ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

29 maart 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Turkije — Besluit nr. 1/80 — Artikel 13 — Standstillbepaling — Verblijfsrecht van gezinsleden van een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort — Mogelijk bestaan van een dwingende reden van algemeen belang die nieuwe beperkingen rechtvaardigt — Efficiënt beheer van de migratiestromen — Verplichting voor staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om een verblijfsvergunning te bezitten — Evenredigheid”

In zaak C‑652/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Darmstadt (bestuursrechter Darmstadt, Duitsland) bij beslissing van 1 december 2015, ingekomen bij het Hof op 7 december 2015, in de procedure

Furkan Tekdemir, wettelijk vertegenwoordigd door Derya Tekdemir en Nedim Tekdemir,

tegen

Kreis Bergstraße,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: M. Aleksejev, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 oktober 2016,

gelet op de opmerkingen van:

Furkan Tekdemir, wettelijk vertegenwoordigd door Derya Tekdemir en Nedim Tekdemir, vertegenwoordigd door R. Gutmann, Rechtsanwalt,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Hesse als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2016,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat gevoegd is bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685) (hierna: „associatieovereenkomst”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, Furkan Tekdemir (hierna: „kind Tekdemir”), wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders, Derya Tekdemir en Nedim Tekdemir, en, anderzijds, de Kreis Bergstraße (district Bergstraße, Duitsland) over de afwijzing door laatstgenoemde van het verzoek van het kind Tekdemir om afgifte van een verblijfsvergunning in Duitsland.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Associatieovereenkomst

3

De associatieovereenkomst heeft volgens artikel 2, lid 1, ervan tot doel de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met volledige inachtneming van de noodzaak de versnelde ontwikkeling van de Turkse economie, de verhoging van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden van het Turkse volk te verzekeren.

4

Artikel 12 van de associatieovereenkomst bepaalt dat „[d]e overeenkomstsluitende partijen [overeenkomen] zich te laten leiden door de artikelen [45, 46 en 47 VWEU] teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen”.

Besluit nr. 1/80

5

Artikel 13 van besluit nr. 1/80 luidt:

„De lidstaten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.”

6

Artikel 14 van besluit nr. 1/80 bepaalt:

„1.   De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

2.   Zij doen geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit nationale wetgevingen of uit bilaterale overeenkomsten tussen Turkije en de lidstaten van de Gemeenschap, voor zover daarbij voor hun onderdanen een gunstigere regeling is vastgesteld.”

Duits recht

7

§ 4 van het Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet (wet op het verblijf, de beroepswerkzaamheden en de integratie van vreemdelingen op het grondgebied van de Bondsrepubliek) van 30 juli 2004 (BGBl. 2004 I, blz. 1950), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „AufenthG”), met als opschrift „Verplichting om in het bezit te zijn van een verblijfstitel”, luidt:

„(1)   Tenzij anders bepaald is door het Unierecht of door een verordening, of tenzij er een verblijfsrecht bestaat krachtens de [associatieovereenkomst], moeten vreemdelingen in het bezit zijn van een verblijfstitel om het grondgebied van de Bondsrepubliek binnen te komen of er te verblijven. Verblijfstitels worden afgeleverd in de vorm van:

1.

een visum in de zin van § 6, leden 1, punt 1, en 3,

2.

een verblijfsvergunning (§ 7),

2a.

een EU blauwe kaart (§ 19a),

3.

een vestigingsvergunning (§ 9) of

4.

een EU‑verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (§ 9a).

[...]

(5)   Een vreemdeling die krachtens de [associatieovereenkomst] een verblijfsrecht bezit, moet het bestaan van het verblijfsrecht aantonen door het bezit van een verblijfsvergunning, voor zover hij geen vestigingsvergunning of een EU‑verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bezit. De verblijfsvergunning wordt op verzoek opgesteld.”

