EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019D1727

Besluit (EU) 2019/1727 van de Raad van 7 oktober 2019 betreffende het namens de Europese Unie op de tweede ministeriële bijeenkomst van de Overeenkomst van Bonn in te nemen standpunt over de ministeriële verklaring en het daaraan gehechte strategisch actieplan inzake de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019‐2025

ST/12188/2019/INIT

OJ L 263, 16.10.2019, p. 9–31 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2019/1727/oj

16.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/9


BESLUIT (EU) 2019/1727 VAN DE RAAD

van 7 oktober 2019

betreffende het namens de Europese Unie op de tweede ministeriële bijeenkomst van de Overeenkomst van Bonn in te nemen standpunt over de ministeriële verklaring en het daaraan gehechte strategisch actieplan inzake de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019‐2025

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 191 en 196, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst inzake samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (“de Overeenkomst van Bonn”) (1) is door de Europese Economische Gemeenschap gesloten bij Besluit 84/358/EEG van de Raad (2). De Overeenkomst van Bonn is op 1 september 1989 in werking getreden. De Overeenkomst van Bonn is in 1989 gewijzigd. Die wijzigingen zijn op 1 april 1994 in werking getreden. De Europese Economische Gemeenschap heeft die wijzigingen goedgekeurd bij Besluit 93/540/EEG van de Raad (3).

(2)

In 2019 wordt het 50‐jarige jubileum van de Overeenkomst van Bonn gevierd. Bij die gelegenheid zijn de overeenkomstsluitende partijen voornemens een ministeriële verklaring aan te nemen tijdens de tweede ministeriële bijeenkomst van de Overeenkomst van Bonn die op 11 oktober 2019 te Bonn zal worden gehouden in het bijzijn van intergouvernementele organisaties en waarnemers uit naburige regio's die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door olie en andere schadelijke stoffen (de “ministeriële verklaring”).

(3)

Gezien de vijftig jaar durende succesvolle samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Bonn en in het besef van de gemeenschappelijke voordelen van een nieuwe impuls aan de regionale samenwerking met het oog op preventie van, paraatheid bij en respons op door ongevallen veroorzaakte en illegale verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door maritieme activiteiten, wordt beoogd om in de ministeriële verklaring een gemeenschappelijke visie te formuleren van een Noordzee en haar toegangen in ruime zin die worden gevrijwaard van door ongelukken veroorzaakte, vermijdbare en opzettelijke verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten.

(4)

De ministeriële verklaring moet, als krachtige belofte om deze visie te verwezenlijken, blijk geven van de vernieuwde inspanningen van de partijen bij de Overeenkomst van Bonn om de overeengekomen doelstellingen te realiseren en voor een betere preventie, paraatheid en respons te zorgen met betrekking tot verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin. Daarom zijn de overeenkomstsluitende partijen van plan het aan de ministeriële verklaring te hechten strategisch actieplan inzake de Overeenkomst van Bonn 2019-2025 vast te stellen, met ambitieuze strategische doelstellingen, operationele doelen en uitvoeringsmaatregelen voor de periode 2019‐2025.

(5)

Het is belangrijk om het standpunt vast te stellen dat namens de Unie zal worden ingenomen op de tweede ministeriële bijeenkomst van de Overeenkomst van Bonn, omdat het besluit dat tijdens die conferentie zal worden vastgesteld, rechtsgevolgen zal hebben in de Unie.

(6)

Aangezien de Unie partij is bij de Overeenkomst van Bonn en belang heeft bij een betere samenwerking bij de bestrijding van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin, is het passend om de ministeriële verklaring, waarin het daaraan gehechte strategisch actieplan 2019-2025 wordt bekrachtigd, te ondertekenen en ermee in te stemmen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie op de tweede ministeriële bijeenkomst van de Overeenkomst van Bonn moet worden ingenomen, houdt in dat wordt ingestemd met de vaststelling van de ministeriële verklaring en het daaraan gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025, die beide aan dit besluit zijn gehecht.

Kleine wijzigingen in de ministeriële verklaring en het daaraan gehechte strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) 2019-2025 kunnen zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 7 oktober 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

A.-M. HENRIKSSON


(1)  PB L 188 van 16.7.1984, blz. 9.

(2)  Besluit 84/358/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (PB L 188 van 16.7.1984, blz. 7).

(3)  Besluit 93/540/EEG van de Raad van 18 oktober 1993 inzake de goedkeuring van bepaalde wijzigingen van de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (Overeenkomst van Bonn) (PB L 263 van 22.10.1993, blz. 51).


ONTWERP van ministeriële verklaring

Bonn (Duitsland), 11 oktober 2019

WIJ, DE MINISTERS EN HET LID VAN DE EUROPESE COMMISSIE, zijnde verantwoordelijk voor het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door olie en andere schadelijke stoffen, bijeengekomen te Bonn op 11 oktober 2019 ter gelegenheid van de tweede ministersconferentie van de Overeenkomst van Bonn in het bijzijn van intergouvernementele organisaties en waarnemers uit aangrenzende regio’s;

GEZIEN de vijftig jaar durende succesvolle samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Bonn en IN HET BESEF van de gemeenschappelijke baten van een verdere versterking van de regionale samenwerking met het oog op preventie van, paraatheid bij en respons op door ongevallen veroorzaakte en illegale verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin door maritieme activiteiten;

VERHEUGD over de toetreding van Spanje tot de Overeenkomst van Bonn en de aanpassing van de onder de verantwoordelijkheid van Frankrijk en Spanje vallende zones, als gevolg waarvan het zeegebied waarop de Overeenkomst van Bonn van toepassing is, voortaan ook de Golf van Biskaje zal omvatten;

ERNAAR STREVEND de bescherming van ons kust- en zeemilieu tegen mariene verontreiniging als gevolg van activiteiten in de Noordzee en haar toegangen in ruime zin en onze samenwerking op het gebied van preventie van, paraatheid bij en respons op verontreiniging te versterken;

REKENING HOUDEND met de rol van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) bij de regulering van de wereldwijde scheepvaart met het oog op bescherming van het zeemilieu en de menselijke gezondheid, met de ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie en met de toepasselijke EU-wetgeving (1) inzake mariene verontreiniging en incidenten op zee;

NIET AFLATEND in het streven de nationale inspanningen op (sub)regionaal niveau ten bate van allen en rekening houdend met de rapportageverplichtingen van de Overeenkomstsluitende Partijen te coördineren;

GEBRUIKMAKEND van algemeen aanvaarde informatiesystemen die binnen bevoegde internationale organisaties zijn aangewezen als standaardsystemen;

WIJZEND op het feit dat het zeevervoer en andere maritieme activiteiten, zoals offshore olie- en gaswinning nog steeds toenemen en dat er, ondanks een daling van het aantal vastgestelde olielekkages in de afgelopen jaren, altijd risico’s blijven bestaan;

Hebben de volgende gezamenlijke verklaring AANGENOMEN:

1.

Wij hebben een visie van een Noordzee en haar toegangen in ruime zin die vrij zijn van door ongelukken veroorzaakte, vermijdbare en opzettelijke verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten.

2.

Wij zijn verheugd over de IMO-regelgeving die tot een vermindering van de verontreiniging van de zee heeft geleid. Toch blijft de door ongelukken veroorzaakte en illegale verontreiniging met andere stoffen dan olie ondanks het brede scala aan maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen, een ernstige bedreiging vormen voor de Noordzee en haar toegangen in ruime zin.

3.

Wij zijn ons terdege bewust van de economische en maatschappelijke waarde van ons zee- en kustmilieu en erkennen dat de kosten van passende middelen voor preventie, paraatheid en respons inzake mariene verontreiniging laag zijn in vergelijking met de kosten die gemoeid zijn met het verhelpen van ernstige verontreinigingsincidenten.

4.

