BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)

10 september 2020 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring – Invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar – Vrijwaringsmaatregelen – Uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 – Procesbevoegdheid – Procesbelang – Verwerping van de exceptie van niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑246/19,

Koninkrijk Cambodja,

Cambodia Rice Federation (CRF), gevestigd te Phnom Penh (Cambodja),

vertegenwoordigd door R. Antonini, E. Monard en B. Maniatis, advocaten,

verzoekers,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan, H. Leupold en E. Schmidt als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 van de Commissie van 16 januari 2019 tot instelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar (PB 2019, L 15, blz. 5),

geeft

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, waarnemend president, D. Spielmann, U. Öberg (rapporteur), R. Mastroianni en R. Norkus, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

I. Voorgeschiedenis van het geding

1

De Cambodia Rice Federation (CRF) is een vereniging die de belangen van de Cambodjaanse rijstindustrie behartigt. In het verzoekschrift dat zij samen met het Koninkrijk Cambodja heeft ingediend, geeft zij aan in casu op te treden namens haar leden, die alle in deze bedrijfstak actief zijn, en voor zichzelf.

2

Sinds begin jaren 70 kent de Europese Unie in het kader van haar schema van algemene tariefpreferenties handelspreferenties aan ontwikkelingslanden toe.

3

De door de Unie op niet-wederzijdse wijze toegekende algemene tariefpreferenties worden opgenomen in een autonome handelsregeling die is opgezet om de ontwikkelingslanden aan te moedigen armoede terug te dringen en goed bestuur en duurzame ontwikkeling te bevorderen door ze te helpen uit internationale handel aanvullende inkomsten te verwerven, zoals staat in overweging 7 van verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB 2012, L 303, blz. 1; hierna: „SAP-verordening”). Bijgevolg fungeert de regeling van de SAP-verordening als een uiting van het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

4

In het kader van de SAP-verordening verleent de Unie de ontwikkelingslanden preferentiële toegang tot haar markt in de vorm van verlaging van de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, dat bestaat uit een algemene regeling en twee bijzondere regelingen. De zogenoemde regeling „Everything But Arms” (hierna: „EBA-regeling”) is een bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen.

5

Om in aanmerking te komen voor de EBA-regeling moet een land door de Verenigde Naties aangemerkt zijn als minst ontwikkeld land (artikel 17 van de SAP-verordening). De lijst van de begunstigde landen van de EBA-regeling bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), van de SAP-verordening is vastgesteld in bijlage IV bij die verordening.

6

Krachtens de EBA-regeling gold voor de invoer in de Unie van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar (hierna: „betrokken product”) krachtens artikel 18, lid 1, van de SAP-verordening een volledige schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

7

Op 16 februari 2018 heeft de Republiek Italië, later ondersteund door andere lidstaten, krachtens artikel 22 en artikel 24, lid 2, van de SAP-verordening bij de Europese Commissie een verzoek tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van het betrokken product ingediend.

8

Artikel 22, lid 1, van de SAP-verordening bepaalt dat wanneer een product van oorsprong uit een begunstigd land van een van de preferentiële regelingen als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de verordening wordt ingevoerd in hoeveelheden en/of tegen prijzen die ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, de normale rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op dat product opnieuw kunnen worden ingesteld.

9

Op 16 maart 2018 heeft de Commissie een vrijwaringsonderzoek met betrekking tot de invoer van het betrokken product ingeleid, teneinde de voor een grondige beoordeling benodigde informatie te verzamelen. Dit onderzoek berust met name op de medewerking van de Cambodjaanse regering, de CRF en bepaalde verwerkers-exporteurs uit Cambodja.

10

Na afloop van het vrijwaringsonderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat het betrokken product werd ingevoerd in hoeveelheden en tegen prijzen die voor de bedrijfstak van de Unie ernstige moeilijkheden veroorzaakten, en daarop besloten om door vaststelling van uitvoeringsverordening (EU) 2019/67 van 16 januari 2019 tot instelling van vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en Myanmar (PB 2019, L 15, blz. 5; hierna: „bestreden verordening”) de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op het betrokken product tijdelijk te herstellen. De Commissie was van mening dat de vrijwaringsmaatregelen moesten worden vastgesteld voor een periode van drie jaar en heeft een geleidelijke verlaging van de toepasselijke rechten ingesteld.

II. Procedure en conclusies van partijen

11

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 april 2019, hebben het Koninkrijk Cambodja en de CRF het onderhavige beroep ingesteld.

12

Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 juni 2019, heeft de Commissie krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.

13

Op 21 augustus 2019 hebben het Koninkrijk Cambodja en de CRF hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.

14

Op 28 februari 2020 heeft het Gerecht een schriftelijke vraag gesteld aan de Commissie bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

15

In het verzoekschrift verzoeken het Koninkrijk Cambodja en de CRF het Gerecht:

de bestreden verordening nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

16

In de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de Commissie het Gerecht:

het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

het Koninkrijk Cambodja en de CRF te verwijzen in de kosten.

17

In haar opmerkingen betreffende de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoeken het Koninkrijk Cambodja en CRF het Gerecht:

de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;

de bestreden verordening nietig te verklaren;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

18

Overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien de verweerder daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. In dat geval doet het Gerecht krachtens artikel 130, lid 7, van het Reglement zo spoedig mogelijk uitspraak op het verzoek of voegt het onderzoek daarvan, indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, met de zaak ten gronde.

19

Aangezien de Commissie in casu heeft verzocht om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid, beslist het Gerecht, dat zich voldoende voorgelicht acht door de stukken in het procesdossier, om op dat verzoek uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

20

Ter ondersteuning van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Commissie primair aan dat het Koninkrijk Cambodja en de CFR niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor procesbevoegdheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

21

Zonder uitdrukkelijk een standpunt in te nemen over de werkingssfeer van artikel 263, vierde alinea, VWEU met betrekking tot de toepassing ervan op een buitenlandse soevereine staat door de rechterlijke instanties van de Unie, verzoekt de Commissie om te beginnen het Gerecht niettemin de argumenten te onderzoeken die de Raad heeft aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 20 september 2019, Venezuela/Raad (T‑65/18, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2019:649), en meer in het bijzonder de grief dat een derde land niet kan worden beschouwd als een „natuurlijke of rechtspersoon” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

22

Vervolgens stelt de Commissie dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF niet rechtstreeks worden geraakt door de bestreden verordening.

23

In dit verband voert de Commissie ten eerste aan dat de bestreden verordening in Cambodja geen rechtsgevolgen teweegbrengt en dus het Koninkrijk Cambodja en de CRF juridisch gezien niet kan raken.

24

Ten tweede beperkt of verbiedt de bestreden verordening, zelfs indien zij in Cambodja rechtsgevolgen kon sorteren, de uitvoer van Indica-rijst uit Cambodja naar de Unie niet. De Commissie voegt hieraan toe dat de bestreden verordening slechts het gevolg is van de procedurele voorwaarden die door de SAP-verordening zijn vastgesteld en waardoor de voordelen van de EBA-regeling tijdelijk worden opgeschort. Het concurrentienadeel en de negatieve gevolgen voor de uitvoer naar de Unie die de bestreden verordening mogelijkerwijs met zich meebrengt voor het Koninkrijk Cambodja en de CRF, zijn slechts algemeen toepasselijke feitelijke grieven.

25

Ten derde kunnen de rechtsgevolgen van de bestreden verordening volgens de Commissie slechts voortvloeien uit de uitvoering ervan door de douaneautoriteiten van de lidstaten en treden zij enkel in op het niveau van de importeurs in de Unie, die geen partij zijn in het geding.

