ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

8 juni 2023 ( *1 )

„Hogere voorziening – Dumping – Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1328 – Invoer van bepaalde koudgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Russische Federatie – Definitief antidumpingrecht – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 18, lid 1 – Vereiste informatie – Geen – Artikel 9, lid 4 – ‚regel van het laagste recht’ – Richtprijs – Winstmarge van de bedrijfstak van de Europese Unie – Vaststelling – Keuze van het meest recente representatieve jaar – Artikel 2, lid 9 – Berekening van de uitvoerprijs – Schade voor de bedrijfstak van de Unie – Overeenkomstige toepassing – Berekening van de onderbiedingsmarge – Motivering”

In de gevoegde zaken C‑747/21 P en C‑748/21 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 3 december 2021,

PAO Severstal, gevestigd te Tsjerepovets (Rusland) (C‑747/21 P),

Novolipetsk Steel PJSC (NLMK), gevestigd te Lipetsk (Rusland) (C‑748/21 P),

vertegenwoordigd door M. Krestiyanova, avocate, en N. Tuominen, avocată,

rekwirantes,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Blanck en J.‑F. Brakeland, vervolgens door J.‑F. Brakeland als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Eurofer, Association européenne de l’acier, ASBL, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, A. Prechal (rapporteur), president van de Tweede kamer, en N. Wahl, rechter,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 januari 2023,

het navolgende

Arrest

1

Met hun hogere voorzieningen verzoeken PAO Severstal (C‑747/21 P) en Novolipetsk Steel PJSC (NLMK) (C‑748/21 P) om vernietiging van respectievelijk de arresten van het Gerecht van de Europese Unie van 22 september 2021, Severstal/Commissie [T‑753/16, niet gepubliceerd, EU:T:2021:612; hierna: „arrest Severstal/Commissie (T‑753/16)”], en 22 september 2021, NLMK/Commissie [T‑752/16, niet gepubliceerd, EU:T:2021:611; hierna: „arrest NLMK/Commissie (T‑752/16)”] (hierna samen: „bestreden arresten”), waarbij het Gerecht het beroep van Severstal respectievelijk het beroep van NLMK tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1328 van de Commissie van 29 juli 2016 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde koudgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Russische Federatie (PB 2016, L 210, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”) heeft verworpen voor zover deze verordening op hen betrekking had.

Toepasselijke bepalingen

2

Niettegenstaande de inwerkingtreding – vóór de datum van vaststelling van de litigieuze verordening – van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21), waarbij verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 (PB 2014, L 18, blz. 1) (hierna: „basisverordening”), is ingetrokken en vervangen, bleven de materiële rechtsregels van de basisverordening van toepassing op de vaststelling van de in de onderhavige gevoegde zaken aan de orde zijnde dumping en schade, omdat het onderzoek naar dumping en schade dat tot de vaststelling van de litigieuze verordening heeft geleid, betrekking had op de periode van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015. Aangezien deze regels dezelfde inhoud hebben als de overeenkomstige regels van verordening 2016/1036, heeft de toepassing van of het inroepen van laatstgenoemde regels in de procedures die tot de onderhavige hogere voorzieningen hebben geleid, evenwel geen gevolgen.

3

Artikel 2, lid 9, van de basisverordening luidde:

„Wanneer geen uitvoerprijs voorhanden is of deze onbetrouwbaar blijkt wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, mag de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of, indien de producten niet aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op elke redelijke grondslag.

In dergelijke gevallen wordt voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, en voor winst een correctie toegepast, teneinde een betrouwbare uitvoerprijs franco grens [Unie] vast te stellen.

De elementen waarvoor een correctie wordt toegepast, omvatten die welke gewoonlijk door een importeur worden gedragen, doch worden betaald door een partij binnen of buiten de [Unie] die kennelijk met de importeur of de exporteur is geassocieerd of met deze een compensatieregeling heeft. Zij omvatten met name de gebruikelijke kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing, en bijkomende kosten, evenals de douanerechten, alle antidumpingrechten en andere belastingen die in het land van invoer verschuldigd zijn uit hoofde van de invoer of de verkoop van de goederen, alsmede een redelijke marge voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst.”

4

Artikel 9, lid 4, van deze verordening bepaalde:

„Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de [Europese] Unie is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de [Europese] Commissie volgens de in artikel 15, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, een definitief antidumpingrecht in. Voor zover voorlopige rechten van kracht zijn, leidt de Commissie deze procedure uiterlijk een maand vóór het vervallen van die rechten in. Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en dient lager te zijn dan de marge als een dergelijk lager recht toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie.”

5

Artikel 18, lid 1, van die verordening luidde:

„Indien een belanghebbende binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen de toegang tot de nodige gegevens weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken. Blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, dan worden deze buiten beschouwing gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt. […]”

Voorgeschiedenis van de gedingen

6

De voorgeschiedenis van de gedingen, zoals uiteengezet in de bestreden arresten, kan ten behoeve van het onderhavige arrest worden samengevat als volgt.

7

Severstal en NLMK zijn vennootschappen naar Russisch recht die actief zijn op de markt van de vervaardiging en distributie van staalproducten, in het bijzonder koudgewalste platte staalproducten.

8

Na een klacht van Eurofer, Association européenne de l’acier, ASBL, heeft de Commissie op 14 mei 2015 een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde koudgewalste platte staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Russische Federatie gepubliceerd (PB 2015, C 161, blz. 9).

9

Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015. Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2015 (hierna: „beoordelingsperiode”).

10

Nadat Severstal en NLMK hun antwoorden op de antidumpingvragenlijst hadden ingediend en de Commissie ter plaatse een controle had uitgevoerd bij deze ondernemingen en bij verbonden handelaars, heeft de Commissie deze ondernemingen bij brieven van 30 oktober 2015 in kennis gesteld van haar voornemen om artikel 18 van de basisverordening toe te passen omdat de ondernemingen in die antwoorden niet binnen de gestelde termijnen de vereiste informatie hadden verstrekt en het goede verloop van het onderzoek hadden belemmerd door bij het begin van het controlebezoek niet de gevraagde documenten te verstrekken.

11

Bij afzonderlijke brieven van 13 november 2015 hebben Severstal en NLMK zich tegen de toepassing van dit artikel verzet en te kennen gegeven dat zij bereid waren hun medewerking te blijven verlenen.

