ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
24 juni 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 6, lid 1 – Artikel 7, lid 1 – Consumentenkredietovereenkomst – Overeenkomst gewaarborgd door een zakelijk zekerheidsrecht op een onroerend goed dat de consument als gezinswoning gebruikt – Vervroegde opeisbaarheid – Buitengerechtelijke openbare verkoop van het onroerend goed – Nationale regeling die deze verkoop toestaat zonder voorafgaande rechterlijke toetsing van de betrokken schuldvordering – Nietigheidsgronden van de betrokken verkoop die oneerlijke bedingen uitsluiten – Doeltreffendheid van de aan de consumenten verleende bescherming – Artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
In zaak C‑351/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) bij beslissing van 11 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 6 juni 2023, in de procedure
GR REAL s. r. o.
tegen
PO,
RT,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin en N. Jääskinen, kamerpresidenten, E. Regan, N. Piçarra, I. Ziemele, O. Spineanu-Matei (rapporteur), B. Smulders, M. Condinanzi, F. Schalin en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
GR REAL s. r. o., vertegenwoordigd door M. Krutek, advokát, |
|
– |
PO en RT, vertegenwoordigd door Z. Pitoňáková, advokátka, |
|
– |
de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová en A. Lukáčik als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lindenthal, P. Ondrůšek en N. Ruiz García als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), alsmede de artikelen 5, 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”) (PB 2005, L 149, blz. 22). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen GR REAL s. r. o., enerzijds, en PO en RT, anderzijds, over de uitzetting van deze laatsten uit hun woning als gevolg van de verwerving van dat onroerend goed door GR REAL bij een buitengerechtelijke openbare verkoop, alsook over een reconventionele vordering waarbij PO en RT de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van dat onroerend goed betwisten. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
|
3 |
De vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”. |
|
4 |
Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt het volgende: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.” |
|
5 |
Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.” |
Richtlijn 2005/29
|
6 |
Artikel 5 van richtlijn 2005/29 bepaalt: „1. Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden. 2. Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:
[…] 4. Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die: […]
[…]” |
|
7 |
Artikel 8 van deze richtlijn is verwoord als volgt: „Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.” |
|
8 |
Artikel 9 van deze richtlijn luidt: „Om te bepalen of er bij een handelspraktijk gebruik wordt gemaakt van intimidatie, dwang, inclusief lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, wordt rekening gehouden met:
|
Slowaaks recht
Burgerlijk wetboek
|
9 |
§ 53 van zákon č. 40/1964 Zb. Občiansky zákonník (wet nr. 40/1964 houdende het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „burgerlijk wetboek”), bepaalde in lid 9: „Ingeval een met een consument gesloten overeenkomst wordt uitgevoerd door middel van betaling in termijnen, kan de ondernemer ten vroegste drie maanden na de te late betaling van één termijn en nadat hij de consument ten minste 15 dagen vóór de uitoefening van dat recht in kennis heeft gesteld, het krachtens § 565 van het burgerlijk wetboek toegekende recht uitoefenen.” |
|
10 |
§ 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt: „Indien een door een zekerheidsrecht gewaarborgde schuldvordering niet naar behoren en tijdig wordt afgelost, kan de zekerheidnemer de tenuitvoerlegging van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de tenuitvoerlegging van het zekerheidsrecht kan de zekerheidnemer ofwel voldoening verkrijgen op de contractueel overeengekomen wijze dan wel door openbare verkoop van het onderpand krachtens een bijzondere wet […], ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het onderpand krachtens de bijzondere wetten […], tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.” |
|
11 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in deze bepaling na de woorden „krachtens een bijzondere wet” een eerste voetnoot is opgenomen, die verwijst naar zákon č. 527/2002 Z. z. o dobrovoľných dražbách a o doplnení zákona Slovenskej národnej rady č. 323/1992 Zb. o notároch a notárskej činnosti (Notársky poriadok) v znení neskorších predpisov [wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, waarbij wet nr. 323/1992 van de Slowaakse nationale raad op het notarisambt en de notariële werkzaamheden (wetboek notariaat), zoals gewijzigd, is aangevuld; hierna: „wet inzake vrijwillige openbare verkoop”], en dat na de woorden „bijzondere wetten” een tweede voetnoot is ingevoegd, die verwees naar zákon č. 99/1963 Zb. Občiansky súdny poriadok (wet nr. 99/1963 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), die vanaf 1 juli 2016 werd vervangen door zákon č. 160/2015 Z. z. Civilný sporový poriadok (wet nr. 160/2015 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”), en naar zákon č. 233/1995 Z. z., o súdnych exekútoroch a exekučnej činnosti (Exekučný poriadok) a o zmene a doplnení ďalších zákonov [wet nr. 233/1995 inzake gerechtsdeurwaarders en executoriale procedures (wetboek van executoriale procedures), tot wijziging en aanvulling van andere wetten]. |
|
12 |
§ 565 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt: „Ingeval een schuldvordering in termijnen wordt ingevorderd kan de schuldeiser niet verlangen dat wegens niet-betaling van een van de maandelijkse termijnen de gehele schuldvordering wordt afgelost, tenzij dit tussen partijen is overeengekomen of in een beslissing is bepaald. De schuldeiser kan dit recht evenwel tot uiterlijk de vervaldatum van de eerstvolgende termijn uitoefenen.” |
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
|
13 |
§ 325, leden 1 en 2, onder d), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt: „1. De rechter kan voorlopige maatregelen gelasten indien de verhoudingen tussen de partijen onmiddellijk dienen te worden geregeld of indien er een risico bestaat dat de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar komt. 2. De rechter kan bij wege van met name voorlopige maatregelen een partij gelasten om […]
|
Wet inzake vrijwillige openbare verkoop
|
14 |
§ 6, lid 1, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt: „De veilingmeester is de persoon die de openbare verkoop houdt. Hij voldoet aan de voorwaarden die bij deze wet en de bijzondere wet zijn gesteld, en is bevoegd om het betrokken beroep uit te oefenen. […]” |
|
15 |
§ 19, lid 1, onder a) en b), van deze wet bepaalt het volgende: „De veilingmeester moet uiterlijk bij aanvang van de openbare verkoop van de veiling afzien:
|
|
16 |
§ 21, lid 2, van diezelfde wet luidt als volgt: „Bij betwisting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tot zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet kan eenieder die stelt dat hij door die schending in zijn rechten is gekort, de rechter verzoeken de verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de oude eigenaar op het ogenblik van de openbare verkoop volgens een bijzondere regeling officieel verblijf hield; […] in dat geval kan zelfs na het verstrijken van deze termijn om nietigverklaring van de verkoop worden verzocht. […]” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
17 |
Op 7 april 2011 heeft Slovenská sporiteľňa, a.s. (hierna: „bank”) met verweerders in het hoofdgeding een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van 63000 EUR. Zij hebben zich ertoe verbonden dat bedrag vanaf 20 juni 2011 in maandelijkse termijnen van 424,41 EUR terug te betalen, met 20 januari 2030 als de uiterste aflossingsdatum. In geval van betalingsachterstand voorzag een beding in de algemene voorwaarden van de bank in de vervroegde opeisbaarheid van de lening. Het genoemde bedrag werd gewaarborgd door een hypotheek op een onroerend goed, namelijk de gezinswoning van verweerders. |
|
18 |