Wij benadrukken het belang van doeltreffende preventie, paraatheid en respons inzake zeerampen. Wij bevestigen opnieuw ons te zullen beijveren voor actieve samenwerking in het kader van de Overeenkomst van Bonn op het gebied van planning, opleiding en operationeel testen van rampenbestrijdingssystemen, met inbegrip van gemeenschappelijke operationele rampenbestrijdingsoefeningen. Wij erkennen het belang van de algemene Europese samenwerking via het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (ERCC) en in overleg met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA).

5.

Wij zijn ingenomen met het beproefde systeem voor toezicht vanuit de lucht en per satelliet op de scheepvaart, de offshore gas- en oliewinning en andere maritieme activiteiten in de Noordzee en haar toegangen in ruime zin, dat een belangrijk hulpmiddel vormt voor het opsporen van mogelijke verontreiniging, het ontmoedigen van illegale lozingen op zee en het nakomen van onze verplichtingen uit hoofde van het Marpol-verdrag.

6.

Wij juichen toe dat op nationaal en regionaal niveau gebruik wordt gemaakt van op afstand bestuurde luchtvaartuigsystemen (RPAS), die ingang hebben gevonden als nieuwe systemen voor maritieme surveillance, toezicht op luchtverontreinigende emissies door de zeescheepvaart en bestrijding van verontreiniging, en moedigen de partijen aan kennis over en ervaring met hun nationale RPAS-systemen en de inzet ervan bij handhavingspraktijken uit te wisselen.

7.

Wij bevestigen opnieuw dat wij ons ertoe verbinden de nationale vliegprogramma’s en de gemeenschappelijke operaties zoals de gecoördineerde uitgebreide surveillance-operaties ter bestrijding van verontreiniging (CEPCO’s) voort te zetten en zijn ingenomen met de door EMSA via CleanSeaNet aangeboden satellietbeeldvormingsdienst, die bijdraagt tot grotere paraatheid en een betere preventie van verontreiniging.

8.

Wij zijn verheugd over de ontwikkeling en voortdurende bijwerking van de handboeken en codes van de Overeenkomst van Bonn, met inbegrip van het handboek voor de bestrijding van verontreiniging en de olieschakeringscode, die unieke bronnen van informatie vormen over de preventie van, paraatheid bij en respons op verontreiniging en die wereldwijd zijn erkend in de context van het Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (OPRC) en het daaraan gehechte Protocol inzake schadelijke en potentieel gevaarlijke stoffen (HNS).

9.

Wij bevestigen opnieuw dat wij ons ertoe verbinden de in het kader van de Overeenkomst van Bonn opgestelde gemeenschappelijke plannen voor respons op maritieme incidenten (dat wil zeggen het DenGerNeth-plan, het Mancheplan, het Norbrit-plan en het vierpartijen-zoneplan) te handhaven en te actualiseren, aangezien zij belangrijke instrumenten vormen die het mogelijk maken om onmiddellijk nadat zich een incident heeft voorgedaan grensoverschrijdende responsactiviteiten op te starten, ongeacht welk land verantwoordelijk is voor de zone waarin de olielekkage is ontstaan.

10.

Gezien de wisselende risico’s die uitgaan van het toenemende vervoer van schadelijke en potentieel gevaarlijke stoffen over zee, grotere schepen, autonome schepen, nieuwe brandstoffen, de aanhoudend hoge verkeersdichtheid, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten, stellen wij het belang vast van de instandhouding van een evenwichtige verdeling van middelen om een doeltreffende preventie van en respons op verontreiniging in de Noordzee en haar toegangen in ruime zin te waarborgen. Wij zijn het erover eens dat de verdere ontwikkeling van responscapaciteiten in het onder de Overeenkomst van Bonn vallende gebied dient te zijn gebaseerd op nationale en gemeenschappelijke risicobeoordelingen.

11.

Wij bevestigen opnieuw dat wij ons gezamenlijk sterk blijven maken voor de preventie van mariene verontreiniging die de luchtkwaliteit aantast door samen te werken bij en collectief bij te dragen tot de uitvoering en handhaving van de internationale regels en normen inzake verontreiniging van de zee, ook door gelijke voorwaarden te creëren voor marktdeelnemers. Wij wijzen nogmaals op de succesvolle uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/802 (2), die in voorschriften inzake lage zwavelgrenswaarden in gebieden voor SOx-emissiebeheersing voorziet (een maximaal zwavelgehalte van 0,10 % met ingang van 1 januari 2015), en herinneren tevens aan de recente in het kader van IMO aangegane verbintenis inzake een consequente toepassing van de wereldwijd geldende limiet voor het zwavelgehalte (0,50 % vanaf 2020) die is vastgesteld in bijlage VI bij het Marpol-Verdrag. De gecoördineerde en robuuste handhavingsregeling met betrekking tot deze voorschriften, die ook toepassing vindt in het gebied voor SOx-emissiebeheersing op de Noordzee, heeft samen met een grote mate van naleving door schepen in de EU geresulteerd in een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging door zwaveldioxide in kustregio’s en -steden. Wij zijn ingenomen met de ontwikkeling van onze gezamenlijke verbintenis om collectief bij te dragen tot de controle ten behoeve van de handhaving van bijlage VI bij het Marpol-verdrag en met het feit dat de Noordzee met ingang van 2021 is aangewezen als gebied voor NOx(stikstofoxide)-emissiebeheersing (NECA). De Overeenkomstsluitende Partijen behouden het recht om zelf te bepalen met welke middelen zij deelnemen aan de bewakingsmaatregelen.

12.

Wij erkennen dat bepalingen zoals die betreffende de aanwijzing van de Noordzee als bijzonder gebied in de zin van bijlagen I en V bij het Marpol-verdrag, geen effect zullen sorteren indien zij niet naar behoren worden gehandhaafd. In dit verband zijn wij ingenomen met de succesvolle werkzaamheden van het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren ter bevordering van de handhaving van de voorschriften en normen ter bestrijding van verontreiniging en spreken ons uit voor de voortzetting van de samenwerking met het netwerk op het gebied van de handhaving van alle relevante bijlagen bij het Marpol-verdrag.

13.

Wij bevestigen opnieuw ons te zullen inzetten voor de behoorlijke uitvoering en handhaving van Richtlijn 2005/35/EG 3 inzake verontreiniging vanaf schepen (zoals gewijzigd), in het bijzonder wat betreft samenwerking op het gebied van toezicht en handhaving, de naleving van rapportageverplichtingen en de invoering van doeltreffende sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten.

14.

Wij verwelkomen de vaststelling van de herziene richtlijn inzake ontvangstinrichtingen in een haven 3 door de Raad en het Europees Parlement en verbinden ons ertoe informatie uit te wisselen en samen te werken om illegale afvallozingen op zee te voorkomen.

15.

Wij zijn verheugd over de goedkeuring van de nieuwe bijdrage van IMO over de “evaluatie en harmonisatie van voorschriften en richtsnoeren inzake lozingen van vloeibare effluenten van uitlaatgasreinigingssystemen in wateren, met inbegrip van voorwaarden en gebieden”, die een belangrijk instrument vormt om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van door wassers/uitlaatgasreinigingssystemen (EGCS) geloosd afvalwater voor het mariene milieu.

16.

Wij benadrukken de noodzaak van gecoördineerde onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s om ervoor te zorgen dat maatregelen ter bestrijding van verontreiniging bij het aanpakken van bestaande en toekomstige uitdagingen met behulp van de beste beschikbare technieken en apparatuur worden uitgevoerd, aangezien bijvoorbeeld de invoering en bredere toepassing van nieuwe brandstoffen die zijn ontworpen om aan de steeds strengere emissievoorschriften te voldoen, om innovatieve responstechnieken lijken vragen. Wij bevestigen opnieuw dat de besluitvormingsprocessen zijn geschraagd door de beste beschikbare kennis, methoden en ondersteunende instrumenten. Wij nemen kennis van de in het strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn voor de periode 2019-2025 aangewezen prioriteiten op het gebied van onderzoek en ontwikkeling.

17.

