61989A0108

ARREST VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (VIERDE KAMER) VAN 12 JULI 1990. - HANS SCHEUER TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - OVERPLAATSING VAN ALLE ONDERGESCHIKTEN - TERUGZETTING IN RANG - DIENSTBELANG - MACHTMISBRUIK. - ZAAK T-108/89.

Jurisprudentie 1990 bladzijde II-00411


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1 . Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Criteria - Onttrekking aan ambtenaar van deel der onder zijn gezag geplaatste diensten - Aantasting van statutaire rechten van betrokkene

( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )

2 . Ambtenaren - Organisatie van diensten - Tewerkstelling van personeel - Beoordelingsvrijheid van administratie - Grenzen - Dienstbelang - Eerbiediging van gelijkwaardigheid van ambten

3 . Ambtenaren - Organisatie van diensten - Beoordelingsvrijheid van administratie - Statutaire rechten van ambtenaar - Gelijkheid van behandeling - Overeenstemming tussen rang en ambt - Criteria - Aantal en bekwaamheid van ondergeschikten - Daarvan uitgesloten

( Ambtenarenstatuut, artikelen 5 en 7 )

4 . Ambtenaren - Beroep - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip

Samenvatting


1 . Hoewel het hiërarchiek gezag bij uitsluiting verantwoordelijk is voor de inrichting van de diensten, die het naar gelang van de behoeften moet kunnen bepalen en wijzigen, kan het feit dat aan een ambtenaar een deel van de voorheen aan zijn gezag onderworpen diensten wordt onttrokken, onder bepaalde omstandigheden een aantasting vormen van de rechten die hij aan het Statuut ontleent, en kan dat derhalve een bezwarend besluit opleveren .

2 . De gemeenschapsinstellingen beschikken over een grote beoordelingsvrijheid om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om met het oog op die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, op voorwaarde evenwel dat die tewerkstelling plaatsvindt in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten . Een dergelijke beoordelingsvrijheid is noodzakelijk om de werkzaamheden doeltreffend te kunnen organiseren en om die organisatie aan wisselende behoeften te kunnen aanpassen .

3 . Toetsing aan de in artikel 5 van het Statuut bedoelde voorwaarden voor het verloop van de loopbaan is niet mogelijk buiten het door de organisatie van de diensten bepaalde kader . Weliswaar verplicht genoemde bepaling de administratie de gelijke behandeling van de ambtenaren in de verschillende categorieën te verzekeren, doch zij stelt geen beperkingen aan de vrijheid van de instellingen om bij de opbouw van de diverse administratieve eenheden rekening te houden met allerlei factoren, zoals aard en omvang van de hun opgedragen werkzaamheden en de budgettaire mogelijkheden .

Om te kunnen zeggen dat een maatregel tot reorganisatie van de dienst het door de artikelen 5 en 7 van het Statuut erkende recht van een ambtenaar aantast op toewijzing van werkzaamheden die in hun geheel genomen overeenstemmen met de rang die hij in de hiërarchie inneemt, is het niet voldoende dat die maatregel leidt tot een wijziging of zelfs een vermindering van de bevoegdheden van de betrokkene; vereist is daarvoor, dat zijn overblijvend bevoegdheidsterrein naar aard, belang en omvang duidelijk geringer is dan met zijn rang en ambt overeenkomt .

In het bijzonder bevat het Statuut niets wat grond kan bieden voor de opvatting, dat de indeling van een ambtenaar in een of andere rang afhangt van het aantal van zijn ondergeschikten of van hun bekwaamheid .

4 . Het begrip misbruik van bevoegdheid ziet op het geval dat het administratief gezag haar bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor die bevoegdheden zijn verleend .

Ter zake van een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd .

Partijen


In zaak T-108/89,

H . Scheuer, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Tervuren ( België ), vertegenwoordigd door E . Lebrun, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L . Schiltz, advocaat aldaar, 83, boulevard Grande-Duchesse Charlotte,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Comissie van 28 juni 1988 om J . García Burgués tewerk te stellen bij een andere dienst van directoraat-generaal ( DG ) XI, en, subsidiair, van het verzuim om in zijn vervanging te voorzien; van het verzuim om te voorzien in de vervanging van mevrouw Bastrup-Birk, die per 1 oktober 1987 naar een andere dienst van DG XI was overgeplaatst; van het verzuim om voor behoorlijke werkomstandigheden voor verzoeker te zorgen, en van het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht desbetreffend,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),

samengesteld als volgt : D . A . O . Edward, kamerpresident, R . Schintgen en R . Garcia-Valdecasas, rechters,

griffier : H . Jung

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 3 mei 1990,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


De aan het geding ten grondslag liggende feiten

1 Verzoeker H . Scheuer, van Duitse nationaliteit, is sinds 1960 ambtenaar in de rang A 4 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; voordien was hij hoger ambtenaar bij de Duitse overheid . Sinds 1977 is hij tewerkgesteld bij DG XI - Milieuzaken, consumentenbelangen en nucleaire veiligheid -, waar hij in 1985 werd aangesteld als hoofd van de gespecialiseerde dienst "Samenhang met het overige beleid en voorlichting ".

2 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 16 juni 1987 werd verzoeker tewerkgesteld bij afdeling XI/03 als hoofd van de sector "Onderwijs op milieugebied en betrekkingen met het Economisch en Sociaal Comité ". Voorts werd hij belast met het dossier "Toegang van het publiek tot informatie op milieugebied ". Bij nota van 17 juli 1987 deelde de directeur-generaal van DG XI, Brinkhorst, hem mee, dat zijn aanstelling niet betekende, dat hij adjunct-afdelingshoofd was .

3 Aanvankelijk werd verzoeker bijgestaan door twee ambtenaren van de categorie A, Bastrup-Birk en García Burgués, en door een secretaresse .

4 Bij een interne reorganisatie van DG XI werd Bastrup-Birk per 1 oktober 1987 tewerkgesteld bij de afdeling XI/B 3, "Landbouw, natuurbehoud, samenhang met het overige beleid ".

5 In verband daarmee verzocht verzoeker bij nota van 24 september 1987 aan Brinkhorst, het vertrek van Bastrup-Birk uit te stellen tot de komst van haar vervanger . Deze nota bleef onbeantwoord en Bastrup-Birk nam haar nieuwe functie op zonder dat zij was vervangen .

6 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 28 juni 1988 werd García Burgués per 1 augustus 1988 tewerkgesteld bij de gespecialiseerde dienst "Internationale aangelegenheden" van DG XI . Hierdoor beschikte verzoeker enkel nog over een secretaresse .

7 Op 4 oktober 1988 diende verzoeker een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut . In deze klacht, waarop hij geen antwoord ontving, verlangde hij annulering van :

a ) het besluit van 28 juni 1988 tot overplaatsing van García Burgués, subsidiair het verzuim om deze door een gekwalificeerd ambtenaar van gelijke rang te vervangen;

b ) het verzuim om te voorzien in de vervanging van Bastrup-Birk, op 1 oktober 1987 overgeplaatst naar afdeling XI/B 3, door een gekwalificeerd ambtenaar van gelijke rang .