Vanwege de achterstand van verweerders in het hoofdgeding in de betaling van de maandelijkse termijnen heeft de bank bij brief van 3 november 2016 de lening vervroegd opeisbaar verklaard en hen verzocht het uit hoofde van die overeenkomst verschuldigde bedrag, namelijk 56888,08 EUR, te betalen. Daarnaast heeft zij bij wege van een „vrijwillige” openbare verkoop – dat wil zeggen een buitengerechtelijke openbare verkoop – van dat onroerend goed een verzoek tot gedwongen executie op het desbetreffende hypothecaire onderpand ingediend. |
|
19 |
Op 21 april 2017 hebben verweerders in het hoofdgeding bij de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) een vordering ingesteld waarbij zij die rechter verzochten om de bank te gelasten af te zien van executie op dat onderpand bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop, alsmede, bij wege van voorlopige maatregel, de executie op dat onderpand te staken tot de definitieve beëindiging van de procedure ten gronde. Ter ondersteuning van hun vordering hebben verweerders in het hoofdgeding aangevoerd dat de bank niet het recht had om het volledige krediet vervroegd opeisbaar te verklaren omdat partijen bij sluiting van de overeenkomst daarover geen afspraken hadden gemaakt, en omdat de bank, ondanks hun verzoek om herstructurering van de lening, tot deze executie was overgegaan krachtens de wet inzake vrijwillige openbare verkoop. |
|
20 |
Op 25 april 2017 vond de eerste ronde van de openbare verkoop plaats zonder dat iemand een bod uitbracht. Tijdens deze eerste zitdag heeft PO bezwaar gemaakt tegen die verkoop, omdat er een gerechtelijke procedure tot staking van de executie aanhangig was. |
|
21 |
Bij beschikking van 26 mei 2017 heeft de Okresný súd het verzoek van verweerders in het hoofdgeding tot toepassing van een voorlopige maatregel afgewezen, zonder in te gaan op hun argument dat de bank hun rechten had geschonden door het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid toe te passen. Verweerders in het hoofdgeding zijn tegen deze beschikking opgekomen bij de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije). |
|
22 |
De tweede zitdag van de openbare verkoop vond plaats op 18 juli 2017, voordat de Krajský súd v Prešove zich over dat beroep had uitgesproken. Bij die gelegenheid heeft PO er opnieuw op gewezen dat er een gerechtelijke procedure tot staking van de executie op het desbetreffende hypothecaire onderpand aanhangig was. Het betrokken onroerend goed werd echter verworven door verzoekster in het hoofdgeding – een vennootschap die onder meer actief is op het gebied van kredietverlening en het beheer en onderhoud van onroerende goederen –, die vervolgens als eigenaar van dit goed in het kadaster is ingeschreven. |
|
23 |
Bij beslissing van 9 augustus 2017 heeft de Krajský súd v Prešove de beschikking van 26 mei 2017 van de Okresný súd Prešov, waarbij het verzoek om een voorlopige maatregel van verweerders in het hoofdgeding was afgewezen, vernietigd en een nieuw onderzoek van dat verzoek gelast, met name op grond dat die rechter de bezwaren van verweerders in het hoofdgeding dat er geen overeenstemming was over het beding inzake vervroegde opeisbaarheid – die volgens de Krajský súd v Prešove gegrond waren – had moeten onderzoeken. De Krajský súd v Prešove heeft tevens vastgesteld dat de Okresný súd Prešov, in het kader van het verzoek tot executie op het hypothecaire onderpand, niet had onderzocht of het evenredigheidsbeginsel in acht was genomen, in die zin dat hij geen rekening had gehouden met het bedrag van de schuldvordering in verhouding tot de waarde van het betrokken onroerend goed, te weten de gezinswoning van de verweerders in het hoofdgeding, noch met hun persoonlijkheid of met de mogelijkheid voor laatstgenoemden om die schuldvordering op een andere wijze te vereffenen. |
|
24 |
Op 19 december 2017 hebben verweerders in het hoofdgeding de in punt 19 van het onderhavige arrest vermelde vordering – waarmee zij verzochten dat de bank werd gelast af te zien van executie op het hypothecaire onderpand bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop – ingetrokken, aangezien deze verkoop reeds had plaatsgevonden en die vordering dus zonder voorwerp was geraakt. |
|
25 |
Bij beschikking van 11 januari 2018 heeft de Okresný súd Prešov de behandeling van de procedure derhalve afgesloten en verweerders in het hoofdgeding verwezen in de kosten van die procedure. |
|
26 |
Verweerders in het hoofdgeding hebben geweigerd het betrokken onroerend goed te ontruimen. Dit onroerend goed is de enige woning waarover zij beschikken en zij wonen er samen met hun kinderen. Twee daarvan zijn minderjarig en lijden naar verluidt aan een ernstige psychische stoornis. Daarop heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de Okresný súd Prešov de ontruiming van het onroerend goed gevorderd. |
|
27 |
Die rechter heeft deze vordering in een eerste procedurele fase afgewezen bij een vonnis dat in hoger beroep door de Krajský súd v Prešove is bevestigd. De Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek; hierna: „Najvyšší súd”) heeft bij beschikking van 8 april 2021 de uitspraken van deze twee rechterlijke instanties vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Okresný súd Prešov, opdat deze een onderzoek naar het eigendomsrecht van verzoekster in het hoofdgeding verricht. |
|
28 |
In een tweede procedurele fase heeft de Okresný súd Prešov die vordering toegewezen en verweerders in het hoofdgeding gelast het betrokken onroerend goed te ontruimen. Die rechter heeft hun reconventionele vordering tot betwisting van de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van dat onroerend goed afgewezen op grond dat dit onroerend goed was verworven bij een buitengerechtelijke openbare verkoop en hij niet bevoegd was om zich over de geldigheid van die verkoop uit te spreken. |
|
29 |
Zowel verzoekster in het hoofdgeding als verweerders in het hoofdgeding hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Krajský súd v Prešove. Verzoekster in het hoofdgeding kwam op tegen het feit dat verweerders in het hoofdgeding niet waren veroordeeld. Laatstgenoemden kwamen op tegen de afwijzing van hun reconventionele vordering. |
|
30 |
Verweerders in het hoofdgeding voeren voor de Krajský súd v Prešove, de verwijzende rechter, aan dat hun rechten als consument en hun recht op huisvesting zijn geschonden. |
|
31 |
Die rechter erkent dat de niet-betaling van de maandelijkse termijnen van een kredietovereenkomst een ernstige schending vormt van de contractuele verplichting die krachtens een dergelijke overeenkomst op de consumenten rust. Hij is echter van oordeel dat de door het Unierecht aan consumenten toegekende bescherming wordt geschonden wanneer er een extreme onevenredigheid bestaat tussen de niet-nakoming van deze verplichting en de gevolgen van de vervroegde opeisbaarheid. |
|
32 |
De verwijzende rechter is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden van de bij hem aanhangige zaak zich onderscheiden van andere zaken die tot arresten van het Hof inzake consumentenbescherming hebben geleid. |
|
33 |
In de eerste plaats betwijfelt de verwijzende rechter of het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde buitengerechtelijke openbare verkoop heeft geleid, in overeenstemming is met het transparantievereiste, zoals door het Hof met name in het arrest van 21 maart 2013, RWE Vertrieb (C‑92/11, EU:C:2013:180), is verduidelijkt. Hij wijst er in dit verband op dat dit beding in de algemene voorwaarden van de bank was opgenomen, maar dat de bank het beding niet ter kennis heeft gebracht van verweerders in het hoofdgeding, terwijl de vervroegde opeisbaarheid slechts van toepassing is indien de partijen daarover uitdrukkelijk overeenstemming hebben bereikt. |
|
34 |
