ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

27 februari 2014 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Consumentenkredietovereenkomst — Oneerlijke bedingen — Richtlijn 93/13/EEG — Gedwongen tenuitvoerlegging van arbitraal vonnis — Verzoek tot interventie in tenuitvoerleggingsprocedure — Vereniging voor consumentenbescherming — Nationale wettelijke regeling op grond waarvan dergelijke interventie niet is toegestaan — Procedurele autonomie van lidstaten”

In zaak C‑470/12,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Okresný súd Svidník (Slowakije) bij beslissing van 31 augustus 2012, ingekomen bij het Hof op 19 oktober 2012, in de procedure

Pohotovosť s. r. o.

tegen

Miroslav Vašuta,

in tegenwoordigheid van:

Združenie na ochranu občana spotrebiteľa HOOS,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. G. Fernlund, A. Ó Caoimh, C. Toader (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Pohotovosť s. r. o., vertegenwoordigd door J. Fuchs, konateľ spoločnosti,

Združenie na ochranu občana spotrebiteľa HOOS, vertegenwoordigd door I. Šafranko, advokát,

de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en A. Tokár als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2013,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 tot en met 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29), junctis de artikelen 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Pohotovosť s. r. o. (hierna: „Pohotovosť”) en de heer Vašuta over de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis waarbij laatstgenoemde is veroordeeld tot terugbetaling van de geldsommen in verband met een consumentenkredietovereenkomst.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

4

Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

5

In artikel 7 van voornoemde richtlijn wordt bepaald:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

2.   De in lid 1 bedoelde middelen dienen wettelijke bepalingen te omvatten waarbij personen of organisaties die volgens de nationale wetgeving een legitiem belang hebben bij de bescherming van de consument, overeenkomstig het nationale recht een beroep kunnen doen op de rechtbanken of de bevoegde administratieve instanties om te oordelen of contractuele bedingen die zijn opgesteld met het oog op een algemeen gebruik, oneerlijk zijn, en de passende en doeltreffende middelen aan te wenden om een eind te maken aan het gebruik van deze bedingen.

3.   Met inachtneming van de nationale wetgeving kunnen de in lid 2 vermelde beroepen, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verschillende verkopers in dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruikmaken dan wel het gebruik aanbevelen van dezelfde of gelijksoortige algemene contractuele bedingen.”

6

Artikel 8 van diezelfde richtlijn luidt:

„Ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument kunnen de lidstaten op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het verdrag.”

Slowaaks recht

7

§ 93 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in de redactie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), bepaalt:

„(1)   Hij die een juridisch belang heeft bij de uitkomst van het geding, kan interveniëren aan de zijde van de verzoeker of de verweerder, voor zover de zaak geen betrekking heeft op echtscheiding, de geldigheid van een huwelijk of de vaststelling van het al dan niet bestaan van een huwelijk.

(2)   Tot interventie aan de zijde van de verzoeker of de verweerder wordt eveneens toegelaten de rechtspersoon die tot doel heeft de bescherming van rechten krachtens een bijzondere regeling.

(3)   Deze persoon intervenieert in de procedure op eigen initiatief of op een door de rechter overgelegd verzoek van een partij. De rechter beslist pas over de ontvankelijkheid van de interventie wanneer aan hem een daartoe strekkend verzoek is voorgelegd.

(4)   In het kader van de procedure heeft de interveniërende partij dezelfde rechten en verplichtingen als een partij in de procedure. Zij treedt evenwel enkel voor zichzelf op. Indien haar handelingen in strijd zijn met die van de partij aan de zijde waarvan zij intervenieert, beoordeelt de rechter deze handelingen na alle omstandigheden te hebben onderzocht.”

8

In § 251, lid 4, van dit wetboek wordt bepaald:

„De bepalingen van de voorafgaande delen [van dit wetboek] zijn van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen en de tenuitvoerleggingsprocedure in de zin van de bijzondere regeling, voor zover die bijzondere regeling niet anders bepaalt. Er wordt evenwel altijd uitspraak gedaan bij beschikking.”