8 In verband met deze klacht om inlichtingen gevraagd door het directoraat-generaal Personeelszaken, liet de assistent van de directeur-generaal van DG XI, Jankowsky, in een nota van 21 december 1988 aan het hoofd van de afdeling "Statuut", Pincherle, weten, dat verzoeker belast was met het beheer van twee dossiers . Met betrekking tot het dossier "Betrekkingen met het Economisch en Sociaal Comité" preciseerde hij, dat verzoeker zijn taak tot volle tevredenheid van DG XI verrichtte . Het tweede dossier, "Onderwijs op milieugebied", zo voegde hij eraan toe, was overgedragen aan DG V . Voorts verklaarde hij :

"De interne overplaatsing van de heer García Burgués was noodzakelijk wegens het toenemende belang van het gebied 'internationale betrekkingen' van DG XI . Dossiers zoals internationale verdragen zijn enorm gegroeid en kunnen niet meer door twee A' s en een nationaal deskundige worden beheerd ... Het was daarom noodzakelijk de eenheid met een - bij voorkeur Iberische - A-ambtenaar te versterken .

De interne overplaatsing van mevrouw Bastrup-Birk was noodzakelijk in verband met de politieke toezegging een rechtsinstrument te creëren voor de algemene bescherming van biotopen . Mevrouw Bastrup-Birk moest daartoe een voorstel voor een richtlijn ontwerpen, welke taak is beëindigd met de vaststelling van het voorstel door de Commissie . Mevrouw Bastrup-Birk blijft belast met het volgen van het dossier en het beheer van het onderdeel 'beschermde zone' ."

9 Naast de in voornoemde nota genoemde taken had verzoeker een gedeelte van het dossier "Onderwijs op milieugebied" behouden, terwijl hij tevens belast was, en nog steeds belast is, met de cooerdinatie van de werkzaamheden van de DG' s XI en V op dat gebied . Ook een ander dossier, betreffende de toegang van het publiek tot informatie op milieugebied, dat aanvankelijk aan de eenheid "Juridische aspecten" van DG XI zou worden overgedragen, is uiteindelijk, nadat verzoeker heftig tegen die overdracht had geprotesteerd, na een desbetreffend besluit van de directeur-generaal in verzoekers takenpakket gebleven .

10 In verband met de voortdurende ontevredenheid van verzoeker heeft de directeur-generaal van DG XI hem bij verschillende gelegenheden gesuggereerd op leeftijdsgronden met pensioen te gaan, en hem daarbij zijn hulp aangeboden om een leeropdracht aan een universiteit te vinden .

Het procesverloop

11 In deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 3 mei 1989 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift krachtens artikel 91 van het Statuut het onderhavige beroep tegen de Commissie ingesteld .

12 De schriftelijke behandeling heeft geheel voor het Hof plaatsgevonden en heeft een normaal verloop gehad .

13 Krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen heeft het Hof ( Derde Kamer ) de zaak bij beschikking van 15 november 1989 naar het Gerecht verwezen .

14 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht ( Vierde kamer ) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .

15 De mondelinge behandeling heeft op 3 mei 1990 plaatsgehad . De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord .

16 Verzoeker concludeert, dat het het Gerecht behage :

- nietig te verklaren :

a ) het besluit van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 28 juni 1988 om García Burgués per 1 augustus 1988 over te plaatsen naar de dienst XI/2, subsidiair het verzuim om te voorzien in zijn vervanging door een ambtenaar van gelijke rang;

b ) het verzuim om te voorzien in de vervanging van Bastrup-Birk, per 1 oktober 1987 overgeplaatst naar afdeling XI/B 3, door een ambtenaar van gelijke rang;

c ) het verzuim om, in overeenstemming met verweersters personeelsbeleid, te zorgen voor behoorlijke werkomstandigheden voor verzoeker;

d ) het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht van 4 oktober 1988;

- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding .

Verweerster concludeert, dat het het Gerecht behage :

- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het te verwerpen;

- te beslissen over de kosten naar recht .

