61986J0145

ARREST VAN HET HOF VAN 4 FEBRUARI 1988. - HORST LUDWIG MARTIN HOFFMANN TEGEN ADELHEID KRIEG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - ARTIKELEN 26, 27, 31 EN 36. - ZAAK 145/86.

Jurisprudentie 1988 bladzijde 00645


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN - ERKENNING VAN BESLISSINGEN - DRAAGWIJDTE - WERKING VAN BESLISSING IN STAAT VAN HERKOMST - DEZELFDE WERKING IN AANGEZOCHTE STAAT

( EXECUTIEVERDRAG, ARTIKEL 26 )

2 . VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN - TENUITVOERLEGGING - BESLISSING INZAKE TOEKENNING VAN ALIMENTATIE - BELEMMERINGEN VOOR VOORTZETTING VAN TENUITVOERLEGGING - OMSTANDIGHEID DIE BUITEN TOEPASSINGSGEBIED VAN VERDRAG VALT - ECHTSCHEIDING UITGESPROKEN IN AANGEZOCHTE STAAT

( EXECUTIEVERDRAG, ARTIKELEN1, TWEEDE ALINEA, EN 31 )

3 . VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN - ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING - GRONDEN VOOR WEIGERING - ONVERENIGBARE BESLISSINGEN - BUITENLANDSE BESLISSING TOT TOEKENNING VAN ALIMENTATIE TUSSEN ECHTGENOTEN - ECHTSCHEIDINGSVONNIS UITGESPROKEN IN AANGEZOCHTE STAAT

( EXECUTIEVERDRAG, ARTIKEL 27, LID 3 )

4 . VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN - TENUITVOERLEGGING - VERZET TEGEN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING - NIET-UITOEFENING - GROND VOOR WEIGERING, AANGEVOERD IN STADIUM VAN TENUITVOERLEGGING - ONTOELAATBAARHEID - VERPLICHTINGEN VAN AANGEZOCHTE RECHTER - GRENZEN

( EXECUTIEVERDRAG, ARTIKEL 36 )

Samenvatting


1 . EEN KRACHTENS ARTIKEL 26 VAN HET VERDRAG VAN 26 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN ERKENDE BUITENLANDSE BESLISSING MOET IN DE AANGEZOCHTE STAAT IN BEGINSEL DEZELFDE WERKING HEBBEN ALS ZIJ IN DE STAAT VAN HERKOMST HEEFT .

2 . DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING DIE IN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT KRACHTENS ARTIKEL 31 EXECUTIEVERDRAG VAN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VOORZIEN EN DIE IN DE STAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR BLIJFT, MOET NIET WORDEN VOORTGEZET IN DE AANGEZOCHTE STAAT WANNEER ZIJ VOLGENS DE DAAR GELDENDE WETTELIJKE REGELING NIET MEER MOGELIJK IS OM REDENEN DIE BUITEN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG VALLEN .

HET EXECUTIEVERDRAG BELET DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT NIET, IN HET KADER VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING INZAKE ALIMENTATIEVERPLICHTINGEN TUSSEN ECHTGENOTEN DE CONSEQUENTIES TE TREKKEN UIT EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN ECHTSCHEIDINGSVONNIS .

3 . EEN BUITENLANDSE BESLISSING WAARBIJ EEN ECHTGENOOT IS VEROORDEELD OM AAN DE ANDERE ECHTGENOOT UIT HOOFDE VAN ZIJN UIT HET HUWELIJK VOORTVLOEIENDE ONDERHOUDSVERPLICHTING ALIMENTATIE TE BETALEN, IS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 27, SUB 3, EXECUTIEVERDRAG ONVERENIGBAAR MET EEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT GEGEVEN BESLISSING WAARBIJ TUSSEN DE BETROKKENEN DE ECHTSCHEIDING IS UITGESPROKEN .

4 . ARTIKEL 36 EXECUTIEVERDRAG MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD, DAT DE PARTIJ DIE NIET HET IN DEZE BEPALING VOORZIENE VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HEEFT GEDAAN, ZICH IN HET STADIUM VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BESLISSING NIET MEER KAN BEROEPEN OP EEN GELDIGE GROND DIE ZIJ IN HAAR VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HAD KUNNEN AANVOEREN, EN DAT DEZE REGEL DOOR DE RECHTERLIJKE INSTANTIES VAN DE AANGEZOCHTE STAAT AMBTSHALVE MOET WORDEN TOEGEPAST . ZIJ VINDT EVENWEL GEEN TOEPASSING WANNEER ZIJ DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT ERTOE ZOU VERPLICHTEN, DE GEVOLGEN VAN EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN EN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG UITGESLOTEN VONNIS TE DOEN AFHANGEN VAN DE ERKENNING VAN DAT VONNIS IN DE STAAT VAN HERKOMST VAN DE BUITENLANDSE BESLISSING WAARVAN DE TENUITVOERLEGGING IN GEDING IS .

