EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003D0170

2003/170/JBZ: Besluit 2003/170/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten

OJ L 67, 12.3.2003, p. 27–30 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 006 P. 129 - 132
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 006 P. 74 - 77
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 006 P. 74 - 77
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 005 P. 3 - 6

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 25/08/2006

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2003/170(1)/oj

32003D0170

2003/170/JBZ: Besluit 2003/170/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten

Publicatieblad Nr. L 067 van 12/03/2003 blz. 0027 - 0030


Besluit 2003/170/JBZ van de Raad

van 27 februari 2003

betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 30, lid 1, onder a), b) en c), artikel 30, lid 2, onder c), en artikel 34, lid 2, onder c),

Gezien het initiatief van het Koninkrijk Denemarken(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Tijdens zijn zitting van 3 december 1998 heeft de Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken het Actieplan van de Raad en de Commissie over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd(3), aangenomen. In maatregel 48 daarvan staat dat binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag maatregelen moeten worden genomen ter bevordering van samenwerking en gezamenlijke initiatieven inzake opleiding, de uitwisseling van verbindingsfunctionarissen, detachering, het gebruik van apparatuur en forensisch onderzoek.

(2) De Europese Raad van Wenen van 11 en 12 december 1998 heeft in zijn conclusie 83 het Actieplan van de Raad en de Commissie bekrachtigd voor de optimale uitvoering van de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam betreffende een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, bekrachtigd en in zijn conclusie 89 aangedrongen op een versterking van het optreden tegen de georganiseerde criminaliteit in het licht van de nieuwe mogelijkheden die door het Verdrag zijn ontstaan.

(3) De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft de Raad en de Commissie verzocht om in nauwe samenwerking met het Europees Parlement, de volledige en onmiddellijke uitvoering van het Verdrag van Amsterdam te bevorderen op basis van het door de Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 3 december 1998 aangenomen en door de Europese Raad van Wenen van 11 en 12 december 1998 bekrachtigde actieplan, en de politieke beleidslijnen en concrete doelstellingen ter versterking van de politiële samenwerking in het perspectief van de strijd tegen grensoverschrijdende criminaliteit, die in Tampere zijn overeengekomen.

(4) De Europese Raad van Helsinki van 10 en 11 december 1999 heeft de Europese Unie verzocht om zich er op internationaal niveau voor te beijveren de samenwerking met derde landen op het gebied van terugdringing van vraag en aanbod en op het gebied van justitie en binnenlandse zaken te intensiveren. De Europese Raad wees er in die context tevens op dat gecombineerde inspanningen van alle terzake bevoegde autoriteiten daartoe noodzakelijk zullen zijn en dat voor Europol in dezen een bijzondere rol is weggelegd.

(5) De Europese Raad van Laken van 14 en 15 december 2001 heeft in zijn conclusie 37 het belang van de in Tampere vastgestelde beleidslijnen en doelstellingen bevestigd en daarbij tevens opgemerkt dat er nieuwe impulsen en richtsnoeren nodig zijn om de achterstand op sommige gebieden in te halen.

(6) De Raad heeft op 14 oktober 1996 Gemeenschappelijk Optreden 96/602/JBZ houdende een gemeenschappelijk beleidskader voor de initiatieven van de lidstaten betreffende verbindingsofficieren(4) aangenomen.

(7) Gezien de ervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden en gelet op de in het Verdrag van Amsterdam opgenomen bepalingen inzake de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, is het noodzakelijk de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de taakomschrijving en de detachering van verbindingsofficieren in derde landen en bij internationale organisaties te versterken en verder te ontwikkelen.

(8) Europol zal samenwerkingsbetrekkingen met derde landen en internationale organisaties aangaan en deze onderhouden, voorzover dat dienstig is voor de uitvoering van de in de Europolovereenkomst(5) vastgestelde taken.

(9) Met een groot aantal derde landen en internationale organisaties zijn of zullen door Europol samenwerkingsbetrekkingen worden aangegaan en worden onderhouden.

(10) Het is noodzakelijk Europol de nodige steun en mogelijkheden te geven om daadwerkelijk een spilfunctie te vervullen binnen de Europese politiële samenwerking. De Europese Raad heeft benadrukt dat Europol een centrale rol speelt bij de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit, vanwege de steun die Europol verleent bij de preventie, de analyse en de opsporing van criminaliteit op het niveau van de Europese Unie.

