EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012R0748

Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (herschikking) Voor de EER relevante tekst

PB L 224 van 21/08/2012, p. 1–85 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 25/08/2023

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/748/oj

21.8.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/1


VERORDENING (EU) Nr. 748/2012 VAN DE COMMISSIE

van 3 augustus 2012

tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1702/2003 van de Commissie van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Aangezien verdere wijzigingen moeten worden aangebracht, moet deze verordening om redenen van duidelijkheid worden herschikt.

(2)

Verordening (EG) nr. 216/2008 stelt gemeenschappelijke essentiële eisen vast voor een hoog en uniform niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart en de daarmee verband houdende milieubescherming. De Commissie dient de voor een uniforme toepassing noodzakelijke uitvoeringsvoorschriften vast te stellen. De verordening voorziet in de oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het Agentschap” genoemd) dat de Commissie bijstand moet verlenen bij de ontwikkeling van dergelijke uitvoeringsvoorschriften.

(3)

Het is noodzakelijk gemeenschappelijke technische eisen vast te stellen en administratieve procedures in te stellen om de luchtwaardigheid en de verenigbaarheid met het milieu van luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken die vallen onder Verordening (EG) nr. 216/2008, te waarborgen. Deze voorschriften en procedures dienen de voorwaarden te specificeren voor het afgeven, behouden, wijzigen, opschorten of intrekken van de passende certificaten.

(4)

De organisaties, belast met het ontwerp en de productie van producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten zich conformeren aan bepaalde technische eisen teneinde aan te tonen dat zij beschikken over de bekwaamheid en middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan hun rechten verbonden zijn. De Commissie dient maatregelen vast te stellen voor het specificeren van de voorwaarden voor het afgeven, behouden, wijzigen, opschorten of intrekken van certificaten die getuigen van een dergelijke conformiteit.

(5)

Bij de vaststelling van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke essentiële voorschriften op het gebied van luchtwaardigheid, dient de Commissie er zorg voor te dragen dat deze de stand van de techniek en de beste praktijken weergeven, rekening houden met wereldwijde ervaringen op het gebied van luchtvaartuigen en wetenschappelijke en technische vooruitgang, alsmede voor vastgestelde oorzaken van ongevallen en ernstige voorvallen een onmiddellijke respons mogelijk maken.

(6)

De behoefte aan uniformiteit in de toepassing van gemeenschappelijke luchtwaardigheids- en milieuvoorschriften voor luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken vereist een gemeenschappelijke benadering en maatregelen die opgevolgd dienen te worden door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten en, voor zover van toepassing, door het Agentschap, teneinde de naleving van deze voorschriften te beoordelen. Het Agentschap dient derhalve specificaties voor certificering te ontwikkelen, met inbegrip vanrichtsnoeren en aanvaardbare wijzen van naleving teneinde de noodzakelijke uniformiteit in de regelgeving te bevorderen.

(7)

Het is van belang de blijvende geldigheid van certificaten te erkennen die vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1702/2003 zijn afgegeven, in overeenstemming met artikel 69 van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(8)

Om te garanderen dat het niveau van de luchtvaartveiligheid in Europa hoog en uniform blijft, moeten de eisen en procedures voor de certificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, en van ontwerp- en productieorganisaties worden gewijzigd; meer bepaald moeten de regels voor het aantonen van de overeenstemming met de typecertificeringsbasis en de eisen inzake milieubescherming verder worden uitgewerkt en moet bij wijzigingen van typecertificaten worden voorzien in de mogelijkheid om ervoor te kiezen latere normen na te leven.

(9)

Het concept en de complexiteit van hulpaggregaten vertonen veel gelijkenissen met die van vliegtuigmotoren, en in sommige gevallen zijn ontwerpen van hulpaggregaten zelfs afgeleid van motorontwerpen. De bepalingen inzake de herstelling van hulpaggregaten moeten dan ook worden gewijzigd om ze opnieuw te laten aansluiten bij de processen voor de herstelling van motoren.

(10)

Om ervoor te zorgen dat niet-complexe motoraangedreven luchtvaartuigen, recreatieve luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingen onderworpen zijn aan maatregelen die in verhouding staan tot het eenvoudige ontwerp en gebruik van deze luchtvaartuigen, moeten de eisen en procedures voor de certificering van deze luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingen en voor ontwerp- en productieorganisaties worden gewijzigd; voor de eigenaars van European Light Aircraft van minder dan 2 000 kg (ELA2) of minder dan 1 200 kg (ELA1) moet met name worden voorzien in de mogelijkheid om bepaalde niet-veiligheidskritieke onderdelen voor installatie te aanvaarden zonder een EASA-formulier 1.

(11)

Het Agentschap heeft ontwerpuitvoeringsregels opgesteld en ze als adviezen nr. 01/2009 („Possibility to deviate from airworthiness code in case of design changes”), nr. 02/2009 („Repair and design changes to European Technical Standard Order”), nr. 01/2010 („SubPart J DOA”) en nr. 01/2011 („ELA Process and standard changes and repairs”) bij de Commissie ingediend overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 65, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008 ingestelde comité van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied en definities

1.   In overeenstemming met artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 216/2008 stelt de onderhavige verordening gemeenschappelijke technische eisen en administratieve procedures vast voor de luchtwaardigheid en milieucertificering van producten, onderdelen en uitrustingsstukken en specificeert:

a)

de afgifte van typecertificaten, beperkte typecertificaten, aanvullende typecertificaten en wijzigingen in die certificaten;

b)

de afgifte van bewijzen van luchtwaardigheid en beperkte bewijzen van luchtwaardigheid, vliegvergunningen en certificaten van vrijgave;

c)

het afgeven van goedkeuringen voor reparatieontwerpen;

d)

het aantonen van naleving van eisen op het gebied van milieubescherming;

e)

de afgifte van geluidscertificaten;

f)

de identificatie van producten, onderdelen en uitrustingsstukken;

g)

de certificering van bepaalde onderdelen en uitrustingsstukken;

h)

de certificering van ontwerp- en productieorganisaties;

i)

de uitvaardiging van luchtwaardigheidsaanwijzingen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„JAA”: „gezamenlijke luchtvaartautoriteiten”;

b)

„JAR”: „gezamenlijke luchtvaartvoorschriften”;

c)

„deel 21”; de vereisten en procedures voor de certificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken alsmede van ontwerp- en productieorganisaties, vastgesteld in bijlage I bij deze verordening;

d)

„deel M”: de van toepassing zijnde voorschriften voor blijvende luchtwaardigheid die conform Verordening (EG) nr. 216/2008 zijn goedgekeurd;

e)

„hoofdvestiging van de organisatie”: het hoofdkantoor of geregistreerde kantoor van de onderneming waar de belangrijkste financiële taken en de operationele controle van de in deze verordening bedoelde activiteiten worden uitgevoerd;

f)

„artikel”; elk onderdeel en uitrustingsstuk dat wordt gebruikt in burgerluchtvaartuigen;

g)

„ETSO”: European Technical Standard Order. De European Technical Standard Order is een gedetailleerde luchtwaardigheidsspecificatie die door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”) is uitgevaardigd om zeker te stellen dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze verordening als een minimale prestatienorm voor gespecificeerde artikelen;

h)

„EPA”: European Part Approval. De European Part Approval van een artikel betekent dat het artikel geproduceerd is in overeenstemming met goedgekeurde ontwerpgegevens die niet toebehoren aan de houder van het typecertificaat van het betreffende product, behalve voor ETSO-artikelen.

i)

„ELA1-luchtvaartuig”: de volgende bemande European Light Aircraft:

i)

een vliegtuig met een maximale startmassa van hoogstens 1 200 kg dat niet is geklassificeerd als complex motoraangedreven luchtvaartuig;

ii)

een zweefvliegtuig of gemotoriseerd zweefvliegtuig met een maximale startmassa van hoogstens 1 200 kg;

iii)

een ballon ontworpen voor een gas- of heteluchtvolume van ten hoogste 3 400 m3 voor heteluchtballonnen, 1 050 m3 voor vrije gasballonnen, 300 m3 voor vastgemaakte gasballonnen;

iv)

een luchtschip ontworpen voor maximaal vier inzittenden en een gas- of heteluchtvolume van ten hoogste 3 400 m3 voor heteluchtluchtschepen en 1 000 m3 voor gasluchtschepen;

j)

„ELA2-luchtvaartuig”: de volgende bemande European Light Aircraft:

i)

een vliegtuig met een maximale startmassa van hoogstens 2 000 kg dat niet is geklassificeerd als complex motoraangedreven luchtvaartuig;

ii)

een zweefvliegtuig of gemotoriseerd zweefvliegtuig met een maximale startmassa van hoogstens 2 000 kg;

iii)

een ballon;

iv)

een heteluchtluchtschip;

v)

een gasluchtschip dat aan elk van de volgende kenmerken beantwoordt:

maxium 3 % statisch gewicht,

niet-gerichte stuwkracht (met uitzondering van straalomkering),

conventioneel en eenvoudig ontwerp van structuur, controlesysteem en ballonetsysteem,

onbekrachtigde besturing;

vi)

een heel licht hefschroefvliegtuig.

Artikel 2

Certificering van producten, onderdelen en uitrustingsstukken

1.   Voor producten, onderdelen en uitrustingsstukken worden certificaten afgegeven, als omschreven in bijlage I (deel 21).

2.   In afwijking van lid 1, zijn luchtvaartuigen, met inbegrip van daarin geïnstalleerde producten, onderdelen en uitrustingsstukken die niet zijn geregistreerd in een lidstaat, vrijgesteld van de bepalingen van de subdelen H en I van bijlage I (deel 21). Zij zijn eveneens vrijgesteld van de bepalingen van subdeel P van bijlage I (deel 21) tenzij een lidstaat bepaalde identificatieaanduidingen oplegt.

Artikel 3

Voortdurende geldigheid van typecertificaten en de daarmee verbonden bewijzen van luchtwaardigheid

1.   Ten aanzien van een product dat een typecertificaat had, of een document dat afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid toestond, die vóór 28 september 2003 door lidstaten zijn afgegeven, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a)

een dergelijk product zal beschouwd worden als een product met een typecertificaat dat in overeenstemming met de onderhavige verordening is afgegeven indien:

i)

de typecertificering is gebaseerd op:

de JAA-typecertificatiebasis, voor producten die zijn gecertificeerd volgens JAA-procedures, zoals gedefinieerd in het JAA-gegevensblad, of

voor andere producten, de typecertificatiebasis als gedefinieerd in het gegevensblad van het typecertificaat van het land van ontwerp, indien het betreffende land van ontwerp:

een lidstaat is, tenzij het Agentschap vaststelt, met name rekening houdend met de gebruikte luchtwaardigheidsvoorschriften en de gebruikservaringen, dat een dergelijke typecertificatiebasis geen veiligheidsniveau verschaft dat equivalent is aan het door Verordening (EG) nr. 216/2008 en deze verordening vereiste veiligheidsniveau, of

een land is waarmee een lidstaat een bilaterale luchtwaardigheidsovereenkomst of een vergelijkbare overeenkomst heeft gesloten, volgens welke genoemde producten zijn gecertificeerd op basis van de luchtwaardigheidsvoorschriften van het betreffende land van ontwerp, tenzij het Agentschap vaststelt dat die luchtwaardigheidsvoorschriften, of de gebruikservaringen, of het veiligheidssysteem van het betreffende land van ontwerp niet het veiligheidsniveau verschaffen dat equivalent is aan het door de Verordening (EG) nr. 216/2008 en deze verordening vereiste veiligheidsniveau.

Teneinde advies te kunnen uitbrengen aan de Commissie, onder meer over eventuele wijzigingen van onderhavige verordening, zal het Agentschap een eerste evaluatie maken van de mogelijke consequenties van de bepalingen onder het tweede streepje;

ii)

de eisen op het gebied van milieubescherming zijn gehanteerd zoals vastgelegd in bijlage 16 van het Verdrag van Chicago, voor zover van toepassing op het product;

iii)

de van toepassing zijnde luchtwaardigheidsaanwijzingen zijn die van het betreffende land van ontwerp.

b)

een ontwerp van een luchtvaartuig dat vóór 28 september 2003 is ingeschreven in het register van een lidstaat wordt geacht te voldoen aan de bepalingen van deze verordening indien:

i)

het basistypeontwerp onderdeel is van een typecertificaat als vermeld onder a);

ii)

alle wijzigingen in dit basistypeontwerp, die niet vallen onder de verantwoordelijkheid van de houder van het typecertificaat, zijn goedgekeurd, en

iii)

voldaan is aan de luchtwaardigheidsaanwijzingen die vóór 28 september 2003 door de lidstaat van registratie zijn uitgevaardigd of overgenomen, inclusief eventuele wijzigingen van de luchtwaardigheidsaanwijzingen van het betreffende land van ontwerp, goedgekeurd door de lidstaat van registratie.

2.   Ten aanzien van producten waarvoor het typecertificeringsproces op 28 september 2003, hetzij via de JAA, hetzij via een lidstaat, lopende was, geldt het volgende:

a)

indien een goedkeuringsproces door meerdere lidstaten wordt uitgevoerd, geldt het verst gevorderde project als referentie;

b)

punt 21.A.15, onder a), b) en c), van bijlage I (deel 21) is niet van toepassing;

c)

in afwijking van punt 21.A.17, onder a), van bijlage I (deel 21), zal de typecertificeringsbasis van toepassing zijn die door de JAA of, indien van toepassing, de lidstaat, op de aanvraagdatum voor de goedkeuring is vastgesteld;

d)

de bevindingen die tijdens procedures van de JAA of lidstaten zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, ter naleving van het bepaalde in punt 21.A.20, onder a) en b), van bijlage I (deel 21).

3.   Ten aanzien van producten met een nationaal typecertificaat of een equivalent daarvan, waarvoor de goedkeuringsprocedure voor een door lidstaten uitgevoerde wijziging ten tijde van de vaststelling van het typecertificaat in overeenstemming met de onderhavige verordening nog niet was afgerond, geldt het volgende:

a)

indien een goedkeuringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten, geldt het verst gevorderde project als referentie;

b)

punt 21.A.93 van bijlage I (deel 21) is niet van toepassing;

c)

de typecertificeringsbasis die door de JAA of, indien van toepassing, de lidstaat op de aanvraagdatum voor de goedkeuring van wijziging is vastgesteld, is van toepassing;

d)

de bevindingen die tijdens procedures van de JAA of lidstaten zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen welke zijn gedaan door het Agentschap, ter naleving van het bepaalde in punt 21.A.103, onder a) en b), van bijlage I (deel 21).

4.   Ten aanzien van producten met een nationaal typecertificaat of een equivalent daarvan, waarvoor de goedkeuringsprocedure voor door lidstaten uitgevoerde ingrijpende reparatieontwerpen ten tijde van de vaststelling van het typecertificaat in overeenstemming met de onderhavige verordening nog niet is afgerond, geldt dat de bevindingen die tijdens procedures van de JAA of lidstaten zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen welke zijn gedaan door het Agentschap, ter naleving van het bepaalde in punt 21.A.433, onder a), van bijlage I (deel 21).

5.   Een door een lidstaat afgegeven bewijs van luchtwaardigheid dat de conformiteit bevestigt met een typecertificaat dat is vastgesteld in overeenstemming met lid 1 wordt beschouwd als een certificaat dat voldoet aan de onderhavige verordening.

Artikel 4

Voortdurende geldigheid van aanvullende typecertificaten

1.   Ten aanzien van door een lidstaat volgens JAA-procedures of overeenkomstig de toepasselijke nationale procedures afgegeven aanvullende typecertificaten en ten aanzien van wijzigingen in producten die zijn voorgesteld door andere personen dan de houder van het typecertificaat van het product en welke zijn goedgekeurd door een lidstaat overeenkomstig de toepasselijke nationale procedures, waarbij het aanvullende typecertificaat of de wijziging geldig was op 28 september 2003, wordt het aanvullende typecertificaat of de wijziging geacht krachtens deze verordening te zijn afgegeven.