Partijen


IN ZAAK 145/86,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS HET PROTOCOL VAN 3 JUNI 1971 BETREFFENDE DE UITLEGGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN, VAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN, IN HET ALDAAR AANHANGIG GEDING TUSSEN

HORST LUDWIG MARTIN HOFFMANN, TE ENSCHEDE,

EN

ADELHEID KRIEG, TE NECKARGEMOEND ( BONDSREPUBLIEK DUITSLAND ),

OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 26, 27, 31 EN 36 VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN,

WIJST

HET HOF VAN JUSTITIE,

SAMENGESTELD ALS VOLGT : A . J . MACKENZIE STUART, PRESIDENT, G . BOSCO EN G . C . RODRIGUEZ IGLESIAS, KAMERPRESIDENTEN, T . KOOPMANS, K . BAHLMANN, R . JOLIET EN T . F . O' HIGGINS, RECHTERS,

ADVOCAAT-GENERAAL : M . DARMON

GRIFFIER : D . LOUTERMAN, ADMINISTRATEUR

GELET OP DE OPMERKINGEN INGEDIEND DOOR :

- H . L . M . HOFFMANN, EISER TOT CASSATIE, VOOR DE SCHRIFTELIJKE BEHANDELING VERTEGENWOORDIGD DOOR E . KORTHALS ALTES, ADVOCAAT TE 'S-GRAVENHAGE, EN TER TERECHTZITTING DOOR H . AE . UNIKEN VENEMA, ADVOCAAT TE 'S-GRAVENHAGE;

- A . KRIEG, VERWEERSTER IN CASSATIE, VOOR DE SCHRIFTELIJKE BEHANDELING VERTEGENWOORDIGD DOOR H . J . BRONKHORST, ADVOCAAT TE 'S-GRAVENHAGE, EN TER TERECHTZITTING DOOR B . J . DRIJBER, ADVOCAAT TE 'S-GRAVENHAGE;

- DE REGERING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, VERTEGENWOORDIGD DOOR C . BOEHMER ALS GEMACHTIGDE;

- DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK, VERTEGENWOORDIGD DOOR S . J . HAY ALS GEMACHTIGDE;

- DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, VOOR DE SCHRIFTELIJKE BEHANDELING VERTEGENWOORDIGD DOOR L . GYSELEN, LID VAN HAAR JURIDISCHE DIENST, ALS GEMACHTIGDE, BIJGESTAAN DOOR S . PIERI, ITALIAANS AMBTENAAR TER BESCHIKKING GESTELD VAN DE COMMISSIE, EN TER TERECHTZITTING DOOR H . VAN LIER, LID VAN HAAR JURIDISCHE DIENST;

GELET OP HET RAPPORT TER TERECHTZITTING EN TEN VERVOLGE OP DE MONDELINGE BEHANDELING OP 20 MEI 1987,

GEHOORD DE CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL TER TERECHTZITTING VAN 9 JULI 1987,

HET NAVOLGENDE

ARREST

Overwegingen van het arrest


1 BIJ ARREST VAN 6 JUNI 1986, INGEKOMEN TEN HOVE OP 13 JUNI DAARAANVOLGEND, HEEFT DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN KRACHTENS HET PROTOCOL VAN 3 JUNI 1971 BETREFFENDE DE UITLEGGING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE VAN HET VERDRAG VAN 27 SEPTEMBER 1968 BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN ( HIERNA : EXECUTIEVERDRAG ), VIJF VRAGEN GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ENKELE ARTIKELEN VAN DAT VERDRAG .

2 DE VRAGEN ZIJN GEREZEN IN EEN GESCHIL TUSSEN H . L . M . HOFFMANN ( HIERNA : DE MAN ) EN A . KRIEG ( HIERNA : DE VROUW ) OVER DE TENUITVOERLEGGING IN NEDERLAND VAN EEN BESLISSING VAN HET AMTSGERICHT HEIDELBERG, WAARBIJ DE MAN IS VEROORDEELD OM AAN DE VROUW EEN MAANDELIJKSE ALIMENTATIE TE BETALEN .

3 BLIJKENS HET DOSSIER BEZITTEN PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING DE DUITSE NATIONALITEIT . ZIJ ZIJN IN 1950 IN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND GEHUWD . IN 1978 HEEFT DE MAN DE ECHTELIJKE SAMENWONING VERBROKEN EN ZICH IN NEDERLAND GEVESTIGD . OP VERZOEK VAN DE VROUW WERD DE MAN OP 21 AUGUSTUS 1979 DOOR HET AMTSGERICHT HEIDELBERG VEROORDEELD, AAN DE VROUW TOT HAAR LEVENSONDERHOUD TIJDENS HET HUWELIJK EEN "GETRENNTLEBENSUNTERHALT" TE BETALEN .

