EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008R1187

Verordening (EG) nr. 1187/2008 van de Raad van 27 november 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China

OJ L 322, 2.12.2008, p. 1–8 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 11 Volume 120 P. 251 - 258

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/1187/oj

2.12.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/1


VERORDENING (EG) Nr. 1187/2008 VAN DE RAAD

van 27 november 2008

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorlopige maatregelen

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 492/2008 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op mononatriumglutamaat („MNG”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”).

1.2.   Vervolg van de procedure

(2)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. De Commissie heeft alle nadere informatie verzameld en gecontroleerd die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(3)

De Commissie heeft haar onderzoek in verband met het belang van de Gemeenschap voortgezet en de informatie geanalyseerd die sommige gebruikers en leveranciers in de Gemeenschap na de instelling van de voorlopige antidumpingmaatregelen hadden verstrekt.

(4)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden de voorlopige bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

(5)

Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen definitieve antidumpingmaatregelen in te stellen op MNG van oorsprong uit de VRC en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken.

(6)

Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek van de Commissie naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van april 2004 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(7)

Aangezien er geen opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de overwegingen 12 tot en met 14 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   DUMPING

3.1.   Toepassing van artikel 18 van de basisverordening

(8)

Aangezien er geen opmerkingen over de toepassing van artikel 18 van de basisverordening op één producent/exporteur in de VRC werden ontvangen, worden de overwegingen 15 tot en met 18 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   Behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)

(9)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen betwistten de twee Chinese producenten/exporteurs aan wie geen BMO was toegekend de voorlopige bevindingen.

(10)

De eerste onderneming voerde aan dat de internationale standaarden voor jaarrekeningen (IAS) volgens haar alleen inhielden dat geconsolideerde rekeningen volgens die standaarden moesten worden opgesteld, en niet dat zij dienovereenkomstig moesten worden gecontroleerd.

(11)

In dit verband wordt erop gewezen dat deze onderneming, ondanks herhaalde verzoeken, de desbetreffende geconsolideerde jaarrekening en het auditverslag noch in haar BMO-aanvraagformulier, noch tijdens de controle ter plaatse in de VRC heeft verstrekt. De IAS bevatten internationaal overeengekomen boekhoudbeginselen, met een uitleg en een toelichting van de wijze van toepassing. Een controle van de boekhouding overeenkomstig de IAS houdt in dat vastgesteld wordt dat de boekhouding volgens de IAS opgesteld en gepresenteerd is en aan de IAS beantwoordt. Als deze beginselen niet zijn nageleefd, moeten in het auditverslag de gevolgen daarvan en de redenen daarvoor worden vermeld. In IAS 27 zijn in het bijzonder de voorwaarden uiteengezet waaronder bedrijven hun geconsolideerde rekeningen moeten opstellen en presenteren. De onderneming bestrijdt niet dat deze voorwaarden in het kader van het BMO-onderzoek op haar van toepassing waren.

(12)

In artikel 2, lid 7, onder c), tweede streepje, van de basisverordening is duidelijk bepaald dat ondernemingen die een BMO aanvragen, moeten beschikken over een basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de IAS en die alle terreinen bestrijkt. Het lijkt dus evident dat de rekeningen niet alleen opgesteld, maar ook gecontroleerd moeten worden overeenkomstig de IAS. Zonder controle overeenkomstig de IAS kan de Commissie niet vaststellen of de rekeningen volgens de IAS zijn opgesteld. En zonder een dergelijke controle kon niet worden geconcludeerd dat aan het tweede criterium werd voldaan.

(13)

Dezelfde producent/exporteur voerde ook aan dat de saldering van de inkomsten en uitgaven naar zijn mening niet materieel was en dat het ontbreken van de informatieverschaffing niet van invloed kon zijn op de economische beslissing die gebruikers nemen op basis van de jaarrekening. Daarom zouden de IAS niet worden geschonden.

