ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

7 november 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 3, lid 1 – Artikel 6, lid 1 – Artikel 7, lid 1 – Richtlijn 2008/48/EG – Artikel 10, lid 2 – Consumentenkredietovereenkomsten – Toelaatbaarheid van een blanco orderbriefje als zekerheid voor een uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende schuldvordering – Vordering tot betaling van de wisselschuld – Omvang van de taak van de rechter”

In de gevoegde zaken C‑419/18 en C‑483/18,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door respectievelijk de Sąd Rejonowy dla Warszawy Pragi-Południe w Warszawie (rechter in eerste aanleg Praga-Zuid, Warschau, Polen) en de Sąd Okręgowy w Opolu, II Wydział Cywilny Odwoławczy (rechter in tweede aanleg bevoegd in burgerlijke zaken Opole, Polen) bij beslissingen van 13 februari en 3 juli 2018, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 26 juni en 24 juli 2018, in de procedures

Profi Credit Polska S.A.

tegen

Bogumiła Włostowska,

Mariusz Kurpiewski,

Kamil Wójcik,

Michał Konarzewski,

Elżbieta Kondracka-Kłębecka,

Monika Karwowska,

Stanisław Kowalski,

Anna Trusik,

Adam Lizoń,

Włodzimierz Lisowski (C‑419/18),

en

Profi Credit Polska S.A.

tegen

OH (C‑483/18),

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, M. Safjan, L. Bay Larsen en C. Toader (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en S. Šindelková als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, K. Herbout-Borczak en N. Ruiz García als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en van de bepalingen van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14, PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van procedures tussen Profi Credit Polska S.A., en, ten eerste, Bogumiła Włostowska, Mariusz Kurpiewski, Kamil Wójcik, Michał Konarzewski, Elżbieta Kondracka-Kłębecka, Monika Karwowska, Stanisław Kowalski, Anna Trusik, Adam Lizoń en Włodzimierz Lisowski, en, ten tweede, OH, over vorderingen tot betaling van wisselschulden uit hoofde van schuldvorderingen uit leningsovereenkomsten, op basis van door de verwerende partijen uitgegeven blanco orderbriefjes.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3

De twintigste en vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 zijn als volgt verwoord:

„Overwegende dat de overeenkomsten in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen moeten worden opgesteld; dat de consument daadwerkelijk gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van alle bedingen en dat in geval van twijfel de voor de consument gunstigste interpretatie prevaleert;

[...]

Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”.

4

Artikel 1, lid 1, van die richtlijn luidt:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

5

Artikel 3, lid 1, van voornoemde richtlijn bepaalt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

6

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 luidt als volgt:

„De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.”

7

In artikel 5 van deze richtlijn staat te lezen:

„In het geval van overeenkomsten waarvan alle of bepaalde aan de consument voorgestelde bedingen schriftelijk zijn opgesteld, moeten deze bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld. In geval van twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie. [...]”

8

Artikel 6, lid 1, van voornoemde richtlijn luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

9

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 is als volgt verwoord:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

Richtlijn 2008/48

10

Zoals bepaald in artikel 1 van richtlijn 2008/48 heeft deze richtlijn tot doel bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.

11

In artikel 10, lid 2, van deze richtlijn wordt onder meer opgesomd welke gegevens op duidelijke en beknopte wijze in kredietovereenkomsten moeten worden vermeld.

12

Artikel 14 van voornoemde richtlijn voorziet ten behoeve van de consument in een recht om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen.

13

Artikel 17 van richtlijn 2008/48, met als opschrift „Overdracht van rechten”, bepaalt in lid 1:

„Indien de rechten die de kredietgever op grond van de kredietovereenkomst heeft, dan wel de overeenkomst zelf, aan een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de nieuwe houder de excepties en verweermiddelen opwerpen die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ter beschikking stonden, met inbegrip van schuldvergelijking, mits deze in de betrokken lidstaat is toegestaan.”

14

Artikel 19 van deze richtlijn preciseert hoe het jaarlijkse kostenpercentage van het consumentenkrediet wordt berekend.

15

Artikel 22 van voornoemde richtlijn, „Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”, luidt:

„1.   In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de consument geen afstand kan doen van de rechten die hem worden toegekend krachtens de bepalingen van het nationale recht die uitvoering geven aan of overeenstemmen met deze richtlijn.