12

Op 29 juli 2016 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld. Artikel 1 daarvan bepaalde dat een definitief antidumpingrecht werd ingesteld op gewalste platte producten van ijzer of van niet-gelegeerd staal of ander gelegeerd staal, met uitzondering van roestvrij staal, van alle breedten, koud gewalst, niet geplateerd noch bekleed, enkel koud gewalst ingedeeld onder bepaalde GN-codes (hierna: „betrokken product”), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Russische Federatie, en dat dit recht 34 % bedroeg voor de invoer van Severstal en 36,1 % voor de invoer van NLMK.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arresten

13

Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 oktober 2016, hebben Severstal en NLMK verzocht om nietigverklaring van de litigieuze verordening.

14

Bij twee beschikkingen van 31 mei 2017 heeft de president van de Tweede kamer Eurofer toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie in elk van de door Severstal en NLMK ingeleide procedures.

15

Tot staving van hun beroepen hebben Severstal en NLMK respectievelijk zes en vijf middelen aangevoerd. Alleen de beoordelingen door het Gerecht van het eerste en het zesde middel van Severstal in de zaak die heeft geleid tot het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) alsmede van het tweede en het vijfde middel van NLMK in de zaak die heeft geleid tot het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) zijn relevant voor de onderhavige hogere voorzieningen.

16

Met dat eerste en dat tweede middel betogen Severstal respectievelijk NLMK kort gesteld dat de Commissie artikel 18 van de basisverordening, artikel 6.8 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103), bijlage II bij deze overeenkomst en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, en dat deze instelling een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat zij geen volledige medewerking hadden verleend en dat er daarom rekening moest worden gehouden met de beschikbare gegevens. Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht deze middelen afgewezen en in wezen bevestigd dat zowel Severstal als NLMK niet alle betrouwbare en voor het onderzoek van de Commissie noodzakelijke informatie had verstrekt, zodat de Commissie artikel 18 van de basisverordening kon toepassen zonder een fout te begaan.

17

Met het zesde en het vijfde middel, vermeld in punt 15 van dit arrest, verwijten Severstal respectievelijk NLMK de Commissie in essentie artikel 2, lid 9, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening te hebben geschonden en kennelijke beoordelingsfouten te hebben gemaakt bij het bepalen van het schade-opheffende prijsniveau. Zij betogen met name dat de Commissie een onredelijke en buitensporige winstmarge voor de bedrijfstak van de Unie heeft vastgelegd en dat zij ten onrechte artikel 2, lid 9, van de basisverordening naar analogie heeft toegepast om de schademarge te berekenen. Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht deze middelen afgewezen op grond dat de Commissie geen fout had begaan bij het bepalen van het schade-opheffende prijsniveau.

Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

18

Met haar hogere voorziening in zaak C‑747/21 P verzoekt Severstal het Hof:

het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) te vernietigen;

de zaak definitief af te doen indien deze in staat van wijzen is;

subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beslissing, en

de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de procedure bij het Hof als die bij het Gerecht.

19

Met haar hogere voorziening in zaak C‑748/21 P verzoekt NLMK het Hof:

het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) te vernietigen;

de zaak definitief af te doen indien deze in staat van wijzen is;

subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe beslissing, en

de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de procedure bij het Hof als die bij het Gerecht.

20

De Commissie verzoekt het Hof deze twee hogere voorzieningen af te wijzen en Severstal en NLMK te verwijzen in de kosten.

21

Op 21 september 2022 heeft de president van het Hof partijen verzocht een standpunt in te nemen over de eventuele voeging van de zaken C‑747/21 P en C‑748/21 P voor het verdere verloop van de procedure en het arrest.

22

Bij brieven van 22 september 2022 heeft de Commissie het Hof meegedeeld dat zij geen bezwaar had tegen de voeging van deze zaken. Bij brief van 28 september 2022 heeft Severstal het Hof meegedeeld dat zij instemt met deze voeging. Bij brief van dezelfde datum heeft NLMK zich tegen die voeging voor het verdere verloop van de procedure verzet zonder daarvoor redenen te geven.

23

Bij besluit van het Hof van 18 oktober 2022 zijn de zaken C‑747/21 P en C‑748/21 P op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof gevoegd voor het verdere verloop van de procedure en voor het arrest.

24

Bij brief van 24 oktober 2022 zijn partijen bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht om bepaalde vragen van het Hof te beantwoorden. De Commissie heeft op 24 november 2022 op deze vragen geantwoord. Severstal en NLMK hebben geantwoord op 1 december 2022.

Hogere voorzieningen

25

Ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen voeren Severstal en NLMK drie middelen aan. Daarmee betogen zij kort samengevat dat het Gerecht, ten eerste, op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 18, lid 1, van de basisverordening, de bewijzen onjuist heeft opgevat en materieel onjuiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan, ten tweede, op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing en de uitlegging van artikel 9, lid 4, van deze verordening en, ten derde, op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing en de uitlegging van artikel 2, lid 9, van die verordening.

26

Aangezien deze middelen, die zowel door Severstal als door NLMK zijn aangevoerd, elkaar grotendeels overlappen, zullen zij samen worden onderzocht.

Eerste middel in beide hogere voorzieningen

Argumenten van partijen

27

In de eerste plaats betogen rekwirantes dat het Gerecht artikel 18, lid 1, van de basisverordening onjuist heeft uitgelegd door de toepassing van deze bepaling door de Commissie in de litigieuze verordening te beoordelen zonder zich eerst uit te spreken over de vraag of het betrokken product een eindproduct dan wel een halffabricaat was. De criteria voor toetsing van de toepassing van artikel 18, lid 1, van de basisverordening zijn evenwel afhankelijk van het antwoord op deze vraag. Bovendien heeft het Gerecht zijn keuze om de betrokken producten als halffabricaten aan te merken niet gemotiveerd en ten onrechte maar een beperkte toetsing van de onderzoeken van de Commissie verricht. Om deze redenen betwisten Severstal en NLMK respectievelijk de punten 32, 56, 58 en 68 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) en de punten 33, 50, 56, 79, 80 en 163 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16).

28

In de tweede plaats stellen rekwirantes dat het Gerecht in de bestreden arresten bewijzen onjuist heeft opgevat en materieel onjuiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan.