(14)

Dit lijkt echter in tegenspraak met het eerste argument dat de boekhouding wel opgesteld, maar niet gecontroleerd moet worden volgens de IAS. Als dit het geval zou zijn, zou niet door bevoegde en onafhankelijke controleurs, zoals voorgeschreven in artikel 2, lid 7, onder c), maar door de ondernemingen zelf worden beoordeeld of de saldering toegestaan was, of de inkomsten en uitgaven materieel waren, of de saldering de economische beslissing van gebruikers kon beïnvloeden en of de saldering afbreuk deed aan het vermogen van gebruikers om inzicht te verkrijgen in de verrichte transacties.

(15)

Bovendien is, hoewel erkend moet worden dat het begrip „materialiteit” enige ruimte voor interpretatie laat, in punt 30 van IAS 1 bepaald dat een post die niet voldoende materieel is om afzonderlijk in de jaarrekening te worden opgenomen, niettemin voldoende materieel kan zijn om afzonderlijk in de toelichting te worden vermeld. Aangezien de saldering noch in het auditverslag, noch in de toelichting bij de jaarrekening van de onderneming is vermeld, is bevestigd dat de boekhouding van de onderneming niet overeenkomstig de IAS is gecontroleerd.

(16)

Bovendien gaat het hier om saldering die door de onderzoekers van de Commissie is gevonden. Alleen een grondige controle zou kunnen uitwijzen of bij de opstelling en controle van de rekeningen niet op nog andere punten van de IAS is afgeweken. Een dergelijke controle is niet uitgevoerd en de Commissie beschikt over onvoldoende tijd om de boekhouding en de presentatie van de rekeningen van de ondernemingen grondig te controleren, waarvoor de controle ter plaatse overigens ook niet is bedoeld. De bevindingen van de Commissie waaruit blijkt dat ondernemingen die een BMO hebben aangevraagd, niet voldoen aan het voorschrift van de basisverordening om over een boekhouding te beschikken en te waarborgen dat de rekeningen overeenkomstig de IAS worden opgesteld en gecontroleerd, leiden tot de conclusie dat niet voldaan is aan het tweede criterium.

(17)

Ten slotte was deze onderneming het niet eens met de conclusie dat een negatief bedrijfskapitaal, in combinatie met renteloze leningen, moet worden beschouwd als een verstoring die nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie; zij vond dit eerder een teken van efficiënt management.

(18)

Ten eerste moet worden opgemerkt dat de bevindingen betreffende het negatieve bedrijfskapitaal bijkomende bevindingen waren en niet de hoofdbevindingen die tot de conclusie leidden dat de aanvrager niet aan het BMO-criterium voldeed. Ten tweede kan een negatief bedrijfskapitaal op zichzelf wijzen op efficiënt management, maar alleen bij ondernemingen met kleine voorraden en lage creditrekeningen, een situatie die eigenlijk alleen voorkomt bij ondernemingen die vrijwel uitsluitend op basis van contante betalingen werken, zoals warenhuizen en supermarkten. De analyse van de situatie van deze Chinese producent/exporteur gaf echter een geheel ander beeld. Een negatief bedrijfskapitaal moet eerder worden beschouwd als een teken dat een onderneming mogelijk failliet dreigt te gaan of ernstige financiële problemen heeft. In dergelijke omstandigheden is het hoogst onwaarschijnlijk dat op marktvoorwaarden zonder enige financiële kosten grote „handelskredieten” worden verkregen. De aanzienlijke renteloze leningen van de onderneming, die een aanmerkelijk deel van haar totale kortetermijnleningen uitmaken (80 % van haar leningen heeft een korte looptijd) en een aanzienlijk negatief bedrijfskapitaal tot gevolg hebben, moeten worden geacht in strijd te zijn met het gedrag van een marktgerichte onderneming.

(19)

Voor de tweede onderneming werden geen nieuwe argumenten naar voren gebracht die de voorlopige BMO-bevindingen zouden kunnen veranderen. In het bijzonder werd bevestigd dat de aandeelhouder in staatseigendom een onevenredig grote invloed op de besluitvorming van de onderneming uitoefende en dat de staat ermee had ingestemd de vastgestelde waarde van de landgebruiksrechten zonder enige compensatie met 50 % te verlagen. Bovendien werd bevestigd dat de rekeningen van de onderneming niet overeenkomstig de IAS waren gecontroleerd.