2.   Ten aanzien van aanvullende typecertificaten waarvoor op 28 september 2003 volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures voor aanvullende typecertificaten een certificeringsprocedure werd uitgevoerd door een lidstaat, en ten aanzien van ingrijpende wijzigingen in producten die zijn voorgesteld door andere personen dan de houder van het typecertificaat van het product, waarvoor volgens de op 28 september 2003 van toepassing zijnde nationale procedures een certificeringsprocedure werd uitgevoerd door een lidstaat, geldt het volgende:

a)

indien een certificeringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten, geldt het verst gevorderde project als referentie;

b)

punt 21.A.113, onder a) en b), van bijlage I (deel 21) is niet van toepassing;

c)

van toepassing is de certificeringsbasis als vastgesteld door de JAA of, indien van toepassing, de lidstaat op de aanvraagdatum voor het aanvullende typecertificaat of goedkeuring van de ingrijpende wijziging;

d)

de bevindingen die tijdens procedures van de JAA of lidstaten zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, ter naleving van het bepaalde in punt 21.A.115, onder a), van bijlage I (deel 21).

Artikel 5

Voortgezet gebruik van bepaalde door lidstaten geregistreerde luchtvaartuigen

Met betrekking tot een luchtvaartuig dat niet kan worden beschouwd als een luchtvaartuig waaraan overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), van deze verordening een typecertificaat is toegekend, waaraan door een lidstaat vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1702/2003 in die lidstaat een bewijs van luchtwaardigheid is verstrekt (4), dat op de vermelde datum in die lidstaat was geregistreerd en op 28 maart 2007 nog steeds bij een lidstaat was geregistreerd, wordt de combinatie van de volgende elementen beschouwd als de overeenkomstig deze verordening van toepassing zijnde specifieke luchtwaardigheidsspecificaties:

a)

het gegevensblad van het typecertificaat en geluidsgegevensblad van het typecertificaat, of een equivalent daarvan, van het land van ontwerp, mits het land van ontwerp overeenkomstig artikel 27, lid 2, van Verordening (EG) nr. 216/2008 een werkovereenkomst heeft gesloten met het Agentschap inzake de luchtwaardigheidshandhaving van het ontwerp van een dergelijk luchtvaartuig;

b)

de eisen inzake milieubescherming van bijlage 16 van het Verdrag van Chicago, voor zover van toepassing op het betrokken luchtvaartuig, en

c)

de verplichte voortgezette luchtwaardigheidsgegevens van het land van ontwerp.

Artikel 6

Voortdurende geldigheid van certificaten voor onderdelen en uitrustingsstukken

1.   Door een lidstaat afgegeven goedkeuringen van onderdelen en uitrustingsstukken die geldig waren op 28 september 2003, worden geacht te zijn afgegeven in overeenstemming met deze verordening.

2.   Ten aanzien van onderdelen en uitrustingsstukken die op 28 september 2003 het voorwerp uitmaakten van een lopende goedkeurings- of autorisatieprocedure bij een lidstaat, geldt het volgende:

a)

indien een goedkeuringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten, geldt het verst gevorderde project als referentie;

b)

punt 21.A.603 van bijlage I (deel 21) is niet van toepassing;

c)

de overeenkomstig punt 21.A.605 van bijlage I (deel 21) toepasselijke vereisten inzake gegevens, zijn de door de betreffende lidstaat op de aanvraagdatum voor de goedkeuring of autorisatie vastgestelde vereisten;

d)

bevindingen die door de desbetreffende lidstaat zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, ter naleving van het bepaalde in punt 21.A.606, onder b), van bijlage I (deel 21).

Artikel 7

Vliegvergunningen

De door de lidstaten vóór 28 maart 2007 vastgestelde voorwaarden voor de afgifte van een vliegvergunning of ander bewijs van luchtwaardigheid ten behoeve van luchtvaartuigen waarvoor geen bewijs van luchtwaardigheid of beperkt bewijs van luchtwaardigheid krachtens de onderhavige verordening gold, worden geacht te zijn vastgesteld overeenkomstig de onderhavige verordening, tenzij het Agentschap vóór 28 maart 2008 heeft geconcludeerd dat bedoelde voorwaarden niet leiden tot het vereiste veiligheidsniveau volgens Verordening (EG) nr. 216/2008 of de onderhavige verordening.

Artikel 8

Ontwerporganisaties

1.   Een organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van producten, onderdelen en uitrustingsstukken of voor eventuele wijzigingen of reparaties daarvan toont haar bekwaamheid aan in overeenstemming met de bepalingen van bijlage I (deel 21).

2.   In afwijking van lid 1, kan een organisatie die haar hoofdvestiging in een niet- lidstaat heeft haar bekwaamheid aantonen op basis van een certificaat dat aan de organisatie is afgegeven door dat land, voor het product, het onderdeel en het uitrustingsstuk waarvoor de aanvraag is ingediend, mits:

a)

het betreffende land het land van ontwerp is,

b)

het Agentschap heeft vastgesteld dat het systeem van het land hetzelfde onafhankelijke niveau van controle op naleving kent als de onderhavige verordening, via een gelijkwaardig systeem van goedkeuringen van organisaties of via directe betrokkenheid van de bevoegde autoriteit in het betreffende land.

3.   Goedkeuringen voor ontwerporganisaties die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend volgens de van toepassing zijnde JAA-vereisten en -procedures en die vóór 28 september 2003 geldig waren, worden beschouwd als goedkeuringen die voldoen aan de onderhavige verordening.

Artikel 9

Productieorganisaties

1.   Een organisatie die verantwoordelijk is voor de fabricage van producten, onderdelen en uitrustingsstukken toont haar bekwaamheid aan in overeenstemming met de bepalingen van bijlage I (deel 21).

2.   In afwijking van lid 1, kan een fabrikant die niet in een lidstaat gevestigd is haar bekwaamheid aantonen op basis van een certificaat dat aan de organisatie is afgegeven door dat land, voor het product, het onderdeel en het uitrustingsstuk waarvoor de aanvraag is ingediend, mits:

a)

het betreffende land het land van vervaardiging is,

b)

het Agentschap heeft vastgesteld dat het systeem van het land hetzelfde onafhankelijke niveau van controle op naleving kent als de onderhavige verordening, via een gelijkwaardig systeem van goedkeuringen van organisaties of via directe betrokkenheid van de bevoegde autoriteit in het betreffende land.

3.   Goedkeuringen voor productieorganisaties die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend volgens de van toepassing zijnde JAA-vereisten en -procedures en die vóór 28 september 2003 geldig waren, worden beschouwd als goedkeuringen die voldoen aan de onderhavige verordening.

Article 10

Maatregelen van het Agentschap

1.   Het Agentschap zal aanvaardbare middelen van naleving opstellen waarvan bevoegde autoriteiten, organisaties en personeel gebruik kunnen maken om aan te tonen dat zij voldoen aan de voorschriften van bijlage I (deel 21) bij deze verordening.

2.   De aanvaardbare middelen van naleving die door het Agentschap worden opgesteld, mogen niet leiden tot de invoering van nieuwe eisen, noch tot de matiging van de eisen van bijlage I (deel 21) bij deze verordening.

3.   Wanneer gebruik wordt gemaakt van de door het Agentschap opgestelde aanvaardbare middelen van naleving wordt zonder verdere bewijsvoering geacht te zijn voldaan aan de overeenkomstige eisen van bijlage I (deel 21) bij deze verordening, onverminderd de artikelen 54 en 55 van Verordening (EG) nr. 216/2008.

Artikel 11

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1702/2003 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 12

Inwerkingtreding

De onderhavige verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 augustus 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1.

(2)  PB L 243 van 27.9.2003, blz. 6.

(3)  Zie bijlage II.

(4)  EU 15: 28 september 2003, EU 10: 1 mei 2004 en EU 2: 1 januari 2007.


BIJLAGE I

DEEL 21

Certificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, en van ontwerp- en productieorganisaties

Inhoudsopgave

21.1

Algemeen

SECTIE A —

TECHNISCHE EISEN

SUBDEEL A —

ALGEMENE BEPALINGEN

21.A.1

Toepassingsgebied

21.A.2

Uitvoering door een andere persoon dan de aanvrager of houder van een certificaat

21.A.3A

Gebreken, storingen en defecten

21.A.3B

Luchtwaardigheidsaanwijzingen

21.A.4

Coördinatie tussen ontwerp en productie

SUBDEEL B —

TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

21.A.11

Toepassingsgebied

21.A.13

Aanvaardbaarheid

21.A.14

Bewijs van bekwaamheid

21.A.15

Aanvraag

21.A.16A

Luchtwaardigheidsvoorschriften

21.A.16B

Aanvullende voorwaarden

21.A.17

Typecertificatiebasis

21.A.18

Aanduiding van de toepasselijke milieueisen en certificeringsspecificaties

21.A.19

Wijzigingen die een nieuw typecertificaat vereisen

21.A.20

Voldoening aan de typecertificatiebasis en de milieueisen

21.A.21

Afgifte van een typecertificaat

21.A.23

Afgifte van een beperkt typecertificaat

21.A.31

Typeontwerp

21.A.33

Onderzoek en tests

21.A.35

Vliegproeven

21.A.41

Typecertificaat

21.A.44

Verplichtingen van de houder

21.A.47

Overdraagbaarheid

21.A.51

Duur en blijvende geldigheid

21.A.55

Administratie

21.A.57

Handboeken

21.A.61

Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

(SUBDEEL C — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL D —

WIJZIGINGEN AAN DE TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

21.A.90

Toepassingsgebied

21A.90B

Standaardwijzigingen

21.A.91

Classificatie van wijzigingen aan typeontwerpen

21.A.92

Aanvaardbaarheid

21.A.93

Aanvraag

21.A.95

Geringe wijzigingen

21.A.97

Ingrijpende wijzigingen

21.A.101

Aanduiding van de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen

21.A.103

Goedkeuring

21.A.105

Administratie

21.A.107

Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

21.A.109

Verplichtingen en EPA-kenmerking

SUBDEEL E —

AANVULLENDE TYPECERTIFICATEN

21.A.111

Toepassingsgebied

21.A.112A

Aanvaardbaarheid

21.A.112B

Bewijs van bekwaamheid

21.A.113

Aanvraag om een aanvullend typecertificaat

21.A.114

Conformiteit

21.A.115

Afgifte van een aanvullend typecertificaat

21.A.116

Overdraagbaarheid

21.A.117

Wijzigingen aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft

21.A.118A

Verplichtingen en EPA-kenmerking

21.A.118B

Duur en blijvende geldigheid

21.A.119

Handboeken

21.A.120

Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

SUBDEEL F —

PRODUCTIE ZONDER ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21.A.121

Toepassingsgebied

21.A.122

Aanvaardbaarheid

21.A.124

Aanvraag

21.A.125A

Afgifte van een akkoordverklaring

21.A.125B

Bevindingen

21.A.125C

Duur en blijvende geldigheid

21.A.126

Productiecontrolesysteem

21.A.127

Proeven: luchtvaartuigen

21.A.128

Proeven: motoren, propellers

21.A.129

Verplichtingen van de fabrikant

21.A.130

Conformiteitsverklaring

SUBDEEL G —

ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21.A.131

Toepassingsgebied

21.A.133

Aanvaardbaarheid

21.A.134

Aanvraag

21.A.135

Afgifte van een erkenning als productieorganisatie

21.A.139

Kwaliteitssysteem

21.A.143

Handboek

21.A.145

Erkenningseisen

21.A.147

Wijzigingen in de erkende productieorganisatie

21.A.148

Wijzigingen van vestigingsplaats

21.A.149

Overdraagbaarheid

21.A.151

Erkenningsvoorwaarden

21.A.153

Wijzigingen aan de erkenningsvoorwaarden

21.A.157

Onderzoeken

21.A.158

Bevindingen

21.A.159

Duur en blijvende geldigheid

21.A.163

Bevoegdheden

21.A.165

Verplichtingen van de houder

SUBDEEL H —

BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID EN BEPERKTE BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID

21.A.171

Toepassingsgebied

21.A.172

Aanvaardbaarheid

21.A.173

Classificatie

21.A.174

Aanvraag

21.A.175

Taal

21.A.177

Amendement of wijziging

21.A.179

Overdraagbaarheid en nieuwe afgifte binnen lidstaten

21.A.180

Inspecties

21.A.181

Duur en blijvende geldigheid

21.A.182

Identificatie van het luchtvaartuig

SUBDEEL I —

GELUIDSCERTIFICATEN

21.A.201

Toepassingsgebied

21.A.203

Aanvaardbaarheid

21.A.204

Aanvraag

21.A.207

Amendement of wijziging

21.A.209

Overdraagbaarheid en nieuwe afgifte binnen lidstaten

21.A.210

Inspecties

21.A.211

Duur en blijvende geldigheid

SUBDEEL J —

ERKENNING ALS ONTWERPORGANISATIE

21.A.231

Toepassingsgebied

21.A.233

Aanvaardbaarheid

21.A.234

Aanvraag

21.A.235

Afgifte van een erkenning als ontwerporganisatie

21.A.239

Ontwerpborgingssysteem

21.A.243

Gegevens

21.A.245

Erkenningseisen

21.A.247

Wijzigingen aan het ontwerpborgingssysteem

21.A.249

Overdraagbaarheid

21.A.251

Erkenningsvoorwaarden

21.A.253

Wijzigingen aan de erkenningsvoorwaarden

21.A.257

Onderzoeken

21.A.258

Bevindingen

21.A.259

Duur en blijvende geldigheid

21.A.263

Bevoegdheden

21.A.265

Verplichtingen van de houder

SUBDEEL K —

ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

21.A.301

Toepassingsgebied

21.A.303

Conformiteit met toepasselijke vereisten

21.A.305

Goedkeuring van onderdelen en uitrustingsstukken

21.A.307

Geschiktheid van onderdelen en uitrustingsstukken om te worden geïnstalleerd

(SUBDEEL L — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL M —

REPARATIES

21.A.431

Toepassingsgebied

21A.431B

Standaardreparaties

21.A.432A

Aanvaardbaarheid

21.A.432B

Bewijs van bekwaamheid

21.A.433

Reparatieontwerp

21.A.435

Classificatie van reparaties

21.A.437

Afgifte van een goedkeuring van een reparatieontwerp

21.A.439

Productie van reparatieonderdelen

21.A.441

Uitvoering van een reparatie

21.A.443

Beperkingen

21.A.445

Niet-gerepareerde schade

21.A.447

Administratie

21.A.449

Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

21.A.451

Verplichtingen en EPA-kenmerking

(SUBDEEL N — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL O —

ETSO-AUTORISATIES

21.A.601

Toepassingsgebied

21.A.602A

Aanvaardbaarheid

21.A.602B

Bewijs van bekwaamheid

21.A.603

Aanvraag

21.A.604

ETSO-autorisatie voor een hulpaggregaat (APU)

21.A.605

Vereisten inzake gegevens

21.A.606

Afgifte van een ETSO-autorisatie

21.A.607

Bevoegdheden verbonden aan een ETSO-autorisatie

21.A.608

Ontwerp- en prestatieverklaring (DDP)

21.A.609

Verplichtingen van de houders van ETSO-autorisaties

21.A.610

Goedkeuring voor een afwijking

21.A.611

Ontwerpwijzigingen

21.A.613

Administratie

21.A.615

Inspectie door het Agentschap

21.A.619

Duur en blijvende geldigheid

21.A.621

Overdraagbaarheid

SUBDEEL P —

VLIEGVERGUNNING

21.A.701

Toepassingsgebied

21.A.703

Aanvaardbaarheid

21.A.705

Bevoegde autoriteit

21.A.707

Aanvraag van een vliegvergunning

21.A.708

Vluchtvoorwaarden

21.A.709

Aanvraag tot goedkeuring van vluchtvoorwaarden

21.A.710

Goedkeuring van vluchtvoorwaarden

21.A.711

Afgifte van een vliegvergunning

21.A.713

Wijzigingen

21.A.715

Taal

21.A.719

Overdraagbaarheid

21.A.721

Inspecties

21.A.723

Duur en blijvende geldigheid

21.A.725

Verlenging van de vliegvergunning

21.A.727

Verplichtingen van de houder van een vliegvergunning

21.A.729

Administratie

SUBDEEL Q —

IDENTIFICATIE VAN PRODUCTEN, ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