Wij nemen kennis van de ontwikkeling van geïntegreerde benaderingen voor maritiem bestuur en onderkennen het belang van de versterking van onze samenwerking met de relevante zeevaartsectoren en maritieme organen teneinde tot een meer holistisch beheer van onze zeeën te komen, met het doel om in overeenstemming met de EU-kaderrichtlijn mariene strategie een goede milieutoestand van de mariene wateren te bereiken (3).

18.

Wij zijn ingenomen met het actieplan van IMO ter bestrijding van van schepen afkomstig kunststofzwerfvuil op zee, dat erop is gericht de bestaande regelgeving te versterken en nieuwe ondersteunende maatregelen in te voeren om de ernstige problemen aan te pakken die worden veroorzaakt door kunststofafval in zee.

19.

Wij bevestigen opnieuw dat wij ons zullen beijveren voor samenwerking met andere bevoegde internationale en regionale organisaties en organen, met name de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de OSPAR-commissie en de Helsinki-commissie, de Overeenkomst van Lissabon, het akkoord van Kopenhagen, het Regionaal Centrum voor noodmaatregelen tegen calamiteuze verontreiniging van de Middellandse Zee (REMPEC), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Arctische Raad, met het oog op de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, en dat wij ons zullen beijveren om onze gemeenschappelijke doelen te bereiken.

In het licht van het bovenstaande en vastbesloten om onze visie werkelijkheid te laten worden, bevestigen wij het versterkte streven om de overeengekomen doelstellingen te realiseren en voor een betere preventie, paraatheid en respons te zorgen met betrekking tot verontreiniging van de Noordzee en haar toegangen in ruime zin en hebben wij het in bijlage I opgenomen strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn 2019-2025, waarin ambitieuze strategische en operationele doelstellingen, en desbetreffende uitvoeringsmaatregelen voor de periode 2019-2025 zijn vastgelegd, AANGENOMEN.


(1)  Noorwegen is geen lid van de Europese Unie. Noorwegen neemt deel op basis van gelijkwaardige nationale wetgeving en EU-wetgeving waardoor het is gebonden als lid van de Europese Economische Ruimte (EER).

(2)  Verslag van de Commissie van 16 april 2018 over de uitvoering en naleving van de in Richtlijn (EU) 2016/802 vastgestelde normen voor zwavel in scheepsbrandstoffen, COM(2018) 188 final.

(3)  Noorwegen is geen lid van de Europese Unie. Noorwegen neemt deel op basis van gelijkwaardige nationale wetgeving en EU-wetgeving waardoor het is gebonden als lid van de Europese Economische Ruimte (EER).


ONTWERP van strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP)

2019‐2025

Inleiding

De hoofdtaken van de Partijen bij de Overeenkomst van Bonn bestaan in het op regionaal niveau samenwerken bij het voorkomen en bestrijden van verontreiniging van de Noordzee in ruime zin door schepen en offshore-installaties; het uitvoeren van controles met het oog op het opsporen en bestrijden van verontreiniging; het opruimen van verontreiniging als gevolg van scheepsrampen en verontreinigingsdelicten. Dit zijn de verworvenheden van vijftig jaar wetenschappelijke, technische en operationele werkzaamheden in het kader van de Overeenkomst van Bonn. De Partijen bij de Overeenkomst van Bonn hebben samengewerkt om grote deskundigheid op te bouwen met betrekking tot bestrijding van bedreigingen voor het mariene milieu en zij zijn erop voorbereid om in samenwerking met de andere Partijen nieuwe uitdagingen aan te pakken en de handen ineen te slaan met de internationale gemeenschap.

De Overeenkomst van Bonn is de oudste regionale overeenkomst die door regeringen in het leven is geroepen om op verontreinigingsincidenten te kunnen reageren. De Overeenkomst is het mechanisme in het kader waarvan de Noordzeelanden en de Europese Unie samenwerken om elkaar te ondersteunen bij de bestrijding van verontreiniging als gevolg van scheepsrampen en chronische verontreiniging door schepen en offshore installaties in het Noordzeegebied. De Overeenkomst werd door de acht kuststaten van de Noordzee: België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Nederland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, in 1969 ondertekend, kort na de schipbreuk van de olietanker Torrey Canyon voor de kust van Cornwall in 1967, de eerste grote verontreinigingsramp in West-Europa, waarbij 117 000 ton olie in zee stroomde. De Overeenkomst van Bonn werd echter pas aan het einde van de jaren 1970 geactiveerd, nadat twee andere grote verontreinigingsincidenten hadden plaatsgevonden: de blow-out op een platform van het Ekofisk-olieveld in 1977 en de ramp met de Amoco Cadiz in 1978. De Overeenkomst is sindsdien succesvol in werking en werd in 1983 uitgebreid tot andere schadelijke stoffen dan olie, gevolgd door een uitbreiding in 1987 om te voorzien in samenwerking op het gebied van controles. Een verdere uitbreiding vond plaats in 2010, toen Ierland tot de Overeenkomst toetrad en het toepassingsgebied werd verruimd met de Ierse wateren en de aangrenzende Noorse en Britse wateren.

Ondanks het feit dat het totale aantal ernstige gevallen van olieverontreiniging bij ongelukken in de Europese wateren is afgenomen, doen zich af en toe nog steeds ernstige olielekkages (d.w.z. van meer dan 20 000 ton) als gevolg van ongelukken voor. Hoewel het merendeel van de olie die van jaar tot jaar in de zee terechtkomt, afkomstig is van lozingen vanaf het land, vormen olielekkages als gevolg van ongelukken nog steeds een belangrijke vorm van verontreiniging, die verantwoordelijk is voor 10 à 15 procent van de totale hoeveelheid olie die jaarlijks in de wereldzeeën terechtkomt.

Het BASAP 2019-2025 heeft ten doel de uitvoering van de Overeenkomst van Bonn te vergemakkelijken teneinde bij te dragen tot het voorkomen van alle vormen van verontreiniging van de zee en het hoofd te bieden aan toekomstige uitdagingen, zoals de onvermijdelijke paradigmaverschuiving op de markten voor energie en natuurlijke hulpbronnen, de milieu-uitdagingen die zijn omschreven in de Overeenkomst van Parijs van 2015 en de druk op de mariene ruimtelijke ordening, die nieuwe risico’s voor de zee met zich kan brengen. Gezien deze ontwikkelingen en de spectaculaire afname van het aantal door ongelukken veroorzaakte olielekkages in de Europese wateren in de afgelopen dertig jaar, moeten op de bestrijding van olierampen gerichte hulpdiensten het accent verleggen van olie naar alle mogelijke vormen van mariene verontreiniging die kunnen worden gemeten en/of opgeruimd. Een belangrijke nieuwe uitdaging voor de Overeenkomst van Bonn die naar voren is gekomen door middel van een SWOT-analyse is de bestrijding van luchtverontreiniging die schadelijke gevolgen heeft voor ecosystemen en de gezondheid van de burgers in dichtbevolkte kustgebieden (Marpol, bijlage VI).

Het BASAP 2019-2025 wordt door de Overeenkomstsluitende Partijen uitgevoerd door:

toezicht te houden op de onder hun verantwoordelijkheid vallende zones om dreigende verontreiniging van de zee of van het luchtruim erboven op te sporen, met inbegrip van coördinatie van het toezicht vanuit de lucht en per satelliet;

elkaar te waarschuwen voor dergelijke bedreigingen;

gemeenschappelijke operationele benaderingen vast te stellen, zodat zij er wederzijds op kunnen rekenen dat zij aan de nodige normen voor preventie- en opruimacties voldoen;

gemeenschappelijke en gecoördineerde operationele benaderingen vast te stellen met betrekking tot toezicht op de naleving en handhaving van bijlage VI bij het Marpol-verdrag;

elkaar (desgevraagd) wederzijdse ondersteuning te bieden bij responsoperaties;

gegevens op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en goede praktijken uit te wisselen, alsmede

gemeenschappelijke oefeningen te houden.