De ontvankelijkheid

17 Verweerster werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op en voert daartoe twee middelen aan .

Het eerste middel : ontbreken van een rechtens beschermd belang

18 Verweerster stelt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof "de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorziene beroepsmogelijkheden zijn gegeven ter fine van toetsing door het Hof van de handelingen en verzuimen van het 'tot aanstelling bevoegd gezag' welke de statutaire positie van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschap zouden kunnen aantasten" ( arrest van 14 juli 1976, zaak 129/75, Hirschberg, Jurispr . 1976, blz . 1259, r.o . 17 ). De in de klacht en in het onderhavige beroep geformuleerde grieven zouden echter geen betrekking hebben op de statutaire positie van verzoeker, "doch uitsluitend op de interne dienstverhoudingen en in het bijzonder op aangelegenheden betreffende de inrichting van de administratie" ( ibid ., r.o . 18 ).

19 De handelingen waartegen het beroep is gericht, aldus verweerster, zijn geen in de zin van artikel 91 van het Statuut voor nietigverklaring vatbare bezwarende handelingen, aangezien zij geen invloed kunnen hebben op de rechten die verzoeker in het bijzonder aan de artikelen 5 en 7 van het Statuut ontleent; die handelingen verplichten hem immers niet, werkzaamheden te verrichten die niet met zijn ambt en rang overeenkomen . De bestreden handelingen hebben betrekking op de inrichting van verweersters diensten, op welk punt zij over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt .

20 Verzoeker antwoordt, dat wanneer een sectorhoofd het zonder personeel moet doen, dit per definitie een aantasting van zijn ambt inhoudt, aangezien een aanslag op de middelen waarmee hij de hem opgedragen werkzaamheden moet verrichten, tevens een aanslag op die werkzaamheden zelf is . Een ambt wordt niet enkel gekenmerkt door de eraan verbonden bevoegdheden, maar ook door de middelen, waaronder het personeel, om die bevoegdheden uit te oefenen .

21 Verzoeker wijst erop, dat het tweede middel van zijn beroep ontleend is aan misbruik van bevoegdheid . Men kan de niet-ontvankelijkheid van het beroep volgens hem niet baseren op het enkele feit, dat de bestreden handelingen verricht zijn krachtens de zeer ruime discretionaire bevoegdheid van de administratie ten aanzien van de inrichting van haar diensten, daar een dergelijke bevoegdheid steeds aan wettigheidstoetsing is onderworpen .

22 Verzoeker besluit, dat het eerste door de Commissie tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid aangevoerde middel iedere grond mist, subsidiair, dat het niet los van de grond van de zaak kan worden onderzocht .

23 Volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut "kan iedere in dit Statuut bedoelde persoon bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen ". Om vast te kunnen stellen of de handelingen waarvan beroep voor verzoeker al dan niet bezwarend zijn, dient men, zoals verzoeker stelt, te onderzoeken of de Commissie, door de elders tewerkgestelde ambtenaren niet te vervangen, inbreuk heeft gemaakt op de krachtens het Statuut en de daaraan ten grondslag liggende beginselen op haar rustende verplichting te zorgen voor werkomstandigheden waarin verzoeker de hem opgedragen taak behoorlijk kan vervullen .

24 Gelijk het Hof heeft geoordeeld, is weliswaar het hiërarchiek gezag bij uitsluiting verantwoordelijk voor de inrichting van de diensten, die het overeenkomstig het dienstbelang moet kunnen bepalen en wijzigen, doch kan het feit dat aan een ambtenaar een deel van de voorheen aan zijn gezag onderworpen diensten wordt onttrokken, onder bepaalde omstandigheden een aantasting vormen van de rechten die hij aan het Statuut ontleent, en kan dat derhalve een bezwarend besluit opleveren ( zie arresten van 11 juli 1968, zaak 16/67, Labeyrie, Jurispr . 1968, blz . 412, 425, en 6 mei 1969, zaak 17/68, Reinarz, Jurispr . 1969, blz . 61, 69 ). Dit zou in casu kunnen betekenen, dat verzoeker een rechtens beschermd belang heeft .

25 Hieruit volgt, dat de beoordeling van de gegrondheid van het eerste middel dat de Commissie tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd, afhangt van de beoordeling van verzoekers grieven, en dat het lot van dat middel afhangt van het antwoord dat hierna zal worden gegeven op de door het beroep opgeworpen vragen ten gronde .