26

Ten vierde stelt de Commissie dat de bestreden verordening het gebruik van uitvoeringsmaatregelen door de douaneautoriteiten van de lidstaten vereist, zodat die verordening uit zichzelf en zonder uitvoeringsmaatregelen geen enkel concreet rechtsgevolg heeft voor het Koninkrijk Cambodja en de CRF.

27

Ten slotte stelt de Commissie dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF niet individueel worden geraakt door de bestreden verordening.

28

In dit verband betoogt de Commissie in de eerste plaats dat de bestreden verordening een handeling van algemene strekking is, die uitvoeringsmaatregelen vereist en die op identieke wijze alle daadwerkelijke of potentiële importeurs van het betrokken product raakt, en niet het Koninkrijk Cambodja en de CRF individualiseert.

29

In de tweede plaats voert de Commissie aan dat de bestreden verordening moet worden onderscheiden van hybride handelingen zoals de antidumpingverordeningen, die de betrokken marktdeelnemer individualiseren, omdat de bestreden verordening geen enkele individuele beslissing bevat die specifiek duidt op het Koninkrijk Cambodja en de CRF.

30

In de derde plaats betoogt de Commissie dat de bestreden verordening, als handeling van algemene strekking, geen specifieke categorie omschrijft die door die verordening wordt geraakt, en voegt j daaraan toe dat niets erop wijst dat de belangen van het Koninkrijk Cambodja en de CRF samenvallen met die van een categorie.

31

In de vierde plaats betoogt de Commissie dat zelfs al zou er een categorie bestaan waarop de bestreden verordening betrekking heeft, zij niet noodzakelijkerwijs het Koninkrijk Cambodja en de CRF zou omvatten, aangezien niets erop wijst dat deze alle belangen van een dergelijke categorie vertegenwoordigen.

32

In de vijfde plaats betoogt de Commissie dat het enkele feit dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF hebben deelgenomen aan het onderzoek dat aan de vaststelling van de bestreden verordening is voorafgegaan, niet meebrengt dat zij door die verordening worden geïndividualiseerd.

33

Subsidiair stelt de Commissie dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF er geen persoonlijk belang bij hebben om rechtstreeks tegen de bestreden verordening op te komen.

34

In dit verband voert de Commissie aan dat de bestreden verordening niet van toepassing is op het grondgebied van Cambodja, maar op het grondgebied waarvoor het gemeenschappelijk douanetarief van de Unie geldig is, zodat zij geen enkel bindend rechtsgevolg heeft voor de situatie van het Koninkrijk Cambodja en de CRF. De Commissie voegt hieraan toe dat de bestreden verordening de uitvoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie niet verhindert en hooguit theoretische en toekomstige algemene feitelijke schade veroorzaakt in de vorm van een eventuele daling van de verkoop. Aangezien alleen de entiteiten in de Unie rechtsgevolgen van de bestreden verordening ondervinden, berokkent deze verordening geen persoonlijke schade aan het Koninkrijk Cambodja of aan de CRF.

35

Het Koninkrijk Cambodja en de CRF betwisten de argumenten van de Commissie.

A.   Procesbevoegdheid van het Koninkrijk Cambodja en de CRF

36

Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat in de geest van de verdragen rechtstreeks beroep wordt verzekerd tegen alle door de instellingen getroffen bepalingen die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen (zie arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Verdragsbepalingen betreffende het beroepsrecht van de justitiabelen mogen dus niet restrictief worden uitgelegd (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232, en 11 juli 1996, Métropole télévision e.a./Commissie, T‑528/93, T‑542/93, T‑543/93 en T‑546/93, EU:T:1996:99, punt 60).

37

De Unie is immers een rechtsgemeenschap in die zin dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met de Verdragen, die een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven hebben geroepen, waarbij het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is opgedragen (zie in die zin arrest van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punten 23 en 24).

38

Dit beginsel van effectieve rechterlijke bescherming is een algemeen beginsel van Unierecht dat voortvloeit uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en is ook neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (arresten van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C‑93/12, EU:C:2013:432, punt 59, en 5 november 2019, ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a., C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923, punten 55 en 56).

39

Volgens vaste rechtspraak is de ontvankelijkheid van een beroep dat door een natuurlijke of rechtspersoon wordt ingesteld tegen een handeling die niet aan hem is gericht, overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU afhankelijk van de voorwaarde dat hij procesbevoegd is, wat in twee situaties het geval is. Ten eerste kan hij een dergelijk beroep instellen indien de handeling hem rechtstreeks en individueel raakt. Ten tweede kan die persoon beroep instellen tegen een regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt indien deze hem rechtstreeks raakt (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 59 en 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikking van 12 januari 2017, Amrita e.a./Commissie, C‑280/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:9, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 maart 2018, European Union Copper Task Force/Commissie, C‑384/16 P, EU:C:2018:176, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40

In dit verband moet worden opgemerkt dat handelingen tot instelling van vrijwaringsmaatregelen natuurlijke en rechtspersonen rechtstreeks en individueel kunnen raken wanneer zij kunnen aantonen dat hun identiteit blijkt uit de handelingen van de Commissie of wanneer het vooronderzoek hen heeft betroffen (zie naar analogie arresten van 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie, 239/82 en 275/82, EU:C:1984:68, punten 1012; zie ook arresten van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punten 73 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 september 2013, Huvis/Raad, T‑536/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:432, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

De in punt 40 hierboven aangehaalde rechtspraak heeft weliswaar betrekking op verordeningen tot instelling van antidumpingrechten, maar is ook in casu relevant. Er is immers al geoordeeld dat de voorwaarde dat een persoon tegen een verordening slechts beroep kan instellen indien hij niet alleen rechtstreeks maar ook individueel wordt geraakt, gelet op de uiteenlopende situaties die een verzoeker kunnen individualiseren, moet worden uitgelegd in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie in die zin arresten van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, EU:C:2002:462, punt 44; 1 april 2004, Commissie/Jégo-Quéré, C‑263/02 P, EU:C:2004:210, punt 36, en 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 44).

42

Bovendien kunnen volgens de rechtspraak verordeningen tot instelling van vrijwaringsmaatregelen, die weliswaar door hun aard en strekking een normatief karakter hebben in die zin dat zij van toepassing zijn op alle belanghebbende marktdeelnemers, bepaalde natuurlijke of rechtspersonen individueel raken uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (zie arrest van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C‑142/00 P, EU:C:2003:217, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 30 april 2003, VVG International e.a./Commissie, T‑155/02, EU:T:2003:125, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T‑47/00, EU:T:2002:7, punten 34 en 36). Aan een verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen kan dus, net als een verordening houdende instelling van antidumpingrechten, een hybride karakter worden toegekend.

43

Aangezien het Koninkrijk Cambodja en de CRF niet de adressaten van de bestreden verordening zijn, moet in het licht van deze beginselen worden onderzocht of het gaat om natuurlijke of rechtspersonen die door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel worden geraakt.

1. Koninkrijk Cambodja

a) Begrip „natuurlijke of rechtspersoon” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU

44

In antwoord op de vraag die het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft gesteld, heeft de Commissie bevestigd dat zij niet uitdrukkelijk een middel van niet-ontvankelijkheid opwerpt tegen het door het Koninkrijk Cambodja ingestelde beroep dat is gebaseerd op het begrip „natuurlijke of rechtspersoon” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Zij heeft evenwel opgemerkt dat de vraag van de ontvankelijkheid van een zaak voor het Gerecht een vraag van openbare orde was, die in voorkomend geval ambtshalve moest worden opgeworpen.