8

§ 33 AufenthG, met als opschrift „Geboorte van een kind op het grondgebied van de Bondsrepubliek”, bepaalt:

„In afwijking van de §§ 5 en 29, lid 1, punt 2, kan aan een kind dat op het grondgebied van de Bondsrepubliek wordt geboren ambtshalve een verblijfsvergunning worden afgegeven, wanneer een van de ouders in het bezit is van een verblijfsvergunning, een vestigingsvergunning of een EU‑verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Indien op de geboortedatum beide ouders of de ouder die de exclusieve ouderlijke macht heeft, in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, een vestigingsvergunning of een EU‑verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wordt aan het op het grondgebied van de Bondsrepubliek geboren kind ambtshalve een verblijfsvergunning toegekend. Het verblijf van een op het grondgebied van de Bondsrepubliek geboren kind, wiens moeder of vader op de geboortedatum in het bezit is van een visum of vrijgesteld van visumplicht op het grondgebied mag verblijven, wordt toegelaten tot de verloopdatum van het visum of tot de afloop van het legale van de visumplicht vrijgestelde verblijf.”

9

§ 81 AufenthG, „Aanvraag van een verblijfstitel”, luidt als volgt:

„(1)   Een verblijfstitel wordt, behoudens andersluidende bepalingen, slechts op verzoek aan een vreemdeling afgeleverd.

(2)   Een verblijfstitel die [...] na binnenkomst op het grondgebied kan worden verkregen, moet onmiddellijk na binnenkomst of binnen de in de regeling bepaalde termijn worden aangevraagd. Voor een op het grondgebied van de Bondsrepubliek geboren kind aan wie niet ambtshalve een verblijfstitel moet worden afgegeven, moet binnen een termijn van zes maanden na de geboorte een aanvraag worden ingediend.

[...]”

10

§ 2 Ausländergesetz (vreemdelingenwet) van 28 april 1965 (BGBl. 1965 I, blz. 353), in de versie die op de datum van inwerkingtreding in Duitsland van besluit nr. 1/80 van toepassing was, bepaalde:

„(1)   Vreemdelingen die binnenkomen op het grondgebied waarop onderhavige wet van toepassing is en die aldaar wensen te verblijven, moeten in het bezit zijn van een verblijfsvergunning. Een verblijfsvergunning kan worden afgegeven wanneer de aanwezigheid van een vreemdeling de belangen van de Bondsrepubliek Duitsland niet schaadt.

(2)   Zijn niet gehouden een verblijfstitel te bezitten, de vreemdelingen die

1.

jonger zijn dan 16 jaar,

[...]

3.

hiervan zijn vrijgesteld krachtens internationale verdragen,

(3)   Om het verblijf van vreemdelingen te vergemakkelijken, kan de federale minister van Binnenlandse Zaken bij reglement bepalen dat andere vreemdelingen evenmin een verblijfsvergunning moeten bezitten.

(4)   De federale minister van Binnenlandse Zaken kan bij reglement bepalen dat vreemdelingen die niet gehouden zijn een verblijfsvergunning te bezitten, aangifte moeten doen van hun verblijf.”

11

Tot slot blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat krachtens § 7, leden 4 en 5, van die wet, de duur van een verblijfsvergunning die is toegekend aan een jonge vreemdeling die wegens zijn leeftijd is vrijgesteld van de verplichting om een verblijfsvergunning te hebben, door de bestuursautoriteit binnen het kader van haar beoordelingsbevoegdheid kon worden beperkt.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12

Het kind Tekdemir, geboren in Duitsland op 16 juni 2014, is een Turks staatsburger.

13

Op 1 november 2013 is de moeder van het kind Tekdemir, eveneens een Turks staatsburger, Duitsland binnengekomen met een Schengenvisum voor toeristen. Op 12 november 2013 heeft zij bij de post van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Duits federaal bureau voor migratie en vluchtelingen) te Gieβen (Duitsland) een asielverzoek ingediend. Die procedure liep nog steeds op de datum van de verwijzingsbeslissing. De moeder van het kind Tekdemir heeft geen verblijfstitel, maar als asielzoekster bezit zij een machtiging tot verblijf.

14

De vader van het kind Tekdemir, eveneens Turks staatsburger, is op 13 november 2005 Duitsland binnengekomen. Vanaf 1 februari 2009 heeft hij verschillende betaalde werkzaamheden verricht. Hij werkt voltijds sinds 1 maart 2014.