29

Severstal komt met name op tegen de punten 70, 72, 80, 81, 83, 84, 90 tot en met 94, 97 en 102 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) en voert daarbij de volgende argumenten aan:

de vaststelling in de punten 70 en 81 van dat arrest – namelijk dat de Commissie niet heeft kunnen nagaan of de totale kosten voor de aankoop van grondstoffen nauwkeurig tot uitdrukking kwamen in de boekhouding van Severstal – is materieel onjuist in het licht van de inhoud van bijlage F‑14b bij haar antwoord op de antidumpingvragenlijst en van controledocument nr. 11;

de vaststelling in punt 72 van dat arrest – namelijk dat Severstal haar productiekosten niet in bijlage F‑14 A bij dit antwoord had opgegeven overeenkomstig de indeling van de kosten in de verschillende productcontrolenummers (hierna: „PCN”) zoals vastgesteld door de Commissie – is materieel onjuist, aangezien in dat punt staat dat Severstal tijdens het controlebezoek ter plaatse een vergelijking van haar eigen indeling met de PCN-structuur zoals gevraagd door de Commissie, had overgelegd;

de vaststelling in de punten 80 en 89 van dat arrest – namelijk dat Severstal niet had aangetoond niet in het bezit te zijn van de nodige gegevens – is onjuist, aangezien zij heeft aangetoond dat de kosten van grondstoffen door haar interne geautomatiseerde boekhoudsysteem SAP ERP (hierna: „SAP-systeem”) niet aan het betrokken product werden „toegerekend”, maar in elk productiestadium voor elke afzonderlijke productiecode werden „samengevoegd”, en

de vaststelling in de punten 90 tot en met 93 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) – namelijk dat Severstal twee verschillende verdeelsleutels voor de kosten van de grondstoffen hanteerde – is materieel onjuist, gelet op haar antwoord op de brief van de Commissie van 10 september 2015 waarin zij werd verzocht bepaalde tekortkomingen te verhelpen, en op stuk nr. 16 dat Severstal tijdens de controle ter plaatse heeft overgelegd.

30

NLMK betwist de punten 54 tot en met 57, 68, 77 tot en met 79 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) omdat het Gerecht daarin bewijzen onjuist heeft opgevat of materieel onjuiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan met betrekking tot de stukken nrs. 23, 25, 28 en 34.

31

NLMK stelt met name dat de vaststellingen van het Gerecht in de punten 55, 68 en 123 van dat arrest de in stuk nr. 34 uiteengezette feiten verkeerd opvatten. Anders dan uit die punten blijkt, heeft dit stuk namelijk dezelfde inhoud als stuk nr. 23, dat tijdens het bezoek ter plaatse is verstrekt en geverifieerd en waarin de hoeveelheden en de totale kosten van de overgedragen niet-afgewerkte producten zijn vermeld. In dit verband kon dus niet worden aangenomen dat dit stuk nr. 34 nieuwe informatie bevatte of dat het te laat was ingediend. Bovendien heeft de Commissie dit stuk nr. 34 volgens NLMK enkel gehanteerd om de totale hoeveelheden en bedragen te bepalen en niet voor het gebruik waarvoor het was opgevraagd, namelijk het uitsplitsen van de informatie naar codes. Een dergelijk gebruik heeft de Commissie ertoe gebracht de vergelijking van de berekeningen onjuist te beoordelen en heeft haar tot de absurde conclusie gebracht dat de verkoop van NLMK hoger lag dan haar productie.

32

NLMK betwist ook de punten 81 en 116 van dat arrest omdat zij – anders dan het Gerecht in die punten heeft geoordeeld – toereikende, volledige en verifieerbare informatie heeft verstrekt. Volgens NLMK bleek uit onderzoek van de in de stukken nrs. 23 en 34 verstrekte informatie dat de door haar verrichte vergelijkingen werden ondersteund door bewijzen afkomstig uit het tijdens bezoeken ter plaatse geverifieerde SAP-systeem, dat de verklaringen logisch en niet tegenstrijdig waren en dat zij de complexe boekhoudkundige structuur van een geïntegreerde staalfabriek weerspiegelden. De Commissie heeft niet ingezien dat een extra aftrek van de (reeds eerder afgetrokken) kosten zonder hoeveelheden noodzakelijk was om de productiekosten van herbruikbaar afval, dat wil zeggen het schroot, aan te passen aan de marktwaarde waartegen dat schroot in de productie wordt gebracht. Dit misverstand heeft volgens NLMK geleid tot de onjuiste conclusie dat zij ten eerste meer verkocht dan zij produceerde en ten tweede dat alle gegevens onbetrouwbaar waren.

33

De Commissie is van mening dat de respectieve eerste middelen niet-ontvankelijk zijn voor zover daarmee wordt getracht het Hof de feiten opnieuw te laten onderzoeken, en ongegrond zijn voor het overige.

Beoordeling door het Hof

34

In de eerste plaats moeten – voor zover rekwirantes het Gerecht verwijten dat het artikel 18, lid 1, van de basisverordening onjuist heeft uitgelegd door de indeling van het betrokken product als eindproduct of halffabricaat niet te onderzoeken of te motiveren alvorens de toepassing van deze bepaling door de Commissie in de litigieuze verordening te beoordelen, terwijl de criteria voor de verificatie van de in artikel 18, lid 1, van de basisverordening bedoelde noodzakelijke gegevens verschillen naargelang van die indeling – de bezwaren van de Commissie inzake de ontvankelijkheid van deze grief worden afgewezen. Anders dan de Commissie stelt, werpt deze grief immers een rechtsvraag en geen feitelijke vraag op, aangezien zij betrekking heeft op de criteria voor de toepassing van artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

35

Wat de gegrondheid van deze grief betreft, zij eraan herinnerd dat deze bepaling de Commissie de mogelijkheid biedt om haar bevindingen inzake dumping en schade te baseren op de beschikbare gegevens wanneer een belanghebbende geen medewerking verleent aan het antidumpingonderzoek door de toegang tot de nodige informatie te weigeren of deze niet binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen te verstrekken of door dat onderzoek aanmerkelijk te belemmeren.

36

Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het in die bepaling bedoelde begrip „nodige gegevens” overeenkomt met de inlichtingen waarover de belanghebbende partijen beschikken en die de Commissie in staat stellen haar antidumpingonderzoeken uit te voeren door voorlopige of definitieve conclusies te trekken, zowel in positieve als in negatieve zin [zie in die zin arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punten 4749 en 57].

37

Voorts heeft het Hof verduidelijkt dat bij de beoordeling of een bepaald gegeven onder „nodige gegevens” in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening valt, de specifieke omstandigheden van elk onderzoek in aanmerking moeten worden genomen en dat dit niet in abstracto mag worden beoordeeld [arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punt 49].

38

Hieruit volgt dat deze beoordeling per geval moet plaatsvinden, gelet op het feit dat dergelijke informatie de Commissie in staat moet stellen haar antidumpingonderzoeken uit te voeren.