9

§ 37, leden 1 en 3, van het wetboek van tenuitvoerlegging, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wetboek van tenuitvoerlegging”), bepaalt:

„(1)   Partij in het geding zijn de schuldeiser en de schuldenaar; andere personen kunnen slechts partij in het geding zijn voor het gedeelte van het geding waarvoor hun die hoedanigheid overeenkomstig de onderhavige wet is toegekend. Wanneer de rechter uitspraak doet over de kosten van de tenuitvoerlegging, wordt de aangestelde gerechtsdeurwaarder ook beschouwd als partij in het geding.

[...]

(3)   Tot tenuitvoerlegging tegen een andere persoon dan die welke in de beslissing is aangewezen als schuldenaar, of ten behoeve van een andere persoon dan die welke in de beslissing is aangewezen als schuldeiser, kan slechts worden overgegaan indien is aangetoond dat aan die persoon de verplichtingen of rechten zijn overgedragen die krachtens artikel 41 voortvloeien uit de executoriale titel. Wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan een overdracht of subrogatie van uit de executoriale titel voortvloeiende rechten en verplichtingen plaatsvindt, zijn partijen in de procedure gehouden om de ten uitvoer leggende autoriteit daarvan schriftelijk en zonder nodeloze vertraging mededeling te doen. De mededeling dient vergezeld te gaan van een document dat de overdracht of de subrogatie van de rechten en verplichtingen aantoont. De ten uitvoer leggende autoriteit is gehouden om de rechter binnen een termijn van 14 dagen vanaf de dag waarop zij kennis heeft genomen van deze omstandigheden mededeling te doen van een verzoek tot wijziging van de partijen in de procedure. De rechter doet, binnen een termijn van 60 dagen vanaf de dag van kennisgeving van het verzoek, uitspraak bij beschikking. De beslissing wordt meegedeeld aan de ten uitvoer leggende autoriteit, aan de schuldeiser en aan de schuldenaar, die worden genoemd in de executoriale titel, alsook aan de partij waaraan het recht of de verplichting is overgedragen.”

10

Volgens § 25, leden 1 en 2, van wet nr. 250/2007 betreffende de consumentenbescherming kan een organisatie bij een bestuurlijke of rechterlijke instantie een vordering tot bescherming van consumentenrechten instellen of partij in het geding zijn, indien haar voornaamste doel op dat gebied is gericht dan wel indien zij staat vermeld op de lijst van personen die door de Europese Commissie zijn toegelaten, onverminderd het recht van de rechter om te onderzoeken of deze persoon in een concreet geval een vordering mag instellen. Bovendien kan een organisatie een consument krachtens volmacht vertegenwoordigen in een procedure bij een overheidsinstantie die betrekking heeft op de uitoefening van zijn rechten, waaronder ook is begrepen de vergoeding van schade door schending van de rechten van de consument.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

Pohotovosť heeft aan Vašuta een consumentenkrediet verleend. Bij vonnis van 9 december 2010 heeft de Stálý rozhodcovský súd (permanent scheidsgerecht) Vašuta gelast om aan Pohotovosť een bepaald bedrag te betalen.

12

Pohotovosť heeft een verzoek tot tenuitvoerlegging ingediend van dit in kracht van gewijsde gegaan, uitvoerbaar arbitraal vonnis. Op 25 maart 2011 heeft de door Pohotovosť aangezochte gerechtsdeurwaarder de Okresný súd Svidník (arrondissementsrechtbank te Svidník) verzocht om verlof tot tenuitvoerlegging van voornoemd arbitraal vonnis. Bij beslissing van 29 juni 2011 werd dit verzoek afgewezen, aangezien het betrekking had op de invordering van vertragingsrente en de kosten van deze invordering. Bovengenoemde rechter heeft de tenuitvoerlegging echter wel toegestaan voor de andere schuldvorderingen.

13

Op 9 september 2011 heeft Združenie na ochranu občana spotrebiteľa HOOS (vereniging voor consumentenbescherming HOOS; hierna: „Združenie HOOS”) op basis van § 93, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering verzocht om toelating tot interventie in de tenuitvoerleggingsprocedure. Ten gronde heeft zij aangevoerd dat de aangezochte gerechtsdeurwaarder niet onpartijdig was, waarbij zij met name stelde dat laatstgenoemde in het verleden een arbeidsrelatie met Pohotovosť had gehad. Volgens de rechtspraak van de Ústavný súd Slovenskej republiky (grondwettelijk hof van de Slowaakse republiek) is het feit dat deze deurwaarder in dienst is geweest van Pohotovosť onverenigbaar met de verplichting tot onpartijdigheid van de gerechtsdeurwaarder. Voorts heeft Združenie HOOS verzocht om opschorting van de tenuitvoerleggingsprocedure als geheel.