4 OP VORDERING VAN DE MAN SPRAK DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT BIJ VERSTEKVONNIS VAN 1 MEI 1980 DE ECHTSCHEIDING UIT, WAARBIJ HIJ OP GROND VAN DE NEDERLANDSE CONFLICTENREGELS DUITS RECHT TOEPASTE . HET ECHTSCHEIDINGSVONNIS WERD OP 19 AUGUSTUS 1980 INGESCHREVEN IN DE REGISTERS VAN DE BURGERLIJKE STAND TE 'S-GRAVENHAGE, WAARNA HET HUWELIJK IN NEDERLAND ALS ONTBONDEN GOLD . DIT VONNIS, DAT NIET ONDER HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG VALT, WAS IN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND NOG NIET ERKEND OP HET TIJDSTIP DAT DE VERWIJZENDE RECHTER VOOR DE ONDERHAVIGE ZAAK BESLISSEND ACHT .

5 OP VORDERING VAN DE VROUW VERLEENDE DE PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO OP GROND VAN ARTIKEL 31 EXECUTIEVERDRAG BIJ BESCHIKKING VAN 29 JULI 1981 VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING VAN DE BESLISSING VAN HET AMTSGERICHT HEIDELBERG . TEGEN DE BESLISSING HOUDENDE VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING, DIE DE MAN IN APRIL 1982 WERD BETEKEND, HEEFT DEZE GEEN VERZET GEDAAN .

6 OP 28 FEBRUARI 1983 LEGDE DE VROUW EXECUTORIAAL DERDENBESLAG ONDER DE WERKGEVER VAN DE MAN . DEZE VERZOCHT DE PRESIDENT VAN DE ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO IN KORT GEDING, HET BESLAG OP TE HEFFEN ALTHANS BUITEN WERKING TE STELLEN . IN EERSTE INSTANTIE WERD HIJ IN HET GELIJK GESTELD . HET GERECHTSHOF TE ARNHEM ONTZEGDE HEM ZIJN VORDERING EVENWEL IN HOGER BEROEP . VAN DIT ARREST HEEFT DE MAN THANS BEROEP TOT CASSATIE INGESTELD BIJ DE HOGE RAAD .

7 VAN OORDEEL DAT DE OPLOSSING VAN HET GESCHIL AFHANGT VAN DE UITLEGGING VAN VERSCHEIDENE ARTIKELEN VAN HET EXECUTIEVERDRAG, HEEFT DE HOGE RAAD HET HOF DE VOLGENDE PREJUDICIELE VRAGEN VOORGELEGD :

" 1 ) HOUDT DE AAN DE VERDRAGSLUITENDE STATEN OPGELEGDE VERPLICHTING TOT ERKENNING VAN DE IN EEN ANDERE VERDRAGSLUITENDE STAAT GEGEVEN BESLISSING ( ARTIKEL 26 EXECUTIEVERDRAG ) IN, DAT AAN DEZE BESLISSING IN DE OVERIGE VERDRAGSLUITENDE STATEN DEZELFDE WERKING MOET WORDEN TOEGEKEND ALS ZIJ HEEFT NAAR HET RECHT VAN DE STAAT WAAR ZIJ WERD GEGEVEN EN BRENGT DIT MEE DAT ZIJ DERHALVE OOK IN DEZELFDE GEVALLEN ALS DAAR KAN WORDEN TENUITVOERGELEGD?

2 ) BIJ BEVESTIGENDE BEANTWOORDING VAN DE EERSTE VRAAG : NOPEN DE ARTIKELEN 26 EN 31 EXECUTIEVERDRAG, IN ONDERLING VERBAND GELEZEN, ERTOE TE AANVAARDEN DAT DE PLICHT TOT ERKENNING VAN EEN IN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT GEGEVEN BESLISSING ZO VER GAAT DAT ZIJ, OMDAT ZIJ NAAR HET RECHT VAN DE STAAT WAAR ZIJ WERD GEGEVEN UITVOERBAAR BLIJFT, OOK IN DERGELIJKE GEVALLEN TEN UITVOER KAN WORDEN GELEGD IN DE ANDERE VERDRAGSLUITENDE STAAT?

3 ) BIJ BEVESTIGENDE BEANTWOORDING VAN DE TWEEDE VRAAG : KAN IN EEN GEVAL ALS HET ONDERHAVIGE EEN BEROEP WORDEN GEDAAN OP ONVERENIGBAARHEID VAN DE DUITSE VEROORDELING TOT LEVENSONDERHOUD MET HET LATERE NEDERLANDSE ECHTSCHEIDINGSVONNIS, OF OP DE OPENBARE ORDE ( ARTIKEL 27 EXECUTIEVERDRAG )?

