ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

18 november 2015 ( *1 )

„Dumping — Invoer van bepaalde compressoren van oorsprong uit China — Gedeeltelijke weigering van terugbetaling van de betaalde antidumpingrechten — Vaststelling van de uitvoerprijs — Aftrek van de antidumpingrechten — Aanpassing in de tijd van de gevolgen van een nietigverklaring”

In zaak T‑73/12,

Einhell Germany AG, gevestigd te Landau an der Isar (Duitsland),

Hans Einhell Nederland BV, gevestigd te Breda (Nederland),

Einhell France SAS, gevestigd te Villepinte (Frankrijk),

Hans Einhell Österreich GmbH, gevestigd te Wenen (Oostenrijk),

vertegenwoordigd door R. MacLean, solicitor, en A. Bochon, advocaat,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Stobiecka-Kuik, K. Talabér-Ritz en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van de besluiten C(2011) 8831 definitief, C(2011) 8825 definitief, C(2011) 8828 definitief en C(2011) 8810 definitief van de Commissie van 6 december 2011 betreffende verzoeken tot terugbetaling van de antidumpingrechten die zijn betaald over de invoer van bepaalde compressoren van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en, voor het geval dat het Gerecht die besluiten nietig verklaart, een vordering tot handhaving van de gevolgen van die besluiten tot de Commissie de maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het door het Gerecht te wijzen arrest,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová en E. Buttigieg (rapporteur), rechters,

griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 december 2014,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1

Einhell Germany AG, Hans Einhell Nederland BV, Einhell France SAS en Hans Einhell Österreich GmbH (hierna samen: „verzoeksters”) zijn vier vennootschappen van de groep Einhell die onder meer luchtcompressoren van oorsprong uit de Volksrepubliek China invoeren. Zij voeren in de Europese Unie in het bijzonder compressoren in die zij kopen van Nu Air (Shanghai) Compressors and Tools Co. Ltd (hierna: „Nu Air Shanghai” of de „producent-exporteur”), een in China gevestigde vennootschap van de groep Nu Air.

2

Bij verordening (EG) nr. 261/2008 van 17 maart 2008 heeft de Raad van de Europese Unie een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde compressoren van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 81, blz. 1). Op de in verordening nr. 261/2008 bedoelde, door Nu Air Shanghai vervaardigde compressoren (hierna: „betrokken product”) is een antidumpingrecht van 13,7 % toegepast.

3

Tussen juni 2009 en juni 2010 hebben verzoeksters, overeenkomstig artikel 11, lid 8, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51; hierna: „basisverordening”)], verschillende verzoeken ingediend tot terugbetaling van de bij verordening nr. 261/2008 ingestelde definitieve antidumpingrechten die zij over de invoer van door Nu Air Shanghai vervaardigde compressoren hadden betaald, voor een totaal bedrag van 1067158,66 EUR. Deze verzoeken zijn bij de Europese Commissie ingediend via de bevoegde nationale autoriteiten in respectievelijk Duitsland, Nederland, Frankrijk en Oostenrijk.

4

Verder hebben de vennootschappen Nu Air Compressors and Tools SpA, Nu Air Polska sp. z o.o. en Mecafer (hierna samen: „verbonden importeur”), die eveneens tot de groep Nu Air behoren, verzoeken ingediend tot terugbetaling van de antidumpingrechten die zij over de invoer van door Nu Air Shanghai vervaardigde compressoren hadden betaald.

5

De Commissie heeft een onderzoek geopend voor de terugbetaling van de antidumpingrechten die over de invoer van door Nu Air Shanghai vervaardigde compressoren waren betaald. Dit onderzoek had betrekking op het tijdvak tussen 1 september 2008 en 31 december 2009 (hierna: „tijdvak van onderzoek voor terugbetaling”).

6

Op 6 april 2011 heeft de Commissie verzoeksters vier informatiedocumenten toegestuurd met de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan zij voorstelde, de herziene dumpingmarge voor Nu Air Shanghai op 11,2 % te bepalen en hun een gedeeltelijke terugbetaling toe te kennen.

7

Op 26 april 2011 hebben verzoeksters de Commissie laten weten dat zij van mening waren dat de herziene dumpingmarge voor Nu Air Shanghai minder dan 11,2 % bedroeg, en hebben zij de Commissie verwezen naar de opmerkingen die de verbonden importeur daarover had ingediend.

8

In een aan de verbonden importeur geadresseerd schrijven van 19 juli 2011 heeft de Commissie de gegrondheid van enkele van diens opmerkingen aanvaard en de dumpingmarge verminderd tot 10,7 %.

9

Bij e-mail van 26 juli 2011 heeft de verbonden importeur bij de Commissie nieuwe opmerkingen ingediend, waarin hij is opgekomen tegen de methode die de Commissie voor de berekening van de dumpingmarge had toegepast. Hij is in het bijzonder opgekomen tegen het feit dat de antidumpingrechten in mindering zijn gebracht bij de berekening van de uitvoerprijs, en heeft zich daarbij beroepen op artikel 11, lid 10, van de basisverordening. Ten slotte heeft hij de Commissie verzocht hem de berekeningen over te leggen waarop deze zich had gebaseerd om de antidumpingrechten in mindering te brengen bij de samenstelling van de uitvoerprijs op basis van artikel 2, lid 9, van de basisverordening. Deze berekeningen zijn de verbonden importeur bij e-mail van dezelfde dag toegestuurd.

10

Op 28 juli 2011 heeft de verbonden importeur de Commissie een e-mail gestuurd om uitleg te krijgen over de wijze waarop deze de resultaten van bovengenoemde berekeningen had geïnterpreteerd. De Commissie heeft daarop geantwoord bij e-mail van dezelfde dag.

11

Op 17 oktober 2011 heeft de Commissie verzoeksters vier eindinformatiedocumenten toegestuurd met de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan zij de op het betrokken product toepasselijke dumpingmarge wilde herzien en hun een gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde antidumpingrechten wilde toekennen.

12

Bij e-mails van 20 en 21 oktober 2011 heeft de verbonden importeur de Commissie aanvullende uitleg gevraagd over de methode die deze had toegepast om te beoordelen of de antidumpingrechten tot uitdrukking waren gebracht in de prijzen waartegen het betrokken product aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie werd doorverkocht. De Commissie heeft dit verzoek afgewezen en de verbonden importeur verwezen naar de in haar e-mail van 28 juli 2011 verstrekte uitleg.

13

Op 6 december 2011 heeft de Commissie de besluiten C(2011) 8831 definitief, C(2011) 8825 definitief, C(2011) 8828 definitief en C(2011) 8810 definitief (hierna samen: „bestreden besluiten”) vastgesteld, waarin zij, enerzijds, de herziene dumpingmarge voor Nu Air Shanghai op 10,7 % heeft bepaald, en anderzijds, verzoeksters terugbetaling van de onverschuldigd betaalde antidumpingrechten heeft toegekend ten belope van het verschil tussen de aanvankelijke dumpingmarge (13,7 %) en de herziene dumpingmarge (10,7 %).

14

Voor de berekening van de herziene dumpingmarge is de normale waarde van het betrokken product samengesteld volgens artikel 2, lid 3, van de basisverordening.

15

Voor de rechtstreeks of via een verbonden vennootschap buiten de Unie verrichte verkopen aan onafhankelijke afnemers in de Unie is de uitvoerprijs overigens overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het betrokken product.

16

Voor de uitvoer naar de Unie via verbonden vennootschappen in de Unie die alle invoertaken voor het betrokken product hebben verricht, zoals de aan de producent-exporteur verbonden importeur, is de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer in de Unie zijn doorverkocht. Om een betrouwbare uitvoerprijs te verkrijgen, zijn correcties toegepast om rekening te houden met alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten en met de winst.