45

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 263, vierde alinea, VWEU tot doel heeft een passende rechterlijke bescherming te bieden aan alle natuurlijke of rechtspersonen die rechtstreeks en individueel worden geraakt door de handelingen van de instellingen van de Unie (arrest van 10 juni 2009, Polen/Commissie, T‑257/04, EU:T:2009:182, punt 53, en beschikking van 10 juni 2009, Polen/Commissie, T‑258/04, niet gepubliceerd, EU:T:2009:183, punt 61).

46

De voorschriften van artikel 263, vierde alinea, VWEU, moeten op teleologische wijze worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232), zodat het tegen de doelstelling van dit artikel zou indruisen om derde staten in beginsel uit te sluiten van de rechterlijke bescherming die het verleent.

47

Bovendien kunnen derde staten weliswaar geen aanspraak maken op de door het stelsel van de Unie aan de lidstaten verleende toegekende rechtspositie voor de instelling van beroep, maar beschikken zij niettemin ten minste over dezelfde mogelijkheden om in rechte op te treden als het stelsel aan rechtspersonen toekent (arrest van 10 juni 2009, Polen/Commissie, T‑257/04, EU:T:2009:182, punt 52, en beschikking van 10 juni 2009, Polen/Commissie, T‑258/04, niet gepubliceerd, EU:T:2009:183, punt 60; conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Polen/Raad, C‑273/04, EU:C:2007:361, punt 40).

48

Zo is reeds geoordeeld dat voor zover een entiteit rechtspersoonlijkheid heeft, deze in beginsel een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU kan instellen (zie in die zin beschikking van 1 oktober 1997, Regione Toscana/Commissie, C‑180/97, EU:C:1997:451, punten 1012, en 22 november 2001, Nederlandse Antillen/Raad, C‑452/98, EU:C:2001:623, punt 51).

49

Bovendien sluit noch artikel 263, vierde alinea, VWEU, noch enige andere bepaling van primair recht derde staten uit van het recht om een beroep tot nietigverklaring in te stellen ((zie in die zin arresten van 16 juli 2014, National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:678, punt 36, en 18 september 2015, Iran Liquefied Natural Gas/Raad, T‑5/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:644, punt 48).

50

Bij gebrek aan een uitsluiting in de tekst van de Verdragen kan een derde land, dat zowel volgens het internationale als volgens het nationale recht rechtspersoonlijkheid heeft, dus niet worden belet om een handeling van de Unie voor het Gerecht te betwisten indien aan de vereiste voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU is voldaan.

51

Bijgevolg moet de uitdrukking „iedere natuurlijke of rechtspersoon” in artikel 263, vierde alinea, VWEU aldus worden opgevat dat zij ook ziet op staten die geen lid zijn van de Unie, zoals het Koninkrijk Cambodja.

b) Rechtstreeks geraakt zijn

52

Wat het begrip „rechtstreeks geraakt zijn” betreft, moet worden vastgesteld dat een natuurlijke of rechtspersoon door het bestreden besluit rechtstreeks wordt geraakt wanneer is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden, namelijk dat de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de natuurlijke of rechtspersoon en voorts aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit, zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (zie arrest van 4 december 2019, Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo/Commissie, C‑342/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1043, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53

In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat teneinde te bepalen of een handeling rechtsgevolgen in het leven roept, moet worden aangeknoopt bij het voorwerp, de inhoud, de kern, de strekking en de gevolgen ervan, of zelfs bij de juridische en feitelijke context waarin de handeling tot stand is gekomen, en niet bij de aard, de vorm, de benaming, de materiële drager of de ondertekenaar ervan (zie beschikking van 8 maart 2012, Octapharma Pharmazeutika/EMA, T‑573/10, EU:T:2012:114, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54

In casu verleent artikel 22, lid 1, van de SAP-verordening de lidstaten alsmede bepaalde derden de mogelijkheid om de aandacht van de Commissie te vestigen op het bestaan van omstandigheden waardoor het noodzakelijk zou kunnen worden vrijwaringsmaatregelen vast te stellen.

55

De bestreden verordening, die is vastgesteld op basis van artikel 22, lid 1, van de SAP-verordening, stelt vrijwaringsmaatregelen in ter beperking van de ernstige moeilijkheden die de uitvoer van Indica-rijst uit Cambodja voor de bedrijfstak van de Unie heeft veroorzaakt.

56

Uit artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening blijkt dat deze tot doel heeft de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja, die concurreert met gelijksoortige of rechtstreeks concurrerende producten die in de Unie worden verhandeld, tijdelijk opnieuw in te stellen. Volgens artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening bedraagt het recht dat van toepassing is op Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja 175 EUR per ton voor het eerste jaar, 150 EUR per ton voor het tweede jaar en 125 EUR per ton voor het derde jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de bestreden verordening. Artikel 1, lid 3, van deze verordening bepaalt ook welk recht van toepassing is in geval van aanpassing van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

57

Volgens de door het Koninkrijk Cambodja en de CRF verstrekte en door de Commissie niet betwiste informatie maakt de uitvoer van Indica-rijst van Cambodja naar de Unie een aanzienlijk deel uit van de totale uitvoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja, namelijk tussen 50 en 70 %. De Commissie heeft er in overweging 28 van de bestreden verordening ook op gewezen dat Cambodja aan het einde van het onderzoektijdvak 25 % van de totale invoer van het betrokken product in de Unie vertegenwoordigde. Derhalve moet worden opgemerkt dat de bestreden verordening de economische situatie van Cambodja aanzienlijk kan beïnvloeden. In overweging 84 van de bestreden verordening heeft de Commissie bovendien erkend dat de toepassing van alle rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op Cambodja de uitvoer vanuit dat land lastiger maakte.

58

Het is juist dat reeds is geoordeeld dat de loutere omstandigheid dat een handeling van invloed kan zijn op de materiële situatie van een verzoekende partij, niet voldoende is om aan te nemen dat deze daardoor rechtstreeks wordt geraakt en dat alleen wanneer sprake is van specifieke omstandigheden een justitiabele volgens wie de handeling zijn positie op de markt beïnvloedt, beroep kan instellen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU (arresten van 10 december 1969, Eridania e.a./Commissie, 10/68 en 18/68, EU:C:1969:66, punt 7, en 18 oktober 2018, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Commissie, T‑364/16, EU:T:2018:696, punt 40).

59

Het Gerecht herinnert eraan dat de bestreden verordening is vastgesteld op basis van de SAP-verordening. Zoals de Commissie in overweging 82 van de bestreden verordening heeft benadrukt, is het hoofddoel van de SAP-verordening om ontwikkelingslanden bij te staan in hun streven om de armoede terug te dringen en goed bestuur en duurzame ontwikkeling te bevorderen door ze te helpen in het bijzonder werkgelegenheid en industrialisatie te genereren en uit internationale handel aanvullende inkomsten te verwerven. Via de EBA-regeling worden de armste en zwakste landen ter wereld, waartoe Cambodja volgens de SAP-verordening behoort, die kwetsbaar zijn vanwege een lage, niet-gediversifieerde uitvoerbasis, geholpen te profiteren van handelsmogelijkheden en wordt de minst geavanceerde landen een preferentiële toegang tot de markt van de Unie verleend, e in de vorm van een volledige schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

60

De bestreden verordening maakt tijdelijk een einde aan de preferentiële toegang tot de markt van de Unie voor het Koninkrijk Cambodja als land dat is opgenomen in bijlage IV bij de SAP-verordening, waarin de in artikel 1, lid 2, onder c), van de SAP-verordening bedoelde lijst van onder de EBA-regeling vallende landen is opgenomen. De vaststelling van vrijwaringsmaatregelen wijzigt dus zowel de juridische als de economische voorwaarden waaronder Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja op de markt van de Unie wordt verhandeld. Bijgevolg wordt de rechtspositie van het Koninkrijk Cambodja rechtstreeks en wezenlijk geraakt.