4 ) NOOPT ( HET STELSEL VAN ) HET EXECUTIEVERDRAG ERTOE DE REGEL TE AANVAARDEN DAT, INDIEN DE PARTIJ TEGEN WIE DE TENUITVOERLEGGING WORDT GEVRAAGD VAN EEN IN EEN ANDERE VERDRAGSLUITENDE STAAT GEGEVEN BESLISSING, NALAAT EEN HEM VOOR HET EINDE VAN DE IN HET EERSTE LID VAN ARTIKEL 36 EXECUTIEVERDRAG BEDOELDE TERMIJN BEKENDE GROND DIE AAN ( VERDERE ) TENUITVOERLEGGING VAN DIE BESLISSING IN DE WEG STAAT, IN HET VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING AAN TE VOEREN, HET HEM NIET MEER VRIJSTAAT DEZE GROND GELDEND TE MAKEN IN EEN LATER EXECUTIEGESCHIL WAARIN HIJ VERZET DOET TEGEN ( VOORTZETTING VAN ) DE TENUITVOERLEGGING?

5 ) BIJ BEVESTIGENDE BEANTWOORDING VAN DE VIERDE VRAAG : NOOPT ( HET STELSEL VAN ) HET EXECUTIEVERDRAG ERTOE AAN TE NEMEN DAT DE IN DE VIERDE VRAAG BEDOELDE REGEL DOOR DE RECHTER VAN DE STAAT WAAR VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VERLEEND, IN EEN LATER EXECUTIEGESCHIL AMBTSHALVE MOET WORDEN TOEGEPAST, OOK ALS ZIJN EIGEN RECHT VOOR EEN DERGELIJKE TOEPASSING GEEN PLAATS LAAT?"

8 VOOR EEN NADERE UITEENZETTING VAN DE FEITEN ALSMEDE HET PROCESVERLOOP EN DE BIJ HET HOF INGEDIENDE SCHRIFTELIJKE OPMERKINGEN WORDT VERWEZEN NAAR HET RAPPORT TER TERECHTZITTING . DEZE ELEMENTEN VAN HET DOSSIER WORDEN HIERNA SLECHTS WEERGEGEVEN, VOOR ZOVER DAT NOODZAKELIJK IS VOOR DE REDENERING VAN HET HOF .

9 MET DE EERSTE VRAAG WENST DE VERWIJZENDE RECHTER IN WEZEN TE VERNEMEN, OF EEN KRACHTENS ARTIKEL 26 EXECUTIEVERDRAG ERKENDE BUITENLANDSE BESLISSING IN DE AANGEZOCHTE STAAT IN BEGINSEL DEZELFDE WERKING MOET HEBBEN ALS ZIJ IN DE STAAT VAN HERKOMST HEEFT .

10 DIENAANGAANDE MOET ERAAN WORDEN HERINNERD, DAT HET VERDRAG ERNAAR STREEFT "HET VRIJ VERKEER VAN VONNISSEN ZOVEEL MOGELIJK TE BEVORDEREN, ZODAT HET IN DEZE GEEST MOET WORDEN GEINTERPRETEERD ". DE ERKENNING DIENT DERHALVE "TEN GEVOLGE TE HEBBEN DAT DE BESLISSINGEN HET GEZAG EN HET EFFECT WORDEN VERLEEND DIE ZIJ GENIETEN IN HET LAND WAAR ZIJ ZIJN GEWEZEN" ( RAPPORT JENARD OVER HET VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN, PB 1979, C 59, BLZ . 42 EN 43 ).

11 MITSDIEN MOET DE EERSTE VRAAG VAN DE VERWIJZENDE RECHTER ALDUS WORDEN BEANTWOORD, DAT EEN KRACHTENS ARTIKEL 26 EXECUTIEVERDRAG ERKENDE BUITENLANDSE BESLISSING IN DE AANGEZOCHTE STAAT IN BEGINSEL DEZELFDE WERKING MOET HEBBEN ALS ZIJ IN DE STAAT VAN HERKOMST HEEFT .

12 GELET OP DE UIT HET DOSSIER BLIJKENDE OMSTANDIGHEDEN VAN HET ONDERHAVIGE GEVAL WENST DE VERWIJZENDE RECHTER MET DE TWEEDE VRAAG IN WEZEN TE VERNEMEN, OF DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING DIE IN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT KRACHTENS ARTIKEL 31 EXECUTIEVERDRAG VAN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VOORZIEN, MOET WORDEN VOORTGEZET IN ALLE GEVALLEN WAARIN ZIJ IN DE STAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR BLIJFT, OOK INDIEN TENUITVOERLEGGING VOLGENS DE WETTELIJKE REGELING VAN DE AANGEZOCHTE STAAT NIET MEER MOGELIJK IS OM REDENEN DIE BUITEN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG VALLEN .