(20)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de BMO werden ontvangen, worden de overwegingen 19 tot en met 26 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.3.   Individuele behandeling („IB”)

(21)

Eén belanghebbende voerde aan dat door concurrentiebeperkende praktijken en staatsinmenging ontwijking van de maatregelen zou worden bevorderd en dat aan geen van de Chinese producenten een IB moest worden toegekend.

(22)

Deze belanghebbende verstrekte echter geen bewijsmateriaal over de wijze waarop deze aangevoerde concurrentiebeperkende praktijken en staatsinmenging ontwijking van de maatregelen mogelijk zouden kunnen maken. Bovendien bleek uit het onderzoek dat een theoretische staatsinmenging alleen mogelijk zou zijn via de China Fermentation Industry Association, waarvan beide producenten/exporteurs lid zijn. Alle beslissingen en aanbevelingen van deze organisatie waren echter van niet-bindende aard. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(23)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de IB werden ontvangen, worden de overwegingen 27 tot en met 29 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.4.   Normale waarde

3.4.1.   Referentieland

(24)

Eén belanghebbende betwistte de keuze van de Commissie om Thailand als referentieland te gebruiken en maakte in het bijzonder bezwaar tegen de producent Ajinomoto Thailand, die met de communautaire producent verbonden is. De argumenten en opmerkingen van deze belanghebbende werden echter ingediend na de bijzondere termijn voor de indiening van opmerkingen (3) en werden, wat nog belangrijker is, in het geheel niet onderbouwd. Deze opmerkingen werden daarom buiten beschouwing gelaten.

(25)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het referentieland werden ontvangen, worden de overwegingen 30 tot en met 34 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.4.2.   Methode voor de vaststelling van de normale waarde

(26)

Eén Chinese producent/exporteur voerde aan dat een correctie moest worden toegepast vanwege verschillen in de grondstofkosten. Deze producent/exporteur beweerde met name dat MNG op basis van melasse, zoals in het referentieland wordt geproduceerd, kostbaarder is dan MNG op basis van maïs- of rijstzetmeel.

(27)

De door de Chinese producent/exporteur opgegeven verhouding tussen de melasse-input en de MNG-output bleek echter aanzienlijk hoger te zijn dan de verhouding die bij de medewerkende producent in het referentieland werd vastgesteld en gecontroleerd. Daarom moest het argument dat de productie van MNG in het referentieland kostbaarder was, worden afgewezen.

(28)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de methode voor de vaststelling van de normale waarde werden ontvangen, wordt overweging 35 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.5.   Uitvoerprijs

(29)

Aangezien er geen opmerkingen over de uitvoerprijs werden ontvangen die de bevindingen in de voorlopige fase zouden kunnen veranderen, worden de overwegingen 36 tot en met 37 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.6.   Vergelijking

(30)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de vergelijking werden ontvangen, worden de overwegingen 38 tot en met 39 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.7.   Dumpingmarges

(31)

Voor de ondernemingen waaraan een IB werd toegekend, werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de desbetreffende soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening.

(32)

Op grond hiervan zijn de definitieve dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring:

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd: 36,5 %

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd,

en Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd: 33,8 %

(33)

De grondslag voor de vaststelling van de dumpingmarge voor het gehele land is uiteengezet in overweging 42 van de voorlopige verordening en aangezien hierover geen opmerkingen zijn gemaakt, wordt deze bevestigd. Zo werd de dumpingmarge voor het gehele land vastgesteld op 39,7 % van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring.