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat verweerders in het hoofdgeding zich tegen de buitengerechtelijke openbare verkoop van hun gezinswoning hebben verzet door middel van een vordering die ertoe strekte de bank te gelasten af te zien van executie op het betrokken hypothecaire onderpand. In het kader van die procedure hebben zij tevens, bij wijze van voorlopige maatregel, verzocht om staking van de executie op dat onderpand, hetgeen volgens de verwijzende rechter de enige procedurele manier was om die executie te staken. Hij wijst er ook op dat de beslissing van de rechter in eerste aanleg waarbij de gevraagde voorlopige maatregel is afgewezen, door de rechter in beroep is vernietigd, met name omdat de grief inzake de nietigheid van het beding inzake vroegtijdige opeisbaarheid niet in het licht van richtlijn 93/13 is onderzocht. De verkoop heeft echter plaatsgevonden vóór die vernietiging en dus voordat de rechter in eerste aanleg dat verzoek om een voorlopige maatregel opnieuw heeft kunnen onderzoeken. |
|
35 |
In de derde plaats wijst de verwijzende rechter op het belang dat in de Slowaakse rechtspraak wordt gehecht aan de bescherming van de derde verkrijger die te goeder trouw handelt. Volgens die rechter kan er van goede trouw evenwel geen sprake zijn wanneer „verontrustende omstandigheden” de situatie van de derde kenmerken. Een „zeer verontrustende” omstandigheid is dat de vennootschap waaraan het onroerend goed bij een buitengerechtelijke openbare verkoop is toegewezen, op het moment van die verwerving op de hoogte wordt gesteld dat er een gerechtelijke procedure aanhangig is over de geldigheid van het beding dat aan die verkoop ten grondslag ligt. |
|
36 |
Aldus rijst er een vraag over de uitlegging van richtlijn 93/13, namelijk of de vennootschap die de eigendom van het onroerend goed heeft verkregen, absolute bescherming geniet dan wel of deze bescherming kan worden beperkt, met name gelet op het actieve gedrag van de betrokken consumenten en de twijfels over de goede trouw van deze vennootschap. Deze vraag is des te belangrijker wanneer de gedwongen executie op een onderpand betrekking heeft op de woning van de consument, aangezien het recht op huisvesting een grondrecht vormt dat door artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) wordt gewaarborgd. |
|
37 |
In de vierde plaats stelt de verwijzende rechter dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de situatie die aan de orde is in het hoofdgeding en die welke aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 december 2017, Banco Santander (C‑598/15, EU:C:2017:945). Ten eerste was het betrokken onroerend goed in voornoemde zaak openbaar verkocht en waren de daarop betrekking hebbende zakelijke rechten overgedragen zonder dat de consument de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen had aangewend. In het onderhavige arrest zijn verweerders in het hoofdgeding daarentegen niet passief gebleven en hebben zij het enige rechtsmiddel aangewend dat ex ante beschikbaar was om de executie op de buitengerechtelijke openbare verkoop van hun gezinswoning te doen staken. Hoewel zij achteraf afstand van instantie hebben gedaan, deden zij dit pas nadat die executie in het kader van een buitengerechtelijke openbare verkoop had geleid tot de eigendomsoverdracht van deze woning aan verzoekster in het hoofdgeding. Ten tweede hebben verweerders in het hoofdgeding, anders dan in de procedurele context van de zaak die tot voornoemd arrest heeft geleid, in casu tegen de ontruiming een reconventionele vordering ingesteld om de rechtmatigheid van die eigendomsoverdracht te betwisten, waarbij verzoekster in het hoofdgeding naar Slowaaks recht bevoegd was om zich in het kader van die reconventionele vordering te verdedigen. |
|
38 |
In de vijfde en laatste plaats benadrukt de verwijzende rechter dat consumenten zoals verweerders in het hoofdgeding hun rechten slechts zeer moeilijk zouden kunnen doen gelden wanneer zij achteraf de nietigverklaring van een openbare verkoop vorderen, aangezien § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt dat er slechts drie nietigheidsgronden bestaan, te weten schending van die wet, ongeldigheid van de overeenkomst tot vestiging van het zakelijke zekerheidsrecht, en het plegen van een strafbaar feit, met uitsluiting van de bescherming van consumenten tegen onrechtmatige bedingen van een kredietovereenkomst. |
|
39 |
In die omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
40 |
Gelet op de informatie die de Slowaakse regering onder de aandacht van het Hof heeft gebracht over de rechtspraak van de Najvyšší súd, volgens welke de bescherming tegen oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten valt onder de nietigheidsgronden van een buitengerechtelijke openbare verkoop die zijn opgenomen in § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, heeft het Hof de verwijzende rechter op 9 april 2024 om verduidelijking verzocht overeenkomstig artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. |
|
41 |
Bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 mei 2024, heeft de verwijzende rechter verduidelijkt dat er op de datum van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop geen vaste rechtspraak van de Slowaakse rechters bestond op grond waarvan een vrijwillige openbare verkoop nietig kan worden verklaard wegens schending van richtlijn 93/13 en dat er tot op heden nog geen rechterlijke beslissing bestaat waarbij een openbare verkoop om die reden nietig is verklaard. |
|
42 |
Volgens die rechter blijft de rechtspraak die door de Slowaakse regering is aangehaald en die bestaat uit twee beschikkingen die in de loop van 2022 zijn gegeven – dat wil zeggen vijf jaar na de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop – op zichzelf staan, zelfs in de rechtspraak van de Najvyšší súd, zodat verweerders in het hoofdgeding niet kan worden verweten dat zij geen vordering tot nietigverklaring van de openbare verkoop hebben ingesteld om hun rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden en ervoor hebben gekozen om het eigendomsrecht van verzoekster in het hoofdgeding te betwisten in het kader van een reconventionele vordering. |
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
Ontvankelijkheid
|
43 |
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de eerste en de tweede prejudiciële vraag op te werpen, betoogt verzoekster in het hoofdgeding in wezen dat richtlijn 93/13, waarvan in het kader van deze vragen om uitlegging wordt verzocht, in casu geen betrekking heeft op haar, aangezien zij geen partij was in de door verweerders in het hoofdgeding tegen de bank ingeleide gerechtelijke procedure, en is zij van mening dat het Hof deze vragen niet moet beantwoorden. |
|
44 |
Voorts heeft de Slowaakse regering twijfels over de ontvankelijkheid van de tweede vraag voor zover deze betrekking heeft op de vraag of richtlijn 93/13 zich verzet tegen een nationale regeling die uitsluit dat oneerlijke bedingen in de overeenkomst die aan de gedwongen executie op een hypothecair onderpand ten grondslag ligt, kunnen leiden tot de nietigheid van een buitengerechtelijke openbare verkoop van dat onderpand. Die regering benadrukt dat verweerders in het hoofdgeding geen vordering tot nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop hebben ingesteld, waardoor het niet duidelijk is waarom een antwoord van het Hof noodzakelijk is om die rechter in staat te stellen uitspraak te doen in het hoofdgeding. |
|
45 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden. Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 29 juli 2024, LivaNova,C‑713/22, EU:C:2024:642, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
46 |
Allereerst moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op een door verzoekster tegen verweerders ingestelde vordering tot ontruiming en op een reconventionele vordering waarin verweerders de rechtmatigheid betwisten van de eigendomsoverdracht van hun gezinswoning aan verzoekster. Deze overdracht heeft plaatsgevonden bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop die is georganiseerd ter uitvoering van een hypothecair onderpand in de leningsovereenkomst tussen die verweerders en de bank en op grond van een nationale regeling waarvan de verwijzende rechter betwijfelt of zij voldoet aan het uit richtlijn 93/13 voortvloeiende vereiste van een doeltreffende bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, is verzoekster in het hoofdgeding naar Slowaaks recht bevoegd om zich te verdedigen in het kader van een dergelijke reconventionele vordering. Bijgevolg sluit het feit dat verzoekster geen partij was in de gerechtelijke procedure die door verweerders in het hoofdgeding tegen de bank was ingeleid, geenszins uit dat de door die rechter gevraagde uitlegging van deze richtlijn noodzakelijk is om hem in staat te stellen in het hoofdgeding uitspraak te doen in de zin van de in het vorige punt van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. |