21.A.801

Identificatie van producten

21.A.803

Behandeling van de identificatiegegevens

21.A.804

Identificatie van onderdelen en uitrustingsstukken

21.A.805

Identificatie van kritieke onderdelen

21.A.807

Identificatie van ETSO-artikelen

SECTIE B —

PROCEDURES VOOR BEVOEGDE AUTORITEITEN

SUBDEEL A —

ALGEMENE VOORZIENINGEN

21.B.5

Toepassingsgebied

21.B.20

Verplichtingen van de bevoegde autoriteit

21.B.25

Vereisten voor de organisatie van de bevoegde autoriteit

21.B.30

Gedocumenteerde procedures

21.B.35

Wijzigingen in organisatie en procedures

21.B.40

Oplossing van geschillen

21.B.45

Rapportage/coördinatie

21.B.55

Administratie

21.B.60

Luchtwaardigheidsaanwijzingen

SUBDEEL B —

TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

(SUBDEEL C — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL D —

WIJZIGINGEN IN TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

SUBDEEL E —

AANVULLENDE TYPECERTIFICATEN

SUBDEEL F —

PRODUCTIE ZONDER ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21.B.120

Onderzoek

21.B.125

Bevindingen

21.B.130

Afgifte van een akkoordverklaring

21.B.135

Behoud van de akkoordverklaring

21.B.140

Wijziging van een akkoordverklaring

21.B.145

Beperking, opschorting en intrekking van een akkoordverklaring

21.B.150

Administratie

SUBDEEL G —

ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21.B.220

Onderzoek

21.B.225

Bevindingen

21.B.230

Afgifte van een certificaat

21.B.235

Permanent toezicht

21.B.240

Wijziging van een erkenning als productieorganisatie

21.B.245

Opschorting en intrekking van een erkenning als productieorganisatie

21.B.260

Administratie

SUBDEEL H —

BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID EN BEPERKTE BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID

21.B.320

Onderzoek

21.B.325

Afgifte van bewijzen van luchtwaardigheid

21.B.326

Bewijs van luchtwaardigheid

21.B.327

Beperkt bewijs van luchtwaardigheid

21.B.330

Opschorting en intrekking van bewijzen van luchtwaardigheid en beperkte bewijzen van luchtwaardigheid

21.B.345

Administratie

SUBDEEL I —

GELUIDSCERTIFICATEN

21.B.420

Onderzoek

21.B.425

Afgifte van geluidscertificaten

21.B.430

Opschorting en intrekking van een geluidscertificaat

21.B.445

Administratie

SUBDEEL J —

ERKENNING ALS ONTWERPORGANISATIE

SUBDEEL K —

ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

(SUBDEEL L — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL M —

REPARATIES

(SUBDEEL N — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL O —

ETSO-AUTORISATIES

SUBDEEL P —

VLIEGVERGUNNING

21.B.520

Onderzoek

21.B.525

Afgifte van vliegvergunningen

21.B.530

Intrekking van vliegvergunningen

21.B.545

Administratie

SUBDEEL Q —

IDENTIFICATIE VAN PRODUCTEN, ONDERDELEN EN UITRUSTINGSSTUKKEN

Aanhangsels

Aanhangsel I —

EASA-formulier 1 — Certificaat van vrijgave;

Aanhangsel II —

EASA-formulier 15a — Certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid;

Aanhangsel III —

EASA-formulier 20a — Vliegvergunning;

Aanhangsel IV —

EASA-formulier 20b — Vliegvergunning (afgegeven door erkende organisaties);

Aanhangsel V —

EASA-formulier 24 — Beperkt bewijs van luchtwaardigheid;

Aanhangsel VI —

EASA-formulier 25 — Bewijs van luchtwaardigheid;

Aanhangsel VII —

EASA-formulier 45 — Geluidscertificaat;

Aanhangsel VIII —

EASA-formulier 52 — Conformiteitsverklaring voor luchtvaartuigen;

Aanhangsel IX —

EASA-formulier 53 — Certificaat van vrijgave voor gebruik;

Aanhangsel X —

EASA-formulier 55 — Certificaat erkenning als productieorganisatie;

Aanhangsel XI —

EASA-formulier 65 — Akkoordverklaring voor productie zonder erkenning als productieorganisatie.

21.1   Algemeen

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder „bevoegde autoriteit”:

a)

voor organisaties die gevestigd zijn in een lidstaat, de door die lidstaat aangestelde autoriteit of het Agentschap op verzoek van die lidstaat, of

b)

voor organisaties die niet gevestigd zijn in een lidstaat, het Agentschap.

SECTIE A

TECHNISCHE EISEN

SUBDEEL A —   ALGEMENE BEPALINGEN

21.A.1   Toepassingsgebied

In deze sectie worden de algemene bepalingen vastgelegd betreffende de rechten en verplichtingen van de aanvrager en houder van een certificaat dat overeenkomstig deze sectie is of zal worden afgegeven.

21.A.2   Uitvoering door een andere persoon dan de aanvrager of houder van een certificaat

De acties en verplichtingen die overeenkomstig deze sectie moeten worden uitgevoerd door de houder of aanvrager van een certificaat voor een product, onderdeel of uitrustingsstuk mogen in zijn naam worden uitgevoerd door een andere natuurlijke of rechtspersoon, op voorwaarde dat de houder of aanvrager van dat certificaat kan aantonen dat hij een overeenkomst met die andere persoon heeft gesloten om zeker te stellen dat de verplichtingen van de houder naar behoren worden en zullen worden vervuld.

21.A.3A   Gebreken, storingen en defecten

a)

Systeem voor het verzamelen, onderzoeken en analyseren van gegevens.

De houder van een typecertificaat, een beperkt typecertificaat, een aanvullend typecertificaat, een ETSO-autorisatie (European Technical Standard Order), een goedkeuring van een ontwerp voor een ingrijpende reparatie of enige andere relevante goedkeuring die beschouwd kan worden krachtens de onderhavige verordening te zijn afgegeven, moet beschikken over een systeem voor het verzamelen, onderzoeken en analyseren van rapporten en informatie over gebreken, storingen, defecten of andere voorvallen die een nadelig effect hebben of kunnen hebben op de blijvende luchtwaardigheid van het product, het onderdeel of het uitrustingsstuk waarvoor het typecertificaat, het beperkte typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de ETSO-autorisatie, de goedkeuring van een ontwerp voor een ingrijpende reparatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening, is afgegeven. Informatie over dit systeem moet ter beschikking worden gesteld aan alle bekende gebruikers van het product, onderdeel of uitrustingsstuk en, op verzoek, aan eenieder die bevoegd is overeenkomstig andere aanverwante uitvoeringsvoorschriften.

b)

Rapportage aan het Agentschap

1.

De houder van een typecertificaat, een beperkt typecertificaat, een aanvullend typecertificaat, een ETSO-autorisatie, een goedkeuring van een ontwerp voor een ingrijpende reparatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening moet aan het Agentschap alle gebreken, storingen, defecten of andere voorvallen melden waarvan hij weet heeft met betrekking tot een product, onderdeel of uitrustingsstuk waarvoor het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de ETSO-autorisatie, de goedkeuring van het ontwerp voor een ingrijpende reparatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening is afgegeven en die hebben geleid of zouden kunnen leiden tot een onveilige toestand.

2.

Deze meldingen moeten gebeuren in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap, zodra dit mogelijk is en in ieder geval niet meer dan 72 uur na het vaststellen van de mogelijke onveilige toestand, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het verhinderen.

c)

Onderzoek van gerapporteerde voorvallen

1.

Als een overeenkomstig punt b) of overeenkomstig de punten 21.A.129, onder f), 2, of 21.A.165, onder f), 2, gemeld voorval het gevolg is van een ontwerp- of fabricagetekortkoming, moet de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een ingrijpende reparatie, de ETSO-autorisatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening, of de fabrikant, naargelang van toepassing, de reden voor de fout onderzoeken en aan het Agentschap de resultaten rapporteren van zijn onderzoek en van de maatregelen die hij treft of voorstelt om de tekortkoming te verhelpen.

2.

Als het Agentschap oordeelt dat een maatregel dient te worden getroffen om de tekortkoming te verhelpen, moet de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een ingrijpende reparatie, de ETSO-autorisatie, of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening, of de fabrikant, naargelang van toepassing, de desbetreffende gegevens voorleggen aan het Agentschap.

21.A.3B   Luchtwaardigheidsaanwijzingen

a)

Een luchtwaardigheidsaanwijzing is een door het Agentschap uitgevaardigd of overgenomen document dat werkzaamheden oplegt die aan een luchtvaartuig moeten worden uitgevoerd om opnieuw een aanvaardbaar veiligheidsniveau tot stand te brengen, als er aanwijzingen voor zijn dat het veiligheidsniveau van dat luchtvaartuig anders zou kunnen worden aangetast.

b)

Het Agentschap vaardigt een luchtwaardigheidsaanwijzing uit als:

1.

door het Agentschap een onveilige toestand in een luchtvaartuig is vastgesteld, die het gevolg is van een tekortkoming in het luchtvaartuig of in een motor, propeller, onderdeel of uitrustingsstuk van dat luchtvaartuig, en

2.

deze toestand vermoedelijk aanwezig is of zich zal ontwikkelen in andere luchtvaartuigen.

c)

Als een luchtwaardigheidsaanwijzing door het Agentschap moet worden uitgevaardigd om de in punt b) vermelde onveilige toestand te verhelpen of om een inspectie te laten uitvoeren, moet de houder van het typecertificaat, het beperkt typecertificaat, het aanvullend typecertificaat, de goedkeuring van het ontwerp voor een ingrijpende reparatie, een ETSO-autorisatie of enige andere relevante goedkeuring uit hoofde van de onderhavige verordening:

1.

de passende corrigerende maatregel en/of de nodige inspecties voorstellen en de details van deze voorstellen ter goedkeuring voorleggen aan het Agentschap;

2.

nadat de in punt 1 bedoelde voorstellen zijn goedgekeurd door het Agentschap, aan alle bekende gebruikers of eigenaars van het product, onderdeel of uitrustingsstuk, en, op verzoek, aan eenieder die moet voldoen aan de luchtwaardigheidsaanwijzing, de passende beschrijvende gegevens en uitvoeringsinstructies ter beschikking stellen.

d)

Een luchtwaardigheidsaanwijzing moet ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

een identificatie van de onveilige toestand

2.

een identificatie van het betreffende luchtvaartuig

3.

de vereiste maatregel(en)

4.

de uitvoeringstermijn voor de vereiste maatregel(en)

5.

de datum van inwerkingtreding.

21.A.4   Coördinatie tussen ontwerp en productie

Elke houder van een typecertificaat, een beperkt typecertificaat, een aanvullend typecertificaat, een ETSO-autorisatie, een goedkeuring van een wijziging aan een typeontwerp of een goedkeuring van een reparatieontwerp moet zo nodig samenwerken met de productieorganisatie om te komen tot:

a)

een toereikende coördinatie tussen ontwerp en productie, zoals voorgeschreven in punt 21.A.122, punt 21.A.133 of punt 21.A.165, onder c), 2, al naargelang van toepassing, en

b)

een passende ondersteuning van de blijvende luchtwaardigheid van het product, onderdeel of uitrustingsstuk.

SUBDEEL B —   TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

21.A.11   Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van typecertificaten voor producten en beperkte typecertificaten voor luchtvaartuigen, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers en houders van deze certificaten.

21.A.13   Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon die zijn bekwaamheid overeenkomstig punt 21.A.14 aangetoond heeft, of aan het bewijzen is, is aanvaardbaar als aanvrager van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat onder de in dit subdeel beschreven voorwaarden.

21.A.14   Bewijs van bekwaamheid

a)

Elke organisatie die een typecertificaat of een beperkt typecertificaat aanvraagt moet haar bekwaamheid bewijzen door houder te zijn van een door het Agentschap in overeenstemming met subdeel J afgegeven erkenning als ontwerporganisatie.

b)

In afwijking van punt a) kan een aanvrager, als alternatieve procedure om zijn bekwaamheid te bewijzen, de goedkeuring van het Agentschap vragen voor het gebruik van procedures die beschrijven met welke specifieke ontwerppraktijken, -middelen en -werkzaamheden zal worden voldaan aan deze bijlage, als het product een van de volgende is:

1.

een ELA2-luchtvaartuig;

2.

een in een ELA2-luchtvaartuig geïnstalleerde motor of propeller;

3.

een zuigermotor, of

4.

een propeller met vaste of variabele spoed.

c)

In afwijking van punt a) mag een aanvrager zijn bekwaamheid bewijzen door het krachtens punt 21A.20(b) vereiste certificeringsprogramma aan het Agentschap te verstrekken als het product een van de volgende is:

1.

een ELA1-luchtvaartuig;

2.

een in een ELA1-luchtvaartuig geïnstalleerde motor of propeller.

21.A.15   Aanvraag

a)

Een aanvraag om een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet worden ingediend in een vorm en op een wijze als vastgesteld door het Agentschap.

b)

Bij een aanvraag om een typecertificaat of een beperkt typecertificaat voor een luchtvaartuig moet een voor-, zij- en bovenaanzicht van dat luchtvaartuig worden gevoegd, evenals voorlopige basisgegevens, met o.a. de voorgestelde gebruikskenmerken en -beperkingen.

c)

Bij een aanvraag om een typecertificaat voor een motor of propeller moet een algemene overzichtstekening van de motor of de propeller worden gevoegd, evenals een beschrijving van de ontwerpkenmerken, de gebruikskenmerken en de voorgestelde gebruiksbeperkingen.

21.A.16A   Luchtwaardigheidsvoorschriften

Het Agentschap zal, in overeenstemming met artikel 19 van Verordening (EG) nr. 216/2008, luchtwaardigheidsvoorschriften uitvaardigen als standaardmiddelen om aan te tonen dat producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan de essentiële eisen van bijlage 1 bij Verordening (EG) nr. 216/2008. Deze voorschriften moeten voldoende gedetailleerd en specifiek zijn, zodat de aanvragers weten onder welke voorwaarden certificaten worden afgegeven.

21.A.16B   Aanvullende voorwaarden

a)

Het Agentschap zal speciale gedetailleerde technische specificaties, aanvullende voorwaarden genoemd, voorschrijven voor een product, als de betreffende luchtwaardigheidsvoorschriften geen adequate of geschikte veiligheidsnormen voor dat product bevatten, omdat:

1.

het product nieuwe of ongewone ontwerpkenmerken heeft ten opzichte van de ontwerppraktijken waarop de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften gebaseerd zijn, of

2.

het beoogde gebruik van het product onconventioneel is, of

3.

uit ervaringen met andere, vergelijkbare producten die in de praktijk worden gebruikt of met producten die vergelijkbare ontwerpkenmerken hebben, is gebleken dat onveilige toestanden kunnen ontstaan.

b)

De aanvullende voorwaarden bevatten de veiligheidsnormen die het Agentschap noodzakelijk acht om te komen tot een veiligheidsniveau dat gelijkstaat met het in de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften vastgelegde veiligheidsniveau.