Het tweede middel : ontbreken van een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut

26 Verweerster betoogt, dat het beroep, voor zover strekkend tot nietigverklaring van het verzuim om te voorzien in de vervanging van de genoemde ambtenaren, niet-ontvankelijk is, omdat het niet vooraf is gegaan door een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut en een binnen drie maanden na de uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afwijzing daarvan ingediende administratieve klacht .

27 Een beroep tot "nietigverklaring van een verzuim" om te handelen, van een stilzitten, aldus verweerster, is in het kader van de ambtenarenrechtspraak te beschouwen als een actie tot nietigverklaring van de stilzwijgende of uitdrukkelijke afwijzing van een verzoek, in dit geval een verzoek om de twee elders tewerkgestelde ambtenaren te vervangen .

28 Met betrekking tot het verzuim om Bastrup-Birk te vervangen, zo vervolgt verweerster, is het enige verzoek daartoe gedaan in verzoekers nota van 24 september 1987 aan de directeur-generaal van DG XI, Brinkhorst . Ook wanneer men deze nota zou kunnen beschouwen als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, is het beroep op dit punt niet-ontvankelijk, omdat het niet is voorafgegaan door een klacht, overeenkomstig artikel 91, lid 2, van het Statuut binnen drie maanden na de - op 24 januari 1988 te stellen - stilzwijgende afwijzing van het verzoek, dat wil zeggen vóór 24 april 1988, ingediend .

29 Met betrekking tot het niet vervangen van García Burgués betoogt verweerster, dat men dient vast te stellen dat er bij het tot aanstelling bevoegd gezag nooit een daartoe strekkend verzoek op grond van artikel 90, lid 1, is ingediend, tenzij men de desbetreffende klacht van 4 oktober 1988 als een verzoek beschouwt; maar ook in dat geval dient het beroep wat dit punt betreft, niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het niet is voorafgegaan door een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut tegen de stilzwijgende afwijzing van dat verzoek .

30 Verzoeker betoogt, dat de verplichting om de twee ambtenaren te vervangen, voortvloeide uit de artikelen 5 en 7 van het Statuut en uit de beginselen en plichten die in het eerste middel tot staving van zijn conclusies ten gronde zijn vermeld . In een dergelijk geval is artikel 90, lid 2, van het Statuut van toepassing . Ook zonder voorafgaand verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, kan dan een klacht worden ingediend tegen het verzuim om in vervanging te voorzien . Verzoeker is van oordeel, dat het tweede middel dat de Commissie tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvoert, ongegrond is of althans met de zaak ten gronde moet worden gevoegd .

31 Juist zoals bij het eerste middel moet ook hier worden vastgesteld, dat het antwoord op de vraag of het noodzakelijk was eerst een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut in te dienen, afhangt van de vraag of er sprake was van een voor verzoeker bezwarend besluit, bestaande in het verzuim van de administratie om een bij het Statuut verplichte maatregel te nemen . Daartoe moet worden onderzocht, of het feit dat de Commissie de twee elders tewerkgestelde ambtenaren niet heeft vervangen, een schending opleverde van haar verplichting te zorgen voor werkomstandigheden waarin verzoeker de hem opgedragen taak behoorlijk kon vervullen, welke verplichting, gelijk reeds werd gepreciseerd, krachtens het Statuut en de daaraan ten grondslag liggende beginselen op haar rustte . Zoals verweerster ter terechtzitting heeft erkend, kan deze vraag niet worden losgemaakt van de door het beroep opgeworpen vragen ten gronde .

Ten gronde

32 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker twee middelen aan, te weten 1 ) schending van het Statuut, met name van de artikelen 5 en 7, miskenning van de bijstand - en zorgplicht, miskenning van rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van goed en rechtvaardig bestuur, en willekeur, en 2 ) miskenning van het beginsel dat bevoegdheidsuitoefening enkel in het belang van de dienst geoorloofd is, en misbruik van bevoegdheid .