39

Het relevante criterium om te beoordelen of informatie in het bezit van een belanghebbende nodig is in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening, is dus hetzelfde, ongeacht de specifieke omstandigheden van elk onderzoek. In alle gevallen moet immers worden nagegaan of deze informatie de Commissie in staat stelt in het kader van het betrokken antidumpingonderzoek de passende vaststellingen te doen. Dat het betrokken product afgewerkt of half afgewerkt is, kan dus geen invloed hebben op het beoordelingscriterium voor de toepassing van deze bepaling.

40

Voor zover rekwirantes aanvoeren dat het Gerecht op meerdere punten zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, moet eraan worden herinnerd dat de redenering van het Gerecht volgens vaste rechtspraak duidelijk en ondubbelzinnig uit de motivering van een arrest moet blijken, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (arrest van 13 december 2018, Europese Unie/Kendrion, C‑150/17 P, EU:C:2018:1014, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Anders dan rekwirantes stellen, blijkt uit de punten 46 tot en met 102 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) en de punten 38 tot en met 91 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) dat het Gerecht afdoende heeft gemotiveerd waarom het van oordeel was dat moest worden goedgekeurd dat de Commissie artikel 18, lid 1, van de basisverordening op Severstal en NLMK toepaste in de procedure die tot de vaststelling van de litigieuze verordening heeft geleid. Dankzij deze motivering kunnen rekwirantes kennisnemen van de grond van de beslissing van het Gerecht en kan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefenen.

42

Bijgevolg moet de grief van rekwirantes dat het Gerecht artikel 18, lid 1, van de basisverordening onjuist heeft uitgelegd omdat het de indeling van het betrokken product als halffabricaat niet heeft onderzocht of gemotiveerd alvorens de toepassing van deze bepaling door de Commissie op rekwirantes in de litigieuze verordening te beoordelen, ongegrond worden geacht.

43

In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat Severstal – voor zover deze onderneming zich beroept op de rechterlijke toetsing van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie en betoogt dat het Gerecht in casu artikel 18, lid 1, van de basisverordening onjuist heeft uitgelegd en toegepast, door de omvang van zijn toetsing van het onderzoek van de Commissie te zeer te beperken – niet genoegzaam uiteenzet in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Bijgevolg moet deze grief niet-ontvankelijk worden verklaard.

44

In de derde plaats zij eraan herinnerd dat, voor zover rekwirantes het Gerecht verwijten dat het bepaalde bewijzen onjuist heeft opgevat en feitelijke vaststellingen heeft gedaan die materieel onjuist zijn, de hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen.

45

In hogere voorziening is het Hof dus niet bevoegd om de feiten vast te en in beginsel de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van die feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer die bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en regels van procesrecht inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het namelijk enkel aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde moet worden gehecht aan de hem voorgelegde bewijzen (arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Deze bevoegdheid komt uitsluitend toe aan het Gerecht behalve bij materieel onjuiste feitelijke vaststellingen en bij een onjuiste opvatting van het aan hem overgelegde bewijsmateriaal. In het kader van een hogere voorziening strekt de toetsingsbevoegdheid van het Hof zich, wat de vaststelling van de feiten betreft, immers uit tot de feitelijke onjuistheid van deze vaststellingen zoals die blijkt uit de processtukken en, wat de beoordeling van de feiten betreft, tot de onjuiste opvatting van die bewijzen door het Gerecht (zie in die zin arresten van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, EU:C:2004:2, punt 47, en 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47

Tevens dient eraan te worden herinnerd dat wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, hij op grond van artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof precies moet aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat en welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 10 november 2022, Commissie/Valencia Club de Fútbol, C‑211/20 P, EU:C:2022:862, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hetzelfde geldt wanneer de rekwirant stelt dat de feitelijke vaststellingen materieel onjuist zijn.

48

In zaak C‑747/21 P stelt Severstal ten eerste dat het Gerecht in de punten 70 en 81 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) een materieel onjuiste feitelijke vaststelling heeft gedaan door erop te wijzen dat de Commissie niet had kunnen nagaan of de totale kosten voor de aankoop van grondstoffen nauwkeurig in haar boekhouding waren weergegeven en of zij daadwerkelijk waren opgenomen in de productiekosten van het betrokken product, aangezien bijlage F‑14b („Kostenoverzicht”) bij haar antwoord op de antidumpingvragenlijst en verificatiedocument nr. 11, dat in de lijst van stukken van de Commissie werd aangeduid als „Vergelijking van de normale kosten in het SAP-systeem”, de volledige kosten van deze grondstoffen weergaven.

49

In dit verband moet worden opgemerkt dat uit de punten 70 en 81 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) blijkt dat de beoordeling van het Gerecht berust op het feit dat vaststaat dat de gedeclareerde kosten alleen de kosten in verband met de „verkoop” van het betrokken product omvatten, en niet ook die van de captive products. Uit bijlage F‑14b blijkt niet duidelijk dat de kosten van de captive products inbegrepen waren en dus konden worden geverifieerd. Wat betreft verificatiedocument nr. 11, dat in de lijst van stukken van de Commissie beweerdelijk werd aangeduid als „Vergelijking van de normale kosten in het SAP-systeem”, legt Severstal dit document niet over en geeft zij ook geen enkele toelichting op deze lijst. Bovendien komt dit stuk niet voor in de omschrijvingen van de bijlagen bij de memories die partijen hebben ingediend in zaak T‑753/16. Severstal toont dus niet aan dat het duidelijk was dat de in dat stuk vermelde kosten de kosten van de captive products omvatten.

50

Ten tweede moet met betrekking tot Severstals betoog dat de vaststelling van het Gerecht in punt 72 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) dat zij haar productiekosten niet in bijlage F‑14 A bij het antwoord op de antidumpingvragenlijst had gedeclareerd overeenkomstig de indeling van de kosten in de verschillende PCN zoals vastgesteld door de Commissie, materieel onjuist is omdat in dat punt wordt verklaard dat Severstal tijdens het controlebezoek ter plaatse een vergelijking van haar eigen indeling met de PCN-structuur zoals gevraagd door de Commissie, had overgelegd, worden opgemerkt dat Severstal dit punt onvolledig citeert. In punt 72 staat namelijk dat de tijdens dit bezoek verstrekte informatie „evenwel enkel sloeg op de productiekosten van de ‚verkochte’ producten, en niet op de productiekosten voor de in de onderneming verwerkte producten, zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd”. Hieruit volgt dat Severstal inderdaad niet al haar productiekosten had gedeclareerd overeenkomstig de indeling van de kosten in de verschillende PCN zoals vastgesteld door de Commissie, en dat niet is aangetoond dat de vaststellingen in punt 72 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) materieel onjuist zijn.