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(34)

Aangezien er geen opmerkingen over de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden ontvangen, worden de overwegingen 44 tot en met 46 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.2.   Verbruik in de Gemeenschap

(35)

Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Gemeenschap werden ontvangen, wordt overweging 47 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.3.   Invoer in de Gemeenschap uit de VRC

(36)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde een van de communautaire importeurs aan dat de bevindingen van de Commissie betreffende de fluctuatie van de Chinese uitvoerprijs in de beoordelingsperiode vertekend waren doordat van boekjaren en niet van kalenderjaren werd uitgegaan. De beoordelingsperiode begon op 1 april 2004, terwijl deze op 1 januari 2004 zou beginnen als van kalenderjaren werd uitgegaan. Volgens de door de onderneming verstrekte gegevens zou in dat geval blijken dat de Chinese uitvoerprijzen tussen het kalenderjaar 2004 en het OT met 12 % waren toegenomen, in plaats van de lichte daling die in overweging 50 van de voorlopige verordening werd gemeld. Er moet echter op worden gewezen dat de door de importeur verstrekte gegevens betrekking hebben op zijn totale inkoopprijzen, die natuurlijk slechts een deel van de Chinese uitvoer naar de Gemeenschap betreffen. Bij bestudering van de Eurostat-gegevens over de gemiddelde prijs van alle invoer van MNG uit de VRC bleek dat de desbetreffende Chinese prijzen tussen januari 2004 en het eind van het OT met slechts 0,5 % zijn gestegen, en niet met de door de importeur gemelde 12 %. Het verschil tussen de vastgestelde prijsontwikkeling voor de beoordelingperiode (een daling van 2 %) en voor de periode tussen januari 2004 en het eind van het OT (een stijging van 0,5 %) is niet zodanig dat de conclusies over de gevolgen van deze prijzen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap moeten worden aangepast. Dit argument moest daarom worden afgewezen.

(37)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de invoer in de Gemeenschap uit de VRC werden ontvangen, worden de overwegingen 48 tot en met 52 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(38)

Enkele belanghebbenden stelden de analyse van de ontwikkeling van de schade-indicatoren ter discussie. Zij voerden aan dat door het gebruik van twaalfmaandelijkse, met het boekjaar van de klager samenvallende perioden in plaats van kalenderjaren de beoordelingsperiode in feite werd beperkt tot drie jaar, aangezien het boekjaar 2007 het OT grotendeels overlapte. Volgens deze belanghebbenden konden de ontwikkelingen van de schade-indicatoren alleen goed worden beoordeeld als de beoordelingsperiode werd verlengd en het volledige kalenderjaar 2004 omvatte. In dit opzicht moet erop worden gewezen dat de basisverordening geen strikte bepalingen voor de vaststelling van de beoordelingsperiode bevat. Daarnaast is in de WTO-aanbeveling betreffende de gegevensverzamelingsperiode voor antidumpingonderzoeken bepaald dat deze periode voor schadeonderzoeken in het algemeen gewoonlijk ten minste drie jaar bedraagt (4). Er werd niettemin een vergelijkende analyse van de belangrijkste schade-indicatoren op basis van kalenderjaren gemaakt, waarbij uitgegaan werd van een beoordelingsperiode die 2004, 2005, 2006 en het OT omvatte, om na te gaan of dit andere conclusies inzake schade zou opleveren. Deze analyse bracht geen wezenlijk andere ontwikkelingen van de belangrijkste schade-indicatoren aan het licht.

Hoewel bepaalde trends, zoals de afname van de productie- en verkoophoeveelheden, minder uitgesproken waren dan in de conclusies van de voorlopige verordening, bleven andere bevindingen, betreffende de negatieve winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de grote stijging van de invoer uit de VRC en de ernstige prijsonderbieding, onveranderd. Bovendien moet worden opgemerkt dat de beoordelingsperiode dient als indicator van de ontwikkeling van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, om te beoordelen of de bedrijfstak tijdens het OT aanmerkelijke schade heeft geleden. Dit argument van de belanghebbenden wordt dan ook afgewezen omdat ook als de beoordelingsperiode aan het begin van het eerste kwartaal van 2004 zou ingaan, de conclusie zou worden getrokken dat aanmerkelijke schade was geleden.

