstand, de gegevens over de klassen of groepen waarin de vordering was ondergebracht in het jaar voordat zij een betalingsachterstand vertoonde en de gerealiseerde uitkomsten voor de LGD en de omrekeningsfactor;

e)      gegevens over de verliespercentages en het marge-inkomen voor gekwalificeerde revolverende posities ten opzichte van particulieren en kleine partijen.

1.8. Bij de beoordeling van de kapitaaltoereikendheid gebruikte stresstests

41. Kredietinstellingen beschikken over deugdelijke procedures voor het verrichten van stresstests bij de beoordeling van hun kapitaaltoereikendheid. Bij het verrichten van dergelijke tests wordt nagegaan welke mogelijke gebeurtenissen of toekomstige veranderingen in economische omstandigheden ongunstige gevolgen kunnen hebben voor de kredietvorderingen van een kredietinstelling, en beoordeeld in hoeverre de kredietinstelling tegen dergelijke veranderingen bestand is.

42. Kredietinstellingen verrichten regelmatig een stresstest met betrekking tot het kredietrisico om na te gaan welke gevolgen bepaalde specifieke omstandigheden hebben voor haar totale kapitaalvereisten voor het kredietrisico. Het soort test wordt onder prudentieel toezicht gekozen door de kredietinstelling. De test is relevant en redelijk conservatief, hetgeen inhoudt dat ten minste het effect wordt onderzocht van een scenario waarbij van een milde recessie wordt uitgegaan. De kredietinstelling gaat na welke veranderingen haar ratings in het kader van de stresstestscenario’s ondergaan. De portefeuilles die het voorwerp uitmaken van de stresstest, bevatten de overgrote meerderheid van alle vorderingen van een kredietinstelling.

2. Risicokwantificering

43. Bij de vaststelling van de risicoparameters die met ratingklassen of –groepen samenhangen, nemen de kredietinstellingen de onderstaande voorschriften in acht.

2.1. Definitie van wanbetaling

44. Er is sprake van een “wanbetaling” met betrekking tot een specifieke debiteur wanneer een van beide of beide volgende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden:

a)      de kredietinstelling acht het onwaarschijnlijk dat de debiteur zijn kredietverplichtingen jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen volledig zal nakomen zonder dat de kredietinstelling zal moeten overgaan tot acties zoals de uitwinning van zekerheden (indien deze zijn gesteld).

b)      de debiteur is meer dan 90 dagen achterstallig bij het nakomen van een aanzienlijke kredietverplichting jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen.

De periode van achterstalligheid begint te lopen zodra een debiteur een aanbevolen kredietlimiet heeft overschreden, een kredietlimiet is aanbevolen die lager is dan het uitstaande bedrag, of zonder toestemming krediet heeft opgenomen.

Onder een aanbevolen kredietlimiet wordt een kredietlimiet verstaan die ter kennis van de debiteur is gebracht.

In geval van vorderingen op particulieren en kleine partijen en vorderingen op publiekrechtelijke lichamen stellen de bevoegde autoriteiten een periode van achterstalligheid vast conform punt 48.

In geval van vorderingen op ondernemingen kunnen de bevoegde autoriteiten een periode van achterstalligheid vaststellen conform artikel 154, lid 4.

In geval van vorderingen op particulieren en kleine partijen mogen de kredietinstellingen deze definitie op faciliteitsniveau toepassen.

45. Onder meer de volgende elementen mogen worden beschouwd als indicaties dat betaling onwaarschijnlijk is:

a)      de kredietinstelling bestempelt de kredietverplichting als dubieus;

b)      de kredietinstelling gaat over tot een waardeaanpassing als gevolg van een gepercipieerde significante vermindering van de kredietkwaliteit nadat zij de vordering heeft geaccepteerd;

c)      de kredietinstelling verkoopt de kredietverplichting met een aanzienlijk kredietgebonden economisch verlies;

d)      de kredietinstelling stemt in met een gedwongen herstructurering van de kredietverplichting, welke wellicht zal resulteren in een geringere financiële verplichting als gevolg van de kwijtschelding, dan wel de verlening van uitstel van betaling, van de hoofdsom, de rente of (in voorkomend geval) de provisies. Dit omvat ook de gedwongen herstructurering van het aandelenkapitaal in het geval van posities in aandelen die worden beoordeeld aan de hand van een PD/LGD-benadering;

e)      de kredietinstelling heeft het faillissement van de debiteur of een soortgelijk bevel aangevraagd met betrekking tot zijn kredietverplichting jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen;

f)       de debiteur heeft het faillissement of een soortgelijke bescherming aangevraagd of is in staat van faillissement verklaard, waardoor de terugbetaling van een kredietverplichting jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen wordt vermeden of uitgesteld.

46. Kredietinstellingen die gebruik maken van externe gegevens die op zich niet beantwoorden aan de definitie van wanbetaling, tonen ten behoeve van hun bevoegde autoriteiten naar behoren aan dat adequate aanpassingen zijn verricht om algemene overeenstemming met de definitie van wanbetaling te bewerkstelligen.

47. Indien de kredietinstelling oordeelt dat een vordering die eerder een betalingsachterstand vertoonde, thans in een zodanige toestand verkeert dat de definitie van wanbetaling niet langer van toepassing is, kent zij aan de debiteur of faciliteit een rating van een vordering zonder betalingsachterstand toe. Mocht de definitie van wanbetaling later toch van toepassing blijken, dan wordt aangenomen dat er zich een andere wanbetaling heeft voorgedaan.

48. Voor vorderingen op particulieren en kleine partijen en vorderingen op publiekrechtelijke lichamen stellen de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat de exacte periode van achterstalligheid vast waaraan alle kredietinstellingen in hun rechtsgebied zich in het kader van de in punt 44 vastgelegde definitie van wanbetaling moeten houden wanneer het gaat om vorderingen op dergelijke tegenpartijen die zich in de betrokken lidstaat bevinden. Het specifieke aantal dagen ligt tussen 90 en 180 en kan variëren naar gelang van het type product. Voor vorderingen op dergelijke tegenpartijen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, stellen de bevoegde autoriteiten de periode van achterstalligheid op zodanige wijze vast dat zij niet langer is dan de periode die door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat is vastgesteld.

2.2. Algemene ramingsvereisten

49. In de eigen ramingen door een kredietinstelling van de risicoparameters PD, LGD, omrekeningsfactor en EL is met alle relevante gegevens, informatie en methoden rekening gehouden. De ramingen zijn verricht op grond van historische ervaring en empirisch bewijsmateriaal en niet louter gebaseerd op subjectieve overwegingen. De ramingen zijn aannemelijk en intuïtief en gebaseerd op de wezenlijke determinanten van de respectieve risicoparameters. Hoe minder gegevens een kredietinstelling bezit, hoe voorzichtiger zij te werk gaat bij het verrichten van haar ramingen.

50. De kredietinstelling is in staat haar verlieservaring in termen van wanbetalingsfrequentie, LGD en omrekeningsfactor (of verlies wanneer EL-ramingen worden gehanteerd) te ontbinden in de factoren die zij als de determinanten van de respectieve risicoparameters beschouwt. De kredietinstelling toont aan dat haar ramingen gebaseerd zijn op een langdurige ervaring.

51. Er wordt rekening gehouden met wijzigingen die zich gedurende de in de punten 66, 71, 81, 85, 92 en 94 genoemde waarnemingsperioden in de leningspraktijk of in de procedure voor de inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen hebben voorgedaan. In de ramingen van de kredietinstelling wordt tevens rekening gehouden met de gevolgen van technische vorderingen en met nieuwe gegevens en andere inlichtingen naarmate deze beschikbaar komen. Ten minste eenmaal per jaar en telkens als nieuwe informatie aan het licht komt, onderwerpen de kredietinstellingen hun ramingen aan een nieuw onderzoek.

52. De populatie van de vorderingen die in aanmerking worden genomen in de gegevens voor het verrichten van de ramingen, de leningsnormen die werden toegepast toen de gegevens werden gegenereerd, en andere relevante kenmerken zijn vergelijkbaar met die van de vorderingen en normen van de kredietinstelling. De kredietinstelling toont tevens aan dat de economische of marktvoorwaarden die aan de gegevens ten grondslag liggen, relevant zijn voor de actuele en voorzienbare voorwaarden. Het aantal in de steekproef opgenomen vorderingen en de voor de kwantificering gehanteerde periode waarop de gegevens betrekking hebben, zijn van dien aard dat de kredietinstelling kan vertrouwen op de juistheid en deugdelijkheid van haar ramingen.