14

In een memorie van 27 maart 2012 heeft Pohotovosť geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot interventie van Združenie HOOS in de procedure voor de verwijzende rechter, op grond dat het wetboek van tenuitvoerlegging niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een dergelijke interventie zou voorzien.

15

Bij beschikking van 24 mei 2012 heeft de Okresný súd Svidník het verzoek van Združenie HOOS tot interventie in de tenuitvoerleggingsprocedure niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot opschorting van die procedure afgewezen.

16

Op 18 juni 2012 heeft Združenie HOOS een beroep ingediend tegen die beschikking. Zij heeft daarbij aangevoerd (i) dat Vašuta niet toereikend geïnformeerd was en (ii) dat voornoemde rechter geen ambtshalve toepassing heeft gegeven aan regels op grond waarvan Vašuta zich afdoende had kunnen verdedigen tegen een oneerlijk arbitragebeding, en geen rechtsgevolgen heeft verbonden aan het ontbreken van de vermelding van het jaarlijks kostenpercentage in de consumentenkredietovereenkomst. Volgens Združenie HOOS heeft de Okresný súd Svidník de met name uit het arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C-40/08, Jurispr. blz. I-9579), en de beschikking van het Hof van 16 november 2010, Pohotovosť (C-76/10, Jurispr. blz. I-11557), voortvloeiende rechtspraak niet juist toegepast.

17

Uit de bij het Hof ingediende opmerkingen volgt dat de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hooggerechtshof van de Slowaakse republiek) in een arrest van 10 oktober 2012 heeft geoordeeld dat de interventie van een vereniging voor consumentenbescherming niet ontvankelijk was in een procedure van tenuitvoerlegging tegen een consument, aangezien dit geen procedure betrof over een geschil maar een procedure over de tenuitvoerlegging van een voor de schuldenaar definitieve en bindende beslissing ten gronde. Overigens heeft de Ústavný súd Slovenskej republiky in een arrest van 15 januari 2013 eenzelfde benadering gevolgd.

18

De verwijzende rechter is van oordeel dat de uitlegging van het Hof van richtlijn 93/13 beslissend zou kunnen zijn voor de beslechting van het hoofdgeding.

19

In deze omstandigheden heeft de Okresný súd Svidník de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moeten de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 van richtlijn 93/13[...], gelezen in samenhang met de artikelen 38 en 47 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een bepaling van nationaal recht als § 37, leden 1 en 3, van het wetboek van tenuitvoerlegging, volgens welke een vereniging voor de bescherming van consumentenrechten niet kan interveniëren in de tenuitvoerleggingsprocedure?

2)

Indien de eerste vraag aldus wordt beantwoord dat de genoemde bepaling niet in strijd is met het recht [van de Unie], moeten de bepalingen van § 37, leden 1 en 3, van het wetboek van tenuitvoerlegging dan aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een nationale rechter krachtens de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 [van die richtlijn] een vereniging voor de bescherming van consumentenrechten als interveniënt toelaat in de tenuitvoerleggingsprocedure?”

Door Pohotovosť na de sluiting van de mondelinge behandeling ingediende verzoeken

20

Bij akte van 31 januari 2014, ingekomen ter griffie van het Hof op 6 februari 2014, heeft Pohotovosť, na de conclusie van de advocaat-generaal van 12 december 2013, op basis van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling, waarbij zij aanvoert dat zij onvoldoende informatie had ontvangen met betrekking tot een nieuw feit dat van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de beslissing van het Hof. Bovendien heeft Pohotovosť het Hof verzocht om in het kader van de onderhavige prejudiciële procedure over te gaan tot het horen van een partij in een bij de Okresný súd Bardejov (arrondissementsrechtbank te Bardejov) aanhangige contentieuze procedure, namens welke partij door Združenie HOOS een volgens Pohotovosť op rechtens onjuiste middelen en argumenten berustend beroep is ingesteld.