21.A.17   Typecertificatiebasis

a)

De typecertificatiebasis die dient te worden gemeld voor het afgeven van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet bestaan uit:

1.

de toepasselijke, door het Agentschap vastgelegde luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht zijn op de datum van de aanvraag om dat certificaat, tenzij:

i)

anders wordt gespecificeerd door het Agentschap, of

ii)

de aanvrager verkiest te voldoen aan de certificeringsspecificaties van later van kracht geworden amendementen, of vereist overeenkomstig de punten c) en d);

2.

elke aanvullende voorwaarde die wordt voorgeschreven in overeenstemming met punt 21.A.16B, onder a).

b)

Een aanvraag om typecertificering van grote vliegtuigen en grote hefschroefvliegtuigen is vijf jaar geldig en een aanvraag om elk ander typecertificaat is drie jaar geldig, tenzij de aanvrager op het moment van de aanvraag kan aantonen dat er voor het ontwerpen, ontwikkelen en testen van zijn product meer tijd nodig is, en het Agentschap een langere periode goedkeurt.

c)

Als er geen typecertificaat is afgegeven, of als duidelijk is dat er geen typecertificaat zal worden afgegeven, binnen de in punt b) vastgelegde termijn, mag de aanvrager:

1.

een nieuwe aanvraag om een typecertificaat indienen en voldoen aan alle bepalingen van punt a) die van toepassing zijn op een oorspronkelijke aanvraag, of

2.

een verlenging van de oorspronkelijke aanvraag aanvragen en voldoen aan de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht waren op een door de aanvrager te kiezen datum, zij het niet eerder dan de datum die wordt verkregen door de in punt b) voor de oorspronkelijke aanvraag vastgelegde termijn af te trekken van de datum van afgifte van het typecertificaat.

d)

Als een aanvrager verkiest te voldoen aan een amendement bij de luchtwaardigheidsvoorschriften dat van kracht wordt nadat de aanvraag om een typecertificaat is ingediend, moet de aanvrager ook voldoen aan elk ander amendement dat er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houdt.

21.A.18   Aanduiding van de toepasselijke milieueisen en certificeringsspecificaties

a)

De toepasselijke geluidseisen voor het afgeven van een typecertificaat voor een luchtvaartuig zijn vastgelegd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1 van bijlage 16, boekdeel I, deel II van het Verdrag van Chicago en:

1.

voor subsonische straalvliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 2, 3 en 4, naar gelang van toepassing;

2.

voor propellervliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 3, 4, 5, 6 en 10, naar gelang van toepassing;

3.

voor helikopters, in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 8 en 11, naar gelang van toepassing, en

4.

voor supersonische vliegtuigen, in boekdeel I, deel II, hoofdstuk 12, naar gelang van toepassing.

b)

De toepasselijke emissie-eisen voor het afgeven van een typecertificaat voor een luchtvaartuig en een motor zijn vastgelegd in bijlage 16 van het Verdrag van Chicago:

1.

voor de preventie van opzettelijke brandstofventilatie, in boekdeel II, deel II, hoofdstuk 2;

2.

voor emissies van turbojet- en turbofanmotoren die alleen bestemd zijn voor aandrijving met subsonische snelheid, in boekdeel II, deel III, hoofdstuk 2, en

3.

voor emissies van turbojet- en turbofanmotoren die alleen bestemd zijn voor aandrijving met supersonische snelheid, in boekdeel II, deel III, hoofdstuk 3.

c)

Het Agentschap zal in overeenstemming met artikel 19 van Verordening (EG) nr. 216/2008 certificeringsspecificaties uitvaardigen die aanvaardbare methoden voorzien om aan te tonen dat wordt voldaan aan de in punt a) respectievelijk b) beschreven geluids- respectievelijk emissievereisten.

21.A.19   Wijzigingen die een nieuw typecertificaat vereisen

Elke natuurlijke of rechtspersoon die een wijziging aan een product voorstelt, moet een nieuw typecertificaat aanvragen als het Agentschap oordeelt dat de verandering van ontwerp, vermogen, stuwkracht of massa zo groot is, dat een nagenoeg compleet onderzoek vereist is om na te gaan of voldaan wordt aan de toepasselijke typecertificeringsbasis.

21.A.20   Voldoening aan de typecertificatiebasis en de milieueisen

a)

De aanvrager van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet voldoen aan de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen, en moet aan het Agentschap aantonen met welke middelen hieraan voldaan wordt.

b)

De aanvrager verstrekt het Agentschap een certificeringsprogramma waarin in detail is uiteengezet met welke middelen de overeenstemming is aangetoond. Indien nodig wordt dit document tijdens het certificeringsproces geactualiseerd.

c)

De aanvrager registreert de motivering van de overeenstemming in overeenstemmingsdocumenten, overeenkomstig het onder punt b) vastgestelde certificeringsprogramma.

d)

De aanvrager moet verklaren dat hij volledig voldoet aan de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen, overeenkomstig het onder punt b) vastgestelde certificeringsprogramma.

e)

Als de aanvrager houder is van een erkenning als ontwerporganisatie, moet de verklaring van punt d) worden ingediend overeenkomstig de bepalingen van subdeel J.

21.A.21   Afgifte van een typecertificaat

De aanvrager heeft recht op een door het Agentschap afgegeven producttypecertificaat nadat:

a)

hij zijn bekwaamheid heeft bewezen overeenkomstig punt 21.A.14;

b)

hij de in punt 21.A.20, onder d), vermelde verklaring heeft ingediend, en

c)

is aangetoond dat:

1.

het te certificeren product voldoet aan de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen, zoals aangeduid in de punten 21.A.17 en 21.A.18;

2.

het niet-voldoen aan bepaalde luchtwaardigheidsvoorschriften wordt gecompenseerd door factoren die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen;

3.

geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor de certificering is aangevraagd, en

4.

de aanvrager van het typecertificaat expliciet heeft verklaard dat hij bereid is om te voldoen aan punt 21.A.44.

d)

in het geval van een luchtvaartuigtypecertificaat voor de motor en/of de propeller, indien geïnstalleerd in het luchtvaartuig, een typecertificaat is afgegeven of vastgesteld in overeenstemming met de onderhavige verordening.

21.A.23   Afgifte van een beperkt typecertificaat

a)

Voor een luchtvaartuig dat niet voldoet aan de bepalingen van punt 21.A.21, onder c), heeft de aanvrager recht op een door het Agentschap afgegeven beperkt typecertificaat, na:

1.

te hebben voldaan aan de passende, door het Agentschap vastgelegde typecertificatiebasis zodat voldoende veiligheid wordt gegarandeerd met betrekking tot het beoogde gebruik van het luchtvaartuig, en aan de toepasselijke milieueisen;

2.

expliciet verklaard te hebben dat hij bereid is om te voldoen aan punt 21.A.44.

b)

Voor de in het luchtvaartuig geïnstalleerde motor en/of propeller, moet:

1.

een typecertificaat zijn afgegeven of vastgesteld in overeenstemming met deze verordening, of

2.

zijn aangetoond dat hij voldoet aan de certificeringsspecificaties die noodzakelijk zijn voor de vliegveiligheid van het luchtvaartuig.

21.A.31   Typeontwerp

a)

Het typeontwerp moet bestaan uit:

1.

de tekeningen en specificaties, en een lijst van deze tekeningen en specificaties, die nodig zijn om de configuratie en de ontwerpkenmerken te bepalen van het product waarvan aangetoond is dat het voldoet aan de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen;

2.

informatie over de materialen en procedés en over de fabricage- en assemblagemethoden die nodig is om de conformiteit van het product vast te stellen;

3.

een goedgekeurde sectie luchtwaardigheidslimieten van de instructies voor blijvende luchtwaardigheid, zoals gedefinieerd door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften, en

4.

alle andere gegevens die nodig zijn om, door vergelijking, de luchtwaardigheid, de geluidskenmerken, de brandstofventilatie en de uitlaatemissies (voor zover van toepassing) van latere producten van hetzelfde type te bepalen.

b)

Elk typeontwerp dient naar behoren te worden geïdentificeerd.

21.A.33   Onderzoek en proeven

a)

De aanvrager moet alle inspecties en proeven uitvoeren die nodig zijn om aan te tonen dat het product voldoet aan de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen.

b)

Voordat een van de in punt a) voorgeschreven tests wordt uitgevoerd, moet de aanvrager hebben bepaald:

1.

voor het proefexemplaar:

i)

dat de materialen en procedés in toereikende mate beantwoorden aan de specificaties voor het voorgestelde typeontwerp;

ii)

dat de onderdelen van de producten in toereikende mate beantwoorden aan de tekeningen van het voorgestelde typeontwerp;

iii)

dat de fabricageprocessen, de constructie en de assemblage in toereikende mate beantwoorden aan die van het voorgestelde typeontwerp, en

2.

dat de testuitrusting en alle voor de proeven gebruikte meetapparatuur geschikt zijn voor de test en juist gekalibreerd zijn.

c)

De aanvrager moet het Agentschap toelaten om elke inspectie uit te voeren die nodig is om vast te stellen of voldaan wordt aan punt b).

d)

De aanvrager moet het Agentschap toelaten om elk rapport te analyseren en elke inspectie en alle vlieg- en grondproeven uit te voeren of bij te wonen die nodig is om de geldigheid van de door de aanvrager overeenkomstig punt 21.A.20, onder d), voorgelegde conformiteitsverklaring te controleren en om vast te stellen dat geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor een certificering is aangevraagd.

e)

Voor proeven die door het Agentschap worden uitgevoerd of bijgewoond overeenkomstig punt d):

1.

moet de aanvrager aan het Agentschap een verklaring voorleggen dat voldaan wordt aan punt b), en

2.

mag geen wijziging die betrekking heeft op de test en invloed heeft op de conformiteitsverklaring worden aangebracht aan een product, onderdeel of uitrustingsstuk tussen het moment dat wordt aangetoond dat het voldoet aan punt b) en het moment dat het aan het Agentschap wordt aangeboden om te worden getest.

21.A.35   Vliegproeven

a)

Vliegproeven met het oog op het verkrijgen van een typecertificaat moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de voorwaarden die door het Agentschap zijn vastgelegd voor dergelijke vliegproeven.

b)

De aanvrager moet alle vliegproeven ondernemen die het Agentschap nodig acht:

1.

om vast te stellen of voldaan wordt aan de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen, en

2.

voor luchtvaartuigen die overeenkomstig deze sectie moeten worden gecertificeerd, om te bepalen of er voldoende waarborgen zijn dat het luchtvaartuig, zijn onderdelen en zijn uitrustingsstukken betrouwbaar zijn en goed functioneren, met uitzondering van:.

i)

zweefvliegtuigen en gemotoriseerde zweefvliegtuigen,

ii)

ballonnen en luchtschepen die zijn gedefinieerd in ELA1 of ELA2,

iii)

vliegtuigen met een maximale startmassa van 2 722 kg of minder.

c)

(Voorbehouden)

d)

(Voorbehouden)

e)

(Voorbehouden)

f)

De in punt b), 2) voorgeschreven vliegproeven moeten omvatten:

1.

voor luchtvaartuigen met turbinemotoren van een type dat nog niet eerder gebruikt is in een luchtvaartuig met typecertificaat: tenminste 300 vlieguren met een volledig stel motoren die voldoen aan een typecertificaat, en

2.

voor alle andere luchtvaartuigen: tenminste 150 vlieguren.

21.A.41   Typecertificaat

Het typecertificaat en het beperkte typecertificaat omvatten beide het typeontwerp, de gebruiksbeperkingen, het gegevensblad voor luchtwaardigheid en emissies, de toepasselijke typecertificatiebasis en de milieueisen waarvan het Agentschap bijhoudt of eraan voldaan wordt, en alle andere voorwaarden of beperkingen die voor het product worden voorgeschreven in de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen. Het typecertificaat en het beperkte typecertificaat voor luchtvaartuigen omvatten bovendien ook het gegevensblad voor geluid. Het gegevensblad van het typecertificaat van de motor omvat de gegevens omtrent naleving van de emissievereisten.

21.A.44   Verplichtingen van de houder

Elke houder van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet:

a)

de in de punten 21.A.3, 21.A.3B, 21.A.4, 21.A.55, 21.A.57 en 21.A.61 beschreven verplichtingen nakomen en hiervoor dient hij te blijven voldoen aan de kwalificatie-eisen voor aanvaardbaarheid overeenkomstig punt 21.A.14;

b)

de identificatiekenmerken in overeenstemming met subdeel Q specificeren.

21.A.47   Overdraagbaarheid

Een typecertificaat of een beperkt typecertificaat mag alleen worden overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon die in staat is om de in punt 21.A.44 vermelde verplichtingen na te komen en te dien einde heeft aangetoond dat hij bekwaam is om te voldoen aan de criteria van punt 21.A.14.

21.A.51   Duur en blijvende geldigheid

a)

Een typecertificaat en een beperkt typecertificaat worden afgegeven voor een onbeperkte duur. Zij blijven geldig op voorwaarde dat:

1.

de houder blijft voldoen aan de bepalingen van deze bijlage, en

2.

geen afstand wordt gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken volgens de door het Agentschap vastgestelde van toepassing zijnde administratieve procedures.

b)

In geval van afstand of intrekking moeten het typecertificaat en beperkt typecertificaat worden ingeleverd bij het Agentschap.

21.A.55   Administratie

Alle relevante ontwerpinformatie, tekeningen en testrapporten, met inbegrip van de inspectieverslagen voor het geteste product, moeten door de houder van het typecertificaat of het beperkt typecertificaat ter beschikking van het Agentschap worden gehouden en worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om vast te stellen dat het product blijvend luchtwaardig is en voldoet aan de toepasselijke milieueisen.

21.A.57   Handboeken

De houder van een typecertificaat of een beperkt typecertificaat moet originele exemplaren samenstellen, bijhouden en bijwerken van alle handboeken die voor het product vereist worden door de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen, en hij moet, op verzoek, kopieën bezorgen aan het Agentschap.

21.A.61   Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

a)

De houder van het typecertificaat of het beperkt typecertificaat moet tenminste één pakket complete instructies voor blijvende luchtwaardigheid, bevattende de beschrijvende gegevens en uitvoeringsinstructies die zijn opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke typecertificatiebasis, bezorgen aan elke bekende eigenaar van één of meer luchtvaartuigen, motoren of propellers bij aflevering van het product of bij afgifte van het eerste bewijs van luchtwaardigheid voor het betreffende luchtvaartuig, al naargelang wat laatst geschiedt, en nadien deze instructies op verzoek beschikbaar stellen aan eenieder die moet voldoen aan een of meer bepalingen van deze instructies. Het ter beschikking stellen van een handboek of een deel van de instructies voor blijvende luchtwaardigheid dat betrekking heeft op revisie of andere vormen van groot onderhoud, mag worden uitgesteld tot na de ingebruikneming van het product, maar moet gebeuren voordat een van de producten de desbetreffende leeftijd of het desbetreffende aantal vlieguren/cycli bereikt.

b)

Bovendien moeten wijzigingen in de instructies voor blijvende luchtwaardigheid op verzoek beschikbaar worden gesteld aan eenieder die dient te voldoen aan een of meer van deze instructies. Een programma dat toont hoe wijzigingen aan de instructies voor blijvende luchtwaardigheid zullen worden verspreid, moet aan het Agentschap worden voorgelegd.

(SUBDEEL C — NIET VAN TOEPASSING)

SUBDEEL D —   WIJZIGINGEN AAN DE TYPECERTIFICATEN EN BEPERKTE TYPECERTIFICATEN

21.A.90 A   Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de goedkeuring van wijzigingen aan typeontwerpen en typecertificaten, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers en houders van deze goedkeuringen. In dit subdeel worden ook standaardwijzigingen gedefinieerd waarvoor geen goedkeuringsprocedure uit hoofde van dit subdeel vereist is. In dit subdeel wordt met typecertificaten ook verwezen naar beperkte typecertificaten.