53. In de ramingen met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen wordt rekening gehouden met alle relevante informatie waarover de kopende kredietinstelling beschikt ten aanzien van de kwaliteit van de onderliggende vorderingen, met inbegrip van gegevens over soortgelijke pools welke afkomstig zijn van de verkoper, de kopende kredietinstelling of externe bronnen. De kopende kredietinstelling toetst alle van de verkoper afkomstige gegevens waarvan zij gebruik maakt.

54. Een kredietinstelling telt bij haar ramingen een voorzichtigheidsmarge die in verhouding staat tot de verwachte foutmarge van de ramingen. In de gevallen waarin de methoden en gegevens minder bevredigend zijn en de verwachte foutmarge groter is, is ook de voorzichtigheidsmarge groter.

55. Indien kredietinstellingen voor de berekening van risicogewichten andere ramingen hanteren dan voor interne doeleinden, wordt dit gedocumenteerd en wordt de redelijkheid ervan ten behoeve van de bevoegde autoriteit naar behoren aangetoond.

56. Indien kredietinstellingen ten behoeve van hun bevoegde autoriteiten naar behoren kunnen aantonen dat vóór de implementatiedatum van deze richtlijn verzamelde gegevens op zodanige wijze zijn aangepast dat zij grotendeels beantwoorden aan de definities van wanbetaling of verlies, kunnen de bevoegde autoriteiten de kredietinstellingen enige flexibiliteit toestaan bij de toepassing van de voorgeschreven gegevensnormen.

57. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van een datapool van verschillende kredietinstellingen, toont zij aan dat:

a)      de ratingsystemen en -criteria van de overige kredietinstellingen die tot de datapool hebben bijgedragen, vergelijkbaar zijn met de hare;

b)      de datapool representatief is voor de portefeuille waarvoor de gegevens uit de pool wordt gebruikt;

c)      de kredietinstelling de gegevens uit de datapool consequent in de tijd gebruikt voor haar permanente ramingen.

58. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van een datapool van verschillende kredietinstellingen, blijft zij verantwoordelijk voor de integriteit van haar ratingsystemen. De kredietinstelling toont ten behoeve van de bevoegde autoriteit naar behoren aan dat zij over voldoende interne kennis van haar ratingsystemen beschikt, waardoor zij onder meer effectief in staat is het ratingproces te bewaken en te controleren.

2.2.1. Specifieke vereisten voor PD-ramingen

Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

59. Kredietinstellingen ramen de PD’s per debiteurenklasse op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse wanbetalingsgraden.

60. In het geval van gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen mogen kredietinstellingen de EL’s per debiteurenklasse ramen op basis van gemiddelden over een lange periode van de jaarlijkse gerealiseerde wanbetalingsgraden.

61. Indien een kredietinstelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD’s en LGD’s voor gekochte kortlopende vorderingen op ondernemingen afleidt uit een EL-raming en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in dit deel vastgelegde algemene normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in punt 73 vervatte concept van de LGD.

62. Wanneer kredietinstellingen PD-ramingstechnieken toepassen, mag dat alleen met ondersteunende analyses. Kredietinstellingen erkennen het belang van subjectieve overwegingen bij het combineren van de resultaten van de toepassing van technieken en bij het aanbrengen van aanpassingen om rekening te houden met de beperkingen waaraan de technieken en de informatie onderhevig zijn.

63. Indien een kredietinstelling voor de raming van PD’s gebruik maakt van gegevens over de interne ervaring met wanbetaling, toont zij in haar analyse aan dat in de ramingen de overnemingsnormen en de eventuele verschillen tussen het ratingsysteem dat de gegevens heeft gegenereerd en het huidige ratingsysteem, worden weerspiegeld. Wanneer de overnemingsnormen of de ratingsystemen gewijzigd zijn, telt de kredietinstelling een grotere voorzichtigheidsmarge bij haar PD-raming.

64. Indien een kredietinstelling haar interne klassen relateert of koppelt aan een schaal die door een EKBI of soortgelijke organisaties wordt toegepast en vervolgens de voor de klassen van de externe organisatie waargenomen wanbetalingsgraad toekent aan de door haar gehanteerde klassen, wordt de koppeling gebaseerd op een vergelijking van de interne ratingcriteria met de criteria die door de externe organisatie worden gehanteerd en op een vergelijking van de interne en externe ratings van gewone debiteuren. Vertekeningen of inconsistenties bij de koppeling of in de onderliggende gegevens worden vermeden. De criteria van de externe organisatie welke aan de voor de kwantificering gebruikte gegevens ten grondslag liggen, hebben uitsluitend betrekking op het wanbetalingsrisico en houden geen rekening met de transactiekenmerken. In de analyse van de kredietinstelling is een vergelijking van de definities van wanbetaling opgenomen, met inachtneming van de voorschriften van de punten 44 tot en met 48. De kredietinstelling documenteert de grondslag voor de koppeling.

65. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van statistische voorspellingsmodellen voor wanbetaling, dan mag zij PD’s ramen als het gewone gemiddelde van de ramingen van de kans op wanbetaling voor individuele debiteuren van een bepaalde klasse. Wanneer de kredietinstelling voor deze doeleinden gebruik maakt van waarschijnlijkheidsmodellen voor wanbetaling, wordt voldaan aan de in punt 31 gespecificeerde normen.

66. De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een kredietinstelling voor haar PD-raming gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Dit punt is ook van toepassing op de PD/LGD-benadering van aandelen.

Vorderingen op particulieren en kleine partijen

67. Kredietinstellingen ramen de PD’s per debiteurenklasse of -groep op basis van gemiddelden over een lange periode van jaarlijkse wanbetalingsgraden.

68. In afwijking van punt 67 kunnen PD-ramingen ook worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en passende LGD-ramingen.

69. Kredietinstellingen beschouwen interne gegevens voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen als de primaire informatiebron voor de inschatting van de verlieskenmerken. Kredietinstellingen mogen externe gegevens (met inbegrip van gegevens uit datapools) of statistische modellen gebruiken voor kwantificeringsdoeleinden, mits kan worden aangetoond dat er een sterke band bestaat tussen:

a)      de door de kredietinstelling gevolgde procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen en de door de externe gegevensbron gevolgde procedure;

b)      het interne risicoprofiel van de kredietinstelling en de samenstelling van de externe gegevens.

Voor gekochte kortlopende vorderingen op particulieren en kleine partijen mogen kredietinstellingen gebruik maken van externe en interne referentiegegevens. Kredietinstellingen gebruiken alle relevante gegevensbronnen als vergelijkingspunt.

70. Indien een kredietinstelling gemiddelde ramingen over een lange periode van PD’s en LGD’s voor vorderingen op particulieren of op kleine partijen afleidt uit een raming van het totale verlies en een adequate PD- of LGD-raming, dan voldoet de procedure voor de raming van de totale verliezen aan de in dit deel vastgelegde algemene normen voor de raming van de PD en de LGD en spoort het resultaat met het in punt 73 vervatte concept van de LGD.

71. De duur van de gebruikte onderliggende historische waarnemingsperiode is voor ten minste één bron gelijk aan minimum vijf jaar, ongeacht of een kredietinstelling voor haar inschatting van verlieskenmerken gebruik maakt van externe gegevens, interne gegevens, datapools of een combinatie van deze drie bronnen. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt. Een kredietinstelling behoeft geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages.

72. De tijdens de looptijd van de kredietvorderingen verwachte wijzigingen in de risicoparameters (seasoning effects) worden door de kredietinstellingen aangegeven en geanalyseerd.

2.2.2. Specifieke vereisten voor eigen LGD-ramingen

73. Kredietinstellingen ramen de LGD’s per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde gerealiseerde LGD’s per faciliteitsklasse of -groep en maken daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling (naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde).