Visie

De Overeenkomst van Bonn bevat de volgende visie:

een schone Noordzee in ruime zin zonder door ongelukken veroorzaakte of illegale verontreiniging door de scheepvaart of andere maritieme activiteiten

De Noordzee in ruime zin biedt plaats aan veelzijdige en productieve ecosystemen en is van essentieel belang voor het dagelijks leven van miljoenen mensen. Een deel van de Noordzee in ruime zin wordt doorsneden door sommige van de drukste scheepvaartroutes ter wereld. De visie van de Overeenkomst van Bonn bestaat er daarom in bedreigingen door verontreiniging als gevolg van ongelukken of illegale lozingen door schepen en andere maritieme activiteiten voor zover praktisch mogelijk tot een minimum te beperken.

Om deze visie te verwezenlijken zijn in de Overeenkomst van Bonn de volgende strategische doelstellingen overeengekomen:

a)

identificeren en aanpakken van problemen die zich in de maritieme sector in brede zin voordoen en van invloed zijn op het onder het toepassingsgebied van de Overeenkomst van Bonn vallende mariene milieu;

identificeren en evalueren van kansen die zich voordoen om risico’s voor het mariene milieu met behulp van de beste beschikbare technieken (BBT) en de beste milieupraktijken te verminderen;

identificeren en evalueren van nieuwe toezichtbenaderingen om ervoor te zorgen dat de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken worden toegepast;

waar nodig reageren op nieuwe risico’s voor het mariene milieu, rekening houdend met de aanbevelingen van OTSOPA, alsmede

optimaal gebruikmaken van de BE‐AWARE-projecten I en II om de meest doeltreffende toekomstige maatregelen op het gebied van respons en risicovermindering aan te wijzen.

Strategische doelstellingen

A.   Preventie van illegale en door ongelukken veroorzaakte verontreiniging door samenwerking en gezamenlijke handhaving van internationale regelgeving en normen inzake mariene verontreiniging, met inbegrip van de naleving van de bijlagen bij het Marpol-verdrag

Ondanks het brede scala aan maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen, blijven illegale en door ongelukken veroorzaakte verontreinigingen een ernstige bedreiging vormen voor de Noordzee in ruime zin. Samenwerking bij de doeltreffende en efficiënte handhaving van die maatregelen is een belangrijk instrument voor de bescherming van het mariene milieu.

De internationale voorschriften inzake mariene verontreiniging zijn vastgesteld in het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Marpol) van 1973, dat in 1978 is gewijzigd. Het Marpol-verdrag is ontwikkeld door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en heeft ten doel om zowel door ongelukken als door routineactiviteiten veroorzaakte verontreiniging door schepen te voorkomen en tot een minimum te beperken. De volgende zes technische bijlagen bij het Marpol-verdrag hebben betrekking op mariene verontreiniging, zie bijlage I: Actuele Marpol-teksten van de bijlagen I tot en met VI

Bijlage I — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door olie

Bijlage II — Voorschriften voor het beheersen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen die in bulk worden vervoerd

Bijlage III — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door schadelijke stoffen die op zee worden vervoerd in verpakte vorm

Bijlage IV — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door sanitair afval van schepen

Bijlage V — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door vuilnis van schepen

Bijlage VI — Voorschriften ter voorkoming van luchtverontreiniging door schepen

Er moeten gecoördineerde operationele benaderingen voor het toezicht op de naleving worden vastgesteld om een uniforme en consequente uitvoering en handhaving van de bijlagen bij het Marpol-verdrag te garanderen, en met name voor de uitvoering en handhaving van het in bijlage VI bij het Marpol-verdrag bedoelde in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing (ECA) voor zwavel- en stikstofoxiden en met het oog op de inwerkingtreding in 2020 van de wereldwijde zwavelgrenswaarde voor de scheepvaart buiten de ECA’s.

B.   Bevordering en waarborging van efficiënte paraatheid in noodsituaties

C.   Organisatie van optimale responscapaciteiten

Ondanks alle inspanningen ter verhoging van de maritieme veiligheid zal er altijd een risico blijven bestaan dat zich incidenten voordoen. De toename van het zeevervoer en de groei van het vervoer van gevaarlijke en schadelijke stoffen leiden tot grotere risico’s voor het mariene milieu. De Overeenkomstsluitende Partijen hebben reeds aanzienlijke middelen ter beschikking gesteld voor de opbouw van adequate responscapaciteiten. Om de efficiëntie, niet in de laatste plaats in financieel opzicht, verder te verhogen dient de verdere ontwikkeling van responscapaciteiten te worden gebaseerd op risicobeoordelingen, een analyse van lacunes en regionale en subregionale benaderingen. Er bestaat behoefte aan gecoördineerde programma’s voor onderzoek en ontwikkeling om ervoor te zorgen dat maatregelen ter bestrijding van verontreiniging worden uitgevoerd met behulp van de beste beschikbare technieken en uitrusting.

Om deze strategische doelstellingen te verwezenlijken zijn in de Overeenkomst van Bonn de volgende operationele doelen overeengekomen:

Operationele doelen:

Operationele doelen in verband met strategische doelstelling A (preventie):

A.I

Uitoefenen van adequaat toezicht op de scheepvaart en maritieme activiteiten in de Noordzee in ruime zin en waarborgen van een doeltreffende melding van waarnemingen in de in de Overeenkomst van Bonn vastgelegde verantwoordelijkheidszones

A.II

De leiding en het vliegend personeel voorzien van actuele informatie over de planning en uitvoering van vluchten ter bestrijding van verontreiniging in het onder de Overeenkomst van Bonn vallende gebied

A.III

Zorgen voor gemeenschappelijke operationele benaderingen bij het toezicht op de naleving van de bijlagen bij het Marpol-verdrag

A.IV

Waarborgen van een efficiënte verzameling van bewijsmateriaal in het geval van verontreinigingsincidenten en nauwe samenwerking met opsporings- en vervolgingsambtenaren bij de handhaving van de voorschriften en normen inzake maritieme verontreiniging in de Noordzee in ruime zin

A.V

Communiceren en verspreiden van informatie over de preventie van illegale en door ongelukken veroorzaakte verontreiniging onder het publiek en onder deskundigen

Doelen in verband met de verwezenlijking van strategische doelstelling B (paraatheid):

B.I

Tot gemeenschappelijke zienswijzen komen met betrekking tot de wijze waarop op maritieme noodsituaties dient te worden gereageerd en onder de aandacht brengen van nationale noodplannen en strategieën

B.II

Zorgen voor een passend opleidingsniveau van het bij de respons op noodsituaties in te zetten personeel en voor samenwerking tussen de bestrijdingseenheden van de Overeenkomstsluitende Partijen en bevorderen van paraatheid met het oog op doeltreffende multinationale bestrijdingsoperaties

B.III

Waarborgen dat de responsacties van de Overeenkomstsluitende Partijen naar behoren zijn opgezet voor het beschermen van het mariene milieu en dat de desbetreffende prioriteiten op de meest geschikte wijze worden vastgesteld

B.IV

Samenwerken met andere internationale en Europese organisaties en aangrenzende zeegebieden om synergie te ontwikkelen en overlappingen te voorkomen

Doelen in verband met de verwezenlijking van strategische doelstelling C (respons):

C.I

Waarborgen dat de Overeenkomstsluitende Partijen goed op de hoogte zijn van elkaars werkwijze bij de respons op incidenten, teneinde de ontwikkeling van beste praktijken te bevorderen

C.II

Voorzien in en actueel houden van gemeenschappelijke operationele benaderingen met betrekking tot verontreinigingsincidenten en bevorderen van het ontwikkelen van en het komen tot gemeenschappelijke zienswijzen over geschikte responsstrategieën

C.III

Bevorderen van gecoördineerde programma’s voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van responstechnologieën, uitrusting en andere operationele middelen

C.IV

Waarborgen dat in het gehele noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan wordt gezorgd voor een op subregionale risicobeoordelingen gebaseerde passende verdeling van middelen voor responsactiviteiten

Acties

Om de visie, de strategische doelstellingen en operationele doelen te realiseren, worden in het onderstaande strategisch actieplan van de Overeenkomst van Bonn (BASAP) specifieke, meetbare acties en realistische streefdoelen voor de periode 2019-2025 vastgelegd met het oog op het sturen en bundelen van de werkzaamheden van de Overeenkomstsluitende Partijen. In het BASAP wordt erkend dat beproefde systemen en de bestaande werkzaamheden die noodzakelijk zijn om het operationele karakter van de Overeenkomst te garanderen, moeten worden gehandhaafd. Tegelijkertijd worden mogelijkheden omschreven om deze inspanningen te versterken en tot nieuwe actiegebieden uit te breiden.