21

In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat het Hof ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen, krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen (arrest van 12 december 2013, Carratù, C‑361/12, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22

In de tweede plaats heeft de advocaat-generaal krachtens artikel 252, tweede alinea, VWEU tot taak in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin hij overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet optreden. Bij de uitoefening van deze taak staat het hem in voorkomend geval vrij een verzoek om een prejudiciële beslissing te analyseren door dit in een ruimere context te plaatsen dan die welke door de verwijzende rechter of door de partijen in het hoofdgeding strikt is afgebakend. Aangezien de conclusie van de advocaat-generaal noch de motivering waarop die is gebaseerd het Hof bindt, hoeft niet noodzakelijkerwijs overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling te worden heropend wanneer de advocaat-generaal een punt met betrekking tot het recht opwerpt waarover partijen geen standpunten hebben kunnen uitwisselen (reeds aangehaald arrest Carratù, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

In casu behoeft, ten eerste, de zaak niet te worden beantwoord op basis van argumenten waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. Ten tweede zij eraan herinnerd dat, aangaande het verzoek van Pohotovosť aan het Hof om in het kader van de onderhavige prejudiciële procedure over te gaan tot het horen van een persoon die partij is bij een andere nationale gerechtelijke procedure die aanhangig is bij een andere nationale rechter dan die in het hoofdgeding, de in artikel 267 VWEU bedoelde procedure een procedure is waarin de nationale rechter en het Hof samenwerken, en dat de partijen in het hoofdgeding, zoals volgt uit artikel 97, lid 1, van het reglement voor de procesvoering, de partijen zijn die door de verwijzende rechter overeenkomstig de nationale procedurevoorschriften als zodanig zijn aangeduid. In casu is de betrokken persoon door de verwijzende rechter niet aangeduid als partij in het hoofdgeding (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 23 maart 2007, Cedilac, C‑368/06, punt 6).

24

Bijgevolg moeten, de advocaat-generaal gehoord, de verzoeken van Pohotovosť worden afgewezen.

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

25

In haar overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, heeft Pohotovosť met name aan het Hof meegedeeld dat zij op 14 november 2012 aan de verwijzende rechter een memorie heeft overgelegd waarin zij heeft verklaard volledig afstand te doen van haar verzoek tot tenuitvoerlegging en waarin zij deze rechter heeft verzocht een einde te maken aan de procedure. De verwijzende rechter is volgens haar gehouden om zich uit te spreken over deze afstand, en om de tenuitvoerleggingsprocedure te sluiten. Het Hof dient het onderhavige prejudiciële verzoek in elk geval niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien aan het geschil in het hoofdgeding een einde is gekomen.

26

De Okresný súd Svidník heeft, na door het Hof te zijn gevraagd om te bevestigen of, gelet op de aldus aangekondigde afstand, het geding in het kader waarvan deze rechter aanvankelijk zijn prejudiciële vraag had gesteld, nog bij hem aanhangig was en of hij, tegen deze achtergrond, dit verzoek wenste te handhaven, geantwoord – bij brieven, ingekomen bij het Hof op 8 juli en 10 september 2013 – dat Pohotovost’ op 27 december 2012 bij hem een verzoek had ingediend strekkende tot opschorting van de procedure van tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis. De verwijzende rechter heeft er ook op gewezen dat het dossier van het hoofdgeding zich op dat moment bevond bij de Krajsky súd v Prešove (regionaal gerechtshof van Prešov) aangezien bij laatstgenoemde rechter door Pohotovost’ een hoger beroep was ingesteld tegen de beslissing om een prejudicieel verzoek in te dienen. De Okresný súd Svidník heeft evenwel aangegeven dat de procedure in het hoofdgeding nog steeds bij hem aanhangig was en dat hij om die reden zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde.