74. Kredietinstellingen maken gebruik van LGD-ramingen die passend zijn voor een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde LGD’s per klasse of groep oplevert welke constant zijn in de tijd, passen kredietinstellingen hun ramingen van de riscoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op het kapitaal te beperken.

75. Een kredietinstelling houdt rekening met de mate waarin het risico van de debiteur eventueel afhankelijk is van dat van de zekerheid of de zekerheidsgever. Gevallen waarin er sprake is van een significante afhankelijkheid worden op voorzichtige wijze benaderd.

76. Valutamismatches tussen de onderliggende verplichting en de zekerheid worden op voorzichtige wijze behandeld bij de beoordeling van de LGD door de kredietinstelling.

77. Indien in de LGD-ramingen met het bestaan van een zekerheid rekening wordt gehouden, worden deze ramingen niet uitsluitend gebaseerd op de geraamde marktwaarde van de zekerheid. In de LGD-ramingen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het potentiële onvermogen van kredietinstellingen om vlot beschikkingsmacht over hun zekerheid te verkrijgen en deze uit te winnen.

78. Indien een kredietinstelling niet aan de in bijlage VIII vastgestelde minimumvereisten voor zekerheden voldoet, mag in de LGD-ramingen geen rekening worden gehouden met het bedrag dat deze zekerheden naar verwachting zullen opbrengen.

79. In het specifieke geval van vorderingen waarbij reeds sprake is van wanbetaling, maakt de kredietinstelling gebruik van haar beste raming van het voor elke vordering verwachte verlies in het licht van het heersende economische klimaat en de status van de vordering.

80. Indien onbetaalde achterstallige provisies in de winst- en verliesrekening van de kredietinstelling zijn geactiveerd, dan worden zij bij de waarde van de vordering en het verlies van de kredietinstelling geteld.

Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

81. De LGD-ramingen zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum zeven jaar. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.

Vorderingen op particulieren en kleine partijen

82. In afwijking van punt 73 mogen LGD-ramingen worden afgeleid van gerealiseerde verliezen en adequate PD-ramingen.

83. In afwijking van punt 88 mogen kredietinstellingen toekomstige opnemingen ofwel in hun omrekeningsfactor, ofwel in hun LGD-ramingen verwerken.

84. Bij gekochte kortlopende vorderingen op particulieren of op kleine partijen mogen kredietinstellingen van externe en interne referentiegegevens gebruik maken om de LGD’s te ramen.

85. De LGD-ramingen zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. In afwijking van punt 73 behoeft een kredietinstelling geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages.

2.2.3. Specifieke vereisten voor eigen ramingen van omrekeningsfactoren

86. Kredietinstellingen ramen de omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of -groep op basis van de gemiddelde gerealiseerde omrekeningsfactoren per faciliteitsklasse of ‑groep en maken daarbij gebruik van alle in de gegevensbronnen waargenomen gevallen van wanbetaling (naar wanbetalingsgraad gewogen gemiddelde).

87. Kredietinstellingen maken gebruik van ramingen van omrekeningsfactoren welke passend zijn voor een economische neergang indien deze conservatiever zijn dan het gemiddelde over een lange periode. Indien wordt verwacht dat een ratingsysteem gerealiseerde omrekeningsfactoren per klasse of groep oplevert welke constant zijn in de tijd, passen kredietinstellingen hun ramingen van de riscoparameters per klasse of groep aan om het effect van een economische neergang op het kapitaal te beperken.

88. In de door de kredietinstellingen geraamde omrekeningsfactoren wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat de debiteur nog opnemingen verricht tot en na het plaatsvinden van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat.

In de raming van de omrekeningsfactor wordt een grotere voorzichtigheidsmarge ingebouwd wanneer er redelijkerwijze een sterkere positieve correlatie kan worden verwacht tussen de wanbetalingsfrequentie en de omvang van de omrekeningsfactor.

89. Bij de raming van omrekeningsfactoren houden kredietinstellingen rekening met hun specifieke gedragslijnen en strategieën voor het rekeningenbeheer en de betalingsverwerking. Kredietinstellingen houden ook rekening met hun vermogen en bereidheid om verdere opnemingen te voorkomen in situaties die net niet als wanbetaling worden beschouwd, zoals inbreuken op overeenkomsten of andere gebeurtenissen waardoor technisch gesproken wanbetaling ontstaat.

90. De kredietinstellingen beschikken over adequate systemen en procedures om de bedragen van de faciliteiten, de actuele uitstaande bedragen uit hoofde van gecommitteerde kredietlijnen en wijzigingen in uitstaande bedragen per debiteur en per klasse te controleren. De kredietinstellingen zijn in staat de uitstaande saldi dagelijks te controleren.

91. Indien kredietinstellingen voor de berekening van risicogewogen posten andere ramingen van omrekeningsfactoren hanteren dan voor interne doeleinden, wordt dit gedocumenteerd en wordt de redelijkheid van deze ramingen ten behoeve van de bevoegde autoriteit naar behoren aangetoond.

Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken

92. De ramingen van de omrekeningsfactor zijn gebaseerd op gegevens die voor ten minste één bron betrekking hebben op een periode van minimum zeven jaar. Indien de waarnemingsperiode voor één van de bronnen een langere periode omspant en deze gegevens relevant zijn, dan wordt van deze langere periode gebruik gemaakt.

Vorderingen op particulieren en kleine partijen

93. In afwijking van punt 88 mogen kredietinstellingen toekomstige opnemingen ofwel in hun omrekeningsfactoren, ofwel in hun LGD-ramingen verwerken.

94. De ramingen van de omrekeningsfactoren zijn gebaseerd op gegevens over een periode van ten minste vijf jaar. In afwijking van punt 86 behoeft een kredietinstelling geen even groot belang te hechten aan historische gegevens indien zij ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren kan aantonen dat recentere gegevens een betere voorspeller zijn van de verliespercentages.

2.2.4. Minimumvereisten voor de beoordeling van het effect van garanties en kredietderivaten

Vorderingen op ondernemingen, instellingen en centrale overheden en centrale banken waarbij van eigen LGD-ramingen gebruik wordt gemaakt en vorderingen op particulieren en kleine partijen

95. De in de punten 96 tot en met 103 gestelde eisen gelden niet voor door instellingen en centrale overheden en centrale banken verstrekte garanties, mits de kredietinstelling toestemming heeft gekregen om de regels van de artikelen 78 tot en met 83 toe te passen op vorderingen op dergelijke entiteiten. In dat geval zijn de vereisten van de artikelen 90 tot en met 93 van toepassing.

96. Bij garanties ter dekking van vorderingen op particulieren en kleine partijen zijn deze vereisten ook van toepassing op de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen en de raming van de PD.

Toelaatbare garantiegevers en garanties

97. Kredietinstellingen hanteren welomschreven criteria voor de categorieën garantiegevers die zij in aanmerking nemen bij de berekening van risicogewogen vorderingen.

98. Voor in aanmerking genomen garantiegevers gelden dezelfde regels als voor debiteuren; deze regels zijn vervat in de punten 18 tot en met 30.

99. De garantie is schriftelijk bevestigd, niet opzegbaar door de garantiegever, van kracht tot de verplichting volledig is nagekomen (rekening houdend met het bedrag en de geldigheidsduur van de garantie) en juridisch afdwingbaar jegens de garantiegever in een rechtsgebied waar de garantiegever activa bezit om in beslag te nemen en een beslissing ten uitvoer te leggen. Ook garanties waarbij er sprake is van voorwaarden waaronder de garantiegever niet kan worden verplicht zijn verbintenis na te komen (voorwaardelijke garanties), mogen in aanmerking worden genomen, mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. De kredietinstelling toont aan dat in de onderbrengingscriteria voldoende rekening is gehouden met elke potentiële vermindering van het risicoverminderende effect.

Aanpassingscriteria

100. Een kredietinstelling hanteert duidelijk gespecificeerde criteria voor de aanpassing van klassen, groepen of LGD-ramingen en, in het geval van vorderingen op particulieren en kleine partijen en toelaatbare gekochte kortlopende vorderingen, voor de aanpassing van de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen teneinde recht te doen aan de gevolgen van garanties voor de berekening van risicogewogen activa. Deze criteria voldoen aan de minimumvereisten van de punten 18 tot en met 30.