In het kader van de Overeenkomst van Bonn worden de volgende acties overeengekomen:

Doelen in verband met strategische doelstelling A (preventie):

A.1

Uitvoeren van surveillance-operaties vanuit de lucht en per satelliet, met inbegrip van nationale vluchten, regionale vluchten, Tour d'horizon-vluchten en CEPCO/SuperCEPCO-vluchten om lekkages van olie en andere schadelijke stoffen op te sporen, te onderzoeken en te monitoren en desbetreffende bewijzen te verzamelen

A.2

Opzetten van een doeltreffend standaardrapporteringssysteem en toepassen van dit systeem voor het melden van vastgestelde verontreiniging in het kader van de Overeenkomst van Bonn, aan de Commissie in het kader van Richtlijn 2005/35/EG inzake verontreiniging vanaf schepen, en aan IMO

A.3

In samenwerking met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) optimaal gebruikmaken van satellietbeelden en meegaan met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van op grote hoogte vliegende pseudo-satellieten (High Altitude Pseudo Satellites — HAPS) en op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS) die in de landen aan de Noordzee in ruime zin beschikbaar komen en invoeren van een geharmoniseerd systeem ter verbetering van het opsporen van verontreinigingsincidenten dat zich uitstrekt tot de gehele Noordzee in ruime zin

A.4

Versterken van de samenwerking bij het opsporen van inbreuken op bepalingen van bijlage V bij het Marpol-verdrag en bij het handhaven van die bepalingen: V

A.5

Versterken van de samenwerking bij het opsporen van inbreuken op bepalingen van bijlage VI bij het Marpol-verdrag en bij het handhaven van die bepalingen, onder meer met behulp van de bestaande handhavingsregeling op basis van havenstaatcontrole, en toepassen van geavanceerde gerichte opsporingsinstrumenten voor het toezicht op de naleving en uitwisselen van gegevens over de resultaten van handhavingsacties via gemeenschappelijke informatiesystemen (zoals Thetis‐EU)

A.6

Bijhouden en actueel houden van het handboek luchtoperaties en de BAOAC-atlas

A.7

Bijhouden en actueel houden van het handboek oliegerelateerde delicten op de Noordzee in samenwerking met het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren (NSN)

A.8

Samenwerken via OSINET bij het traceren van olielekkages en ‐lozingen, met inbegrip van intercalibratietests door laboratoria en de verdere ontwikkeling van gemeenschappelijke methoden voor het traceren van olielekkages en ‐lozingen

A.9

Versterken van de samenwerking met opsporings- en vervolgingsambtenaren:

a.

a.uiterlijk in 2022 — mogelijkheden aanwijzen om ruchtbaarheid te geven aan veroordelingen wegens delicten in verband met verontreiniging van de zee, in samenwerking met het NSN;

b.

uiterlijk in 2025 — procedures vaststellen om gegevens met betrekking tot het milieugedrag (track records) van relevante scheepvaartmaatschappijen en scheepsexploitatiemaatschappijen beschikbaar te maken voor het publiek, in samenwerking met NSN.

A.10

Contacten onderhouden met IMO om te bepalen hoe de Overeenkomst van Bonn verder kan bijdragen tot de naleving van bijlage VI bij het Marpol-verdrag, rekening houdend met de nieuwste ontwikkelingen bij IMO met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de met ingang van 2020 wereldwijd geldende limiet voor het zwavelgehalte (bijvoorbeeld een versterking van de havenstaatcontroleregeling of een verbod op het vervoer voor verbrandingsdoeleinden van brandstoffen met een zwavelgehalte hoger dan 0,50 %)

A.11

Verlenen van ondersteuning, via IMO‐MEPC, aan het proces voor de herziening van de in bijlage II bij het Marpol-verdrag vastgestelde voorwaarden voor lozingen van hoogvisceuze en stollende stoffen

A.12

Bijhouden en actueel houden van de website van de Overeenkomst van Bonn en verspreiden van elektronische publicaties (handleidingen, handboeken en verslagen)

A.13

Ondersteunen en promoten van aanbevelingen van de BE‐AWARE-projecten inzake preventieve maatregelen

Doelen in verband met strategische doelstelling B (paraatheid):

B.1

Bijhouden van de hoofdstukken van het handboek verontreinigingsbestrijding van de Overeenkomst van Bonn en bijwerking ervan om het aan te passen aan de bestaande behoeften

B.2

Bevorderen van informatie-uitwisseling over wrakken die een potentiële bron van verontreiniging zijn en ontwikkelen van nationale databanken

B.3

Plannen en uitvoeren van regionale en subregionale operationele oefeningen en opleidingen

B.4

Bevorderen van de ontwikkeling van nationale milieuadviessystemen en de uitwisseling van desbetreffende informatie

B.5

Uitwisselen van informatie met andere regionale en internationale organisaties, met name het Uniemechanisme voor civiele bescherming (UCPM), EMSA, de EPPR-werkgroep (Arctische Raad), Helcom, IMO, de commissie OSPAR, de Overeenkomst van Lissabon en REMPEC, door deelname aan gemeenschappelijke secretariaatsvergaderingen en, voor zover zinvol, versterken van de samenwerking met deze organisaties, onder meer bij de gemeenschappelijke ontwikkeling van een responshandleiding inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS)

B.6

Versterken van de samenwerking met de commissie OSPAR en andere internationale organisaties die betrokken zijn bij de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging, onder andere van offshore-installaties

B.7

Ontwikkelen van een HNS-strategie voor de samenwerking met andere internationale organisaties, zoals Helcom, EMSA of CTG, bij de toepassing van de OPRC-beginselen inzake HNS

B.8

Contacten onderhouden met IMO om te bepalen hoe de Overeenkomst van Bonn verder kan bijdragen tot de versterking van de internationale tenuitvoerlegging van het OPRC-protocol inzake HNS

B.9

Voortzetten van de ontwikkeling van responscapaciteiten op basis van milieurisicoanalysen om in te kunnen spelen op veranderende maritieme risico's

Doelen in verband met strategische doelstelling C (respons):

C.1

Onderhouden van een systeem voor het melden van verontreinigingsincidenten en vastleggen van opgedane ervaringen

C.2

Bijhouden en actueel houden van gemeenschappelijke responsplannen inzake maritieme incidenten (DenGerNeth-plan, Mancheplan, vierpartijen-zoneplan, Norbrit-plan [Golf van Biskaje-plan])

C.3

Versterken van de ontwikkeling van gezamenlijke benaderingen voor natuurinterventieplannen, met inbegrip van het aanwijzen van beste praktijken en voorlichting van het publiek met betrekking tot natuurinterventiewerkzaamheden

C.4

Uitwisseling van geleerde lessen in verband met verontreinigingsrespons in offshore-windparken

C.5

Bevorderen van de koppeling en coördinatie met kustresponsmaatregelen

C.6

Bevorderen van onderzoek en ontwikkeling en informatie-uitwisseling met betrekking tot responstechnologieën en -uitrusting en andere operationele middelen, met name wat betreft geïntegreerde surveillancesensoren, technologie voor de respons op ongelukken bij nacht en bij slecht zicht en onder slechte weersomstandigheden, en met betrekking tot de opsporing en berging van op zee verloren containers, ongelukken met zware olie of chemische stoffen en ongelukken met nieuwsoortige brandstoffen

C.7

Bevorderen van onderzoek over gemeenschappelijke onderzoeksprioriteiten: ontwikkelen in de periode 2019-2022 van een gemeenschappelijk onderzoeksvoorstel inzake nieuwe generaties brandstoffen