|
47 |
Voorts heeft de verwijzende rechter – zoals is opgemerkt in punt 42 van het onderhavige arrest – in zijn antwoord op het verzoek van het Hof om verduidelijking aangegeven dat verweerders in het hoofdgeding bij de huidige stand van het Slowaakse recht niet kan worden verweten dat zij geen vordering tot nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop hebben ingesteld waarmee zij aanvoeren dat de leningsovereenkomst die met de bank is gesloten een oneerlijk beding bevat. Het derde onderdeel van de tweede vraag, dat de verwijzende rechter in dit antwoord uitdrukkelijk heeft gehandhaafd, beoogt immers juist na te gaan of de onmogelijkheid voor deze verweerders om een dergelijk verzoek in te dienen in strijd is met de bepalingen van richtlijn 93/13. Deze vraag hangt dus nauw samen met het voorwerp van het hoofdgeding, dat met name betrekking heeft op de geldigheid van deze verkoop. |
|
48 |
Uit het voorgaande volgt dat de eerste en de tweede vraag ontvankelijk zijn. |
Ten gronde
– Opmerkingen vooraf
|
49 |
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de kredietverstrekker in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco,C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
50 |
In dit verband en om het in artikel 38 van het Handvest neergelegde hoge niveau van consumentenbescherming te waarborgen, moet de nationale rechter, zelfs ambtshalve, toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (arresten van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a.,C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 58, en 9 november 2023, Všeobecná úverová banka,C‑598/21, EU:C:2023:845, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
51 |
Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, dat bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, zijn nationale rechterlijke instanties tevens verplicht om de toepassing van die bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [zie in die zin arresten van 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C‑70/17 en C‑179/17, EU:C:2019:250, punt 52, en 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 37]. |
|
52 |
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, verplicht de lidstaten om te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (zie in die zin arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito,C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 68, en 17 mei 2022, Ibercaja Banco,C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
53 |
De verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen – met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 –, impliceert dat moet worden gezorgd voor een effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arresten van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a.,C‑693/19 en C‑831/19, EU:C:2022:395, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, 17 mei 2022, Impuls Leasing România,C‑725/19, EU:C:2022:396, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
54 |
Eveneens zij eraan herinnerd dat, gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verzekerde bescherming berust, artikel 6, lid 1, ervan moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones,C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 52, en 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 24). Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn houdt eveneens rechtstreeks verband met dit openbare belang (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a.,C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punt 56). |
|
55 |
Wat met name de procedures van gedwongen executie betreft, heeft het Hof zich herhaaldelijk en rekening houdend met de vereisten van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 uitgesproken over de manier waarop de nationale rechter de door consumenten aan deze richtlijn ontleende rechten binnen dergelijke procedures moet verzekeren. |
|
56 |
Bij gebreke van harmonisatie van die procedures zijn de desbetreffende regels krachtens het beginsel van hun procesrechtelijke autonomie daarom een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten. Deze regels moeten evenwel aan twee voorwaarden voldoen, namelijk niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin met name arrest van 26 juni 2019, Addiko Bank,C‑407/18, EU:C:2019:537, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
57 |
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dat als enige is genoemd door de verwijzende rechter, moet erop worden gewezen dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die regel in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken ervan, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. Evenwel kunnen de specifieke kenmerken van procedures geen factor vormen die de rechtsbescherming die consumenten op grond van richtlijn 93/13 dient toe te komen, mag doorkruisen (arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România,C‑725/19, EU:C:2022:396, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
58 |
Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel evenwel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco,C‑869/19, EU:C:2022:397, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
59 |
Eveneens heeft het Hof benadrukt dat het van belang is om in het nationale recht in de mogelijkheid te voorzien om een rechter te verzoeken het oneerlijke karakter van een contractueel beding te beoordelen vóór de afronding van een procedure van gedwongen executie die is gebaseerd op de overeenkomst waarin een dergelijk beding is opgenomen. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat wanneer een dergelijke procedure eindigt vóór de uitspraak van de rechter ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van het aan de gedwongen executie ten grondslag liggende contractueel beding wordt vastgesteld en die procedure dus nietig wordt verklaard, een dergelijke uitspraak de consument – in strijd met het bepaalde in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 – slechts bescherming achteraf biedt in de vorm van schadeloosstelling, die in de regel onvolledig en ontoereikend is en geen passend of doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz,C‑415/11, EU:C:2013:164, punt 60, en 17 mei 2022, Impuls Leasing România,C‑725/19, EU:C:2022:396, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
60 |
Ter verzekering van de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming heeft het Hof het belang benadrukt van de bevoegdheid van de aangezochte nationale rechter om voorlopige maatregelen te treffen waarmee een onrechtmatige procedure van gedwongen executie kan worden geschorst of verhinderd. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het gaat om een gedwongen executie op een hypothecair onderpand die kan leiden tot de uitzetting van de consument en zijn gezin uit de gezinswoning, aangezien het recht op eerbiediging van de woning een door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd grondrecht is waarmee die rechter bij de uitvoering van deze richtlijn rekening moet houden (zie in die zin arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka,C‑598/21, EU:C:2023:845, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
61 |
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. De omstandigheid dat een nationale rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel heeft gerefereerd aan bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof die rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de zaak die bij hem aanhangig is, ongeacht of daar in de vragen naar wordt verwezen. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de verwijzende verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven. Teneinde de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, een bruikbaar antwoord te geven, kan het Hof ook bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arresten van 20 maart 1986, Tissier,35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 6 maart 2025, ONB e.a.,C‑575/23, EU:C:2025:141, punt 57). |