21A.90B   Standaardwijzigingen

a)

Standaardwijzigingen zijn wijzigingen van een typeontwerp:

1.

met betrekking tot:

i)

vliegtuigen met een maximale startmassa van 5 700 kg of minder;

ii)

hefschroefvliegtuigen met een maximale startmassa van 3 175 kg of minder;

iii)

zweefvliegtuigen, gemotoriseerde zweefvliegtuigen, ballonnen en luchtschepen, zoals gedefinieerd in ELA1 of ELA2;

2.

die ontwerpgegevens volgen die in de door het Agentschap opgestelde certificeringsgegevens zijn vermeld, welke aanvaardbare methoden, technieken en praktijken voor het uitvoeren en identificeren van standaardwijzigingen bevatten, inclusief de bijbehorende instructies voor blijvende luchtwaardigheid, en

3.

die niet in strijd zijn met de gegevens van TC-houders.

b)

De punten 21A.91 tot en met 21A.109 zijn niet van toepassing op standaardwijzigingen.

21.A.91   Classificatie van wijzigingen aan typeontwerpen

Wijzigingen aan typeontwerpen worden geclassificeerd als geringe en ingrijpende wijzigingen. Een „geringe wijziging” is een wijziging die geen merkbaar effect heeft op de massa, de balans, de structurele sterkte, de betrouwbaarheid, de operationele kenmerken, het geluid, de brandstofventilatie, de uitlaatemissie of andere kenmerken die de luchtwaardigheid van het product beïnvloeden. Onverminderd punt 21.A.19 worden alle andere wijzigingen in dit subdeel beschouwd als „ingrijpende wijzigingen”. Ingrijpende en geringe wijzigingen moeten worden goedgekeurd in overeenstemming met punt 21.A.95 of punt 21.A.97, al naargelang van toepassing, en moeten naar behoren worden geïdentificeerd.

21.A.92   Aanvaardbaarheid

a)

Alleen de houder van het typecertificaat mag een aanvraag om goedkeuring van een ingrijpende wijziging aan een typeontwerp indienen overeenkomstig dit subdeel; alle andere aanvragers van een ingrijpende wijziging aan een typeontwerp moeten hun aanvraag indienen overeenkomstig subdeel E.

b)

Elke natuurlijke of rechtspersoon mag een aanvraag om goedkeuring van een geringe wijziging aan een typeontwerp indienen overeenkomstig dit subdeel.

21.A.93   Aanvraag

Een aanvraag om goedkeuring van een wijziging aan een typeontwerp moet gebeuren in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap, en moet omvatten:

a)

Een beschrijving van de wijziging, met identificatie van:

1.

alle delen van het typeontwerp en de goedgekeurde handboeken waarop de wijziging betrekking heeft, en

2.

de certificeringsspecificaties en milieueisen waaraan de wijziging voldoet in overeenstemming met punt 21.A.101.

b)

Een identificatie van nieuwe onderzoeken die nodig zijn om aan te tonen dat het gewijzigde product voldoet aan de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen.

21.A.95   Geringe wijzigingen

Geringe wijzigingen aan een typeontwerp moeten worden geclassificeerd en goedgekeurd:

a)

door het Agentschap, of

b)

door een erkende ontwerporganisatie volgens een met het Agentschap overeengekomen procedure.

21.A.97   Ingrijpende wijzigingen

a)

Een aanvrager van een goedkeuring van een ingrijpende wijziging moet:

1.

bewijsvoeringsgegevens, samen met alle noodzakelijke beschrijvende gegevens, ter opneming in het typeontwerp voorleggen aan het Agentschap;

2.

aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan de in punt 21.A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen;

3.

voldoen aan de punten 21A.20, onder b), c) en d);

4.

als de aanvrager houder is van een erkenning als ontwerporganisatie, de verklaring van punt 21A.20, onder d), doen overeenkomstig de bepalingen van subdeel J;

5.

voldoen aan punt 21.A.33 en, voor zover van toepassing, punt 21.A.35.

b)

De goedkeuring van een ingrijpende wijziging aan een typeontwerp blijft beperkt tot die specifieke configuratie(s) van het typeontwerp waarop de wijziging betrekking heeft.

21.A.101   Aanduiding van de toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen

a)

Een aanvrager van een wijziging aan een typecertificaat moet aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan de luchtwaardigheidsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gewijzigde product en van kracht zijn op de datum van de aanvraag om de wijziging, tenzij de aanvrager ervoor kiest de certificeringsspecificaties van latere wijzigingen na te leven of daartoe verplicht is krachtens de punten e) en f), en aan de toepasselijke milieu-eisen zoals uiteengezet in punt 21.A.18.

b)

In afwijking van punt a) mag een aanvrager aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan een eerder amendement op de in punt a) vermelde luchtwaardigheidsvoorschriften, en op elke certificeringsspecificatie die er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houdt. De eerder geamendeerde luchtwaardigheidsvoorschriften mogen evenwel niet ouder zijn dan de overeenkomstige luchtwaardigheidsvoorschriften waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat. De aanvrager mag aantonen dat zijn product voldoet aan een eerder amendement op de luchtwaardigheidsvoorschriften, als het gaat om:

1.

een wijziging die het Agentschap niet significant acht. Om te bepalen of een specifieke wijziging al dan niet significant is, beoordeelt het Agentschap de wijziging in het licht van alle eerdere relevante ontwerpwijzigingen en alle verbandhoudende herzieningen van de toepasselijke certificeringsspecificaties waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat voor het product. Wijzigingen die beantwoorden aan een van de volgende criteria worden automatisch beschouwd als significant:

i)

de algemene configuratie of de constructieprincipes worden niet behouden;

ii)

de voor de certificering van het te wijzigen product gebruikte veronderstellingen gelden niet langer.

2.

gebied, systeem, onderdeel of uitrustingsstuk dat naar het oordeel van het Agentschap niet wordt beïnvloed door de wijziging.

3.

elk gebied, systeem, onderdeel of uitrustingsstuk dat door de wijziging worden beïnvloed en waarvan het Agentschap oordeelt dat het voldoen aan de in punt a) vermelde luchtwaardigheidsvoorschriften niet wezenlijk zou bijdragen tot het veiligheidsniveau van het gewijzigde product of onpraktisch zou zijn.

c)

Een aanvrager van een wijziging aan een luchtvaartuig (uitgezonderd een hefschroefvliegtuig) met een maximumgewicht van 2 722 kg of minder, of aan een hefschroefvliegtuig zonder turbine met een maximumgewicht van 1 361 kg of minder, mag aantonen dat het gewijzigde product voldoet aan de typecertificatiebasis waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat. Als het Agentschap echter oordeelt dat de wijziging significant is op een bepaald gebied, kan het Agentschap eisen dat voldaan wordt aan een amendement op de typecertificatiebasis waarnaar verwezen wordt in het typecertificaat en dat van kracht is op de datum van de aanvraag, en aan elke certificeringsspecificatie die er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houdt, tenzij het Agentschap ook oordeelt dat het voldoen aan dat amendement of die certificeringsspecificatie niet wezenlijk zou bijdragen tot het veiligheidsniveau van het gewijzigde product of onpraktisch zou zijn.

d)

Als het Agentschap oordeelt dat de luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht zijn op de datum van de aanvraag om een wijziging geen toereikende normen bevatten voor de voorgestelde wijziging, moet de aanvrager ook voldoen aan alle aanvullende voorwaarden, en amendementen op deze voorwaarden, die worden voorgeschreven in de bepalingen van punt 21.A.16B, om te komen tot een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan het veiligheidsniveau dat is vastgelegd in de luchtwaardigheidsvoorschriften die van kracht waren op de datum van de aanvraag om de wijziging.

e)

Een aanvraag om een wijziging aan een typecertificaat voor grote luchtvaartuigen en grote hefschroefvliegtuigen blijft vijf jaar geldig, een aanvraag om een wijziging aan een ander typecertificaat blijft drie jaar geldig. Als de wijziging niet is goedgekeurd of als het duidelijk is dat ze niet zal worden goedgekeurd binnen de in dit punt vastgelegde termijn, kan de aanvrager:

1.

een nieuwe aanvraag om een wijziging aan het typecertificaat indienen en voldoen aan alle bepalingen van punt a) die van toepassing zijn op een oorspronkelijke aanvraag om een wijziging, of

2.

een verlenging van de oorspronkelijke aanvraag en voldoen aan de bepalingen van punt a) die van kracht waren op een door de aanvrager te kiezen datum, zij het niet eerder dan de datum die wordt verkregen door de in punt e) voor de oorspronkelijke aanvraag vastgelegde termijn af te trekken van de datum van goedkeuring van de wijziging.

f)

Als een aanvrager verkiest te voldoen aan een certificeringsspecificatie van een amendement bij de luchtwaardigheidsvoorschriften dat van kracht wordt nadat de aanvraag om een typecertificaat is ingediend, moet de aanvrager ook voldoen aan alle andere certificeringsspecificaties die er naar het oordeel van het Agentschap rechtstreeks verband mee houden.

21.A.103   Goedkeuring

a)

De aanvrager heeft recht op een door het Agentschap afgegeven goedkeuring van een ingrijpende wijziging aan een typeontwerp nadat:

1.

de in punt 21.A. 20, onder d), vermelde verklaring is voorgelegd, en

2.

er is aangetoond dat:

i)

het gewijzigde product voldoet aan de in punt 21.A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen;

ii)

de luchtwaardigheidsvoorschriften waaraan niet voldaan is, worden gecompenseerd door factoren die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen, en

iii)

geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor de certificering is aangevraagd.

b)

Een geringe wijziging aan een typeontwerp zal slechts worden goedgekeurd in overeenstemming met punt 21.A.95 als wordt aangetoond dat het gewijzigde product voldoet aan de in punt 21.A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties.

21.A.105   Administratie

Voor elke wijziging moeten alle desbetreffende ontwerpinformatie, tekeningen en testrapporten, met inbegrip van de inspectieverslagen voor het geteste product, door de aanvrager ter beschikking van het Agentschap worden gehouden en worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om vast te stellen dat het gewijzigde product blijvend luchtwaardig is en voldoet aan de van toepassing zijnde voorschriften op het gebied van milieubescherming.

21.A.107   Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

a)

De houder van de goedkeuring van een kleine wijziging aan een typeontwerp moet ten minste één kopie van de geringe eventueel mee gepaard gaande aanvullingen op de instructies voor blijvende luchtwaardigheid van het product waaraan de geringe wijziging wordt aangebracht, opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke certificeringsbasis, bezorgen aan elke bekende eigenaar van één of meer luchtvaartuigen, motoren of propellers waarin de geringe wijziging is geïntegreerd, bij de levering of bij de afgifte van het eerste bewijs van luchtwaardigheid voor het betreffende luchtvaartuig, al naargelang wat laatst geschiedt, en daarna deze aanvullingen op de instructies op verzoek ter beschikking stellen van eenieder die dient te voldoen aan één of meer bepalingen van deze instructies.

b)

Bovendien moeten wijzigingen aan deze aanvullingen op de instructies voor blijvende luchtwaardigheid ter beschikking worden gesteld van alle bekende gebruikers van een product waarin de geringe wijziging is geïntegreerd en, op verzoek, aan eenieder die moet voldoen aan één of meer van deze instructies.

21.A.109   Verplichtingen en EPA-identificatiekenmerk

De houder van een goedkeuring van een geringe wijziging aan een typeontwerp moet:

a)

de in punten 21.A.4, 21.A.105 en 21.A.107 beschreven verplichtingen nakomen, en

b)

het identificatiekenmerk specificeren, met inbegrip van de EPA-letters („European Part Approval”), in overeenstemming met punt 21.A.804, onder a).

SUBDEEL E —   AANVULLENDE TYPECERTIFICATEN

21.A.111   Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de goedkeuring van ingrijpende wijzigingen aan het typeontwerp overeenkomstig de procedures van het aanvullend typecertificaat, en worden ook de rechten en verplichtingen vastgelegd van de aanvragers of houders van deze certificaten.

21.A.112A   Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon (organisatie) die zijn bekwaamheid overeenkomstig punt 21.A.112B heeft bewezen, of aan het bewijzen is, is aanvaardbaar als aanvrager van een aanvullend typecertificaat onder de in dit subdeel beschreven voorwaarden.

21.A.112B   Bewijs van bekwaamheid

a)

Elke organisatie die een aanvullend typecertificaat aanvraagt, moet zijn bekwaamheid bewijzen door houder te zijn van een door het Agentschap in overeenstemming met subdeel J afgegeven erkenning als ontwerporganisatie.

b)

In afwijking van punt a) kan een aanvrager, als alternatieve procedure om zijn bekwaamheid te bewijzen, de goedkeuring van het Agentschap vragen voor het gebruik van procedures die beschrijven met welke specifieke ontwerppraktijken, -middelen en -werkzaamheden zal worden voldaan aan dit subdeel.

c)

Bij wijze van afwijking van de punten a) en b) mag een aanvrager ervoor kiezen zijn bekwaamheid aan te tonen via de goedkeuring door het Agentschap van een certificeringsprogramma waarin gedetailleerd de middelen zijn uiteengezet waarmee de naleving kan worden aangetoond voor een STC op in punt 21A.14, onder c) gedefinieerde luchtvaartuigen, motors en propellers.

21.A.113   Aanvraag om een aanvullend typecertificaat

a)

Een aanvraag om een aanvullend typecertificaat moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap.

b)

Een aanvraag om een aanvullend typecertificaat moet vergezeld gaan van de in punt 21.A.93 voorgeschreven beschrijvingen en identificatie. Daarnaast moet deze aanvraag ook een verantwoording bevatten die stelt dat de informatie waarop deze identificaties gebaseerd zijn toereikend is, en verkregen is uit de eigen bronnen van de aanvrager of via een overeenkomst met de houder van het typecertificaat.

21.A.114   Conformiteit

Elke aanvrager van een aanvullend typecertificaat moet voldoen aan punt 21.A.97.

21.A.115   Afgifte van een aanvullend typecertificaat

De aanvrager heeft het recht op een door het Agentschap afgegeven aanvullend typecertificaat nadat:

a)

hij de in punt 21A.20, onder d), vermelde verklaring heeft ingediend, en

b)

is aangetoond dat:

1

het gewijzigde product voldoet aan de in punt 21A.101 gespecificeerde toepasselijke certificeringsspecificaties en milieueisen;

2

de luchtwaardigheidsvoorschriften waaraan niet voldaan is, worden gecompenseerd door factoren die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen, en

3

geen kenmerk of eigenschap het product onveilig maakt voor het gebruik waarvoor de certificering is aangevraagd.

c)

hij zijn bekwaamheid heeft bewezen in overeenstemming met punt 21.A.112B;

d)

als de aanvrager, overeenkomstig punt 21.A.113, onder b), een overeenkomst heeft gesloten met de houder van het typecertificaat,

1.

de houder van het typecertificaat heeft kenbaar gemaakt dat hij geen technisch bezwaar heeft tegen de overeenkomstig punt 21.A.93 voorgelegde informatie, en

2.

de houder van het typecertificaat ermee heeft ingestemd om met de houder van het aanvullend typecertificaat samen te werken om ervoor te zorgen dat alle verplichtingen inzake de blijvende luchtwaardigheid van het gewijzigde product nagekomen worden in overeenstemming met de punten 21.A.44 en 21.A.118A.

21.A.116   Overdraagbaarheid

Een aanvullend typecertificaat mag alleen worden overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon die in staat is om de verplichtingen van punt 21.A.118A na te komen en te dien einde zijn bekwaamheid overeenkomstig de criteria van punt 21.A.112B heeft bewezen, behalve voor ELA1-luchtvaartuigen waarvoor de natuurlijke persoon of rechtspersoon de toestemming van het Agentschap heeft gevraagd voor het gebruik van procedures waarin zijn activiteiten voor het nakomen van deze verplichtingen zijn uiteengezet.