101. De criteria zijn aannemelijk en intuïtief. Zij hebben betrekking op het vermogen en de bereidheid van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen, het vermoedelijke tijdschema van eventuele betalingen van de garantiegever, de mate waarin het vermogen van de garantiegever om zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie na te komen samenhangt met het vermogen van de debiteur om terug te betalen, en de mate waarin er enig restrisico ten aanzien van de debiteur blijft bestaan.

Kredietderivaten

102. De in dit deel neergelegde minimumvereisten voor garanties gelden ook voor single-name kredietderivaten. Ingeval er sprake is van een verschil tussen de onderliggende verplichting en de referentieverplichting van het kredietderivaat of de verplichting waarnaar wordt gekeken om uit te maken of er zich een kredietgebeurtenis heeft voorgedaan, zijn de vereisten van bijlage VIII, deel 2, punt 20, van toepassing. In het geval van vorderingen op particulieren en kleine partijen en toelaatbare gekochte kortlopende vorderingen is dit punt van toepassing op de procedure voor de onderbrenging van vorderingen in klassen of groepen.

103. De criteria hebben betrekking op de uitbetalingsstructuur van het kredietderivaat en voorzien in een voorzichtige inschatting van de gevolgen daarvan voor de omvang en het tijdschema van de inning van ontvangsten op afgeboekte vorderingen. De kredietinstelling houdt rekening met de mate waarin er andere vormen van restrisico blijven bestaan.

2.2.5. Minimumvereisten voor gekochte kortlopende vorderingen

Rechtszekerheid

104. De structuur van de faciliteit waarborgt dat de kredietinstelling onder alle voorzienbare omstandigheden de effectieve eigendom van en beschikkingsmacht over alle overdrachten van contanten uit hoofde van de kortlopende vorderingen heeft. Wanneer de betalingen van de debiteur rechtstreeks aan een verkoper of beheerder geschieden, verifieert de kredietinstelling regelmatig of deze betalingen volledig en met inachtneming van de contractuele afspraken plaatsvinden. Onder beheerder wordt een instelling verstaan die het dagelijkse beheer verzorgt van een pool van gekochte kortlopende vorderingen of de onderliggende kredietvorderingen. Kredietinstellingen beschikken over procedures om te waarborgen dat de eigendom van de kortlopende vorderingen en kasontvangsten beschermd is tegen concordataire uitstellen of juridische verzetsprocedures die de leninggever lange tijd kunnen beletten om de kortlopende vorderingen te liquideren of over te dragen, dan wel om de beschikkingsmacht over de kasontvangsten te verkrijgen.

Doeltreffendheid van bewakingssystemen

105. De kredietinstelling bewaakt zowel de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen als de financiële positie van de verkoper en beheerder. Met name:

a)      beoordeelt de kredietinstelling de correlatie tussen de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen en de financiële positie van zowel de verkoper als de beheerder en beschikt zij over interne gedragslijnen en procedures die voldoende bescherming bieden tegen onvoorziene omstandigheden, waarbij onder meer ook een interne rating aan elke verkoper en beheerder wordt toegekend;

b)      bestaan er in de kredietinstelling duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om uit te maken of een verkoper of een beheerder toelaatbaar is. De kredietinstelling of haar lasthebber onderwerpen verkopers en beheerders aan periodieke evaluaties om de juistheid van hun verslagen na te gaan, fraude of operationele tekortkomingen op te sporen, en de kwaliteit van het kredietbeleid van de verkoper en van het inningsbeleid en de inningsprocedures van de beheerder te verifiëren. De bevindingen van deze evaluaties worden op schrift gesteld;

c)      beoordeelt de kredietinstelling de kenmerken van de pools van gekochte kortlopende vorderingen, met inbegrip van te veel betaalde voorschotten, de precedenten van de verkoper op het gebied van achterstallige betalingen, dubieuze vorderingen en voorzieningen voor dubieuze vorderingen, betalingsvoorwaarden en potentiële tegenrekeningen;

d)      bestaan er in de kredietinstelling effectieve gedragslijnen en procedures voor de bewaking op geaggregeerde basis van concentraties van vorderingen op eenzelfde debiteur, zowel binnen pools van gekochte kortlopende vorderingen als voor alle pools van gekochte kortlopende vorderingen samen;

e)      ziet de kredietinstelling erop toe dat zij van de beheerder tijdig voldoende gedetailleerde verslagen ontvangt over de saldo-analyse en de verwatering van kortlopende vorderingen om de inachtneming van haar toelatingscriteria en voorschotbeleid met betrekking tot gekochte kortlopende vorderingen te kunnen waarborgen, en voorziet zij tevens in een doeltreffend instrument voor de bewaking en bevestiging van de verkoopsvoorwaarden van de verkoper en de verwatering.

Doeltreffendheid van probleemoplossende systemen

106. De kredietinstelling beschikt over systemen en procedures om verslechteringen in de financiële positie van de verkoper en in de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen in een vroeg stadium te detecteren, alsook om zich aandienende problemen proactief aan te pakken. In de kredietinstelling bestaan met name duidelijke en effectieve gedragslijnen, procedures en informatiesystemen om inbreuken op overeenkomsten vast te stellen, en tevens duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures om juridische stappen te ondernemen en om te gaan met gekochte kortlopende vorderingen die problemen opleveren.

Doeltreffendheid van systemen voor de controle van zekerheden, de beschikbaarheid van krediet en contanten

107. De kredietinstelling volgt duidelijke en effectieve gedragslijnen en procedures voor de controle van gekochte kortlopende vorderingen, krediet en contanten. Met name worden in schriftelijk vastgelegde interne gedragslijnen alle wezenlijke onderdelen van het programma voor de aankoop van kortlopende vorderingen gespecificeerd, met inbegrip van voorschotpercentages, toelaatbare zekerheden, benodigde documentatie, concentratiegrenzen, en de wijze waarop kasontvangsten moeten worden behandeld. Daarbij wordt op passende wijze rekening gehouden met alle relevante en belangrijke factoren, met inbegrip van de financiële positie van de verkoper en de beheerder, risicoconcentraties en de tendens van de kwaliteit van de gekochte kortlopende vorderingen en het klantenbestand van de verkoper. Aan de hand van interne systemen wordt gewaarborgd dat de fondsen slechts tegen de gespecificeerde zekerheden en bewijsstukken worden verstrekt.

Inachtneming van de interne gedragslijnen en procedures van de kredietinstelling

108. De kredietinstelling beschikt over een effectieve interne procedure voor de toetsing van de inachtneming van alle interne gedragslijnen en procedures. De procedure omvat regelmatige audits van alle kritieke fases van het programma van de kredietinstelling voor de aankoop van kortlopende vorderingen, verificatie van de scheiding van taken enerzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de beoordeling van de debiteur en anderzijds tussen de beoordeling van de verkoper en beheerder en de audit ter plaatse van de verkoper en beheerder, alsook toetsing van de transactieverwerking, met bijzondere nadruk op de kwalificaties, de ervaring, het personeelsbestand en de ondersteunende automatiseringssystemen.

3. Validatie van interne ramingen

109. Kredietinstellingen beschikken over deugdelijke systemen om de juistheid en consistentie van ratingsystemen, processen en de raming van alle relevante risicoparameters te valideren. De kredietinstelling toont ten behoeve van haar bevoegde autoriteit naar behoren aan dat het interne validatieproces haar in staat stelt de werking van de interne rating- en risico-inschattingsystemen op consequente en zinvolle wijze te beoordelen.

110. Kredietinstellingen vergelijken regelmatig de gerealiseerde wanbetalingsgraden met de PD-ramingen voor elke klasse. Wanneer de gerealiseerde wanbetalingsgraden buiten het voor de desbetreffende klasse verwachte bereik vallen, onderzoeken kredietinstellingen specifiek wat de redenen zijn voor de afwijking. Kredietinstellingen die van eigen ramingen van LGD’s of omrekeningsfactoren gebruik maken, voeren ook voor deze ramingen een soortgelijk onderzoek uit. Bij die vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De kredietinstelling documenteert de bij deze vergelijkingen gehanteerde methoden en gegevens. Dit onderzoek en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd.