51

Ten derde moet de kritiek van Severstal – voor zover zij deze kritiek formuleert ten aanzien van het oordeel in de punten 80 en 89 van dat arrest dat zij niet heeft aangetoond niet over de noodzakelijke gegevens te beschikken – van de hand worden gewezen, aangezien Severstal onvoldoende uiteenzet om welke materiële onjuistheden het gaat en welke bewijzen het Gerecht in dat opzicht onjuist zou hebben opgevat.

52

Ten vierde moet – voor zover Severstal de vaststellingen in de punten 90 tot en met 93 van dat arrest betwist op grond dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij twee verschillende verdeelsleutels voor de kosten van de grondstoffen had gehanteerd en dat het Gerecht op onrechtmatige wijze correcties op haar productiekosten voor het betrokken product heeft goedgekeurd – worden vastgesteld dat Severstal in feite verzoekt om een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen, zonder voldoende nauwkeurig aan te geven welke materiële onjuistheden of onjuiste opvattingen het Gerecht worden verweten en zonder aan te tonen op basis van welke analysefouten het Gerecht tot deze onjuiste opvattingen is gekomen. Een dergelijke betwisting is derhalve niet-ontvankelijk.

53

Ten vijfde en ten slotte moet, voor zover Severstal de punten 94, 97 en 102 van dat arrest betwist, worden vastgesteld dat zij niet uiteenzet waarom de in die punten gemaakte beoordelingen rechtens onjuist zijn, zodat die betwisting eveneens niet-ontvankelijk is.

54

In zaak C‑748/21 P voert NLMK aan dat het Gerecht in de punten 55, 68 en 123 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) bewijzen onjuist heeft opgevat door in wezen te oordelen dat zij geen informatie had verstrekt over de totale hoeveelheid en de totale productiekosten van het betrokken product, zowel eindproducten als halffabricaten, terwijl deze informatie terug te vinden is in de stukken nrs. 23 en 34, die tijdens de controle ter plaatse aan de Commissie zijn overgelegd.

55

In dit verband moet worden opgemerkt dat NLMK, zoals blijkt uit punt 54 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16), niet heeft betwist dat zij in haar antwoord op de antidumpingvragenlijst niet het volledige productievolume van het betrokken product heeft opgegeven. Zoals de Commissie betoogt zonder te worden tegengesproken, is zij tot een dergelijke bevinding gekomen nadat tijdens het controlebezoek ter plaatse stuk nr. 23 was overgelegd om de aftrek van kosten voor voorraadschommelingen van goederen in bewerking te controleren, dat betrekking bleek te hebben op halffabricaten waarvan het volume niet in dat antwoord was opgenomen. Naar aanleiding van deze bevinding heeft de Commissie NLMK verzocht haar de kostengegevens per productsoort voor het onderzochte halffabricaat te verstrekken. In antwoord op dit verzoek heeft NLMK aan het einde van dat bezoek stuk nr. 34 verstrekt. De inhoud van bewijsstukken nrs. 23 en 34 overlappen elkaar gedeeltelijk in die zin dat deze stukken beide gegevens bevatten over de totale hoeveelheid eindproducten en halffabricaten in kwestie en de totale productiekosten ervan. Zij verschillen echter in die zin dat stuk nr. 34 ook gegevens over de kosten en hoeveelheden per soort halffabricaat bevat.

56

Het Gerecht vat deze bewijsstukken echter niet onjuist op voor zover het oordeelt, ten eerste, in punt 68 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16), dat stuk nr. 34 te laat is overgelegd, dat dit stuk na het bezoek ter plaatse niet kon worden gecontroleerd en dat het niet louter een uitsplitsing naar productiecodes van de in stuk nr. 23 verstrekte informatie was, maar in een andere context werd gepresenteerd om de in het antwoord van NLMK op de antidumpingvragenlijst vermelde kostenaftrek voor voorraadschommelingen als gevolg van goederen in bewerking met elkaar in overeenstemming te brengen; ten tweede, in punt 55 van dat arrest, dat de informatie in stuk nr. 34 de tekortkoming van NLMK – om de totale productie en capaciteit voor het gehele betrokken product op te geven – niet verhelpt, maar de Commissie wel in staat heeft gesteld de inconsistentie van de door NLMK gerapporteerde productiegegevens vast te stellen, omdat uit die informatie naar voren kwam dat NLMK een verkochte hoeveelheid had opgegeven die over het geheel genomen groter was dan wat de productie fysiek mogelijk maakte, rekening houdend met de door haar opgegeven voorraadschommelingen, afgekeurde producten en afval, en, ten derde, in punt 123 van dat arrest, dat NLMK haar argumenten, volgens welke haar gegevens over de verkochte hoeveelheden in aanmerking moesten worden genomen, niet had kunnen staven met de reeds in dat antwoord vervatte informatie, noch met die in de ter plaatse verzamelde documenten.

57

Dergelijke vaststellingen van het Gerecht hebben namelijk betrekking op de bewijskracht van de stukken nrs. 23 en 34, gelet op de verificatie door de Commissie van de daarin vervatte gegevens nadat die waren overgelegd tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van de litigieuze verordening heeft geleid. Die vaststellingen zijn feitelijke vaststellingen die, behalve wanneer zij onjuist zijn opgevat, niet door het Hof in het kader van een hogere voorziening kunnen worden getoetst.

58

Evenzo voert NLMK ten onrechte aan dat het Gerecht in de punten 81 en 116 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) de door NLMK in het kader van de dubbele aftrek voor afval en afgekeurde producten verstrekte informatie onjuist heeft opgevat door te oordelen dat deze informatie niet betrouwbaar was. NLMK komt met haar argumenten namelijk uitsluitend op tegen de beoordeling van de feiten door het Gerecht, zonder aan te tonen dat er sprake is van een onjuiste opvatting van de feiten of van materieel onjuiste feitelijke vaststellingen.

59

Voor zover NLMK tot staving van haar grieven de stukken nrs. 25 en 28 aanvoert, moet ten slotte worden vastgesteld dat zij niet uiteenzet waarom de inhoud van deze stukken onjuist zou zijn opgevat.