17

In het bijzonder zijn, overeenkomstig artikel 11, lid 10, van de basisverordening, de betaalde antidumpingrechten in mindering gebracht bij de samenstelling van de uitvoerprijs, omdat de verbonden importeur niet had aangetoond dat deze rechten behoorlijk in alle wederverkoopprijzen tot uitdrukking waren gebracht. Bovendien is het argument van de verbonden importeur, dat zijn totale omzet betreffende de wederverkoop van het betrokken product meer is gestegen dan het totale bedrag van de over de invoer van dat product betaalde rechten, afgewezen op grond dat dit geen afbreuk deed aan de conclusie dat het antidumpingrecht niet behoorlijk tot uitdrukking was gebracht in de wederverkoopprijs van een groot aantal types van het betrokken product, en het prijsbeleid dus niet was gewijzigd op een wijze die de betaalde antidumpingrechten weerspiegelde.

18

Ten slotte is voor de berekening van de dumpingmarge van 10,7 % de gemiddelde normale waarde van elk producttype vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van het overeenkomstige type van het betrokken product.

19

Kortom, in besluit C(2011) 8831 definitief heeft de Commissie het verzoek tot terugbetaling van Einhell Germany toegewezen ten belope van 157950,76 EUR en afgewezen voor het overige, te weten voor 734777,06 EUR; in besluit C(2011) 8825 definitief heeft de Commissie het verzoek tot terugbetaling van Hans Einhell Nederland toegewezen ten belope van 21113,52 EUR en afgewezen voor het overige, te weten voor 92502,22 EUR; in besluit C(2011) 8828 definitief heeft de Commissie het verzoek tot terugbetaling van Einhell France toegewezen ten belope van 11517,09 EUR en afgewezen voor het overige, te weten voor 41077,62 EUR; ten slotte heeft de Commissie in besluit C(2011) 8810 definitief het verzoek tot terugbetaling van Hans Einhell Österreich toegewezen ten belope van 1800,09 EUR en afgewezen voor het overige, te weten voor 6420,30 EUR.

Procedure en conclusies van partijen

20

Bij een op 17 februari 2012 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

21

Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en in het kader van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het partijen schriftelijk een aantal vragen gesteld en hun verzocht een aantal documenten over te leggen. Partijen hebben een gunstig gevolg gegeven aan die maatregelen tot organisatie van de procesgang.

22

Bij schrijven van 27 november 2014 hebben verzoeksters nieuwe bewijzen aangeboden. Bij beslissing van de president van de Eerste kamer van het Gerecht van 5 december 2014 zijn al deze documenten aan het dossier toegevoegd.

23

Ter terechtzitting van 12 december 2014 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.

24

Verzoeksters verzoeken het Gerecht:

het beroep ontvankelijk te verklaren;

artikel 1 van de bestreden besluiten nietig te verklaren voor zover hun daarbij slechts gedeeltelijke terugbetaling van de door hen betaalde antidumpingrechten is toegekend;

te gelasten dat de gevolgen van de bestreden besluiten worden gehandhaafd tot de Commissie de maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het door het Gerecht te wijzen arrest;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

25

De Commissie verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

Ontvankelijkheid

Ontvankelijkheid van de door verzoeksters op 27 november 2014 overgelegde bewijzen

26

In artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 wordt bepaald:

„Partijen kunnen nog in de repliek en in de dupliek aanbieden hun stellingen nader te bewijzen. De vertraging waarmee zodanig bewijsaanbod geschiedt, dient te worden gemotiveerd.”

27

Dit artikel staat bewijsaanbiedingen buiten met name de in artikel 46, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 bedoelde situatie toe. Naar analogie aanvaardt het Gerecht dat na dupliek nog bewijsaanbiedingen worden gedaan wanneer de bewijsaanbieder vóór de sluiting van de schriftelijke behandeling niet over het betrokken bewijs kon beschikken, of wanneer de te laat overgelegde stukken van de tegenpartij rechtvaardigen dat het dossier wordt aangevuld om het beginsel van hoor en wederhoor te eerbiedigen (arrest van 14 april 2005, Gaki-Kakouri/Hof van Justitie, C‑243/04 P, EU:C:2005:238, punt 32).

28

Omdat artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 een uitzondering op de regels inzake het bewijsaanbod vormt, verplicht het de partijen om het late tijdstip van hun bewijsaanbod te motiveren. Die verplichting impliceert dat de rechter bevoegd is om de gegrondheid van de motivering voor het late tijdstip van het bewijsaanbod en, afhankelijk van het geval, de inhoud van dat aanbod te controleren, en dat hij dit aanbod kan afwijzen indien het verzoek niet rechtens genoegzaam is gerechtvaardigd. Dit geldt a fortiori voor het bewijsaanbod dat na de neerlegging van de dupliek wordt gedaan (arrest Gaki-Kakouri/Hof van Justitie, punt 27 supra, EU:C:2005:238, punt 33).

29

In het onderhavige geval hebben verzoeksters bij hun schrijven van 27 november 2014 negen door de Commissie in het kader van andere procedures van terugbetaling van antidumpingrechten genomen besluiten gevoegd, waarvan er acht vóór het einde van de schriftelijke behandeling van de procedure zijn vastgesteld, en de laatste na het sluiten van de schriftelijke behandeling is vastgesteld. Ter rechtvaardiging van het late tijdstip van deze bewijsaanbiedingen hebben verzoeksters met name aangevoerd dat bovengenoemde besluiten niet waren bekendgemaakt en dat zij dus verschillende verzoeken om toegang tot die documenten bij de Commissie hadden moeten indienen en dat deze laatste die verzoeken pas na de neerlegging van de repliek heeft toegewezen.

30

De Commissie heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

31

In die omstandigheden dienen de bewijzen die verzoeksters als bijlage bij hun schrijven van 27 november 2014 hebben aangeboden, ontvankelijk te worden verklaard.

Ontvankelijkheid van bijlage D.5

32

De Commissie heeft als bijlage D.5 bij haar dupliek een document overgelegd dat zij als verweerster in de zaken Mecafer/Commissie (T‑74/12), Nu Air Polska/Commissie (T‑75/12) en Nu Air Compressors and Tools/Commissie (T‑76/12) had verkregen. Bovendien heeft zij in punt 86 van haar dupliek naar de inhoud van bijlage D.5 verwezen om de ongegrondheid van het betoog van verzoeksters aan te tonen.

33

Het als bijlage D.5 overgelegde document was echter door iedere verzoekster in de zaken T‑74/12, T‑75/12 en T‑76/12 als bijlage bij haar memories voor het Gerecht overgelegd.

34

Op haar antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde mondelinge vraag heeft de Commissie verklaard dat zij de verzoeksters in de zaken T‑74/12, T‑75/12 en T‑76/12 niet om toestemming heeft gevraagd om het in het kader van de onderhavige zaak als bijlage D.5 overgelegde document te mogen benutten.

35

Verzoeksters hebben ter terechtzitting gesteld dat bijlage D.5 niet-ontvankelijk is.

36

Enerzijds dient er in dit verband aan te worden herinnerd dat elke bij het Gerecht ingestelde zaak zijn eigen dossier heeft met onder meer de door de partijen in de betrokken zaak overgelegde stukken en processtukken en dat elk van deze dossiers volledig autonoom is. Dit laatste punt wordt geïllustreerd door artikel 5, lid 6, van de instructies voor de griffier van het Gerecht, volgens hetwelk: „[e]en processtuk dat in een bepaalde zaak is neergelegd en in het dossier van die zaak is opgenomen, [...] niet in aanmerking [kan] worden genomen voor het in gereedheid brengen van een andere zaak”.

37

Anderzijds is het vaste rechtspraak dat partijen volgens de regels voor de behandeling van zaken voor het Gerecht bescherming genieten tegen oneigenlijk gebruik van de processtukken, en dat partijen zelf of de interveniënten in een zaak de processtukken van de andere partijen waartoe zij toegang hebben gekregen, dus alleen mogen gebruiken tot eigen verweer in die zaak (beschikking van 15 oktober 2009, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, Jurispr., EU:T:2009:403, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Behalve in uitzonderlijke gevallen waarin de openbaarmaking van een stuk de goede rechtsbedeling kan schaden, staat het partijen echter vrij om hun eigen memories openbaar te maken aan een derde (zie beschikking Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, punt 37 supra, EU:T:2009:403, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dezelfde zin zou een partij bij een procedure onder hetzelfde voorbehoud ermee kunnen instemmen dat een memorie die zij in deze procedure heeft ingediend, door een andere partij bij die procedure wordt gebruikt in een andere procedure (beschikking Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, punt 37 supra, EU:T:2009:403, punt 14).