Het eerste middel

33 In dit verband stelt verzoeker, dat het feit dat hij, afgezien van een secretaresse, geen enkele medewerker heeft, onverenigbaar is met de bovengenoemde wettelijke bepalingen en rechtsbeginselen . Weliswaar komen zijn taken overeen met zijn rang en zijn ambt van sectorhoofd, maar hij beschikt niet over het nodige personeel om die taken te vervullen . De wettelijke regel inzake overeenstemming tussen ambt en rang impliceert, dat de aan een ambtenaar verleende bevoegdheden in hun geheel genomen dienen te beantwoorden aan het ambt dat overeenkomt met de rang die hij in de hiërarchie inneemt, en tevens dat de ambtenaar dient te beschikken over de normale materiële en personele middelen die de bevoegdheden van het met zijn rang overeenstemmende ambt vereisen .

34 Verweerster preciseert, dat de overplaatsing - mét hun post - van de betrokken ambtenaren binnen DG XI zonder dat er een vacature was geopend, moet worden beschouwd als een herplaatsing en niet als een overplaatsing in eigenlijke zin . De desbetreffende maatregelen zijn genomen in het kader van een reorganisatie van de diensten, waarvoor verweerster over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt .

35 Verzoeker meent, dat de bestreden handelingen - waarvan hij een kwalificatie niet betwist - niet geplaatst kunnen worden in het kader van een algemene reorganisatie van DG XI . Hij houdt staande, dat de argumenten die de Commissie aanvoert, een aantasting van de door hem genoemde beginselen niet kunnen rechtvaardigen .

36 Gelet op deze betogen, moet in de eerste plaats worden nagegaan, onder welke omstandigheden het besluit om García Burgués elders in DG XI tewerk te stellen, tot stand is gekomen .

37 Gelijk de Commissie terecht heeft opgemerkt, is het vaste rechtspraak, dat de gemeenschapsinstellingen over een grote beoordelingsvrijheid beschikken om hun diensten te organiseren naar de eis van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om met het oog op die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen, op voorwaarde evenwel dat die tewerkstelling plaatsvindt in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten ( zie de arresten van het Hof van 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, Jurispr . 1988, blz . 1697; 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr . 1984, blz . 2447; 14 juli 1983, zaak 176/82, Nebe, Jurispr . 1983, blz . 2475; 21 mei 1981, zaak 60/80, Kindermann, Jurispr . 1981, blz . 1329, en 16 juni 1971, zaak 61/70, Vistosi, Jurispr . 1971, blz . 535 ). Een dergelijke beoordelingsvrijheid is noodzakelijk om de werkzaamheden doeltreffend te kunnen organiseren en om die organisatie aan wisselende behoeften te kunnen aanpassen ( zie arrest van het Hof van 12 juli 1979, zaak 124/78, List, Jurispr . 1979, blz . 2499, 2510 ).

38 Uit de stukken blijkt duidelijk, dat het besluit om García Burgués elders tewerk te stellen binnen de aan de instelling verleende bevoegdheden viel en is genomen in het kader van een reorganisatie van de diensten van DG XI, die tot doel had de ontplooiing van de hieraan opgedragen taken te vergemakkelijken . Het feit dat verzoeker, zonder enig specifiek argument daarvoor aan te voeren, het tegengestelde beweert, kan geen wijziging in deze beoordeling brengen .

39 In de tweede plaats moet worden onderzocht, of het feit dat de Commissie niet in de vervanging van Bastrup-Birk en García Burgués heeft voorzien - of, praktisch gesproken, dat zij verzoeker al zijn medewerkers behalve een secretaresse heeft ontnomen -, schending oplevert van de rechtsvoorschriften en -beginselen waarop verzoeker zich beroept .