61

De bestreden verordening roept dus rechtstreeks rechtsgevolgen voor het Koninkrijk Cambodja in het leven, aangezien de Commissie met deze verordening de rechtspositie van het Koninkrijk Cambodja heeft gewijzigd als land dat in aanmerking kwam voor een volledige schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

62

Bijgevolg moeten de argumenten van de Commissie dat de bestreden verordening geen enkel rechtsgevolg voor het Koninkrijk Cambodja in het leven roept en de uitvoer van Indica-rijst van Cambodja naar de Unie niet beïnvloedt, worden afgewezen.

63

Ook moet het argument van de Commissie worden afgewezen dat het Koninkrijk Cambodja niet rechtstreeks in zijn rechtspositie wordt geraakt omdat de bij de bestreden verordening ingevoerde vrijwaringsmaatregelen uitsluitend van toepassing zijn op in de Unie gevestigde importeurs. Hoewel de bestreden verordening inderdaad maatregelen noemt die in de eerste plaats op die importeurs van toepassing zijn, hebben deze maatregelen tot gevolg dat de Cambodjaanse Staat rechtstreeks wordt geraakt, aangezien die staat, zoals in de punten 57, 59 en 61 hierboven is aangegeven, in zijn economische activiteit wordt beperkt doordat die maatregelen op hem worden toegepast.

64

Het spreekt voor zich dat het aan de in de Unie gevestigde importeurs is om die maatregelen toe te passen, aangezien de door de instellingen van de Unie vastgestelde handelingen in beginsel niet bedoeld zijn om buiten het grondgebied van de Unie te worden toegepast. Desondanks kunnen de entiteiten waarop de bestreden verordening invloed heeft rechtstreeks worden geraakt door de jegens hen toegepaste vrijwaringsmaatregelen. Het feit dat de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief tijdelijk opnieuw worden ingesteld voor de invoer van het betrokken product in de Unie komt immers neer op het beperken van de toegang van de markt van de Unie voor bepaalde entiteiten waaronder het Koninkrijk Cambodja, dat daarvoor een preferentiële toegang tot de markt van de Unie genoot via een bijzonder stelsel van tariefpreferenties (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 september 2018, Almaz-Antey/Raad, T‑515/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:545, punt 65).

65

Er zij bovendien aan herinnerd dat het enkele feit dat het Koninkrijk Cambodja de op de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie toepasselijke rechten niet betaalt omdat deze rechten worden betaald door de importeurs in de Unie, niet toelaat te concluderen dat de bestreden verordening geen enkel rechtsgevolg voor zijn situatie in het leven roept (zie in die zin en naar analogie arresten van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, EU:C:1985:119, punten 1216, en 3 mei 2018, Distillerie Bonollo e.a./Raad, T‑431/12, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:251, punten 61 en 62).

66

In de tweede plaats zij opgemerkt dat niet op basis van de enkele omstandigheid dat voor de toepassing van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd een nationale uitvoeringsmaatregel wordt genomen, kan worden uitgesloten dat een verzoekende partij rechtstreeks wordt geraakt door de betreffende handeling, voor zover echter de lidstaat die is belast met de uitvoering ervan over geen enkele zelfstandige beoordelingsbevoegdheid beschikt (zie in die zin arrest van 5 oktober 2005, Land Oberösterreich en Oostenrijk/Commissie, T‑366/03 en T‑235/04, EU:T:2005:347, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67

Wanneer de lidstaat die belast is met de uitvoering van de bestreden handeling over geen enkele zelfstandige beoordelingsbevoegdheid beschikt, heeft de nationale beslissing immers een automatisch karakter en moet de rechtspositie van de verzoekende partij worden geacht rechtstreeks geraakt te zijn door de bestreden handeling (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68

Dienaangaande is het Gerecht van oordeel dat de bestreden verordening, gelet op de bewoordingen van artikel 1, leden 1 tot en met 3, ervan, aan de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge laat wat de betrokken heffing en de hoogte van het bedrag van het toepasselijk recht voor Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja betreft (zie in die zin arrest van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T‑480/93 en T‑483/93, EU:T:1995:162, punt 63), zodat de tweede voorwaarde voor de rechtstreekse geraaktheid ook is vervuld.

69

Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat het Koninkrijk Cambodja door de bestreden verordening rechtstreeks wordt geraakt.

c) Individueel geraakt zijn

70

Wat het begrip „individuele geraakt zijn” van artikel 263, vierde alinea, VWEU betreft, kan een natuurlijke of rechtspersoon slechts worden geacht individueel te zijn geraakt door een handeling van algemene strekking die door een instelling van de Unie is vastgesteld, indien hij door de betrokken handeling in zijn rechtspositie wordt geraakt uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een dergelijk besluit (arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232, en 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, EU:C:1994:197, punt 20; zie ook arrest van 10 april 2003, Commissie/Nederlandse Antillen, C‑142/00 P, EU:C:2003:217, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71

Uit de in de punten 40 tot en met 42 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat het normatieve karakter van een bestreden handeling niet uitsluit dat zij bepaalde belanghebbende rechtspersonen of natuurlijke personen rechtstreeks en individueel kan raken (arrest van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C‑309/89, EU:C:1994:197, punt 19; zie ook arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T‑480/93 en T‑483/93, EU:T:1995:162, punt 66).

72

Anders dan de Commissie stelt, betekent het feit dat de bestreden verordening beoogt de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief opnieuw in te stellen ten aanzien van alle invoer van het betrokken product naar de Unie, dus niet dat het voor bepaalde natuurlijke of rechtspersonen de facto onmogelijk is om door die verordening individueel te worden geraakt.

73

Gelet op de in punt 42 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak moet ook het argument van de Commissie worden verworpen waarmee zij beoogt uit te sluiten dat een verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen, zoals de in casu bestreden verordening, op dezelfde wijze als de antidumping- en antisubsidieverordeningen hybride van aard kan zijn.

74

Aangezien de bestreden verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen een algemene strekking heeft, moet worden vastgesteld dat die, zoals de Commissie terecht stelt, op elke persoon die bereid en in staat is het betrokken product naar de Unie uit te voeren, kan worden toegepast. Dat betekent echter niet dat bepaalde natuurlijke of rechtspersonen in bepaalde omstandigheden door die verordening niet individueel kunnen worden geraakt en uit dien hoofde niet onder een bepaalde categorie kunnen vallen.

75

Zo kan het feit dat een persoon intervenieert in de procedure die leidt tot de vaststelling van de Uniehandeling, deze persoon individualiseren ten opzichte van de betreffende handeling, hetgeen noodzakelijkerwijze impliceert dat deze handeling voor hem bindende rechtsgevolgen in het leven roept wanneer de toepasselijke Unieregeling hem bepaalde procedurele waarborgen verleent (zie in die zin arresten van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie, 191/82, EU:C:1983:259, punt 31; 17 januari 2002, Rica Foods/Commissie, T‑47/00, EU:T:2002:7, punt 55, en beschikking van 14 december 2005, Arizona Chemical e.a./Commissie, T‑369/03, EU:T:2005:458, punt 72).

76

Bovendien moet de rechtsbescherming die een natuurlijke of rechtspersoon ingevolge artikel 263, vierde alinea, VWEU geniet, worden vastgesteld op basis van het specifieke karakter van de situatie van die persoon ten opzichte van ieder ander betrokken persoon. Aldus is bij de vaststelling wie individueel worden geraakt door een besluit waarbij een vrijwaringsmaatregel wordt ingesteld, de rechtsbescherming die door het Unierecht wordt verleend aan het land of gebied en aan de belanghebbende ondernemingen ten aanzien waarvan de vrijwaringsmaatregel is genomen doorslaggevend (zie in die zin arrest van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C‑390/95 P, EU:C:1999:66, punt 28).