60

Gelet op het voorgaande moeten de grieven van rekwirantes dat het Gerecht de bewijzen onjuist heeft opgevat en materieel onjuiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan worden afgewezen.

61

Bijgevolg moeten de respectieve eerste middelen worden afgewezen.

Tweede middel in beide hogere voorzieningen

Argumenten van partijen

62

Severstal en NLMK betogen dat het Gerecht in de punten 243 tot en met 257 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) respectievelijk de punten 209 tot en met 223 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) de toepassing door de Commissie van artikel 9, lid 4, van de basisverordening in meerdere opzichten onjuist heeft uitgelegd en getoetst en niet is ingegaan op hun argumenten. Bovendien betogen zij dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen, gelet op de argumenten die zij in dat verband hadden aangevoerd.

63

Rekwirantes verwijten het Gerecht met name dat het heeft bevestigd dat de Commissie, wegens de wereldwijde financiële crisis, 2008 als het meest recente representatieve jaar mocht nemen voor de vaststelling van de streefwinstmarge van de bedrijfstak van de Unie met het oog op de toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening, hoewel dat jaar geen deel uitmaakte van de beoordelingsperiode. In het onderhavige geval ligt dat jaar te ver in het verleden om als zodanig te worden aangemerkt en is de keuze ervan het gevolg van een onjuiste toepassing van artikel 9, lid 4, van deze verordening.

64

Voorts betogen rekwirantes dat het Gerecht het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie niet gebonden was aan de beoordelingsperiode voor de bepaling van het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de betrokken winstmarge.

65

Bovendien valt de keuze van 2008 voor het bepalen van deze winstmarge wegens de financiële crisis niet te verenigen met de beoordelingen in de punten 151 en 152 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en de punten 185 en 186 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16). In die punten heeft het Gerecht volgens rekwirantes namelijk geweigerd om in te gaan op hun argumenten betreffende het in aanmerking nemen van deze crisis bij de beoordeling van de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie met het oog op de beoordeling van de aan de bedrijfstak van de Unie toegebrachte schade. Aldus heeft het Gerecht op willekeurige wijze de benadering van de Commissie bevestigd volgens welke die crisis in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de streefwinstmarge van de bedrijfstak van de Unie voor de toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening, maar niet bij de beoordeling van die schade. Naar de opvatting van rekwirantes stemt deze winstmarge echter niet overeen met de winstmarge die wenselijk is om het voortbestaan van de bedrijfstak van de Unie en/of een passend rendement op kapitaal na een externe gebeurtenis, zoals een wereldwijde financiële crisis, te verzekeren.

66

Primair voeren rekwirantes aan dat de financiële crisis een factor kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van die schade, zodat de invoer uit de betrokken landen niet de enige relevante factor kan zijn die de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade heeft veroorzaakt. Door niet op deze argumenten te antwoorden, heeft het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout gemaakt en is het zijn motiveringsplicht niet nagekomen.

67

Subsidiair stellen zij dat indien de financiële crisis geen relevante factor is waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen die schade en die invoer, het Gerecht had moeten vaststellen dat de Commissie het jaar 2008 niet als referentiejaar voor de berekening van de winstmarge van de bedrijfstak van de Unie kon kiezen.

68

Volgens de Commissie zijn de respectieve tweede middelen niet ter zake dienend voor zover zij betrekking hebben op de punten 151 en 152 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en op de punten 185 en 186 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16), en ongegrond voor het overige.

Beoordeling door het Hof

69

Met hun respectieve tweede middelen betogen rekwirantes kort samengevat dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging en de toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening en voorts het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door 2008 als het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de streefwinstmarge van de bedrijfstak van de Unie in aanmerking te nemen, in plaats van een van de jaren waarop de beoordelingsperiode betrekking heeft.

70

In de eerste plaats is het vaste rechtspraak dat het Hof, in het kader van de hogere voorziening, in beginsel alleen bevoegd is om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de feitenrechter zijn behandeld (arrest van 12 september 2017,Anagnostakis/Commissie, C‑589/15 P, EU:C:2017:663, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het argument van rekwirantes dat het vertrouwensbeginsel is geschonden door de keuze van 2008 als het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de streefwinstmarge van de bedrijfstak van de Unie, is echter voor het eerst aangevoerd in de hogere voorziening. Dit argument is dan ook niet-ontvankelijk.

71

In de tweede plaats moeten de argumenten van rekwirantes inzake de weigering van het Gerecht om bij de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en het oorzakelijk verband tussen die schade en de betrokken invoer rekening te houden met de gevolgen van de financiële crisis, zoals uiteengezet in de punten 151 en 152 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en de punten 185 en 186 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16), als niet ter zake doend worden afgewezen. Het Gerecht heeft deze schade en dit oorzakelijk verband immers beoordeeld bij het onderzoek van het derde en het vierde middel van NLMK in het kader van de zaak die tot het arrest NLMK/Commissie T‑752/16 heeft geleid, en van het vierde en het vijfde middel van Severstal in het kader van de zaak die tot het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) heeft geleid. Het onderzoek van deze middelen door het Gerecht is evenwel niet aan de orde in de onderhavige hogere voorzieningen. Bijgevolg kunnen de argumenten die rekwirantes inbrengen tegen deze punten van de bestreden arresten, ongeacht de gegrondheid ervan, in geen geval leiden tot de vernietiging van deze arresten. Om dezelfde redenen moeten ook de grieven van rekwirantes dat het Gerecht de afwijzing van hun argumenten over de gevolgen van de financiële crisis voor de beoordeling van die schade en dat oorzakelijk verband niet heeft gemotiveerd, als niet ter zake dienend worden afgewezen.

72

Wat in de derde plaats de bewering van rekwirantes betreft dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging en toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening, zij eraan herinnerd dat de laatste zin van deze bepaling de „regel van het laagste recht” formuleert, volgens welke het antidumpingrecht lager moet zijn dan de vastgestelde dumpingmarge indien dit lagere recht toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie.

73

Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft deze regel tot doel te voorkomen dat het ingestelde antidumpingrecht hoger is dan nodig om de schade die deze bedrijfstak door de invoer met dumping lijdt, weg te nemen. Een dergelijke regel is gerechtvaardigd in het licht van de aard en het doel van de antidumpingrechten, die geen sancties of compenserende maatregelen tot herstel van de geleden schade zijn, maar beschermende maatregelen om zich te weren tegen de oneerlijke mededinging die het gevolg is van invoer met dumping (zie in die zin arrest van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punt 91). Deze rechten hebben enkel tot doel de invoer met dumping te verhinderen of economisch oninteressant te maken en aldus een einde te maken aan de verstoring van het evenwicht op de binnenlandse markt als gevolg van deze dumping.