27

Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord op de gestelde vragen te geven (zie in die zin arrest van 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C-222/05-C-225/05, Jurispr. blz. I-4233, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

Niettemin kan blijkens zowel de bewoordingen als de systematiek van artikel 267 VWEU slechts een prejudiciële procedure worden ingeleid indien voor de nationale rechter een geding aanhangig is in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met het prejudiciële arrest (zie in die zin arresten van 15 juni 1995, Zabala Erasun e.a., C-422/93-C-424/93, Jurispr. blz. I-1567, punt 28; 12 maart 1998, Djabali, C-314/96, Jurispr. blz. I-1149, punt 18, en 20 januari 2005, García Blanco, C-225/02, Jurispr. blz. I-523, punt 27).

29

De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is immers niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een bestaand geschil (zie arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, Jurispr. blz. 3045, punt 18; 25 maart 2004, Azienda Agricola Ettore Ribaldi e.a., C-480/00-C-482/00, C-484/00, C-489/00-C-491/00 en C-497/00-C-499/00, Jurispr. blz. I-2943, punt 72, en reeds aangehaald arrest García Blanco, punt 28).

30

In de onderhavige zaak staat vast dat de verwijzende rechter, in antwoord op een vraag van het Hof, heeft meegedeeld dat de aan hem voorgelegde zaak nog steeds aanhangig was. Aangezien de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechters, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen (zie met name arresten van 16 juli 1992, Meilicke, C-83/91, Jurispr. blz. I-4871, punt 22, en 24 maart 2009, Danske Slagterier, C-445/06, Jurispr. blz. I-2119, punt 65), is een dergelijke mededeling voor het Hof bindend en kan zij door partijen in het hoofdgeding niet in twijfel worden getrokken.

31

Wat de omstandigheid betreft dat tegen de verwijzingsbeslissing hoger beroep is ingesteld, zij eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 267 VWEU de verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de relevantie en de noodzaak van de prejudiciële vraag in beginsel uitsluitend ligt bij de rechter die de prejudiciële verwijzing gelast, onder voorbehoud van de beperkte toetsing door het Hof overeenkomstig de in punt 27 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Derhalve staat het aan de verwijzende rechter om de consequenties te trekken uit een arrest in hoger beroep tegen de beslissing waarbij de prejudiciële verwijzing is gelast, en met name om te beslissen of zijn verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden gehandhaafd, gewijzigd dan wel ingetrokken (zie arrest van 16 december 2008, Cartesio, C-210/06, Jurispr. blz. I-9641, punt 96).

32

Daaruit volgt dat het Hof zich in een situatie als in het hoofdgeding – tevens met het oog op de duidelijkheid en omwille van de rechtszekerheid – gebonden moet achten, met alle consequenties van dien, aan de beslissing waarbij de prejudiciële verwijzing is gelast, zolang deze niet is ingetrokken of gewijzigd door de rechter die haar heeft genomen, en dat alleen laatstbedoelde rechter over een dergelijke intrekking of wijziging kan beslissen (zie reeds aangehaald arrest Cartesio, punt 97).

33

Slechts indien de rechterlijke instantie in hoger beroep overeenkomstig het toepasselijke nationale procesrecht zou beslissen om de weigering van de verwijzende rechterlijke instantie om, kennis te nemen van het feit dat de verzoekende partij in het hoofdgeding afstand van instantie heeft gedaan, te vernietigen en de intrekking van het door deze rechterlijke instantie ingediende prejudiciële verzoek te gelasten, zou het Hof kunnen overwegen om consequenties te trekken uit de beslissing van de rechterlijke instantie in hoger beroep door de zaak eventueel te schrappen van de rol van het Hof, na in voorkomend geval de opmerkingen van de verwijzende rechterlijke instantie hierover te hebben ingewonnen (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 25 september 2013, BNP Paribas Personal Finance en Facet, C‑564/12, punten 1‑5).

34

Vastgesteld moet worden dat in de onderhavige zaak het Hof evenwel niet door de verwijzende rechter, noch door een andere rechter, in de zin van artikel 267 VWEU, is geïnformeerd over een dergelijke beslissing van de Krajsky súd v Prešove.

35

Gelet op het voorgaande dienen de prejudiciële vragen te worden beantwoord.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

36

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 93/13, en met name de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 ervan, junctis de artikelen 38 en 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het een vereniging voor consumentenbescherming niet is toegestaan te interveniëren aan de zijde van een bepaalde consument in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure tot tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis.