– Eerste vraag
|
62 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarbij, ten eerste, tegen een consument een vordering tot ontruiming is ingesteld door een vennootschap die in het kader van een buitengerechtelijke executie op een hypothecair onderpand dat de consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever, de eigendom heeft verkregen van een onroerend goed dat die consument gebruikt als gezinswoning en, ten tweede, de consument bij een reconventionele vordering de rechtmatigheid betwist van de eigendomsoverdracht van dat goed aan de begunstigde vennootschap, die heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er op het moment van de overdracht nog een gerechtelijke procedure tot staking van de gedwongen executie aanhangig was op grond dat de overeenkomst die aan de executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en de begunstigde vennootschap vooraf door die consument van het bestaan van die procedure op de hoogte is gesteld. |
|
63 |
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, om te bepalen of richtlijn 93/13 met succes kan worden ingeroepen in een procedure die bij een nationale rechter aanhangig is, het voorwerp van die procedure en het specifieke karakter van het geding waarvan zij deel uitmaakt, moeten worden onderzocht (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C‑598/15, EU:C:2017:945, punten 39, 42 en 49). |
|
64 |
Uit die rechtspraak volgt ook dat de bepalingen van richtlijn 93/13 niet met succes kunnen worden ingeroepen indien er geen onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn dat de hypothecaire leningsovereenkomst die het voorwerp van een procedure van buitengerechtelijke executie heeft gevormd, mogelijk een oneerlijk beding bevat (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander,C‑598/15, EU:C:2017:945, punt 48). |
|
65 |
Wat in de eerste plaats het voorwerp van de procedure betreft, heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in beginsel niet met succes kunnen worden ingeroepen in een geding dat niet betrekking heeft op de procedure van gedwongen executie op het hypothecaire onderpand uit de leningsovereenkomst tussen een consument en een verkoper, maar op de bescherming van de zakelijke rechten verbonden aan de eigendom die de verkoper in het kader van een openbare verkoop rechtmatig heeft verkregen (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander,C‑598/15, EU:C:2017:945, punten 44 en 47). |
|
66 |
In dergelijke omstandigheden dreigt immers de rechtszekerheid van gevestigde eigendomsbetrekkingen te worden aangetast indien wordt toegestaan dat de schuldenaar die een hypotheek heeft afgesloten voor een onroerende zaak, aan de verkrijger van die zaak excepties tegenwerpt die zijn ontleend aan de hypothecaire leningsovereenkomst ten aanzien waarvan die verkrijger mogelijkerwijze een derde is (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander,C‑598/15, EU:C:2017:945, punt 45). |
|
67 |
Het Hof oordeelde ook dat in de situatie waarin de hypothecaire executoriale procedure is beëindigd en de eigendomsrechten van een onroerende zaak zijn overgedragen aan een derde, de rechter niet meer ambtshalve of op verzoek van de consument kan overgaan tot een toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die zou leiden tot nietigverklaring van de handelingen waarbij de eigendom is overgedragen, en dus de rechtszekerheid van die eigendomsoverdracht, waarvan de rechtmatigheid niet werd betwist, ter discussie zou stellen (zie in die zin arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco,C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 57). |
|
68 |
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding niettemin betrekking heeft op twee vorderingen die een ander juridisch voorwerp hebben dan de vorderingen die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de in de punten 65 tot en met 67 van het onderhavige arrest genoemde arresten. Ten eerste is bij de verwijzende rechter een vordering aanhangig gemaakt die ertoe strekt verweerders in het hoofdgeding uit hun gezinswoning te zetten. Die vordering is ingesteld door verzoekster in het hoofdgeding, in het kader van de uitoefening van de prerogatieven die haar zijn verleend door het eigendomsrecht dat zij na de buitengerechtelijke openbare verkoop van die woning heeft verworven. |
|
69 |
Ten tweede heeft dat geschil betrekking op een reconventionele vordering waarmee verweerders in het hoofdgeding de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van die woning aan verzoekster in het hoofdgeding betwisten op grond dat de wet inzake vrijwillige openbare verkoop niet voldoet aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming, dat opnieuw is bevestigd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Verweerders betogen dat deze wet het mogelijk heeft gemaakt dat de gedwongen executie van het betrokken hypothecaire onderpand wordt voortgezet, terwijl een verzoek om voorlopige maatregelen bij een rechter aanhangig is met het oog op de opschorting van die gedwongen executie. Zoals in de punten 37 en 46 van het onderhavige arrest is vermeld, is de verwijzende rechter van oordeel dat verzoekster in het hoofdgeding naar Slowaaks recht bevoegd is om zich in het kader van een dergelijke reconventionele vordering te verdedigen. |
|
70 |
Anders dan in het geding dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 december 2017, Banco Santander (C‑598/15, EU:C:2017:945), heeft het hoofdgeding dus niet alleen betrekking op de bescherming van het zakelijke eigendomsrecht dat na de openbare verkoop van een onroerend goed is verkregen, maar ook op de voorwaarden waaronder de procedure van gedwongen executie op het hypothecaire onderpand, heeft kunnen leiden tot de overdracht van die rechten aan de begunstigde vennootschap. |
|
71 |
In het kader van hun reconventionele vordering voeren verweerders in het hoofdgeding immers geen gronden tot nietigheid van die overeenkomst of bepaalde daarin opgenomen bedingen aan tegen de koper van het onroerend goed – die geen partij is bij de hypothecaire leningsovereenkomst betreffende dat goed –, maar betwisten zij de rechtmatigheid zelf van de eigendomsoverdracht van dat goed aan die koper. |
|
72 |
Wat in de tweede plaats de specifieke kenmerken betreft van het geding in het kader waarvan de procedure is ingeleid, blijkt uit de rechtspraak dat het Hof reeds rekening heeft gehouden met het feit dat de betrokken consument tijdens de procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand de mogelijkheid had om zich tegen die procedure te verzetten of de opschorting ervan te vragen op grond dat een oneerlijk beding afbreuk had gedaan aan de leningsovereenkomst waarop die zekerheid betrekking had, en met de vraag of die consument van dergelijke rechtswegen gebruik had gemaakt (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander,C‑598/15, EU:C:2017:945, punt 49). |
|
73 |
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 niet van toepassing zijn op een geschil dat betrekking heeft op de bescherming van de zakelijke rechten die de verkrijger van een onroerend goed rechtmatig heeft verworven, wanneer deze rechten zijn overgedragen zonder dat de consument gebruik heeft gemaakt van de rechtswegen die in die context voor hem openstonden (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander,C‑598/15, EU:C:2017:945, punt 50). |
|
74 |
In een situatie als die in het hoofdgeding kan de houding van de consument wat de buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie betreft daarentegen niet als volledig passief worden aangemerkt. Integendeel, ten eerste hebben verweerders in het hoofdgeding een vordering ingesteld om de voortzetting van die procedure te staken, en hebben zij daarbij tevens een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend met het oog op opschorting van die procedure. Volgens de verwijzende rechter was deze voorziening in rechte de enige manier om zich tegen de uitvoering van een buitengerechtelijke openbare verkoop te verzetten. |
|
75 |