3.   De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat, indien de kredietovereenkomst een nauwe band heeft met het grondgebied van een of meer lidstaten, de consument de bescherming van deze richtlijn niet wordt ontzegd doordat het recht van een derde land wordt gekozen als op de kredietovereenkomst toepasselijk recht.”

16

Artikel 23 van deze richtlijn, „Sancties”, is als volgt verwoord:

„De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

Pools recht

17

Artikel 10 van de ustawa prawo wekslowe (wet betreffende wissels) van 28 april 1936, zoals gewijzigd (Dz. U. 2016, volgnr. 160; hierna: „wet betreffende wissels”), bepaalt dat, indien de bij uitgifte onvolledige wisselbrief niet in overeenstemming met de wisselovereenkomsten is aangevuld, de niet-naleving van die overeenkomsten niet kan worden tegengeworpen aan de houder, tenzij deze de wissel te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.

18

Krachtens artikel 103, lid 2, van die wet is deze bepaling van toepassing op orderbriefjes.

19

Volgens artikel 17 van voornoemde wet kunnen personen tegen wie op grond van een orderbriefje een recht geldend wordt gemaakt, de houder geen middelen tegenwerpen die zijn gebaseerd op hun persoonlijke betrekkingen met de uitgever of met eerdere houders ervan, tenzij de houder door het orderbriefje te verkrijgen bewust ten nadele van de debiteur heeft gehandeld.

20

Artikel 101 van de wet betreffende wissels luidt als volgt:

„Een orderbriefje behelst:

1)

de benaming ‚orderbriefje’ opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is opgesteld;

2)

de onvoorwaardelijke belofte tot betaling van een bepaalde som;

3)

de vervaldag;

4)

de plaats waar de betaling moet geschieden;

5)

de naam van degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;

6)

de datum en de plaats waar het orderbriefje is ondertekend;

7)

de handtekening van degene die de titel uitgeeft.”

21

Volgens artikel 233, leden 1 en 2, van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964, geconsolideerde tekst, zoals gewijzigd (Dz. U. 2018, volgnr. 155; hierna: „kpc”), beoordeelt de rechter op basis van een grondige analyse van de verzamelde gegevens de geloofwaardigheid en waarde van het verstrekte bewijsmateriaal. De rechter beoordeelt op dezelfde grondslag hoe hij de weigering om een bewijsmiddel aan te leveren of enige andere handeling van een partij die het onderzoek van de bij hem aanhangige zaak belemmert, moet interpreteren.

22

Krachtens artikel 248, lid 1, kpc is eenieder gehouden om op verzoek van de rechter, binnen de gestelde termijn en op de voorgeschreven plaats, elk document over te leggen dat zich in zijn bezit bevindt en bewijs vormt van een feit dat van belang is voor de beslechting van de zaak, tenzij dit document vertrouwelijke informatie bevat.

23

Uit artikel 321, lid 1, kpc volgt dat de rechter „niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd [treedt] noch [meer toewijst] dan is geëist”.

24

Overeenkomstig artikel 339, leden 1 en 2, kpc wordt, indien de verweerder niet ter terechtzitting is verschenen en geen mondelinge of schriftelijke opmerkingen heeft ingediend, een verstekvonnis gewezen. In dat geval wordt de weergave van de feiten die de verzoekende partij heeft opgenomen in haar verzoekschrift of haar memories die vóór de terechtzitting aan de verweerder zijn betekend, voor waar gehouden, tenzij deze gegronde twijfels doen rijzen of zijn aangevoerd met het oog op omzeiling van de wet.

25

De bepalingen van richtlijn 2008/48 zijn in Pools recht omgezet bij de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011, geconsolideerde tekst, zoals gewijzigd (Dz. U. 2016, volgnr. 1528; hierna: „wet op het consumentenkrediet”). Artikel 41 hiervan bepaalt:

„1.   Het orderbriefje [...] dat een consument ter hand stelt aan een kredietgever met het oog op de voldoening of de zekerstelling van een prestatie uit een consumentenkredietovereenkomst bevat de vermelding ‚niet aan order’ of een soortgelijke uitdrukking.

2.   Indien de kredietgever een orderbriefje [...] zonder de vermelding ‚niet aan order’ aanvaardt en dit orderbriefje wordt overgedragen [...] aan een andere persoon, is de kredietgever gehouden de door de consument geleden schade te vergoeden door betaling van het orderbriefje [...].

3.   Lid 2 is ook van toepassing indien het orderbriefje of de cheque tegen de wil van de kredietgever in het bezit van een andere persoon is geraakt.