39

Enerzijds dient er in het onderhavige geval op te worden gewezen dat het als bijlage D.5 overgelegde document twee tabellen bevat met de berekeningen die verzoeksters in de zaken T‑74/12, T‑75/12 en T‑76/12 hebben gemaakt om aan te tonen dat de herziene dumpingmarge voor Nu Air Shanghai kleiner had moeten zijn dan die welke de Commissie heeft berekend.

40

Anderzijds staat vast dat de Commissie geen toestemming heeft gekregen om bijlage D.5 in het kader van de onderhavige zaak over te leggen.

41

Bijgevolg moet bijlage D.5 overeenkomstig de in de punten 37 en 38 hierboven aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

42

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten die de Commissie ter terechtzitting heeft aangevoerd.

43

Allereerst betoogt de Commissie dat verzoeksters vóór de terechtzitting geen bezwaar hadden gemaakt tegen bijlage D.5, ofschoon zij in deze zaak door dezelfde advocaat worden verdedigd als de verzoeksters in de zaken T‑74/12, T‑75/12 en T‑76/12. Deze omstandigheid neemt echter niet weg dat bijlage D.5 zonder toestemming van laatstgenoemde verzoeksters is overgelegd.

44

Het argument van de Commissie faalt dus.

45

Verder betoogt de Commissie, zakelijk weergegeven, dat in het onderhavige geval de in bijlage D.5 voorkomende gegevens door verzoeksters in de vorm van uittreksels zijn overgelegd in de bijlagen A.15 en A.16. Opgemerkt dient echter te worden dat de in de bijlagen A.15 en A.16 voorkomende gegevens niet dezelfde zijn als die welke in bijlage D.5 staan.

46

Het argument van de Commissie is dus ongegrond.

47

Gelet op het voorgaande dient, enerzijds, de verwijdering van bijlage D.5 uit het dossier te worden gelast, en anderzijds elke in het dossier voorkomende verwijzing naar die bijlage en naar de inhoud ervan te worden geschrapt.

Ten gronde

48

Verzoeksters vorderen, enerzijds, gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden besluiten op grond van artikel 263 VWEU, en anderzijds, voorlopige handhaving van de gevolgen van die besluiten op grond van artikel 264 VWEU.

Eerste vordering: gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden besluiten

49

In de eerste plaats vorderen verzoeksters, zakelijk weergegeven, gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden besluiten voor zover de Commissie bij die besluiten hun verzoeken tot terugbetaling van de antidumpingrechten slechts gedeeltelijk heeft ingewilligd, en hun bijgevolg slechts terugbetaling van de in artikel 1 van die besluiten genoemde bedragen heeft toegekend.

50

Ter ondersteuning van hun eerste vordering voeren verzoeksters twee middelen aan. Als eerste middel verwijten zij de Commissie kennelijke beoordelingsfouten bij de keuze van de winstmarge die bij de samenstelling van de uitvoerprijs volgens artikel 2, lid 9, van de basisverordening in mindering is gebracht, en schending van de artikelen 2, lid 9, en 18, lid 3, van de basisverordening. Als tweede middel verwijten zij de Commissie, zakelijk weergegeven, dat deze een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door het bedrag van de door de verbonden importeur betaalde antidumpingrechten in mindering te brengen bij de samenstelling van de uitvoerprijs, en bijgevolg, in strijd met de artikelen 2, leden 9 en 11, en 11, lid 10, van de basisverordening geen betrouwbare uitvoerprijs en dumpingmarge heeft vastgesteld.

51

Volgens het Gerecht is het beter, het tweede middel ter ondersteuning van de eerste vordering vóór het eerste middel te onderzoeken.

52

Het tweede middel van verzoeksters bestaat uit vijf onderdelen. Het eerste onderdeel betreft onjuiste uitlegging van artikel 11, lid 10, van de basisverordening doordat de Commissie heeft geoordeeld dat het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten voor elk luchtcompressortype moest worden vastgesteld, het tweede onderdeel betreft de schadelijkheid van deze modus operandi voor de vaststelling van een betrouwbare uitvoerprijs en van een betrouwbare gewogen gemiddelde dumpingmarge, het derde onderdeel betreft schending van de rechtspraak van de beroepsinstantie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en van het Hof, het vierde onderdeel betreft het overdreven belang dat aan die modus operandi is toegekend in het kader van de analyse van de wederverkoopprijzen, en het vijfde onderdeel ten slotte betreft het arbitraire karakter van die modus operandi.

53

Volgens het Gerecht is het beter, eerst het eerste onderdeel van het tweede middel en vervolgens het derde, het vierde, het vijfde en het tweede onderdeel te onderzoeken.

– Eerste onderdeel van het tweede middel

54

Verzoeksters stellen, zakelijk weergegeven, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door voor de beoordeling of de antidumpingrechten tot uitdrukking waren gebracht in de wederverkoopprijzen aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie een methode van analyse per productcontrolenummer (hierna: „PCN-methode”) toe te passen, die geen grondslag zou hebben in de basisverordening en ook niet in de rechtspraak. Volgens verzoeksters is deze methode in strijd met een letterlijke en teleologische uitlegging van artikel 11, lid 10, van de basisverordening, volgens welke het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten dient te worden beoordeeld volgens dezelfde regels en methoden als die welke worden bedoeld in artikel 2 van de basisverordening, waarnaar artikel 11, lid 10, van die verordening uitdrukkelijk verwijst, en dus op een globale wijze, dat wil zeggen voor het betrokken product en niet afzonderlijk voor elk productcontrolenummer waaruit het betrokken product bestaat. Zij voegen daaraan toe dat de PCN-methode een bijkomende belemmering is voor het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de berekening van de uitvoerprijs en bijgevolg in strijd is met artikel 11, lid 10, van de basisverordening, zoals uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 9.3.3 van de als bijlage I A bij de Overeenkomst tot oprichting van de WTO (PB 1994, L 336, blz. 3) gevoegde Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB L 336, blz. 103; hierna: „Antidumpingovereenkomst”), die door de basisverordening in Unierecht wordt omgezet.

55

De Commissie betwist de gegrondheid van deze argumenten.

56

Enerzijds en om te beginnen blijkt uit de rechtspraak dat de Raad en de Commissie (hierna samen: „instellingen”) op het gebied van de handelsbeschermingsmaatregelen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arresten van 17 juli 1998, Thai Bicycle/Raad, T‑118/96, Jurispr., EU:T:1998:184, punt 32, en 25 oktober 2011, CHEMK en KF/Raad, T‑190/08, Jurispr., EU:T:2011:618, punt 38). Hieruit volgt dat de Unierechter bij zijn toezicht op die beoordelingen slechts dient na te gaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arresten van 14 maart 1990, Gestetner Holdings/Raad en Commissie, C‑156/87, Jurispr., EU:C:1990:116, punt 63; Thai Bicycle/Raad, reeds aangehaald, EU:T:1998:184, punt 33, en 7 februari 2013, EuroChem MCC/Raad, T‑84/07, Jurispr., EU:T:2013:64, punt 32).

57

Anderzijds en ten eerste dient eraan te worden herinnerd dat artikel 2, lid 8, van de basisverordening bepaalt dat de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs is van het product dat met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht. Wanneer echter geen uitvoerprijs voorhanden is of wanneer deze onbetrouwbaar blijkt wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, mag, volgens artikel 2, lid 9, eerste alinea, van de basisverordening, de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of, indien de producten niet aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op elke andere redelijke grondslag (arrest CHEMK en KF/Raad, punt 56 supra, EU:T:2011:618, punt 25).

58

Uit artikel 2, lid 9, van de basisverordening blijkt dus dat de instellingen in twee gevallen de uitvoerprijs als onbetrouwbaar mogen aanmerken, namelijk wanneer er een associatie tussen de exporteur en de importeur of een derde partij bestaat, of wanneer er een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij is. In alle andere gevallen moeten de instellingen zich ter bepaling van de dumping baseren op de uitvoerprijs, als er een bestaat (arrest CHEMK en KF/Raad, punt 56 supra, EU:T:2011:618, punt 26).

59

Ten tweede dient erop te worden gewezen dat, volgens artikel 2, lid 9, tweede alinea, van de basisverordening, wanneer de uitvoerprijs wordt samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht, of op basis van een andere redelijke grondslag, voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, en voor winst een correctie wordt toegepast, teneinde een betrouwbare uitvoerprijs franco grens Unie vast te stellen. Artikel 2, lid 9, derde alinea, van de basisverordening bepaalt dat de elementen waarvoor een correctie wordt toegepast, een redelijke marge voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst omvatten (arrest CHEMK en KF/Raad, punt 56 supra, EU:T:2011:618, punt 27).

60

Hieraan dient te worden toegevoegd dat de instellingen ambtshalve zorgen voor de correcties bedoeld in artikel 2, lid 9, tweede en derde alinea, van de basisverordening (zie, naar analogie, arresten van 7 mei 1987, Nachi Fujikoshi/Raad, 255/84, Jurispr., EU:C:1987:203, punt 33; Minebea/Raad, 260/84, Jurispr., EU:C:1987:206, punt 43, en 14 september 1995, Descom Scales/Raad, T‑171/94, Jurispr., EU:T:1995:164, punt 66).

61

Ten derde blijkt uit artikel 11, lid 10, van de basisverordening dat in een procedure van nieuw onderzoek of in een procedure van terugbetaling van antidumpingrechten de Commissie, indien wordt besloten de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening samen te stellen, bij de berekening van deze prijs de betaalde antidumpingrechten niet in mindering mag brengen indien afdoende bewijs wordt geleverd dat die rechten behoorlijk in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking zijn gebracht.

62

In het onderhavige geval dient eraan te worden herinnerd dat verzoeksters, zakelijk weergegeven, de Commissie verwijten voor het beoordelen van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten de PCN-methode te hebben gehanteerd en niet de globale methode, die erin bestaat uit te gaan van de tussen het aanvankelijke onderzoektijdvak en het onderzoektijdvak voor terugbetaling vastgestelde stijging van de omzet uit de verkoop van alle modellen van het betrokken product door de verbonden importeur. Volgens verzoeksters zou de Commissie, indien zij laatstgenoemde analyse had verricht, hebben vastgesteld dat de stijging van de omzet van de verbonden importeur meer bedroeg dan de over de importen van dat product betaalde antidumpingrechten, uitgedrukt in een percentage van de cif(cost, insurance, freight)-prijs van de importen in het onderzoektijdvak voor terugbetaling.

63

Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient de gegrondheid te worden onderzocht van de argumenten die verzoeksters ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het tweede middel hebben aangevoerd.

64

In de eerste plaats voeren verzoeksters een tekstargument aan ter ondersteuning van de in punt 62 hierboven beschreven methode. Zakelijk weergegeven, zou volgens dit argument de uitdrukking „behoorlijk [...] tot uitdrukking is gebracht” in artikel 11, lid 10, van de basisverordening erop wijzen dat het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten moet worden beoordeeld overeenkomstig hetgeen vereist of passend is, wat volgens verzoeksters wil zeggen met toepassing van de in artikel 2 van de basisverordening genoemde regels en methoden, die erop gericht zijn voor iedere producent-exporteur één enkele individuele dumpingmarge vast te stellen, ongeacht of er verschillende modellen van het betrokken product bestaan.

65

De Commissie betwist de gegrondheid van dit argument.

66

Enerzijds dient er in dit verband op te worden gewezen dat, ondanks de dubbele verwijzing naar artikel 2 van de basisverordening in artikel 11, lid 10, van die verordening, het bijwoord „behoorlijk” niet verwijst naar een van de in artikel 2 van de basisverordening bedoelde onderzoeksmethoden of regels, maar naar het doel van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten in de prijzen waartegen de met de producent-exporteur verbonden vennootschappen het betrokken product doorverkopen aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie, namelijk de verandering van het gedrag van die vennootschappen ten gevolge van de instelling van de antidumpingrechten, te weten, in fine, de opheffing van de aanvankelijk vastgestelde dumpingmarge (zie in die zin arrest van 5 juni 1996, NMB France e.a./Commissie, T‑162/94, Jurispr., EU:T:1996:71, punten 76‑81).

67

Anderzijds voorziet artikel 11, lid 10, van de basisverordening niet in een methode om te beoordelen of het bewijsmateriaal dat wordt overgelegd door de importeurs die om terugbetaling van de antidumpingrechten verzoeken, „afdoend” is, en of het antidumpingrecht „behoorlijk tot uitdrukking is gebracht” in de verkoopprijs aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie.

68

Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat er niet één, maar verschillende methoden zijn om te onderzoeken of de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening zijn vervuld.

69

Uit de rechtspraak blijkt echter dat voor de keuze uit verschillende berekeningsmethoden ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld, hetgeen de toetsing door de Unierechter van een dergelijke beoordeling dienovereenkomstig beperkt (zie, naar analogie, arresten van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing e.a./Raad, 240/84, Jurispr., EU:C:1987:202, punt 19; Nachi Fujikoshi/Raad, punt 60 supra, EU:C:1987:203, punt 21, en NMB France e.a./Commissie, punt 66 supra, EU:T:1996:71, punt 72).

70

Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij de keuze van de methode om na te gaan of de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening zijn vervuld, zodat het Gerecht dienaangaande slechts een beperkte rechterlijke toetsing dient te verrichten (punt 56 hierboven).

71

Anders dan verzoeksters stellen, kan uit de bewoordingen van artikel 11, lid 10, van de basisverordening aldus niet worden afgeleid dat globaal dient te worden beoordeeld of de antidumpingrechten tot uitdrukking zijn gebracht.

72

Bijgevolg dient het argument van verzoeksters te worden afgewezen.

73

In de tweede plaats stellen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de op de globale stijging van de omzet gebaseerde onderzoeksmethode wordt gerechtvaardigd door het feit dat er slechts één enkel betrokken product bestaat, dat als een geheel moet worden beschouwd. Ofschoon er verschillende modellen van aan het geldende antidumpingrecht onderworpen luchtcompressoren bestaan, wordt in het onderhavige geval in overweging 19 van verordening nr. 261/2008 immers uitdrukkelijk verklaard dat deze voor het aanvankelijke antidumpingonderzoek één enkel product vormen. Dat het bij het betrokken product om één enkel product gaat, zou volgens hen overigens worden bevestigd door overweging 20 van de basisverordening en door het arrest van 21 maart 2012, Marine Harvest Norway en Alsaker Fjordbruk/Raad (T‑113/06, EU:T:2012:135).

74

De Commissie betwist de gegrondheid van dit argument.

75

In dit verband dient er allereerst op te worden gewezen dat het volgens de PCN-methode beoordelen van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten geen afbreuk doet aan het feit dat het bij het betrokken product om één enkel product gaat, aangezien de Commissie geen dumpingmarge per PCN, maar één enkele dumpingmarge voor het betrokken product heeft bepaald.

76

Vervolgens staat vast dat in het onderhavige geval het betrokken product een samengesteld product is, waarvan de verschillende modellen niet dezelfde technische kenmerken hebben en zeer uiteenlopende prijzen kunnen hebben. Bijgevolg is de PCN-methode, die PCN met gelijkaardige kenmerken en wederverkoopprijzen beoogt te vergelijken, geschikter om de evolutie van de wederverkoopprijs van het betrokken product tussen het aanvankelijke onderzoektijdvak en het onderzoektijdvak voor terugbetaling vast te stellen.

77

Verder dient erop te worden gewezen dat met de op de globale stijging van de omzet gebaseerde analysemethode niet kan worden uitgemaakt of de verbonden importeur zijn marktgedrag daadwerkelijk heeft gewijzigd, dan wel een prijsbeleid heeft gevoerd dat hem in staat stelt de minst verkochte modellen met de meest verkochte modellen te compenseren door de winstmarges dienovereenkomstig aan te passen.

78

In overweging 20 van de basisverordening wordt overigens met name verklaard „dat bij de herberekening van dumping die een samenstelling van de uitvoerprijzen noodzakelijk maakt, de rechten niet worden behandeld als tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten indien het betrokken recht tot uitdrukking is gebracht in de prijzen van de producten die in de [Unie] aan maatregelen zijn onderworpen”.

79

Anders dan verzoeksters stellen, kan uit de uitdrukking „producten die [...] aan maatregelen zijn onderworpen” in overweging 20 van de basisverordening niet worden afgeleid dat het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten moet worden beoordeeld voor het als één geheel beschouwde betrokken product. Overweging 20 van de basisverordening en artikel 11, lid 10, van die verordening verwijzen immers naar de „wederverkoopprijzen”, de „latere verkoopprijzen” en de „prijzen van de producten die in de [Unie] aan maatregelen zijn onderworpen” in het meervoud. Volgens een letterlijke uitlegging van bovengenoemde bepalingen zou het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten aldus voor elke verkoopprijs, en dus veeleer volgens een methode per transactie of zelfs, in voorkomend geval, volgens een methode per model of per PCN, moeten worden onderzocht.

80

Ten slotte is de door verzoeksters verrichte verwijzing naar het arrest Marine Harvest Norway en Alsaker Fjordbruk/Raad, punt 73 supra, (EU:T:2012:135), in het onderhavige geval niet ter zake dienend, omdat het geschil dat het Gerecht diende te beslechten in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, niet betrekking had op de vaststelling van de uitvoerprijs.

81

Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in het onderhavige geval te oordelen dat het beter was het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten volgens een PCN-methode en niet volgens een op de stijging van de omzet tussen het aanvankelijke onderzoek en het onderzoek voor terugbetaling gebaseerde globale methode te onderzoeken.

82

Bijgevolg dient het argument van verzoeksters te worden afgewezen.

83

In de derde plaats stellen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de door de Commissie gekozen PCN-methode in strijd is met het doel van artikel 11, lid 10, van de basisverordening, zoals uitgelegd tegen de achtergrond van artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst.

84

Om te beginnen blijkt uit de rechtspraak dat de bepalingen van de basisverordening zoveel mogelijk moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van de overeenkomstige bepalingen van de Antidumpingovereenkomst (zie, in die zin, arresten van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, Jurispr., EU:C:2003:4, punt 57, en 22 mei 2014, Guangdong Kito Ceramics e.a./Raad, T‑633/11, EU:T:2014:271, punt 38).

85

De Unie heeft de basisverordening immers vastgesteld om aan haar uit de Antidumpingovereenkomst voortvloeiende internationale verplichtingen te voldoen (arrest Petrotub en Republica/Raad, punt 84 supra, EU:C:2003:4, punt 56). Bovendien heeft de Unie met artikel 11, lid 10, van de basisverordening de bijzondere verplichtingen willen nakomen die krachtens artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst op haar rusten. Artikel 11, lid 10, van de basisverordening dient dus tegen de achtergrond van laatstgenoemde bepaling te worden uitgelegd.

86

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst bepaalt dat „[b]ij het beantwoorden van de vraag of en voor welk bedrag terugbetaling dient plaats te vinden wanneer de exportprijs overeenkomstig artikel 2, lid 3, [van de Antidumpingovereenkomst] is geconstrueerd, [...] de autoriteiten rekening [dienen] te houden met alle wijzigingen van de normale waarde, alle wijzigingen van de kosten tussen invoer en wederverkoop en alle wijzigingen van de wederverkoopprijs die hun weerslag vinden in de latere verkoopprijzen en [...] de exportprijs [dienen] te berekenen zonder daarop het bedrag van de betaalde antidumpingrechten in mindering te brengen indien van het bovenstaande afdoende bewijs wordt geleverd”.

87

Verder bepaalt artikel 2.3 van de Antidumpingovereenkomst dat „[w]anneer geen exportprijs beschikbaar is of de betrokken autoriteiten van oordeel zijn dat deze prijs onbetrouwbaar is wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, [...] de exportprijs [kan] worden geconstrueerd aan de hand van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden verkocht of – indien de producten niet aan een onafhankelijke afnemer worden wederverkocht of niet worden wederverkocht in de staat waarin zij werden ingevoerd – op een door de autoriteiten vastgestelde redelijke grondslag”.

88

Ten slotte bepaalt artikel 2.4, vierde zin, van de Antidumpingovereenkomst dat „[i]n de in lid 3 bedoelde gevallen [...] correcties [worden] toegepast voor de kosten tussen invoer en wederverkoop, met inbegrip van de rechten, heffingen en winst”.

89

Uit het voorgaande volgt dat artikel 2.4, vierde zin, van de Antidumpingovereenkomst, net als artikel 2, lid 9, tweede alinea, van de basisverordening, het beginsel van het „met kost gelijkgesteld recht” hanteert, volgens hetwelk de tussen de invoer en de wederverkoop opgekomen rechten en heffingen, waaronder de betaalde antidumpingrechten, kosten zijn die in mindering moeten worden gebracht bij de samenstelling van de uitvoerprijs (arrest NMB France e.a./Commissie, punt 66 supra, EU:T:1996:71, punt 104).

90

In deze context dient te worden geoordeeld dat het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten op grond van artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst een uitzondering is op de in artikel 2.4, vierde zin, van de Antidumpingovereenkomst geformuleerde regel van het „met kost gelijkgesteld recht”. Op dezelfde wijze is het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten op grond van artikel 11, lid 10, van de basisverordening een uitzondering op de in artikel 2, lid 9, tweede alinea, van die verordening geformuleerde regel van het „met kost gelijkgesteld recht”.

91

Net als elke uitzondering op een algemene regel moet het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de samenstelling van de uitvoerprijs strikt worden uitgelegd (zie, naar analogie, arrest van 18 maart 2009, Shanghai Excell M&E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad, T‑299/05, Jurispr., EU:T:2009:72, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92

In het onderhavige geval dient erop te worden gewezen dat de door verzoeksters bepleite, op de stijging van de omzet gebaseerde methode leidt tot de vaststelling dat de antidumpingrechten globaal tot uitdrukking zijn gebracht in de aan de klanten van de verbonden importeur in rekening gebrachte prijs. Met de PCN-methode heeft de Commissie echter kunnen aantonen dat dit voor verschillende modellen van het betrokken product niet het geval is geweest.

93

De PCN-methode, die in een geval als het onderhavige leidt tot een striktere beoordeling van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten, is dus meer in overeenstemming met een letterlijke en teleologische uitlegging van artikel 11, lid 10, van de basisverordening en dient dus voorrang te krijgen boven een modus operandi die is gebaseerd op de globale stijging van de omzet tussen het aanvankelijke onderzoektijdvak en het onderzoektijdvak voor terugbetaling.

94

De door verzoeksters aangevoerde argumenten kunnen deze conclusie niet ontkrachten.

95

Allereerst stellen verzoeksters dat uit het gebruik van het enkelvoud in de uitdrukking „tout mouvement du prix de revente” [„alle wijzigingen van de wederverkoopprijs”] [in de Franse taalversie] van artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst kan worden afgeleid dat het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten globaal moet worden onderzocht.

96

De uitdrukking „tout mouvement du prix de revente” wordt echter onmiddellijk gevolgd door het gebruik van het meervoud in de uitdrukking „die hun weerslag vinden in de latere verkoopprijzen”. Bovendien zijn de uitdrukkingen „tout changement” [alle wijzigingen] en „tout mouvement” [in de Franse taalversie] van artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst naar de aard ervan onbepaald.

97

Vervolgens betogen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de PCN-methode in strijd is met het doel van artikel 9.3.3 van de Antidumpingovereenkomst, te weten de belemmeringen voor het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten beperken. Deze methode zou immers leiden tot versterking van de belemmering van de „double jump” – volgens welke een verbonden importeur slechts volledige terugbetaling van de betaalde antidumpingrechten kan krijgen indien hij aantoont dat hij zijn wederverkoopprijzen in de Unie heeft verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de dumpingmarge – of zou een nieuwe belemmering, de „triple jump”, proberen te rechtvaardigen.

98

Enerzijds blijkt in dit verband uit de punten 89 tot en met 91 hierboven dat, wat de verkopen via een verbonden importeur betreft, bij de berekening van de uitvoerprijs de betaalde antidumpingrechten in mindering moeten worden gebracht op grond van de regel van het „met kost gelijkgesteld recht”. Bovendien vormt het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten waarin artikel 11, lid 10, van de basisverordening voorziet, een afwijking van deze principiële regel, en moet het dus strikt worden uitgelegd (punt 91 hierboven). De door verzoeksters ter sprake gebrachte belemmering van de „double jump” is aldus het onvermijdelijke gevolg van het niet vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening en dus van de toepassing van de regel van het „met kost gelijkgesteld recht”.

99

Anderzijds dient erop te worden gewezen dat het hanteren van de PCN-methode, voor zover deze coherent wordt toegepast in alle stadia van het onderzoek van het verzoek tot terugbetaling, niet inhoudt dat bijkomende voorwaarden worden gesteld voor de volledige terugbetaling van de betaalde antidumpingrechten, maar alleen dat op het niveau van de individuele PCN in de plaats van op het niveau van het betrokken product in zijn geheel wordt nagegaan of de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening in acht zijn genomen.

100

In die omstandigheden stellen verzoeksters ten onrechte dat de PCN-methode de belemmering van de „double jump” versterkt of zelfs een nieuwe belemmering van het niet tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten probeert te rechtvaardigen.

101

Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de PCN-methode niet in strijd is met een letterlijke en teleologische uitlegging van artikel 11, lid 10, van de basisverordening.

102

Het argument van verzoeksters moet dus worden afgewezen.

103

Gelet op het voorgaande heeft de Commissie geen fout gemaakt door enerzijds te oordelen dat in het onderhavige geval met de door verzoeksters bepleite, op de globale stijging van de omzet gebaseerde methode niet afdoende kon worden aangetoond dat de verbonden importeur zijn antidumpingrechten behoorlijk in de aan zijn eigen klanten in de Unie in rekening gebrachte prijzen tot uitdrukking had gebracht, en door anderzijds te oordelen dat de PCN-methode beter was, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak en in het bijzonder op het feit dat het bij het betrokken product om een samengesteld product gaat.

104

Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.

– Derde onderdeel van het tweede middel

105

Verzoeksters betogen dat het onderzoek van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten per PCN erg lijkt op de „nulmarge”-praktijk en bijgevolg in strijd is met het rapport van de beroepsinstantie van de WTO „Europese Gemeenschappen – Antidumpingrechten op de invoer van katoenachtig beddenlinnen van oorsprong uit India” (WT/DS141/AB/R), vastgesteld op 1 maart 2001, en met het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale (C‑351/04, Jurispr., EU:C:2007:547).

106

De Commissie betwist de gegrondheid van deze argumenten.

107

Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de door de beroepsinstantie van de WTO en het Hof goedgekeurde „nulmarge”-praktijk door de Commissie alleen werd toegepast voor de berekening van de globale dumpingmarge. Deze praktijk bestond, in het geval van een betrokken product waarvan er verschillende modellen bestaan, in wezen hierin dat, enerzijds, alleen het dumpingbedrag voor alle modellen waarvoor een positieve dumpingmarge was bewezen, werd opgeteld, en anderzijds, alle negatieve dumpingmarges op nul werden gesteld. Het aldus berekende totale dumpingbedrag werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de gecumuleerde waarde van alle exporttransacties voor alle al dan niet met dumping op de markt gebrachte modellen.

108

Enerzijds dient er in dit verband op te worden gewezen dat in het onderhavige geval verzoeksters niet opkomen tegen de methode voor de berekening van de dumpingmarge, maar tegen de methode die de Commissie heeft toegepast om na te gaan of de voorwaarden voor het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de samenstelling van de uitvoerprijs volgens artikel 2, lid 9, van de basisverordening waren vervuld. De PCN-methode, waartegen verzoeksters opkomen, wordt echter aangewend in een stadium vóór de berekening van de dumpingmarge en heeft een ander doel.

109

Anderzijds hebben verzoeksters geen enkele bewijs overgelegd ter staving van hun stelling dat de „nulmarge”-praktijk gelijkenissen vertoont met de PCN-methode.

110

Bijgevolg hebben zij niet aangetoond dat de „nulmarge”-praktijk gelijkenissen vertoont met de PCN-methode.

111

Ten slotte hebben verzoeksters, in hun antwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde mondelinge vraag, hun betoog nader toegelicht door, zakelijk weergegeven, te verklaren dat het effect van de „nulmarge”-praktijk, te weten de wijziging van de uitvoerprijs en dus van de dumpingmarge, volgens hen gelijkenissen vertoont met het effect van de PCN-methode.

112

Zoals hierboven is gezegd, heeft de Commissie echter geen fout gemaakt door het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten te beoordelen volgens de PCN-methode, waarmee, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, nauwkeuriger kon worden onderzocht of de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening waren vervuld (punten 76, 92 en 93 hierboven).

113

Bijgevolg kunnen verzoeksters niet op goede gronden stellen dat de door de Commissie toegepaste PCN-methode tot gevolg heeft gehad dat de uitvoerprijzen en, in fine, de herziene dumpingmarge werden vervalst.

114

Gelet op een en ander dient het derde onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.

– Vierde onderdeel van het tweede middel

115

Verzoeksters betogen dat er geen rechtsgrondslag is voor een analyse per PCN.

116

De Commissie betwist de gegrondheid van dit argument.

117

Het feit dat de modus operandi per PCN in de basisverordening niet wordt vermeld, betekent echter niet dat hij onrechtmatig of kennelijk onjuist is.

118

In dit verband dient erop te worden gewezen dat verzoeksters zelf in het verzoekschrift hebben toegegeven dat de analyse per PCN een gerechtvaardigde administratieve techniek is in het kader van de berekening van de gewogen gemiddelde dumpingmarge als bedoeld in artikel 2, lid 12, van de basisverordening, omdat daarmee een billijke vergelijking kan worden gemaakt tussen de verschillende modellen of types van goederen waarop een onderzoek betrekking heeft, en die verschillende kenmerken vertonen.

119

Zij leggen echter niet uit, waarom de modus operandi per PCN of per model geschikter zou zijn in het kader van de berekening van dumpingmarge en niet voor het onderzoek van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten.

120

In elk geval gebruiken de instellingen, anders dan verzoeksters stellen, bovengenoemde methode niet alleen voor de berekening van de dumpingmarge. Het Hof heeft de methode per model onder meer goedgekeurd voor de berekening van de „insignificantie-drempel” van de verkoop van het soortgelijke, voor verbruik op de interne markt van het land van uitvoer bestemde product (zie, in die zin, arrest van 5 oktober 1988, Canon e.a./Raad, 277/85 en 300/85, Jurispr., EU:C:1988:467, punt 14).

121

Gelet op het voorgaande dient het vierde onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.

– Vijfde onderdeel van het tweede middel

122

Verzoeksters stellen, zakelijk weergegeven, dat de toepassing van de PCN-methode door de Commissie willekeurig is, omdat deze laatste in andere zaken voor haar oordeel dat de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening waren vervuld, rekening heeft gehouden met de gewogen gemiddelde wederverkoopprijzen in de Unie en zelfs een lager bewijsniveau heeft aanvaard dan het in het onderhavige geval geëiste bewijsniveau.

123

De Commissie betwist de gegrondheid van dit argument.

124

Ten eerste dient eraan te worden herinnerd dat de Commissie in de context van een procedure van terugbetaling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt bij het onderzoek of de voorwaarden voor het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de samenstelling van de uitvoerprijs zijn vervuld (punt 70 hierboven). Deze beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten (zie, naar analogie, arrest Gestetner Holdings/Raad en Commissie, punt 56 supra, EU:C:1990:116, punt 43).

125

Ten tweede moet het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden voor het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de berekening van de uitvoerprijs worden beoordeeld tegen de achtergrond van, enerzijds, het bewijsmateriaal dat wordt overgelegd door de importeurs die om niet in mindering brengen van de antidumpingrechten verzoeken, en anderzijds, de feitelijke omstandigheden van de zaak.

126

Bijgevolg kan het argument van verzoeksters, dat de door de Commissie in de bestreden besluiten gevolgde modus operandi willekeurig is, gelet op de eerdere of de latere praktijk van deze instelling, niet worden aanvaard (zie, naar analogie, arresten van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, Jurispr., EU:C:1991:186, punt 119; 17 december 2010, EWRIA e.a./Commissie, T‑369/08, Jurispr., EU:T:2010:549, punt 93, en 10 oktober 2012, Ningbo Yonghong Fasteners/Raad, T‑150/09, EU:T:2012:529, punten 119 en 120).

127

Vaststaat in elk geval dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de relevante omstandigheden van de onderhavige zaak precies dezelfde waren als die van de andere procedures van terugbetaling of van nieuw onderzoek die zij ter ondersteuning van hun argument inzake het willekeurige karakter van het gebruik van de PCN-methode hebben genoemd.

128

In het bijzonder dient erop te worden gewezen dat de relevante omstandigheden van de onderhavige zaak verschillen van die van de zaken die ten grondslag lagen aan uitvoeringsverordening (EU) nr. 60/2012 van de Raad van 16 januari 2012 tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek krachtens artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 1225/2009, betreffende de antidumpingrechten op ferrosilicium van oorsprong uit onder meer Rusland (PB L 22, blz. 1), die verzoeksters als bijlage bij hun verzoekschrift hebben overgelegd, en van de besluiten van de Commissie van 10 augustus 2012 betreffende verzoeken om terugbetaling van op de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Rusland betaalde antidumpingrechten, die verzoeksters als bijlage bij hun schrijven van 24 november 2014 hebben overgelegd (hierna: „zogenoemde zaken ‚betreffende ferrosilicium uit Rusland’”). In dupliek en ter terechtzitting heeft de Commissie immers enerzijds uitgelegd dat zij in de zogenoemde zaken „betreffende ferrosilicium uit Rusland” het betrokken product onder vier PCN had gehergroepeerd en vervolgens had onderzocht of voor elk PCN de voorwaarden van artikel 11, lid 10, van de basisverordening waren vervuld. Anderzijds had zij vastgesteld dat de antidumpingrechten wel degelijk tot uitdrukking waren gebracht voor één van de vier PCN, dat meer dan 80 % van de betrokken transacties vertegenwoordigde, hetgeen volgens haar volstond voor toewijzing van het verzoek om de antidumpingrechten niet in mindering te brengen bij de samenstelling van uitvoerprijs volgens artikel 2, lid 9, van de basisverordening.

129

In het onderhavige geval staat daarentegen vast dat voor vijf van de tien meest verkochte PCN niet is aangetoond dat de antidumpingrechten tot uitdrukking waren gebracht in de aan de klanten van de verbonden importeur in rekening gebrachte prijs.

130

In die context kunnen verzoeksters de Commissie niet op goede gronden verwijten dat zij desondanks niet dezelfde oplossing heeft gekozen als in de zogenoemde zaken „betreffende ferrosilicium uit Rusland”.

131

Bijgevolg dient het vijfde onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het tweede middel

132

Verzoeksters stellen, zakelijk weergegeven, dat het volledig in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de berekening van de uitvoerprijs onevenredig was, daar het de rechten omvat die zijn betaald over de modellen of de PCN waarvoor de antidumpingrechten tot uitdrukking zijn gebracht in de latere wederverkoopprijzen. Daardoor zou de Commissie dus geen betrouwbare uitvoerprijs en gewogen gemiddelde dumpingmarge hebben vastgesteld.

133

De Commissie betwist de gegrondheid van deze argumenten.

134

Enerzijds dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat artikel 11, lid 10, van de basisverordening een uitzondering op de in artikel 2, lid 9, tweede alinea, van die verordening geformuleerde regel van het „met kost gelijkgesteld recht” vormt. De mogelijkheid om de antidumpingrechten niet in mindering te brengen bij de samenstelling van de uitvoerprijs moet dus strikt worden uitgelegd (punten 90 en 91 hierboven).

135

Anderzijds heeft de Commissie aan het einde van het onderzoek – per PCN – van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten vastgesteld dat voor een groot aantal PCN niet was aangetoond dat de antidumpingrechten in de wederverkoopprijzen en verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking waren gebracht.

136

De door de Commissie verrichte analyse per PCN heeft echter ook aan het licht gebracht dat voor vijf van de tien meest verkochte PCN, de betaalde antidumpingrechten tot uitdrukking waren gebracht in de prijzen die de verbonden importeur in rekening bracht aan zijn onafhankelijk afnemers in de Unie. Zoals blijkt uit het door de Commissie opgestelde rekenblad dat deze laatste als bijlage bij haar e-mail van 26 juli 2011 heeft gevoegd en dat verzoeksters als bijlage A. 15 bij hun verzoekschrift hebben overgelegd, vertegenwoordigen de vijf bovengenoemde PCN enerzijds 119523 van de in totaal 229239 luchtcompressoren die in het tijdvak van onderzoek voor terugbetaling door de in de Unie gevestigde met de producent-exporteur verbonden importerende vennootschappen zijn verkocht, en anderzijds meer dan 50 % van de totale cif(cost, insurance, freight)-prijs van die verkopen.

137

Tegen de achtergrond van deze herhalingen en toelichtingen dient te worden onderzocht of de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, en dus de artikelen 2, leden 9 en 11, en 11, lid 10, van de basisverordening heeft geschonden, door de door de verbonden importeur betaalde antidumpingrechten in mindering te brengen bij de samenstelling van de uitvoerprijs, ofschoon deze antidumpingrechten voor bepaalde PCN wel degelijk tot uitdrukking waren gebracht.

138

Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat, zoals verzoeksters terecht aanvoeren, er ontegenzeglijk een band bestaat tussen artikel 2, lid 9, en artikel 11, lid 10, van de basisverordening.

139

Enerzijds verwijst artikel 11, lid 10, van de basisverordening immers uitdrukkelijk naar artikel 2 en naar artikel 2, lid 9, van die verordening.

140

Anderzijds is, in het kader van een procedure van nieuw onderzoek of van terugbetaling van antidumpingrechten, het onderzoek van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten in de aan de klanten van een verbonden importeur in rekening gebrachte prijzen, waarin artikel 11, lid 10, van de basisverordening voorziet, een stap in de berekening van de samengestelde uitvoerprijs op basis artikel 2, lid 9, van die verordening. Naargelang van de uitkomst van dit onderzoek zullen de antidumpingrechten immers in mindering worden gebracht bij de samenstelling van de uitvoerprijs en dus een rechtstreekse weerslag hebben op het bedrag daarvan in die zin dat deze noodzakelijkerwijs lager zal zijn dan indien de antidumpingrechten niet in mindering waren gebracht.

141

Daarbij komt dat, hoe lager de uitvoerprijs is, des te groter het verschil met de normale waarde en des te hoger de herziene dumpingmarge zal zijn.

142

Artikel 11, lid 10, van de basisverordening werkt dus mee aan de samenstelling van de uitvoerprijs en, indirect, aan de berekening van de herziene dumpingmarge.

143

In deze context moet de Commissie coherente methoden voor de toepassing van de artikelen 2, leden 9 en 11, en 11, lid 10, van de basisverordening kiezen.

144

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de Commissie, met name gelet op de aard van het betrokken product, heeft geoordeeld dat het voor de berekening van de uitvoerprijs wanneer het betrokken product via de verbonden importeur in de Unie was verkocht, beter was voor elk PCN na te gaan of de antidumpingrechten in de prijs tot uitdrukking waren gebracht.

145

Bovendien heeft de Commissie deze analyse per PCN voortgezet, enerzijds door voor elk PCN één enkele gewogen gemiddelde uitvoerprijs en één enkele gewogen gemiddelde normale waarde te berekenen, en anderzijds door voor elk PCN een dumpingmarge te berekenen alvorens één enkele dumpingmarge voor het betrokken product te berekenen.

146

De Commissie heeft echter niet alle logische gevolgen verbonden aan de PCN-methode die zij zelf heeft willen toepassen, want zij heeft het niet in mindering brengen van de antidumpingrechten bij de berekening van de uitvoerprijs geweigerd voor PCN waarvoor die antidumpingrechten nochtans tot uitdrukking waren gebracht in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie. Zij heeft de betaalde antidumpingrechten namelijk volledig in mindering gebracht bij de samenstelling van de uitvoerprijs volgens artikel 2, lid 9, van de basisverordening en aldus de gewogen gemiddelde uitvoerprijs voor elk PCN artificieel verminderd en bijgevolg de herziene dumpingmarge van Nu Air Shanghai verhoogd.

147

Gelet op deze vaststelling dient te worden geoordeeld dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt die gevolgen heeft gehad voor de hoogte van de herziene dumpingmarge en dus voor het bedrag van de aan verzoeksters terug te betalen antidumpingrechten, waarbij eraan dient te worden herinnerd dat dit bedrag voortvloeit uit het verschil tussen de aanvankelijke dumpingmarge en de herziene dumpingmarge (punt 13 hierboven).

148

De door de Commissie aangevoerde argumenten kunnen deze conclusie niet ontkrachten.

149

In de eerste plaats betoogt de Commissie, zakelijk weergegeven, dat volgens een strikte uitlegging van artikel 11, lid 10, van de basisverordening het niet mogelijk is de betaalde antidumpingrechten alleen in mindering te brengen voor bepaalde transacties, modellen of PNC en niet voor de andere, omdat dit het risico van omzeiling van het recht en van manipulatie van de prijzen niet kan opheffen en dus in strijd is met het doel van artikel 11, lid 10, van de basisverordening, namelijk elke mogelijkheid van distorsie van de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen als gevolg van dumping uit te sluiten. Indien zou worden toegestaan dat de antidumpingrechten ten dele niet in mindering worden gebracht, zou de verbonden importeur immers interne compensatieregelingen kunnen invoeren, bijvoorbeeld de antidumpingrechten tot uitdrukking brengen in de prijzen van PCN waarvoor de vraag niet erg elastisch is, maar niet in de prijzen van andere PCN waarvoor de vraag zeer elastisch is.

150

Enerzijds dient er in dit verband aan te worden herinnerd dat artikel 11, lid 10, van de basisverordening niet voorziet in een methode om uit te maken of de antidumpingrechten behoorlijk in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking zijn gebracht, en dat de Commissie op dit gebied dus over een ruime beoordelingsmarge beschikt (punten 67‑70 hierboven). Anders dan de Commissie in wezen stelt, verplicht artikel 11, lid 10, van de basisverordening haar ook niet, de betaalde antidumpingrechten stelselmatig volledig in mindering te brengen in gevallen als het onderhavige, waarin op grond van het volgens de PCN-methode verrichte onderzoek van het tot uitdrukking brengen van de antidumpingrechten niet kon worden geconcludeerd dat dit tot uitdrukking brengen voor alle PCN en niet slechts voor enkele daarvan was gebeurd.

151

Anderzijds heeft de Commissie in het onderhavige geval niet aangetoond dat de verbonden importeur het recht had omzeild door de invoering van regelingen van compensatie tussen de meest verkochte PCN en minst verkocht PCN of tussen de PCN waarvoor de vraag niet erg elastisch was en die waarvoor de vraag zeer elastisch was.

152

Het argument van de Commissie moet dus worden afgewezen.

153

In de tweede plaats betoogt de Commissie dat het gedeeltelijke niet in mindering brengen van de antidumpingrechten moet worden uitgesloten omdat dit in de praktijk onmogelijk is wanneer het gaat om nieuwe producten. Zonder tijdens het aanvankelijke onderzoek verkochte vergelijkbare producten kan immers onmogelijk worden nagegaan of de wederverkoopprijs van die producten is gestegen in een mate die de betaalde antidumpingrechten tot uitdrukking brengt.

154

Artikel 11, lid 10, van de basisverordening stelt echter als enige voorwaarde dat de verbonden importeur afdoende bewijs levert dat de antidumpingrechten in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking zijn gebracht.

155

In deze context kan het bewijs dat de antidumpingrechten in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie tot uitdrukking zijn gebracht, op voorwaarde dat dit bewijs „afdoende” is, met alle middelen worden geleverd en niet alleen met een vergelijking tussen de vóór en de na de oplegging van de antidumpingrechten toegepaste prijzen.

156

Het argument van de Commissie moet dus worden afgewezen.

157

Gelet op het voorgaande heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door de antidumpingrechten globaal in mindering te brengen en niet uitsluitend bij de samenstelling van de uitvoerprijs van de PCN waarvoor zij op basis van een analyse per PCN had vastgesteld dat de antidumpingrechten niet tot uitdrukking waren gebracht in de wederverkoopprijzen en de latere verkoopprijzen in de Unie, en heeft zij dus de artikelen 2, leden 9 en 11, en 11, lid 10, van de basisverordening geschonden.

158

Niet betwist wordt dat zonder de fout van de Commissie het bedrag van de antidumpingrechten dat aan verzoeksters moet worden terugbetaald, hoger zou zijn geweest dan het in artikel 1 van de bestreden besluiten vermelde bedrag.

159

Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het tweede middel te worden aanvaard en dient de eerste vordering, strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden besluiten voor zover de Commissie verzoeksters daarbij slechts terugbetaling van de onverschuldigd betaalde antidumpingrechten ten belope van de in artikel 1 van die besluiten vermelde bedragen heeft toegekend, dus te worden toegewezen, zonder dat het eerste ter ondersteuning van de eerste vordering aangevoerde middel hoeft te worden onderzocht.

Tweede vordering: voorlopige handhaving, op grond van artikel 264 VWEU, van de gevolgen van de bestreden besluiten

160

Verzoeksters vragen het Gerecht in wezen, in geval van toewijzing van de eerste vordering gebruik te maken van de hem bij artikel 264 VWEU verleende bevoegdheden en dus te gelasten dat de gevolgen van de bestreden besluiten gehandhaafd blijven tot de Commissie de maatregelen heeft genomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het door het Gerecht te wijzen arrest. In dit verband stellen verzoeksters ten eerste dat zij in geval van nietigverklaring van de bestreden besluiten verplicht zal zijn alle op grond van die besluiten terugbetaalde bedragen aan de bevoegde autoriteiten te restitueren. Ten tweede preciseren zij dat zij slechts rectificatie en niet volledige nietigverklaring van de bestreden besluiten vorderen, daar deze hen ten dele in het gelijk stellen.

161

De Commissie maakt geen bezwaar tegen de tweede vordering.

162

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de bestreden besluiten nietig moeten worden verklaard voor zover de Commissie daarbij de door verzoeksters ingediende verzoeken om terugbetaling van de antidumpingrechten ten dele heeft afgewezen en hun daarom slechts terugbetaling van de in artikel 1 van die besluiten vermelde bedragen heeft toegekend. Het staat aan de Commissie om het juiste bedrag te berekenen.

163

In die omstandigheden impliceert de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden besluiten niet dat verzoeksters verplicht zijn, de bedragen die hun op grond van die besluiten zijn terugbetaald, aan de bevoegde autoriteiten te restitueren.

164

Gelet op het voorgaande faalt het betoog van verzoeksters en dient de tweede vordering dus te worden afgewezen.

Kosten

165

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de partij die voor het grootste deel van haar vorderingen in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoeksters te worden verwezen in de kosten.

 

HET GERECHT (Eerste kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Artikel 1 van de besluiten C(2011) 8831 definitief, C(2011) 8825 definitief, C(2011) 8828 definitief en C(2011) 8810 definitief van de Commissie van 6 december 2011 betreffende verzoeken tot terugbetaling van de antidumpingrechten die zijn betaald over de invoer van bepaalde compressoren van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt nietig verklaard voor zover daarbij aan Einhell Germany AG, Hans Einhell Nederland BV, Einhell France SAS en Hans Einhell Österreich GmbH geen terugbetaling wordt toegekend van de onverschuldigd betaalde antidumpingrechten die uitgaan boven de daarin vermelde bedragen.

 

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

 

3)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.

 

Kanninen

Pelikánová

Buttigieg

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 november 2015.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.