111. Kredietinstellingen maken tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij het onderzoek wordt uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden geactualiseerd, en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van de werking van hun ratingsystemen gaan de kredietinstellingen uit van een zo lang mogelijke periode.

112. De voor de kwantitatieve validatie gehanteerde methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens (zowel gegevensbronnen als bestreken periodes) worden gedocumenteerd.

113. Kredietinstellingen hebben deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin gerealiseerde PD’s, LGD’s, omrekeningsfactoren en totale verliezen waarbij van EL gebruik wordt gemaakt, in voldoende significante mate van de verwachtingen afwijken om twijfel te doen ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen. In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische variabiliteit van de wanbetalingservaring. Wanneer de gerealiseerde waarden de verwachte waarden blijven overtreffen, stellen de kredietinstellingen hun ramingen opwaarts bij om met hun wanbetalings- en verlieservaring rekening te houden.

4. Berekening van de risicogewogen posten met betrekking tot posities in aandelen volgens de interne-modellenbenadering 4.1. Kapitaalvereiste en risicokwantificering

114. Bij de berekening van de kapitaalvereisten voldoen de kredietinstellingen aan de volgende normen:

a)      de raming van het potentiële verlies is bestand tegen ongunstige marktontwikkelingen die relevant zijn voor het risicoprofiel op lange termijn van het specifieke aandelenbezit van de kredietinstelling. De gegevens die zijn gebruikt om de rendementsspreiding weer te geven, hebben betrekking op de langste steekproefperiode waarvoor gegevens beschikbaar zijn die representatief zijn voor het risicoprofiel van de specifieke posities in aandelen van de kredietinstelling. De gehanteerde gegevens zijn van dien aard dat zij voorzichtige, statistisch betrouwbare en deugdelijke verliesramingen opleveren die niet op louter subjectieve overwegingen gebaseerd zijn. Kredietinstellingen tonen ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan dat de gesimuleerde schok een voorzichtige raming van de potentiële verliezen over een relevante markt- of conjunctuurcyclus op lange termijn oplevert. De kredietinstelling combineert empirische analyse van beschikbare gegevens met op diverse factoren gebaseerde aanpassingen om voldoende realistische en voorzichtige modeloutputs te verkrijgen. Bij de constructie van VaR-modellen (VaR: Value at Risk – risicowaarde) voor de raming van potentiële driemaandelijkse verliezen kunnen kredietinstellingen gebruik maken van kwartaalgegevens of van gegevens met een kortere tijdshorizon die in kwartaalgegevens worden omgezet met behulp van een analytisch adequate methode die berust op empirische gegevens en op een goed doordachte en gedocumenteerde redenering en analyse. Bij een dergelijke benadering wordt voorzichtig en consistent in de tijd te werk gegaan. Wanneer slechts beperkte relevante gegevens beschikbaar zijn, past de kredietinstelling adequate voorzichtigheidsmarges toe;

b)      in de gehanteerde modellen wordt op adequate wijze rekening gehouden met alle risico’s van betekenis waaraan het aandelenrendement onderhevig is, met inbegrip van zowel het algemene marktrisico als het specifieke risico van de aandelenportefeuille van de kredietinstelling. De interne modellen geven een adequate verklaring van de historische koersvariatie, geven zowel de omvang als de wijzigingen in de samenstelling van de potentiële concentraties weer en zijn bestand tegen ongunstige marktomstandigheden. De populatie van de risicoposities die vertegenwoordigd zijn in de voor de raming gehanteerde gegevens, sluit nauw aan bij of is ten minste vergelijkbaar met die van de posities in aandelen van de kredietinstelling;

c)      het interne model sluit aan bij het risicoprofiel en de complexiteit van de aandelenportefeuille van de kredietinstelling. Wanneer een kredietinstelling deelnemingen van betekenis bezit met waarden die van zeer non-lineaire aard zijn, worden de interne modellen zodanig opgesteld dat zij de aan dergelijke instrumenten verbonden risico’s op adequate wijze weergeven;

d)      de koppeling van afzonderlijke posities aan indicatoren, marktindexen en risicofactoren is aannemelijk, intuïtief en conceptueel gezond;

e)      kredietinstellingen tonen door middel van empirische analyses aan dat de risicofactoren adequaat zijn en onder meer zowel het algemene als het specifieke risico dekken;

f)       in de ramingen van de volatiliteit van het rendement van posities in aandelen wordt rekening gehouden met alle relevante en beschikbare gegevens, inlichtingen en methoden. Er wordt gebruik gemaakt van aan een onafhankelijk onderzoek onderworpen interne gegevens of van gegevens uit externe bronnen (met inbegrip van datapools);

g)      er is voorzien in een strikt en uitgebreid programma van stresstests.

4.2. Risicobeheerproces en controlemaatregelen

115. Wat de ontwikkeling en het gebruik van interne modellen voor de bepaling van het kapitaalvereiste betreft, stellen de kredietinstellingen gedraglijnen, procedures en controlemaatregelen vast om de integriteit van het model en het modelleringsproces te waarborgen. Deze gedragslijnen, procedures en controlemaatregelen omvatten onder meer de volgende elementen:

a)      volledige integratie van het interne model in de algemene managementinformatiesystemen van de kredietinstelling en in het beheer van de aandelenportefeuille van het bankboek. De interne modellen zijn volledig geïntegreerd in de risicomanagementinfrastructuur indien zij met name worden gebruikt voor: de meting en beoordeling van het rendement van de aandelenportefeuille (met inbegrip van het voor risico’s gecorrigeerde rendement); de allocatie van economisch kapitaal aan posities in aandelen en de evaluatie van de totale kapitaaltoereikendheid en het beleggingsbeheer;

b)      beproefde managementsystemen, procedures en controlefuncties die een periodieke en onafhankelijke analyse van alle onderdelen van het interne modelleringsproces waarborgen, met inbegrip van de goedkeuring van modelherzieningen, de validatie van modelinputs en de evaluatie van modelresultaten, zoals directe verificatie van risicoberekeningen. In het kader van deze analyses worden de juistheid, volledigheid en adequaatheid van modelinputs en -resultaten beoordeeld en gaat de aandacht vooral uit naar, enerzijds, het detecteren en beperken van mogelijke fouten die uit bekende gebreken voortvloeien, en, anderzijds, het opsporen van onbekende gebreken van het model. Deze analyses kunnen worden verricht door een onafhankelijke eenheid of door een onafhankelijke derde;

c)      adequate systemen en procedures voor de bewaking van de beleggingsgrenzen en de risico’s verbonden aan posities in aandelen;

d)      de voor het ontwerp en de toepassing van het model verantwoordelijke eenheden zijn functioneel onafhankelijk van de voor het beheer van de afzonderlijke beleggingen verantwoordelijke eenheden;

e)      de voor enigerlei aspect van het modelleringsproces verantwoordelijke partijen beschikken over adequate kwalificaties. Het bestuur wijst voldoende gekwalificeerd en competent personeel aan voor de modelleringsfunctie.

4.3. Validatie en documentatie

116. Kredietinstellingen beschikken over een deugdelijk systeem om de juistheid en consistentie van hun interne modellen en modelleringsprocessen te valideren. Alle wezenlijke onderdelen van de interne modellen, het modelleringsproces en de validatie zijn gedocumenteerd.

117. Kredietinstellingen maken gebruik van het interne validatieproces om de werking van hun interne modellen en processen op een consequente en zinvolle wijze te beoordelen.

118. De voor de kwantitatieve validatie gehanteerde methoden en gegevens zijn consistent in de tijd. Wijzigingen in de raming- en validatiemethoden en in de gegevens (zowel gegevensbronnen als bestreken periodes) worden gedocumenteerd.

119. Kredietinstellingen vergelijken de feitelijke rendementen op aandelen (berekend aan de hand van gerealiseerde en niet-gerealiseerde winsten en verliezen) regelmatig met de modelramingen. Bij die vergelijkingen wordt gebruik gemaakt van historische gegevens die een zo lang mogelijke periode bestrijken. De kredietinstelling documenteert de bij deze vergelijkingen gehanteerde methoden en gegevens. Dit onderzoek en deze documentatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd.