C.8

Bevorderen van de uitwisseling van informatie over nationale systemen voor risicobeoordeling, met inbegrip van sleepdiensten in noodsituaties


ADDENDUM 1

Taken 1‐18 in verband met strategische doelstelling A (preventie):

Taak

Strategische

actie

Beschrijving

Streefdatum

Geleid door

Voortgang

Status

 

1

A.1

Uitvoeren van surveillance-operaties vanuit de lucht en per satelliet, met inbegrip van nationale vluchten, regionale vluchten, Tour d'horizon-vluchten en CEPCO/SuperCEPCO-vluchten om lekkages van olie en andere schadelijke stoffen op te sporen, te onderzoeken en te monitoren en desbetreffende bewijzen te verzamelen, rekening houdend met behoeften op het gebied van strategische surveillance

Activiteiten gedurende het gehele jaar

CP

 

In uitvoering

2

A.1

Handhaven van de reikwijdte en doeltreffendheid van de surveillance vanuit de lucht en verrichten van een strategische analyse van surveillancebehoeften, op basis van onder meer een evaluatie van de bestaande gegevens over de opsporing en waarneming van verontreiniging door olie of andere stoffen

 

CP

CleanSeaNet — EMSA

Visserij — EU-bureau EFCA

NL — Taakbeheerder w/CP

Opstelling en verspreiding aan afdelingshoofden door NL

BE — bijlage VI bij Marpol

 

3

A.3

A.4

A.5

Reflectie over de mogelijke ontwikkeling van aanbevolen minimumeisen inzake surveillance-operaties in het onder de Overeenkomst van Bonn vallende gebied en de te verwachten resultaten daarvan (Marpol VI, op afstand bestuurde luchtvaartuigen)

 

EU (voor opties inzake stroomlijning van maritieme surveillance, bv. voor visserij- en verontreinigingsdoeleinden)

BE — co-leiding (bijlage VI)

EU — drones

Eerste discussies bijlage VI van start tijdens OTSOPA 2019.

EMSA is begonnen met operationele RPAS-diensten.

In uitvoering

4

A.2

Handhaven van een doeltreffend toezicht- en rapporteringspeil, met behulp van een passend systeem voor het melden van opgespoorde verontreiniging in het kader van de Overeenkomst van Bonn

Activiteiten wanneer nodig

CP

 

In uitvoering

5

A.3

Optimaal gebruikmaken van satellietbeelden, in samenwerking met het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, bijvoorbeeld door middel van CleanSeaNet, met het oog op follow-up van de eerste signalering van mogelijke verontreiniging door surveillance vanuit de lucht,

alsmede

Activiteiten wanneer nodig

CP

 

In uitvoering

6

A.3

Rapportage over en respons op ontwikkelingen op het gebied van op grote hoogte vliegende pseudo-satellieten (HAPS) en op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS)

Activiteiten wanneer nodig

CP

EU/EMSA — HAPS & RPAS

In uitvoering

 

 

 

 

 

 

 

8

A.13

Ondersteunen/bevorderen van de uitvoering van de verkeersscheidingsstelsels en de aandacht van de met risicoverminderingsmaatregelen belaste autoriteiten vestigen op andere BE-AWARE-aanbevelingen inzake verkeersbegeleidingsdiensten, AIS in windparken en e-navigatie

In uitvoering

CP

Ierland, Noorwegen en NL hebben workshops gehouden

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij verschillende nationale ministeries

9

A.6

B.I

Bijhouden en actueel houden van het Aerial Operations Handbook

Jaarlijks op de OTSOPA

NO & CP

 

In uitvoering

10

A.6

B.I

Bijhouden van de online-versie van de Olieschakeringscode van de Overeenkomst van Bonn (BAOAC), met inbegrip van de fotoatlas, voor vliegend personeel en deskundigen als onderdeel van de reorganisatie van de website van de Overeenkomst van Bonn

Activiteiten wanneer nodig

FR & CP

 

In uitvoering

11

A.4

A.5

A.10

Versterken en uitbreiden van de samenwerking inzake opsporing en waarneming van inbreuken op de bijlagen bij Marpol en van de bijdrage aan de handhaving en het onderhouden van contacten met IMO

In uitvoering

CP/NSN/Sec

 

In uitvoering

12

A.5

A.10

Reflectie over de mogelijke ontwikkeling van een gemeenschappelijke technische strategie en operationele benadering voor toezicht op de naleving van de voorschriften inzake NOx en SOx

 

BE, DK (ovb), FR

NL? EMSA (ovb)

 

Nieuw

13

A.7

A.9

Versterken van de samenwerking met het Noordzeenetwerk van opsporings- en vervolgingsambtenaren (NSN) en gezamenlijk:

a. bijhouden en actueel houden van het North Sea Manual on Maritime Oil Pollution Offences;

b. organiseren van workshops over onderwerpen van wederzijds belang;

c. ondersteunen, waar zinvol, van de bekendmaking van veroordelingen en het opstellen van track records voor scheepvaartmaatschappijen.

 

NL/Sec

Mogelijke onderwerpen voor seminars 2019-2025:

HNS

Zwerfvuil op zee

In uitvoering

14

A.8

Voortzetten van de activiteiten van OSINET met het doel om:

a. de kennis en ervaring van relevante laboratoria met betrekking tot forensisch onderzoek in verband met olielekkages te vergroten, onder meer door intercalibratietests, alsmede

b. bijhouden/ontwikkelen van actuele analytische procedures en referentiemethoden, onder meer voor oliebemonstering op zee.

 

DE/OSINET

 

In uitvoering

15

A.12

B.1

Bijhouden en actueel houden van de website van de Overeenkomst van Bonn en verspreiden van elektronische publicaties (handleidingen, handboeken en verslagen)

Activiteiten wanneer nodig

Sec/CP

Onderzoek door het secretariaat of het mogelijk is de bron van besluiten/acties bij te houden

In uitvoering

 

 

 

 

 

 

 

17

A.2

Herzien van de bestaande aanbevelingen inzake kennisgevingen en aanbrengen van de nodige aanpassingen indien nodig

Activiteiten wanneer nodig

CP

 

Nieuw

18

A.12

Uitvoeren van de communicatiestrategie van de Overeenkomst van Bonn

 

Sec

 

In uitvoering

Taken 19‐30 in verband met strategische doelstelling B (paraatheid):

Taak

Strategische actie

Beschrijving

Streefdatum

Geleid door

Voortgang

Status

19

B.1

A.12

Bijhouden en actueel houden van de hoofdstukken van de handleiding Verontreinigingsbestrijding van de Overeenkomst van Bonn

Activiteiten wanneer nodig

CP & Sec

 

In uitvoering

20

B.2

Voortzetten van de informatie-uitwisseling over wrakken die een potentiële bron van verontreiniging zijn (methoden voor het legen ervan, risicobeoordeling enz.)