37

Dienaangaande blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat, in het hoofdgeding, Združenie HOOS wenst te worden toegelaten tot interventie in de door Pohotovost’ tegen Vašuta gevoerde tenuitvoerleggingsprocedure, met name omdat zij van mening is dat de Okresný súd Svidník met zijn beslissing om de procedure van tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis enkel voor een gedeelte van de schuldvordering op te schorten en die tenuitvoerlegging voor de rest toe te staan, de consument, in een situatie waarin sprake is van een oneerlijk arbitragebeding, niet ambtshalve voldoende bescherming heeft verleend, en geen rechtsgevolgen heeft verbonden aan het ontbreken van de vermelding van het jaarlijks kostenpercentage in de consumentenkredietovereenkomst. Laatstgenoemde beslissing is met name niet in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de reeds aangehaalde beschikking Pohotovost’.

38

Ook is gebleken dat een vereniging voor consumentenbescherming krachtens § 93, lid 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kan worden toegelaten als interveniërende partij in een materieelrechtelijk geding waarbij een consument betrokken is. Met betrekking tot tenuitvoerleggingsprocedures waarbij een consument betrokken is, staat het wetboek van tenuitvoerlegging daarentegen niet toe – op grond van de rechtspraak van de Najvyšší súd Slovenskej republiky en de Ústavný súd Slovenskej republiky – dat een dergelijke vereniging wordt toegelaten tot interventie, of het nu gaat om de tenuitvoerlegging van een vonnis van een nationale rechter dan wel om een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis als aan de orde in het hoofdgeding.

39

Volgens vaste rechtspraak berust het door richtlijn 93/13 uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arresten van 27 juni 2000, Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, C-240/98-C-244/98, Jurispr. blz. I-4941, punt 25; 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C-168/05, Jurispr. blz. I-10421, punt 25, en reeds aangehaalde beschikking Pohotovost’, punt 37).

40

Teneinde de door deze richtlijn beoogde bescherming te waarborgen, heeft het Hof herhaaldelijk vastgesteld dat de situatie van ongelijkheid tussen consument en verkoper enkel kan worden verholpen door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om (reeds aangehaalde arresten Océano Grupo Editorial en Salvat Editores, punt 27; Mostaza Claro, punt 26, en Asturcom Telecomunicaciones, punt 31, alsmede reeds aangehaalde beschikking Pohotovost’, punt 39).

41

In dit verband moet de bevoegdheid van de rechter om ambtshalve te toetsen of een beding oneerlijk is, worden beschouwd als een geschikt middel, zowel ter bereiking van het in artikel 6 van richtlijn 93/13 beoogde resultaat, te weten verhinderen dat de individuele consument door een oneerlijk beding wordt gebonden, als om de verwezenlijking van het doel van artikel 7 daarvan te bevorderen, aangezien van een dergelijke toetsing een afschrikkende werking kan uitgaan die ertoe bijdraagt dat het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten wordt gestaakt (arrest van 21 november 2002, Cofidis, C-473/00, Jurispr. blz. I-10875, punt 32; reeds aangehaald arrest Mostaza Claro, punt 27, en reeds aangehaalde beschikking Pohotovost’, punt 41).

42

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 55 en 56 van zijn conclusie, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale rechter die, zoals in de procedure in het hoofdgeding, kennisneemt van een vordering tot gedwongen tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis, positief ingrijpt buiten de partijen bij de overeenkomst om, teneinde, zoals voorzien in die richtlijn, de tussen de consument en de verkoper bestaande situatie van ongelijkheid te compenseren. Deze rechter moet immers, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt, ambtshalve beoordelen of de contractuele bedingen die de grondslag vormen voor de in dat vonnis vastgestelde schuldvordering oneerlijk zijn, wanneer hij op grond van de nationale procesregels ambtshalve, in het kader van een vergelijkbare tenuitvoerleggingsprocedure, dient te onderzoeken of een arbitragebeding in strijd is met nationale voorschriften van openbare orde (zie in die zin arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM, C-243/08, Jurispr. blz. I-4713, punt 32, en reeds aangehaald arrest Asturcom Telecomunicaciones, punt 53, alsmede reeds aangehaalde beschikking Pohotovost’, punt 51).