(11) Het is noodzakelijk Europol de mogelijkheid te geven om, tot op zekere hoogte, gebruik te maken van de verbindingsofficieren van de lidstaten in derde landen, teneinde op die manier de operationele steunfunctie van Europol ten behoeve van de nationale politiediensten te versterken.

(12) De lidstaten erkennen dat er al uitgebreid wordt samengewerkt tussen de verbindingsofficieren die door de lidstaten, met het oog op hun nationale behoeften, in derde landen of bij externe organisaties zijn gedetacheerd. Niettemin dient de samenwerking tussen de verbindingsofficieren van de lidstaten in derde landen en bij internationale organisaties op bepaalde punten te worden versterkt, teneinde de middelen van de lidstaten optimaal te benutten.

(13) De samenwerking tussen de lidstaten dient op dit gebied te worden versterkt om de uitwisseling van gegevens met het oog op de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit te vergemakkelijken.

(14) De lidstaten hechten bijzonder veel belang aan samenwerking bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, omdat zij van oordeel zijn dat intensievere samenwerking op het gebied van gegevensuitwisseling de nationale autoriteiten beter in staat zal stellen de criminaliteit op doeltreffende wijze te bestrijden. De lidstaten zijn in dit verband van mening dat voor Europol een centrale rol is weggelegd.

(15) Dit besluit beoogt een regeling vast te stellen voor aangelegenheden die te maken hebben met de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit.

(16) De bepalingen inzake gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren als vervat in de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan hun gemeenschappelijke grenzen(6) (hierna "de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord" genoemd), dienen verder te worden ontwikkeld om de samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van de grensoverschrijdende criminaliteit te versterken.

(17) Wat IJsland en Noorwegen betreft, is dit besluit, met uitzondering van artikel 8, te beschouwen als een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis, in de zin van de door de Raad van de Europese Unie met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(7), vallend onder het gebied bedoeld in artikel 1, letter H, van Besluit 1999/437/EG van de Raad(8) inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst.

(18) Het Verenigd Koninkrijk neemt aan dit besluit deel in overeenstemming met artikel 5 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie, en artikel 8, lid 2, van Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele bepalingen van het Schengenacquis(9).

(19) Ierland neemt aan dit besluit deel in overeenstemming met artikel 5 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis(10).

(20) Gemeenschappelijk Optreden 96/602/JBZ en het bepaalde in artikel 47, lid 4, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, dienen derhalve te worden ingetrokken,

BESLUIT:

Artikel 1

Definitie

1. In dit besluit wordt onder "verbindingsofficier" verstaan: een vertegenwoordiger van een van de lidstaten die door een rechtshandhavende instantie in een of meer derde landen of bij internationale organisaties wordt gedetacheerd om in de betreffende landen of bij de betreffende internationale organisaties contacten met de autoriteiten te leggen of te onderhouden, teneinde te helpen strafbare feiten te voorkomen of aan het licht te brengen.

2. Dit besluit geldt onverminderd de voorwaarde dat de taken van de verbindingsofficieren van de lidstaten het kader van hun bevoegdheden niet te buiten mogen gaan en dat het nationaal recht, de nationale behoeften en eventuele gunstiger overeenkomsten met het gastland of de internationale organisatie in acht moeten worden genomen.

Artikel 2

Taken van de verbindingsofficieren

1. Elke lidstaat ziet erop toe dat zijn verbindingsofficieren rechtstreeks contact met de bevoegde autoriteiten in het gastland of bij de internationale organisatie leggen en onderhouden, teneinde de inzameling en uitwisseling van gegevens te bevorderen en te bespoedigen.

2. De verbindingsofficier van elke lidstaat levert voorts een bijdrage aan de inzameling en uitwisseling van gegevens die van nut kunnen zijn bij de bestrijding van zware grensoverschrijdende criminaliteit, met inbegrip van gegevens waardoor een beter inzicht wordt verkregen in de rechtssystemen en de operationele methoden die in de betreffende landen of internationale organisaties kunnen worden toegepast.