[...]”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑419/18

26

Profi Credit Polska is een in Polen gevestigde vennootschap met als voornaamste maatschappelijk doel het verstrekken van krediet. Deze vennootschap heeft met elk van de debiteuren consumentenkredietovereenkomsten gesloten, waarbij betaling van de schuld wordt gewaarborgd door middel van een onvolledig, zogenoemd „blanco” orderbriefje, waarop aanvankelijk geen bedrag is geschreven. Wegens de niet-nakoming door de kredietnemers van hun contractuele verplichtingen heeft Profi Credit Polska, die tevens de begunstigde van de orderbriefjes is, deze aangevuld met een bedrag.

27

Sinds 2016 heeft Profi Credit Polska de verwijzende rechter aangezocht met verscheidene vorderingen tot betaling van de op voornoemde orderbriefjes weergegeven bedragen.

28

Deze rechter wijst erop dat verzoekster haar schuldvorderingen in alle bij hem aanhangige gedingen enkel op basis van de orderbriefjes (hierna: „wisselverhouding”) probeert te innen. Aangezien verzoekster de kredietovereenkomsten niet overlegt, beschikt voornoemde rechter alleen in het eerste van de hoofdgedingen, dankzij de verwerende partij, over de overeenkomst die de aan de wisselverbintenis ten grondslag liggende rechtsverhouding vormt (hierna: „onderliggende rechtsverhouding”). In de overige zaken hebben de verweerders geen standpunt ingenomen. Daarom heeft die rechter besloten om het verzoek van verzoekster om kennis te nemen van de zaken bij wege van de betalingsbevelprocedure af te wijzen, en ze daarentegen via de gewone procedure te behandelen.

29

De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af of een professionele kredietgever de terugbetaling van een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst ten aanzien van een kredietnemer-consument in overeenstemming met de richtlijnen 93/13 en 2008/48 kan waarborgen door middel van een orderbriefje dat die kredietnemer-consument blanco heeft uitgegeven.

30

Deze rechter preciseert dat de uitgifte van een orderbriefje een abstracte verplichting doet ontstaan. Uit de nationale wetgeving volgt dat de rechterlijke toetsing zich, ingeval een vordering tot betaling is gebaseerd op een orderbriefje, beperkt tot de wisselverhouding en zich niet kan uitstrekken tot de aan de wisselverhouding ten grondslag liggende rechtsverhouding. Volgens voornoemde rechter is de onmogelijkheid om ambtshalve te onderzoeken of de bedingen van de overeenkomst die de onderliggende rechtsverhouding van de wisselverbintenis vormt als oneerlijk kunnen worden aangemerkt, geen gevolg van de beperkingen van de overeenkomst, maar alleen van de specifieke bewijskracht van het orderbriefje als titel waarin de verbintenis van de schuldenaar is opgenomen.

31

De verwijzende rechter merkt op dat het blanco orderbriefje, om te voldoen aan de vereisten van de artikelen 10 en 103 van de wet betreffende wissels, altijd een overeenkomst met zich meebrengt tussen de uitgever en de begunstigde ervan, waarin is bepaald hoe het orderbriefje zal worden ingevuld (hierna: „wisselovereenkomst”). Overeenkomstig de nationale rechtspraak heeft die overeenkomst tot gevolg dat „de schuldenaar het recht krijgt om [de eerste schuldeiser] tegen te werpen dat hij het orderbriefje niet in overeenstemming met de overeenkomst heeft ingevuld, hetgeen wijst op, in het bijzonder, een verzwakking van de abstracte aard van het orderbriefje”.

32

Volgens voornoemde rechter lijdt het derhalve geen twijfel dat de rechter bij wie geschillen zoals die in de hoofdgedingen aanhangig zijn gebracht, enkel in geval van een door de schuldenaar opgeworpen exceptie kan nagaan of het orderbriefje in overeenstemming met de wisselovereenkomst is ingevuld. In procedures betreffende wissels beschikt de nationale rechter dus niet over een rechtsgrondslag om ambtshalve de onderliggende rechtsverhouding te beoordelen, tenzij de verweerder excepties opwerpt, in welk geval het geding wordt uitgebreid tot de onderliggende rechtsverhouding.