13 IN CASU BEVAT DE BESLISSING WAARVAN DE TENUITVOERLEGGING IN GEDING IS, EEN VEROORDELING VAN DE MAN OM AAN DE VROUW UIT HOOFDE VAN ZIJN UIT HET HUWELIJK VOORTVLOEIENDE ONDERHOUDSVERPLICHTING ALIMENTATIE TE BETALEN . EEN DERGELIJKE BESLISSING VERONDERSTELT NOODZAKELIJKERWIJS HET BESTAAN VAN EEN HUWELIJKSBAND .

14 BIJGEVOLG MOET WORDEN ONDERZOCHT, OF ONTBINDING VAN HET HUWELIJK DOOR EEN ECHTSCHEIDING UITGESPROKEN DOOR EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE VAN DE AANGEZOCHTE STAAT, KAN LEIDEN TOT STOPZETTING VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BUITENLANDSE BESLISSING, OOK AL BLIJFT DEZE IN DE STAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR OMDAT HET ECHTSCHEIDINGSVONNIS DAAR NIET WORDT ERKEND .

15 DIENAANGAANDE MOET WORDEN OPGEMERKT, DAT ARTIKEL 1, TWEEDE ALINEA, SUB 1, EXECUTIEVERDRAG ONDER MEER DE STAAT VAN NATUURLIJKE PERSONEN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DIT VERDRAG UITSLUIT EN DAT GEEN REGEL VAN HET EXECUTIEVERDRAG DE AANGEZOCHTE RECHTER ERTOE VERPLICHT, DE GEVOLGEN VAN EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN ECHTSCHEIDINGSVONNIS TE DOEN AFHANGEN VAN DE ERKENNING VAN DAT VONNIS IN DE STAAT WAARIN DE BUITENLANDSE ALIMENTATIEBESLISSING IS GEGEVEN .

16 DIT VINDT BEVESTIGING IN ARTIKEL 27, SUB 4, EXECUTIEVERDRAG, OP GROND WAARVAN BUITENLANDSE BESLISSINGEN WAARIN EEN REGEL VAN INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT VAN DE AANGEZOCHTE STAAT INZAKE ONDER MEER DE STAAT VAN NATUURLIJKE PERSONEN IS MISKEND, IN BEGINSEL NIET WORDEN ERKEND . DEZE BEPALING TOONT DUIDELIJK AAN, DAT HET EXECUTIEVERDRAG OP HET GEBIED VAN DE STAAT VAN NATUURLIJKE PERSONEN NIET BEOOGT AF TE WIJKEN VAN DE BEPALINGEN DIE KRACHTENS HET NATIONALE RECHT VAN DE AANGEZOCHTE RECHTER TOEPASSELIJK ZIJN .

17 BLIJKENS HET VOORGAANDE BELET HET EXECUTIEVERDRAG DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT NIET, IN HET KADER VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE ALIMENTATIEBESLISSING DE CONSEQUENTIES TE TREKKEN UIT EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN ECHTSCHEIDINGSVONNIS .

18 MITSDIEN MOET DE TWEEDE VRAAG ALDUS WORDEN BEANTWOORD, DAT DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING DIE IN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT KRACHTENS ARTIKEL 31 EXECUTIEVERDRAG VAN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VOORZIEN EN DIE IN DE STAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR BLIJFT, NIET MOET WORDEN VOORTGEZET IN DE AANGEZOCHTE STAAT WANNEER ZIJ VOLGENS DE DAAR GELDENDE WETTELIJKE REGELING NIET MEER MOGELIJK IS OM REDENEN DIE BUITEN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG VALLEN .

19 MET DE DERDE VRAAG WENST DE VERWIJZENDE RECHTER IN WEZEN TE VERNEMEN, OF EEN BUITENLANDSE BESLISSING WAARBIJ EEN ECHTGENOOT IS VEROORDEELD OM AAN DE ANDERE ECHTGENOOT UIT HOOFDE VAN ZIJN UIT HET HUWELIJK VOORTVLOEIENDE ONDERHOUDSVERPLICHTING ALIMENTATIE TE BETALEN, IN DE ZIN VAN ARTIKEL 27, SUB 3, EXECUTIEVERDRAG ONVERENIGBAAR IS MET EEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT GEGEVEN BESLISSING WAARBIJ TUSSEN DE BETROKKENEN DE ECHTSCHEIDING IS UITGESPROKEN, DAN WEL OF DIE BUITENLANDSE BESLISSING IN STRIJD IS MET DE OPENBARE ORDE VAN DE AANGEZOCHTE STAAT IN DE ZIN VAN ARTIKEL 27, SUB 1 .

