ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
13 september 2018 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Plaatsing en vervolgens handhaving van verzoeksters naam op de lijst van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn – Beoordelingsfout – Motiveringsplicht – Rechten van verdediging – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Recht op eigendom – Recht om een economische activiteit uit te oefenen”
In zaak T‑732/14,
Sberbank of Russia OAO, gevestigd te Moskou (Rusland), vertegenwoordigd door D. Rose, M. Lester, QC, J.‑A. Fearns en P. Crowther, solicitors,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert en J.‑P. Hix als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Gauci, L. Havas en T. Scharf als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van, ten eerste, besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13), zoals gewijzigd bij besluit 2014/659/GBVB van de Raad van 8 september 2014 (PB 2014, L 271, blz. 54), besluit (GBVB) 2015/971 van de Raad van 22 juni 2015 (PB 2015, L 157, blz. 50), besluit (GBVB) 2015/2431 van de Raad van 21 december 2015 (PB 2015, L 334, blz. 22), besluit (GBVB) 2016/1071 van de Raad van 1 juli 2016 (PB 2016, L 178, blz. 21), en besluit (GBVB) 2016/2315 van de Raad van 19 december 2016 (PB 2016, L 345, blz. 65), en besluit (GBVB) 2017/1148 van de Raad van 28 juni 2017 (PB 2017, L 166, blz. 35), en, ten tweede, verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014 (PB 2014, L 271, blz. 3), voor zover die handelingen verzoekster betreffen,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, D. Spielmann en Z. Csehi, rechters,
griffier: C. Heeren, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 november 2017,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
|
1 |
Verzoekster, Sberbank of Russia OAO, is een in Moskou (Rusland) gevestigde Russische retailbank, die bankdiensten verleent aan nationale en internationale klanten. |
|
2 |
Op 20 februari 2014 heeft de Raad van de Europese Unie alle gebruik van geweld in Oekraïne in de krachtigste bewoordingen veroordeeld. Hij heeft ertoe opgeroepen om onmiddellijk een einde te maken aan het geweld en om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden in Oekraïne ten volle te respecteren. De Raad was ook voornemens om beperkende maatregelen vast te stellen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van de mensenrechten, het geweld, en het gebruik van buitensporige machtsmiddelen. |
|
3 |
Tijdens een buitengewone zitting van de Raad op 3 maart 2014 werd de duidelijke schending van de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne door daden van agressie vanwege de Russische strijdkrachten veroordeeld, alsmede de toestemming die de Soviet Federatsii Federal’nogo Sobrania Rossiskoï Federatsii (Federatieraad van de Federale Vergadering van de Russische Federatie) op 1 maart 2014 gaf voor het inzetten van strijdkrachten op het grondgebied van Oekraïne. De Europese Unie heeft de Russische Federatie opgeroepen haar strijdkrachten onmiddellijk terug te trekken tot de gebieden waar zij permanent zijn gestationeerd, overeenkomstig haar internationale verplichtingen. |
|
4 |
Op 5 maart 2014 heeft de Raad beperkende maatregelen vastgesteld die de bevriezing en terugvordering van verduisterde Oekraïense overheidsmiddelen beoogden. |
|
5 |
Op 6 maart 2014 hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de Unie de conclusies van de Raad van 3 maart 2014 onderschreven. Zij hebben de niet-uitgelokte schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door de Russische Federatie krachtig veroordeeld en er bij de Russische Federatie op aangedrongen haar strijdkrachten onmiddellijk terug te trekken naar de gebieden waar zij permanent gestationeerd zijn, overeenkomstig de toepasselijke overeenkomsten. De staatshoofden en regeringsleiders hebben verklaard dat eventuele verdere stappen van de Russische Federatie om de situatie in Oekraïne te destabiliseren, supplementaire en verreikende gevolgen zouden hebben voor de betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, en dit voor een breed spectrum van economische gebieden. Zij hebben de Russische Federatie opgeroepen onmiddellijke toegang mogelijk te maken voor internationale waarnemers en benadrukt dat de oplossing voor de crisis in Oekraïne gebaseerd moet zijn op de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van het land, alsook de strikte naleving van internationale normen. |
|
6 |
Op 16 maart 2014 hebben het parlement van de Autonome Republiek van de Krim en het plaatselijke bestuur van de stad Sebastopol, twee onderverdelingen van Oekraïne, een referendum over de status van de Krim gehouden. In het kader van dit referendum werd de bevolking van de Krim verzocht aan te geven of zij deel wenste te worden van de Russische Federatie dan wel dat de grondwet van 1992 en de status van de Krim als deel van Oekraïne opnieuw zouden worden ingevoerd. Blijkens het in de Autonome Republiek van de Krim aangekondigde resultaat stemde 96,77 % voor de aansluiting van de regio bij de Russische Federatie en nam 83,1 % aan het referendum deel. |
|
7 |
Op 17 maart 2014 heeft de Raad opnieuw conclusies betreffende Oekraïne aangenomen. De Raad heeft het referendum dat op 16 maart 2014 is gehouden over de aansluiting van de Krim bij de Russische Federatie, krachtig veroordeeld. Dit referendum is volgens de Raad duidelijk in strijd met de Oekraïense grondwet. De Raad heeft de Russische Federatie onmiddellijk opgeroepen om maatregelen te treffen om te zorgen voor een de-escalatie van de crisis, onmiddellijk haar troepen naar hun garnizoenen terug te trekken zodat de troepensterkte van voor de crisis wordt hersteld, overeenkomstig internationale afspraken, rechtstreekse besprekingen met de regering van Oekraïne aan te knopen, en gebruik te maken van alle relevante internationale mechanismen om een vreedzame en via onderhandelingen tot stand gekomen oplossing te vinden, met volledige inachtneming van haar bilaterale en multilaterale verbintenissen om de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne te eerbiedigen. In dat verband heeft de Raad betreurd dat de VN-Veiligheidsraad vanwege het veto van de Russische Federatie geen resolutie heeft kunnen aannemen. Hij heeft de Russische Federatie voorts opgeroepen geen stappen te nemen om de Krim, in strijd met het internationaal recht, te annexeren. |
|
8 |
Op dezelfde dag heeft de Raad op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) en, op grond van artikel 215 VWEU, verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld, waarbij de Raad reisbeperkingen en een bevriezing van tegoeden heeft opgelegd aan de personen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen en aan de personen en entiteiten die met hen verbonden zijn. |
|
9 |
Op 17 maart 2014 heeft de Russische Federatie de resultaten van het referendum op de Krim van 16 maart 2014 officieel erkend. Naar aanleiding van dat referendum hebben de Hoogste Raad van de Krim en de gemeenteraad van Sebastopol de onafhankelijkheid van de Krim ten opzichte van Oekraïne uitgeroepen en verzocht om de aansluiting ervan bij de Russische Federatie. Diezelfde dag heeft de Russische president een decreet ondertekend waarmee hij de Republiek Krim als een soevereine en onafhankelijke staat heeft erkend. |
|
10 |
Op 21 maart 2014 heeft de Europese Raad herinnerd aan de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de Unie van 6 maart 2014 en de Europese Commissie en de lidstaten verzocht om mogelijke gerichte maatregelen voor te bereiden. |
|
11 |
Op 23 juni 2014 heeft de Raad besloten dat de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol moest worden verboden, met uitzondering van die goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol waaraan door de regering van Oekraïne een oorsprongscertificaat was verleend. |
|
12 |
Naar aanleiding van het ongeval op 17 juli 2014 waarbij te Donetsk (Oekraïne) vlucht MH17 van Malaysia Airlines is neergehaald, heeft de Raad de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) verzocht uiterlijk op 24 juli 2014 hun voorbereidende werkzaamheden in verband met eventuele gerichte maatregelen af te ronden en voorstellen voor maatregelen te formuleren, onder meer wat betreft de toegang tot kapitaalmarkten, defensie, goederen voor tweeërlei gebruik en gevoelige technologieën, ook in de energiesector. |
|
13 |
Gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne ondanks het feit dat in maart 2014 reisbeperkingen en een bevriezing van tegoeden waren opgelegd aan bepaalde natuurlijke en rechtspersonen, heeft de Raad op 31 juli 2014 op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13) vastgesteld, teneinde gerichte beperkende maatregelen in te voeren wat betreft de toegang tot kapitaalmarkten, defensie, goederen voor tweeërlei gebruik en gevoelige technologieën, ook in de energiesector. |
|
14 |
Omdat de Raad van opvatting was dat die maatregelen binnen de werkingssfeer van het VWEU vielen en voor de uitvoering daarvan regelgeving op het niveau van de Unie noodzakelijk was, heeft hij op 31 juli 2014, op grond van artikel 215, lid 2, VWEU, verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1) vastgesteld. Die verordening bevat uitvoeringsbepalingen om zowel op het niveau van de Unie als in de lidstaten gevolg te geven aan de voorschriften van besluit 2014/512. |
|
15 |
Het aangegeven doel van deze beperkende maatregelen is de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Hiertoe is bij besluit 2014/512 in het bijzonder besloten tot een verbod op de uitvoer van bepaalde voor de aardoliesector in Rusland bestemde producten en gevoelige technologieën alsmede tot beperkingen op de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie voor bepaalde marktdeelnemers in deze sector. |
|
16 |
