ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (TWEEDE KAMER - UITGEBREID) VAN 27 APRIL 1995. - COMITE CENTRAL D'ENTREPRISE DE LA SOCIETE ANONYME VITTEL EN COMITE D'ETABLISSEMENT DE PIERVAL EN FEDERATION GENERALE AGROALIMENTAIRE TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - MEDEDINGING - VERORDENING NR. 4064/89 - BESCHIKKING WAARBIJ EEN CONCENTRATIE VERENIGBAAR WORDT VERKLAARD MET DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKT - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING - ONTVANKELIJKHEID - VAKVERENIGINGEN EN PERSONEELSCOMITES - HANDELING DIE HEN RECHTSTREEKS EN INDIVIDUEEL RAAKT - VOLDOENDE BELANG WAARAAN ERKENDE WERKNEMERSVERTEGENWOORDIGERS HET RECHT ONTLENEN OM, INDIEN ZIJ DAAROM VERZOEKEN, IN DE ADMINISTRATIEVE PROCEDURE HUN OPMERKINGEN KENBAAR TE MAKEN. - ZAAK T-12/93.
Jurisprudentie 1995 bladzijde II-01247
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Beschikking waarbij concentratie verenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard ° Erkende vertegenwoordigers van werknemers van betrokken ondernemingen ° Recht van beroep in beginsel en behoudens uitzonderlijke omstandigheden beperkt tot controle, door gemeenschapsrechter, van eerbiediging van hun procedurele rechten door Commissie
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea; verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18, lid 4; richtlijn 77/187 van de Raad)
2. Mededinging ° Concentraties ° Onderzoek door Commissie ° Verplichtingen van Commissie jegens gekwalificeerde derden ° Erkende vertegenwoordigers van werknemers van betrokken ondernemingen ° Inkennisstelling van bestaan van concentratieplan dat is aangemeld ° Geen verplichting
(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 18, lid 4; richtlijn 77/187 van de Raad, art. 6)
1. Door een beschikking van de Commissie inzake de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt, gegeven uit hoofde van verordening nr. 4064/89, worden de naar nationaal recht als zodanig erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen individueel geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag door het enkele feit dat deze verordening ° op grond waarvan de Commissie rekening kan houden met de sociale gevolgen van de concentratie, wanneer deze van dien aard zijn, dat zij de verwezenlijking van de in artikel 2 van het Verdrag bedoelde sociale doelstellingen in gevaar brengen ° hen uitdrukkelijk vermeldt onder de derden die aantonen voldoende belang erbij te hebben, door de Commissie te worden gehoord gedurende de procedure van onderzoek van de voorgenomen concentratie en zulks onafhankelijk van hun daadwerkelijke deelneming aan die procedure.
Daarentegen worden zij door deze beschikking in beginsel, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet rechtstreeks geraakt. Enerzijds heeft namelijk een beschikking waarbij een concentratie wordt goedgekeurd, nadat deze is getoetst aan het communautaire mededingingsrecht, geen enkel gevolg voor de eigen rechten van de vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen, die bij de overgang van de onderneming naar aanleiding van de concentratie, zoals in de desbetreffende gemeenschapsbepalingen is voorzien, zullen gelden overeenkomstig de door het nationale recht vastgestelde voorwaarden. Anderzijds schaadt zij niet rechtstreeks de belangen van de betrokken werknemers, omdat de concentratie niet op zichzelf een wijziging van de arbeidsverhouding, zoals deze wordt geregeld door de arbeidsovereenkomst en de collectieve overeenkomsten, met zich kan brengen, zoals blijkt uit richtlijn 77/187 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen. Indien na de concentratie maatregelen worden genomen die de belangen van de werknemers raken, geschiedt dit door de betrokken ondernemingen en zijn deze maatregelen, wat hun verenigbaarheid met zowel de communautaire als de nationale sociale wetgeving betreft, onderworpen aan het toezicht van de nationale rechter.
Waar de vertegenwoordigers van de werknemers evenwel door verordening nr. 4064/89 procedurele rechten worden verleend en deze rechten door de gemeenschapsrechter in beginsel pas in het stadium waarin hij de eindbeschikking van de Commissie op haar regelmatigheid toetst, kunnen worden bekrachtigd, moet deze vertegenwoordigers een recht van beroep worden toegekend, dat beperkt is tot de verdediging van hun procedurele rechten, en moet hun dus de bevoegdheid worden verleend om tegen deze beschikking op te komen, en wel specifiek om door de gemeenschapsrechter te doen nagaan of de procedurele waarborgen waarop zij ingevolge artikel 18 van de eerdergenoemde verordening tijdens de administratieve procedure aanspraak mochten maken, zijn miskend. Wordt dit recht van beroep uitgeoefend, dan kan in het kader daarvan enkel een wezenlijke schending van hun procedurele rechten en niet enig middel, ontleend aan de schending van de in verordening nr. 4064/89 vervatte materiële voorschriften, tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie leiden.
2. Ofschoon de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de bij een concentratie betrokken ondernemingen ingevolge artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 het recht hebben, zo zij daarom verzoeken, voor de Commissie hun opmerkingen kenbaar te maken, is deze laatste niet gehouden hen in kennis te stellen van het bestaan van een concentratieplan dat door een van de betrokken ondernemingen bij haar is aangemeld.
Ingevolge artikel 6 van richtlijn 77/187 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen zijn de betrokken ondernemingen verplicht de vertegenwoordigers van de werknemers in te lichten, en zijn de nationale autoriteiten bevoegd erop toe te zien dat deze verplichting wordt nageleefd.
In zaak T-12/93,
Comité central d' entreprise de la société anonyme Vittel, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in boek IV van de Franse Code du travail, gevestigd te Vittel (Frankrijk),
Comité d' établissement de Pierval, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in genoemde bepalingen, gevestigd te Vittel, en
Fédération générale agroalimentaire, bij de Confédération française démocratique du travail aangesloten vakbond, gevestigd te Parijs,
vertegenwoordigd door F. Nativi, H. Rousseau en F. Bienayme-Galaz, advocaten te Parijs, bijgestaan door A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Grand-Rue 31,
verzoekers,
ondersteund door
Comité central d' entreprise de la Société générale des grandes sources, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in boek IV van de Franse Code du travail, gevestigd te Parijs,
Comité d' établissement de la Source Perrier, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in genoemde bepalingen,
Syndicat CGT (Confédération générale du travail) de la Source Perrier, vakbond als bedoeld in genoemde bepalingen, en
Comité de groupe Perrier, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in genoemde bepalingen,
gevestigd te Vergèze (Frankrijk),
tijdens de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door J. Méloux en ter terechtzitting door A. Ottan, beiden advocaat te Montpellier, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Thomas, advocaat aldaar, Boulevard Grande-Duchesse Charlotte 77,
interveniënten,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. González Díaz, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, bij haar gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 92/553/EEG van de Commissie van 22 juli 1992 inzake een procedure op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (Zaak nr. IV/M.190 ° Nestlé/Perrier) (PB 1989, L 356, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, D. P. M. Barrington, A. Saggio, H. Kirschner en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 7 oktober 1994,
het navolgende
Arrest
De feiten en het procesverloop
1 Op 25 februari 1992 meldde Nestlé SA (hierna: "Nestlé") krachtens artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1989, L 395, blz. 1; hierna: "verordening nr. 4064/89"), bij de Commissie een openbaar bod op de aandelen van Source Perrier SA (hierna: "Perrier") aan, dat op 20 januari 1992 was uitgebracht door Demilac SA (hierna: "Demilac"), een gemeenschappelijke dochteronderneming van Nestlé en de Banque Indosuez. Nestlé en Demilac zouden zijn overeengekomen, bij welslagen van het openbaar bod een van de dochtermaatschappijen van Perrier, namelijk de vennootschap Volvic, aan de groep BSN te verkopen.
2 Nadat zij de aanmelding had onderzocht, besloot de Commissie op 25 maart 1992 de in artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 bedoelde procedure in te leiden, op grond dat er ernstige twijfel bestond over de verenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt. Volgens de Commissie zou de concentratie kunnen leiden tot het ontstaan van een machtspositie, hetzij van de eenheid Perrier-Nestlé op zich, hetzij van Perrier-Nestlé en BSN samen.