77

Ook het feit dat specifieke bepalingen de Commissie verplichten rekening te houden met de gevolgen die de door haar voorgenomen handeling kan hebben voor de situatie van bepaalde natuurlijke of rechtspersonen, kan deze laatste individualiseren (zie in die zin arrest van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T‑480/93 en T‑483/93, EU:T:1995:162, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78

In casu wordt het Koninkrijk Cambodja uitdrukkelijk en specifiek in de bestreden verordening genoemd. In de titel van de bestreden verordening wordt het immers bij naam genoemd als land ten aanzien waarvan de vrijwaringsmaatregelen worden ingesteld.

79

Wat de procedurele waarborgen betreft die het Koninkrijk Cambodja geniet als land waartegen de vrijwaringsmaatregelen zijn genomen, moet worden vastgesteld dat artikel 22, lid 4, van de SAP-verordening bepaalt dat de Commissie wordt gemachtigd gedelegeerde handelingen vast te stellen, teneinde regels vast te stellen voor de procedure voor de vaststelling van algemene vrijwaringsmaatregelen, met name inzake de rechten van de partijen.

80

Op basis hiervan is gedelegeerde verordening (EU) nr. 1083/2013 van de Commissie van 28 augustus 2013 tot vaststelling van regels voor de procedure voor tijdelijke intrekking van tariefpreferenties en voor instelling van algemene vrijwaringsmaatregelen in het kader van de SAP-verordening (PB 2013, L 293, blz. 16; hierna: „gedelegeerde verordening”) vastgesteld.

81

De bij de gedelegeerde verordening vastgestelde procedureregels kennen een aantal rechten en procedurele waarborgen toe aan het EBA-begunstigde land en aan de „belanghebbende partijen”, die in artikel 22, lid 3, van de SAP-verordening worden gedefinieerd als partijen die betrokken zijn bij de productie, de distributie en/of de verkoop van de invoer uit een land dat onder een van de preferentiële regelingen valt, en van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten.

82

Het Koninkrijk Cambodja is niet alleen EBA-begunstigd land maar heeft ook de hoedanigheid van „belanghebbende partij”. Uit overweging 19 van de bestreden verordening blijkt immers dat de Commissie de Cambodjaanse overheid heeft opgenomen in de lijst van „belanghebbende partijen” die na de mededeling van feiten en overwegingen van de Commissie opmerkingen hebben gemaakt.

83

Zo bepaalt de gedelegeerde verordening dat het Koninkrijk Cambodja, als EBA-begunstigd land, en alle andere belanghebbende partijen het recht hebben in kennis te worden gesteld van de opening van het onderzoek en de volledige tekst van de schriftelijke klacht te ontvangen (artikel 10, lid 2, van de gedelegeerde verordening). In het stadium van het onderzoek is de Commissie verplicht de opmerkingen van de belanghebbende partijen in aanmerking te nemen voor zover zij door voldoende bewijsmateriaal zijn gestaafd (artikel 11, lid 2, van de gedelegeerde verordening). Later, wanneer de Commissie de voornaamste overwegingen verstrekt op grond waarvan zij haar besluit neemt, kunnen diezelfde partijen ook hun opmerkingen indienen, waarmee de Commissie rekening houdt (artikel 17, leden 3 en 5, van de gedelegeerde verordening).

84

Het Koninkrijk Cambodja, als EBA-begunstigd land, en alle andere belanghebbende partijen hebben bovendien op schriftelijk verzoek recht op inzage in het dossier dat de Commissie na de opening van het onderzoek heeft samengesteld. Zij krijgen inzage in alle in het dossier opgenomen informatie en mogen daarover opmerkingen maken. Met hun opmerkingen wordt rekening gehouden indien deze met voldoende bewijsmateriaal worden gestaafd (artikel 14, lid 2, van de gedelegeerde verordening). Deze verordening verleent het EBA-begunstigde land en de belanghebbende partijen ook het recht om door de Commissie te worden gehoord (artikel 15, lid 1, van de gedelegeerde verordening), en om te vragen dat de raadadviseur-auditeur wordt ingeschakeld (artikel 16, lid 1, van de gedelegeerde verordening).

85

Wat de actieve deelname van het Koninkrijk Cambodja aan de onderzoeksprocedure betreft, staat vast dat het Koninkrijk Cambodja heeft geïntervenieerd in de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. In overweging 19 van de bestreden verordening verwijst de Commissie immers naar de opmerkingen die de Cambodjaanse regering als belanghebbende heeft ingediend. Andere verwijzingen naar de actieve deelname van het Koninkrijk Cambodja of de Cambodjaanse overheid aan het onderzoek van de Commissie worden in de overwegingen 34, 41, 52, 72 en 73 van de bestreden verordening vermeld.

86

Hoewel de loutere actieve deelname aan het onderzoek op zich geen voldoende voorwaarde is om de individuele geraaktheid van een natuurlijke of rechtspersoon te beoordelen, is zij niet irrelevant. De actieve deelname van de verzoeker aan de onderzoeksprocedure, bijvoorbeeld door het verschaffen van informatie en de indiening van schriftelijke opmerkingen, is een relevant gegeven om te bepalen of deze al dan niet individueel is geraakt (zie in die zin arresten van 16 april 2015, TMK Europe, C‑143/14, EU:C:2015:236, punten 2426, en 11 juli 1996, Sinochem Heilongjiang/Raad, T‑161/94, EU:T:1996:101, punt 47).

87

Wat de noodzaak betreft om rekening te houden met de gevolgen van de bestreden verordening voor de situatie van het Koninkrijk Cambodja, stelt het Gerecht vast dat, zoals blijkt uit de punten 56 tot en met 59 hierboven, de bestreden verordening, door de bescherming die het Koninkrijk Cambodja krachtens de SAP-verordening genoot tijdelijk op te schorten, het Koninkrijk Cambodja aanzienlijke economische schade kan berokkenen, gelet op het belang dat de uitvoer van Indica-rijst naar de Unie voor de economie van dat land vertegenwoordigt.

88

De Commissie zelf heeft de doelstelling van de SAP-verordening aangevoerd als rechtvaardigingsgrond voor een geleidelijke liberalisatie van de vrijwaringsmaatregelen gedurende de periode van drie jaar, en heeft dus geoordeeld dat een geleidelijke vermindering van de toepasselijke rechten zou moeten volstaan voor de bedrijfstak van de Unie om de verslechtering van de economische en financiële situatie tegen te gaan (overwegingen 81‑85 van de bestreden verordening).

89

Het Gerecht leidt uit het voorgaande af dat de Commissie zich bij de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen, voor zover de omstandigheden van het geval dit toelaten, op de hoogte moet stellen van de negatieve gevolgen die haar besluit mogelijk heeft voor de economie van het Koninkrijk van Cambodja als EBA-begunstigd land, alsmede voor de belanghebbende partijen, en verbindt daaraan de conclusie dat zij wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, moeten worden geacht individueel te zijn geraakt doordat zij deel uitmaken van een beperkte kring van natuurlijke en rechtspersonen die door de Commissie waren geïdentificeerd of geïdentificeerd konden worden en die in het bijzonder door de bestreden verordening werden getroffen (zie in die zin arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki/Commissie, 11/82, EU:C:1985:18, punten 28 en 31, en 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C‑390/95 P, EU:C:1999:66, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90

De verplichting van de Commissie om rekening te houden met de bijzondere situatie van het Koninkrijk Cambodja wordt versterkt door de vaststelling dat het treffen van vrijwaringsmaatregelen op grond van artikel 26 van de SAP-verordening afbreuk doet aan en afwijkt van een vrijheid van uitvoer die voortvloeit uit de aan het Koninkrijk Cambodja op grond van de SAP-verordening verleende preferentiële toegang tot de markt van de Unie.