21.A.117   Wijzigingen aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft

a)

Geringe wijzigingen aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft, moeten worden geclassificeerd en goedgekeurd in overeenstemming met subdeel D.

b)

Elke ingrijpende wijziging aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft, moet worden goedgekeurd als een afzonderlijk aanvullend typecertificaat, in overeenstemming met dit subdeel.

c)

In afwijking van punt b) kan een ingrijpende wijziging aan het deel van een product waarop een aanvullend typecertificaat betrekking heeft, dat door de houder van het aanvullend typecertificaat is ingediend, worden goedgekeurd als een wijziging aan het bestaande aanvullende typecertificaat.

21.A.118A   Verplichtingen en EPA-identficatiekenmerk

Elke houder van een aanvullend typecertificaat moet:

a)

de verplichtingen nakomen die:

1.

worden beschreven in de punten 21.A.3, 21.A.3B, 21.A.4, 21.A.105, 21.A.119 en 21.A.120,

2.

inherent zijn aan de samenwerking met de houder van het typecertificaat overeenkomstig punt 21.A.115, onder c), 2

en hiertoe blijven voldoen aan de criteria van punt 21.A.112B;

b)

het identificatiekenmerk specificeren, met inbegrip van de EPA-letters, in overeenstemming met punt 21.A.804, onder a).

21.A.118B   Duur en blijvende geldigheid

a)

Een aanvullend typecertificaat wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Het blijft geldig op voorwaarde dat:

1.

de houder blijft voldoen aan deze bijlage, en

2.

geen afstand wordt gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken volgens de door het Agentschap vastgestelde administratieve procedures.

b)

In geval van afstand of intrekking moet het aanvullende typecertificaat worden ingeleverd bij het Agentschap.

21.A.119   Handboeken

De houder van een aanvullend typecertificaat moet originele exemplaren samenstellen, bijhouden en bijwerken van de aanvullingen op de door de toepasselijke typecertificatiebasis en milieueisen vereiste handboeken, die noodzakelijk zijn om de overeenkomstig het aanvullend typecertificaat aangebrachte wijzigingen te behandelen en hij moet, op verzoek, kopieën van deze handboeken bezorgen aan het Agentschap.

21.A.120   Instructies voor blijvende luchtwaardigheid

a)

De houder van het aanvullend typecertificaat moet ten minste één kopie van de betreffende aanvullingen op de instructies voor blijvende luchtwaardigheid, opgesteld in overeenstemming met de toepasselijke typecertificatiebasis, bezorgen aan elke bekende eigenaar van één of meer luchtvaartuigen, motoren of propellers, bij levering van het product of bij afgifte van het eerste certificaat van luchtwaardigheid voor het betreffende luchtvaartuig, al naargelang wat laatst geschiedt, en nadien deze aanvullingen op de instructies op verzoek beschikbaar stellen aan eenieder die dient te voldoen aan één of meer bepalingen van deze instructies. Het beschikbaar stellen van een handboek of een deel van de aanvullingen op de instructies voor blijvende luchtwaardigheid dat betrekking heeft op revisie of andere vormen van groot onderhoud, mag worden uitgesteld tot na de ingebruikneming van het product, maar moet gebeuren voordat een van de producten de desbetreffende leeftijd of het desbetreffende aantal vlieguren/cycli bereikt.

b)

Bovendien moeten wijzigingen aan deze aanvullingen op de instructies voor blijvende luchtwaardigheid beschikbaar worden gesteld aan alle bekende gebruikers van een product waarvoor het aanvullend typecertificaat is afgegeven en aan eenieder die moet voldoen aan een of meer van deze instructies. Een programma dat toont hoe wijzigingen aan de aanvullingen op de instructies voor blijvende luchtwaardigheid zullen worden verspreid, moet aan het Agentschap worden voorgelegd.

SUBDEEL F —   PRODUCTIE ZONDER ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21.A.121   Toepassingsgebied

a)

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd volgens dewelke moet worden aangetoond dat aan de toepasselijke ontwerpgegevens wordt voldaan door een product, onderdeel of uitrustingsstuk dat zal worden vervaardigd zonder erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G.

b)

In dit subdeel worden de regels vastgelegd betreffende de verplichtingen van de fabrikant van producten, onderdelen of uitrustingsstukken die worden vervaardigd overeenkomstig dit subdeel.

21.A.122   Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon mag een aanvraag indienen om de conformiteit van individuele producten, onderdelen of uitrustingsstukken aan te tonen overeenkomstig dit subdeel, als:

a)

hij houder is van of een aanvraag heeft ingediend voor een goedkeuring van het ontwerp van dat product, onderdeel of uitrustingsstuk, of

b)

hij heeft gezorgd voor een toereikende coördinatie tussen productie en ontwerp, via een overeenkomst met de aanvrager of houder van een goedkeuring van zo'n ontwerp.

21.A.124   Aanvraag

a)

Elke aanvraag om een akkoordverklaring voor het aantonen van de conformiteit van individuele producten, onderdelen en uitrustingsstukken overeenkomstig dit subdeel moet gebeuren in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde autoriteit.

b)

Deze aanvraag moet bevatten:

1.

bewijsmateriaal dat aantoont, al naargelang van toepassing, dat:

i)

de afgifte van een erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G ongepast zou zijn, of

ii)

de certificering of goedkeuring van een product, onderdeel of uitrustingsstuk nodig is in afwachting van de afgifte van een erkenning als productieorganisatie overeenkomstig subdeel G;

2.

een overzicht van de in punt 21.A.125A, onder b), voorgeschreven informatie.

21.A.125A   Afgifte van een akkoordverklaring

De aanvrager heeft recht op een door de bevoegde autoriteit afgegeven akkoordverklaring waarin deze zich akkoord verklaart met het aantonen van de conformiteit van individuele producten, onderdelen en uitrustingsstukken overeenkomstig dit subdeel, nadat:

a)

hij een productie-inspectiesysteem heeft ontwikkeld dat garandeert dat elk product, onderdeel of uitrustingsstuk voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig gebruikt kan worden.

b)

hij een handboek heeft verstrekt met daarin:

1.

een beschrijving van het in punt a) voorgeschreven productiecontrolesysteem;

2.

een beschrijving van de besluitvormingsmethodiek van het productie-inspectiesysteem van het productie-inspectiesysteem;

3.

een beschrijving van de proeven voorzien in de punten 21.A.127 en 21.A.128, en de namen van de personen die bevoegd zijn voor de uitvoering van punt 21.A.130, onder a).

c)

hij heeft aangetoond dat hij in staat is om bijstand te verlenen in overeenstemming met de punten 21.A.3 en 21.A.129, onder d).

21.A.125B   Bevindingen

a)

Als op basis van objectieve bewijzen wordt vastgesteld dat de houder van een akkoordverklaring niet voldoet aan de toepasselijke eisen van deze bijlage, wordt deze bevinding als volgt geclassificeerd:

1.

een niveau 1-bevinding betekent dat het niet-voldoen aan de bepalingen van deze bijlage kan leiden tot een onbeheerste afwijking van de toepasselijke ontwerpgegevens, en de veiligheid van het luchtvaartuig kan aantasten;

2.

een niveau 2-bevinding is elke afwijking van de bepalingen van deze bijlage die niet als niveau 1 geclassificeerd wordt.

b)

Een niveau 3-bevinding betreft elk element waarvan met objectieve bewijzen is aangetoond dat het mogelijke problemen bevat die zouden kunnen leiden tot een afwijking overeenkomstig punt a).

c)

Na ontvangst van de kennisgeving betreffende de bevindingen overeenkomstig punt 21.B.125:

1.

moet de houder van een akkoordverklaring in het geval van een niveau 1-bevinding aantonen dat hij tot voldoening van de bevoegde autoriteit corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen een periode van maximum 21 werkdagen na de schriftelijke bevestiging van de bevinding;

2.

in het geval van een niveau 2-bevinding zal de periode voor corrigerende maatregelen die door de bevoegde autoriteit wordt toegekend toepasselijk zijn voor de aard van de bevinding, maar in geen geval langer dan drie maanden. Onder bepaalde omstandigheden en afhankelijk van de aard van de bevinding kan de bevoegde autoriteit de periode van drie maanden verlengen afhankelijk van een met de bevoegde autoriteit overeengekomen geschikt actieplan voor corrigerende maatregelen;

3.

een niveau 3-bevinding vereist geen onmiddellijke maatregelen van de houder van de akkoordverklaring.

d)

In het geval van niveau 1- of niveau 2-bevindingen kan de akkoordverklaring gedeeltelijk of volledig worden gelimiteerd, opgeschort of ingetrokken overeenkomstig punt 21.B.145. De houder van de akkoordverklaring moet binnen een redelijke termijn bevestigen dat hij de kennisgeving van limitatie, opschorting of intrekking van de akkoordverklaring heeft ontvangen.

21.A.125C   Duur en blijvende geldigheid

a)

De akkoordverklaring wordt afgegeven voor een beperkte duur van ten hoogste één jaar. De verklaring blijft geldig tenzij:

1.

de houder van de akkoordverklaring nalaat te voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van dit subdeel, of

2.

het bewijs bestaat dat de fabrikant niet in staat is om de fabricage van producten, onderdelen of uitrustingsstukken voldoende onder controle te houden overeenkomstig de verklaring, of

3.

de fabrikant niet langer voldoet aan de vereisten van punt 21.A.122, of

4.

afstand is gedaan van de akkoordverklaring of deze is ingetrokken overeenkomstig punt 21.B.145, ofwel is verlopen.

b)

In geval van afstand, intrekking of verloop moet de akkoordverklaring worden ingeleverd bij de bevoegde autoriteit.

21.A.126   Productie-inspectiesysteem

a)

Het in punt 21.A.125A, onder a), voorgeschreven productie-inspectiesysteem moet het mogelijk maken om vast te stellen dat:

1.

de binnenkomende materialen en gekochte of in onderaanneming vervaardigde onderdelen die in het eindproduct worden gebruikt, overeenkomen met de specificaties van de toepasselijke ontwerpgegevens;

2.

de binnenkomende materialen en gekochte of in onderaanneming vervaardigde onderdelen naar behoren geïdentificeerd zijn;

3.

de procedés, fabricagetechnieken en assemblagemethoden die de kwaliteit en veiligheid van de eindproducten beïnvloeden, uitgevoerd worden in overeenstemming met de door de bevoegde autoriteit geaccepteerde specificaties;

4.

de ontwerpwijzigingen, met inbegrip van de materiaalvervangingen, zijn goedgekeurd overeenkomstig subdeel D of E en worden beheerst alvorens te worden verwerkt in het eindproduct.

b)

Het in punt 21.A.125A, onder a), voorgeschreven productie-inspectiesysteem moet ook garanderen dat:

1.

tijdens het verwerken van de onderdelen wordt gecontroleerd of deze beantwoorden aan de ontwerpgegevens op punten in het productieproces waar zulks nauwkeurig kan worden vastgesteld;

2.

de materialen die vatbaar zijn voor beschadiging of bederf op een geschikte manier opgeslagen en naar behoren beschermd zijn;

3.

geldende ontwerptekeningen gemakkelijk te raadplegen zijn door het fabricage- en inspectiepersoneel, en gebruikt worden wanneer nodig;

4.

afgekeurde materialen en onderdelen afgezonderd worden en dusdanig geïdentificeerd worden dat verwerking ervan in het eindproduct uitgesloten is;

5.

materialen en onderdelen die worden tegengehouden omdat ze afwijken van de ontwerpgegevens of de specificaties, maar die wel in aanmerking komen om te worden verwerkt in het eindproduct, worden onderworpen aan een goedgekeurde ontwerp- en fabricagebeoordelingsprocedure. De materialen en onderdelen die door deze procedure bruikbaar worden bevonden, moeten naar behoren worden geïdentificeerd en opnieuw gecontroleerd als een nabewerking of reparatie noodzakelijk is. Materialen die als gevolg van deze procedure worden afgekeurd, moeten dusdanig worden gekenmerkt en geborgen, dat ze niet kunnen worden verwerkt in het eindproduct;

6.

de registraties van het productie-inspectiesysteem worden bijgehouden, geïdentificeerd met het afgewerkte product of onderdeel, indien uitvoerbaar, en bewaard door de fabrikant zodat de nodige informatie voorhanden is om de blijvende luchtwaardigheid van het product te kunnen waarborgen.

21.A.127   Proeven: luchtvaartuigen

a)

Elke fabrikant van een luchtvaartuig dat wordt vervaardigd overeenkomstig dit subdeel moet een goedgekeurde testprocedure met grond- en vliegproeven opstellen, evenals aankruisformulieren, en in overeenstemming met deze formulieren elk geproduceerd luchtvaartuig beproeven, teneinde vast te stellen of op een relevante manier wordt voldaan aan punt 21.A.125A, onder a).

b)

Elke testprocedure moet ten minste het volgende omvatten:

1.

een controle van de bestuurbaarheid;

2.

een controle van de vliegprestaties (met normale vliegtuiginstrumentatie);

3.

een controle van de goede werking van alle vliegtuigapparatuur en –systemen;

4.

een vaststelling dat alle instrumenten duidelijk gemarkeerd zijn en dat alle opschriften en vereiste vlieghandboeken aangebracht worden na de vliegproef;

5.

een controle van de operationele kenmerken van het vliegtuig op de grond;

6.

een controle van alle andere specifieke elementen van het te beproeven luchtvaartuig.

21.A.128   Proeven: motoren, propellers

Elke fabrikant van motoren of propellers die worden vervaardigd overeenkomstig dit subdeel moet elke motor of propeller met variabele spoed onderwerpen aan een aanvaardbare functionele test zoals gespecificeerd in de documentatie van de houder van het typecertificaat teneinde na te gaan of hij goed werkt tijdens de gebruikstoepassingen waarvoor een typecertificaat is afgegeven, teneinde vast te stellen of op een relevante manier wordt voldaan aan punt 21.A.125A, onder a).

21.A.129   Verplichtingen van de fabrikant

Elke fabrikant van een product, onderdeel of uitrustingsstuk dat wordt vervaardigd overeenkomstig dit subdeel, moet:

a)

elk product, onderdeel of uitrustingsstuk beschikbaar houden voor controle door de bevoegde autoriteit;

b)

op de plaats van de fabricage de technische gegevens en tekeningen bewaren die nodig zijn om vast te stellen of het product voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens;

c)

het productie-inspectiesysteem in stand houden dat garandeert dat elk product voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt;

d)

bijstand verlenen aan de houder van het typecertificaat, beperkt typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring bij alle maatregelen inzake blijvende luchtwaardigheid die betrekking hebben op de geproduceerde producten, onderdelen of uitrustingsstukken;

e)

een intern voorvallenmeldingssysteem instellen en in stand houden om het verzamelen en beoordelen van voorvallenmeldingen in het belang van de veiligheid mogelijk te maken teneinde negatieve tendensen te identificeren of gebreken te verhelpen, en om meldbare voorvallen te selecteren. Dit systeem omhelst de evaluatie van relevante informatie betreffende voorvallen en de bekendmaking van informatie die ermee verband houdt;

f)

1.

aan de houder van het typecertificaat, beperkte typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring alle gevallen melden van producten, onderdelen of uitrustingsstukken die door de fabrikant zijn vrijgegeven en nadien afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens blijken te vertonen, en samen met de houder van het typecertificaat, beperkte typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring onderzoeken welke afwijkingen kunnen leiden tot een onveilige toestand;

2.

aan het Agentschap en de bevoegde autoriteit van de lidstaat de afwijkingen melden die kunnen leiden tot een onveilige toestand en die geïdentificeerd zijn overeenkomstig punt 1. Dergelijke meldingen moeten worden gedaan in een vorm en op een wijze die vastgesteld zijn door het Agentschap overeenkomstig punt 21.A.3, onder b), 2, of aanvaardbaar voor de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

3.

ingeval de fabrikant optreedt als leverancier voor een andere productieorganisatie, ook aan die andere organisatie alle gevallen melden waarin hij producten, onderdelen of uitrustingsstukken heeft vrijgegeven en nadien heeft vastgesteld dat ze mogelijke afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens vertonen.

21.A.130   Conformiteitsverklaring

a)

Elke fabrikant van een product, onderdeel of uitrustingsstuk dat vervaardigd is overeenkomstig dit subdeel moet een conformiteitsverklaring overleggen, d.w.z. een EASA-formulier 52 voor complete luchtvaartuigen of een EASA-formulier 1 voor andere producten, onderdelen of uitrustingsstukken (zie aanhangsel VIII). Deze verklaring moet worden ondertekend door een bevoegd persoon die een verantwoordelijke functie bekleedt in de productieorganisatie.

b)

Een conformiteitsverklaring moet omvatten:

1.

voor elk product, onderdeel of uitrustingsstuk een verklaring dat het product, onderdeel of uitrustingsstuk voldoet aan de goedgekeurde ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt;

2.

voor elk luchtvaartuig een verklaring dat het luchtvaartuig op de grond en in vlucht is beproefd in overeenstemming met punt 21.A.127, onder a), en

3.

voor elke motor of propeller met variabele spoed een verklaring dat de motor of propeller door de fabrikant is onderworpen aan een functionele eindtest, in overeenstemming met punt 21.A.128, en bovendien, in het geval van motoren, een vaststelling, overeenkomstig door de houder van het typecertificaat voor motoren bezorgde gegevens; dat elke geproduceerde motor voldoet aan de op de fabricagedatum geldende toepasselijke emissie-eisen.

c)

Elke fabrikant van zo'n product, onderdeel of uitrustingsstuk moet:

1.

bij de initiële overdracht door hem van de eigendom van het product, onderdeel of uitrustingsstuk, of

2.

bij de aanvraag om de eerste afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid voor luchtvaartuigen, of

3.

bij de aanvraag om de eerste afgifte van een vrijgavedocument betreffende luchtwaardigheid voor een vliegtuigmotor, een propeller, een onderdeel of een uitrustingsstuk,

een recente conformiteitsverklaring voegen ter bekrachtiging door de bevoegde autoriteit.

d)

De bevoegde autoriteit moet met haar handtekening de conformiteitsverklaring bekrachtigen als ze na inspectie van oordeel is dat het product, het onderdeel of het uitrustingsstuk voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt.

SUBDEEL G —   ERKENNING ALS PRODUCTIEORGANISATIE

21.A.131   Toepassingsgebied

In dit subdeel worden vastgelegd:

a)

de procedure voor de afgifte van een erkenning als productieorganisatie aan een productieorganisatie waarvan de producten, onderdelen en uitrustingsstukken voldoen aan de toepasselijke ontwerpgegevens;

b)

de regels betreffende de rechten en verplichtingen van de aanvragers en houders van dergelijke erkenningen.

21.A.133   Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon („organisatie”) komt in aanmerking voor een erkenning overeenkomstig dit subdeel. De aanvrager moet:

a)

verantwoorden dat, voor een vastgesteld werkgebied, een erkenning overeenkomstig dit subdeel gepast is om aan te tonen dat zijn product voldoet aan een specifiek ontwerp, en

b)

houder zijn van of een aanvraag hebben ingediend voor een goedkeuring van dat specifieke ontwerp, of

c)

via een passende overeenkomst met de aanvrager of houder van een goedkeuring van dat specifieke ontwerp, gezorgd hebben voor een toereikende coördinatie tussen productie en ontwerp.

21.A.134   Aanvraag

Elke aanvraag om een erkenning als productieorganisatie moet worden ingediend bij de bevoegde autoriteit in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door die autoriteit, en moet een overzicht bevatten van de in punt 21.A.143 voorgeschreven informatie en van de voorwaarden van de aangevraagde erkenning overeenkomstig punt 21.A.151.

21.A.135   Afgifte van een erkenning als productieorganisatie

Een organisatie heeft recht op een door de bevoegde autoriteit afgegeven erkenning als productieorganisatie, indien het heeft aangetoond dat het voldoet aan de toepasselijke eisen overeenkomstig dit subdeel.

21.A.139   Kwaliteitssysteem

a)

De productieorganisatie moet aantonen dat het een kwaliteitssysteem heeft ingesteld en in stand kan houden. Het kwaliteitssysteem moet gedocumenteerd zijn. Dit kwaliteitssysteem moet de productieorganisatie in staat stellen om te garanderen dat elk product, onderdeel of uitrustingsstuk dat wordt geproduceerd door de organisatie of door zijn partners, of wordt geleverd door of uitbesteed aan derden, voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens en veilig kan worden gebruikt, zodat de organisatie de in punt 21.A.163 beschreven voorrechten kan uitoefenen.

b)

Het kwaliteitssysteem moet omvatten:

1.

naargelang van toepassing binnen het erkenningsgebied, beheersprocedures voor:

i)

uitgifte, goedkeuring of wijziging van documenten;

ii)

evaluatieaudit en beheersing van leveranciers en onderaannemers;

iii)

verificatie dat binnenkomende producten, onderdelen, materialen en uitrustingen, met inbegrip van door de kopers van producten geleverde nieuwe of gebruikte delen, beantwoorden aan de toepasselijke ontwerpgegevens;

iv)

identificatie en traceerbaarheid;

v)

fabricageprocessen;

vi)

inspectie en proeven, met inbegrip van vliegproeven;

vii)

kalibratie van gereedschappen, mallen en testapparatuur;

viii)

beheersing van niet-conforme artikelen;

ix)

coördinatie inzake luchtwaardigheid met de aanvrager of houder van een ontwerpgoedkeuring;

x)

bijhouden en bewaren van gegevens;

xi)

bekwaamheid en kwalificatie van het personeel;

xii)

afgifte van vrijgavedocumenten betreffende luchtwaardigheid;

xiii)

behandeling, opslag en verpakking;

xiv)

interne kwaliteitsaudits en eruit voortvloeiende corrigerende maatregelen;

xv)

werk dat binnen de erkenningsvoorwaarden wordt uitgevoerd op een andere plaats dan de goedgekeurde faciliteiten;

xvi)

werk dat wordt uitgevoerd na de productie maar voor de levering, om het luchtvaartuig in een gebruiksveilige toestand te houden;

xvii)

afgifte van een vliegvergunning en goedkeuring van de daaraan gekoppelde vluchtvoorwaarden.

De beheersprocedures moeten specifieke voorzieningen voor kritieke onderdelen bevatten.

2.

Een onafhankelijke kwaliteitsborgingsfunctie om de conformiteit en de geschiktheid van de gedocumenteerde procedures van het kwaliteitssysteem te bewaken. Deze bewaking moet een systeem omvatten van feedback aan de in punt 21.A.145, onder c), 2, vermelde persoon of groep personen en uiteindelijk aan de in punt 21.A.145, onder c), 1), bedoelde manager, zodat corrigerende maatregelen worden uitgevoerd wanneer nodig.

21.A.143   Organisatiehandboek

a)

De organisatie moet aan de bevoegde autoriteit een handboek voorleggen met de volgende informatie:

1.

een door de verantwoordelijke manager ondertekende verklaring waarin bevestigd wordt dat te allen tijde zal worden voldaan aan het organisatiehandboek waarin is vastgelegd hoe de erkende productieorganisatie voldoet aan dit subdeel;

2.

de titel(s) en namen van de managers die door de bevoegde autoriteit worden aanvaard in overeenstemming met punt 21.A.145, onder c), 2;

3.

de in punt 21.A.145, onder c), 2, verplichte taken en verantwoordelijkheden van de manager(s), met inbegrip van zaken die zij in naam van de organisatie rechtstreeks met de bevoegde autoriteit mogen afhandelen;

4.

een organigram met de in punt 21.A.145, onder c), 1 en 2, voorgeschreven verantwoordelijkheidsketens van de managers;

5.

een lijst van certificeringspersoneel, zoals bedoeld in punt 21.A.145, onder d);

6.

een algemene beschrijving van de beschikbare mankracht;

7.

een algemene beschrijving van de faciliteiten op elk vestigingsadres dat in het erkenningscertificaat van de productieorganisatie wordt gespecificeerd;

8.

een algemene beschrijving van de werkzaamheden van de productieorganisatie met betrekking tot de erkenningsvoorwaarden;

9.

de procedure voor het bekendmaken van organisatorische wijzigingen aan de bevoegde autoriteit;

10.

de procedure voor het aanpassen van het handboek;

11.

een beschrijving van het kwaliteitssysteem en van de in punt 21.A.139, onder b), 1, voorgeschreven procedures;

12.

een lijst van de in punt 21.A.139, onder a), vermelde derde partijen.

b)

Het handboek moet worden aangepast naargelang nodig is om de beschrijving van de organisatie actueel te houden, en kopieën van alle aanpassingen moeten worden bezorgd aan de bevoegde autoriteit.

21.A.145   Erkenningseisen

De productieorganisatie moet aantonen, op basis van de overeenkomstig punt 21.A.143 voorgelegde informatie:

a)

met betrekking tot de algemene erkenningseisen: dat de faciliteiten, arbeidsomstandigheden, uitrustingen en gereedschappen, procédés en bijbehorende materialen, personeelssterkte en -bekwaamheid, en algemene organisatie toereikend zijn voor het nakomen van zijn verplichtingen overeenkomstig punt 21.A.165;

b)

met betrekking tot alle noodzakelijke gegevens betreffende luchtwaardigheid, geluid, brandstofventilatie en uitlaatemissies:

1.

de productieorganisatie dergelijke gegevens heeft ontvangen van het Agentschap en van de houder of aanvrager van het typecertificaat, beperkte typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring om vast te stellen of het voldoet aan de toepasselijke ontwerpgegevens;

2.

de productieorganisatie een procedure heeft om te garanderen dat luchtwaardigheid, geluid, brandstofventilatie en uitlaatemissies correct worden verwerkt in zijn productiegegevens;

3.

gegevens permanent worden bijgewerkt en ter beschikking worden gesteld van alle personeelsleden die toegang tot deze gegevens moeten kunnen hebben om hun taken te kunnen vervullen;

c)

met betrekking tot de directie en het personeel:

1.

een manager door de productieorganisatie is benoemd en rekenschap verschuldigd is aan de bevoegde autoriteit. Dat zijn verantwoordelijkheid binnen de organisatie erin bestaat ervoor te zorgen dat de gehele productie verloopt volgens de vereiste normen en dat de productieorganisatie permanent voldoet aan de gegevens en procedures die worden geïdentificeerd in het in punt 21.A.143 vermelde handboek;

2.

een persoon of een groep personen die ervoor moet zorgen dat de organisatie voldoet aan de eisen van deze bijlage, is benoemd en geïdentificeerd, en dat zijn of hun bevoegdheden nauwkeurig zijn omschreven. Een dergelijke persoon of dergelijke personen is/zijn rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de in punt 1 bedoelde manager. De benoemde personen moeten kunnen aantonen dat zij over voldoende kennis, achtergrond en ervaring beschikken om hun taken te kunnen vervullen;

3.

het personeel op alle niveaus de nodige bevoegdheid heeft gekregen om de hun toegewezen verantwoordelijkheden te kunnen vervullen en dat er binnen de productieorganisatie een volledige en effectieve coördinatie bestaat met betrekking tot luchtwaardigheids-, geluids-, brandstofventilatie- en uilaatemissie-aangelegenheden;

d)

met betrekking tot certificeringspersoneel dat door de productieorganisatie is gemachtigd om de overeenkomstig punt 21.A.163 afgegeven documenten te ondertekenen, binnen het toepassingsgebied of de erkenningsvoorwaarden:

1.

de kennis, achtergrond (met inbegrip van andere functies in de organisatie) en de ervaring van het certificeringspersoneel dusdanig zijn dat zij de hun toegewezen verantwoordelijkheden kunnen vervullen;

2.

de productieorganisatie een register bijhoudt van al het certificeringspersoneel waarin hun bevoegdheden nauwkeurig zijn vastgelegd;

3.

aan het certificeringspersoneel een bewijs van hun bevoegdheden is verstrekt.

21.A.147   Wijzigingen in de erkende productieorganisatie

a)

Nadat een erkenning als productieorganisatie is afgegeven, moet elke wijziging in de erkende productieorganisatie die gevolgen heeft voor de conformiteit of voor de luchtwaardigheid, de geluidskenmerken, de brandstofventilatie en de uitlaatemissies van het product, het onderdeel of het uitrustingsstuk, met name wijzigingen aan het kwaliteitssysteem, worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit. Een aanvraag voor dergelijke wijziging moet schriftelijk bij de bevoegde autoriteit worden ingediend en de productieorganisatie moet de bevoegde autoriteit aantonen voordat de wijziging wordt toegepast, dat het zal blijven voldoen aan dit subdeel.

b)

De bevoegde autoriteit legt de voorwaarden vast waaronder een overeenkomstig dit subdeel erkend productieorganisatie kan blijven werken gedurende dergelijke wijzigingen, tenzij de bevoegde autoriteit bepaalt dat de erkenning dient te worden opgeschort.

21.A.148   Wijzigingen van vestigingsplaats

Een wijziging van de vestigingsplaats van de fabricage-faciliteiten van de erkende productieorganisatie dient te worden beschouwd als een ingrijpende wijziging en moet bijgevolg voldoen aan punt 21.A.147.

21.A.149   Overdraagbaarheid

Behalve in het geval van een verandering van eigendom, die dient te worden beschouwd als een ingrijpende wijziging en moet voldoen aan punt 21.A.147, kan een erkenning als productieorganisatie niet worden overgedragen.

21.A.151   Erkenningsvoorwaarden

De erkenningsvoorwaarden bepalen de werkzaamheden, en de producten en/of de categorieën van onderdelen en uitrustingsstukken waarvoor de houder het recht heeft om de in punt 21.A.163 vastgelegde bevoegdheden uit te oefenen.

Deze voorwaarden worden afgegeven als onderdeel van een erkenning als productieorganisatie.

21.A.153   Wijzigingen van de erkenningsvoorwaarden

Elke wijziging van de erkenningsvoorwaarden moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit. Een aanvraag om een wijziging van de erkenningsvoorwaarden moet worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde autoriteit. De aanvrager moet voldoen aan de toepasselijke eisen van dit subdeel.

21.A.157   Onderzoeken

Een productieorganisatie moet voorzieningen treffen die de bevoegde autoriteit in staat stellen om de nodige onderzoeken, met inbegrip van een onderzoek van de partners en onderaannemers, uit te voeren, teneinde vast te stellen of voldaan wordt en permanent voldaan zal worden aan de toepasselijke eisen van dit subdeel.

21.A.158   Bevindingen

a)

Als op basis van objectieve bewijzen wordt vastgesteld dat de houder van een erkenning als productieorganisatie niet voldoet aan de toepasselijke eisen van deze bijlage, wordt deze bevinding als volgt geclassificeerd:

1.

een niveau 1-bevinding betekent dat het niet voldoen aan de bepalingen van deze bijlage kan leiden tot een onbeheerste afwijking met de toepasselijke ontwerpgegevens, de veiligheid van het luchtvaartuig kan aantasten;

2.

een niveau 2-bevinding is elke afwijking met de bepalingen van deze bijlage die niet als niveau 1 geclassificeerd wordt.

b)

Een niveau 3-bevinding betreft elk element waarvan met objectieve bewijzen is aangetoond dat het mogelijke problemen bevat die zouden kunnen leiden tot een afwijking overeenkomstig punt a).

c)

Na ontvangst van de kennisgeving betreffende de bevindingen overeenkomstig punt 21.B.225,

1.

moet de houder van een erkenning als productieorganisatie in het geval van een niveau 1-bevinding aantonen dat hij tot voldoening van de bevoegde autoriteit corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen een periode van maximum 21 werkdagen na de schriftelijke bevestiging van de bevinding;

2.

in het geval van een niveau 2-bevinding zal de periode voor corrigerende maatregelen die door de bevoegde autoriteit wordt toegekend toepasselijk zijn voor de aard van de bevinding, maar in geen geval langer dan drie maanden. Onder bepaalde omstandigheden en afhankelijk van de aard van de bevinding kan de bevoegde autoriteit de periode van drie maanden verlengen afhankelijk van een met de bevoegde autoriteit overeengekomen geschikt actieplan voor corrigerende maatregelen;

3.

een niveau 3-bevinding vereist geen onmiddellijke maatregelen van de houder van de erkenning als productieorganisatie.

d)

In het geval van een niveau 1- of niveau 2-bevinding kan de erkenning als productieorganisatie gedeeltelijk of volledig worden gelimiteerd, opgeschort of ingetrokken overeenkomstig punt 21.B.245. De houder van de erkenning als productieorganisatie moet binnen een redelijke termijn bevestigen dat hij de kennisgeving van de limitatie, opschorting of intrekking van de erkenning als productieorganisatie heeft ontvangen.