3 Op 25 mei 1992 werden Nestlé en BSN als "betrokken partijen" door de Commissie gehoord.
4 Op 22 juli 1992 gaf de Commissie wegens de door Nestlé jegens haar aangegane verbintenissen beschikking 92/553/EEG inzake een procedure op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 (Zaak nr. IV/M.190 ° Nestlé/Perrier) (PB 1992, L 356, blz. 1; hierna: "beschikking"), waarbij zij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaarde, zij het op voorwaarde dat werd voldaan aan alle voorwaarden en verplichtingen die waren vervat in de door Nestlé aangegane verbintenissen (zie de honderdzesendertigste overweging van de considerans en artikel 1 van het dispositief van de beschikking). Deze voorwaarden en verplichtingen, die ten doel hebben een levensvatbare concurrent die over de nodige middelen beschikt om daadwerkelijk met Nestlé en BSN te concurreren, de toegang tot de Franse markt voor gebotteld water te vergemakkelijken, kunnen worden samengevat als volgt:
° Nestlé moet aan deze concurrent de merknamen en de bronnen Vichy, Thonon, Pierval, Saint-Yorre en een aantal andere plaatselijke bronnen te koop aanbieden;
° de keuze van de koper, die over voldoende financiële middelen en over deskundigheid op het gebied van onder merknamen verkochte dranken of voedingsmiddelen moet beschikken, moet door de Commissie worden goedgekeurd;
° Nestlé mag geen enkel gegeven betreffende de omvang van haar verkopen van minder dan één jaar oud verstrekken aan een bedrijfsvereniging of een andere organisatie die deze voor andere concurrenten toegankelijk kan maken, zolang de huidige oligopolistische marktstructuur op de Franse markt voor gebotteld water blijft bestaan;
° Nestlé moet alle van Perrier overgenomen activa en belangen van haar bedrijfsvoering gescheiden houden totdat de verkoop van bovengenoemde merknamen en bronnen is afgerond;
° Nestlé mag tijdens bovengenoemde periode geen structurele wijzigingen in de bedrijfsvoering van Perrier doorvoeren zonder voorafgaande toestemming van de Commissie;
° Nestlé mag geen vertrouwelijke of gepatenteerde bedrijfsgeheimen, know-how, handelsinformatie of andere industriële informatie of eigendomsrechten die zij van Perrier ontvangt, aan een tot haar groep behorende handelsonderneming overdragen;
° Nestlé kan Volvic niet aan BSN verkopen totdat bovengenoemde merknamen en bronnen zijn verkocht;
° Nestlé mag gedurende een periode van tien jaar de merknamen en bronnen die zij moet verkopen, niet rechtstreeks of onrechtstreeks weer aankopen, en moet de Commissie gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van de beschikking in kennis stellen van elke aankoop van een op de Franse markt voor gebotteld water aanwezige eenheid waarvan het marktaandeel meer dan 5 % vertegenwoordigt.
5 De bron Pierval, die Nestlé ingevolge de beschikking moet afstoten, wordt geëxploiteerd door een van de vestigingen van Vittel SA (hierna: "Vittel"), de vestiging Pierval, waar 119 werknemers zijn tewerkgesteld. Volgens de door verzoekers verstrekte informatie is Vittel in 1992 een dochtermaatschappij van de groep Nestlé geworden.
6 Bij op 3 februari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift stelden het Comité central d' entreprise de Vittel SA (hierna: "CCE Vittel"), het Comité d' établissement de Pierval (hierna: "CE Pierval") en de Fédération générale agroalimentaire-CFDT (hierna: "FGA-CFDT") krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep tot nietigverklaring van de beschikking in, "voor zover hierin de concentratie Nestlé-Perrier verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt, mits Nestlé aan bepaalde voorwaarden voldoet, terwijl die voorwaarden onregelmatig en overbodig zijn", in het bijzonder voor zover zij "de afstoting door Vittel SA van een volledig bedrijfsonderdeel, gevormd door de fabriek Pierval", inhouden.
7 Bij op 2 maart 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte dienden verzoekers tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag een verzoek in kort geding in, dat primair strekte tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking, en subsidiair tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking voor zover hierin de afstoting van de fabriek Pierval wordt verlangd, en wel tot de uitspraak in de hoofdzaak. Bij beschikking van 2 april 1993 gelastte de president van het Gerecht de Commissie om, zodra zij de desbetreffende gegevens in haar bezit zou hebben, het Gerecht ervan in kennis te stellen, dat aan alle in de beschikking geformuleerde voorwaarden betreffende de verkoop van activa was voldaan, en, in het bijzonder, dat de belemmeringen voor de overdracht van de rechten betreffende de exploitatie van de bronnen Vichy en Thonon waren opgeheven. In dezelfde beschikking besloot de president van het Gerecht de tenuitvoerlegging van de beschikking, voor zover deze de overdracht van de vestiging Pierval inhield, op te schorten totdat de rechter in kort geding zich met inachtneming van de hem door de Commissie verstrekte informatie zou kunnen uitspreken over de verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging (zaak T-12/93 R, CCE Vittel en CE Pierval, Jurispr. 1993, blz. II-449). Nadat bedoelde informatie op 14 juni 1993 was verstrekt, werden de verzoeken in kort geding bij beschikking van de president van het Gerecht van 6 juli 1993 afgewezen. De beslissing omtrent de kosten werd aangehouden (zaak T-12/93 R, Jurispr. 1993, blz. II-785).
8 Bij op 14 juni 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben het Comité central d' entreprise de la Société générale des grandes sources (hierna: "CCE Perrier"), het Comité d' établissement de la Source Perrier te Vergèze (Frankrijk; hierna: "CE Perrier"), de vakbond CGT de la Source Perrier (hierna: "CGT Perrier") en het Comité de groupe Perrier (hierna: "CG Perrier") verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekers. Het Gerecht heeft bij beschikking van 16 december 1993 in die verzoeken bewilligd.
9 Interveniënten hebben op 14 maart 1994 hun memorie in interventie met de middelen en argumenten tot staving van hun conclusies ingediend. Daar verzoekers binnen de gestelde termijn geen opmerkingen over die memorie in interventie hebben ingediend, is de schriftelijke behandeling afgesloten met de nederlegging van de opmerkingen van verweerster, op 27 april 1994.
10 Het Gerecht (Tweede kamer ° uitgebreid) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 oktober 1994.
Conclusies van partijen
11 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
° de Commissie te gelasten alle stukken waarop zij haar beschikking heeft gebaseerd, over te leggen;
° te verklaren dat het onderhavige beroep strekt tot nietigverklaring van die beschikking, voor zover hierin de concentratie Nestlé-Perrier verenigbaar wordt verklaard met de gemeenschappelijke markt, mits Nestlé voldoet aan bepaalde voorwaarden, die de afstoting door Vittel van de fabriek Pierval inhouden, terwijl de Commissie de concentratie zonder meer verenigbaar had moeten verklaren met de gemeenschappelijke markt, zonder daaraan enige voorwaarde te verbinden;
° bijgevolg, de bestreden beschikking nietig te verklaren met alle rechtsgevolgen van dien.
12 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekers hoofdelijk in de kosten te verwijzen.
13 Interveniënten concluderen dat het het Gerecht behage:
° verzoekers' vordering tot nietigverklaring van de beschikking toe te wijzen;
° de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige interventie.
De ontvankelijkheid
Beknopte uiteenzetting van de argumenten van partijen
14 Ofschoon de Commissie wel ingaat op de zaak ten gronde, stelt zij dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk is. Zij betoogt om te beginnen, dat wil een beroep ontvankelijk zijn, niet alleen moet zijn voldaan aan de twee voorwaarden van artikel 173 EG-Verdrag, volgens welke de bestreden handeling de verzoekers rechtstreeks en individueel moet raken, doch tevens moet worden aangetoond dat de verzoekers procesbelang hebben (zie arresten Hof van 31 maart 1977, zaak 88/76, Suiker Export, Jurispr. 1977, blz. 709, en 10 juli 1986, zaak 282/85, DEFI, Jurispr. 1986, blz. 2469). Volgens de Commissie is een dergelijk belang in casu niet aangetoond, gelet op de hoofddoelstelling van verordening nr. 4064/89, die beoogt in de gemeenschappelijke markt een daadwerkelijke mededinging in stand te houden en te ontwikkelen. De Commissie erkent, dat zij bij de beoordeling van de gevolgen van een concentratie voor de mededinging moet uitgaan van het algemene kader van de verwezenlijking van de in artikel 2 van het Verdrag bedoelde fundamentele doelstellingen, daaronder begrepen de in artikel 130 A bedoelde versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap, zoals in de dertiende overweging van de considerans van verordening nr. 4064/89 in herinnering wordt gebracht. Deze overweging verplicht echter niet tot een gedetailleerde analyse van de gevolgen van een concentratie voor de werkgelegenheid in een bepaalde onderneming, maar tot de inaanmerkingneming van de gevolgen die de concentratie naar verwachting zal hebben voor de werkgelegenheid in de Gemeenschap als geheel of in een deel ervan. Volgens de Commissie hebben erkende werknemersvertegenwoordigers dus alleen dan een belang dat bescherming verdient, indien zij, althans op het eerste gezicht, weten aan te tonen, dat een door de Commissie goedgekeurde concentratie van dien aard is, dat op duidelijke wijze afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 2 EG-Verdrag bedoelde sociale doelstellingen.