15

De vader van het kind Tekdemir heeft aanvankelijk op 21 april 2008 om humanitaire redenen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verkregen, die tot 30 oktober 2013 steeds werd verlengd. Sinds 31 oktober 2013 bezit hij een tot 6 oktober 2016 geldige verblijfsvergunning, die in overeenstemming met § 4, lid 5, AufenthG, werd afgegeven.

16

De ouders van het kind Tekdemir zijn op 23 september 2015 in het huwelijk getreden. Voordien oefenden zij de ouderlijke macht over verzoeker in het hoofdgeding gezamenlijk uit.

17

Op 10 juli 2014 heeft het kind Tekdemir, wiens regelmatig verblijf in Duitsland tijdens de eerste zes maanden na zijn geboorte werd vastgesteld door de verwijzende rechter, verzocht om afgifte van een verblijfsvergunning op grond van § 33 AufenthG.

18

Bij besluit van 27 juli 2015 heeft de Kreis Bergstraße die aanvraag afgewezen. Ter onderbouwing van zijn afwijzing heeft de Kreis met name uiteengezet dat de bevoegde autoriteit een beoordelingsmarge heeft met betrekking tot de vraag of een verblijfstitel moet worden afgegeven en dat zij in casu had beslist dat er geen reden bestond om van deze beoordelingsmarge gebruik te maken ten voordele van het kind Tekdemir. De Kreis Bergstraße heeft namelijk opgemerkt dat het niet ontoelaatbaar was om van het kind Tekdemir te verlangen dat het achteraf de visumprocedure zou volgen, ook al zou dit onvermijdelijk ertoe leiden dat het kind Tekdemir en zijn moeder, minstens tijdelijk, van zijn vader respectievelijk haar echtgenoot zouden worden gescheiden. Voorts heeft de Kreis opgemerkt dat het niet onredelijk was om van de vader van het kind Tekdemir te verwachten zijn gezins- of huwelijksleven met zijn zoon en echtgenote in Turkije voort te zetten, aangezien hij niet als asielzoeker of vluchteling was erkend en hij, net als zijn zoon en echtgenote, de Turkse nationaliteit heeft. Tot slot heeft de Kreis Bergstraße benadrukt dat de aanwezigheid van het kind Tekdemir in Duitsland werd toegestaan voor de duur van de door zijn moeder ingestelde asielprocedure.

19

Het door zijn ouders vertegenwoordigde kind Tekdemir stelde voor de verwijzende rechter beroep in tegen dat besluit.

20

De verwijzende rechter is van oordeel dat de verplichting voor staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om een verblijfsvergunning te bezitten, een nieuwe beperking uitmaakt in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80.

21

Gelet op het feit dat met een dergelijke verplichting een efficiënt beheer van de migratiestromen wordt beoogd, vraagt de verwijzende rechter zich af of dit doel een dwingende reden van algemeen belang vormt die een dergelijke beperking kan rechtvaardigen, en – indien dit het geval is – welke kwalitatieve eisen er in verband met dat doel aan een dwingende reden van algemeen belang moeten worden gesteld.

22

Daarom heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt (bestuursrechter Darmstadt, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Vormt het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang die grond kan opleveren om een op het grondgebied van de Bondsrepubliek geboren Turks staatsburger de vrijstelling te weigeren van de verplichting tot bezit van een verblijfsvergunning, waarop hij aanspraak zou kunnen maken op grond van de standstillbepaling van artikel 13 van [besluit nr. 1/80]?

2)

Indien deze vraag door het [Hof] bevestigend wordt beantwoord[,] welke kwalitatieve eisen moeten in verband met het streven naar een efficiënt beheer van de migratiestromen worden gesteld aan een ‚dwingende reden van algemeen belang’?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

23

Met zijn vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang vormt die als rechtvaardiging kan dienen voor een na de inwerkingtreding van dat besluit in de betrokken lidstaat ingevoerde nationale maatregel waarbij aan staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om die lidstaat te mogen binnenkomen en er te verblijven, de verplichting wordt opgelegd een verblijfsvergunning te bezitten, en, zo ja, of een dergelijke maatregel evenredig is met het nagestreefde doel.