120. Kredietinstellingen maken tevens gebruik van andere kwantitatieve validatie-instrumenten en van vergelijkingen met relevante externe gegevensbronnen. Bij het onderzoek wordt uitgegaan van gegevens die passend zijn voor de portefeuille, regelmatig worden geactualiseerd, en betrekking hebben op een relevante waarnemingsperiode. Bij de interne beoordelingen van hun ratingsystemen gaan de kredietinstellingen uit van een zo lang mogelijke periode.

121. Kredietinstellingen hebben deugdelijke interne normen vastgesteld voor de gevallen waarin de vergelijking van de feitelijke rendementen op aandelen met de modelramingen twijfel doet ontstaan omtrent de juistheid van de ramingen of van de modellen. In deze normen wordt rekening gehouden met conjunctuurcycli en met een soortgelijke systematische variabiliteit van de rendementen op aandelen. Alle aanpassingen die naar aanleiding van de onderzoeken aan de interne modellen worden aangebracht, worden gedocumenteerd en zijn in overeenstemming met de normen voor de evaluatie van modellen.

122. Het interne model en het modelleringproces worden schriftelijk vastgelegd, met inbegrip van de verantwoordelijkheden van de bij de modellering betrokken partijen, de goedkeuring van het model en de procedures voor de evaluatie van het model.

5. Corporate Governance en toezicht 5.1. Corporate Governance

123. Alle wezenlijke aspecten van het rating- en het ramingsproces worden goedgekeurd door de raad van bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan en de hoogste directie van de kredietinstelling. Deze partijen hebben een algemeen inzicht in de ratingsystemen van de kredietinstellingen en een diepgaand begrip van de daarmee samenhangende managementverslagen.

124. De hoogste directie stelt de raad van bestuur of een speciaal aangewezen comité daarvan in kennis van wezenlijke wijzigingen in of uitzonderingen op algemeen gebruikelijke gedragslijnen welke een invloed van betekenis hebben op de werking van de ratingsystemen van de kredietinstelling.

125. De hoogste directie heeft een goed inzicht in de opzet en de werking van de ratingsystemen. Zij ziet er continu op toe dat de ratingsystemen naar behoren functioneren. De hoogste directie wordt regelmatig door de voor de kredietrisicobeheersing verantwoordelijke eenheden op de hoogte gebracht van de werking van het ratingproces, de terreinen waarop verbeteringen noodzakelijk zijn, en de vorderingen die zijn gemaakt bij het verhelpen van eerder geconstateerde gebreken.

126. De op interne ratings gebaseerde analyse van het kredietrisicoprofiel van de kredietinstelling vormt een essentieel onderdeel van de managementverslaggeving aan deze partijen. Bij de verslaggeving wordt ten minste melding gemaakt van het risicoprofiel per klasse, de migratie van de ene klasse naar de andere, de raming van de relevante parameters per klasse en een vergelijking tussen gerealiseerde wanbetalingsgraden en eigen ramingen van LGD’s en omrekeningsfactoren enerzijds en de verwachtingen en de resultaten van stresstests anderzijds. De frequentie van de verslaggeving hangt af van de betekenis van de informatie, het type informatie en het niveau van de ontvanger.

5.2. Kredietrisicobeheersing

127. De met de kredietrisicobeheersing belaste eenheid is onafhankelijk van de personeels- en managementfunctie verantwoordelijk voor de initiatie of vernieuwing van vorderingen en brengt rechtstreeks verslag uit aan de hoogste directie. De eenheid is verantwoordelijk voor de opzet of selectie, tenuitvoerlegging, controle en werking van de ratingsystemen. Zij produceert en analyseert regelmatig verslagen over de output van de ratingsystemen.

128. De met de kredietrisicobeheersing belaste eenheid (eenheden) heeft (hebben) onder meer de volgende taken:

a)      testen en bewaken van klassen en groepen;

b)      produceren en analyseren van beknopte verslagen over de ratingsystemen van de kredietinstelling;

c)      ten uitvoer leggen van procedures om te verifiëren of de definities van klasse en groep in alle afdelingen en geografische gebieden consequent worden toegepast;

d)      evalueren en documenteren van alle wijzigingen in het ratingproces, met opgave van de redenen voor de wijzigingen;

e)      evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen. Wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters worden gedocumenteerd en bijgehouden;

f)       actief deelnemen aan de opzet of selectie, tenuitvoerlegging en validatie van de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt;

g)      toezicht houden op de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt;

h)      doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt.

129. In afwijking van punt 128 mogen kredietinstellingen die in overeenstemming met de punten 57 en 58 gebruik maken van gegevens uit datapools, de volgende taken uitbesteden:

a)      produceren van informatie die relevant is voor het testen en bewaken van klassen en groepen;

b)      produceren van beknopte verslagen over de ratingsystemen van de kredietinstelling;

c)      produceren van informatie die relevant is voor het evalueren van de ratingcriteria om na te gaan of zij het risico blijven voorspellen;

d)      documenteren van alle wijzigingen in het ratingproces, de criteria of de afzonderlijke ratingparameters;

e)      produceren van informatie die relevant is voor het doorlopend onderzoeken en aanpassen van de modellen die in het kader van het ratingproces worden gebruikt.

Kredietinstellingen die van de in dit punt geboden mogelijkheid gebruik maken, dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot alle relevante informatie van de derde welke nodig is om na te gaan of aan de minimumvereisten is voldaan en dat de bevoegde autoriteiten in staat zijn inspecties ter plaatse te verrichten die evenwaardig zijn aan die bij de kredietinstelling.

5.3. Interne audit

130. De eenheid Interne audit controleert ten minste elk jaar de door de kredietinstelling toegepaste ratingsystemen en de in het kader daarvan verrichte activiteiten, met inbegrip van de activiteiten van de kredietfunctie en de raming van de PD’s, LGD’s, EL’s en omrekeningsfactoren. Bij de controle wordt onder meer gelet op de inachtneming van alle toepasselijke minimumvereisten.

BIJLAGE VIII – Kredietrisicovermindering Deel 1- Toelaatbaarheid

1. In dit deel wordt aangegeven wat de toelaatbare vormen van kredietrisicovermindering zijn voor de toepassing van artikel 92.

2. In de zin van deze bijlage wordt verstaan onder:

“Gedekte leningstransactie”: een transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst die geen bepaling bevat waarbij aan de kredietinstelling het recht wordt verleend frequent margebetalingen te ontvangen.

“Kapitaalmarktgerelateerde transactie”: een transactie die aanleiding geeft tot het ontstaan van een vordering die is gedekt door middel van een zekerheidsovereenkomst die een bepaling bevat waarbij aan de kredietinstelling het recht wordt verleend frequent margebetalingen te ontvangen.

1. Volgestorte kredietprotectie 1.1. Verrekening van balansposten

3. De verrekening op de balans van wederzijdse vorderingen tussen de kredietinstelling en haar tegenpartij kan als toelaatbaar worden aangemerkt.

4. Onverminderd het bepaalde in punt 5 is de toelaatbaarheid beperkt tot wederzijdse kassaldi tussen de kredietinstelling en de tegenpartij. Alleen de risicogewogen posten en de eventuele verwachte verliesposten uit hoofde van leningen en deposito’s van de leningverstrekkende kredietinstelling mogen worden gewijzigd als gevolg van een verrekeningsovereenkomst.

1.2. Kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties

5. Bij kredietinstellingen die de in deel 3 van deze bijlage beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden toepassen, kan het effect van bilaterale verrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessieovereenkomsten, verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties met een tegenpartij in aanmerking worden genomen. Onverminderd bijlage II bij Richtlijn [93/6/EEG] voldoen de in het kader van dergelijke overeenkomsten geaccepteerde zekerheden en geleende effecten of grondstoffen aan de in de punten 7 tot en met 11 vastgelegde toelaatbaarheidsvereisten voor zekerheden.

1.3. Zekerheden

6. Wanneer de toegepaste techniek voor de vermindering van het kredietrisico berust op het recht van de kredietinstelling om activa te liquideren of te behouden, is de toelaatbaarheid afhankelijk van het feit of de risicogewogen posten en de eventuele verwachte verliesposten zijn berekend conform de artikelen 78 tot en met 83, dan wel conform de artikelen 84 tot en met 89. De toelaatbaarheid is tevens afhankelijk van het feit welke van beide in deel 3 beschreven benaderingen worden toegepast: de eenvoudige benadering van financiële zekerheden, dan wel de uitgebreide benadering van financiële zekerheden. Wat de retrocessieovereenkomsten en verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen betreft, is de toelaatbaarheid ook afhankelijk van het feit of de transactie in de niet-handelsportefeuille dan wel in de handelsportefeuille is opgenomen.

1.3.1. Bij alle benaderingen en methoden toelaatbare zekerheden

7. De volgende financiële instrumenten kunnen bij alle benaderingen en methoden als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt:

a)      contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door de leningverstrekkende kredietinstelling;

b)      schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben van een voor de toepassing van de artikelen 78 tot en met 83 erkende EKBI of exportkredietverzekeringsmaatschappij welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 4 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan vorderingen op centrale overheden en centrale banken;

c)      schuldtitels uitgegeven door instellingen waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan vorderingen op kredietinstellingen;

d)      schuldtitels uitgegeven door andere entiteiten waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan vorderingen op ondernemingen;

e)      schuldtitels met een kredietbeoordeling voor de korte termijn van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan kortlopende vorderingen;

f)       aandelen of converteerbare obligaties die in een hoofdindex zijn opgenomen;

g)      goud.

Voor de toepassing van punt b) wordt ervan uitgegaan dat “schuldtitels uitgegeven door centrale overheden of centrale banken” de volgende soorten schuldtitels omvatten:

i)       schuldtitels uitgegeven door regionale of lagere overheden indien de vorderingen op deze overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn;

ii)      schuldtitels uitgegeven door multilaterale ontwikkelingsbanken waarop overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegepast;

iii)     schuldtitels uitgegeven door internationale organisaties waarop overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegepast;

Voor de toepassing van punt c) omvatten “schuldtitels uitgegeven door instellingen” de volgende soorten schuldtitels:

i)       schuldtitels uitgegeven door regionale of lagere overheden indien de vorderingen op deze overheden overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 niet worden behandeld als vorderingen op de centrale overheid in wier rechtsgebied deze gevestigd zijn;

ii)      schuldtitels uitgegeven door publiekrechtelijke lichamen indien de vorderingen op deze lichamen overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 worden behandeld als vorderingen op kredietinstellingen;

iii)     schuldtitels uitgegeven door andere multilaterale ontwikkelingsbanken dan die waarop overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegepast.

8. Schuldtitels uitgegeven door instellingen waarvan de effecten geen kredietbeoordeling hebben van een erkende EKBI, kunnen als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt indien zij aan de volgende criteria voldoen:

a)      zij zijn aan een erkende beurs genoteerd;

b)      het betreft niet-achtergestelde schuld;

c)      alle andere uitgiften van de uitgevende instelling welke van dezelfde rangorde zijn en een rating van een erkende EKBI hebben, hebben een kredietbeoordeling van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan vorderingen op instellingen of kortlopende vorderingen.

d)      de leningverstrekkende kredietinstelling beschikt niet over informatie waaruit blijkt dat de uitgifte een lagere kredietbeoordeling zou verdienen dan die welke onder c) is aangegeven;

e)      de kredietinstelling kan ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aantonen dat de marktliquiditeit van het instrument toereikend is voor deze doeleinden.

9. Rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging kunnen als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de rechten van deelneming hebben een dagelijkse publieke koersnotering;

b)      de instelling voor collectieve belegging mag alleen beleggen in instrumenten die overeenkomstig de punten 7 en 8 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt.

Het gebruik (of potentiële gebruik) door een instelling voor collectieve belegging van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de toelaatbaarheid van de rechten van deelneming in deze instelling onverlet.

10. In verband met punt 7, onder b) tot en met e), zij opgemerkt dat indien voor een effect twee kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s beschikbaar zijn, de minst gunstige kredietbeoordeling van toepassing is. Indien voor een effect meer dan twee kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s beschikbaar zijn, zijn de twee gunstigste kredietbeoordelingen van toepassing. Indien de twee gunstigste kredietbeoordelingen verschillend zijn, is de minst gunstige van beide van toepassing.

1.3.2. Bij de uitgebreide benadering van financiële zekerheden toelaatbare zekerheden

11. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van de in deel 3 beschreven uitgebreide benadering van financiële zekerheden kunnen benevens de in de punten 7 tot en met 10 genoemde zekerheden ook de volgende financiële instrumenten als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt:

a)      aandelen of converteerbare obligaties die niet in een hoofdindex zijn opgenomen maar op een erkende beurs worden verhandeld;

b)      rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)       de rechten van deelneming hebben een dagelijkse publieke koersnotering; en

ii)      de instelling voor collectieve belegging mag alleen beleggen in instrumenten die overeenkomstig de punten 7 en 8 als toelaatbaar kunnen worden aangemerkt, en in de onder a) bedoelde instrumenten.

Het gebruik (of potentiële gebruik) door een instelling voor collectieve belegging van derivaten om toegestane beleggingen af te dekken, laat de toelaatbaarheid van de rechten van deelneming in deze instelling onverlet.

1.3.3. Voor de berekeningen overeenkomstig de artikelen 84 tot en met 89 toelaatbare zekerheden

12. Indien een kredietinstelling risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekent conform de in de artikelen 84 tot en met 89 beschreven benadering, mogen de bovengenoemde zekerheden als toelaatbaar worden aangemerkt en zijn tevens de punten 13 tot en met 22 van toepassing.

a)       Zekerheden in de vorm van onroerend goed

13. Niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar en zakelijk onroerend goed (dat wil zeggen kantoorgebouwen en andere bedrijfsruimten) kunnen als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de waarde van het onroerend goed hangt niet in wezenlijke mate af van de kredietkwaliteit van de debiteur. Dit vereiste sluit geen situaties uit waarin louter macro-economische factoren een negatief effect hebben op zowel de waarde van het onroerend goed als het betalingsgedrag van de leningnemer;

b)      het risico van de leningnemer hangt niet in wezenlijke mate af van het rendement van het onderliggend onroerend goed of project, maar veeleer van de onderliggende capaciteit van de leningnemer om de schuld uit andere bronnen terug te betalen. De terugbetaling van de faciliteit als zodanig hangt niet in wezenlijke mate af van enigerlei kasstroom die wordt gegenereerd door het onderliggend onroerend goed dat als zekerheid fungeert.

14. Ook aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving ten aanzien van niet-zakelijk onroerend goed dat wordt of zal worden bewoond of verhuurd door de eigenaar, kunnen door kredietinstellingen als toelaatbare zekerheden in de vorm van niet-zakelijk onroerend goed worden aangemerkt, mits aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.

15. De bevoegde autoriteiten kunnen hun kredietinstellingen tevens toestaan aandelen in Finse ondernemingen voor de bouw van woningen, welke werkzaam zijn volgens de Finse wet op woningbouwverenigingen van 1991 of latere gelijkwaardige wetgeving als toelaatbare zekerheden in de vorm van zakelijk onroerend goed aan te merken, mits aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.

16. Voor vorderingen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van hun lidstaat bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten hun kredietinstellingen ontheffing verlenen van de in punt 13, onder b), gestelde voorwaarde, mits de bevoegde autoriteiten over het bewijs beschikken dat er sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor niet-zakelijk onroerend goed met verliescijfers die voldoende laag zijn om een dergelijke maatregel te wettigen. Dit belet nationale bevoegde autoriteiten die deze ontheffing niet verlenen, niet om niet-zakelijk onroerend goed dat op grond van deze ontheffing in een andere lidstaat als toelaatbare zekerheid wordt aangemerkt, ook in hun lidstaat als toelaatbare zekerheid aan te merken. De lidstaten maken publiekelijk bekend of zij van deze ontheffingsmogelijkheid gebruik maken.