15 De Commissie stelt voorts, dat verzoekers geen procesbevoegdheid hebben, daar zij niet voldoen aan de twee ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 173 van het Verdrag. Zij betwist in de eerste plaats, dat verzoekers door de beschikking individueel worden geraakt. Dienaangaande brengt zij in herinnering, dat een derde slechts aan deze voorwaarde voldoet, indien de betrokken beschikking hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat. Zij leidt hieruit af, dat derde belanghebbenden die tijdens de administratieve procedure niet van zich hebben laten horen, niet gerechtigd zijn te ageren tegen de na afloop van die procedure vastgestelde beschikking. Zowel op het gebied van mededinging als op dat van staatssteun, dumping en subsidies heeft het Hof erkend, dat derden die over procedurele waarborgen beschikken, de hoedanigheid hebben om in rechte te kunnen optreden, en wel om hem in staat te stellen te controleren, of die processuele rechten zijn geëerbiedigd (zie arresten van 25 oktober 1977, zaak 26/76, Metro, Jurispr. 1977, blz. 1875; 4 oktober 1983, zaak 191/82, FEDIOL, Jurispr. 1983, blz. 2913, en 28 januari 1986, zaak 169/84, Cofaz, Jurispr. 1986, blz. 391). De toekenning van procesbevoegdheid aan een verzoeker die zich niet op zijn processuele rechten heeft willen beroepen, zou derhalve neerkomen op de invoering van een procedure naast die welke is voorzien door de gemeenschapsregeling, in casu door artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89.
16 In casu verwerpt de Commissie verzoekers' argument, dat zij te laat van de verkoop van de vestiging Pierval in kennis zijn gesteld en derhalve geen gebruik hebben kunnen maken van de mogelijkheid, krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 te worden gehoord. Zij betoogt, dat die te late kennisgeving niet aan haar kan worden toegerekend, daar verordening nr. 4064/89 haar op dit punt geen enkele verplichting oplegt. Een en ander moet worden toegeschreven aan hetzij nalatigheid van de bestuurders van Nestlé, hetzij een onvolkomenheid van de Franse wetgeving. De omstandigheid dat verzoekers te laat van de betrokken verkoop in kennis zijn gesteld, kan dan ook niet de ontvankelijkheid van het beroep rechtvaardigen, daar de rechterlijke toetsing zich niet meer uitstrekt tot de eerbiediging door de Commissie van de door de gemeenschapsregeling gewaarborgde processuele rechten van derden.
17 In haar verweerschrift betwist de Commissie bovendien, dat de vakbond FGA-CFDT is aan te merken als erkend vertegenwoordiger van de werknemers van Vittel, in de zin van artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89. Het is in het bijzonder noodzakelijk, dat de werknemersvertegenwoordigers die zich op deze bepaling wensen te beroepen, naar nationaal recht tot taak hebben, op te komen voor de belangen van alle werknemers van het bedrijf en niet uitsluitend van hun eigen leden. In dupliek neemt de Commissie er akte van, dat verzoekers in repliek hebben betoogd, dat vakorganisaties ingevolge de Franse arbeidswetgeving tot taak hebben, de collectieve belangen van het vak te verdedigen. Zij beklemtoont, dat het weliswaar aan het Gerecht is om te bepalen, hoe het communautaire begrip "erkende vertegenwoordigers van de werknemers" moet worden uitgelegd, doch dat voor de toepassing van dit begrip in elke Lid-Staat moet worden beoordeeld, welke rol de vakbonden naar nationaal recht hebben.
18 De Commissie betwist in de tweede plaats, dat verzoekers door de bestreden handeling rechtstreeks worden geraakt. Zij stelt om te beginnen, dat verzoekers in repliek voor het eerst spreken van hun eigen belangen, die door de litigieuze beschikking rechtstreeks zouden worden geraakt. Daar het hier een nieuw middel betreft, dient het ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Commissie is hoe dan ook van mening, dat verzoekers zich niet kunnen beroepen op eigen belangen ° voor zover het althans niet gaat om de eerbiediging van de in artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 voorziene procedurele waarborgen °, indien deze niet overeenkomen met de collectieve belangen van de werknemers die zij dienen te vertegenwoordigen.
19 De Commissie stelt voorts, dat de ontslagen die volgens verzoekers zouden kunnen vallen bij de centrale diensten van Vittel als gevolg van de afstoting van de fabriek Pierval, geen rechtstreeks gevolg van de beschikking kunnen zijn. Zij verwijst in dit verband naar richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan (PB 1977, L 61, blz. 26; hierna: "richtlijn 77/187"), waarvan artikel 4, lid 1, bepaalt, dat de overgang van een onderneming op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag vormt.
20 Met betrekking tot verzoekers' argument, dat de voordelen die de werknemers van Pierval krachtens de bij Vittel geldende bedrijfsovereenkomst genieten, op losse schroeven zouden komen te staan, merkt de Commissie op, dat ingevolge artikel L. 132-8 van de Franse Code du travail in geval van overdracht van een onderneming elke binnen die onderneming geldende collectieve overeenkomst van kracht blijft gedurende een jaar of tot het tijdstip waarop een nieuwe overeenkomst in werking treedt. Wordt er in het op de overdracht volgende jaar geen nieuwe overeenkomst gesloten, dan behouden de werknemers de op grond van de oude overeenkomst verworven individuele voordelen.
21 Verzoekers betogen, dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond is. Zij betwisten, dat hun beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond dat zij niet aannemelijk zouden hebben gemaakt procesbelang te hebben. Zij stellen om te beginnen, dat artikel 173 van het Verdrag de ontvankelijkheid van een beroep niet afhankelijk stelt van het bestaan van procesbelang. Vervolgens merken zij op, dat hoe dan ook niet in twijfel kan worden getrokken, dat zij procesbelang hebben. In dit verband stellen zij inzonderheid, dat personeelscomités in Frankrijk een belangrijke rol spelen bij de instandhouding van de bedrijfsvoorzieningen in het belang van de werknemers, waartoe zij beschikken over bevoegdheden die hen werkelijk in staat stellen, controle uit te oefenen op en zich te bemoeien met de economische, financiële en commerciële activiteiten van de onderneming. Het zou dan ook in strijd zijn met zowel artikel 130 A EG-Verdrag, volgens hetwelk de economische en sociale samenhang binnen de Gemeenschap moet worden versterkt, als het beginsel van behoorlijke rechtsbedeling, indien op het punt van de toegang tot de gemeenschapsrechter werd "gediscrimineerd" tussen handelsvennootschappen enerzijds en rechtspersonen die belast zijn met de behartiging van de belangen van de werknemers, of het nu vakbonden dan wel personeelscomités betreft, anderzijds.
22 Wat de in artikel 173 van het Verdrag geformuleerde ontvankelijkheidsvoorwaarden betreft, zijn verzoekers van mening, dat in casu "de wet en de rechtspraak van het Hof een vermoeden van ontvankelijkheid opleveren". Zij stellen in de eerste plaats, dat zij door de in het kader van verordening nr. 4064/89 vastgestelde beschikking individueel worden geraakt, voor zover deze verordening de collectieve rechten van de werknemers van de betrokken ondernemingen beschermt. Ten eerste bepaalt artikel 18, lid 4, van de verordening, dat de erkende vertegenwoordigers van die werknemers het recht hebben om, zo zij daarom verzoeken, tijdens de administratieve procedure te worden gehoord. Het is vaste rechtspraak, dat wanneer een verordening aan derden tijdens de administratieve procedure bepaalde procedurele waarborgen biedt, die derden ter bescherming van hun wettelijke belangen over een beroepsmogelijkheid beschikken (arresten Metro, FEDIOL en Cofaz, reeds aangehaald).