24

Voor de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter dient in de eerste plaats te worden nagegaan of, zoals de verwijzende rechter heeft geoordeeld, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel een nieuwe beperking vormt in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80.

25

In dat verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 vervatte standstillbepaling in algemene zin de invoering verbiedt van alle nieuwe nationale maatregelen die tot doel of gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van dat besluit voor de betrokken lidstaat (arrest van 7 november 2013, Demir, C‑225/12, EU:C:2013:725, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat krachtens de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke nationale regeling staatsburgers van derde landen, met inbegrip van diegenen jonger dan 16 jaar, de verplichting hebben een verblijfsvergunning te bezitten om Duitsland binnen te komen en er te verblijven. Voor kinderen die staatsburger van een derde land zijn, die in deze lidstaat zijn geboren en van wie één van de ouders een verblijfsvergunning voor Duitsland bezit, zoals het kind Tekdemir, kan de bevoegde autoriteit evenwel ambtshalve een verblijfsvergunning afgeven.

27

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt tevens dat krachtens de ten tijde van de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in Duitsland toepasselijke nationale regeling, staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar waren vrijgesteld van de verplichting een verblijfsvergunning te bezitten om die lidstaat binnen te komen en er te verblijven. Op grond van die vrijstelling genoten deze minderjarigen een verblijfsrecht en werden zij derhalve gelijkgesteld met staatsburgers van derde landen die een verblijfsvergunning hadden. De duur van het aldus aan die minderjarigen toegekende verblijfsrecht kon niettemin nadien door de bestuursautoriteit binnen het kader van haar beoordelingsbevoegdheid worden beperkt.

28

Na de nationale regeling die bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 te hebben vergeleken met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, heeft de verwijzende rechter, zonder dienaangaande door de Duitse overheid te zijn weersproken, vastgesteld dat de in deze laatste regeling bepaalde voorwaarden voor het binnenkomen en het verblijf in Duitsland voor staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar, strikter zijn dan die van de eerste regeling.

29

Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, ook al heeft zij niet specifiek betrekking op gezinshereniging, desalniettemin een invloed kan hebben op de gezinshereniging van een Turkse werknemer zoals de vader van het kind Tekdemir, wanneer de toepassing van die regeling, zoals in casu, een dergelijke gezinshereniging moeilijker maakt. Deze vaststelling wordt evenmin door de Duitse regering betwist.

30

Derhalve dient ervan te worden uitgegaan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling de voorwaarden voor gezinshereniging voor Turkse werknemers, zoals de vader van het kind Tekdemir, moeilijker heeft gemaakt ten opzichte van de voorwaarden die bestonden op het tijdstip van de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in Duitsland.

31

In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof, een nationale regeling die de voorwaarden voor gezinshereniging voor Turkse werknemers die wettig verblijven in de betrokken lidstaat strenger maakt ten opzichte van de voorwaarden die golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in deze lidstaat, een in artikel 13 van dit besluit bedoelde nieuwe beperking vormt van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers in die lidstaat door die Turkse werknemers (zie in die zin arrest van 12 april 2016, Genc, C‑561/14, EU:C:2016:247, punt 50).

32

Bijgevolg vormt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80.

33

Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat een beperking die tot doel of tot gevolg heeft dat de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied aan strengere voorwaarden wordt onderworpen dan die welke bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 golden, verboden is, tenzij deze beperking tot een van de in artikel 14 van dit besluit bedoelde beperkingen behoort dan wel rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan (arrest van 12 april 2016, Genc, C‑561/14, EU:C:2016:247, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

In casu moet worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet tot een van de in artikel 14 van besluit nr. 1/80 bedoelde beperkingen behoort, aangezien met deze regeling, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van de Duitse regering, het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen wordt nagestreefd.

35

Bijgevolg dient in de tweede plaats te worden nagegaan of het efficiënt beheer van de migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang vormt die een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 kan rechtvaardigen, zoals de Duitse regering beweert.