20 IN DE BEPALINGEN WAARVAN UITLEGGING WORDT VERZOCHT, WORDEN DE GRONDEN VOOR DE NIET-ERKENNING VAN BUITENLANDSE BESLISSINGEN GENOEMD . KRACHTENS ARTIKEL 34, TWEEDE ALINEA, RECHTVAARDIGEN DEZELFDE GRONDEN WEIGERING VAN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING .

21 MET BETREKKING TOT HET TWEEDE ONDERDEEL VAN DE DERDE VRAAG MOET WORDEN OPGEMERKT, DAT EEN BEROEP OP DE BEPALING INZAKE DE OPENBARE ORDE, DIE "SLECHTS IN UITZONDERLIJKE GEVALLEN MAG WORDEN GEHANTEERD" ( RAPPORT JENARD, T.A.P ., BLZ . 44 ), IN HET SYSTEEM VAN HET EXECUTIEVERDRAG IN IEDER GEVAL IS UITGESLOTEN WANNEER HET, ZOALS IN CASU, GAAT OM DE VERENIGBAARHEID VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING MET EEN BINNENLANDSE BESLISSING . DIT PROBLEEM MOET IMMERS WORDEN OPGELOST OP BASIS VAN DE SPECIALE BEPALING VAN ARTIKEL 27, SUB 3, DIE BETREKKING HEEFT OP HET GEVAL WAARIN DE BUITENLANDSE BESLISSING ONVERENIGBAAR IS MET EEN TUSSEN DEZELFDE PARTIJEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT GEGEVEN BESLISSING .

22 OM VAST TE STELLEN, OF VAN ONVERENIGBAARHEID IN DE ZIN VAN DIE BEPALING SPRAKE IS, MOET WORDEN NAGEGAAN OF DE BETROKKEN BESLISSINGEN RECHTSGEVOLGEN HEBBEN DIE ELKAAR UITSLUITEN .

23 UIT HET DOSSIER BLIJKT DAT DE BUITENLANDSE ALIMENTATIEBESLISSING IN CASU VAN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING WERD VOORZIEN TOEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT HET ECHTSCHEIDINGSVONNIS REEDS WAS UITGESPROKEN EN KRACHT VAN GEWIJSDE HAD VERKREGEN, EN DAT HET HOOFDGEDING BETREKKING HEEFT OP DE PERIODE NA DE ECHTSCHEIDING .

24 ONDER DIE OMSTANDIGHEDEN HEBBEN DE BETROKKEN BESLISSINGEN RECHTSGEVOLGEN DIE ELKAAR UITSLUITEN . DE BUITENLANDSE BESLISSING, DIE NOODZAKELIJKERWIJS HET BESTAAN VAN DE HUWELIJKSBAND VERONDERSTELT, ZOU IMMERS TEN UITVOER MOETEN WORDEN GELEGD HOEWEL DIE BAND REEDS IS OPGEHEVEN DOOR EEN TUSSEN DEZELFDE PARTIJEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT GEGEVEN BESLISSING .

25 OP DE DERDE VRAAG VAN DE VERWIJZENDE RECHTER MOET DERHALVE WORDEN GEANTWOORD, DAT EEN BUITENLANDSE BESLISSING WAARBIJ EEN ECHTGENOOT IS VEROORDEELD OM AAN DE ANDERE ECHTGENOOT UIT HOOFDE VAN ZIJN UIT HET HUWELIJK VOORTVLOEIENDE ONDERHOUDSVERPLICHTING ALIMENTATIE TE BETALEN, IN DE ZIN VAN ARTIKEL 27, SUB 3, EXECUTIEVERDRAG ONVERENIGBAAR IS MET EEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT GEGEVEN BESLISSING WAARBIJ TUSSEN DE BETROKKENEN DE ECHTSCHEIDING IS UITGESPROKEN .

26 DE VIERDE EN DE VIJFDE VRAAG VAN DE VERWIJZENDE RECHTER HOUDEN IN, OF ARTIKEL 36 EXECUTIEVERDRAG ALDUS MOET WORDEN UITGELEGD, DAT DE PARTIJ DIE NIET HET IN DEZE BEPALING VOORZIENE VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HEEFT GEDAAN, ZICH IN HET STADIUM VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BESLISSING NIET MEER KAN BEROEPEN OP EEN GELDIGE GROND DIE ZIJ IN HAAR VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HAD KUNNEN AANVOEREN, EN OF DEZE REGEL DOOR DE RECHTERLIJKE INSTANTIES VAN DE AANGEZOCHTE STAAT AMBTSHALVE MOET WORDEN TOEGEPAST .

27 VOOR DE BEANTWOORDING VAN DEZE VRAGEN MOET ER OM TE BEGINNEN AAN WORDEN HERINNERD, DAT HET EXECUTIEVERDRAG, TER BEPERKING VAN DE VOORWAARDEN DIE AAN DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN IN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT GEGEVEN BESLISSING KUNNEN WORDEN VERBONDEN IN EEN ANDERE VERDRAGSLUITENDE STAAT, EEN ZEER SUMMIERE EXEQUATURPROCEDURE KENT; HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING KAN BOVENDIEN SLECHTS OP DE IN DE ARTIKELEN 27 EN 28 LIMITATIEF OPGESOMDE GRONDEN WORDEN GEWEIGERD . EVENWEL BEPERKT HET EXECUTIEVERDRAG ZICH ERTOE, REGELS TE STELLEN VOOR DE PROCEDURE TOT VERKRIJGING VAN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING VAN BUITENLANDSE EXECUTORIALE TITELS EN NIET VOOR DE TENUITVOERLEGGING ZELF, DIE ONDERWORPEN BLIJFT AAN HET NATIONALE RECHT VAN DE AANGEZOCHTE RECHTER ( ARREST VAN 2 JULI 1985, ZAAK 148/84, DEUTSCHE GENOSSENSCHAFTSBANK, JURISPR . 1985, BLZ . 1981 ).

28 BIJGEVOLG GESCHIEDT DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING DIE VAN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VOORZIEN, VOLGENS DE NATIONALE PROCEDUREREGELS VAN DE AANGEZOCHTE RECHTER, DIE INZAKE DE RECHTSMIDDELEN DAARONDER BEGREPEN .

29 DE TOEPASSING, IN HET KADER VAN DE TENUITVOERLEGGING, VAN DE PROCEDUREREGELS VAN DE AANGEZOCHTE STAAT, MAG EVENWEL GEEN AFBREUK DOEN AAN DE NUTTIGE WERKING VAN HET EXEQUATURSYSTEEM VAN HET EXECUTIEVERDRAG .

30 BIJGEVOLG KUNNEN DE DOOR HET NATIONALE RECHT GEBODEN RECHTSMIDDELEN NIET WORDEN AANGEWEND WANNEER HET VERZET TEGEN DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING DIE VAN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VOORZIEN, WORDT GEDAAN DOOR DE PERSOON DIE OOK VERZET HAD KUNNEN DOEN TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING, EN WEL OP EEN GROND DIE OOK IN HET KADER VAN LAATSTBEDOELD VERZET HAD KUNNEN WORDEN AANGEVOERD . ALS HET ANDERS WAS, ZOU HET EXECUTIEGESCHIL IMMERS TOT GEVOLG HEBBEN DAT HET VERLEENDE EXEQUATUR OPNIEUW TER DISCUSSIE WERD GESTELD NA AFLOOP VAN DE STRENGE TERMIJN VAN ARTIKEL 36, TWEEDE ALINEA, EXECUTIEVERDRAG, ZODAT DEZE BEPALING VAN HAAR NUTTIGE WERKING ZOU WORDEN BEROOFD .

31 HET DWINGENDE KARAKTER VAN DE IN ARTIKEL 36 EXECUTIEVERDRAG GESTELDE TERMIJN LEGT OP DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT DE VERPLICHTING, TOE TE ZIEN OP DE NALEVING ERVAN . HIJ DIENT EEN OP NATIONAAL RECHT GEBASEERD VERZET DERHALVE AMBTSHALVE NIET-ONTVANKELIJK TE VERKLAREN, WANNEER DAARDOOR BEDOELDE TERMIJN OP LOSSE SCHROEVEN WORDT GEZET .

32 DEZE REGEL, DIE VOORTVLOEIT UIT HET SYSTEEM VAN HET EXECUTIEVERDRAG, KAN ECHTER GEEN TOEPASSING VINDEN WANNEER ZIJ, ZOALS IN CASU, DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT ERTOE ZOU VERPLICHTEN, DE GEVOLGEN VAN EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN - VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG UITGESLOTEN - ECHTSCHEIDINGSVONNIS BUITEN BESCHOUWING TE LATEN OP GROND DAT DAT VONNIS IN DE STAAT VAN HERKOMST VAN DE BESLISSING WAARVAN DE TENUITVOERLEGGING IN GEDING IS, NIET IS ERKEND .

33 GELIJK IN HET KADER VAN HET ANTWOORD OP DE TWEEDE VRAAG IS OPGEMERKT, BEVAT HET EXECUTIEVERDRAG IMMERS GEEN REGEL OP GROND WAARVAN DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT DE GEVOLGEN VAN EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN ECHTSCHEIDINGSVONNIS ZOU MOETEN LATEN AFHANGEN VAN DE ERKENNING VAN DAT VONNIS IN DE STAAT VAN HERKOMST VAN EEN BUITENLANDSE ALIMENTATIEBESLISSING, DIE ONDER HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG VALT .