23 Dienaangaande preciseren verzoekers, dat met het communautaire begrip "erkende vertegenwoordigers van de werknemers van een onderneming" niet enkel de door die werknemers gekozen vertegenwoordigers worden bedoeld, maar ook, zoals de Commissie heeft erkend, elk orgaan dat ingevolge de wet tot taak heeft, op te komen voor de belangen van alle werknemers van de onderneming en niet enkel van zijn eigen leden. Dit is het geval met de vakbond FGA-CFDT, waarvan de representativiteit op nationaal vlak wordt erkend. Deze vakbond heeft dus tot taak, op te komen voor de belangen van alle werknemers die werkzaam zijn in de voedingsmiddelenindustrie, waarvan Vittel deel uitmaakt. Ingevolge artikel L. 411-11 van de Franse Code du travail kan de vakbond FGA-CFDT, evenals elke andere vakbond, voor alle rechterlijke instanties alle aan de civiele partij voorbehouden rechten uitoefenen die verband houden met feiten waardoor het collectieve belang van het door hem vertegenwoordigde vak rechtstreeks of zijdelings wordt geschaad.
24 Verzoekers betwisten bovendien, dat wanneer de erkende werknemersvertegenwoordigers niet verzoeken tijdens de administratieve procedure door de Commissie te worden gehoord, zij niet kunnen worden geacht door de eindbeschikking individueel te worden geraakt. De toegang tot de gemeenschapsrechter kan immers niet afhankelijk worden gesteld van de gebruikmaking van de door verordening nr. 4064/89 geboden mogelijkheid te worden gehoord, omdat anders personen die door een beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt, doch niet van die mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, in strijd met artikel 173 van het Verdrag worden beroofd van hun recht tegen die beschikking op te komen. Het standpunt van de Commissie zou in de praktijk betekenen, dat een ieder die eventueel door een beschikking kan worden geraakt, wordt verplicht tijdens de administratieve procedure zijn opmerkingen in te dienen, met het enkele doel zich de mogelijkheid voor te behouden, in voorkomend geval een beroep tot nietigverklaring in te stellen.
25 Verzoekers zijn hoe dan ook in casu niet in staat geweest, de hun krachtens artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 toekomende processuele rechten uit te oefenen. Zoals in rechtsoverweging 24 van de beschikking van de president van het Gerecht van 2 april 1993 (reeds aangehaald) wordt opgemerkt, werd de afstoting van een aantal bronnen, waaronder Pierval, hun immers pas na de vaststelling van de beschikking door hun werkgever meegedeeld.
26 Ten tweede, zo beklemtonen verzoekers, wordt de verplichting om in het kader van verordening nr. 4064/89 de rechten van de werknemers in aanmerking te nemen, bevestigd door de eenendertigste overweging van de considerans van die verordening, volgens welke de verordening "geenszins afbreuk doet aan de collectieve rechten van de werknemers, zoals die in de betrokken ondernemingen zijn erkend". In casu worden de organen die de werknemers van Vittel vertegenwoordigen, te meer door de beschikking individueel geraakt, daar één van de voorwaarden waarvan de verenigbaarheid van de in geding zijnde concentratie met de gemeenschappelijke markt afhankelijk wordt gesteld, bestaat in de afstoting van een volledig bedrijfsonderdeel van Vittel, namelijk de vestiging Pierval. Die afstoting dwingt een voormalige gemeenschap van werknemers tot een kunstmatige scheiding en doet afbreuk aan de door die gemeenschap verworven rechten. De beschikking betreft de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van Vittel dan ook uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen individualiseert op soortgelijke wijze als de onderneming Vittel, een van de ondernemingen die door de beschikking wordt geraakt op dezelfde voet als de adressaat, Nestlé.
27 Verzoekers stellen in de tweede plaats, dat de beschikking hen rechtstreeks raakt. Zij voeren in dit verband aan, dat de door de beschikking voorgeschreven afstoting van een deel van de onderneming Vittel afbreuk doet zowel aan de eigen rechten waarover zij als erkende vertegenwoordigers van de werknemers beschikken, als aan de rechten van de werknemers.
28 In repliek voeren verzoekers primair aan, dat de beschikking hun eigen rechten rechtstreeks en onvermijdelijk raakt. In de eerste plaats doet de beschikking "afbreuk aan de economische, industriële, technische en financiële structuur van de onderneming, doordat zij Vittel de verplichting oplegt haar vestiging Pierval af te stoten, ongeacht de gevolgen die een en ander voor de werkgemeenschap en de rechten van de werknemers heeft". Bovendien leidt zij tot een "aantasting van de structuur van de verzoekende het personeel vertegenwoordigende organen, doordat bij Vittel het Comité d' établissement de Pierval verdwijnt, met als gevolg dat het centrale personeelscomité de van de vestiging Pierval afkomstige vertegenwoordigers kwijtraakt, waardoor dit comité een ander rechtskarakter krijgt en een personeelscomité wordt". De beschikking doet derhalve afbreuk aan de rechten waarover het centrale personeelscomité ingevolge de Franse wetgeving beschikt. De vakbond FGA-CFDT, waarbij een ruime meerderheid van de werknemers van Vittel is aangesloten, wordt door de beschikking rechtstreeks geraakt in de uitoefening van zijn vertegenwoordigende taak binnen die vennootschap, voor zover de afstoting van de vestiging Pierval ingevolge artikel L. 122-2 van de Franse Code du travail de overgang van het aan die vestiging verbonden personeel zal meebrengen.
29 Verzoekers betogen voorts, dat de beschikking rechtstreeks inbreuk maakt op de rechten van de werknemers van Vittel en Pierval, die de rechtsgevolgen ondervinden van de door de beschikking voorgeschreven afstoting van een bedrijfsonderdeel. De vestiging Pierval vertegenwoordigt een aanzienlijk deel van het vermogen van Vittel, dat "de wettelijke garantie voor het behoud van de werkgelegenheid vormt". Volgens de beschikking zal echter bij de goedkeuring van de verkrijger uitsluitend worden uitgegaan van criteria die verband houden met de ontwikkeling van de mededinging. Ook zullen de uit de concentratie voortvloeiende ontslagmaatregelen leiden tot een verlies van arbeidsplaatsen. Bovendien worden de werknemers van Pierval rechtstreeks geraakt door het verlies van de bij de onderneming Vittel genoten collectieve voordelen. Voor het bewijs van de door de werknemers rechtstreeks ondervonden nadelen verwijzen verzoekers uitdrukkelijk naar hun verzoek in kort geding en naar de door hen in het kader van de procedure in kort geding overgelegde stukken.
30 Uit al het voorgaande volgt volgens verzoekers, dat zij als erkende werknemersvertegenwoordigers gerechtigd zijn zich tot het Gerecht te wenden teneinde de door verordening nr. 4064/89 gewaarborgde bescherming van de collectieve rechten van de werknemers te verzekeren. Verzoekers preciseren in dit verband, dat naar Frans recht werknemersvertegenwoordigers weliswaar gerechtigd zijn zich in geval van onregelmatigheid van een bedrijfsoverdracht tot de rechter te wenden, maar dat zulks nog niet betekent dat zij bij de nationale rechter kunnen opkomen tegen de uitvoering van een beschikking van de Commissie, daar de gemeenschapsrechter bij uitsluiting bevoegd is na te gaan, of daarbij geen onregelmatigheden zijn begaan.
31 Interveniënten ondersteunen alle middelen die verzoekers ter zake van de ontvankelijkheid hebben aangevoerd. Zij brengen in herinnering, dat artikel 173 van het Verdrag aan een ieder die door een beschikking van een instelling rechtstreeks en individueel wordt geraakt, het recht toekent tegen die beschikking beroep in te stellen. De omstandigheid dat wanneer in verordening nr. 4064/89 wordt gesproken van derden die een voldoende belang aannemelijk maken, bepaalde "geprivilegieerde" personen met zoveel woorden worden genoemd, levert een werkelijk vermoeden op, dat door die derden tegen genoemde beschikking ingestelde beroepen ontvankelijk zijn. Het is in dit verband irrelevant, dat verordening nr. 4064/89 niet in een klachtprocedure voorziet en dat bedoelde derden niet aan de procedure voor de Commissie hebben deelgenomen. Interveniënten betogen, dat het Hof in de door de Commissie aangehaalde rechtspraak het bewijs van een voldoende belang en de daadwerkelijke deelneming aan de administratieve procedure als alternatieve en niet als cumulatieve ontvankelijkheidsvereisten heeft beschouwd.