3. De verbindingsofficieren voeren hun taken uit binnen het kader van hun bevoegdheden en met inachtneming van de bepalingen, met inbegrip van de bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens, van hun nationaal recht en van eventuele overeenkomsten met gastlanden of internationale organisaties.

Artikel 3

Informatie over de detachering van verbindingsofficieren

1. De lidstaten verstrekken elkaar informatie over hun voornemens met betrekking tot de detachering van verbindingsofficieren in derde staten en bij internationale organisaties en verstrekken het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie (hierna "het secretariaat-generaal van de Raad" genoemd) ieder jaar informatie over de detachering van verbindingsofficieren, onder meer over hun bevoegdheden en over eventuele samenwerkingsovereenkomsten tussen de lidstaten in verband met de detachering van verbindingsofficieren.

2. Het secretariaat-generaal van de Raad stelt jaarlijks een overzicht op van de detachering van verbindingsofficieren door de lidstaten, onder meer over hun bevoegdheden en over eventuele samenwerkingsovereenkomsten tussen de lidstaten in verband met de detachering van verbindingsofficieren. Dit overzicht wordt toegezonden aan de lidstaten en aan Europol.

Artikel 4

Netwerk van verbindingsofficieren in derde landen

1. De lidstaten zien erop toe dat de verbindingsofficieren van de lidstaten die in dezelfde derde landen of bij dezelfde internationale organisaties zijn gedetacheerd, regelmatig of wanneer de situatie zulks vereist, bijeenkomen om relevante informatie uit te wisselen. De lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie bekleedt, ziet erop toe dat zijn verbindingsofficier het initiatief neemt voor het beleggen van dergelijke vergaderingen. Indien de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie bekleedt, in het betreffende derde land of de betreffende internationale organisatie niet vertegenwoordigd is, neemt de vertegenwoordiger van het volgende of het daaropvolgende voorzitterschap het initiatief voor de vergadering. De Commissie en Europol worden, wanneer zulks dienstig is, op dergelijke vergaderingen uitgenodigd.

2. De lidstaten zien erop toe dat hun verbindingsofficieren die in dezelfde derde landen of bij dezelfde internationale organisaties zijn gedetacheerd, elkaar bijstand verlenen bij het leggen en onderhouden van contacten met de autoriteiten van het gastland. Wanneer dat zinvol is, kunnen de lidstaten overeenkomen dat hun verbindingsofficieren de taken onderling verdelen.

3. De lidstaten kunnen op bilateraal of multilateraal niveau overeenkomen dat de door een lidstaat in een derde land of bij een internationale organisatie gedetacheerde verbindingsofficieren ook de belangen van een of meer andere lidstaten behartigen.

Artikel 5

Samenwerking tussen de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens via verbindingsofficieren in derde landen

1. De lidstaten zien erop toe dat hun in derde landen en bij internationale organisaties gedetacheerde verbindingsofficieren, met inachtneming van het nationale recht en de toepasselijke internationale instrumenten alsmede van de bestaande bepalingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens, aan hun respectieve nationale autoriteiten informatie doen toekomen over ernstige criminele bedreiging ten aanzien van andere lidstaten die niet door eigen verbindingsofficieren in het betreffende derde land of bij de betreffende internationale organisatie vertegenwoordigd worden. De nationale autoriteiten gaan met inachtneming van het nationale recht en aan de hand van de ernst van de bedreiging na, of de betrokken lidstaten van deze informatie in kennis moeten worden gesteld.

2. De in derde landen en bij internationale organisaties gedetacheerde verbindingsofficieren van de lidstaten kunnen, met inachtneming van het nationaal recht en de toepasselijke internationale instrumenten alsmede van de bestaande bepalingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens, informatie over ernstige criminele bedreigingen ten aanzien van een andere lidstaat rechtstreeks aan de verbindingsofficieren van de betreffende lidstaat zelf meedelen wanneer die lidstaat in het betreffende derde land of bij de betreffende internationale organisatie vertegenwoordigd is.

3. Met inachtneming van het nationale recht en van de toepasselijke internationale instrumenten, kunnen lidstaten die geen verbindingsofficieren in een derde land of bij een internationale organisatie gedetacheerd hebben, zich met het oog op de uitwisseling van relevante informatie tot een andere lidstaat richten die wel verbindingsofficieren in het betreffende derde land of bij de betreffende internationale organisatie heeft gedetacheerd.