17. Voor zakelijk onroerend goed dat zich op het grondgebied van hun lidstaat bevindt, kunnen de bevoegde autoriteiten hun kredietinstellingen ontheffing verlenen van de in punt 13, onder b), gestelde voorwaarde, mits de bevoegde autoriteiten over het bewijs beschikken dat er sprake is van een goed ontwikkelde en reeds geruime tijd bestaande markt voor zakelijk onroerend goed en dat de verliescijfers die uit door zakelijk onroerend goed gedekte leningen voortvloeien, aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)      ten hoogste 50% van de marktwaarde (of, in voorkomend geval en indien dit bedrag lager uitvalt, 60 % van de hypotheekwaarde) mag niet meer zijn dan 0,3% van de in een gegeven jaar uitstaande leningen die door zakelijk onroerend goed zijn gedekt;

b)      de totale verliezen die uit door zakelijk onroerend goed gedekte leningen voortvloeien, mogen niet hoger liggen dan 0,5% van de in een gegeven jaar uitstaande leningen.

18. Indien in een gegeven jaar niet aan één van beide bovenstaande voorwaarden is voldaan, komt deze behandeling niet meer in aanmerking totdat in een volgend jaar wederom aan beide voorwaarden is voldaan.

19. De nationale bevoegde autoriteiten die de in punt 17 bedoelde ontheffing niet verlenen, kunnen zakelijk onroerend goed dat op grond van deze ontheffing in een andere lidstaat als toelaatbare zekerheid worden aangemerkt, ook in hun lidstaat als toelaatbare zekerheid aanmerken.

b)       Kortlopende vorderingen

20. Kortlopende vorderingen uit hoofde van handelstransacties of transacties met een oorspronkelijke looptijd van ten hoogste een jaar kunnen door de bevoegde autoriteiten als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt. Niet toelaatbaar zijn kortlopende vorderingen uit hoofde van securitisaties, subdeelnemingen of kredietderivaten, dan wel kortlopende vorderingen op verbonden partijen.

c)       Overige fysieke zekerheden

21. Fysieke vermogensbestanddelen van een ander type dan de in de punten 13 tot en met 19 bedoelde kunnen door de bevoegde autoriteiten als toelaatbare zekerheden worden aangemerkt, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)       er bestaan liquide markten waarop de zekerheden op een vlotte en economisch efficiënte wijze van de hand kunnen worden gedaan; en

ii)      er bestaan algemeen gangbare, publiek beschikbare marktprijzen voor de zekerheden. De kredietinstelling moet kunnen aantonen dat er geen aanwijzingen zijn dat de nettoprijzen die zij ontvangt wanneer de zekerheden worden uitgewonnen, significant van deze marktprijzen afwijken.

d)      Leasing

22. Behoudens het bepaalde in deel 3, punt 73, en mits aan de vereiste van deel 2, punt 11, is voldaan, worden vorderingen uit hoofde van transacties waarbij een kredietinstelling onroerend goed aan een derde least, op dezelfde wijze behandeld als leningen waarvoor geleasd onroerend goed van hetzelfde type als zekerheid fungeert.

1.4. Andere volgestorte kredietprotectie 1.4.1. Contanten gedeponeerd bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten aangehouden door een derde instelling

23. Contanten die gedeponeerd zijn bij of met contanten gelijk te stellen instrumenten die niet in het kader van een bewaringsovereenkomst aangehouden worden door een derde instelling en die in pand gegeven zijn aan de leningverstrekkende kredietinstelling, kunnen als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt.

1.4.2. Aan de leningverstrekkende kredietinstelling in pand gegeven levensverzekeringsovereenkomsten

24. Levensverzekeringsovereenkomsten die aan de leningverstrekkende kredietinstelling in pand zijn gegeven, kunnen als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt.

1.4.3. Op verzoek teruggekochte instrumenten van instellingen

25. Door een derde instelling uitgegeven instrumenten die op verzoek door deze instelling worden teruggekocht, kunnen als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt.

2. Niet-volgestorte kredietprotectie 2.1. Bij alle benaderingen toelaatbare protectiegevers

26. De volgende partijen kunnen als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie worden aangemerkt:

a)      centrale overheden en centrale banken;

b)      regionale en lagere overheden;

c)      multilaterale ontwikkelingsbanken;

d)      internationale organisaties indien aan de vorderingen op deze organisaties overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 een risicogewicht van 0% wordt toegekend;

e)      publiekrechtelijke lichamen indien de schuldvorderingen op deze lichamen overeenkomstig de artikelen 78 tot en met 83 door de bevoegde autoriteiten als schuldvorderingen op instellingen worden behandeld;

f)       instellingen;

g)      andere ondernemingen, met inbegrip van moeder-, dochter- en verbonden ondernemingen van de kredietinstelling, welke:

i)       een kredietbeoordeling hebben van een erkende EKBI welke door de bevoegde autoriteit is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan vorderingen op ondernemingen;

ii)      geen kredietbeoordeling van een erkende EKBI hebben en waaraan een interne rating is toegekend die overeenstemt met een kans op wanbetaling die gelijkwaardig is aan die welke overeenstemt met de kredietbeoordelingen van erkende EKBI’s welke door de bevoegde autoriteiten zijn ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 2 of hoger conform de in de artikelen 78 tot en met 83 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan vorderingen op ondernemingen, indien een kredietinstelling risicogewogen posten en verwachte verliesposten berekent conform de in de artikelen 84 tot en met 89 beschreven benadering.

27. Indien de risicogewogen posten en verwachte verliesposten conform de artikelen 84 tot en met 89 worden berekend, is een garantiegever alleen toelaatbaar wanneer de kredietinstelling hem overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII, deel 4, een interne rating heeft toegekend.

28. In afwijking van punt 26 kunnen de lidstaten ook andere financiële instellingen waaraan vergunning is verleend en waarop toezicht wordt uitgeoefend door de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de vergunningverlening aan en het toezicht op kredietinstellingen, en waaraan prudentiële eisen worden gesteld die gelijkwaardig zijn aan die welke voor kredietinstellingen gelden, als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie aanmerken.

3. Typen kredietderivaten

29. De volgende typen kredietderivaten en instrumenten die eventueel uit dergelijke kredietderivaten zijn samengesteld of die economisch effectief vergelijkbaar zijn, kunnen als toelaatbaar worden aangemerkt:

a)      credit default swaps;

b)      totale-opbrengstenswaps;

c)      credit-linked notes voorzover deze in contanten zijn gefinancierd.

30. Indien een kredietinstelling kredietprotectie koopt in de vorm van een totale-opbrengstenswap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het beschermde activum te boeken (door middel van reducties van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves), wordt de kredietprotectie niet in aanmerking genomen.

3.1. Interne afdekkingsinstrumenten

31. Indien een kredietinstelling gebruik maakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een kredietderivaat (en dus het kredietrisico van een vordering in de niet-handelsportefeuille afdekt met een in de handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat), dan wordt de protectie voor de toepassing van deze bijlage alleen in aanmerking genomen wanneer het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde of derden wordt overgedragen. In dergelijke omstandigheden en mits deze overdracht voldoet aan de in deze bijlage vastgestelde vereisten voor de inaanmerkingneming van kredietrisicovermindering, zijn de in de delen 3 tot en met 6 vervatte regels voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie van toepassing.

Deel 2 - Minimumvereisten

1. De kredietinstelling toont ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan dat zij over adequate risicomanagementprocessen beschikt ter beheersing van de risico’s waaraan zij blootgesteld kan zijn als gevolg van kredietrisicoverminderingspraktijken.

2. Ondanks het feit dat voor de berekening van risicogewogen posten en eventuele verwachte verliesposten met kredietrisicovermindering rekening wordt gehouden, blijven kredietinstellingen overgaan tot een volledige kredietrisicobeoordeling van de onderliggende vordering en zijn zij in staat ten behoeve van de bevoegde autoriteiten naar behoren aan te tonen dat aan dit vereiste is voldaan. Bij retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen wordt uitsluitend voor de toepassing van dit deel aangenomen dat de onderliggende vordering de nettopost is.

1. Volgestorte kredietprotectie 1.1. Overeenkomsten tot verrekening van balansposten (andere dan kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties)

3. Voor de toepassing van de artikelen 90 tot en met 93 worden overeenkomsten tot verrekening van balansposten (andere dan kaderverrekeningsovereenkomsten met betrekking tot retrocessieovereenkomsten en/of verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen en/of andere kapitaalmarktgerelateerde transacties) pas in aanmerking genomen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)      zij hebben een degelijke rechtsgrond e