Activiteiten wanneer nodig

CP

 

In uitvoering

21

B.4

B.5

Opvoeren van de paraatheid om internationale bijstand te ontvangen, te bieden of door te leiden, met gebruikmaking van de EU-richtsnoeren bijstandsverlening door gastlanden

In uitvoering

CP & EU

 

In uitvoering

22

B.3

Organiseren van gezamenlijke operationele bestrijdingsoefeningen (BONNEX DELTA), rekening houdend met regionale strategische opleidingsbehoeften

 

CP overeenkomstig de gezamenlijke evaluatienota

 

In uitvoering

23

B.3

Plannen en uitvoeren van regionale en subregionale operationele oefeningen en opleidingen, rekening houdend met strategische behoeften

 

CP

 

In uitvoering

24

B.3

Opzetten van een systeem voor getrapte gezamenlijke oefeningen voor het beproeven en trainen van de samenwerking bij de bestrijding van lekkages

In uitvoering

DK

DK beschikt over militaire deskundigheid die kan worden ingezet ter ondersteuning van oefeningen

 

25

B.4

Bevorderen van de ontwikkeling van nationale milieuadviessystemen en de uitwisseling van desbetreffende informatie. Reflectie over mogelijke vormen van samenwerking (op subregionaal niveau)

OTSOPA 2020

VK

 

In uitvoering

26

B.5

B.7

B.8

Versterken van de samenwerking met REMPEC en Helcom bij de ontwikkeling van een gezamenlijk handboek inzake HNS-respons

 

SEC, FR

 

Nieuw

27

B.6

Versterken van de samenwerking met de commissie OSPAR, regionale overeenkomsten en andere internationale organisaties op het gebied van bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging door de scheepvaart, offshore olie- en gaswinning en andere maritieme activiteiten, rekening houdend met de verplichtingen uit hoofde van de kaderrichtlijnen mariene strategie en water

 

SEC, BE & NL; CP (informatie-uitwisseling over de tenuitvoerlegging van de MSFD)

SEC zal contact opnemen met OSPAR inzake verplichting D8 van de MSFD inzake toezicht en beoordeling van significante ernstige verontreinigingen, en verslag uitbrengen op OTSOPA 2020

Op BONN 19 zal worden nagedacht over wederzijdse deelname van BA/Helcom tijdens belangrijke vergaderingen. (Zie BAAP 2016‐19, Product A.3.3)

Nieuw

 

 

 

 

 

 

 

29

B.9

Trendanalyse van het BE-AWARE-project 2030

Evaluatie en follow-up van de resultaten

In uitvoering

NL & CP

 

Nieuw

30

B.9

Uitwisselen van informatie/ervaringen inzake de toenemende omvang van schepen, hernieuwbare energie, de offshore olie- en gassector, LNG-brandstoffen en havenuitbreidingen, autonome schepen en radioactieve materialen.

 

CP

 

Nieuw

Taken 31‐40 in verband met strategische doelstelling C (respons):

Taak

Strategische actie

Beschrijving

Streefdatum

Geleid door

Voortgang

Status

31

C.1

C.4

Uitwisselen van informatie over geleerde lessen met betrekking tot incidenten, met inbegrip van incidenten in windparken, toevluchtsoorden en afvalbeheer na verontreinigingsincidenten

OTSOPA

BONN

CP

 

In uitvoering

32

C.1

C.5

Onderhouden van een doeltreffend POLREP-systeem voor het melden van voorvallen van verontreiniging en de behandeling van verzoeken om bijstand en van het hulpaanbod met gebruikmaking van het gemeenschappelijke noodcommunicatie- en informatiesysteem inzake verontreiniging van het mariene milieu (CECIS MP) van de Europese Commissie

In uitvoering

EU, NO, DK

Zes maanden durend project met twee workshops en negen deelnemende landen

In uitvoering

33

C.2

Ontwikkelen, bijhouden en actueel houden van gezamenlijke plannen voor de respons op maritieme incidenten (DenGerNeth-plan (DE), Mancheplan (VK & FR), vierpartijen-zoneplan (BE), Norbrit-plan (VK & NO), MvO VK-Ierland), [Golf van Biskaje]

Activiteiten wanneer nodig

Betrokken CP

 

In uitvoering

34

C.3

Handhaven van de informatie-uitwisseling over nationale faunaresponssystemen

In uitvoering

— FR, SE & CP

 

In uitvoering

35

C.7

C.6

Stimuleren en, zo mogelijk, uitvoeren van onderzoek en ontwikkeling en informatie-uitwisseling betreffende nieuwsoortige brandstoffen

 

NO+projectpartners[

Voorstel voor een oproep door DG‐ECHO in 2019

In uitvoering

36

C.7

C.6

Respons en paraatheid met betrekking tot nieuwsoortige brandstoffen

 

NO & project-partners

Op basis van respons op 35

 

37

C.6

Informatie-uitwisseling en stimuleren van verder onderzoek over verontreinigingsincidenten, met inbegrip van:

ongelukken bij nacht, bij slecht zicht en onder slechte weersomstandigheden;

ongelukken met zware olie of chemische stoffen, mogelijk door extern gefinancierde projecten;

responstechnologieën en -uitrusting en andere operationele middelen, met name geïntegreerde surveillancesensoren, modellering van olievlekverspreiding en besluitondersteuningsinstrumenten, en responstechnologieën.

 

CP

 

In uitvoering

 

 

 

 

 

 

 

39

C.6

Reflectie over en ontwikkeling van een projectvoorstel voor regionale risicobeoordeling inzake gevaarlijke en schadelijke stoffen (HNS)

 

CP & Sec

 

In uitvoering

40

C.6

Bevorderen van verder onderzoek naar HNS, onder meer met betrekking tot responstechnologieën, het testen van HNS-eigenschappen en het gedrag van HNS in niet-standaardomstandigheden, en de verdere ontwikkeling en validatie van geavanceerde besluitondersteuningsinstrumenten

 

CP

 

In uitvoering

41

C.8

Uitwisselen van informatie over nationale systemen voor risicobeoordeling, met inbegrip van sleepdiensten in noodsituaties

Activiteiten wanneer nodig

CP

 

Nieuw


(1)  Noorwegen is geen lid van de Europese Unie. Noorwegen neemt deel op basis van gelijkwaardige nationale wetgeving en EU-wetgeving waardoor het is gebonden als lid van de Europese Economische Ruimte (EER).


BIJLAGE I

Actuele Marpol-teksten

Actuele Marpol-teksten van de bijlagen I tot en met VI en Protocol 1

Het Marpol-verdrag bevat regelingen ter voorkoming van door ongelukken en door routineactiviteiten veroorzaakte verontreiniging, die in zes technische bijlagen nader zijn uitgewerkt.

b)   Bijlage I — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door olie

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 maart 2018 — Resolutie MEPC.276(70)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Model B van de Aanvulling op het Internationaal certificaat ter voorkoming van verontreiniging door olie)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2017 — Resolutie MEPC.266(68)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschrift 12 — Tanks voor olierestanten (oliedrab))

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2017 — Resolutie MEPC.265(68)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied verplicht te stellen)

Wijziging van Marpol-bijlage I — in werking getreden op 1 maart 2016 — Resolutie MEPC.256(67)

Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijziging van voorschrift 43 — Bijzondere vereisten voor het gebruik of vervoer van olie in het Antarctisch gebied)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.248(66)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijziging van Marpol-bijlage I betreffende de verplichte uitrusting met een stabiliteitsinstrument) — MEPC 66/21/Corr.1

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.246(66)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2015 — Resolutie MEPC.238(65)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I en II om de RO-Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 oktober 2014 — Resolutie MEPC.235(65)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van de Modellen A en B van de Aanvulling op het IOPP-certificaat waarin Marpol-bijlage I voorziet)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 augustus 2013 — Resolutie MEPC.216(63)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor ontvangstinrichtingen in een haven bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 augustus 2011 — Resolutie MEPC.190(60)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (Noord-Amerikaans gebied voor emissiebeheersing)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 augustus 2011 — Resolutie MEPC.189(60)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (toevoeging van een nieuw hoofdstuk 9 aan Marpol-bijlage I)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2011 — Resolutie MEPC.187(59)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschriften 1, 12, 13, 17 en 38 van Marpol-bijlage I, Aanvulling op het IOPP-certificaat en Oliejournaal delen I en II)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 januari 2011 — Resolutie MEPC.186(59)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (toevoeging van een nieuw hoofdstuk 8 aan Marpol-bijlage I en daaruit voortvloeiende wijzigingen van de Aanvulling op het IOPP-certificaat, Model B)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 december 2008 — Resolutie MEPC.164(56)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (ontvangstinrichtingen buiten de bijzondere gebieden en het lozen van sanitair afval)

Wijzigingen van bijlage I — in werking getreden op 1 augustus 2007 — Resolutie MEPC.141(54)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschrift 1, aanvulling op voorschrift 12A, daaruit voortvloeiende wijzigingen van het IOPP-certificaat en wijzigingen van voorschrift 21 van de herziene Marpol-bijlage I)