21.A.159   Duur en blijvende geldigheid

a)

Een erkenning als productieorganisatie wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Ze blijft geldig tenzij:

1.

de productieorganisatie niet kan aantonen dat het voldoet aan de toepasselijke eisen van dit subdeel, of

2.

de bevoegde autoriteit door de houder of een van zijn partners of onderaannemers wordt verhinderd om onderzoeken uit te voeren in overeenstemming met punt 21.A.157, of

3.

er aanwijzingen zijn dat de productieorganisatie niet in staat is om de fabricage van producten, onderdelen of uitrustingsstukken voldoende onder controle te houden overeenkomstig de erkenning, of

4.

de productieorganisatie niet langer voldoet aan de eisen van punt 21.A.133, of

5.

afstand is gedaan van het certificaat of het certificaat is ingetrokken overeenkomstig punt 21.B.245.

b)

In geval van afstand of intrekking moet het certificaat worden ingeleverd bij de bevoegde autoriteit.

21.A.163   Bevoegdheden

Overeenkomstig de in punt 21.A.135 vermelde erkenningsvoorwaarden kan de houder van een erkenning als productieorganisatie:

a)

productieactiviteiten uitvoeren overeenkomstig deze bijlage;

b)

in het geval van een compleet luchtvaartuig en na overlegging van een conformiteitsverklaring (EASA-formulier 52) overeenkomstig punt 21.A.174, een bewijs van luchtwaardigheid en een geluidscertificaat verkrijgen zonder verdere bewijsvoering;

c)

in het geval van andere producten, onderdelen of uitrustingsstukken, certificaten van vrijgave (EASA-formulier 1) afgeven overeenkomstig 21A.307 zonder verdere bewijsvoering;

d)

een nieuw, door hem geproduceerd luchtvaartuig onderhouden en een certificaat van vrijgave (EASA-formulier 53) met betrekking tot dat onderhoud afgeven;

e)

met inachtneming van de procedures zoals overeengekomen met zijn bevoegde autoriteit voor productie, wanneer het gaat om een luchtvaartuig dat de houder zelf heeft gebouwd en in het geval de productieorganisatie krachtens haar erkenning als productieorganisatie zelf controle uitoefent op de configuratie van het luchtvaartuig en verklaart zich te zullen conformeren aan de voor de vlucht goedgekeurde ontwerpvoorwaarden, een vliegvergunning afgeven overeenkomstig punt 21.A.711 c), tevens houdende goedkeuring van de vluchtvoorwaarden overeenkomstig punt 21.A.710, onder b).

21.A.165   Verplichtingen van de houder

De houder van een erkenning als productieorganisatie moet:

a)

ervoor zorgen dat het in overeenstemming met punt 21.A.143 ter beschikking gestelde handboek en de documenten waarnaar het verwijst, in de organisatie gebruikt worden als basiswerkdocumenten;

b)

de productieorganisatie instandhouden conform de voor de erkenning als productieorganisatie goedgekeurde gegevens en procedures;

c)

1.

vaststellen dat elk geproduceerd luchtvaartuig beantwoordt aan het typeontwerp en veilig kan worden gebruikt, alvorens conformiteitsverklaringen voor te leggen aan de bevoegde autoriteit, of

2.

vaststellen dat andere producten, onderdelen of uitrustingen compleet zijn, beantwoorden aan de goedgekeurde ontwerpgegevens en dat ze veilig kunnen worden gebruikt, alvorens EASA-formulier 1 af te geven om te bewijzen dat ze beantwoorden aan de goedgekeurde ontwerpgegevens en veilig kunnen worden gebruikt, en bovendien, in het geval van motoren, vaststellen, overeenkomstig de door de houder van het typecertificaat voor motoren verschafte gegevens, dat elke geproduceerde motor voldoet aan de op de fabricagedatum geldende toepasselijke emissie-eisen, zoals gedefinieerd in punt 21.A.18, onder b), als bewijs van conformiteit inzake emissies, of

3.

vaststellen dat andere producten, onderdelen of uitrustingsstukken beantwoorden aan de toepasselijke gegevens, alvorens EASA-formulier 1 af te geven als bewijs van conformiteit;

d)

alle details van uitgevoerde werkzaamheden registreren;

e)

een intern voorvallenmeldingssysteem instellen en in stand houden om het verzamelen en beoordelen van voorvallenmeldingen in het belang van de veiligheid mogelijk te maken teneinde negatieve tendensen te identificeren of gebreken te verhelpen, en om meldbare voorvallen te selecteren. Dit systeem omhelst de evaluatie van relevante informatie betreffende voorvallen en de bekendmaking van informatie die ermee verband houdt;

f)

1.

aan de houder van het typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring alle gevallen melden van producten, onderdelen of uitrustingsstukken die door de productieorganisatie zijn vrijgegeven en nadien mogelijke afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens blijken te vertonen, en samen met de houder van het typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring onderzoeken welke afwijkingen kunnen leiden tot een onveilige toestand;

2.

aan het Agentschap en de bevoegde autoriteit van de lidstaat de overeenkomstig punt 1 geïdentificeerde afwijkingen melden die kunnen leiden tot een onveilige toestand. Dergelijke meldingen moeten worden gedaan in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door het Agentschap overeenkomstig punt 21.A.3, onder b), 2, of aanvaardbaar voor de bevoegde autoriteit van de lidstaat;

3.

ingeval de houder van de erkenning als productieorganisatie optreedt als leverancier voor een andere productieorganisatie, ook aan die organisatie alle gevallen melden waarin hij producten, onderdelen of uitrustingsstukken aan die organisatie heeft vrijgegeven en nadien heeft vastgesteld dat ze mogelijke afwijkingen van de toepasselijke ontwerpgegevens vertonen;

g)

bijstand verlenen aan de houder van het typecertificaat of de ontwerpgoedkeuring bij alle maatregelen inzake blijvende luchtwaardigheid die betrekking hebben op de geproduceerde producten, onderdelen of uitrustingsstukken;

h)

een archiefsysteem instellen waarin alle aan de partners, leveranciers en toeleveranciers opgelegde eisen zijn opgenomen, en dat de gegevens bevat die gebruikt worden om de conformiteit van de producten, onderdelen of uitrustingsstukken aan te tonen. Deze gegevens moeten ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit en dienen te worden bewaard, zodat de nodige informatie voorhanden is om te kunnen waarborgen dat de producten, onderdelen of uitrustingsstukken blijvend luchtwaardig zijn;

i)

indien de houder, overeenkomstig zijn erkenningsvoorwaarden, een certificaat van vrijgave afgeeft, vaststellen dat elk afgewerkt luchtvaartuig onderworpen is aan het noodzakelijke onderhoud en veilig kan worden gebruikt, alvorens het certificaat af te geven;

j)

voor zover van toepassing, de voorwaarden vaststellen waaronder een vliegvergunning kan worden afgegeven met inachtneming van het bepaalde onder punt 21.A.163, onder e);

k)

indien van toepassing, op grond van bevoegdheid onder punt 21.A.163, onder e), vaststellen dat punt 21.A.711, onder c) en e), wordt nageleefd, alvorens een vliegvergunning voor een luchtvaartuig af te leveren.

SUBDEEL H —   BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID EN BEPERKTE BEWIJZEN VAN LUCHTWAARDIGHEID

21.A.171   Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van bewijzen van luchtwaardigheid.

21.A.172   Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon onder wiens naam een luchtvaartuig is geregistreerd of zal worden geregistreerd in een lidstaat („lidstaat van registratie”), of zijn vertegenwoordiger, kan in aanmerking komen om een bewijs van luchtwaardigheid voor dat luchtvaartuig aan te vragen overeenkomstig dit subdeel.

21.A.173   Classificatie

Bewijzen van luchtwaardigheid worden als volgt geclassificeerd:

a)

bewijzen van luchtwaardigheid worden afgegeven voor luchtvaartuigen waarvoor een typecertificaat is afgegeven in overeenstemming met deze bijlage;

b)

beperkte bewijzen van luchtwaardigheid worden afgegeven voor luchtvaartuigen:

1.

waarvoor een beperkt typecertificaat is afgegeven in overeenstemming met deze bijlage, of

2.

waarvan is aangetoond aan het Agentschap dat zij voldoen aan de specifieke luchtwaardigheidsspecificaties die een toereikende veiligheid garanderen.

21.A.174   Aanvraag

a)

Overeenkomstig punt 21.A.172 moet een aanvraag om een bewijs van luchtwaardigheid worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie.

b)

Elke aanvraag om een bewijs van luchtwaardigheid of een beperkt bewijs van luchtwaardigheid moet bevatten:

1.

een vermelding van het type bewijs van luchtwaardigheid dat wordt aangevraagd;

2.

voor nieuwe luchtvaartuigen:

i)

een conformiteitsverklaring:

afgegeven overeenkomstig punt 21.A.163(b), of

afgegeven overeenkomstig punt 21.A.130 en gevalideerd door de bevoegde autoriteit, of

voor geïmporteerde luchtvaartuigen, een door de exporterende overheid ondertekende verklaring dat het luchtvaartuig beantwoordt aan een door het Agentschap goedgekeurd ontwerp;

ii)

een gewichts- en zwaartepuntsrapport met een beladingschema;

iii)

het vlieghandboek, indien vereist door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor het betreffende luchtvaartuig;

3.

voor gebruikte luchtvaartuigen:

i)

komende van een lidstaat, een overeenkomstig deel M afgegeven certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid;

ii)

komende van een niet-lidstaat:

een verklaring door de bevoegde autoriteit van het land waar het luchtvaartuig geregistreerd is, of was, waarin de luchtwaardigheidstoestand van het betreffende luchtvaartuig op het moment van de overdracht wordt beschreven;

een gewichts- en zwaartepuntsrapport met een beladingsschema;

het vlieghandboek indien wordt vereist door de toepasselijke luchtwaardigheidsvoorschriften voor het betreffende luchtvaartuig;

historische gegevens om de productie-, wijzigings- en onderhoudsstatus van het luchtvaartuig vast te stellen, met inbegrip van alle beperkingen die verbonden zijn aan een beperkt bewijs van luchtwaardigheid overeenkomstig punt 21.B.327, onder c);

een aanbeveling voor de afgifte van een bewijs van luchtwaardigheid of een beperkt bewijs van luchtwaardigheid en een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid, na een beoordeling van de luchtwaardigheid in overeenstemming met deel M.

c)

Tenzij anders overeengekomen, moeten de verklaringen vermeld in de punten b), 2), i) en b), 3), ii) worden afgegeven ten laatste 60 dagen voordat het luchtvaartuig wordt aangeboden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie.

21.A.175   Taal

De handboeken, opschriften, lijsten en instrumentmarkeringen, en alle andere noodzakelijke informatie die vereist wordt door de toepasselijke certificeringsspecificaties moeten worden opgesteld in één of meerdere van de voor de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie aanvaardbare officiële talen van de Unie.

21.A.177   Amendement of wijziging

Een bewijs van luchtwaardigheid kan alleen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie worden geamendeerd of gewijzigd.

21.A.179   Overdraagbaarheid en nieuwe afgifte binnen lidstaten

a)

Als een luchtvaartuig van eigenaar is veranderd:

1.

en als het blijft ingeschreven in hetzelfde register, wordt het bewijs van luchtwaardigheid, of het beperkt bewijs van luchtwaardigheid beantwoordend aan een beperkt typecertificaat, samen met het luchtvaartuig overgedragen;

2.

en als het luchtvaartuig wordt geregistreerd in een andere lidstaat, wordt het bewijs van luchtwaardigheid, of het beperkt bewijs van luchtwaardigheid beantwoordend aan een beperkt typecertificaat, opnieuw afgegeven:

i)

na overlegging van het oude bewijs van luchtwaardigheid en van een overeenkomstig deel M afgegeven geldig bewijs van beoordeling van de luchtwaardigheid, en

ii)

als voldaan wordt aan punt 21.A.175.

b)

Als een luchtvaartuig van eigenaar is veranderd, en het luchtvaartuig een beperkt bewijs van luchtwaardigheid heeft dat niet beantwoordt aan een beperkt typecertificaat, worden de bewijzen van luchtwaardigheid tezamen met het luchtvaartuig overgedragen, met dien verstande dat het luchtvaartuig in hetzelfde register blijft ingeschreven of de bewijzen van luchtwaardigheid alleen worden afgegeven met de formele instemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie waaraan het luchtvaartuig wordt overgedragen.

21.A.180   Inspecties

De houder van het bewijs van luchtwaardigheid moet op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie toegang verlenen tot het luchtvaartuig waarvoor het bewijs van luchtwaardigheid is afgegeven.

21.A.181   Duur en blijvende geldigheid

a)

Een bewijs van luchtwaardigheid wordt afgegeven voor een onbeperkte duur. Het blijft geldig op voorwaarde dat:

1.

de van toepassing zijnde vereisten voor type-ontwerp en blijvende luchtwaardigheid worden nageleefd, en

2.

het luchtvaartuig in hetzelfde register ingeschreven blijft, en

3.

het typecertificaat of beperkte typecertificaat krachtens hetwelk het bewijs is afgegeven niet ongeldig wordt verklaard overeenkomstig punt 21.A.51, en

4.

geen afstand wordt gedaan van het bewijs of het bewijs is ingetrokken overeenkomstig punt 21.B.330.

b)

In geval van afstand of intrekking moet het bewijs worden ingeleverd bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie.

21.A.182   Identificatie van het luchtvaartuig

Elke aanvrager van een bewijs van luchtwaardigheid overeenkomstig dit subdeel moet aantonen dat zijn luchtvaartuig geïdentificeerd is overeenkomstig subdeel Q.

SUBDEEL I —   GELUIDSCERTIFICATEN

21.A.201   Toepassingsgebied

In dit subdeel wordt de procedure vastgelegd voor de afgifte van geluidscertificaten.

21.A.203   Aanvaardbaarheid

Elke natuurlijke of rechtspersoon onder wiens naam een luchtvaartuig is geregistreerd of zal worden geregistreerd in een lidstaat (lidstaat van registratie), of zijn vertegenwoordiger, kan in aanmerking komen om een geluidscertificaat voor dat luchtvaartuig aan te vragen overeenkomstig dit subdeel.

21.A.204   Aanvraag

a)

Overeenkomstig punt 21.A.203 moet een aanvraag om een geluidscertificaat worden ingediend in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van registratie.

b)

Elke aanvraag moet bevatten:

1.

voor nieuwe luchtvaartuigen:

i)

een conformiteitsverklaring:

afgegeven overeenkomstig punt 21.A.163, onder b), of

afgegeven overeenkomstig punt 21.A.130 en gevalideerd door de bevoegde autoriteit, of

voor een geïmporteerd luchtvaartuig, een door de bevoegde autoriteit ondertekende verklaring dat het luchtvaartuig beantwoordt aan een door het Agentschap goedgekeurd ontwerp, en

ii)

de in overeenstemming met de toepasselijke geluidseisen vastgestelde informatie;