(39)

Daarnaast maakte de klager bezwaar tegen de formulering van overweging 60 van de voorlopige verordening. Hij was van mening dat de zinsnede „de overname van Orsan SA door Ajinomoto Foods Europe” onjuist was, aangezien Orsan SA na overname door Ajinomoto Group was omgedoopt in Ajinomoto Foods Europe.

(40)

Op grond van bovenstaande feiten en overwegingen wordt de conclusie dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden, zoals vermeld in de overwegingen 70 tot en met 72 van de voorlopige verordening, bevestigd.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(41)

Eén belanghebbende voerde aan dat de tijdens de beoordelingsperiode waargenomen negatieve ontwikkeling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in de tijd samenviel met de ontwikkeling van de invoerhoeveelheid uit de VRC. Op grond daarvan werd beweerd dat de invoer uit de VRC geen schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap kon hebben toegebracht. Hoewel in de overwegingen 60 en 61 van de voorlopige verordening hierop al uitgebreid is ingegaan, wordt er verder op gewezen dat overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening niet alleen de omvang van de invoer met dumping een belangrijke factor is voor de beoordeling of de aanmerkelijke schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping is veroorzaakt, maar dat ook de prijzen van die invoer op zich voldoende kunnen zijn. In overweging 76 van de voorlopige verordening werd geconcludeerd dat „[…] de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het OT in aanzienlijke mate onderboden werden en die ook in volume aanzienlijk toenam, een bepalende rol speelde bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade”. Gezien de ontwikkeling van de hoeveelheden en de prijzen van de invoer met dumping tijdens de beoordelingsperiode wordt geoordeeld dat dit argument moet worden afgewezen.

(42)

Een andere belanghebbende voerde aan dat de toename van de invoer van MNG uit de VRC in de beoordelingsperiode geen gevolgen had voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, aangezien deze invoer voornamelijk de plaats innam van invoer uit andere landen.

(43)

In dit verband wordt erop gewezen dat hoewel de invoer van MNG uit de VRC tot op zekere hoogte inderdaad in de plaats kwam van de invoer uit andere landen, zoals in overweging 57 van de voorlopige verordening werd aangegeven, het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC voortdurend toenam ten koste van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zelfs bij een afnemend verbruik in de Gemeenschap. Bovendien wordt deze bewering niet gesteund door de bevinding van dit onderzoek dat de laaggeprijsde golf van invoer met dumping uit de VRC, die de prijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap in aanzienlijke mate onderbood, ertoe heeft geleid dat de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens de beoordelingsperiode aanmerkelijke schade leed. Daarom moet dit argument worden afgewezen.

(44)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 74 tot en met 76 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Gevolgen van andere factoren

(45)

Diverse belanghebbenden herhaalden de argumenten die zij voor de instelling van de voorlopige maatregelen hadden aangevoerd om aan te tonen dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, veroorzaakt was door andere factoren dan de invoer met dumping. Op deze argumenten, die specifiek betrekking hadden op de herstructureringskosten en de stijgende grondstofkosten waaronder de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden zou hebben, is in de overwegingen 60 en 61 van de voorlopige verordening al voldoende ingegaan.

(46)

Eén belanghebbende herhaalde het voor de instelling van de voorlopige maatregelen door hem aangevoerde argument dat de mogelijk door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade ook veroorzaakt kan zijn door de uitvoer van MNG uit de VRC door ondernemingen die verbonden waren met de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bovendien voerde deze belanghebbende aan dat de klager de Commissie had misleid door te verzwijgen dat er verbonden ondernemingen in de VRC waren en te verdoezelen dat zij MNG uit de VRC naar de Gemeenschap uitvoerden. Deze belanghebbende meende dat om die reden artikel 18 van de basisverordening op de klager moest worden toegepast. Dezelfde belanghebbende achtte ook zijn recht van verweer geschonden, omdat uit de voor belanghebbenden te raadplegen versies van de klacht en van het antwoord van de klager op de vragenlijst („openbare versies”) niet bleek dat de klager verbonden ondernemingen in de VRC had die bij de handel in MNG betrokken waren.