91

Wanneer een besluit een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld, waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van de groep, kunnen deze personen door deze handeling individueel zijn geraakt voor zover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers, en dit kan met name het geval zijn wanneer het besluit de rechten aantast die deze persoon vóór de vaststelling ervan heeft verworven (zie arrest van 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C‑132/12 P, EU:C:2014:100, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu maakt het Koninkrijk Cambodja deel uit van een gesloten categorie, als EBA-begunstigd land, dat geïdentificeerd wordt in de bestreden verordening, actief heeft deelgenomen aan de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, en ten aanzien waarvan de gevolgen van de vrijwaringsmaatregelen in aanmerking zijn genomen om de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vast te stellen.

92

Uit de punten 79 tot en met 91 hierboven volgt dat het Koninkrijk Cambodja zich bevindt in een situatie die wordt gekarakteriseerd ten opzichte van iedere andere persoon.

93

Zonder dat hoeft te worden nagegaan of de bestreden verordening een regelgevingshandeling is die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt in de zin van de tweede hypothese van de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak, moet dus worden geconcludeerd dat het Koninkrijk Cambodja individueel wordt geraakt door de bestreden verordening en dus procesbevoegdheid heeft in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU.

2. CRF

94

Hoewel uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer er sprake is van één enkel beroep dat door verschillende verzoekende partijen is ingediend en voor een van hen de procesbevoegdheid is aangetoond, de procesbevoegdheid voor de anderen niet meer dient te worden onderzocht (zie in die zin arresten van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C‑313/90, EU:C:1993:111, punt 31, en 9 juli 2007, Sun Chemical Group e.a./Commissie, T‑282/06, EU:T:2007:203, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), beslist het Gerecht niettemin ten overvloede de ontvankelijkheid van het beroep van CRF te onderzoeken.

95

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat door de rechtspraak is erkend dat door verenigingen ingestelde beroepen ontvankelijk zijn in drie duidelijk omschreven gevallen. Ten eerste gaat het om het geval waarin een wetsvoorschrift de beroepsverenigingen uitdrukkelijk een reeks procedurele bevoegdheden toekent, ten tweede wanneer de vereniging belangen vertegenwoordigt van ondernemingen die zelf procesbevoegd zijn en, ten derde, wanneer de vereniging geïndividualiseerd wordt wegens de aantasting van haar eigen belangen als vereniging, met name omdat haar positie als onderhandelaar is beïnvloed door de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd (zie beschikking van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T‑122/96, EU:T:1997:142, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 15 januari 2013, Aiscat/Commissie, T‑182/10, EU:T:2013:9, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96

In casu stelt de CRF dat zij voor haar leden en voor eigen rekening handelt, zodat zij zich in wezen beroept op de tweede en de derde hypothese. Derhalve moet worden nagegaan of de CRF en haar leden door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel worden geraakt.

97

Het Gerecht acht het opportuun om in de eerste plaats de tweede in punt 94 hierboven bedoelde hypothese te onderzoeken, namelijk die waarin de vereniging de belangen behartigt van aangesloten ondernemingen die zelf ontvankelijk zouden zijn in hun beroep.

98

In die hypothese is de procesbevoegdheid van de vereniging gebaseerd op de overweging dat de instelling van het beroep door haar processuele voordelen biedt, doordat aldus de instelling van een groot aantal verschillende beroepen tegen dezelfde handelingen kan worden voorkomen, aangezien de vereniging in de plaats is getreden van een of meer van haar leden waarvan zij de belangen vertegenwoordigt en die zelf een ontvankelijk beroep hadden kunnen instellen (zie in die zin arrest van 6 juli 1995, AITEC e.a./Commissie, T‑447/93–T‑449/93, EU:T:1995:130, punt 60).

99

Derhalve moet worden onderzocht of de leden van de CRF zich in een situatie zouden hebben bevonden waarin op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU beroep kon worden ingesteld. Aangezien deze ondernemingen geen adressaten van de bestreden verordening zijn, moet worden onderzocht of deze hen rechtstreeks en individueel raakt.

100

Eerst en vooral blijkt uit de in de punten 40 tot en met 42 hierboven aangehaalde rechtspraak dat het niet is uitgesloten dat een verordening tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen die naar haar aard en algemene strekking een normatief karakter heeft doordat zij van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers, sommigen van hen rechtstreeks en individueel kan raken, waaronder met name, onder bepaalde voorwaarden, de producenten en de exporteurs van dat product.

101

Dergelijke handelingen kunnen de productie- en exportondernemingen van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja aan wie op basis van gegevens over hun handelsactiviteit voor de bedrijfstak van de Unie ernstige of dreigende ernstige moeilijkheden worden toegeschreven, rechtstreeks en individueel raken. Dit is het geval bij productie- en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit uit de handelingen van de Commissie of de Raad blijkt, dan wel dat het vooronderzoek op hen betrekking had (zie in die zin arresten van 21 februari 1984, Allied Corporation e.a./Commissie, 239/82 en 275/82, EU:C:1984:68, punten 11 en 12, en 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing e.a./Raad, 240/84, EU:C:1987:202, punt 5).

102

Het Gerecht zal zich dus meer in het bijzonder buigen over de procesbevoegdheid van de CRF namens haar leden die door de Commissie in de bestreden verordening zijn geïdentificeerd of die betrokken waren bij de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid.

a) Rechtstreeks geraakt zijn van de geïdentificeerde of betrokken leden van de CRF

103

Ten eerste moet worden opgemerkt dat uit de in de punten 100 en 101 aangehaalde rechtspraak volgt dat een onderneming niet louter en alleen wegens haar hoedanigheid van producent van het aan dat recht onderworpen product kan worden aangemerkt als rechtstreeks geraakt door een verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen, aangezien de hoedanigheid van exporteur in dit verband van wezenlijk belang is. Uit deze rechtspraak volgt immers dat het rechtstreeks geraakt zijn van bepaalde producenten en exporteurs van het betrokken product door een verordening tot instelling van vrijwaringsmaatregelen met name verband houdt met het feit dat de ernstige moeilijkheden die de bedrijfstak van de Unie kan ondervinden of dreigen te ondervinden aan hen worden toegerekend. Een producent die zijn productie niet uitvoert naar de markt van de Unie maar zich ertoe beperkt deze af te zetten op zijn nationale markt kan niet aan de oorsprong van dergelijke moeilijkheden liggen (zie in die zin arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 74).

104

In casu blijkt uit de overwegingen 8, 35 en 38 van de bestreden verordening dat de Commissie heeft verklaard dertien antwoorden op de steekproefprocedure van verwerkers-exporteurs uit Cambodja te hebben ontvangen. Drie van hen waren aanvankelijk geselecteerd op basis van de grootste uitvoerhoeveelheden naar de Unie. Na een grondigere analyse en opmerkingen van de CRF heeft de Commissie twee exporteurs uit Cambodja vervangen en gepreciseerd dat uiteindelijk slechts één enkele onderneming die uit Cambodja exporteerde, de vragenlijst had beantwoord. De hoedanigheid van exporteur van de Cambodjaanse vennootschappen waarop de onderzoeksprocedure en de steekproef betrekking had, wordt dus niet betwist. De Commissie betwist evenmin dat de Cambodjaanse exporteurs die aldus zijn geïdentificeerd en die betrokken waren bij de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, lid zijn van de CRF. Onder hen Amru Rice (Cambodia) Co., Ltd die bij naam genoemd is in de bestreden verordening, en Golden Rice (Cambodia) Co., Ltd die de vragenlijst van de Commissie heeft beantwoord.