33

In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af hoe ver zijn toetsingsbevoegdheid strekt bij een vordering tot betaling die op basis van een orderbriefje door een ondernemer tegen een consument is ingesteld. In navolging van de rechtspraak van het Hof inzake de bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechter die kennisneemt van geschillen die binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen, en met name de verplichting om ambtshalve het oneerlijke karakter te beoordelen van een beding dat voorkomt in een aan zijn beoordeling onderworpen overeenkomst, wenst deze rechter namelijk te vernemen of die rechtspraak ook van toepassing is op bedingen in een door een consument gesloten overeenkomst in een geschil waarin de ondernemer zijn schuldvordering probeert te innen op basis van een blanco orderbriefje dat tot zekerheid van die schuld is uitgegeven. De vragen van voornoemde rechter betreffen ook de invloed van een dergelijke beoordeling op het lijdelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 321, lid 1, kpc, op grond waarvan de rechter niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd kan treden noch ultra petita kan beslissen.

34

Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Rejonowy dla Warszawy Pragi-Południe w Warszawie (rechter in eerste aanleg Praga-Zuid, Warschau, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Verzetten artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] en [richtlijn 2008/48], met name de artikelen 10 en 14, artikel 17, lid 1, en artikel 19 daarvan, zich tegen een nationale regeling krachtens welke een kredietnemer die consument is, een onvolledig (blanco) orderbriefje als zekerheid mag stellen voor de schuldvordering van een kredietgever die ondernemer is?

2)

Moeten de bepalingen van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat zij de aangezochte rechter in de procedure als bedoeld in de eerste vraag verplichten ambtshalve te onderzoeken of de bepalingen van de overeenkomst die de onderliggende rechtsverhouding van de wisselverbintenis vormt, geen oneerlijke bedingen bevatten, zelfs indien de verzoekende ondernemer zijn vordering uitsluitend op de wisselverhouding baseert?”

Zaak C‑483/18

35

Het hoofdgeding tussen Profi Credit Polska en OH heeft betrekking op vergelijkbare omstandigheden als die in zaak C‑419/18.

36

Bij arrest van 15 mei 2017 heeft de Sąd Rejonowy w Opolu (rechter in eerste aanleg Opole, Polen) het verzoek afgewezen dat Profi Credit Polska tegen OH had ingesteld inzake de betaling van 9494,21 Poolse złoty (PLN) (ongeveer 2211,69 EUR).

37

Hoewel was voldaan aan de voorwaarden om een verstekvonnis te wijzen, heeft de rechter in eerste aanleg het verzoek van Profi Credit Polska afgewezen omdat hij twijfelde over de werkelijke strekking van de contractuele band tussen de partijen, vanwege het feit dat hij niet in staat was om de bepalingen van de leningsovereenkomst te analyseren. Het verzoek van deze rechter aan Profi Credit Polska om de wisselovereenkomst en de leningsovereenkomst over te leggen, werd namelijk niet ingewilligd. Bovendien bleek uit andere door deze vennootschap gesloten standaardovereenkomsten dat er een aanzienlijk verschil bestond tussen het geleende bedrag en het terug te betalen bedrag.

38

Profi Credit Polska was van oordeel dat zij, om een orderbriefje te verzilveren, alleen verplicht was dit naar behoren in te vullen en te ondertekenen, en heeft daarom tegen de beslissing in eerste aanleg hoger beroep ingesteld.

39

De verwijzende rechter vraagt zich af of een rechter waarbij door een verzoeker die ondernemer is (hierna: „begunstigde”) op basis van een orderbriefje een beroep is ingesteld jegens een consument, ambtshalve de grieven betreffende de onderliggende rechtsverhouding kan onderzoeken ingeval hij over informatie betreffende de mogelijke onregelmatigheid van die verhouding beschikt, zonder evenwel te beschikken over de consumentenkredietovereenkomst zelf. Na in herinnering te hebben gebracht dat in de nationale rechtspraak, wanneer sprake is van een blanco uitgegeven orderbriefje, een bijzonder belang wordt gehecht aan de wisselovereenkomst, benadrukt de verwijzende rechter dat de wisselverbintenis voortkomt uit deze overeenkomst, ook al ontstaat de verbintenis en het daarmee overeenstemmende recht pas nadat de begunstigde het orderbriefje heeft ingevuld.