(47)

Zoals in overweging 94 van de voorlopige verordening al is aangegeven, werd de uitvoer van MNG naar de Gemeenschap door één producent in de VRC waarvan bekend was dat deze verbonden was met de bedrijfstak van de Gemeenschap, gezien de geringe hoeveelheden niet van belang geacht. Bovendien moet worden benadrukt dat de klager de Commissie geen misleidende informatie over de met hem verbonden ondernemingen in de VRC heeft gegeven. Deze informatie was opgenomen in de vertrouwelijke versies van de klacht en van het antwoord van de klager op de vragenlijst. Het is waar dat deze informatie oorspronkelijk niet in de openbare versies van de klacht en van het antwoord van de klager op de vragenlijst was opgenomen. In de loop van de procedure heeft de klager echter openbare versies verstrekt waarin de informatie over de met hem verbonden ondernemingen in de VRC wel was opgenomen. Bijgevolg wordt geoordeeld dat het recht van verweer van de belanghebbenden niet is geschonden. Bovendien werd geen overtuigend bewijsmateriaal verstrekt waaruit bleek dat Ajinomoto Group op de hoogte was van de vermeende indirecte uitvoer van een van zijn verbonden ondernemingen in de VRC. Daarom wordt toepassing van artikel 18 van de basisverordening in dit geval niet terecht geacht en wordt het argument afgewezen.

(48)

Een van de belanghebbenden herhaalde de voor de instelling van de voorlopige maatregelen door hem aangevoerde argumenten ten aanzien van de gevolgen van de wisselkoers tussen de Amerikaanse dollar en de euro voor de berekening van de prijsonderbieding en voor de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Er werden echter geen aanvullende gegevens of bewijzen verstrekt die de conclusies in de overwegingen 84 tot en met 90 van de voorlopige verordening zouden kunnen wijzigen en die conclusies worden dan ook bevestigd.

(49)

Eén belanghebbende herhaalde het door hem voor de instelling van de voorlopige maatregelen aangevoerde argument betreffende de gevolgen van de globale strategie van Ajinomoto Group en in het bijzonder van de uitvoer naar de EU-markt door MNG-producenten in derde landen waarvan Ajinomoto eigenaar is, met name voor de winst en het voorraadniveau van de klager. In overweging 92 van de voorlopige verordening is aangegeven dat de verkoop op de communautaire markt van MNG afkomstig van met de bedrijfstak van de Gemeenschap verbonden exporteurs in landen buiten de Gemeenschap gedurende de beoordelingsperiode gestaag en aanzienlijk was afgenomen. Op grond daarvan werd in overweging 95 van die verordening geconcludeerd dat de invoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap afkomstig van verbonden partijen buiten de Gemeenschap niet tot de vastgestelde aanmerkelijke schade heeft bijgedragen. Deze belanghebbende heeft geen aanvullende gegevens of bewijzen verstrekt die deze conclusie zouden kunnen veranderen en die conclusie wordt dan ook bevestigd.

5.3.   Conclusie over het oorzakelijk verband

(50)

Gezien bovenstaande analyse, waarbij de effecten van alle andere bekende factoren op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar behoren zijn onderscheiden, en zijn gescheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren er als zodanig niet aan afdoen dat de vastgestelde aanmerkelijke schade aan de invoer met dumping moet worden toegerekend.

(51)

Derhalve luidt de conclusie dat de invoer met dumping van MNG van oorsprong uit de VRC aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft toegebracht in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

(52)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 99 en 100 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

6.1.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(53)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 103 tot en met 106 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.2.   Belang van de importeurs

(54)