43

Aangaande de rol die verenigingen voor consumentenbescherming kunnen spelen, zij opgemerkt dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten verplicht erop toe te zien dat er doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (arrest van 26 april 2012, Invitel, C‑472/10, punt 35). Dienaangaande volgt uit artikel 7, lid 2, van die richtlijn dat deze middelen de mogelijkheid omvatten voor personen of organisaties die een legitiem belang hebben bij de bescherming van de consument, om zich tot de rechter te wenden teneinde te doen vaststellen of de bedingen die zijn opgesteld met het oog op een algemeen gebruik, oneerlijk zijn en, in voorkomend geval, het gebruik ervan te laten verbieden (zie arrest van 24 januari 2002, Commissie/Italië, C-372/99, Jurispr. blz. I-819, punt 14, en reeds aangehaald arrest Invitel, punt 36).

44

De preventieve aard van verbodsacties en het daarmee nagestreefde doel van afschrikking, alsook het feit dat zij losstaan van elk individueel concreet conflict, impliceren dat dergelijke acties zelfs kunnen worden ingesteld wanneer de bedingen waarvan het verbod wordt gevorderd, niet in een concrete overeenkomst zijn gebruikt (zie arrest Commissie/Italië, reeds aangehaald, punt 15, en arrest Invitel, punt 37).

45

Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 62 van zijn conclusie, moet evenwel worden vastgesteld dat noch richtlijn 93/13, noch de daaropvolgende richtlijnen, die de regeling inzake consumentenbescherming vervolledigen, bepalingen bevatten die de rol regelen welke aan verenigingen voor consumentenbescherming in individuele gedingen waarbij een consument is betrokken, kan of moet worden toegekend. Derhalve bevat richtlijn 93/13 geen regeling voor de vraag of dergelijke verenigingen gerechtigd zouden moeten zijn om in het kader van dergelijke gedingen te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de consument.

46

Hieruit volgt dat bij gebreke van Unieregelgeving inzake de mogelijkheid voor verenigingen voor consumentenbescherming om te interveniëren in individuele gedingen waarbij consumenten zijn betrokken, het aan het nationale recht van elke lidstaat staat om – krachtens het beginsel van procedurele autonomie – dergelijke regelgeving vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat zij niet ongunstiger is dan de voorwaarden die gelden voor vergelijkbare, onder het nationale recht vallende situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel).

47

Wat in de eerste plaats het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, dit vereist dat de betrokken nationale bepaling gelijkelijk van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het Unierecht, en op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht en eenzelfde onderwerp en oorzaak hebben (zie met name arrest van 29 oktober 2009, Pontin, C-63/08, Jurispr. blz. I-10467, punt 45).

48

Om na te gaan of in de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak het gelijkwaardigheidsbeginsel is geëerbiedigd, staat het aan die rechterlijke instantie, die als enige rechtstreeks bekend is met de procedurevoorschriften voor beroepen in zijn nationale rechtsorde, om zowel het voorwerp als de voornaamste kenmerken te onderzoeken van vorderingen op basis van nationaal recht waarvan wordt gesteld dat het vergelijkbare vorderingen zijn. Voor de beoordeling waartoe de nationale rechter zal moeten overgaan, kan het Hof hem echter bepaalde gegevens betreffende de uitlegging van het Unierecht verschaffen.

49

Dienaangaande blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat § 37, lid 1, van het wetboek van tenuitvoerlegging, zoals de advocaat-generaal in punt 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de interventie uitsluit van elke derde in elke procedure van tenuitvoerlegging van een beslissing van een nationale rechter of van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis, ongeacht of deze interventie is gebaseerd op schending van het Unierecht of schending van het nationale recht.

50

In deze omstandigheden kan niet worden gesteld dat een dergelijke regeling het gelijkwaardigheidsbeginsel schendt wanneer zij niet voorziet in de mogelijkheid om een vereniging voor consumentenbescherming toe te laten tot interventie in een procedure van tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis als aan de orde in het hoofdgeding.