Tekst van Marpol-bijlage I — versie van 1 januari 2007 — Resolutie MEPC.117(52)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage I)

c)   Bijlage II — Voorschriften voor het beheersen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen die in bulk worden vervoerd

Wijzigingen van Marpol-bijlage II — in werking getreden op 1 september 2017 — Resolutie MEPC.270(69)

Wijzigingen van de bijlage bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van Marpol-bijlage II — herziene GESAMP-schade-evaluatieprocedure)

Wijzigingen van bijlage II — in werking getreden op 1 januari 2017 — Resolutie MEPC.265(68)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage II — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.246(66)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage II — in werking getreden op 1 januari 2015 — Resolutie MEPC.238(65)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I en II om de RO-Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage II — in werking getreden op 1 augustus 2013 — Resolutie MEPC.216(63)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor ontvangstinrichtingen in een haven bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)

Tekst van Marpol-bijlage II — versie van 1 januari 2007 — Resolutie MEPC.118(52) (zoals gewijzigd)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage II)

Internationale code voor chemicaliën in bulk (IBC-code), waaraan uitvoering wordt gegeven door voorschrift 11 van bijlage II — tankschepen gebouwd op of na 1 juli 1986 — Resolutie MEPC.119(52)

Wijzigingen van de internationale code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (IBC-code)

Resolutie MEPC.225(64) Wijzigingen van de hoofdstukken 17, 18 en 19 die op 1 juni 2014 in werking zijn getreden

BLG.1/Circ.19 Producten die sinds de vaststelling van de gewijzigde IBC-code in 2004 zijn ingedeeld of opnieuw ingedeeld

BLG.1/Corr.1 Producten die sinds de vaststelling van de gewijzigde IBC-code in 2004 zijn ingedeeld of opnieuw ingedeeld

Code voor chemicaliën in bulk (BCH-code), waaraan uitvoering wordt gegeven door voorschrift 11 van bijlage II — tankschepen gebouwd voor 1 juli 1986 — Resolutie MEPC.144(54)

Wijzigingen van de code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren (BCH-code)

d)    Bijlage IIIVoorschriften ter voorkoming van verontreiniging door schadelijke stoffen die op zee worden vervoerd in verpakte vorm

Wijziging van Marpol-bijlage III — (wijziging van het aanhangsel betreffende criteria voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm), in werking getreden op 1 maart 2016 — Resolutie MEPC.257(67)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973

Wijzigingen van bijlage III — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.246(66)

Tekst van Marpol-bijlage III — versie van 1 januari 2014 — Resolutie MEPC.193(61)

Tekst van Marpol-bijlage III — versie van 1 januari 2010 — Resolutie MEPC.156(55)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)

e)   Bijlage IV — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door sanitair afval van schepen

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 september 2017 — Resolutie MEPC.274(69)

Wijzigingen van de bijlage bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van Marpol-bijlage IV — bijzonder gebied in de Oostzee en model van het ISPP-certificaat)

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 januari 2017 — Resolutie MEPC.265(68)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.246(66)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 augustus 2013 — Resolutie MEPC.216(63)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor ontvangstinrichtingen in een haven bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 januari 2013 — Resolutie MEPC.200(62)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (bepalingen inzake bijzondere gebieden en aanwijzing van de Oostzee als bijzonder gebied als bedoeld in Marpol-bijlage IV)

MEPC 62/24/Corr.1 — bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.200(62)

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 december 2008 — Resolutie MEPC.164(56)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (ontvangstinrichtingen buiten de bijzondere gebieden en het lozen van sanitair afval)

Wijzigingen van bijlage IV — in werking getreden op 1 augustus 2007 — Resolutie MEPC.143(54)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (toevoeging van voorschrift 13 aan Marpol-bijlage IV)

Tekst van Marpol-bijlage IV — versie van 1 augustus 2005 — Resolutie MEPC.115(51)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage IV)

f)   Bijlage V — Voorschriften ter voorkoming van verontreiniging door vuilnis van schepen

Tekst van Marpol-bijlage V — versie van 31 december 1988

Wijzigingen van bijlage V — in werking getreden op 1 maart 2018 — Resolutie MEPC.277(70)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage V — stoffen die schadelijk zijn voor het mariene milieu, en model van het vuilnisjournaal)

Wijzigingen van bijlage V — in werking getreden op 1 januari 2017 — Resolutie MEPC.265(68)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, IV en V om de toepassing van de milieugerelateerde bepalingen van de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage V — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.246(66)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlagen I, II, III, IV en V om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage V — in werking getreden op 1 augustus 2013 — Resolutie MEPC.216(63)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (regionale regelingen voor ontvangstinrichtingen in een haven bedoeld in de Marpol-bijlagen I, II, IV en V)

Wijzigingen van bijlage V — in werking getreden op 1 januari 2013 — Resolutie MEPC.201(62)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (herziene Marpol-bijlage V)

MEPC 62/24/Corr.1 — bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.201(62)

Wijzigingen van Marpol-bijlage V — in werking getreden op 1 augustus 2005 — Resolutie MEPC.116(51)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van het aanhangsel bij Marpol-bijlage V)

Wijzigingen van Marpol-bijlage V — in werking getreden op 1 maart 2002 — Resolutie MEPC.89(45)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlage V)

Wijzigingen van Marpol-bijlage V — in werking getreden op 1 januari 1997 — Resolutie MEPC.65(37)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van voorschrift 2 en nieuw voorschrift 9 van bijlage V)

g)   Bijlage VI — Voorschriften ter voorkoming van luchtverontreiniging door schepen

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 januari 2019 — Resolutie MEPC.286(71)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (om uitvoering te geven aan de gebieden voor NOx-emissiebeheersing in de Oostzee en de Noordzee en ter wijziging van de bunkerafleveringsbon)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 maart 2018 — Resolutie MEPC.278(70)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (wijzigingen van Marpol-bijlage VI, gegevensverzamelingssysteem inzake het brandstofolieverbruik van schepen)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 september 2017 — Resolutie MEPC.271(69)

Wijzigingen van de bijlage bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van voorschrift 13 van Marpol-bijlage VI — registratieverplichtingen inzake de operationele inachtneming van gebieden voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III)

Wijzigingen van Marpol-bijlage VI — in werking getreden op 1 maart 2016 — Resolutie MEPC.258(67)

Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van voorschriften 2 en 13 en van de Aanvulling op het IAPP-certificaat)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 januari 2016 — Resolutie MEPC.247(66)

Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (om de toepassing van de III Code verplicht te stellen)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 maart 2015 — Resolutie MEPC.251(66)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (wijzigingen van voorschriften 2, 13, 19 en 20 en de Aanvulling op het IAPP-certificaat bedoeld in Marpol-bijlage VI en van de certificatie van dualfuelmotoren volgens de NOx Technische Code 2008)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 augustus 2013 — Resolutie MEPC.217(63)

Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (regionale regelingen voor ontvangstinrichtingen in een haven bedoeld in Marpol-bijlage VI en certificatie van met systemen voor selectieve katalytische reductie uitgeruste scheepsdieselmotoren volgens de NOx Technische Code 2008)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 januari 2013 — Resolutie MEPC.203(62)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (invoeging van voorschriften inzake de energie-efficiëntie van schepen)

MEPC 62/24/Corr.1 — bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.203(62)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 januari 2013 — Resolutie MEPC.202(62)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (aanwijzing van het in de Caribische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing)

MEPC 62/24/Corr.1 — bevat verschillende correcties op Resolutie MEPC.202(62)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 februari 2012 — Resolutie MEPC.194(61)

Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (gewijzigd model van de Aanvulling op het IAPP-certificaat)

Wijzigingen van bijlage VI — in werking getreden op 1 augustus 2011 — Resolutie MEPC.190(60)

Wijzigingen van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (Noord-Amerikaans gebied voor emissiebeheersing)

Tekst van Marpol-bijlage VI — versie van 1 juli 2010 — Resolutie MEPC.176(58)

Wijziging van de bijlage bij het Protocol van 1997 tot wijziging van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (herziene Marpol-bijlage VI)


Top