105

Bovendien ligt het commerciële gedrag van de Cambodjaanse exporteurs rechtstreeks ten grondslag aan het bij de Commissie ingediende verzoek om een onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. Voorts blijkt uit de overwegingen 62 tot en met 64 van de bestreden verordening dat de uitvoer van de productie van de leden van de CRF naar de markt van de Unie en hun commerciële activiteiten, rechtstreeks ten grondslag liggen aan de vaststellingen betreffende het bestaan van ernstige moeilijkheden voor de bedrijfstak van de Unie.

106

Wat ten tweede het bestaan van gevolgen voor de rechtspositie van de betrokken natuurlijke of rechtspersonen betreft, blijkt uit de punten 52 tot en met 62 hierboven dat de bestreden verordening, voor zover daarbij de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja door de exporterende leden van de CRF naar de Unie opnieuw worden ingesteld, de materiële situatie van deze leden wijzigt. Zo staat vast dat de wederinvoering van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief de uitvoer naar de Unie moeilijker maakt, hetgeen de Commissie in overweging 84 van de bestreden verordening heeft erkend. De bestreden verordening wijzigt ook hun rechtspositie. Deze verordening wijzigt immers de door de SAP-verordening aan Cambodjaanse exporteurs toegekende rechten om in aanmerking te komen voor preferentiële toegang tot de markt van de Unie door middel van een volledige schorsing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.

107

Ten derde moet, gelet op de in de punten 63 tot en met 65 hierboven uiteengezette beginselen, het argument van de Commissie worden verworpen dat de exporterende leden van de CRF niet rechtstreeks worden geraakt in hun rechtspositie omdat de bij de bestreden verordening ingevoerde vrijwaringsmaatregelen uitsluitend van toepassing zijn op importeurs die zijn gevestigd in de Unie. Deze maatregelen hebben immers tot gevolg dat de exporterende leden van de CRF, die beperkt zijn in hun economische activiteit, rechtstreeks worden geraakt. De tijdelijk wederinvoering van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie komt neer op een beperking van de toegang tot de markt van de Unie voor exporteurs die voordien preferentiële toegang tot de markt van de Unie hadden door middel van een bijzondere regeling inzake tariefpreferenties. Uit het enkele feit dat de exporterende leden van de CRF niet de rechten betalen die van toepassing zijn op de invoer van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja in de Unie, aangezien deze rechten door de importeurs worden betaald, kan dus niet worden geconcludeerd dat de bestreden verordening geen gevolgen heeft voor hun rechtspositie.

108

Ten vierde wordt een vennootschap waarvan de producten worden getroffen door vrijwaringsmaatregelen rechtstreeks geraakt door een verordening die dergelijk maatregelen instelt, aangezien die verordening de douaneautoriteiten van de lidstaten verplicht om de ingestelde rechten te innen zonder dat zij daarbij enigerlei beoordelingsbevoegdheid hebben (zie in die zin arresten van 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T‑170/94, EU:T:1997:134, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 november 1998, Champion Stationery e.a./Raad, T‑147/97, EU:T:1998:266, punt 31). In casu is in de punten 66 en 68 hierboven reeds vastgesteld dat de bestreden verordening geen enkele beoordelingsmarge laat aan degenen tot wie zij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast.

109

Derhalve moet worden geconcludeerd dat het exporterende lid van de CRF dat door de Commissie is geïdentificeerd in de bestreden verordening en de geïdentificeerde en bij de procedure tot vaststelling van de bestreden verordening betrokken exporterende leden van de CRF rechtstreeks door de bestreden verordening worden geraakt.

b) Individueel geraakt zijn van de geïdentificeerde of betrokken leden van de CRF

110

Zoals hierboven in de punten 42, 71 tot en met 77, 100 en 101 reeds is opgemerkt, sluit het normatieve karakter van de bestreden verordening niet uit dat bepaalde ondernemingen door deze verordening individueel kunnen worden geraakt wegens bepaald bijzondere hoedanigheden die hen ten opzichte van ieder andere persoon karakteriseren.

111

In dit verband moet eerst en vooral worden opgemerkt dat aan de rechtsbescherming van ondernemingen die individueel worden geraakt door vrijwaringsmaatregelen niet kan worden afgedaan door de enkele omstandigheid dat de maatregelen zijn ingesteld met verwijzing naar een staat en niet met verwijzing naar individuele ondernemingen (zie in die zin arrest van 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T‑170/94, EU:T:1997:134, punt 38). Het feit dat de bij de bestreden verordening opgelegde vrijwaringsmaatregelen op nationaal niveau zijn opgelegd, en niet onder verwijzing naar de geïdentificeerde exporteurs, kan op zich dus niet in de weg staan aan de rechtsbescherming van de exporterende leden van de CRF.

112

Hoe dan ook werd reeds geoordeeld dat een producent-exporteur die bij naam wordt genoemd in een bestreden verordening kan worden geacht individueel geraakt te zijn [zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In casu blijkt uit punt 104 hierboven dat Amru Rice (Cambodia) Co. bij naam is geïdentificeerd in de bestreden verordening en dat de Commissie tijdens de steekproef- en onderzoeksprocedure andere exporterende leden van de CRF heeft geïdentificeerd.

113

Wat vervolgens de procedurele waarborgen betreft waarover de leden van de CRF als exporteurs uit Cambodja beschikken, moet worden vastgesteld dat, overeenkomstig de procedureregels van de gedelegeerde verordening, aan de exporteurs van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja en aan de „belanghebbende partijen” in de zin van artikel 22, lid 3, van de SAP-verordening, een aantal rechten en procedurele waarborgen worden toegekend.

114

Zo bepaalt de gedelegeerde verordening dat de exporteurs en alle andere belanghebbende partijen het recht hebben om in kennis te worden gesteld van de opening van het onderzoek en de volledige tekst van de schriftelijke klacht te ontvangen (artikel 10, lid 2, van de gedelegeerde verordening). Indien de Commissie controlebezoeken wenst te verrichten, ook in derde landen, om met name de administratie van de exporteurs te onderzoeken, moet zij de toestemming krijgen van de bij die bezoeken betrokken marktdeelnemers en hen informeren over de aard van de te controleren en te verstrekken gegevens (artikel 12 van de gedelegeerde verordening). Aan de belanghebbende partijen worden ook de andere in de punten 83 en 84 hierboven genoemde rechten toegekend.

115

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat uit punt 104 hierboven naar voren komt dat niet wordt betwist dat de Cambodjaanse vennootschappen waarop de steekproef- en onderzoeksprocedure betrekking hebben, exporteurs zijn en dat deze exporteurs lid zijn van de CRF. Amru Rice (Cambodia) CO., exporterend lid van de CRF, is door de Commissie overigens bij naam genoemd op de lijst van „belanghebbende partijen”.

116

Wat voorts de actieve deelname betreft van de exporterende leden van de CRF aan de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, komt uit de punten 104 en 115 hierboven naar voren dat een aantal exporterende leden van de CRF door de Commissie zijn geselecteerd en hebben geïntervenieerd tijdens de steekproef- en tijdens de onderzoeksprocedure. De Commissie heeft erkend dat zij voor zover mogelijk gebruik heeft gemaakt van de gegevens en opmerkingen van de exporterende leden van de CRF die aan het onderzoek hebben deelgenomen (overwegingen 8, 19, 35 en 38 van de bestreden verordening).