Eén importeur voerde aan dat de negatieve gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor zijn economische situatie in overweging 108 van de voorlopige verordening zijn onderschat. Volgens deze onderneming zou hij, gezien de geringe winstgevendheid van de verkoop van MNG en de beperkte mogelijkheden om de prijsstijging aan zijn klanten door te berekenen, zijn handel in MNG moeten staken wanneer antidumpingmaatregelen worden ingesteld. Er zij op gewezen dat de handel in MNG een klein onderdeel vormt van de activiteit van deze importeur, die zijn MNG voornamelijk uit de VRC betrekt. De importeur in kwestie zou kunnen overstappen op andere leveranciers, die niet door de antidumpingmaatregelen worden getroffen. Maar zoals in overweging 108 van de voorlopige verordening al werd aangegeven, wordt verwacht dat de instelling van de maatregelen tot gevolg zal hebben dat op de communautaire markt de effectieve handelsvoorwaarden worden hersteld, waardoor in dit geval de prijzen van MNG, en in het bijzonder van MNG van de bedrijfstak van de Gemeenschap en afkomstig uit de VRC, kunnen stijgen. Daarom wordt verwacht dat alle importeurs hun kostenstijging als gevolg van de instelling van antidumpingmaatregelen ten minste gedeeltelijk kunnen doorberekenen. De conclusie in overweging 108 van de voorlopige verordening wordt bijgevolg bevestigd.

6.3.   Belang van de gebruikers

(55)

Naar aanleiding van de opmerkingen van belanghebbenden over de mogelijke gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor de verwerkende bedrijven zijn nadere analyses uitgevoerd aan de hand van informatie van de grootste gebruikers van MNG in de Gemeenschap, namelijk Nestlé en Unilever. Uit het onderzoek bleek dat minder dan 3 % van de productiekosten van alle door deze twee bedrijven geproduceerde producten die MNG bevatten, door MNG worden bepaald. Daarom kan, mede rekening houdend met de aanwijzingen dat beide bedrijven tijdens het OT in het bijzonder op deze producten relatief hoge gemiddelde winstmarges hebben behaald, worden bevestigd dat de voorgestelde maatregelen geen aanzienlijke gevolgen voor hun activiteit zullen hebben.

6.4.   Belang van de grondstoffenleveranciers

(56)

In het licht van overweging 115 van de voorlopige verordening werd de analyse van de belangen van het toeleveringsbedrijf van de bedrijfstak van de Gemeenschap uitgebreid tot de gegevens die verstrekt zijn door een tweede leverancier. Op grond van de antwoorden van de twee leveranciers op de vragenlijst werd vastgesteld dat de situatie van de toeleveringsbedrijven tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk was verslechterd, overeenkomstig de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De totale omzet van de bij het onderzoek betrokken leveranciers liep met 8 tot 13 % terug en hun verkoop aan de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde zelfs dubbel zo hard (met 15 tot 25 %). Beide ondernemingen zagen ook hun winstgevendheid afnemen.

(57)

Gezien bovenstaande bevindingen wordt de inhoud van overweging 116 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.5.   Verstoring van concurrentie en handel

(58)

Enkele van de belanghebbenden herhaalden hun opmerkingen dat Ajinomoto Group een dominante positie op de wereldmarkt en een monopoliepositie in de Gemeenschap had. Op deze vraagstukken is in overweging 117 van de voorlopige verordening al ingegaan. Er is geen nieuw bewijsmateriaal voor deze argumenten ingebracht.

(59)

Verschillende belanghebbenden hebben aanvullende argumenten over de ontwikkelingen op de MNG-markt na het OT aangevoerd. Volgens hen waren na het OT de invoerhoeveelheden afgenomen en de prijzen gestegen, waardoor de mogelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap teniet zou zijn gedaan. De belanghebbenden betoogden dat de instelling van antidumpingrechten in deze omstandigheden slechts schade aan de importeurs en gebruikers in de Gemeenschap zou berokkenen. Zij wezen er ook op dat er op de wereldmarkt een tekort aan MNG zou zijn ontstaan, omdat volgens hun gegevens diverse belangrijke producenten in de wereld hun productie hadden gestaakt of hun productiecapaciteit hadden verkleind. Bovenstaande argumenten worden echter niet gestaafd door Eurostat-gegevens en aanvullende informatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De invoerprijzen zijn na het OT juist constant gebleven en in sommige maanden zelfs gedaald, terwijl de hoeveelheid van de invoer uit zowel de VRC als uit derde landen toenam. Uit deze laatste ontwikkeling blijkt dat enkele marktdeelnemers van buiten de VRC over capaciteit beschikken om hun uitvoer naar de Gemeenschap op te voeren.