51

Wat in de tweede plaats het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dient erop te worden gewezen dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van die bepaling in de gehele procedure, en van het verloop en de bijzondere kenmerken ervan, voor de verschillende nationale instanties. Daartoe moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (zie arrest van 5 december 2013, Asociación de Consumidores Independientes de Castilla y León, C‑413/12, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

Dienaangaande bepaalt artikel 38 van het Handvest dat in het beleid van de Unie zorg wordt gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming. Dit gebod geldt voor de uitvoering van richtlijn 93/13. Aangezien deze richtlijn evenwel geen bepaling bevat die voorziet in een recht voor verenigingen voor consumentenbescherming om te interveniëren in individuele gedingen waarbij consumenten zijn betrokken, kan artikel 38 van het Handvest op zichzelf niet verplichten tot een uitlegging van deze richtlijn in die zin dat daarin dit recht van interventie wordt erkend.

53

Deze vaststelling kan ook worden verricht voor de bepalingen van artikel 47 van het Handvest, dat betrekking heeft op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, hetgeen impliceert dat rechtsbijstand wordt geboden aan hen die niet beschikken over voldoende middelen, indien die bijstand nodig is om de doeltreffendheid van de toegang tot een rechter te verzekeren. Aangezien diezelfde richtlijn de nationale rechter aan wie een geding is voorgelegd waarbij een verkoper en een consument betrokken zijn, verplicht – buiten de partijen bij de overeenkomst om – tot een positief ingrijpen, kan in elk geval niet worden gesteld dat de weigering om een vereniging toe te laten tot interventie aan de zijde van een bepaalde consument, een schending vormt van het recht van die consument op een doeltreffende voorziening in rechte zoals door dat artikel wordt gegarandeerd. Bovendien kan de interventie van een vereniging voor consumentenbescherming ook niet worden gelijkgesteld met de rechtsbijstand die ingevolge voornoemd artikel in bepaalde gevallen moet worden verleend aan hen die niet beschikken over voldoende middelen.

54

Wat de mogelijkheid betreft dat een vereniging voor consumentenbescherming zich in deze context beroept op voornoemd artikel 47, moet worden vastgesteld dat de weigering om die interventie toe te laten in een procedure waarin een consument is betrokken, geen afbreuk doet aan het recht van deze vereniging op een doeltreffende voorziening in rechte bij de bescherming van de rechten die aan haar zijn verleend als consumentenvereniging, welke rechten met name bestaan in het recht van collectief beroep dat zij ontleent aan artikel 7, lid 2, van richtlijn 93/13.

55

Voor het overige kan bovendien krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, een vereniging een dergelijke consument in elke procedure, met inbegrip van de tenuitvoerleggingsprocedure, in diens opdracht rechtstreeks vertegenwoordigen.

56

Uit het voorgaande volgt dat een nationale regeling zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan een vereniging voor consumentenbescherming niet kan interveniëren in een tenuitvoerleggingsprocedure van een rechterlijke beslissing of van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis, niet indruist tegen het doeltreffendheidsbeginsel.

57

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 93/13, en met name de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 ervan, junctis de artikelen 38 en 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het een vereniging voor consumentenbescherming niet is toegestaan te interveniëren aan de zijde van een bepaalde consument in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure tot tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis.

Tweede vraag

58

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of § 37, leden 1 en 3, van het wetboek van tenuitvoerlegging aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een nationale rechter krachtens de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 van richtlijn 93/13 een vereniging voor consumentenbescherming erkent als interveniërende partij in een procedure van tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis.

59

In feite wenst de verwijzende rechter met deze vraag te vernemen welke uitlegging kan worden gegeven aan zijn nationale recht.

60

Het Hof kan zich in het kader van een prejudiciële procedure evenwel niet uitspreken over de uitlegging van nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of over de verenigbaarheid daarvan met het Unierecht (zie arresten van 9 september 2003, Jaeger, C-151/02, Jurispr. blz. I-8389, punt 43, en 23 maart 2006, Enirisorse, C-237/04, Jurispr. blz. I-2843, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61

Gelet op het voorgaande dient de tweede vraag niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Kosten

62

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, met name de artikelen 6, lid 1, 7, lid 1, en 8 van deze richtlijn, junctis de artikelen 38 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het een vereniging voor consumentenbescherming niet is toegestaan te interveniëren aan de zijde van een bepaalde consument in een tegen laatstgenoemde gevoerde procedure tot tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan arbitraal vonnis.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Slowaaks.