40

Tegen deze achtergrond heeft de Sąd Okręgowy w Opolu, II Wydział Cywilny Odwoławczy (rechter in tweede aanleg bevoegd in burgerlijke zaken Opole, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de bepalingen van [richtlijn 93/13], in het bijzonder artikel 3, leden 1 en 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, alsmede de bepalingen van [richtlijn 2008/48], met name artikel 22, lid 3, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een uitlegging van artikel 10 juncto artikel 17 van de wet betreffende wissels volgens welke een rechter niet ambtshalve mag optreden wanneer hij op grond van documenten die niet afkomstig zijn van de partijen in de zaak, tot de stellige en gegronde overtuiging is gekomen dat de overeenkomst die de bron is van de onderliggende verbintenis, op zijn minst deels ongeldig is, en de verzoekende partij haar recht uit hoofde van een blanco uitgegeven orderbriefje uitoefent terwijl de verwerende partij geen verweermiddelen aanvoert en inactief blijft?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

41

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat richtlijn 2008/48 het gebruik van orderbriefjes als zekerheid voor een uit een consumentenkrediet voortvloeiende schuldvordering niet heeft geharmoniseerd, waardoor artikel 22 ervan niet van toepassing is in omstandigheden als die van de hoofdgedingen (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 3437).

42

Verder hebben de hoofdgedingen geen betrekking op het herroepingsrecht of de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage, waardoor de artikelen 14 en 19 van die richtlijn evenmin van toepassing zijn.

43

Tot slot is ook artikel 17 van voornoemde richtlijn niet relevant, aangezien de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de in dat artikel bedoelde overdracht van de rechten van de kredietgever aan een derde.

44

Aangezien de artikelen 14, 17, 19, en 22 van richtlijn 2008/48 niet relevant zijn voor de hoofdgedingen, zullen de gestelde vragen dus worden beantwoord in het licht van enkel artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en artikel 10 van richtlijn 2008/48.

Eerste vraag in zaak C‑419/18

45

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en artikel 10 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen, die het mogelijk maakt om een blanco orderbriefje als zekerheid te stellen voor een schuldvordering die voortvloeit uit een tussen een ondernemer en een consument gesloten consumentenkredietovereenkomst.

46

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat in het kader van het beleid van de Unie de bescherming van de consument – die zich ten opzichte van een handelaar in een zwakkere positie bevindt in die zin dat hij moet worden geacht minder goed te zijn geïnformeerd en als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd – zowel in artikel 169 VWEU als in artikel 38 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd (arrest van 27 maart 2019, slewo, C‑681/17, EU:C:2019:255, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47

In dit verband moet in herinnering worden gebracht, ten eerste, dat de verwijzende rechters oneerlijke bedingen overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 buiten toepassing dienen te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet (arrest van 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ten tweede zien de lidstaten er volgens artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, op toe dat er, in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (arrest van 3 april 2019, Aqua Med, C‑266/18, EU:C:2019:282, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48

In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale regeling weliswaar toestaat dat een orderbriefje wordt uitgegeven als zekerheid voor een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst, maar de verplichting om een dergelijk briefje uit te geven niet voortvloeit uit die regeling maar uit de tussen de partijen gesloten kredietovereenkomsten.

49

Ook moet worden benadrukt dat de orderbriefjes in de hoofdgedingen bijzondere kenmerken vertonen. Er moet immers worden vastgesteld dat deze briefjes aanvankelijk onvolledig zijn, aangezien zij blanco zijn uitgegeven, wat wil zeggen dat zij geen bedrag bevatten. De bedragen worden later eenzijdig door de ondernemer op de orderbriefjes geschreven.

50

In dit verband volgt uit de artikelen 10 en 101 van de wet betreffende wissels dat de vermelding van het verschuldigde bedrag normaliter weliswaar een voorwaarde is voor de geldigheid van een orderbriefje, maar het mogelijk is om een blanco orderbriefje uit te geven mits er in een wisselovereenkomst wordt bepaald hoe de kredietgever het orderbriefje later rechtmatig kan aanvullen.

51

Volgens artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 is deze richtlijn van toepassing op bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (arresten van 9 september 2004, Commissie/Spanje, C‑70/03, EU:C:2004:505, punt 31, en 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 50, en beschikking van 14 september 2016, Dumitraș, C‑534/15, EU:C:2016:700, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

Voor zover, ten eerste, de betaling van een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst wordt gewaarborgd door een beding dat de uitgifte van een blanco orderbriefje vereist en, ten tweede, de nationale regeling vereist dat er een wisselovereenkomst wordt gesloten, kunnen dit beding en die overeenkomst onder richtlijn 93/13 vallen.