40 Vooreerst zij erop gewezen, dat het Statuut niets bevat wat grond kan bieden voor de opvatting, dat de indeling in een of andere rang afhangt van het aantal ondergeschikten of van hun bekwaamheid ( zie arrest van het Hof van 13 december 1979, zaak 14/79, Loebisch, Jurispr . 1979, blz . 3679, r.o . 7 ).

41 Vervolgens is toetsing aan de in artikel 5, lid 3, van het Statuut bedoelde voorwaarden voor het verloop van de loopbaan niet mogelijk buiten het door de organisatie van de diensten bepaalde kader . Weliswaar verplicht genoemde bepaling de administratie de gelijke behandeling van de ambtenaren in de verschillende categorieën te verzekeren, doch zij stelt geen beperkingen aan de vrijheid van de instellingen om bij de opbouw van de diverse administratieve eenheden rekening te houden met allerlei factoren, zoals aard en omvang van de hun opgedragen werkzaamheden en de budgettaire mogelijkheden ( zie arrest van het Hof van 17 december 1981, zaak 178/80, Bellardi-Ricci, Jurispr . 1981, blz . 3187, r.o . 19 ).

42 En ten slotte, om te kunnen zeggen dat een maatregel tot reorganisatie van de dienst het door de artikelen 5 en 7 van het Statuut erkende recht van een ambtenaar aantast op toewijzing van werkzaamheden die in hun geheel genomen overeenstemmen met de rang die hij in de hiërarchie inneemt, is het niet voldoende dat die maatregel leidt tot een wijziging of zelfs een vermindering van de bevoegdheden van de betrokkene; vereist is daarvoor, dat zijn overblijvend bevoegdheidsterrein naar aard, belang en omvang duidelijk geringer is dan met zijn rang en ambt overeenkomt ( zie arrest van het Hof van 20 mei 1976, zaak 66/75, Macevicius, Jurispr . 1976, blz . 593, r.o . 16 ).

43 In casu staat tussen partijen vast, dat verzoeker na het vertrek van zijn medewerkers werkzaamheden is blijven verrichten die met zijn rang en ambt overeenkwamen . Dat hij, zoals hij zegt, er zonder medewerkers niet meer toe komt, "nieuwe initiatieven te ontplooien" of "een zekere afstand van de dagelijkse beslommeringen te nemen", kan niet worden beschouwd als een omstandigheid waardoor wijziging is gekomen in de aard en categorie van de werkzaamheden die hem zijn opgedragen en die hij overigens - daarover zijn beide partijen het eens - op volstrekt bevredigende wijze verricht . Verzoeker betoogt, dat het tot zijn functie van sectorhoofd behoort de werkzaamheden van een sector van werkzaamheid te cooerdineren, en dat dit de aanwezigheid van medewerkers impliceert . Dit argument kan niet worden aanvaard . Cooerdinatie van werkzaamheden onderstelt immers niet per se de aanwezigheid van persoonlijke medewerkers . Zoals partijen in de loop van het geding hebben erkend, is verzoeker in feite geheel alleen belast met de cooerdinatie van de werkzaamheden van de DG' s V en XI met betrekking tot het onderwijs op milieugebied, en met de betrekkingen met het Economisch en Sociaal Comité .

44 Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel faalt .

Het tweede middel

45 Het tweede middel is ontleend aan miskenning van het beginsel dat de administratie van haar beoordelingsvrijheid slechts gebruik mag maken in het belang van de dienst, en aan misbruik van bevoegdheid . Volgens verzoeker heeft verweerster in casu haar bevoegdheid tot organisatie van de dienst niet in het belang van de dienst gebruikt, doch om hem ertoe te brengen ontslag te nemen .