36

In dat verband dient te worden gewezen op het belang dat het Unierecht hecht aan het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen, zoals blijkt uit artikel 79, lid 1, VWEU, waarin dit doel uitdrukkelijk wordt genoemd als één van de doelen van het door de Europese Unie ontwikkelde gemeenschappelijke immigratiebeleid.

37

Bovendien dient te worden vastgesteld dat een dergelijk doel niet in strijd is met de in artikel 2, lid 1, van de associatieovereenkomst vermelde doelen, en evenmin met de in de overwegingen van besluit nr. 1/80 genoemde doelen.

38

Het Hof heeft verder erkend dat het doel van het voorkomen van illegale binnenkomst en illegaal verblijf voor de toepassing van artikel 13 van besluit nr. 1/80 een dwingende reden van algemeen belang vormt (zie in die zin arrest van 7 november 2013, Demir, C‑225/12, EU:C:2013:725, punt 41).

39

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 17 van zijn conclusie, kan het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen dus een dwingende reden van algemeen belang vormen die een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 kan rechtvaardigen.

40

In de derde plaats dient te worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.

41

Wat de geschiktheid van deze maatregel voor het nagestreefde doel betreft, is het zeker zo dat de aan staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar opgelegde verplichting om een verblijfsvergunning te hebben voor het binnenkomen en verblijven in de betrokken lidstaat, toestaat om de rechtmatigheid van het verblijf van die staatsburgers in deze lidstaat te controleren. Voor zover het efficiënte beheer van de migratiestromen een controle van die stromen vereist, is een dergelijke maatregel dus geschikt om de verwezenlijking van dat doel te waarborgen. Hij kan dus in beginsel een extra beperking rechtvaardigen ondanks de standstillbepaling.

42

Wat de vraag betreft of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale maatregel verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van het nagestreefde doel, dient te worden opgemerkt dat de verplichting voor staatsburgers van derde landen, met inbegrip van diegenen jonger dan 16 jaar, om in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning voor het binnenkomen en verblijven in Duitsland, in beginsel op zichzelf niet als onevenredig aan het nagestreefde doel kan worden beschouwd.

43

Het evenredigheidsbeginsel vereist evenwel tevens dat de regels voor de uitvoering van een dergelijke verplichting niet verder gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.

44

In dat verband dient te worden opgemerkt dat § 33 AufenthG aan de bevoegde autoriteit een grote beoordelingsmarge toekent om te beslissen of er in omstandigheden als in het hoofdgeding reden is om al dan niet een verblijfsvergunning af te geven.

45

Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, heeft de Kreis Bergstraße in casu in de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid het verzoek om afgifte van een verblijfsvergunning aan het kind Tekdemir afgewezen, op grond dat het niet ontoelaatbaar was te verlangen dat het achteraf de visumprocedure zou volgen, ook al zou dit onvermijdelijk ertoe leiden dat het kind Tekdemir en zijn moeder, minstens tijdelijk, van zijn vader respectievelijk haar echtgenoot zouden worden gescheiden, en voorts op grond dat het evenmin onredelijk was om van de vader van het kind Tekdemir te verwachten zijn gezins- of huwelijksleven met zijn zoon en echtgenote in Turkije voort te zetten.

46

Aldus staat vast dat de toepassing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling op een Turkse werknemer, zoals de vader van het kind Tekdemir, tot gevolg heeft dat die werknemer moet kiezen tussen het voortzetten van zijn betaalde werkzaamheid in Duitsland, waardoor zijn gezinsleven ernstig wordt verstoord, en het afzien van die werkzaamheid zonder garantie op re‑integratie in de arbeidsmarkt bij een eventuele terugkeer uit Turkije.

47

De Duitse regering verduidelijkt dat het nationale recht geenszins de mogelijkheid van een gezinshereniging van verzoeker in het hoofdgeding met zijn vader uitsluit door te voorzien in de verplichting om achteraf een visumprocedure in te leiden in het kader waarvan het bestaan van de voorwaarden voor een dergelijke gezinshereniging kan worden onderzocht. Verzoeker in het hoofdgeding zal dus vanuit Turkije een dergelijke procedure moeten instellen om op grond van gezinshereniging voor het binnenkomen en verblijven in Duitsland een verblijfsvergunning te krijgen.