34 MITSDIEN MOET OP DE DERDE EN DE VIERDE VRAAG VAN DE VERWIJZENDE RECHTER WORDEN GEANTWOORD, DAT ARTIKEL 36 EXECUTIEVERDRAG ALDUS MOET WORDEN UITGELEGD, DAT DE PARTIJ DIE NIET HET IN DEZE BEPALING VOORZIENE VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HEEFT GEDAAN, ZICH IN HET STADIUM VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BESLISSING NIET MEER KAN BEROEPEN OP EEN GELDIGE GROND DIE ZIJ IN HAAR VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HAD KUNNEN AANVOEREN, EN DAT DEZE REGEL DOOR DE RECHTERLIJKE INSTANTIES VAN DE AANGEZOCHTE STAAT AMBTSHALVE MOET WORDEN TOEGEPAST . ZIJ VINDT EVENWEL GEEN TOEPASSING WANNEER ZIJ DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT ERTOE ZOU VERPLICHTEN, DE GEVOLGEN VAN EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN EN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG UITGESLOTEN VONNIS TE DOEN AFHANGEN VAN DE ERKENNING VAN DAT VONNIS IN DE STAAT VAN HERKOMST VAN DE BUITENLANDSE BESLISSING WAARVAN DE TENUITVOERLEGGING IN GEDING IS .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

35 DE KOSTEN DOOR DE REGERING VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK EN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT, KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET HOOFDGEDING IS DE PROCEDURE ALS EEN ALDAAR GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN, ZODAT DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIE OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

UITSPRAAK DOENDE OP DE DOOR DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BIJ ARREST VAN 6 JUNI 1986 GESTELDE VRAGEN,

VERKLAART VOOR RECHT :

1 ) EEN KRACHTENS ARTIKEL 26 EXECUTIEVERDRAG ERKENDE BUITENLANDSE BESLISSING MOET IN DE AANGEZOCHTE STAAT IN BEGINSEL DEZELFDE WERKING HEBBEN ALS ZIJ IN DE STAAT VAN HERKOMST HEEFT .

2 ) DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN BUITENLANDSE BESLISSING DIE IN EEN VERDRAGSLUITENDE STAAT KRACHTENS ARTIKEL 31 EXECUTIEVERDRAG VAN VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING IS VOORZIEN EN DIE IN DE STAAT VAN HERKOMST UITVOERBAAR BLIJFT, MOET NIET WORDEN VOORTGEZET IN DE AANGEZOCHTE STAAT WANNEER ZIJ VOLGENS DE DAAR GELDENDE WETTELIJKE REGELING NIET MEER MOGELIJK IS OM REDENEN DIE BUITEN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG VALLEN .

3 ) EEN BUITENLANDSE BESLISSING WAARBIJ EEN ECHTGENOOT IS VEROORDEELD OM AAN DE ANDERE ECHTGENOOT UIT HOOFDE VAN ZIJN UIT HET HUWELIJK VOORTVLOEIENDE ONDERHOUDSVERPLICHTING ALIMENTATIE TE BETALEN, IS IN DE ZIN VAN ARTIKEL 27, SUB 3, EXECUTIEVERDRAG ONVERENIGBAAR MET EEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT GEGEVEN BESLISSING WAARBIJ TUSSEN DE BETROKKENEN DE ECHTSCHEIDING IS UITGESPROKEN .

4 ) ARTIKEL 36 EXECUTIEVERDRAG MOET ALDUS WORDEN UITGELEGD, DAT DE PARTIJ DIE NIET HET IN DEZE BEPALING VOORZIENE VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HEEFT GEDAAN, ZICH IN HET STADIUM VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN DE BESLISSING NIET MEER KAN BEROEPEN OP EEN GELDIGE GROND DIE ZIJ IN HAAR VERZET TEGEN HET VERLOF TOT TENUITVOERLEGGING HAD KUNNEN AANVOEREN, EN DAT DEZE REGEL DOOR DE RECHTERLIJKE INSTANTIES VAN DE AANGEZOCHTE STAAT AMBTSHALVE MOET WORDEN TOEGEPAST . ZIJ VINDT EVENWEL GEEN TOEPASSING WANNEER ZIJ DE RECHTER VAN DE AANGEZOCHTE STAAT ERTOE ZOU VERPLICHTEN, DE GEVOLGEN VAN EEN IN ZIJN LAND UITGESPROKEN EN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET EXECUTIEVERDRAG UITGESLOTEN VONNIS TE DOEN AFHANGEN VAN DE ERKENNING VAN DAT VONNIS IN DE STAAT VAN HERKOMST VAN DE BUITENLANDSE BESLISSING WAARVAN DE TENUITVOERLEGGING IN GEDING IS .