Vervolgens heeft de Raad op 8 september 2014 besluit 2014/659/GBVB tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2014, L 271, blz. 54) en verordening (EU) nr. 960/2014 tot wijziging van verordening nr. 833/2014 (PB 2014, L 271, blz. 3) vastgesteld teneinde het op 31 juli 2014 uitgevaardigde verbod met betrekking tot bepaalde financiële instrumenten uit te breiden en aanvullende beperkingen op te leggen betreffende de toegang tot de kapitaalmarkt. |
|
17 |
Artikel 1, lid 1, van besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit 2014/659, luidt: „1. De directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van, of enige andere handeling met betrekking tot obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen die tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014 zijn uitgegeven, of met een looptijd van meer dan 30 dagen die na 12 september 2014 zijn uitgegeven door:
|
|
18 |
Verzoeksters naam is vermeld in punt 1 van bijlage I bij besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit 2014/659. |
|
19 |
Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 960/2014 (hierna: „bestreden verordening”), bepaalt: „1. Er geldt een verbod op de directe of indirecte aan- of verkoop of de verlening van investeringsdiensten of bijstand voor en andere vormen van handel in overdraagbare effecten en geldmarktinstrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen, die zijn uitgegeven tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014, of met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014, door:
|
|
20 |
Verzoeksters naam is vermeld in bijlage III bij de bestreden verordening. |
|
21 |
Bij brief van 22 oktober 2014 heeft verzoekster verzocht om toegang tot de haar betreffende documenten en bewijzen in het dossier van de Raad. |
|
22 |
Bij brief van 9 december 2014 heeft de Raad geantwoord op verzoeksters verzoek en haar in zijn bezit zijnde bewijzen en documenten betreffende het besluit om haar naam te plaatsen op de lijst van entiteiten waarop de aan de orde zijnde beperkende maatregelen van toepassing zijn, meegedeeld. |
|
23 |
De geldigheid van besluit 2014/512 is verlengd tot en met 31 januari 2016 bij besluit (GBVB) 2015/971 van de Raad van 22 juni 2015 houdende wijziging van besluit 2014/512 (PB 2015, L 157, blz. 50), vervolgens tot en met 31 juli 2016 bij besluit (GBVB) 2015/2431 van de Raad van 21 december 2015 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2015, L 334, blz. 22), tot en met 31 januari 2017 bij besluit (GBVB) 2016/1071 van de Raad van 1 juli 2016 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2016, L 178, blz. 21), tot en met 31 juli 2017 bij besluit (GBVB) 2016/2315 van de Raad van 19 december 2016 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2016, L 345, blz. 65) en ten slotte tot en met 31 januari 2018 bij besluit (GBVB) 2017/1148 van de Raad van 28 juni 2017 tot wijziging van besluit 2014/512 (PB 2017, L 166, blz. 35). |
Procedure en conclusies van partijen
|
24 |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 oktober 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. |
Interventie
|
25 |
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 23 februari 2015, heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad. |
|
26 |
Verzoekster heeft op 12 maart 2015 opmerkingen over dit verzoek ingediend. |
|
27 |
Bij beschikking van 26 mei 2015 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht dit verzoek ingewilligd. |
|
28 |
Op 2 juli 2015 heeft de Commissie een memorie in interventie ingediend. |
|
29 |
Verzoekster en de Raad hebben opmerkingen over die memorie ingediend binnen de daartoe gestelde termijn. |
Schorsing van de procedure
|
30 |
Op 12 maart 2015 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht besloten om de partijen te horen over een eventuele schorsing van de behandeling in afwachting van de beslissing van het Hof waarbij de procedure in zaak C‑72/15, Rosneft, wordt beëindigd. Bij brief van de griffie van het Gerecht van 23 maart 2015 werd partijen daartoe een termijn gesteld. |
|
31 |
De Raad en verzoekster hebben hun opmerkingen over die eventuele schorsing ingediend bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 1 en 8 april 2015. |
|
32 |
Bij beslissing van 29 oktober 2015, vastgesteld op basis van artikel 69, onder a), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft de president van de Negende kamer besloten de behandeling van de zaak te schorsen op grond dat er een – op zijn minst gedeeltelijke – overeenstemming bestond tussen de bepalingen met betrekking waartoe het Hof de draagwijdte en de geldigheid moest beoordelen in zaak C‑72/15, Rosneft, en die welke in de onderhavige zaak relevant waren. |
|
33 |
Ten gevolge van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), is de schorsing van de behandeling geëindigd overeenkomstig artikel 71, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering. |
|
34 |
De voornaamste partijen is in dat verband verzocht hun opmerkingen in te dienen over de gevolgen die dienen te worden getrokken uit het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), wat betreft de middelen en argumenten die in het kader van het onderhavige beroep zijn aangevoerd. Zij hebben binnen de gestelde termijn aan dat verzoek voldaan. |
Aanpassing van het verzoekschrift
|
35 |
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 juni 2015, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2015/971, voor zover daarbij de toepasbaarheid van de bij besluit 2014/512 ingevoerde beperkende maatregelen, waaronder de plaatsing van haar naam op de lijst van entiteiten waarop die maatregelen van toepassing zijn, wordt verlengd tot en met 31 januari 2016. |
|
36 |
De Raad heeft opmerkingen over deze memorie ingediend bij een op 20 augustus 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte. |
|
37 |
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 januari 2016, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2015/2431, voor zover daarbij de toepasbaarheid van de bij besluit 2014/512 ingevoerde beperkende maatregelen, waaronder de plaatsing van haar naam op de lijst van entiteiten waarop die maatregelen van toepassing zijn, wordt verlengd tot en met 31 juli 2016. |
|
38 |
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 april 2017, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2016/1071 en besluit 2016/2315, voor zover daarbij de toepasbaarheid van de bij besluit 2014/512 ingevoerde beperkende maatregelen, waaronder de plaatsing van haar naam op de lijst van entiteiten waarop die maatregelen van toepassing zijn, wordt verlengd tot en met, respectievelijk, 31 januari 2017 en 31 juli 2017. |
|
39 |
De Raad heeft opmerkingen over die memories ingediend bij een op 15 mei 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte. |
|
40 |
Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 juli 2017, heeft verzoekster het verzoekschrift aangepast en verzocht om nietigverklaring van besluit 2017/1148, voor zover daarbij de toepasbaarheid van de bij besluit 2014/512 ingevoerde beperkende maatregelen, waaronder de plaatsing van haar naam op de lijst van entiteiten waarop die maatregelen van toepassing zijn, wordt verlengd tot en met 31 januari 2018. |
|
41 |
De Raad heeft opmerkingen over deze memorie ingediend bij een op 17 augustus 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte. |
Wijziging in de samenstelling van de kamers
|
42 |
Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering. |
Conclusies van partijen
|
43 |
Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:
|
|
44 |
De Raad verzoekt het Gerecht:
In zijn schriftelijk antwoord op de vraag van het Gerecht naar aanleiding van het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), heeft de Raad verklaard dat hij niet langer ter discussie stelde dat het Gerecht bevoegd was om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te toetsen, voor zover dit besluit beperkende maatregelen bevat in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU, wat ter terechtzitting is bevestigd. |
|
45 |
De Commissie verzoekt het Gerecht het beroep in zijn geheel te verwerpen. |
In rechte
|
46 |
Ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring voert verzoekster vier middelen aan: 1) het feit dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan en zijn bevoegdheid heeft overschreden door verzoeksters naam op te nemen in de bijlagen bij de bestreden handelingen; 2) schending van de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op de Raad rustende motiveringsplicht; 3) schending van de rechten van verdediging en het recht op doeltreffende rechterlijke toetsing, en 4) schending van de grondrechten, waaronder het recht op bescherming van de eigendom, het recht om een beroepsactiviteit uit te oefenen en het recht op eerbiediging van de reputatie, die zijn verankerd in de artikelen 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Verzoekster werpt voorts een op artikel 277 VWEU gebaseerde exceptie van onwettigheid op met betrekking tot artikel 1 van het bestreden besluit en artikel 5 van de bestreden verordening. |
|
47 |
Om te beginnen moet worden nagegaan of het beroep ontvankelijk is. |
Ontvankelijkheid
|
48 |
Volgens de Raad is verzoekster niet gerechtigd om de nietigverklaring van de bestreden handelingen te vorderen. |
|
49 |
De Raad voert aan dat het verzoek tot nietigverklaring van de maatregelen waarbij verzoeksters naam is opgenomen op de lijsten van de bestreden handelingen niet beantwoordt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Geen van de drie in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde gevallen verleent verzoekster dus procesbevoegdheid. |
|
50 |
De Raad merkt om te beginnen op dat verzoekster niet heeft betwist dat zij geen bevoorrechte verzoeker is of dat de bij de bestreden verordening ingevoerde maatregelen niet tot haar waren gericht. De eerste hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU is dus niet van toepassing. |