Onder voorbehoud van de door die rechter te verrichten beoordeling kan het feit dat verweerders in het hoofdgeding na de betrokken openbare verkoop afstand van instantie hebben gedaan, niet afdoen aan de vaststelling dat deze verweerders niet passief zijn gebleven. Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, strekte die vordering er namelijk toe de bank te gelasten af te zien van executie op het betrokken hypothecaire onderpand bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop, en omvatte deze tevens een verzoek tot opschorting van die executoriale procedure. Verweerders in het hoofdgeding konden dus redelijkerwijs aannemen dat de vordering zonder voorwerp was geraakt nadat de openbare verkoop had plaatsgevonden, aangezien een rechter op dat moment geen uitspraak meer kon doen om de executie op dat onderpand te staken of te schorsen. |
|
76 |
Bovendien is het juist dat verweerders in het hoofdgeding, zoals verzoekster in het hoofdgeding en de Slowaakse regering betogen, geen vordering tot nietigverklaring van die verkoop hebben ingesteld op grond van § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop. Om te beginnen zij opgemerkt dat, volgens de toelichting van de verwijzende rechter, de nietigverklaring van een vrijwillige openbare verkoop op grond van deze bepaling slechts op drie gronden kan worden gevorderd, en dat de onrechtmatigheid van bedingen in een door een consument gesloten kredietovereenkomst daar niet onder valt. Daarnaast heeft de Slowaakse regering verwezen naar twee beslissingen van de Najvyšší súd van 2022 volgens welke de bescherming tegen oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten onder de in die bepaling genoemde nietigheidsgronden van een buitengerechtelijke openbare verkoop valt. Gelet op het antwoord van de verwijzende rechter op het hem ter zake gerichte verzoek om verduidelijking, dat in de punten 41 en 42 van het onderhavige arrest is uiteengezet, kon van een gemiddelde consument, die wordt gedefinieerd als normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend [arrest van 4 juli 2024, Caixabank e.a. (Transparantietoetsing in een collectieve vordering),C‑450/22, EU:C:2024:577, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak], evenwel niet worden verwacht dat hij vooruitliep op de uitlegging die de Najvyšší súd vijf jaar na de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoop heeft gegeven aan § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om ter zake de nodige verificaties te verrichten. |
|
77 |
Ten tweede wijst de verwijzende rechter erop dat verweerders in het hoofdgeding op de tweede zitdag van de openbare verkoop van het betrokken onroerend goed verzoekster in het hoofdgeding en de veilingmeester in kennis hebben gesteld van het lopende verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van de gedwongen executie op het betrokken hypothecaire onderpand. Hoewel verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen betwist dat zij van het bestaan van dit verzoek in kennis is gesteld, dient eraan te worden herinnerd dat in het kader van de procedure die is neergelegd in artikel 267 VWEU, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof, elke beoordeling van de feiten van de zaak tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort (arrest van 19 december 2024, Rustrans, C‑392/23, EU:C:2024:1052, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat het Hof door die beoordeling is gebonden. |
|
78 |
Evenzo staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om bij de beslechting ten gronde van het hoofdgeding vast te stellen of uit de omstandigheden waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop heeft plaatsgevonden en die volgens hem verontrustend zijn – met name gelet op het feit dat de begunstigde vennootschap die actief is op het gebied van kredietverlening en het beheer en onderhoud van onroerende goederen, was ingelicht dat er bij een rechter een procedure aanhangig was tot vaststelling van het oneerlijke karakter van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat aan die verkoop ten grondslag lag –, kan worden afgeleid dat die vennootschap bij die verkoop te kwader trouw heeft gehandeld. Indien dat het geval is, moet hij daaruit de gevolgen trekken die het nationale recht verbindt aan de kwade trouw met betrekking tot de rechtmatigheid van die verkoop. |
|
79 |
In de derde en de laatste plaats moet in overeenstemming met de in punt 64 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak worden opgemerkt dat er volgens de verwijzende rechter op de datum van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat de overeenkomst, die ten grondslag ligt aan de gedwongen executie op het betrokken hypothecaire onderpand mogelijk een oneerlijk beding bevatte. Zoals blijkt uit punt 33 van het onderhavige arrest, betwijfelt deze rechter immers of het beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat tot die gedwongen executie heeft geleid, in overeenstemming is met het transparantievereiste. |
|
80 |
Uit het voorgaande volgt dat verweerders in het hoofdgeding, anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 december 2017, Banco Santander (C‑598/15, EU:C:2017:945), niet passief zijn gebleven in het kader van de buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie, maar dat zij integendeel gebruik hebben gemaakt van de rechtswegen waarin het Slowaakse recht voorziet om zich tegen die executie te verzetten, en de personen op wie die executie betrekking had van hun gerechtelijke stappen in kennis hebben gesteld. Deze procedure is echter voortgezet en heeft tot de openbare verkoop van hun gezinswoning geleid, zonder enige rechterlijke toetsing van de grondslag van de schuldvordering waarvan de bank betaling vorderde, en dit ondanks het feit dat er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat aan die executie ten grondslag lag, mogelijk oneerlijk was. |
|
81 |
In het kader van een geding dat wordt gekenmerkt door al deze omstandigheden, vereist de volle werking van de bescherming die door richtlijn 93/13 aan de consument is verleend en het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat de betrokken consumenten zich in het kader van een reconventionele vordering zoals die in het hoofdgeding, kunnen beroepen op artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van deze richtlijn om de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van het betrokken onroerend goed op de begunstigde vennootschap te betwisten. |
|
82 |
Uit het voorgaande volgt namelijk dat in die omstandigheden de bescherming van de rechtszekerheid van de reeds aan een derde verrichte eigendomsoverdracht, waarnaar het Hof heeft verwezen in de context van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 7 december 2017, Banco Santander (C‑598/15, EU:C:2017:945), en 17 mei 2022, Ibercaja Banco (C‑600/19, EU:C:2022:394), niet als absoluut kan worden beschouwd. |
|
83 |
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarbij, ten eerste, tegen een consument een vordering tot ontruiming is ingesteld door een vennootschap die in het kader van een buitengerechtelijke executie op een hypothecair onderpand dat de consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever, de eigendom heeft verkregen van een onroerend goed dat die consument gebruikt als gezinswoningen, ten tweede, de consument bij een reconventionele vordering de rechtmatigheid betwist van de eigendomsoverdracht van dat goed aan de begunstigde vennootschap, die heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er op het moment van de overdracht nog een gerechtelijke procedure tot staking van de gedwongen executie aanhangig was op grond dat de overeenkomst die aan de executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en de begunstigde vennootschap vooraf door die consument van het bestaan van die procedure op de hoogte is gesteld. Dit is het geval mits er op het moment van de betrokken verkoop onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat die bedingen mogelijk oneerlijk waren, en dat de consument gebruik heeft gemaakt van de rechtswegen waarvan kon worden verwacht dat een gemiddelde consument ze zou instellen, teneinde die bedingen door een rechter te laten toetsen. |
– Tweede vraag
|
84 |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand dat een consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever en dat hij als gezinswoning gebruikt, wordt voortgezet ondanks het feit dat er een verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van die executie aanhangig is, en die regeling bovendien niet in de mogelijkheid voorziet om de nietigheid van die executie te vorderen wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt. |
|
85 |
In dit verband moet – zoals in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden onderzocht, met name rekening houdend met de plaats van die regel in de gehele procedure, het verloop en de bijzondere kenmerken ervan. |
|
86 |
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, biedt de wet inzake vrijwillige openbare verkoop – waarvan de verwijzende rechter de verenigbaarheid met richtlijn 93/13 in twijfel trekt – een professionele kredietgever de mogelijkheid om een zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer te leggen op basis van een kredietovereenkomst zonder voorafgaande tussenkomst van een rechter om de grondslag van de betrokken vordering na te gaan, ook wanneer het gaat om een hypotheek op de gezinswoning van een consument. |
|
87 |
Hoewel richtlijn 93/13 op zichzelf niet in de weg staat aan buitengerechtelijke procedures van gedwongen executie die worden gevoerd door andere instanties dan rechterlijke instanties en waarbij consumenten niet kunnen aanvoeren dat de overeenkomst die aan de betrokken executoriale procedure ten grondslag ligt, oneerlijke bedingen bevat (zie naar analogie met betrekking tot de rol die kan worden toebedeeld aan de notaris op het gebied van toetsing van oneerlijke contractbedingen, arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary,C‑32/14, EU:C:2015:637, punten 47, 48 en 65), moeten de lidstaten de consumenten niettemin passende en doeltreffende rechtswegen ter beschikking stellen om te waarborgen dat zij niet door dergelijke bedingen worden gebonden. |
|
88 |
Er zij echter ook aan herinnerd dat het Hof met betrekking tot de wet inzake vrijwillige openbare verkoop heeft geoordeeld dat richtlijn 93/13 zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een verkoper, bij de toepassing van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid in een consumentenkredietovereenkomst, de uit hoofde van dat beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om (zie in die zin arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka,C‑598/21, EU:C:2023:845, punten 84 en 90). |
|
89 |
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een consument, om zich te verzetten tegen een buitengerechtelijke openbare verkoop en om zich te beroepen op een mogelijk oneerlijk beding in de overeenkomst die aan die verkoop ten grondslag ligt, een gerechtelijke procedure moet instellen in het kader waarvan hij bij wijze van voorlopige maatregel ook om opschorting van de verkoop kan verzoeken tot de uitspraak op het beroep ten gronde. Uit § 19, lid 1, onder b), tweede volzin, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop volgt echter dat de veilingmeester alleen van de verkoop moet afzien indien een rechter een voorlopige maatregel in die zin heeft toegepast. |
|
90 |
Zoals blijkt uit de situatie in het hoofdgeding, maakt die bepaling het mogelijk om de gedwongen executie voort te zetten, ondanks het feit dat een verzoek om voorlopige maatregelen, dat met het oog op de opschorting van die executie is ingediend, aanhangig is bij een rechter, wat aldus kan leiden tot de overdracht van het eigendomsrecht op een onroerend goed – zelfs wanneer het gaat om de gezinswoning van de consument – voordat die rechter uitspraak heeft gedaan op dat verzoek en hoewel er onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn dat de overeenkomst die aan de gedwongen executie ten grondslag ligt, mogelijk een oneerlijk beding bevat. |
|
91 |
Hoewel de rechter op grond van § 325 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorlopige maatregelen – zoals de opschorting van een buitengerechtelijke openbare verkoop – kan gelasten, moet bijgevolg worden vastgesteld dat dit rechtsmiddel de consument geen daadwerkelijke mogelijkheid lijkt te bieden om vóór die verkoop de potentieel oneerlijke bedingen van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de betrokken executie te laten toetsen, of deze ten minste prima facie te laten toetsen in het kader van een verzoek om voorlopige maatregelen, ook al is de toekenning van een dergelijke maatregel noodzakelijk om de doeltreffendheid van de beslissing op het beroep ten gronde te waarborgen. |
|
92 |
Zoals blijkt uit de in punt 59 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, vereist artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in dit verband dat de consument niet verstoken blijft van een daadwerkelijke mogelijkheid om opschorting te verkrijgen van een executoriale procedure die is ingeleid op grond van een executoriale titel die is gebaseerd op een contractueel beding waarvan de geldigheid in rechte wordt betwist wegens het oneerlijke karakter ervan, aangezien de beslissing op het beroep ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van dat beding wordt vastgesteld, zonder een dergelijke opschorting, de consument slechts bescherming achteraf biedt die uitsluitend in schadevergoeding bestaat en die onvolledig en ontoereikend is en derhalve geen geschikt en doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding. |
|
93 |
Dit vereiste is des te meer gerechtvaardigd, zoals blijkt uit de in punt 60 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, wanneer, zoals in het hoofdgeding, de procedure van gedwongen executie betrekking heeft op de woning van de consument en zijn gezin, waarvan de bescherming valt onder het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie‑ en gezinsleven. |
|
94 |
Wat betreft de aan consumenten geboden mogelijkheid om de gevolgen van een buitengerechtelijke openbare verkoop achteraf ongedaan te maken, voorziet § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop in het recht om binnen drie maanden na de openbare verkoop de nietigheid ervan te vorderen in geval van betwisting van de rechtsgeldigheid van de betrokken overeenkomst tot zakelijke zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet. |
|
95 |
De verwijzende rechter heeft dienaangaande verduidelijkt dat die bepaling consumenten niet de mogelijkheid biedt om de nietigheid van een buitengerechtelijke openbare verkoop te vorderen op grond dat de overeenkomst die aan de betrokken executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en dat in casu op het moment waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop heeft plaatsgevonden, in Slowakije nog geen arrest was gewezen waarbij die verkoop op die grond nietig was verklaard. Zoals in punt 41 van het onderhavige arrest is vermeld, heeft deze rechter erop gewezen dat er thans nog steeds geen voldoende vaste rechtspraak in die zin bestaat. |
|
96 |
In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Slowaakse regering daarentegen aangevoerd dat de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop onjuist is. In dit verband heeft deze regering verwezen naar rechtspraak van de Najvyšší súd, die wordt geïllustreerd door twee beslissingen van die hoogste rechterlijke instantie die in de loop van 2022 zijn genomen en waarin die rechter die bepaling aldus heeft uitgelegd dat oneerlijke bedingen in de overeenkomst die aan een buitengerechtelijke gedwongen executie ten grondslag ligt, een grond vormen voor nietigverklaring van de verkoop die in het kader van die executie heeft plaatsgevonden. Een uitlegging in die zin dringt zich op, aangezien een openbare verkoop niet noodzakelijkerwijs wordt voorafgegaan door een rechterlijke toetsing van de schuldvordering. |
|
97 |
De Slowaakse regering heeft in het antwoord op de vragen die haar overeenkomstig artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering zijn gesteld, daaraan toegevoegd dat die rechtspraak door de Najvyšší súd is bevestigd in een nieuw arrest van 27 november 2023, waarin die hoogste rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat rechters in procedures tot nietigverklaring van een buitengerechtelijke openbare verkoop ambtshalve moeten onderzoeken of de met een consument gesloten overeenkomst tot zakelijke zekerheidstelling geen oneerlijke bedingen bevat, teneinde een passende rechtsbescherming van de consument te waarborgen. |
|
98 |
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het in het kader van een krachtens artikel 267 VWEU ingeleide procedure niet aan het Hof staat om zich uit te spreken over de uitlegging van nationale bepalingen, aangezien dit de exclusieve bevoegdheid van de nationale gerechten is (arrest van 28 februari 2019, Gradbeništvo Korana, C‑579/17, EU:C:2019:162, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
99 |
Indien § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop voortaan door de Najvyšší súd wordt uitgelegd op de wijze zoals uiteengezet in de punten 96 en 97 van het onderhavige arrest – hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden vastgesteld –, dan zou deze omstandigheid, zoals de advocaat-generaal in punt 79 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of verweerders in het hoofdgeding, gelet op de datum van de openbare verkoop in het hoofdgeding, redelijkerwijs hadden kunnen verwachten dat deze verkoop nietig zou worden verklaard in het kader van een beroep dat krachtens deze bepaling was ingesteld binnen drie maanden na de openbare verkoop van het betreffende onroerend goed. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties lijkt de door de Najvyšší súd aan die bepaling gegeven uitlegging juist te zijn ingegeven door de noodzaak om te verhelpen dat die bepaling niet voorziet in de mogelijkheid om de nietigheid te vorderen van een openbare verkoop wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst die aan die verkoop ten grondslag ligt. |
|
100 |
Uit het voorgaande volgt dat de rechtswegen waarover verweerders in het hoofdgeding ten tijde van de in dat geding aan de orde zijnde openbare verkoop beschikten – onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties – niet voldeden aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Zij boden namelijk geen daadwerkelijke mogelijkheid om deze verkoop in het kader van de gedwongen executie op te schorten teneinde door een rechter te laten toetsen of de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt mogelijk een oneerlijk beding bevat, ook al was er reeds een verzoek tot opschorting aanhangig bij een rechter. Die rechtswegen boden evenmin de mogelijkheid om wegens dat beding de nietigheid van die verkoop te vorderen, en dit ondanks het feit dat er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat dit beding mogelijk oneerlijk was. |
|
101 |
De aspecten waarop de verwijzende rechter in het kader van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gewezen, en die met name in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, tonen derhalve aan dat de bepalingen van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop minstens op het tijdstip waarop de openbare verkoop in het hoofdgeding heeft plaatsgevonden, het in de praktijk uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk maakten om die rechten te beschermen. |
|
102 |
Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven met betrekking tot de mogelijkheid om § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop uit te leggen in overeenstemming met de bepalingen van richtlijn 93/13, moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging, gelet op de door de Slowaakse regering aangehaalde recente rechtspraak van de Najvyšší súd waarnaar in de punten 96 en 97 van het onderhavige arrest wordt verwezen, niet lijkt te zijn uitgesloten. |
|
103 |
Indien de verwijzende rechter tot de slotsom komt dat hij § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, wat de daarin genoemde gronden voor nietigverklaring betreft, mag uitleggen in overeenstemming met richtlijn 93/13, moet worden opgemerkt dat dit § 21, lid 2, eveneens bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring binnen drie maanden na de openbare verkoop moet worden ingesteld. In dit verband kon, zoals blijkt uit de punten 76 en 99 van het onderhavige arrest, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, niet redelijkerwijs van verweerders in het hoofdgeding worden verwacht dat zij op grond van die bepaling een vordering tot nietigverklaring van de betrokken openbare verkoop zouden instellen. Het gewicht van het openbaar belang dat ten grondslag ligt aan de bescherming die deze richtlijn aan de consument verleent, en de noodzaak om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen daaraan ontlenen – hetgeen met name een vereiste van effectieve rechterlijke bescherming impliceert –, rechtvaardigen dat verweerders in het hoofdgeding, bij gebreke van doeltreffende rechtswegen waarmee zij vóór de openbare verkoop de rechten konden doen gelden die zij aan die richtlijn ontleenden, niet worden uitgesloten van de mogelijkheid om in het hoofdgeding op te komen tegen de gedwongen executie die tot die openbare verkoop heeft geleid (zie naar analogie arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punten 45, 49 en 50). |
|
104 |
Aangezien uit het voorgaande volgt dat de verwijzende rechter genoopt zou kunnen zijn om de nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop vast te stellen en bijgevolg de rechtsverhouding tussen verweerders in het hoofdgeding en de bank te herstellen in de toestand zoals die bestond vóór die verkoop, moet die rechter bovendien onderzoeken of het in het licht van het toepasselijke nationale recht mogelijk is om de bank krachtens een passende procedureregel aan de procedure te laten deelnemen, met name door middel van een vrijwillige interventie of, in voorkomend geval, door middel van een gedwongen interventie. |
|
105 |
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand dat een consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever en dat hij als gezinswoning gebruikt, wordt voortgezet ondanks het feit dat er bij een rechterlijke instantie een verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van die executie aanhangig is en er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan over een mogelijk oneerlijk beding in de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt, en welke regeling bovendien niet voorziet in de mogelijkheid om de nietigheid van die executie langs gerechtelijke weg te vorderen wegens de oneerlijkheid van bedingen in die overeenkomst. |
Derde vraag
|
106 |
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat de executie van een zakelijk zekerheidsrecht krachtens een oneerlijk contractueel beding inzake de vervroegde opeisbaarheid van een schuldvordering uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van deze richtlijn vormt, te weten in het bijzonder een agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van die richtlijn, waardoor de professionele kredietgever en de onderneming die zich bezighoudt met het houden van openbare verkopen en die dat zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer legt, aansprakelijk kunnen worden gesteld. |
|
107 |
Verzoekster in het hoofdgeding, de Slowaakse regering en de Europese Commissie betogen dat deze vraag niet-ontvankelijk is. |
|
108 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter niet uiteenzet waarom een antwoord op die vraag noodzakelijk is om hem in staat te stellen uitspraak te doen in het hem voorgelegde geschil, in de zin van de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. |
|
109 |
Bovendien heeft een handelspraktijk, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen stelt, naar zijn aard tot doel de consument ertoe te brengen over een transactie een besluit te nemen waartoe hij anders niet had besloten. De verwijzingsbeslissing zet echter niet duidelijk uiteen welk soort commerciële beslissing verweerders in het hoofdgeding zouden hebben genomen waarop de bank of de veilingmeester invloed zou hebben uitgeoefend. |
|
110 |
Een antwoord op de derde vraag gaat dus verder dan de rechterlijke taak die krachtens artikel 267 VWEU op het Hof rust, zodat deze vraag derhalve niet-ontvankelijk is. |
Kosten
|
111 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Slowaaks.