4. De lidstaten behandelen informatieverzoeken als bedoeld in lid 3 met inachtneming van hun nationale recht en de toepasselijke internationale instrumenten, en delen zo spoedig mogelijk mede of op een dergelijk verzoek kan worden ingegaan.

5. De lidstaten kunnen ermee instemmen dat eventuele informatie rechtstreeks wordt uitgewisseld tussen de in derde landen en bij internationale organisaties gedetacheerde verbindingsofficieren en de autoriteiten van andere lidstaten, met inachtneming van de bestaande bepalingen met betrekking tot de bescherming van persoonsgegevens.

6. De verrichting van de in de leden 1 en 2 bedoelde taken mag de vervulling van de oorspronkelijke taken van de verbindingsofficieren niet in het gedrang brengen.

Artikel 6

Gemeenschappelijke studiebijeenkomsten voor verbindingsofficieren

1. Om de samenwerking tussen de verbindingsofficieren in een of meer derde landen of bij internationale organisaties te verbeteren, kunnen de lidstaten, als er een specifieke noodzaak is om kennis over de betrokken derde landen of internationale organisaties te vergaren of om aldaar op te treden, gemeenschappelijke studiebijeenkomsten organiseren over de ontwikkeling van de criminaliteit en de meest doeltreffende methoden om zware grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met het EU-acquis. De Commissie en Europol worden op die studiebijeenkomsten uitgenodigd.

2. Deelneming aan de in lid 1 bedoelde studiebijeenkomsten mag de vervulling van de oorspronkelijke taken van de verbindingsofficieren niet in het gedrang brengen.

Artikel 7

Bevoegde nationale autoriteiten

1. De lidstaten wijzen contactpunten binnen hun bevoegde autoriteiten aan om de uitvoering van de in dit besluit bedoelde taken te vergemakkelijken en zien erop toe dat de nationale contactpunten in staat zijn hun taken doeltreffend en snel uit te voeren.

2. De lidstaten verstrekken het secretariaat-generaal van de Raad schriftelijke informatie over de contactpunten binnen hun bevoegde autoriteiten, alsmede over latere wijzigingen op grond van dit besluit. Het secretariaat-generaal maakt deze gegevens bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3. Dit besluit laat de bestaande nationale bepalingen, en met name de verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende autoriteiten en diensten in de betrokken lidstaten, onverlet.

Artikel 8

Europol

1. De lidstaten faciliteren, met inachtneming van het nationale recht en van de Europolovereenkomst, de verwerking van verzoeken van Europol om informatie aan de verbindingsofficieren van de lidstaten in de derde landen of bij de internationale organisaties waar Europol niet vertegenwoordigd is. De informatieverzoeken van Europol worden gericht aan de nationale eenheden van de lidstaten, die daarover beslissen met inachtneming van het nationale recht en van de Europolovereenkomst. De informatie van de in derde landen of bij internationale organisaties gedetacheerde verbindingsofficieren van de lidstaten wordt aan Europol verstrekt met inachtneming van het nationale recht en van de Europolovereenkomst.

2. Bij de vaststelling van de taken van de verbindingsofficieren van de lidstaten houden de lidstaten, wanneer dat nuttig wordt geacht, rekening met de taken die in het kader van de Europolovereenkomst door Europol worden uitgevoerd.

Artikel 9

Toepassing op Gibraltar

Dit besluit is van toepassing op Gibraltar.

Artikel 10

Evaluatie

De Raad evalueert de uitvoering van dit besluit uiterlijk binnen twee jaar na de aanneming ervan.

Artikel 11

Intrekking

1. Gemeenschappelijk Optreden 96/602/JBZ wordt bij deze ingetrokken.

2. Artikel 47, lid 4, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord wordt bij deze ingetrokken.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 27 februari 2003.

Voor de Raad

De voorzitter

M. Chrisochoïdis

(1) PB C 176 van 24.7.2002, blz. 8.

(2) Advies van het Europees Parlement van 20 november 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(3) PB C 19 van 23.1.1999, blz. 1.

(4) PB L 268 van 19.10.1996, blz. 2.

(5) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 2.

(6) PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(7) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.

(8) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.

(9) PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43.

(10) PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.

Top