32 In dit verband merken interveniënten op, dat artikel 15, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2367/90 van de Commissie van 25 juli 1990 betreffende de aanmeldingen, de termijnen en het horen van betrokkenen en derden, overeenkomstig verordening (EEG) nr. 4064/89 (PB 1990, L 219, blz. 5), weliswaar aan bepaalde personen het recht verleent om, indien zij daarom verzoeken, te worden gehoord, doch dat lid 3 van genoemd artikel de Commissie hoe dan ook in de gelegenheid stelt, elke derde te verzoeken zijn standpunt kenbaar te maken. In casu nu heeft de Commissie het niet noodzakelijk geoordeeld, de erkende werknemersvertegenwoordigers te horen.
33 Wat meer in het bijzonder de rechtstreekse invloed van de beschikking op verzoekers' rechtssituatie betreft, merken interveniënten op, dat verzoekers zich terecht beroepen op een "samengestelde schade", die zowel verband houdt met hun eigen rechtspersoonlijkheid als met de hun bij de wet opgedragen taak, de collectieve rechten van de werknemers te verdedigen. Een beschikking die het werkgelegenheidspeil of de werkgelegenheidssituatie ongunstig beïnvloedt, doet noodzakelijkerwijs afbreuk aan de eigen rechten van de erkende werknemersvertegenwoordigers, en omgekeerd. De omstandigheid dat verzoekers zich in repliek op dergelijke eigen rechten beroepen, kan derhalve niet als een nieuw middel worden beschouwd.
34 Ten gronde beklemtonen interveniënten, dat verzoekers door de beschikking rechtstreeks worden geraakt, voor zover hierin de afstoting van de vestiging Pierval wordt gelast, waardoor in de eerste plaats het werkgelegenheidspeil en de werkgelegenheidssituatie van het personeel van Pierval ongunstig worden beïnvloed, en in de tweede plaats afbreuk wordt gedaan aan de eigen rechten van de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen. Deze laatsten hadden immers ingevolge de nationale regeling en richtlijn 77/187 "tijdig" van die concentratie in kennis moeten worden gesteld. De Commissie heeft daarvoor echter niet gezorgd en heeft opzettelijk nagelaten, bij de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken onderneming navraag te doen naar de sociale situatie, waardoor zij de bepalingen van het Verdrag (artikelen 2, 117, 118, 118 A en 118 B), van het Gemeenschapshandvest van 9 december 1989, van het Europees Sociaal Handvest van 18 oktober 1961 en van richtlijn 77/187, in hun onderling verband gelezen, heeft geschonden. Verzoekers worden bovendien financieel geraakt door de gevolgen die de afstoting van de vestiging Pierval voor hun huishoudelijke begroting en hun sociaal budget heeft. Tot slot is als gevolg van die afstoting het aantal werknemersvertegenwoordigers bij CCE Vittel verminderd.
Beoordeling door het Gerecht
35 Volgens artikel 173 van het Verdrag kan een natuurlijke of rechtspersoon alleen dan beroep instellen tegen een tot een andere persoon gerichte beschikking, indien die beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt. Daar de bestreden beschikking is gericht tot Nestlé, moet worden nagegaan, of verzoekers door deze beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt.
36 De enkele omstandigheid dat een handeling de rechtssituatie van de verzoekers kan beïnvloeden, rechtvaardigt nog niet de conclusie, dat zij hen rechtstreeks en individueel raakt. Wat in de eerste plaats het ontvankelijkheidsvereiste betreft, dat de verzoekers individueel moeten worden geraakt, zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak slechts aan dit vereiste is voldaan, indien de bestreden beschikking de verzoekers betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie arresten Hof van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 207, 232, en 10 december 1969, gevoegde zaken 10/68 en 18/68, Eridania e.a., Jurispr. 1969, blz. 459, r.o. 7, alsmede arrest Gerecht van 28 oktober 1993, zaak T-83/92, Zunis Holding e.a., Jurispr. 1993, blz. II-1169, r.o. 34 en 36).
37 In casu moet derhalve worden onderzocht, of de bestreden beschikking verzoekers betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of uit hoofde van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat.
38 Daartoe moet om te beginnen worden opgemerkt, dat in het systeem van verordening nr. 4064/89 de prioriteit die wordt toegekend aan de invoering van een stelsel van vrije mededinging, in bepaalde gevallen niet uitsluit, dat in het kader van de beoordeling van de verenigbaarheid van een concentratie met de gemeenschappelijke markt ook rekening wordt gehouden met de sociale gevolgen van die concentratie, namelijk wanneer deze van dien aard zijn, dat zij de verwezenlijking van de in artikel 2 van het Verdrag bedoelde sociale doelstellingen in gevaar brengen. Zo kan de Commissie ertoe worden gebracht te onderzoeken, of de concentratie, zij het ook zijdelings, gevolgen kan hebben voor de situatie van de werknemers in de betrokken ondernemingen, waardoor het werkgelegenheidspeil of de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap of in een wezenlijk gedeelte daarvan ongunstig wordt beïnvloed.
39 Ingevolge artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 4064/89 is de Commissie immers verplicht een economische balans op te maken van de betrokken concentratie, waarbij zij in voorkomend geval overwegingen van sociale aard kan laten meewegen, zoals wordt bevestigd in de dertiende overweging van de considerans van de verordening, volgens welke "de Commissie bij haar beoordeling moet uitgaan van het algemene kader van de verwezenlijking van de in artikel 2 van het Verdrag bedoelde fundamentele doelstellingen, inclusief de versterking van de economische en sociale samenhang van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 130 A van het Verdrag". In dit juridisch kader geeft de omstandigheid dat in artikel 18, lid 4, van de verordening ° waarmee concrete uitvoering wordt gegeven aan het in de negentiende overweging van de considerans geformuleerde beginsel ° met zoveel woorden wordt gesproken van het recht van de vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen om, indien zij daarom verzoeken, te worden gehoord, blijk van de wil de inaanmerkingneming van de collectieve belangen van die werknemers tijdens de administratieve procedure te verzekeren.
40 In deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat in de opzet van verordening nr. 4064/89 de situatie van de werknemers van de bij de concentratie betrokken ondernemingen, in bepaalde gevallen door de Commissie bij de vaststelling van haar beschikking in aanmerking kan worden genomen. Dit is de reden waarom de verordening de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van die ondernemingen ° die een gesloten en op het moment van de vaststelling van de beschikking duidelijk afgebakende categorie vormen ° individualiseert, door hun uitdrukkelijk en specifiek het recht toe te kennen, tijdens de administratieve procedure hun opmerkingen kenbaar te maken. Deze organen, die belast zijn met de behartiging van de collectieve belangen van de door hen vertegenwoordigde werknemers, hebben daarbij immers belang in het licht van de overwegingen van sociale aard die de Commissie in voorkomend geval bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van de concentratie met het gemeenschapsrecht in aanmerking kan nemen.
41 Verzoekers stellen dan ook terecht, dat in de opzet van verordening nr. 4064/89 de omstandigheid dat wanneer wordt gesproken van derden die aantonen voldoende belang erbij te hebben, door de Commissie te worden gehoord, uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de bij een concentratie betrokken ondernemingen, volstaat om die vertegenwoordigers ten opzichte van ieder ander te karakteriseren, zonder dat, zoals verweerster beweert, ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep behoeft te worden nagegaan, of die concentratie, althans op het eerste gezicht, van dien aard is, dat afbreuk wordt gedaan aan de in het Verdrag bedoelde sociale doelstellingen. Deze laatste vraag moet namelijk worden behandeld in het kader van het onderzoek ten gronde.
42 Bijgevolg moeten de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de bij een concentratie betrokken ondernemingen in beginsel worden geacht individueel te worden geraakt door de beschikking van de Commissie inzake de verenigbaarheid van die concentratie met de gemeenschappelijke markt.
43 In casu wordt de hoedanigheid van erkend vertegenwoordiger van de werknemers van de betrokken ondernemingen, in de zin van artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89, door de Commissie niet betwist voor zover het twee van de verzoekers betreft, te weten CCE Vittel en CE Pierval.
44 Daar in casu sprake is van één en hetzelfde beroep, behoeft niet te worden onderzocht, of de derde verzoeker, de vakbond FGA-CFDT, procesbevoegdheid heeft. Gelijk het Hof heeft overwogen in zijn arrest van 24 maart 1993 (zaak C-313/90, CIRFS e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1125, r.o. 31), is het beroep reeds ontvankelijk indien althans één van de verzoekers aan de in artikel 173 van het Verdrag geformuleerde voorwaarden voldoet.
45 Het is hoe dan ook aan de Lid-Staten om te bepalen, welke organen bevoegd zijn de collectieve belangen van de werknemers te vertegenwoordigen, en wat de rechten en prerogatieven van die organen zijn, behoudens in het geval van harmonisatiemaatregelen (zie bij voorbeeld richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers; PB 1994, L 254, blz. 64). Naar aanleiding van hetgeen verzoekers in repliek hebben gepreciseerd, betwist de Commissie in casu overigens niet, dat de representativiteit van de vakbond FGA-CFDT in de voedingsmiddelensector en, bijgevolg, in de tot die sector behorende ondernemingen, zoals Vittel ° waarvan de meerderheid van het personeel bij deze vakbond is aangesloten ° naar Frans recht wordt erkend, voor zover hij is aangesloten bij de vakfederatie CFDT. Deze omstandigheid volstaat om de vakbond FGA-CFDT te kunnen beschouwen als een erkend vertegenwoordiger van de werknemers van de bij de in geding zijnde concentratie betrokken ondernemingen, in de zin van artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89.
46 De stelling van de Commissie, dat verzoekers, daar zij niet overeenkomstig artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 hebben verzocht tijdens de administratieve procedure te worden gehoord, niet individueel door de beschikking worden geraakt, ontbeert bovendien iedere grond. Door de procesbevoegdheid van bepaalde derden die tijdens de administratieve procedure processuele rechten genieten, in beginsel afhankelijk te stellen van hun daadwerkelijke deelneming aan die procedure, introduceert de Commissie een extra ontvankelijkheidsvoorwaarde in de vorm van een verplichte precontentieuze procedure, terwijl die voorwaarde niet in artikel 173 van het Verdrag is voorzien. Zoals verzoekers opmerken, is deze restrictieve uitlegging in strijd met genoemde verdragsbepaling, volgens welke een ieder die door een beschikking rechtstreeks en individueel wordt geraakt, gerechtigd is die beschikking aan te vechten.
47 Een analyse van 's Hofs rechtspraak bevestigt, dat de procesbevoegdheid van derden die aantonen voldoende belang erbij te hebben, tijdens de administratieve procedure te worden gehoord, niet noodzakelijkerwijs afhankelijk is van hun daadwerkelijke deelneming aan die procedure. Er zijn andere specifieke omstandigheden die, in voorkomend geval, bedoelde derden kunnen individualiseren op soortgelijke wijze als de adressaat van de bestreden beschikking. Anders dan verweerster beweert, heeft het Hof immers zowel op het gebied van mededinging en staatssteun als op dat van dumping en subsidies de deelneming van bepaalde derden aan de administratieve procedure enkel in aanmerking genomen als een feit dat in bepaalde bijzondere omstandigheden het vermoeden oplevert, dat hun beroep dat ertoe strekt de gemeenschapsrechter niet alleen te doen nagaan, of hun processuele rechten zijn geëerbiedigd, maar ook, of aan de na afloop van die procedure vastgestelde beschikking geen kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid ten grondslag ligt, ontvankelijk is. Het Hof heeft nooit geoordeeld, dat de deelneming van die derden aan de procedure een noodzakelijke voorwaarde was om hen te kunnen beschouwen als zijnde individueel door de beschikking van de Commissie geraakt (zie onder meer arresten Hof van 25 oktober 1977, zaak 26/76, Metro, reeds aangehaald, r.o. 13; 4 oktober 1983, zaak 191/82, FEDIOL, reeds aangehaald, r.o. 28-31; 11 oktober 1983, zaak 210/81, Demo-Studio Schmidt, Jurispr. 1983, blz. 3045, r.o. 14 en 15; 20 maart 1985, zaak 264/82, Timex Corporation, Jurispr. 1985, blz. 849, r.o. 11-17; 28 januari 1986, zaak 169/84, Cofaz, reeds aangehaald, r.o. 25, en 22 oktober 1986, zaak 75/84, Metro, Jurispr. 1986, blz. 3021, r.o. 18-23).
48 In deze omstandigheden moet, meer in het bijzonder waar het gaat om de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen, waarvan het aantal en de identiteit ten tijde van de vaststelling van de beschikking bekend konden zijn, worden vastgesteld, dat de enkele omstandigheid dat verordening nr. 4064/89 hen uitdrukkelijk en specifiek aanmerkt als derden die kunnen aantonen "voldoende belang" erbij te hebben, hun opmerkingen aan de Commissie kenbaar te maken, volstaat om hen ten opzichte van ieder ander te karakteriseren en hen te beschouwen als zijnde individueel door de krachtens die verordening vastgestelde beschikking geraakt, ongeacht of zij zich tijdens de administratieve procedure op hun rechten hebben beroepen. Hieruit volgt, dat in casu om alle hiervóór uiteengezette redenen verzoekers moeten worden geacht te voldoen aan deze in artikel 173 van het Verdrag geformuleerde ontvankelijkheidsvoorwaarde, ongeacht of zij aan de administratieve procedure hebben deelgenomen.
49 Wat in de tweede plaats de vraag betreft, of de bestreden beschikking verzoekers rechtstreeks raakt, is het Gerecht om te beginnen van mening, dat de door de betrokkenen in repliek aangevoerde stelling, dat de bestreden beschikking afbreuk doet aan hun eigen rechten, geen nieuw middel is. Deze stelling is immers gebaseerd op de wijze waarop de gestelde gevolgen van de afstoting van de vestiging Pierval voor de structuur van Vittel en het werkgelegenheidspeil in die vennootschap, doorwerken in verzoekers' eigen rechten. Zij houdt derhalve verband met het in het verzoekschrift aangevoerde middel, dat door die afstoting afbreuk wordt gedaan aan de collectieve rechten van de werknemers van de betrokken ondernemingen. De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet derhalve worden verworpen.
50 Ten gronde moet worden vastgesteld, dat de in geding zijnde concentratie geen afbreuk kan doen aan de eigen rechten van de vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen. De omstandigheid dat de door de beschikking tot goedkeuring van de concentratie voorgeschreven afstoting van de vestiging Pierval onder meer leidt tot de verdwijning van CE Pierval bij Vittel, met als gevolg dat ook het centrale personeelscomité verdwijnt, doet, anders dan verzoekers stellen, geen afbreuk aan de eigen rechten van dit comité. Dit comité kan geen enkel belang bij de handhaving in zijn functies doen gelden, wanneer als gevolg van de wijziging van de structuur van de betrokken onderneming niet langer is voldaan aan de voorwaarden waaronder de toepasselijke nationale regeling de instelling van een dergelijk comité voorziet. Evenmin kan de vakbond FGA-CFDT een eigen belang bij het behoud van de vestiging Pierval binnen de onderneming Vittel doen gelden, op grond dat de afstoting van een belangrijk onderdeel van deze vennootschap, zoals interveniënten stellen, voor deze vakbond structurele en financiële consequenties zou meebrengen. De organen die de werknemers vertegenwoordigen, kunnen zich immers uitsluitend op eigen rechten beroepen in samenhang met de taken en de prerogatieven die hun ingevolge de toepasselijke regeling worden toegekend in een onderneming met een bepaalde structuur. Zij kunnen geen aanspraak maken op het voortbestaan van de structuur van de onderneming. In dit verband zij overigens verwezen naar artikel 5 van richtlijn 77/187, waaruit in wezen blijkt, dat in geval van overgang van een onderneming de eigen rechten van de organen die de werknemers vertegenwoordigen, alsmede de toepassing van de maatregelen ter bescherming van de werknemersvertegenwoordigers moeten worden gewaarborgd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de Lid-Staten. Uit al het voorgaande volgt, dat enkel een beschikking die van invloed kan zijn op het statuut van de organen die de werknemers vertegenwoordigen, of op de uitoefening van de prerogatieven en de taken die hun door de geldende regeling worden toegekend, de eigen belangen van die organen kan schaden. Dit kan niet het geval zijn met een beschikking tot goedkeuring van een concentratie.
51 Het door verzoekers subsidiair aangevoerde argument, dat de bestreden beschikking de belangen van de door hen vertegenwoordigde werknemers rechtstreeks schaadt, voor zover zij de afstoting van de vestiging Pierval voorschrijft, waardoor niet alleen een belangrijk deel van het vermogen van Vittel verloren zou gaan, maar wat ook zou leiden tot een verlies van collectieve voordelen en een opheffing van arbeidsplaatsen, kan evenmin worden aanvaard. In dit verband moet om te beginnen in herinnering worden gebracht, dat luidens de eenendertigste overweging van de considerans van verordening nr. 4064/89 deze verordening "geenszins afbreuk doet aan de collectieve rechten van de werknemers, zoals die in de betrokken ondernemingen zijn erkend".
52 Wat in het bijzonder de door verzoekers gestelde ontmanteling van het vermogen van Vittel betreft, is het Gerecht van mening, dat een beschikking die de afstoting van een deel van de activa van de betrokken onderneming voorschrijft, niet kan worden geacht de belangen van de werknemers van die onderneming rechtstreeks te schaden, op grond dat het vermogen van de onderneming een waarborg zou vormen voor het behoud van de arbeidsplaatsen van de werknemers, die, zoals verzoekers stellen, behoren tot de hoogst gerangschikte schuldeisers van de onderneming. Gesteld al dat een door een onderneming genomen belangrijk besluit op het gebied van de vermogens-, financiële of industriële situatie van die onderneming in bepaalde gevallen gevolgen kan hebben voor de situatie van de werknemers ° hetgeen overigens in casu voor de verkoop van de vestiging Pierval door de groep Nestlé niet is aangetoond °, die gevolgen kunnen hoe dan ook slechts een zijdelings karakter hebben. Dit wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof, dat een interventieverzoek dat een vakvereniging had ingediend in het kader van een rechtsvordering betreffende de toekenning van schadevergoeding aan ondernemingen, die, zo zij slaagde, een gunstig effect zou kunnen hebben op de economische bloei van de betrokken ondernemingen en, bijgevolg, op het aantal arbeidsplaatsen bij die ondernemingen, heeft afgewezen op grond dat die vakvereniging slechts een onrechtstreeks en vaag belang bij de toekenning van die schadevergoeding had (beschikking van 8 april 1981, gevoegde zaken 197/80-200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmuehle, Jurispr. 1981, blz. 1041, r.o. 8 en 9). Wat meer in het bijzonder de schade betreft die volgens verzoekers zou voortvloeien uit het feit dat de vestiging Pierval tegen een spotprijs wordt verkocht, moet voorts in herinnering worden gebracht, dat, zoals de president van het Gerecht in zijn beschikking van 6 juli 1993 (CCE Vittel en CE Pierval, reeds aangehaald, r.o. 26) heeft verklaard, de prijs waartegen deze vestiging wordt overgedragen, gesteld al dat hij belachelijk laag kan worden genoemd, niet voortvloeit uit de beschikking van de Commissie, doch het resultaat is van de onderhandelingen die Nestlé met Castel heeft gevoerd over de afstoting van alle activa tot de verkoop waarvan zij zich heeft verbonden.
53 Wat de gestelde gevolgen voor het werkgelegenheidspeil en de werkgelegenheidssituatie in de betrokken ondernemingen betreft, moet worden beklemtoond, dat de regeling die beoogt de rechten van de werknemers, onder meer in het geval van concentraties, te waarborgen, zoals in de volgende rechtsoverwegingen zal worden aangetoond, eraan in de weg staat, dat een concentratie op zichzelf dergelijke gevolgen meebrengt. Die gevolgen kunnen zich dus enkel voordoen, indien de bij de concentratie betrokken ondernemingen of de sociale partners in de door de toepasselijke regels nauwkeurig omschreven omstandigheden maatregelen hebben getroffen die losstaan van de concentratie zelf. Mede gelet op de onderhandelingsruimte waarover de diverse sociale partners beschikken, is de kans dat dergelijke maatregelen achterwege blijven, niet zuiver theoretisch, zodat de werknemersvertegenwoordigers niet kunnen worden geacht rechtstreeks te worden geraakt door de beschikking tot goedkeuring van de concentratie (zie arresten Hof van 17 januari 1985, zaak 11/82, Piraiki-Patraiki e.a., Jurispr. 1985, blz. 207, en 28 januari 1986, zaak 169/84, Cofaz, reeds aangehaald).
54 In casu blijkt uit de toepasselijke regeling duidelijk, dat een concentratie niet onvermijdelijk leidt tot opheffing van arbeidsplaatsen en tot het verlies van de sociale voordelen die de werknemers van Pierval genieten, hetzij uit hoofde van de binnen Vittel geldende collectieve overeenkomst, hetzij uit hoofde van hun individuele overeenkomst. Artikel 3 van richtlijn 77/187 bepaalt immers, dat de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van de onderneming bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, overgaan op de verkrijger. In artikel 4, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn wordt bovendien gepreciseerd, dat de overgang van een onderneming op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag vormt.
55 In dit verband moet overigens worden opgemerkt, dat zo de beschikking van de Commissie nietig werd verklaard op grond dat zij de afstoting van de vestiging Pierval voorschrijft, zulks nog geen garantie zou bieden tegen eventuele wettelijk toegestane maatregelen tot opheffing van arbeidsplaatsen. Het feit dat het in artikel 4, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 77/187 verder heet, dat deze bepaling "geen beletsel (vormt) voor ontslagen wegens economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen", bevestigt, dat dergelijke ontslagen in geen geval een rechtstreeks gevolg van een concentratie kunnen zijn, doch dat daartoe zelfstandige maatregelen vereist zijn, waarvoor de regeling geldt die ook in andere gevallen dan concentratie van toepassing is.
56 Wat meer in het bijzonder het gestelde verlies van de door de werknemers van Pierval genoten sociale voordelen betreft, moet worden gewezen op artikel 3, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 77/187, waarin is bepaald: "Na de overgang (...) handhaaft de verkrijger de in een collectieve overeenkomst vastgelegde arbeidsvoorwaarden in dezelfde mate als deze voorwaarden in deze overeenkomst waren vastgesteld voor de vervreemder tot het tijdstip waarop de collectieve overeenkomst wordt beëindigd of afloopt, of waarop een andere collectieve overeenkomst in werking treedt of wordt toegepast." In dit verband zij eraan herinnerd, dat artikel L. 132-8 van de Franse Code du travail, zoals tussen partijen vaststaat, bepaalt, dat elke collectieve overeenkomst ° die overeenkomstig de definitie van artikel L. 132-1 alle arbeidsvoorwaarden dient te regelen ° en elke collectieve arbeidsovereenkomst ° waarin volgens genoemde definitie slechts bepaalde van die voorwaarden worden geregeld ° die voor onbepaalde duur is gesloten, door de aangesloten partijen kan worden opgezegd op de wijze als in de overeenkomst is voorzien. In dat artikel is ook bepaald, dat wanneer de overeenkomst wordt opgezegd wegens, onder meer, een fusie, een overdracht of een splitsing, die overeenkomst integraal van toepassing blijft tot het tijdstip waarop een nieuwe overeenkomst in werking treedt, of anders gedurende minimaal een jaar vanaf de opzegging, met dien verstande dat de betrokken werknemers de door hen verworven individuele voordelen behouden indien de opgezegde overeenkomst na afloop van die periode niet is vervangen. De waarborgen betreffende het behoud van de sociale voordelen worden nog versterkt door artikel 4, tweede alinea, van richtlijn 77/187. Hierin is bepaald, dat indien de arbeidsovereenkomst wordt verbroken omdat de overgang van de onderneming een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemers ten gevolge heeft, zij wordt geacht te zijn verbroken door toedoen van de werkgever.