74

Uit overweging 175 en artikel 1 van de litigieuze verordening volgt dat de Commissie deze regel heeft toegepast om het definitieve antidumpingrecht vast te stellen op 34 % voor de invoer van het betrokken product door Severstal en op 36,1 % voor de invoer van het betrokken product door NLMK. Voor de berekening van deze percentages heeft de Commissie gebruikgemaakt van de zogenoemde „prijsbederfmethode”. Volgens deze methode wordt de schademarge berekend door de prijs van de invoer met dumping te vergelijken met een streefverkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie. Laatstgenoemde prijs komt overeen met de prijs die de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs op de EU-markt zou kunnen aanrekenen als er geen invoer met dumping zou plaatsvinden. Om die hypothetische prijs vast te stellen wordt een „streefwinst” toegevoegd aan de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. Deze streefwinst komt overeen met de winstmarge die onder normale marktvoorwaarden redelijkerwijs mag worden verwacht.

75

Op grond van die methode heeft de Commissie rekening gehouden met de winstmarge van de bedrijfstak van de Unie in 2008. Volgens de Commissie was dat jaar in casu het meest recente representatieve jaar voor het vaststellen van de streefwinst van de bedrijfstak van de Unie, aangezien uit haar onderzoek ten eerste bleek dat er gedurende de gehele beoordelingsperiode sprake was van aanzienlijke hoeveelheden laaggeprijsde invoer die een negatief effect had op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, en ten tweede dat de jaren 2009 en 2010 gezien de financiële crisis niet konden worden geacht normale concurrentievoorwaarden weer te geven (zie in die zin punten 154‑157 van de litigieuze verordening). In de punten 217 tot en met 223 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en de punten 251 tot en met 257 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) heeft het Gerecht een dergelijke benadering van de Commissie goedgekeurd.

76

Gelet op de argumenten van rekwirantes moet om te beginnen worden opgemerkt dat de Commissie – nu de basisverordening niet voorziet in een methode voor de berekening van de schademarge als bedoeld in de regel van het laagste recht – een ruime beoordelingsmarge heeft bij de keuze van een dergelijke berekeningsmethode. De Commissie blijft echter gehouden om deze beoordelingsmarge uit te oefenen met inachtneming van de waarborgen die de rechtsorde van de Unie biedt in administratieve procedures en om ervoor te zorgen dat haar keuze tot aannemelijke resultaten leidt.

77

Door in casu te opteren voor een methode op basis van richtprijzen heeft de Commissie die beoordelingsmarge niet overschreden. Zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt in punt 214 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en in punt 248 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16), maakt het gebruik van een richtprijs in plaats van de werkelijke verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie voor de vaststelling van de schademarge het namelijk mogelijk rekening te houden met de neerwaartse druk die door de invoer met dumping op de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie wordt uitgeoefend. Het in aanmerking nemen van die druk draagt bij tot de aannemelijkheid van de resultaten die door het gebruik van deze methode worden verkregen.

78

Voor zover rekwirantes vervolgens aanvoeren dat het Gerecht artikel 9, lid 4, van de basisverordening onjuist heeft uitgelegd door een jaar buiten de beoordelingsperiode te kiezen als het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de streefwinst van de bedrijfstak van de Unie, zij erop gewezen dat de Commissie – nu de basisverordening niet voorziet in een methode voor de vaststelling van de streefwinstmarge – ook over een beoordelingsmarge beschikt om de streefwinstmarge vast te stellen, zoals het Gerecht in punt 218 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en in punt 252 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) in wezen heeft geoordeeld.

79

Bovendien zij erop gewezen dat het doel van de vaststelling van de streefwinstmarge van de bedrijfstak van de Unie erin bestaat om zo plausibel mogelijk de winst weer te geven die deze bedrijfstak onder normale marktvoorwaarden zou hebben behaald, teneinde de in te stellen antidumpingrechten te bepalen overeenkomstig de aard en het doel van die rechten zoals uiteengezet in punt 73 van dit arrest, zonder verder te gaan dan wat nodig is om een verstoring van het evenwicht als gevolg van de invoer met dumping op de EU-markt ongedaan te maken.

80

Bijgevolg hoeven, zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, de gegevens van het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de streefwinst niet uit de beoordelingsperiode te komen indien die gegevens geen adequaat beeld zouden geven van wat nodig is om de eerlijke mededinging in de periode na het onderzoek te herstellen. Zoals het Gerecht heeft geoordeeld in het arrest van 28 oktober 1999, EFMA/Raad (T‑210/95, EU:T:1999:273, punt 60), waarnaar het terecht heeft verwezen in de punten 215 en 218 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en de punten 249 en 252 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16), moet de voor de berekening van de richtprijs te gebruiken winstmarge overeenstemmen met de winstmarge die de bedrijfstak van de Unie onder normale concurrentievoorwaarden redelijkerwijs mag verwachten, zonder invoer met dumping, aangezien de keuze van een dergelijke winstmarge ertoe bijdraagt dat de eerlijke mededinging in de periode na het onderzoek wordt hersteld door de instelling van antidumpingrechten.

81

Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de regel van het laagste recht van artikel 9, lid 4, van de basisverordening aldus uit te leggen dat de Commissie op grond van de prijsbederfmethode een jaar buiten de beoordelingsperiode in aanmerking kan nemen als het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de streefwinst van de bedrijfstak van de Unie, teneinde ervoor te zorgen dat deze winst overeenkomt met de winst die de bedrijfstak van de Unie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met dumping, redelijkerwijs mag verwachten.

82

Aangezien bovendien de feitelijke vaststellingen dat, ten eerste, er gedurende de gehele beoordelingsperiode aanzienlijke hoeveelheden tegen lage prijzen werden ingevoerd uit de betrokken landen, ten tweede, de wereldwijde economische crisis de sector vanaf 2009 hard heeft getroffen en, ten derde, de jaren 2005 tot en met 2008 werden gekenmerkt door sterke concurrentie maar niet door uitzonderlijk gunstige marktvoorwaarden, niet worden betwist, mocht het Gerecht in de punten 219 tot en met 222 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en in de punten 253 tot en met 256 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) op basis van deze beoordelingen 2008 als het meest recente representatieve jaar aanmerken zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening.