48

Evenwel kan uit geen enkel element van het aan het Hof overgelegde dossier worden afgeleid dat het voor de toetsing van de rechtmatigheid van het verblijf van staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar in de betrokken lidstaat en bijgevolg voor het waarborgen van de verwezenlijking van het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen, noodzakelijk is dat kinderen die staatsburger van een derde land zijn, in die lidstaat zijn geboren en er sinds hun geboorte regelmatig verblijven, moeten terugkeren naar het derde land waarvan zij de nationaliteit bezitten en vanuit dat derde land een procedure moeten instellen in het kader waarvan dergelijke voorwaarden worden onderzocht.

49

In dat verband wordt niet betoogd en nog minder aangetoond dat alleen het verlaten van het Duitse grondgebied door verzoeker in het hoofdgeding, en het instellen van een visumprocedure achteraf, de bevoegde autoriteit in staat zou stellen om de rechtmatigheid van zijn verblijf op grond van gezinshereniging te beoordelen.

50

Integendeel, niets wijst erop dat de bevoegde autoriteit niet nu al beschikt over alle noodzakelijke elementen om te kunnen oordelen over het verblijfsrecht in Duitsland van verzoeker in het hoofdgeding op grond van gezinshereniging, en dat dit onderzoek niet kan worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit, zonder de in punt 46 van het onderhavige arrest vermelde nadelen, in het kader van de beslissing betreffende de afgifte van een verblijfsvergunning krachtens § 33 AufenthG.

51

Voor zover, in omstandigheden als in het hoofdgeding, de toepassing van de nationale regeling gevolgen teweegbrengt als beschreven in punt 46 van het onderhavige arrest, moet bijgevolg worden geoordeeld dat een dergelijke toepassing onevenredig is met het nagestreefde doel.

52

Derhalve moet worden geconcludeerd dat, voor de toepassing van artikel 13 van besluit nr. 1/80, de regels van tenuitvoerlegging van de verplichting voor staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om een verblijfsvergunning te bezitten voor het binnenkomen en verblijven in de betrokken lidstaat, ten aanzien van kinderen die staatsburger van een derde land zijn, geboren zijn in de betrokken lidstaat en van wie één van de ouders een Turkse werknemer is die een verblijfsvergunning in die lidstaat bezit, zoals verzoeker in het hoofdgeding, verder gaan dan noodzakelijk is om het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen te bereiken.

53

Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter te worden geantwoord dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die als rechtvaardiging kan dienen voor een na de inwerkingtreding van dat besluit in de betrokken lidstaat ingevoerde nationale maatregel waarbij aan staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om die lidstaat te mogen binnenkomen en er te verblijven, de verplichting wordt opgelegd een verblijfsvergunning te bezitten. Een dergelijke maatregel is evenwel niet evenredig aan het nagestreefde doel, wanneer de regels voor de uitvoering ervan met betrekking tot kinderen die staatsburger van een derde land zijn, in de betrokken lidstaat zijn geboren en van wie één van de ouders een Turkse werknemer is die in die lidstaat rechtmatig verblijft, zoals verzoeker in het hoofdgeding, verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.

Kosten

54

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat gevoegd is bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, moet aldus worden uitgelegd dat het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die als rechtvaardiging kan dienen voor een na de inwerkingtreding van dat besluit in de betrokken lidstaat ingevoerde nationale maatregel waarbij aan staatsburgers van derde landen jonger dan 16 jaar om die lidstaat te mogen binnenkomen en er te verblijven, de verplichting wordt opgelegd een verblijfsvergunning te bezitten.

 

Een dergelijke maatregel is evenwel niet evenredig aan het nagestreefde doel, wanneer de regels voor de uitvoering ervan met betrekking tot kinderen die staatsburger van een derde land zijn, in de betrokken lidstaat zijn geboren en van wie één van de ouders een Turkse werknemer is die in die lidstaat rechtmatig verblijft, zoals verzoeker in het hoofdgeding, verder gaan dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.