57 Uit al het voorgaande volgt, dat de lopende individuele overeenkomsten in hun totaliteit op de nieuwe vennootschap overgaan. De binnen Vittel geldende collectieve overeenkomst zal overeenkomstig het bepaalde in artikel L. 132-8 van de Code du travail van toepassing blijven. Dienaangaande moet worden beklemtoond, dat volgens dat artikel een overgang van een onderneming als waarvan in casu sprake is, op zichzelf geen grond oplevert voor opzegging of wijziging van de van kracht zijnde collectieve (arbeids)overeenkomsten. Mocht die overgang de geldende collectieve overeenkomst toch op losse schroeven zetten, dan voorziet artikel L. 132-8, zevende alinea, van de Franse Code du travail in een regeling die gelijk is aan die welke van toepassing is op de opzegging door een of meer van de aangesloten partijen in andere gevallen dan de overgang van een onderneming overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 77/187 (zie onder meer arrest Hof van 12 november 1992, zaak C-209/91, Watson Rask en Christensen, Jurispr. 1992, blz. I-5755, r.o. 26 e.v.).
58 Hieruit volgt, dat in casu de afstoting van de vestiging Pierval op zichzelf geen enkel rechtstreeks gevolg heeft voor de rechten die voor de werknemers voortvloeien uit hun arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding. Nu er geen rechtstreeks causaal verband bestaat tussen enerzijds de inbreuk die op die rechten zou zijn gemaakt, en anderzijds de beschikking van de Commissie, waarin aan de goedkeuring van de concentratie onder meer de voorwaarde wordt verbonden, dat de vestiging Pierval wordt afgestoten, dienen de betrokkenen ter bescherming van hun wettelijke belangen over een passende rechtsgang te beschikken, niet in het stadium waarin die beschikking op haar regelmatigheid wordt getoetst, maar in het stadium waarin door de ondernemingen en, in voorkomend geval, door de betrokken sociale partners de maatregelen worden getroffen die rechtstreeks aan de aldus gestelde inbreuken ten grondslag liggen, zonder dat de Commissie daarmee ook maar iets van doen heeft. Het is immers in het stadium waarin dergelijke maatregelen, waarvan de beoordeling tot de bevoegdheidssfeer van de nationale rechter behoort, worden getroffen, dat toepassing moet worden gegeven aan de waarborgen die de werknemers ontlenen aan zowel het nationale recht als het gemeenschapsrecht, zoals onder meer richtlijn 77/187 (zie ook het door de Commissie op 8 september 1994 ingediende voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, dat strekt tot herformulering van genoemde richtlijn; PB 1994, C 274, blz. 10), en richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake collectief ontslag (PB 1975, L 48, blz. 29), zoals gewijzigd bij richtlijn 92/56/EEG van de Raad van 24 juni 1992 (PB 1992, L 245, blz. 3).
59 Om alle zojuist uiteengezette redenen kunnen verzoekers niet worden geacht door de bestreden beschikking rechtstreeks te worden geraakt, behalve voor zover het gaat om de eerbiediging van de processuele rechten die zij ingevolge verordening nr. 4064/89 tijdens de administratieve procedure genieten. Het is immers vaste rechtspraak, dat wanneer een verordening aan derden processuele rechten verleent, dezen in beginsel ter bescherming van hun wettelijke belangen over een beroepsmogelijkheid moeten beschikken (zie onder meer arrest van 25 oktober 1977, zaak 26/76, Metro, reeds aangehaald, r.o. 13). Wat meer in het bijzonder door natuurlijke of rechtspersonen ingestelde beroepen betreft, moet in dit verband inzonderheid worden opgemerkt, dat de gemeenschapsrechter in beginsel pas in het stadium waarin hij de eindbeschikking van de Commissie op haar regelmatigheid toetst, kan nagaan, of het recht van bepaalde derden om, zo zij daarom verzoeken, tijdens de administratieve procedure naar behoren te worden gehoord, is geschonden. Hieruit volgt, dat ofschoon in casu uit het vorenoverwogene blijkt, dat de eindbeschikking qua inhoud verzoekers niet rechtstreeks raakt, aan verzoekers niettemin het recht moet worden toegekend om tegen die beschikking beroep in te stellen, en wel om te doen nagaan, of de procedurele waarborgen waarop zij ingevolge artikel 18 van verordening nr. 4064/89 tijdens de administratieve procedure aanspraak mochten maken, zoals door interveniënten wordt gesteld, zijn miskend. Enkel indien het Gerecht zou vaststellen, dat die waarborgen op duidelijke wijze zijn geschonden, waardoor afbreuk is gedaan aan verzoekers recht om, zo zij daarom verzoeken, tijdens de administratieve procedure hun standpunt naar behoren kenbaar te maken, zou het de beschikking wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften nietig moeten verklaren. Bij ontbreken van een dergelijke wezenlijke schending van verzoekers' processuele rechten kan de enkele omstandigheid dat verzoekers of de aan hun zijde interveniërende partijen voor de gemeenschapsrechter stellen, dat die rechten tijdens de administratieve procedure zijn geschonden, niet leiden tot ontvankelijkheid van het beroep voor zover dit gebaseerd is op middelen die zijn ontleend aan de schending van materiële voorschriften, aangezien, zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld, verzoekers' rechtssituatie niet rechtstreeks door de inhoud van de beschikking wordt geraakt. Alleen indien aan deze laatste voorwaarde was voldaan, zouden verzoekers ingevolge artikel 173 van het Verdrag gerechtigd zijn, het Gerecht te verzoeken de motivering en de materiële regelmatigheid van de beschikking te onderzoeken.
60 Het onderhavige beroep moet mitsdien enkel niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het niet strekt tot verzekering van de bescherming van de procedurele waarborgen die verzoekers tijdens de administratieve procedure genieten. Ten gronde moet worden nagegaan, of, zoals interveniënten stellen, bij de totstandkoming van de bestreden beschikking die waarborgen zijn miskend.
De gegrondheid van het middel inzake schending van verzoekers' processuele rechten
61 Interveniënten betogen, dat de Commissie tijdens de administratieve procedure niet de eerbiediging heeft verzekerd van de rechten die zijn toegekend aan de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de bij de concentratie betrokken ondernemingen, voor zover zij die vertegenwoordigers niet tijdig van de concentratie in kennis heeft gesteld.
62 Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 verleent genoemde vertegenwoordigers immers enkel het recht om, zo zij daarom verzoeken, voor de Commissie hun opmerkingen kenbaar te maken. Het legt de Commissie niet de verplichting op, de vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen in kennis te stellen van het bestaan van het concentratieplan dat, zoals in casu het geval is, bij haar is aangemeld door de onderneming die de zeggenschap over een andere onderneming verwerft. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 6 van richtlijn 77/187 bij de overgang van een onderneming, een vestiging of een onderdeel daarvan de vervreemder en de verkrijger tot taak hebben, de werknemersvertegenwoordigers informatie te verstrekken. Zo is de vervreemder in het bijzonder gehouden, tijdig vóór de totstandkoming van de overgang aan de vertegenwoordigers van zijn werknemers informatie te verstrekken over de reden van de overgang, de juridische, economische en sociale gevolgen ervan voor de werknemers en de ten aanzien van de werknemers overwogen maatregelen.
63 Hieruit volgt, dat zelfs indien de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de bij de in geding zijnde concentratie betrokken ondernemingen niet tijdig op de hoogte zijn gesteld, zulks niet aan de Commissie kan worden toegerekend. Het is immers aan de bevoegde nationale autoriteiten en aan de nationale rechterlijke instanties om erop toe te zien, dat de ondernemingen voldoen aan hun verplichting de vertegenwoordigers van de werknemers informatie te verstrekken. In casu kan derhalve niet aan de Commissie worden verweten, dat zij inbreuk heeft gemaakt op verzoekers' processuele rechten.
64 In deze omstandigheden kan de geldigheid van de beschikking niet worden aangetast op grond dat aan verzoekers te laat informatie zou zijn verstrekt. Het onderhavige beroep moet mitsdien worden verworpen voor zover het ertoe strekt te doen nagaan, of verzoekers' processuele rechten zijn geëerbiedigd.
Kosten
65 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Artikel 87, lid 3, bepaalt evenwel, dat het Gerecht wegens bijzondere redenen kan beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
66 Daar het in casu gaat om het eerste beroep dat organen die de werknemers van de bij een concentratie betrokken ondernemingen vertegenwoordigen, hebben ingesteld tegen de beschikking van de Commissie waarbij die concentratie krachtens verordening nr. 4064/89 is goedgekeurd, dient de Commissie in haar eigen kosten te worden verwezen.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen.
3) Verstaat dat interveniënten hun eigen kosten zullen dragen.