53

In de tweede plaats legt richtlijn 93/13 de lidstaten de verplichting op om ervoor te zorgen dat contractuele bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, kunnen worden getoetst teneinde het eventueel oneerlijke karakter ervan te beoordelen. In dit verband staat het aan de nationale rechter om, rekening houdend met de criteria van artikel 3, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 93/13, in het licht van de omstandigheden van het betreffende geval te bepalen of een dergelijk beding voldoet aan de in deze richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie (arrest van 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54

Krachtens artikel 3, lid 1, van deze richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.

55

Volgens vaste rechtspraak moet de nationale rechter, om te bepalen of een beding als „oneerlijk” kan worden aangemerkt, nagaan of de ondernemer door op eerlijke en billijke wijze te onderhandelen met de consument redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover was onderhandeld (zie in die zin arrest van 14 maart 2013, Aziz, C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 69, en beschikking van 22 februari 2018, Lupean, C‑119/17, niet gepubliceerd, EU:C:2018:103, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56

Ook moet nog worden opgemerkt dat noch het beding dat de kredietnemer ertoe verplicht een blanco orderbriefje uit te geven als zekerheid voor de schuldvordering van de kredietgever uit die overeenkomst noch de wisselovereenkomst betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13.

57

Bovendien moet bij de beoordeling van de mogelijke oneerlijkheid van dit beding en van de wisselovereenkomst zowel rekening worden gehouden met het vereiste omtrent een aanzienlijk verstoord evenwicht als met het vereiste van transparantie dat voortvloeit uit artikel 5 van richtlijn 93/13. Volgens vaste rechtspraak is het voor een consument immers van wezenlijk belang dat hij, vóór sluiting van een overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van sluiting van die overeenkomst. Hij zal met name op basis van de aldus verkregen informatie beslissen of hij gebonden wenst te worden door voorwaarden die de verkoper tevoren heeft vastgelegd (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58

Hieruit volgt dat een nationale rechter bij wie geschillen zoals die in de hoofdgedingen aanhangig zijn, moet bepalen of de consument alle informatie heeft verkregen die van invloed kan zijn op de omvang van zijn verplichtingen en hem ertoe in staat stelt om, met name, de procedurele gevolgen van de uitgave van een blanco orderbriefje als zekerheid voor de uit de consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende schuldvorderingen, en de mogelijkheid dat de schuld later op basis van alleen dat orderbriefje wordt geïnd, te beoordelen. In het kader van deze beoordeling en overeenkomstig de twintigste overweging van richtlijn 93/13 is het van doorslaggevend belang of het betrokken contractuele beding duidelijk en begrijpelijk is opgesteld en of de consument daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud ervan.

59

Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over vorderingen uit een kredietovereenkomst in de zin van die richtlijn, verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de in die bepaling bedoelde informatieplicht is nagekomen en de consequenties te trekken die naar nationaal recht uit niet-nakoming van die plicht voortvloeien, mits de sancties voldoen aan de eisen van artikel 23 van die richtlijn (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 74).

60

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag in zaak C‑419/18 worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen, die het mogelijk maakt om, als zekerheid voor een schuldvordering uit een tussen een ondernemer en een consument gesloten consumentenkredietovereenkomst, in die overeenkomst te bedingen dat de kredietnemer verplicht is om een blanco orderbriefje uit te geven, en die de toelaatbaarheid van de uitgave van een dergelijk orderbriefje afhankelijk stelt van de voorafgaande sluiting van een wisselovereenkomst waarin wordt bepaald hoe dat orderbriefje kan worden aangevuld, op voorwaarde dat dit beding en die overeenkomst in overeenstemming zijn met de artikelen 3 en 5 van die richtlijn en artikel 10 van richtlijn 2008/48, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

Tweede vraag in zaak C‑419/18 en de vraag in zaak C‑483/18

61

Met de tweede vraag in zaak C‑419/18 en de vraag in zaak C‑483/18 wensen de verwijzende rechters in essentie te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en artikel 10 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter die, in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, ernstige twijfels heeft over de gegrondheid van een vordering gebaseerd op een orderbriefje dat dient als zekerheid voor een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst, indien dit orderbriefje aanvankelijk door de ondertekenaar blanco is uitgegeven en later door de begunstigde is aangevuld, ambtshalve moet onderzoeken of de tussen de partijen overeengekomen bedingen oneerlijk zijn en, in dat verband, kan eisen dat de ondernemer het geschrift overlegt waarin deze bedingen zijn neergelegd, zodat voornoemde rechter zich ervan kan vergewissen dat de rechten die consumenten aan deze richtlijnen ontlenen, in acht zijn genomen.