6.6.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(60)

Gezien de resultaten van het nadere onderzoek van het belang van de Gemeenschap in de hierboven beschreven zaak worden de bevindingen en conclusies in overweging 119 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

7.1.   Schademarge

(61)

Aangezien er geen onderbouwde opmerkingen werden ontvangen die de conclusie over de schademarge zouden kunnen veranderen, worden de overwegingen 120 tot en met 122 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Vorm en hoogte van de rechten

(62)

Gelet op het voorgaande moeten overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening definitieve antidumpingrechten worden ingesteld die hoog genoeg zijn om een eind te maken aan de door de invoer met dumping veroorzaakte schade, maar die het niveau van de vastgestelde dumpingmarge niet mogen overschrijden.

(63)

De definitieve rechten zijn als volgt:

Onderneming

Schademarge

Dumpingmarge

Antidumpingrecht

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd, en

Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd

54,8 %

33,8 %

33,8 %

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd

60,4 %

36,5 %

36,5 %

Alle andere ondernemingen

63,7 %

39,7 %

39,7 %

(64)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(65)

Verzoeken in verband met de toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bv. na een naamswijziging van een bedrijf of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie (5) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

7.3.   Verbintenissen

(66)

Eén medewerkende Chinese producent/exporteur heeft een prijsverbintenis aangeboden.

(67)

In dit verband wordt erop gewezen dat de prijzen voor MNG worden vastgesteld door wereldwijde onderhandelingen met grote internationale ondernemingen die productiefaciliteiten binnen en buiten de Gemeenschap hebben. Ook wordt erop gewezen dat het grootste deel van de productie van deze producent/exporteur aan dergelijke internationale ondernemingen wordt verkocht. Gezien het bovenstaande werd het risico van kruiscompensatie van de prijzen tussen verkoopovereenkomsten die worden gesloten met internationale ondernemingen voor hun productiefaciliteiten in de Gemeenschap en voor hun faciliteiten in andere landen buiten de Gemeenschap zeer hoog geacht. Bovendien werd geoordeeld dat een dergelijke kruiscompensatie in het kader van het toezicht op de naleving van de verbintenis bijzonder moeilijk zou kunnen worden vastgesteld. Daarom moest de door deze producent/exporteur aangeboden verbintenis in haar huidige vorm worden verworpen; de verbintenis zou namelijk onuitvoerbaar zijn doordat de Commissie geen passend toezicht op de naleving ervan kan houden.

7.4.   Definitieve inning van de voorlopige rechten en speciaal toezicht

(68)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 492/2008 van de Commissie, de voorlopige verordening, als zekerheid gestelde bedragen definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten.

(69)

Indien het volume van de uitvoer door de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de antidumpingmaatregelen aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is de individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op mononatriumglutamaat, ingedeeld onder GN-code ex 2922 42 00 (Taric-code 2922420010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, van de door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten bedraagt:

Onderneming

Antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Hebei Meihua MSG Group Co., Ltd, en

Tongliao Meihua Bio-Tech Co., Ltd

33,8

A883

Fujian Province Jianyang Wuyi MSG Co., Ltd

36,5

A884

Alle andere ondernemingen

39,7

A999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EG) nr. 492/2008 van de Commissie zijn ingesteld op mononatriumglutamaat, ingedeeld onder GN-code ex 2922 42 00 (Taric-code 2922420010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China, worden definitief geïnd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 november 2008.

Voor de Raad

De voorzitster

M. ALLIOT-MARIE


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(2)  PB L 144 van 4.6.2008, blz. 14.

(3)  Punt 6, onder c), van het bericht van inleiding, PB C 206 van 5.9.2007, blz. 23.

(4)  G/ADP/6 van 16 mei 2000.

(5)  Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, Kamer N105 04/092, B-1049 Brussel.


Top