117

De beslissing van de Commissie om geen rekening te houden met de informatie die is verstrekt door bepaalde ondernemingen die betrokken waren bij het vooronderzoek, doet niet af aan de mogelijkheid voor deze ondernemingen om hun deelname aan te voeren ter ondersteuning van het bewijs van hun individualisering. De exporteurs die aan de steekproefprocedure hebben deelgenomen en die welke aanvankelijk waren geselecteerd, hebben deelgenomen aan de procedure van vooronderzoek en hun standpunt is onderzocht door de Commissie in het kader van de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de Commissie uiteindelijk heeft besloten geen gebruik te maken van de door deze exporteurs verschafte informatie (zie in die zin arrest van 11 juli 1996, Sinochem Heilongjiang/Raad, T‑161/94, EU:T:1996:101, punt 47).

118

Wat voorts de verplichting van de Commissie betreft om rekening te houden met de gevolgen van de door haar voorgenomen handeling voor de situatie van de producenten-exporteurs die lid zijn van de CFE, blijkt uit de overwegingen 81 en 84 van de bestreden verordening dat de Commissie, door te verklaren dat Cambodja „niet voor de volledige drie jaar met de volledige rechten te maken [zou] krijgen, waardoor de uitvoer lastiger zou worden, maar […] geleidelijk meer Indica-rijst naar de Unie [zou] kunnen uitvoeren”, heeft erkend dat de verordening negatieve gevolgen zou hebben voor de economische situatie van de Cambodjaanse exporteurs en het gemak waarmee zij de Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie kunnen uitvoeren. Zij heeft met deze gevolgen ook rekening gehouden om te beslissen dat een geleidelijke vermindering van het recht van het gemeenschappelijk douanetarief zou volstaan.

119

Ten slotte moet nog worden toegevoegd dat natuurlijke en rechtspersonen individueel geraakt kunnen zijn wanneer de vrijwaringsmaatregelen aan hen zijn toegerekend met gebruikmaking van gegevens over hun handelsactiviteiten (zie in die zin arrest van 18 oktober 2018, Rotho Blaas, C‑207/17, EU:C:2018:840, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

120

In casu blijkt uit de overwegingen 27 tot en met 42 en 61 tot en met 64, 66 tot en met 68, 76 en 77 van de bestreden verordening dat de Commissie gebruik heeft gemaakt van de cijfers van Eurostat betreffende de invoer uit Cambodja, dat wil zeggen van de Cambodjaanse exportondernemingen, in absolute cijfers en marktaandelen, alsook hun prijzen, en de toename van deze invoer uitdrukkelijk heeft gekoppeld aan de voor de bedrijfstak van de Unie veroorzaakte ernstige moeilijkheden, die volgens de Commissie de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen hebben gerechtvaardigd. Het in de bestreden verordening bij naam genoemde exporterende lid van de CRF en de door de Commissie geïdentificeerde exporterende leden van de CRF die bij de steekproef- en onderzoeksprocedure betrokken zijn, worden dus individueel geraakt door de bestreden verordening, aangezien de vrijwaringsmaatregelen zijn toegerekend aan de hand van gegevens over hun handelsactiviteit.

121

Gelet op het voorgaande moeten de leden van de CRF, exporteurs van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie, worden geacht deel uit te maken van een gesloten categorie in de zin van de rechtspraak, aangezien zij in de bestreden verordening bij naam zijn geïdentificeerd en hebben deelgenomen aan de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van die verordening, de gegevens over hun handelsactiviteit zijn gebruikt om de vrijwaringsmaatregelen aan hen toe te rekenen en ten aanzien van wie de gevolgen van die maatregelen in aanmerking zijn genomen om de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vast te stellen. Deze ondernemingen worden dus individueel geraakt door de bestreden verordening.

122

Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat de CRF procesbevoegdheid heeft namens diegenen van haar leden die Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja naar de Unie uitvoeren en die door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel worden geraakt, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de vraag of de CRF individueel kan optreden of namens haar leden die niet door de Commissie zijn geïdentificeerd of betrokken waren bij de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, en zonder dat hoeft te worden nagegaan of de bestreden verordening een regelgevingshandeling is die geen uitvoeringsmaatregelen omvat in de zin van de tweede hypothese waarin de in punt 39 aangehaalde rechtspraak voorziet.

B.   Belang van het Koninkrijk Cambodja en de CRF bij een beroep tegen de bestreden verordening

123

Aangezien de Commissie subsidiair het argument heeft aangevoerd dat het Koninkrijk Cambodja en de CRF geen procesbelang hebben, herinnert het Gerecht eraan dat volgens vaste rechtspraak een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en de uitkomst van het beroep dus in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie in die zin arresten van 17 september 2009, Commissie/Koninklijke FrieslandCampina, C‑519/07 P, EU:C:2009:556, punt 63; 21 december 2011, ACEA/Commissie, C‑319/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:857, punt 67; 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie, C‑132/12 P, EU:C:2014:100, punt 67, en 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie, C‑133/12 P, EU:C:2014:105, punt 54).

124

Het procesbelang van een verzoekende partij moet een verkregen en daadwerkelijk belang zijn. Het mag geen toekomstige en hypothetische situatie betreffen. Dit belang moet, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep, en dient op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 april 2019, Deutsche Post/Commissie, T‑388/11, EU:T:2019:237, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125

Het staat aan de verzoeker om het bewijs van zijn procesbelang te leveren. Wanneer het door de verzoeker aangevoerde belang betrekking heeft op een toekomstige rechtssituatie, moet hij aantonen dat de aantasting van die situatie nu al zeker is. Bijgevolg kan een verzoeker zich niet beroepen op toekomstige en onzekere situaties om zijn belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling te rechtvaardigen (zie arrest van 30 april 2014, Hagenmeyer en Hahn/Commissie, T‑17/12, EU:T:2014:234, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126

In casu herinnert het Gerecht eraan dat reeds is vastgesteld dat de bestreden verordening gevolgen had voor zowel de economische als de juridische situatie van het Koninkrijk Cambodja en de exporterende leden van de CRF.

127

Aangezien de bestreden verordening gevolgen heeft voor de activiteiten van het Koninkrijk Cambodja en de CFR, kan de nietigverklaring van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die bij die verordening opnieuw zijn ingesteld en die betrekking hebben op de invoer in de Unie van Indica-rijst van oorsprong uit Cambodja, het Koninkrijk Cambodja en de CRF een persoonlijk voordeel opleveren.

128

Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat Cambodja en de CRF voor haar exporterende leden die betrokken waren bij het onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, een belang hebben om nietigverklaring van die verordening te vorderen.

129

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de rechtspraak die de Commissie heeft aangevoerd.

130

In het arrest van 21 december 2016, Raad/Front Polisario (C‑104/16 P, EU:C:2016:973), heeft het Hof immers uitspraak gedaan over de toepassing van een liberaliseringsovereenkomst door de autoriteiten van een derde land op een geografisch gebied waarvoor territoriale aanspraken bestonden. De vraag ging dus over een problematiek van internationaal recht inzake de erkenning van de grenzen van een grondgebied, en niet die van de gevolgen van een verordening die onder de handelspolitiek van de Unie valt.

131

Gelet op het voorgaande moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.

Kosten

132

Volgens artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding. Aangezien door de onderhavige beschikking geen einde komt aan het geding, moet de beslissing omtrent de kosten worden aangehouden.

 

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

beschikt:

 

1)

De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt afgewezen.

 

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

 

Luxemburg, 10 september 2020.

De griffier

E. Coulon

De waarnemend president

S. Papasavvas


( *1 ) Procestaal: Engels.