62

In casu hebben de vragen van de verwijzende rechters betrekking op twee verschillende situaties, aangezien de nationale rechter in het eerste hoofdgeding in het kader van zaak C‑419/18 beschikt over de consumentenkredietovereenkomst, terwijl dit in de andere hoofdgedingen niet het geval is.

63

Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in deze eerste situatie, omdat hij beschikt over de noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, verplicht is om ambtshalve te onderzoeken of de bedingen oneerlijk kunnen zijn (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64

In de tweede situatie, en met name gezien de toelichting van de verwijzende rechter in zaak C‑483/18, waaruit blijkt dat hij niet beschikt over de overeenkomst tussen de partijen in het hoofdgeding maar op de hoogte is van de inhoud van andere overeenkomsten die gewoonlijk door de ondernemer worden gebruikt, dient in herinnering te worden gebracht dat richtlijn 93/13 krachtens artikel 3, lid 1, ervan weliswaar van toepassing is op bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wat met name standaardovereenkomsten omvat, maar er niet kan worden aangenomen dat een rechter „beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens” in de zin van de aangehaalde rechtspraak, om de enkele reden dat hij bekend is met bepaalde door de ondernemer gebruikte modelovereenkomsten, zonder dat hij beschikt over het instrument waarin de overeenkomst tussen de partijen in het voor hem aanhangige geschil is vastgesteld (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 47).

65

Dienaangaande preciseert de Poolse regering in haar bij het Hof ingediende opmerkingen dat het niet ongebruikelijk is dat de wisselovereenkomst, hoewel deze een van de kredietovereenkomst gescheiden overeenkomst vormt, in die overeenkomst wordt opgenomen.

66

In elk geval volgt uit vaste rechtspraak dat het aan de nationale rechter staat om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen teneinde vast te stellen of een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen beding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, en zo ja, te toetsen of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is (arresten van 9 november 2010, VB Pénzügyi Lízing, C‑137/08, EU:C:2010:659, punt 56; 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 44, en 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 24). Bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst kan de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten immers niet worden gewaarborgd (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67

Wanneer bij een nationale rechter een vordering wordt ingesteld op basis van een orderbriefje dat als zekerheid voor een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst aanvankelijk blanco is uitgegeven en later is ingevuld, en deze rechter ernstige twijfels heeft over de gegrondheid van die vordering, vereisen artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 dientengevolge dat voornoemde rechter kan verlangen dat de documenten waarop dit verzoek is gegrondvest worden overgelegd, met inbegrip van de wisselovereenkomst, ingeval een dergelijke overeenkomst volgens de nationale regelgeving een voorafgaande voorwaarde vormt voor het uitgeven van dit soort orderbriefjes.

68

Verder dient te worden benadrukt dat voorgaande overwegingen niet in strijd zijn met het door de verwijzende rechter aangehaalde lijdelijkheidsbeginsel. De omstandigheid dat een nationale rechter van de verzoekende partij verlangt dat zij (de inhoud van) het document of de documenten waarop haar verzoek is gegrondvest overlegt, maakt immers gewoon deel uit van de bewijsvoering van het proces, aangezien een dergelijk verzoek er enkel toe strekt dat de rechter zich van de grondslag van het verzoek kan vergewissen.

69

Volgens artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 moet de nationale rechter, wanneer hij ambtshalve schending van die bepaling heeft vastgesteld, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor alle consequenties trekken die naar nationaal recht uit die schending voortvloeien, zonder te wachten tot de consument een verzoek in die zin indient (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70

Een nationale rechter die, op grond van gegevens, feitelijk en rechtens, waarover hij beschikt of die hem na hiertoe genomen ambtshalve maatregelen van instructie zijn meegedeeld, heeft vastgesteld dat een beding binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, en vervolgens constateert dat dit beding oneerlijk is, dient in de regel de procespartijen daarvan in kennis te stellen en hun te verzoeken hierover op tegenspraak hun standpunt kenbaar te maken overeenkomstig de naar nationaal recht geldende procesregels (arrest van 21 februari 2013, Banif Plus Bank, C‑472/11, EU:C:2013:88, punt 31).

71

In casu staat artikel 10 van de wet betreffende wissels er volgens de Poolse regering niet aan in de weg dat een nationale rechter vaststelt dat de op een orderbriefje gebaseerde schuldvordering niet bestaat, voor zover het bedrag ervan hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de wisselovereenkomst. Een dergelijke conclusie kan niet alleen worden getrokken naar aanleiding van een grief van de consument, maar ook ambtshalve onder toepassing van de relevante rechtspraak van het Hof. Uit het feit dat de uitgave van een blanco orderbriefje dat later wordt ingevuld onderhevig is aan de voorwaarde dat er een wisselovereenkomst is gesloten, blijkt dat die overeenkomst er juist toe dient om een controle mogelijk te maken van het gebruik van dit soort orderbriefjes en van het bedrag dat er uiteindelijk op staat.

72

Volgens de verwijzende rechters kunnen zij echter alleen in geval van een door de schuldenaar opgeworpen exceptie nagaan of het orderbriefje in overeenstemming met de gesloten overeenkomst is ingevuld.

73

In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de verplichting van een lidstaat om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om het door de richtlijn voorgeschreven resultaat te bereiken, een dwingende verplichting is die wordt opgelegd door artikel 288, derde alinea, VWEU, alsmede door de richtlijn zelf. Deze verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te nemen, geldt voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de lidstaten en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor rechterlijke instanties (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74

In casu volgt uit vaste rechtspraak dat de verplichting om ambtshalve te onderzoeken of bepaalde bedingen oneerlijk zijn en of een kredietovereenkomst de verplichte informatie bevat, een voor de rechterlijke instanties geldende procedureregel vormt (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75

Zo moeten nationale rechters het nationale recht bij de toepassing ervan zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken (arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

76

In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale rechters, wanneer zij niet in staat zijn de nationale regelgeving in overeenstemming met de vereisten van richtlijn 93/13 uit te leggen en toe te passen, verplicht zijn om ambtshalve te onderzoeken of de tussen de partijen overeengekomen bedingen oneerlijk zijn, door zo nodig alle nationale bepalingen of rechtspraak die zich tegen een dergelijk onderzoek verzetten, buiten toepassing te laten (zie in die zin arresten van 4 juni 2009, Pannon GSM, C‑243/08, EU:C:2009:350, punten 32, 34 en 35; 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 februari 2016, Finanmadrid EFC, C‑49/14, EU:C:2016:98, punt 46).

77

Hieruit volgt dat op de tweede vraag in zaak C‑419/18 en de vraag in zaak C‑483/18 moet worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter die, in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, ernstige twijfels heeft over de gegrondheid van een vordering gebaseerd op een orderbriefje dat dient als zekerheid voor een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst, indien dit orderbriefje aanvankelijk door de ondertekenaar blanco is uitgegeven en later door de begunstigde is aangevuld, ambtshalve moet onderzoeken of de tussen de partijen overeengekomen bedingen oneerlijk zijn en, in dat verband, kan eisen dat de ondernemer het geschrift overlegt waarin deze bedingen zijn neergelegd, zodat voornoemde rechter zich ervan kan vergewissen dat de rechten die consumenten aan deze richtlijnen ontlenen, in acht zijn genomen.

Kosten

78

Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen, die het mogelijk maakt om, als zekerheid voor een schuldvordering uit een tussen een ondernemer en een consument gesloten consumentenkredietovereenkomst, in die overeenkomst te bedingen dat de kredietnemer verplicht is om een blanco orderbriefje uit te geven, en die de toelaatbaarheid van de uitgave van een dergelijk orderbriefje afhankelijk stelt van de voorafgaande sluiting van een wisselovereenkomst waarin wordt bepaald hoe dat orderbriefje kan worden aangevuld, op voorwaarde dat dit beding en die overeenkomst in overeenstemming zijn met de artikelen 3 en 5 van die richtlijn en artikel 10 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

 

2)

Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die, in omstandigheden als die van de hoofdgedingen, ernstige twijfels heeft over de gegrondheid van een vordering gebaseerd op een orderbriefje dat dient als zekerheid voor een schuldvordering uit een consumentenkredietovereenkomst, indien dit orderbriefje aanvankelijk door de ondertekenaar blanco is uitgegeven en later door de begunstigde is aangevuld, ambtshalve moet onderzoeken of de tussen de partijen overeengekomen bedingen oneerlijk zijn en, in dat verband, kan eisen dat de ondernemer het geschrift overlegt waarin deze bedingen zijn neergelegd, zodat voornoemde rechter zich ervan kan vergewissen dat de rechten die consumenten aan deze richtlijnen ontlenen, in acht zijn genomen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Pools.