46 Verzoeker vestigt de aandacht op het verband waarin de feiten moeten worden gezien : van hoofd van een gespecialiseerde dienst is hij sectorhoofd geworden, aanvankelijk met twee medewerkers, vervolgens met éen, om ten slotte in een situatie te geraken waarin hij geen enkele medewerker meer had . Herhaaldelijk waren toespelingen op zijn leeftijd gemaakt en was hem hulp aangeboden bij het verkrijgen van een leeropdracht in het geval hij zou vertrekken . Uit dat alles zou blijken dat hij onder druk was gezet om de dienst van verweerster te verlaten, en op grond daarvan kan men volgens hem zeggen, dat alle bestreden handelingen nietig zijn wegens misbruik van bevoegdheid .

47 Verweerster herhaalt, dat de interne reorganisatie van DG XI haar rechtvaardiging vond in het belang van de dienst . Alleen al het feit dat verzoeker na die maatregelen nog steeds werkzaamheden verricht die met zijn rang en ambt overeenkomen, ontzenuwt de bewering dat die maatregelen neerkomen op een verkapte terugzetting in rang .

48 Met betrekking tot de verwijzing naar het dienstbelang zij eraan herinnerd, dat een ambtenaar het bewijs dient te leveren, dat het te zijnen aanzien genomen besluit in strijd is met het belang van de dienst ( zie arrest van het Hof van 21 mei 1981, zaak 60/80, Kindermann, Jurispr . 1981, blz . 1329, r.o . 17 ).

49 Wat het gestelde misbruik van bevoegdheid betreft, zij er voorts aan herinnerd, dat dit begrip een welbepaalde inhoud heeft en betrekking heeft op het geval dat het administratief gezag haar bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor die bevoegdheden zijn verleend ( zie arrest van het Hof van 4 februari 1982, zaak 817/79, Buyl, Jurispr . 1982, blz . 245, r.o . 28 ).

50 Bovendien is het vaste rechtspraak, dat ter zake van een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd ( zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, reeds aangehaald ).

51 Volstaan kan worden met de vaststelling, dat verzoeker niets heeft weten aan te voeren wat de conclusie zou toelaten, dat de herplaatsing van García Burgués in strijd was met het dienstbelang of misbruik opleverde van de ruime beoordelingsvrijheid van de gemeenschapsinstellingen bij de inrichting van hun diensten .

52 Ook met betrekking tot de weigering om de elders tewerkgestelde ambtenaren te vervangen, bieden de dossierstukken geen grond voor het oordeel, dat die weigering in strijd was met het dienstbelang, en vormen de door verzoeker aangevoerde argumenten geen bewijs voor de juistheid van zijn stelling . Vooral wanneer de personeelsbezetting te klein is om in alle behoeften te voorzien, dient daarenboven de hiërarchieke meerdere bij uitsluiting bevoegd te zijn ten aanzien van de verdeling, op basis van de verschillende prioriteiten, van het personeel binnen een directoraat-generaal, zonder dat een ambtenaar, hoe hoog zijn rang ook moge zijn, de opportuniteit van de desbetreffende besluiten ter discussie kan stellen .

53 De aanwijzingen waarop verzoeker zijn bewering inzake misbruik van bevoegdheid baseert - de toespelingen op zijn leeftijd en op de mogelijkheid hem een universitaire leeropdracht te bezorgen -, volstaan niet om een dergelijk misbruik rechtens genoegzaam te bewijzen .

54 Hieruit volgt, dat het tweede middel faalt .

55 Aangezien verzoeker niet staande kan houden, dat zijn taak of zijn rang impliceert dat hij over medewerkers moet kunnen beschikken, of dat de herplaatsing van zijn vroegere medewerkers onregelmatig was, kan hij evenmin staande houden dat de bestreden handelingen een voor hem bezwarend karakter hebben .

56 Mitsdien moet het beroep worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten


Kosten

57 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven even wel de kosten, in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste .

Dictum


HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Vierde Kamer ),

rechtdoende :

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .