ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
van 22 april 2004
Zaak T‑343/02
Roland Schintgen
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Ambtenaren – Personeelscomité van Commissie te Luxemburg – Verkiezing voor personeelscomité te Luxemburg – Kiesstelsel – Beginselen van billijkheid en democratie”
Volledige Franse tekst II - 0000
Betreft: Beroep tot nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 16 juli 2002, dat verzoeker op 6 augustus 2002 officieel ter kennis is gebracht, houdende afwijzing van de klacht die hij op 28 februari 2002 had ingediend en waarin hij, in wezen, annulering van de in november 2001 gehouden verkiezing voor het plaatselijk personeelscomité van de Commissie te Luxemburg en van de aanwijzing van de in dat comité gekozen personen had gevorderd, alsmede van het nalaten van de Commissie om deze verkiezing te annuleren.
Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Samenvatting
1. Exceptie van onwettigheid – Draagwijdte – Handelingen waarvan onwettigheid kan worden opgeworpen
(Art. 241 EG)
2. Exceptie van onwettigheid – Inroeping tegen handeling waartegen verzoeker niet tijdig beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld – Niet-ontvankelijkheid – Uitzondering – Verzoeker die goede gronden had om aan ontvankelijkheid van dergelijk beroep te twijfelen
(Art. 241 EG)
3. Ambtenaren – Vertegenwoordiging – Personeelscomité – Verkiezing – Keuze van kiesstelsel door algemene vergadering van ambtenaren – Rechterlijke toetsing – Grenzen
4. Ambtenaren – Vertegenwoordiging – Personeelscomité – Verkiezing – Kiesstelsel – Meerderheidsstemming in één ronde of gemengde wijze van stemming – Schending van beginselen van democratie en billijkheid – Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 9; bijlage II, art. 1; regeling betreffende samenstelling en werking van personeelscomité van Commissie, art. 6)
1. Een exceptie van onwettigheid in de zin van artikel 241 EG kan slechts ontvankelijk zijn wanneer de algemene handeling waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, rechtstreeks of onrechtstreeks van toepassing is op de met het beroep aan de orde gestelde casuspositie, en er een rechtstreeks juridisch verband bestaat tussen het bestreden individuele besluit en de algemene handeling waarvan de onwettigheid wordt opgeworpen.
De in artikel 241 EG bedoelde onwettigheidexceptie kan niet worden aangevoerd door een natuurlijke of rechtspersoon die beroep had kunnen instellen tegen de bestreden handeling, maar dit niet binnen de daartoe voorziene termijn heeft gedaan.
(cf. punten 25 en 26)
Referentie: Hof 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie, 92/78, Jurispr. blz. 777, punt 39; Gerecht 26 oktober 1993, Reinarz/Commissie, T‑6/92 en T‑52/92, Jurispr. blz. II‑1047, punt 57, en de aldaar aangehaalde rechtspraak; Gerecht 13 september 1995, TWD/Commissie, T‑244/93 en T‑486/93, Jurispr. blz. II‑2265, punt 103; Gerecht 14 juli 1998, Lebedef/Commissie, T‑192/96, JurAmbt. blz. I‑A‑363 en II‑1047, punten 27‑30
2. Ofschoon de in artikel 241 EG bedoelde onwettigheidexceptie niet kan worden aangevoerd door een natuurlijke of rechtspersoon die een beroep tot nietigverklaring tegen de bestreden handeling had kunnen instellen, maar dit niet binnen de daartoe voorziene termijn heeft gedaan, kan deze vaststelling niet worden tegengeworpen aan een verzoeker die goede gronden had om aan de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep te twijfelen.
(cf. punt 26)
3. De algemene vergaderingen van ambtenaren genieten een grote autonomie voor de vaststelling van de wijze van verkiezing van de personeelscomités, met dien verstande dat de gekozen methode geen inbreuk mag maken op de beginselen van democratie en billijkheid.
Hieruit volgt dat in beroepen waarin de wettigheid van dergelijke verkiezingswijzen in geding wordt gebracht de toetsing van het Gerecht erin bestaat, na te gaan of er geen kennelijke beoordelingsfouten zijn gemaakt, met name bij de uitvoering van deze beginselen.
(cf. punten 39 en 40)
Referentie: Lebedef/Commissie, reeds aangehaald, punt 70
In artikel 9, lid 3, van het Statuut noch in artikel 1 van bijlage II bij het Statuut noch in artikel 6 van de regeling betreffende samenstelling en werking van personeelscomité van Commissie wordt bepaald, hoe het personeelscomité moet worden gekozen. Evenmin wordt in deze bepalingen voorgeschreven dat de verkiezingswijze in redelijkheid rekening moet houden met het evenredigheidsvereiste.
4. Het feit dat een verkiezingswijze niet op evenredige wijze het resultaat van een stemming weergeeft vormt op zich geen schending van de beginselen van democratie en billijkheid. Zelfs een meerderheidsstemming in één ronde voldoet immers aan deze beginselen, ook al geeft zij het resultaat van de verkiezingen niet evenredig weer. Hetzelfde geldt, a fortiori, voor een gemengde wijze van stemming, waarin het systeem van evenredigheid wordt gecombineerd met dat van meerderheid.
(cf. punten 42 en 43)
Referentie: conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn bij Hof 27 oktober 1987, Diezler e.a./ESC, 146/85 en 431/85, Jurispr. blz. 4283, 4298; Lebedef/Commissie, reeds aangehaald, punt 70