|
51 |
Wat vervolgens het tweede en het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betreft, is de Raad in de eerste plaats van mening dat verzoekster niet „rechtstreeks geraakt” is in de zin van die bepaling. |
|
52 |
In dat verband voert de Raad aan dat de plaatsing van verzoeksters naam op de lijst in bijlage bij de bestreden verordening niet betekent dat zij rechtstreeks wordt geraakt door de bij die verordening ingevoerde litigieuze maatregelen, en dit vanwege de aard van de bij die tekst verboden activiteit. Artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening verbiedt niet de uitgave van financiële instrumenten door de aangewezen entiteiten, maar de aan- of verkoop van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgave van de betrokken financiële instrumenten door natuurlijke of rechtspersonen die onder de bevoegdheid van de Unie vallen. Verzoekster is een entiteit die financiële instrumenten kan uitgeven, maar zij heeft niet aangetoond dat zij actief is in één van de diensten waarvoor een verbod geldt op uitgave van de betrokken financiële instrumenten. Zij wordt dus niet rechtstreeks geraakt door de bestreden handelingen. Dat verzoeksters naam wordt genoemd, volstaat niet opdat het beroep ontvankelijk is, aangezien de bestreden handelingen verzoekster niet „rechtstreeks” in haar rechtspositie raken. |
|
53 |
Wat in de tweede plaats de kwalificatie van de aan de orde zijnde maatregelen betreft, voert de Raad aan dat de bepalingen van het bestreden besluit aanvullende uitvoeringsmaatregelen met zich brengen, die er trouwens zijn gekomen met de bestreden verordening. De bestreden verordening daarentegen is een regelgevingshandeling die geen aanvullende uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt. |
|
54 |
In de derde plaats voert de Raad aan dat verzoekster niet „individueel geraakt” is door de bestreden handelingen. Verzoekster heeft niet aangetoond en is niet in staat aan te tonen dat zij zich in een bijzondere situatie bevindt die haar onderscheidt van andere instellingen waarvoor de toegang tot de markt voor kapitaal en leningen van de Unie bij de bestreden handelingen is beperkt. De Raad merkt in dat verband op dat de bestreden handelingen de commerciële activiteiten van een groot aantal marktdeelnemers kunnen treffen zonder dat dit een recht inhoudt om nietigverklaring van de daarbij ingevoerde beperkende maatregelen te verkrijgen. De economische impact van de aan de orde zijnde maatregelen is bovendien niet beperkt tot financiële instellingen, maar treft ook een groot aantal beroepsbeoefenaars of ondernemingen en niet enkel de entiteiten die zijn gevestigd in het derde land waartegen maatregelen zijn gericht. |
|
55 |
Verzoekster betwist dat betoog. |
|
56 |
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon […] onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep [kan] instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen”. Artikel 263, vierde alinea, tweede onderdeel, VWEU bepaalt dat indien de bestreden handeling niet tot de natuurlijke of rechtspersoon is gericht die het beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld, het beroep ontvankelijk is indien die handeling die persoon rechtstreeks en individueel raakt. Bij het Verdrag van Lissabon is in artikel 263, vierde alinea, VWEU een derde onderdeel ingevoegd dat de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een door natuurlijke personen of rechtspersonen ingesteld beroep tot nietigverklaring heeft versoepeld. Zonder de ontvankelijkheid van door natuurlijke en rechtspersonen ingestelde beroepen tot nietigverklaring aan de voorwaarde van individuele geraaktheid te onderwerpen, stelt dat onderdeel dat rechtsmiddel immers open tegen „regelgevingshandelingen” die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen en een verzoeker rechtstreeks raken (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 56 en 57). |
|
57 |
Wat in de eerste plaats de voorwaarde betreft dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak een natuurlijke of rechtspersoon slechts rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU als de bestreden maatregel van de Unie rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unieregeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie in die zin arrest van 13 maart 2008, Commissie/Infront WM, C‑125/06 P, EU:C:2008:159, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
58 |
In casu is het op grond van artikel 1, lid 1, onder a), van het bestreden besluit en bijlage I bij dat besluit enerzijds, en artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening en bijlage III bij die verordening anderzijds (hierna tezamen: „relevante bepalingen van de bestreden handelingen”) marktdeelnemers in de Unie verboden bepaalde financiële transacties te verrichten met in Rusland gevestigde kredietinstellingen die voldoen aan de in die artikelen gestelde voorwaarden en waarvan de naam is opgenomen in die bijlagen. |
|
59 |
Verzoekster wordt derhalve rechtstreeks geraakt door de relevante bepalingen van de bestreden handelingen. De aan de orde zijnde beperkende maatregelen zijn namelijk rechtstreeks op haar van toepassing, als een onmiddellijk gevolg van het feit dat zij een entiteit is waarop die bepalingen, gelezen in het licht van de overeenkomstige bijlagen, van toepassing zijn, zonder dat aan degenen aan wie de bepalingen zijn gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, enige beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. In dat verband is niet van belang dat die bepalingen verzoekster niet verbieden om bedoelde transacties buiten de Unie te verrichten. Het staat namelijk vast dat de relevante bepalingen van de bestreden handelingen verzoekster beperkingen opleggen op de toegang tot de kapitaalmarkten van de Unie. |
|
60 |
Ook het betoog van de Raad dat verzoeksters rechtspositie niet rechtstreeks wordt geraakt omdat de bij de bestreden handelingen ingevoerde maatregelen uitsluitend van toepassing zijn op in de Unie gevestigde lichamen, moet van de hand worden gewezen. De bij de bestreden handelingen ingevoerde verbodsbepalingen zijn weliswaar in de eerste plaats van toepassing op in de Unie gevestigde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, doch die verbodsbepalingen hebben tot doel en tot gevolg dat entiteiten als verzoekster rechtstreeks worden geraakt, waarbij die entiteiten door de toepassing op hen van die maatregelen in hun economische activiteit worden beperkt. Het spreekt voor zich dat het aan de in de Unie gevestigde lichamen staat die maatregelen toe te passen, aangezien de door de instellingen van de Unie vastgestelde handelingen in beginsel niet van toepassing zijn buiten het grondgebied van de Unie. Dit betekent evenwel niet dat de entiteiten die door de bestreden handelingen zijn getroffen, niet rechtstreeks door de op hen toegepaste beperkende maatregelen worden geraakt. Marktdeelnemers van de Unie verbieden om bepaalde transacties te verrichten met buiten de Unie gevestigde entiteiten komt er namelijk op neer dat het die entiteiten wordt verboden de betrokken transacties te verrichten met marktdeelnemers van de Unie. Bovendien zouden, indien de stelling van de Raad in dat verband wordt aanvaard, zelfs in individuele gevallen van bevriezing van tegoeden, de op een lijst geplaatste personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn, niet rechtstreeks door die maatregelen worden geraakt, omdat het in de eerste plaats aan de lidstaten van de Unie en aan de natuurlijke of rechtspersonen die onder hun bevoegdheid vallen, staat om die maatregelen toe te passen. |
|
61 |
Daarenboven baseert de Raad zich in dat verband ten onrechte op de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (T‑18/10, EU:T:2011:419). In die zaak heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB 2009, L 286, blz. 36) uitsluitend gevolgen had voor de rechtspositie van de verzoekende partijen die zich bezighielden met het op de markt van de Unie brengen van zeehondenproducten en die werden geraakt door het algemene verbod om die producten op de markt te brengen, wat niet het geval was bij de verzoekende partijen die zich niet bezighielden met het op de markt brengen van die producten of van de producten die onder de uitzondering vielen waarin verordening nr. 1007/2009 voorzag, want het op de markt van de Unie brengen van zeehondenproducten die afkomstig zijn van door Inuit- en andere inheemse gemeenschappen traditioneel voor hun levensonderhoud beoefende jacht, bleef in beginsel geoorloofd (zie in die zin beschikking van 6 september 2011, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, T‑18/10, EU:T:2011:419, punt 79). In casu moet echter worden vastgesteld dat verzoekster actief is op de markt voor financiële diensten waarop de relevante bepalingen van de bestreden handelingen betrekking hebben en niet op gelijk welke markt upstream of downstream, zoals de Raad stelt. Het is immers vanwege de bestreden handelingen dat verzoekster in de onmogelijkheid verkeerde om bepaalde verboden financiële transacties te verrichten met in de Unie gevestigde lichamen, terwijl zij daartoe wel gerechtigd zou zijn indien die handelingen niet bestonden. |
|
62 |
Verzoekster wordt derhalve rechtstreeks geraakt door de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, voor zover deze op haar betrekking hebben. |
|
63 |
In de tweede plaats, zonder dat hoeft te worden nagegaan of de relevante bepalingen van de bestreden handelingen al dan niet uitvoeringsmaatregelen met zich brengen, is in casu ook voldaan aan de voorwaarde van individuele geraaktheid als bedoeld in de tweede hypothese van artikel 263, vierde alinea, VWEU. |
|
64 |
Elke plaatsing op een lijst van personen of entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, omdat zij voor die persoon of die entiteit overeenkomt met een individueel besluit, geeft die persoon of entiteit namelijk toegang tot de Unierechter overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU, waarnaar artikel 275, tweede alinea, VWEU verwijst (zie in die zin arresten van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 50; 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 44, en 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 103en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
65 |
Aangezien verzoeksters naam is vermeld in de lijsten van bijlage I bij het bestreden besluit en bijlage III bij de bestreden verordening, als één van de entiteiten waarop de bij de relevante bepalingen van de bestreden handelingen ingevoerde beperkende maatregelen van toepassing zijn, moet zij in casu worden geacht individueel te worden geraakt door die maatregelen. |
|
66 |
Een andere opvatting zou in strijd zijn met de bepalingen van artikel 263 en artikel 275, tweede alinea, VWEU en zou bijgevolg indruisen tegen het bij het VWEU ingevoerde stelsel van effectieve rechterlijke bescherming en het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel (zie in die zin arrest van 16 juli 2014, National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:678, punt 36). |
|
67 |
Verzoekster is derhalve ontvankelijk in haar verzoek tot nietigverklaring van de beperkende maatregelen die zijn ingevoerd bij de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, voor zover zij haar betreffen. |
Ten gronde
Eerste middel, in wezen ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout die de Raad zou hebben begaan door verzoeksters naam op te nemen in de bijlagen bij de bestreden handelingen
|
68 |
In het kader van haar eerste middel voert verzoekster aan dat de Raad twee materiële vergissingen heeft begaan, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en zijn bevoegdheid heeft overschreden door te stellen dat verzoekster voldeed aan de criteria van artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening, waardoor haar naam kon worden opgenomen in de bijlagen bij de bestreden handelingen. |
|
69 |
Ten eerste voert verzoekster aan dat zij noch eigendom is van de Russische regering, noch door deze wordt gecontroleerd en dat zij met haar activiteit louter commerciële doeleinden nastreeft. Dat haar eerste aandeelhouder, te weten de Centrale Bank van de Russische Federatie, meer dan 50 % van de aandelen met stemrecht bezit, verandert volgens haar niets aan die situatie. De Centrale Bank van de Russische Federatie handelt onafhankelijk van de overheid en haar onafhankelijke status is met name verankerd in artikel 75 van de Russische grondwet. |
|
70 |
Verzoekster is voorts van mening dat het feit dat zij „staatseigendom is of […] door de staat wordt gecontroleerd” aldus moet worden uitgelegd dat zij eigendom is van of wordt gecontroleerd door de Russische regering. Een ruimere uitlegging zou met name in strijd zijn met het beginsel dat beperkende maatregelen strikt moeten worden uitgelegd vanwege de gevolgen ervan en de inbreuk op de grondrechten die zij voor de aangewezen entiteiten meebrengen. |
|
71 |
Ten tweede voert verzoekster aan dat duidelijk uit haar statuten volgt dat zij niet expliciet tot taak heeft het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen. Aangezien de voorwaarden van artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening cumulatief zijn en de Raad niet heeft aangetoond dat verzoekster genoemde taak heeft, heeft de Raad een kennelijke fout gemaakt door te oordelen dat verzoekster aan genoemde criteria voldeed. Verzoekster benadrukt dat de twee in artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening genoemde voorwaarden cumulatief zijn. Indien twijfel zou bestaan over de uitlegging van artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening, staat het volgens haar aan het Gerecht om de bepalingen ten aanzien van verzoekster strikt uit te leggen, door iedere dubbelzinnigheid in haar voordeel op te heffen. Ter terechtzitting heeft verzoekster bovendien een tabel overgelegd met een overzicht van de verschillende taalversies van artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening, waaruit blijkt dat, in meerdere taalversies, het vereiste om een expliciete taak te hebben, een aanvullende voorwaarde is die van toepassing is op belangrijke kredietinstellingen die voor meer dan 50 % eigendom van de Russische Staat zijn of voor meer dan 50 % door die staat worden gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014. |
|
72 |
De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist die argumenten. |
|
73 |
Om te beginnen moet worden aangenomen dat verzoekster zich beroept op een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste beoordeling en niet op een kennelijk onjuiste beoordeling. |
|
74 |
De doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest vereist namelijk dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het betrokken besluit waarbij beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of de betrokken entiteit, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119). |
|
75 |
Ten eerste dient te worden opgemerkt dat artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening betrekking heeft op bepaalde instellingen die voor meer dan 50 % eigendom zijn van de Russische „Staat” en niet van de Russische „regering”, zoals verzoekster suggereert. De door verzoekster voorgestelde restrictieve uitlegging komt neer op een beperking van de werkingssfeer van de bestreden verordening en een herformulering van de basiscriteria die zijn gesteld in de bestreden verordening en kan bijgevolg niet worden aanvaard. |
|
76 |
Verzoekster betwist niet dat zij voor meer dan 50 % eigendom is van de Centrale Bank van de Russische Federatie. Bovendien volgt uit federale wet nr. 86‑FZ van 10 juli 2002 betreffende de Centrale Bank van de Russische Federatie dat deze bank een federale instantie is die onder de bevoegdheid van de Staat valt (artikel 1, tweede alinea) en waarvan de voorzitter en de raad van beheer worden benoemd door de Gosudarstvennaya Duma Federal’nogo Sobrania Rossiskoï Federatsii (Doema van de Federale Vergadering van de Russische Federatie) op voorstel van of na akkoord van de president van de Russische Federatie (artikel 5), dat zij bijdraagt aan het uitstippelen van het economische beleid van de regering van de Russische Federatie (artikel 21), dat zij de belangen behartigt van de Russische Federatie, met name in het kader van internationale monetaire en financiële organisaties (artikel 51) en dat zij 50 % (75 % vanaf 1 januari 2016) van haar winst op jaarbasis overdraagt aan de federale staatskas. |
|
77 |
Ten tweede dient te worden nagegaan of de in artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening gestelde voorwaarde inzake het „expliciet tot taak [hebben]” een alternatieve voorwaarde is, zoals de Raad en de Commissie betogen dan wel een cumulatieve voorwaarde, zoals verzoekster stelt, ten opzichte van het begrip „belangrijke kredietinstelling”. |
|
78 |
In dat verband zij in herinnering gebracht dat de tekst van artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening, die ietwat nauwkeuriger en gedetailleerder is dan die van artikel 1, lid 1, onder a), van het bestreden besluit, bepaalt dat „[e]r […] een verbod [geldt] op de directe of indirecte aan- of verkoop of de verlening van investeringsdiensten of bijstand voor en andere vormen van handel in overdraagbare effecten en geldmarktinstrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen, die zijn uitgegeven tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014, of met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014, door […] belangrijke kredietinstellingen of andere belangrijke instellingen die expliciet tot taak hebben het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen, die gevestigd zijn in Rusland en die op 1 augustus 2014 voor meer dan 50 % staatseigendom zijn of voor meer dan 50 % door de staat worden gecontroleerd, als vermeld in bijlage III”. |
|
79 |
Uit een letterlijke lezing van een aantal taalversies van artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening zou inderdaad kunnen worden opgemaakt dat de twee alternatieven „belangrijke kredietinstellingen” en „andere belangrijke instellingen” zijn en dat die twee soorten instellingen in ieder geval expliciet tot taak moeten hebben het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen, zoals verzoekster aanvoert. |
|
80 |
Voorts kan een lezing van de verschillende taalversies van artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening op zich niet de stelling van de Raad ondersteunen dat in werkelijkheid „belangrijke kredietinstellingen” en „andere belangrijke instellingen die expliciet tot taak hebben het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen” alternatieven vormen. Bovendien zijn, zoals de Raad ter terechtzitting heeft erkend, sommige taalversies dubbelzinnig en kunnen zij worden uitgelegd in de door verzoekster voorgestelde zin, dat wil zeggen dat ook voor belangrijke kredietinstellingen is vereist dat sprake is van een „expliciet[e] […] taak”. |
|
81 |
Evenwel dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak de bepalingen van het recht van de Unie op uniforme wijze moeten worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de versies die in alle talen van de Unie zijn vastgesteld. Wanneer er tussen de verschillende taalversies van een tekst van de Unie verschillen bestaan, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest van 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280/04, EU:C:2005:753, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 21 november 1974, Moulijn/Commissie, 6/74, EU:C:1974:129, punten 10 en 11). |
|
82 |
Aangezien met artikel 5, lid 1, van de bestreden verordening wordt beoogd om overeenkomstig artikel 215 VWEU de nodige maatregelen vast te stellen om gevolg te geven aan artikel 1, lid 1, van het bestreden besluit, dienen in casu de termen van eerstgenoemde bepaling zo veel als mogelijk te worden uitgelegd in het licht van laatstgenoemde bepaling (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 141). |
|
83 |
Artikel 1, lid 1, onder a), van het bestreden besluit verwijst naar „belangrijke kredietinstellingen of instellingen voor financieringsontwikkeling die gevestigd zijn in Rusland en die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn of die voor meer dan 50 % door de Staat worden gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014, als vermeld in bijlage I” (zie punt 17 hierboven). „Belangrijke kredietinstellingen” en „instellingen voor financieringsontwikkeling” zijn bijgevolg alternatieven en laatstgenoemde instellingen worden in artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening nader omschreven als „andere belangrijke instellingen die expliciet tot taak hebben het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen”. |
|
84 |
Verzoekster voert dus ten onrechte aan dat „belangrijke kredietinstellingen” niet alleen moeten voldoen aan de overige criteria van artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening om te kunnen worden opgenomen op de lijst van bijlage III bij de bestreden verordening, maar ook is vereist dat zij „expliciet tot taak hebben het concurrentievermogen van de Russische economie, de diversifiëring ervan of investeringen te bevorderen”. |
|
85 |
Derhalve kon de Raad, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of een onjuiste beoordeling, stellen dat verzoekster een „belangrijke [kredietinstelling] […] [is] die gevestigd [is] in Rusland en die voor meer dan 50 % staatseigendom [is] of die voor meer dan 50 % door de staat [wordt] gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014” en bijgevolg voldeed aan de in artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening gestelde voorwaarden om te worden opgenomen in bijlage III bij die verordening. |
|
86 |
Verzoeksters eerste middel moet dus worden afgewezen. |
Tweede middel, in wezen ontleend aan schending van de in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde motiveringsplicht
|
87 |
In het kader van haar tweede middel voert verzoekster aan dat de Raad, in strijd met artikel 296, tweede alinea, VWEU, zijn besluit om verzoekster op te nemen in de lijsten van de bijlagen bij de bestreden handelingen, niet passend of toereikend heeft gemotiveerd. |
|
88 |
Verzoekster voert ten eerste aan dat zij geen brief of kennisgeving van de Raad heeft ontvangen waarin haar werd meegedeeld dat zij was geplaatst op de lijsten van de bijlagen bij de bestreden handelingen, laat staan dat haar de redenen werden meegedeeld waarom de Raad haar op die lijsten wenste te plaatsen, samen met de bewijzen ter staving van die redenen. In dat verband is volgens verzoekster niet van belang dat de relevante bepalingen van de bestreden handelingen niet kunnen worden aangemerkt als maatregelen tot bevriezing van tegoeden, omdat die bepalingen beperkende maatregelen zijn die negatieve gevolgen hebben voor natuurlijke of rechtspersonen ten aanzien van wie individueel maatregelen zijn vastgesteld. De Raad had verzoekster dus de redenen moeten meedelen die rechtvaardigden dat zij werd geplaatst op de lijsten van de bijlagen bij de bestreden handelingen, en de bekendmaking van de betrokken maatregelen in het Publicatieblad van de Europese Unie volstaat niet. |
|
89 |
Ten tweede kan volgens verzoekster uit de bestreden handelingen niet worden opgemaakt op welke grond de Raad tot de slotsom is gekomen dat de criteria voor plaatsing op een lijst op haar van toepassing waren en op welke feiten hij zich daarvoor heeft gebaseerd, aangezien verzoeksters naam in de bijlagen bij de bestreden handelingen was vermeld zonder enige nadere verklaring. Voorts komt het argument dat de bepalingen zelf de vereiste motivering verstrekken op grond waarvan verzoekster in de lijsten van de bijlagen bij de bestreden handelingen kan worden opgenomen, neer op een cirkelredenering van de Raad. |
|
90 |
De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, verzet zich tegen die argumenten. |
|
91 |
Krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU, worden „[r]echtshandelingen […] met redenen omkleed”. Volgens artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest, dat volgens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, behelst het recht op behoorlijk bestuur met name „de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden”. |
|
92 |
Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de bestreden handeling en aan de context waarin deze is vastgesteld. Zij moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de betrokkene de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (zie arrest van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 94en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
93 |
Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Zo is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de tegen hem genomen maatregel kan begrijpen. Voorts hangt de mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 95en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
94 |
Wat ten eerste verzoeksters betoog betreft dat de bestreden handelingen individueel hadden moeten worden meegedeeld, zij opgemerkt dat een dergelijke grief eerder valt onder het middel betreffende de schending van de rechten van verdediging en bijgevolg in dat verband zal worden onderzocht. |
|
95 |
Wat ten tweede de omvang van de in casu op de Raad rustende motiveringsplicht betreft, moet eraan worden herinnerd dat verzoekster enkel verzoekt om nietigverklaring van de bestreden handelingen, voor zover deze haar betreffen en voorzien in de plaatsing van haar naam op de lijsten in bijlage bij die handelingen. |
|
96 |
In dat verband dient erop te worden gewezen dat het voorwerp van de uit de relevante bepalingen van de bestreden handelingen voortvloeiende beperkende maatregelen is bepaald onder verwijzing naar specifieke entiteiten, aangezien die maatregelen onder meer een verbod opleggen op het verrichten van diverse soorten financiële transacties met in bijlage I bij het bestreden besluit en bijlage III bij de bestreden verordening bedoelde entiteiten, waaronder verzoekster. Wat verzoekster betreft, gaat het dus om individuele beperkende maatregelen (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 100 en 119). |
|
97 |
In de rechtspraak is uiteengezet dat de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel dient aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 3 juli 2014, National Iranian Tanker Company/Raad, T‑565/12, EU:T:2014:608, punt 38en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
98 |
Het betoog van de Raad dat de criteria die in de rechtspraak zijn geformuleerd inzake de motiveringsplicht van handelingen waarbij individuele beperkende maatregelen worden opgelegd, in casu niet van toepassing zijn, moet bijgevolg worden afgewezen. |
|
99 |
Overeenkomstig de in punt 93 hierboven aangehaalde rechtspraak moet evenwel rekening worden gehouden met de context waarin de beperkende maatregelen zijn vastgesteld en met het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. |
|
100 |
In casu moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat al die maatregelen passen in de context – die verzoekster bekend was – van internationale spanning die voorafging aan de vaststelling van de bestreden handelingen, zoals beschreven in de punten 2 tot en met 12 hierboven. Uit de overwegingen 1 tot en met 8 van het bestreden besluit en overweging 2 van de bestreden verordening volgt bovendien dat de aangegeven doelstelling van de bestreden handelingen erin bestaat om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en om een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. De bestreden handelingen vermelden daarmee de algemene situatie die tot de vaststelling ervan hebben geleid en de algemene doelstellingen die zij beogen te verwezenlijken (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 123). |
|
101 |
In de tweede plaats moet in herinnering worden gebracht dat op grond van de relevante bepalingen van de bestreden handelingen voor marktdeelnemers van de Unie de hiernavolgende handelingen verboden zijn: de directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van, of enige andere handeling met betrekking tot obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen die tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014 zijn uitgegeven, of met een looptijd van meer dan 30 dagen die na 12 september 2014 zijn uitgegeven door rechtspersonen die voldoen aan de voorwaarden die in die bepalingen zijn gesteld, waaronder de voorwaarde voor meer dan 50 % in eigendom van de Russische Staat te zijn of voor meer dan 50 % door die staat te worden gecontroleerd en waarvan de naam is opgenomen in bijlage I bij het bestreden besluit en bijlage III bij de bestreden verordening (zie punten 17 en 19 hierboven). Die bijlagen bevatten echter geen specifieke motivering voor elk van de daarin opgenomen entiteiten. |
|
102 |
De „specifieke en concrete redenen” waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening was dat de aan de orde zijnde maatregelen ten aanzien van verzoekster moesten worden vastgesteld, in de zin van de in punt 97 hierboven aangehaalde rechtspraak, stemmen in casu evenwel overeen met de criteria die zijn gesteld in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen. |
|
103 |
Ten aanzien van verzoekster zijn namelijk maatregelen vastgesteld louter omdat zij voldeed aan de specifieke en concrete voorwaarden die in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen waren gesteld. |
|
104 |
In dit verband zij erop gewezen dat het feit dat dezelfde overwegingen worden ingeroepen om beperkende maatregelen vast te stellen ten aanzien van meerdere personen, niet betekent dat die overwegingen voor ieder van de betrokken personen geen voldoende specifieke motivering kunnen vormen (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 115). |
|
105 |
Voorts volgt uit de gegevens van het dossier dat, in antwoord op verzoeksters brief van 22 oktober 2014, de Raad bij brief van 9 december 2014 heeft gesteld dat verzoeksters naam op de lijsten van de bijlagen bij de bestreden handelingen was geplaatst juist omdat zij een in Rusland gevestigde belangrijke kredietinstelling was die voor meer dan 50 % eigendom was van de Centrale Bank van de Russische Federatie. |
|
106 |
Een dergelijke aanvullende motivering kan niet als tardief worden beschouwd, aangezien zij slechts beoogt de reeds verstrekte motivering aan te vullen en is gebaseerd op gegevens die verzoekster bekend waren ten tijde van de vaststelling van de bestreden handelingen (zie in die zin arrest van 22 april 2015, Tomana e.a./Raad en Commissie, T‑190/12, EU:T:2015:222, punt 152). In die omstandigheden heeft, hoewel een meer gedetailleerde motivering verkieslijk was geweest, de verstrekte motivering verzoekster in staat gesteld om op voldoende nauwkeurige wijze de rechtvaardiging te kennen van de haar betreffende beperkende maatregelen en die rechtvaardiging te betwisten. Die motivering stelt het Gerecht tevens in staat de rechtmatigheid van de bestreden handelingen te toetsen (zie in die zin arrest van 8 september 2015, Ministry of Energy of Iran/Raad, T‑564/12, EU:T:2015:599, punten 45 en 46). |
|
107 |
Gelet op de voorgaande overwegingen, moet het tweede middel worden afgewezen. |
Derde middel, in wezen ontleend aan schending van de rechten van verdediging en van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming
|
108 |
In het kader van haar derde middel voert verzoekster schending aan van de rechten van verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Zij stelt in dat verband dat zij geen brief heeft ontvangen waarbij haar is meegedeeld dat haar naam op de lijsten van de bestreden handelingen was opgenomen en voorts dat de Raad geen bewijzen heeft overgelegd ter staving van de redenen waarmee hij die plaatsing op de lijsten heeft gerechtvaardigd. De Raad heeft betreffende het besluit om verzoeksters naam op de lijsten te plaatsen documenten meegedeeld die aan dat besluit niet de minste feitelijke grondslag verlenen. |
|
109 |
De Raad betwist die argumenten en is van mening dat, aangezien de bestreden handelingen geen „gerichte” beperkende maatregelen zijn en verzoekster niet rechtstreeks en individueel raken, hij niet verplicht was verzoekster individueel in te lichten. Verzoekster heeft overigens niet aangetoond waarom het achterwege blijven van een individuele kennisgeving in casu een schending van haar rechten van verdediging zou uitmaken. De Raad voert voorts aan dat hij niet verplicht is ambtshalve en uit eigen beweging een op de lijst geplaatste entiteit toegang te verlenen tot de stukken in het haar betreffende dossier. De Raad heeft niettemin op verzoeksters verzoek van 9 december 2014 geantwoord en haar de bewijzen en de documenten betreffende het bestreden besluit meegedeeld die in het dossier waren opgenomen. |
|
110 |
De eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op een doeltreffende bescherming in rechte zijn grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie, waaraan de rechter van de Unie de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig dient te toetsen (zie in die zin arrest van 24 mei 2016, Good Luck Shipping/Raad, T‑423/13 en T‑64/14, EU:T:2016:308, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
111 |
De eerbiediging van de rechten van verdediging, die uitdrukkelijk is verankerd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, omvat in de loop van een procedure die aan de vaststelling van een beperkende maatregel voorafgaat, het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot de stukken met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid (zie in die zin arresten van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 60, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 139en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
112 |
Het recht op een doeltreffende bescherming in rechte, dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest, vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden waarop het tegen hem genomen besluit is gebaseerd, hetzij door lezing van het besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, onverminderd het recht van de bevoegde rechter om te eisen dat de betrokken autoriteit hem die redenen meedeelt, teneinde hem de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de bevoegde rechter te wenden, en teneinde deze laatste ten volle in staat te stellen om de rechtmatigheid van het betrokken besluit te toetsen (zie arrest van 24 mei 2016, Good Luck Shipping/Raad, T‑423/13 en T‑64/14, EU:T:2016:308, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
113 |
Bij die mededeling moet de bevoegde autoriteit van de Unie die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 112). |
|
114 |
Het is in het licht van die beginselen dat verzoeksters argumenten moeten worden onderzocht. |
|
115 |
Om te beginnen moet het argument van de Raad dat de rechtspraak inzake individuele beperkende maatregelen in casu niet van toepassing is omdat het maatregelen van algemene strekking en geen gerichte beperkende maatregelen betreft, worden afgewezen. De bevoegdheid van het Gerecht wat het bestreden besluit betreft, vindt juist zijn grondslag in het feit dat het onderhavige beroep betrekking heeft op het toezicht op de rechtmatigheid van beperkende maatregelen die zijn vastgesteld tegen natuurlijke of rechtspersonen, in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU, zoals het Hof heeft geoordeeld in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236). |
|
116 |
Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat de Raad haar de bestreden handelingen individueel ter kennis had moeten brengen omdat die handelingen beperkende maatregelen ten aanzien van haar vaststelden, dient te worden opgemerkt dat het achterwege blijven van een individuele mededeling van de bestreden handelingen weliswaar van belang is voor het ogenblik waarop de beroepstermijn ingaat, maar op zich niet volstaat om de betrokken handelingen nietig te verklaren. In dat verband voert verzoekster geen argumenten aan die kunnen aantonen dat het achterwege blijven van een individuele mededeling van die handelingen haar rechten in de onderhavige zaak zodanig heeft aangetast dat deze handelingen nietig moeten worden verklaard voor zover zij haar betreffen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 122en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
117 |
Wat in de tweede plaats het argument betreft dat de Raad niet de bewijzen heeft meegedeeld ter staving van de vaststelling van de plaatsing van verzoeksters naam op de lijsten van de bestreden handelingen, moeten de oorspronkelijke handelingen waarbij verzoeksters naam voor het eerst is geplaatst op de lijsten van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn (hierna: „oorspronkelijke handelingen”), en de latere handelingen waarbij die plaatsing is bevestigd en haar naam op de lijsten is gehandhaafd, afzonderlijk worden onderzocht. |
|
118 |
Aangaande, ten eerste, de oorspronkelijke handelingen dient eraan te worden herinnerd dat in de rechtspraak is erkend dat de Raad bij een oorspronkelijk besluit tot bevriezing van tegoeden niet verplicht was om de betrokken persoon of entiteit vooraf de redenen mee te delen op grond waarvan die instelling de naam van die persoon of die entiteit op de betrokken lijst wilde plaatsen. Een dergelijke maatregel moet, om de doeltreffendheid ervan niet in gevaar te brengen, naar zijn aard immers een verrassingseffect kunnen hebben en moet onmiddellijk worden toegepast. In een dergelijk geval volstaat het in beginsel dat de instelling de betrokken persoon of entiteit de redenen meedeelt en hem het recht verleent om bij de vaststelling van het besluit, of onmiddellijk erna, te worden gehoord (arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 61). |
|
119 |
In antwoord op tijdens de terechtzitting hierover gestelde vragen, heeft de Raad aangevoerd dat de in punt 118 hierboven aangehaalde rechtspraak in casu niet van toepassing was, aangezien de aan de orde zijnde beperkende maatregelen beperkingen betroffen op de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie, die van algemene strekking waren en geen individuele maatregelen tot bevriezing van tegoeden sensu stricto. Subsidiair is de Raad van mening dat, gesteld al dat die rechtspraak in casu van toepassing zou zijn, hij niet verplicht was om verzoekster vóór de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen te horen of haar toen reeds de tegen haar in aanmerking genomen bewijzen mee te delen. |
|
120 |
Een dergelijke uitlegging kan niet worden aanvaard. |
|
121 |
Het grondrecht op eerbiediging van de rechten van verdediging in de loop van een procedure die aan de vaststelling van een beperkende maatregel voorafgaat, volgt namelijk uitdrukkelijk uit artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest (zie punt 111 hierboven). |
|
122 |
Aangezien de aan verzoekster krachtens de relevante bepalingen van de bestreden handelingen opgelegde beperkingen beperkende maatregelen met een individuele strekking jegens haar zijn (zie punt 96 hierboven) en niet is aangetoond dat het noodzakelijk was dat die maatregelen een verrassingseffect hadden om de doeltreffendheid ervan te verzekeren, had de Raad dus, voordat hij de bestreden handelingen vaststelde, moeten meedelen waarom die maatregelen op verzoekster van toepassing waren. |
|
123 |
In casu bestaan de door de Raad in aanmerking genomen redenen om aan verzoekster beperkende maatregelen op te leggen, die in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen zelf zijn vermeld, daarin dat zij een in Rusland gevestigde kredietinstelling is die voor meer dan 50 % staatseigendom is of die voor meer dan 50 % door de Staat wordt gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014. |
|
124 |
Verzoekster legt niet uit waarom de omstandigheid dat de Raad haar bepaalde gegevens uit het dossier betreffende die redenen, vooraf niet heeft meegedeeld, haar rechten van verdediging dermate heeft aangetast dat de oorspronkelijke handelingen nietig moeten worden verklaard. |
|
125 |
Een schending van de rechten van verdediging leidt immers slechts tot nietigverklaring van een handeling, wanneer de procedure zonder die onregelmatigheid een andere uitkomst had kunnen hebben (zie in die zin arresten van 18 september 2014, Georgias e.a./Raad en Commissie, T‑168/12, EU:T:2014:781, punt 106, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 153). |
|
126 |
In casu zet verzoekster niet uiteen welke argumenten of gegevens zij had kunnen aanvoeren indien zij de betrokken documenten eerder had ontvangen en heeft zij evenmin aangetoond dat die argumenten of die gegevens in haar geval tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden. Verzoekster kan immers niet op goede gronden stellen dat zij ten tijde van de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen niet wist dat zij een in Rusland gevestigde kredietinstelling is die voor meer dan 50 % staatseigendom is of die voor meer dan 50 % door de Staat wordt gecontroleerd. Daarenboven heeft verzoekster in het kader van haar eerste middel weliswaar betwist dat zij voldeed aan de criteria die waren gesteld in de relevante bepalingen van de bestreden handelingen, doch zij heeft niet uitgelegd waarom het feit dat die criteria haar niet vooraf zijn meegedeeld in casu haar rechten van verdediging kon aantasten. De onderhavige grief kan dus niet leiden tot nietigverklaring van de oorspronkelijke handelingen. |
|
127 |
Wat ten tweede de latere handelingen betreft waarbij de beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster zijn gehandhaafd, is in de rechtspraak bepaald dat de Raad in het kader van de vaststelling van een besluit waarbij de naam van een persoon of entiteit wordt gehandhaafd op een lijst van personen of entiteiten die zijn onderworpen aan beperkende maatregelen, het recht van die persoon of die entiteit om de bewijsgegevens meegedeeld te krijgen die tegen hem zijn aangevoerd en het recht om voorafgaandelijk te worden gehoord, in acht moest nemen wanneer hij nieuwe gegevens in aanmerking nam, dat wil zeggen gegevens die niet voorkwamen in het oorspronkelijke besluit waarbij de betrokkene op die lijst werd geplaatst (zie in die zin arresten van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 63, en 18 juni 2015, Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 26en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
128 |
In casu waren de criteria die in aanmerking waren genomen om verzoeksters naam te handhaven op de lijsten in bijlage bij de bestreden handelingen, van meet af aan opgenomen in artikel 1, lid 1, onder a), van het bestreden besluit en artikel 5, lid 1, onder a), van de bestreden verordening. Verzoekster is namelijk opgenomen in bijlage I bij het bestreden besluit en in bijlage III bij de bestreden verordening omdat zij een in Rusland gevestigde belangrijke kredietinstelling is die voor meer dan 50 % staatseigendom is of die voor meer dan 50 % door de Staat wordt gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014. Die gegevens waren verzoekster goed bekend en kunnen dus niet worden beschouwd als nieuwe gegevens in de zin van voornoemde rechtspraak. |
|
129 |
Ten slotte zij in herinnering gebracht dat, wanneer voldoende nauwkeurige inlichtingen zijn meegedeeld die de betrokken persoon in staat stellen zijn standpunt over de door de Raad tegen hem aangevoerde elementen naar behoren kenbaar te maken, het beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging niet verlangt dat die instelling uit eigen beweging toegang verleent tot de stukken in haar dossier. De Raad moet enkel op verzoek van de belanghebbende toegang verlenen tot alle niet-vertrouwelijke administratieve stukken betreffende de betrokken maatregel (zie arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 97en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
130 |
In de onderhavige zaak is de Raad die verplichting nagekomen en heeft hij op verzoeksters verzoek om informatie van 22 oktober 2014 geantwoord bij brief van 9 december 2014. In dat verband heeft de Raad toegang verleend tot de documenten in zijn bezit die betrekking hadden op zijn besluit om jegens verzoekster beperkende maatregelen vast te stellen. |
|
131 |
De mededeling van die gegevens heeft derhalve binnen een redelijke termijn plaatsgevonden en volstond om verzoekster in staat te stellen haar rechten op een doeltreffende manier te doen gelden en haar rechten van verdediging te doen nakomen. |
|
132 |
Derhalve moet verzoeksters tweede grief alsook het derde middel in zijn geheel worden afgewezen. |
Vierde middel, in wezen ontleend aan schending van verzoeksters grondrechten, inzonderheid het recht op eigendom, het recht om een activiteit uit te oefenen en het recht op eerbiediging van de reputatie
|
133 |
In het kader van haar vierde middel voert verzoekster aan dat het besluit van de Raad om de aan de orde zijnde beperkende maatregelen vast te stellen, een ongerechtvaardigde en onevenredige inbreuk op haar grondrechten inhoudt, inzonderheid haar recht op eigendom, het recht om een activiteit uit te oefenen en het recht op eerbiediging van haar reputatie, die voortvloeien uit de artikelen 16 en 17 van het Handvest en uit artikel 1 van Protocol nr. 1 dat is gehecht aan het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950. |
|
134 |
Ten eerste stelt verzoekster dat de plaatsing van haar naam op de lijsten van de bestreden handelingen niet evenredig is met een legitiem doel. Verzoekster op de lijsten van die handelingen plaatsen, past niet in het kader van de legitieme doelstelling van de beperkende maatregelen die zijn gericht tegen acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren. Overigens wordt niet aangevoerd dat zij financieel heeft bijgedragen aan het uitstippelen van het beleid of aan besluiten in verband met die acties of een rol daarbij heeft gespeeld. Verzoekster voert zelfs aan dat zij de Oekraïense economie ondersteunt doordat zij extra kapitaal en geld verstrekt aan haar klanten in Oekraïne. De bestreden handelingen moeten aldus worden uitgelegd dat daarmee wordt beoogd druk uit te oefenen op de acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren en niet een ruimere druk uit te oefenen op ondernemingen of burgers die geen band hebben met de situatie in Oekraïne. Volgens verzoekster moet de band tussen de in de bestreden handelingen genoemde personen of entiteiten en de activiteiten van de Russische regering in Oekraïne dus doorslaggevend zijn bij de opname van die personen of entiteiten in die handelingen. |
|
135 |
Ten tweede voert verzoekster aan dat zij vanwege de plaatsing van haar naam op de lijsten van de bestreden handelingen financieel verlies lijdt en ernstig nadeel ondervindt. De aantasting van haar reputatie berokkent haar schade, maar veroorzaakt bovendien voor heel de groep en heel het merk een daling van het vertrouwen en negatieve gevolgen. |
|
136 |
De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist die argumenten. |
|
137 |
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens artikel 16 van het Handvest „[d]e vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken”. |
|
138 |
In de tweede plaats bepaalt artikel 17, lid 1, van het Handvest: „Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.” |
|
139 |
Het staat buiten kijf dat beperkende maatregelen als die welke aan de orde zijn in de onderhavige zaak, de rechten die verzoekster geniet krachtens de artikelen 16 en 17 van het Handvest duidelijk beperken (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 september 2016, NIOC e.a./Raad, C‑595/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:721, punt 50en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
140 |
De door verzoekster ingeroepen grondrechten hebben echter geen absolute gelding en kunnen bijgevolg worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 121, en 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 195en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
141 |
Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest moeten „beperkingen op de uitoefening van de in [het] Handvest erkende rechten en vrijheden […] bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen” en „[m]et inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, slechts beperkingen [kunnen] worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan de door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”. |
|
142 |
Om in overeenstemming met het Unierecht te zijn, moet een beperking op de uitoefening van de betrokken grondrechten dus aan drie voorwaarden voldoen. Ten eerste moet de beperking bij wet worden gesteld. Met andere woorden, er moet voor de maatregel een rechtsgrondslag zijn. Ten tweede moet de beperking beantwoorden aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang. Ten derde mag de beperking niet buitensporig zijn. Zij moet noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn aan het nagestreefde doel en voorts mag de „wezenlijke inhoud”, dat wil zeggen de kern van het betrokken recht of de betrokken vrijheid, niet worden aangetast (zie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punten 170‑173 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
143 |
In casu zijn deze voorwaarden vervuld. |
|
144 |
Ten eerste zijn de aan de orde zijnde beperkende maatregelen „bij wet gesteld”, aangezien zij zijn vastgesteld in handelingen die met name een algemene strekking hebben, over een duidelijke rechtsgrondslag in het Unierecht beschikken en voldoende gemotiveerd zijn (zie punten 91‑107 hierboven). |
|
145 |
Ten tweede volgt uit de overwegingen 1 tot en met 8 van het bestreden besluit en overweging 2 van de bestreden verordening dat de aangegeven doelstelling van die handelingen erin bestaat de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Deze doelstelling strookt met het doel om de vrede en internationale veiligheid te handhaven overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 115). |
|
146 |
Wat ten derde het evenredigheidsbeginsel betreft, zij in herinnering gebracht dat dit als algemeen beginsel van het Unierecht vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en de veroorzaakte nadelen mogen niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel (zie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 178en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
147 |
Dienaangaande wordt in de rechtspraak verduidelijkt dat met betrekking tot het rechterlijk toezicht op de naleving van het evenredigheidsbeginsel moet worden erkend dat de Uniewetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Dit betekent dat een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig is wanneer deze kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 146en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
148 |
In de eerste plaats is verzoekster van mening dat de beperkende maatregelen die haar krachtens de bestreden handelingen zijn opgelegd, het niet mogelijk maken de met die handelingen nagestreefde doelstellingen te bereiken, te weten druk uit te oefenen op de Russische regering door de toegang tot de kapitaalmarkt te beperken voor door de Raad aangewezen Russische overheidsbanken, aangezien zij niet de minste rol speelt in de acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren. |
|
149 |
Dat verzoekster niet de minste rol speelt in de acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren is echter niet van belang, omdat jegens haar niet om die reden beperkende maatregelen zijn vastgesteld, maar wel omdat zij een in Rusland gevestigde belangrijke kredietinstelling is die voor meer dan 50 % staatseigendom is of die voor meer dan 50 % door de Staat wordt gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014 |
|
150 |
Voorts is het juist dat de beperkende maatregelen per definitie gevolgen hebben die het recht van eigendom en het recht van vrije beroepsuitoefening aantasten, waardoor schade wordt berokkend aan partijen die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld. Dit geldt temeer voor de entiteiten die worden geraakt door tegen hen gerichte beperkende maatregelen (zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 149en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
151 |
Evenwel zij opgemerkt dat het belang van de met de bestreden handelingen nagestreefde doelstellingen – te weten de bescherming van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne en de bevordering van een vreedzame oplossing van de crisis in dit land –, die onderdeel zijn van de ruimere doelstelling om overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie de vrede en internationale veiligheid in stand te houden, zelfs aanzienlijke negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld, kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 149 en 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
152 |
In de tweede plaats bestaat er, anders dan verzoekster stelt, een redelijke verhouding tussen de aan de orde zijnde beperkende maatregelen en het door de Raad met de vaststelling daarvan nagestreefde doel. Aangezien dit doel er onder meer in bestaat om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, is de aanpak om de maatregelen te richten tegen Russische overheidsbanken immers een logische manier om dit doel te verwezenlijken, en kan deze in ieder geval niet worden aangemerkt als kennelijk ongeschikt voor het nagestreefde doel (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 147). |
|
153 |
De Raad kon namelijk op goede gronden stellen dat het beperken van de toegang tot de kapitaalmarkt van de Unie voor verzoekster kon bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van de bestreden handelingen, te weten de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen (zie punt 15 hierboven). Dat verzoekster aanvoert dat zij naar aanleiding van de vaststelling van de aan de orde zijnde beperkende maatregelen verlies en aanhoudende schade heeft geleden, toont aan dat de aan de orde zijde beperkende maatregelen het mogelijk maken de ermee beoogde doelstelling te bereiken. Wanneer verzoekster namelijk met financiële moeilijkheden te kampen heeft, zullen haar aandeelhouders en uiteindelijk de Russische Staat tot een bail-out moeten overgaan. |
|
154 |
De Raad kon dus op goede gronden stellen dat, om die doelstelling te bereiken, maatregelen dienden te worden vastgesteld tegen belangrijke kredietinstellingen of instellingen voor financieringsontwikkeling die gevestigd zijn in Rusland en die voor meer dan 50 % staatseigendom waren of die voor meer dan 50 % door de Staat werden gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014. |
|
155 |
In de derde plaats bestaan de in casu door de Raad vastgestelde maatregelen uit gerichte economische sancties, die niet kunnen worden beschouwd als een volledige onderbreking van de economische en financiële betrekkingen met een derde land, hoewel de Raad krachtens artikel 215 VWEU daartoe gemachtigd is. |
|
156 |
In deze omstandigheden en rekening houdend met onder meer de geleidelijke intensivering van de door de Raad in reactie op de crisis in Oekraïne vastgestelde beperkende maatregelen, kan de inmenging in de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom van verzoekster niet als onevenredig worden beschouwd (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 150). |
|
157 |
Wat ten slotte het door verzoekster aangevoerde recht op eerbiediging van haar reputatie betreft, moet worden opgemerkt dat schade aan de reputatie van een persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn en die het gevolg is van de redenen die deze maatregelen rechtvaardigen, op zich geen onevenredige schending van het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap van die persoon kan uitmaken. Dit argument kan niet slagen, omdat het verband tussen de door de verzoekende partij aangevoerde reputatieschade en de schendingen van de grondrechten die in het onderhavige middel aan de orde zijn, niet wordt verduidelijkt. Voorts zij hoe dan ook in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak, net als het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eerbiediging van de reputatie geen absoluut voorrecht is en aan de uitoefening ervan beperkingen kunnen worden gesteld die zijn gerechtvaardigd door doelstellingen van algemeen belang die de Unie nastreeft. Het belang van de met de aan de orde zijnde beperkende maatregelen nagestreefde doelstellingen kan dus de zelfs aanzienlijke negatieve gevolgen voor de reputatie van de betrokken personen of entiteiten rechtvaardigen (zie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 167 en 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
158 |
Gelet op een en ander moet het vierde middel worden afgewezen. |
Exceptie van onwettigheid van artikel 1 van het bestreden besluit en artikel 5 van de bestreden verordening
|
159 |
Verzoekster verzoekt het Gerecht krachtens artikel 277 VWEU vast te stellen dat artikel 1 van het bestreden besluit en artikel 5 van de bestreden verordening onwettig zijn. |
|
160 |
Verzoekster voert aan dat de Raad enkel criteria tot plaatsing op een lijst kan vaststellen die geschikt zijn en evenredig zijn met de aan de orde zijnde maatregelen. Volgens verzoekster heeft de Raad in casu niet aangetoond hoe het opleggen van verboden betreffende effecten en geldmarktinstrumenten aan de instellingen waarop de bestreden handelingen van toepassing zijn, gerechtvaardigd is in het licht van de met die handelingen nagestreefde doelstellingen, laat staan dat hij heeft aangetoond dat die doelstellingen daarmee op een evenredige manier kunnen worden bereikt. |
|
161 |
De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, is van mening dat die exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk of in ieder geval ongegrond moet worden verklaard. |
|
162 |
Er zij opgemerkt dat de argumenten die ter staving van dat middel worden aangevoerd en waarmee wordt gesteld dat de aan de orde zijnde beperkende maatregelen ongeschikt en onevenredig zijn, identiek zijn aan of grotendeels overeenkomen met die welke reeds in het kader van het vierde middel hierboven zijn onderzocht. |
|
163 |
Zonder dat de ontvankelijkheid van dit middel hoeft te worden onderzocht, moet derhalve noodzakelijkerwijze worden verwezen naar de in de punten 146 tot en met 157 hierboven geformuleerde overwegingen en moet de door verzoekster opgeworpen exceptie van onwettigheid om dezelfde redenen worden afgewezen. |
|
164 |
Bijgevolg moet de exceptie van onwettigheid worden afgewezen en moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over verzoeksters conclusies tot aanpassing van het verzoekschrift. |
Kosten
|
165 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten. |
|
166 |
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Commissie zal dus haar eigen kosten dragen. |
|
HET GERECHT (Zesde kamer), rechtdoende, verklaart: |
|
|
|
|
Berardis Spielmann Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 september 2018. ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Engels.