83

Voor zover rekwirantes ten slotte het Gerecht verwijten dat het de bestreden arresten ontoereikend heeft gemotiveerd wat betreft de redenen voor de afwijzing van hun grieven inzake onjuiste uitlegging of toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening, zij eraan herinnerd dat, zoals uiteengezet in punt 40 van dit arrest, de motiveringsplicht vereist dat de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig uit de motivering van een arrest blijkt, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. In de punten 217 tot en met 223 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en de punten 251 tot en met 257 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) wordt afdoende uiteengezet waarom het Gerecht de grieven van rekwirantes met betrekking tot de keuze door de Commissie van het meest recente representatieve jaar voor de vaststelling van de streefwinst met het oog op de toepassing van artikel 9, lid 4, van de basisverordening heeft afgewezen.

84

Om al deze redenen moeten de respectieve tweede middelen worden afgewezen.

Derde middel in beide hogere voorzieningen

Argumenten van partijen

85

Rekwirantes betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in te stemmen met de in de litigieuze verordening door de Commissie gevolgde benadering, volgens welke artikel 2, lid 9, van de basisverordening naar analogie kon worden toegepast om de uitvoerprijs van met de producent-exporteur verbonden wederverkopers te bepalen bij de beoordeling van de aan de bedrijfstak van de Unie toegebrachte schade. In dit verband beroept Severstal zich op de vaststellingen van het Gerecht in de punten 260 tot en met 272 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) en beroept NLMK zich op die in de punten 226 tot en met 239 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16).

86

Volgens rekwirantes is de uitvoerprijs die in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling van een prijsonderbieding door met de producent-exporteur verbonden ondernemingen, de CIF-uitvoerprijs (kosten, verzekering en vracht), zoals deze daadwerkelijk aan de grens van de Unie is gefactureerd aan de eerste onafhankelijke afnemer, zonder deze prijs naar analogie van artikel 2, lid 9, van de basisverordening te corrigeren door rekening te houden met verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten (VAA-kosten) en een redelijke winst. Deze prijs weerspiegelt immers de prijsconcurrentie tussen de betrokken invoer en het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie. Een dergelijke correctie leidt daarentegen tot de vaststelling van een kunstmatige schademarge en houdt een vergelijking in tussen de prijzen van invoer en de prijzen van de Unie die zich niet in hetzelfde handelsstadium bevinden.

87

Ter ondersteuning van hun argument beroepen rekwirantes zich op de arresten van het Gerecht van 30 november 2011, Transnational Company Kazchrome en ENRC Marketing/Raad en Commissie (T‑107/08, EU:T:2011:704), 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie (T‑301/16, EU:T:2019:234), en 2 april 2020, Hansol Paper/Commissie (T‑383/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:139), alsook op de conclusie van advocaat-generaal Pikamäe in de zaak Commissie/Hansol Paper (C‑260/20 P, EU:C:2022:13).

88

Verder betogen rekwirantes dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door geen rekening te houden met het arrest van 2 april 2020, Hansol Paper/Commissie (T‑383/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:139), waarop zij zich in de loop van de procedure bij het Gerecht hadden beroepen.

89

Volgens de Commissie moeten de respectieve derde middelen ongegrond worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

90

In de eerste plaats zij erop gewezen dat het Hof – voor zover rekwirantes aanvoeren dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door goed te keuren dat de Commissie artikel 2, lid 9, van de basisverordening naar analogie toepast voor de vaststelling van de uitvoerprijs van met de producent-exporteur verbonden wederverkopers bij de beoordeling van de aan de bedrijfstak van de Unie toegebrachte schade – in zijn arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper (C‑260/20 P, EU:C:2022:370) heeft geoordeeld dat een dergelijke analoge toepassing geen onjuiste rechtsopvatting oplevert.

91

Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het onderzoek naar het bestaan van onderbieding een economisch complex vraagstuk is waarvoor de basisverordening geen specifieke methode voorschrijft, en dat de Commissie voor dat onderzoek over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, zodat voor het onderzoek van onderbieding naar analogie gebruik kan worden gemaakt van de methode voor prijsberekening zoals bedoeld in artikel 2, lid 9, van de basisverordening, mits die methode past in het door de basisverordening bepaalde rechtskader en niet leidt tot een kennelijk onjuist resultaat (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 99).

92

Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 233 en 234 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en in de punten 266 en 267 van arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) te oordelen dat de Commissie in het kader van die ruime beoordelingsbevoegdheid mocht vaststellen dat voor de berekening van de prijsbederfmarge een uitvoerprijs moest worden bepaald door artikel 2, lid 9, van de basisverordening naar analogie toe te passen wanneer de verkoop via verbonden importeurs plaatsvond, aangezien de Commissie terecht heeft opgemerkt dat deze bepaling de enige van deze verordening was die richtsnoeren gaf voor de berekening van een betrouwbare uitvoerprijs wanneer de uitvoer via verbonden importeurs plaatsvond, en voorts dat deze bepaling het beginsel van de onbetrouwbaarheid van verrekenprijzen weerspiegelde, dat waarschijnlijk zowel bij de vaststelling van de schademarge als bij de berekening van de dumpingmarge zal worden toegepast.

93

Ook heeft het Hof gepreciseerd dat uit artikel 1, lid 1, van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, ervan, volgt dat de schade moet worden beoordeeld bij het „in de Unie in het vrije verkeer brengen” van het gedumpte product, zodat de onderbieding in beginsel moet worden berekend op het niveau van de invoer met dumping. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het de Commissie vrijstaat om, teneinde een objectieve prijsvergelijking te waarborgen op het moment dat de producten voor het eerst in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht, deze CIF-prijs „grens Unie” te berekenen door de VAA-kosten en een winstmarge af te trekken van de prijs waarvoor dat product wordt doorverkocht aan onafhankelijke afnemers (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper, C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punten 102 en 105).

94

Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 236 en 237 van het arrest NLMK/Commissie (T‑752/16) en in de punten 269 en 270 van het arrest Severstal/Commissie (T‑753/16) ten eerste te oordelen dat het gerechtvaardigd is om in casu de beoordeling of een lager recht toereikend is om de door de invoer veroorzaakte schade weg te nemen, te baseren op de uitvoerprijs „franco grens Unie” – die wordt geacht vergelijkbaar te zijn met de prijs „af fabriek” in de Unie, te weten de richtverkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie aan de eerste onafhankelijke afnemer, verminderd met de verschillende kosten die sinds het verlaten van de fabriek zijn gemaakt, zoals vervoers- of verzekeringskosten, om te komen tot het niveau van de prijs van het betrokken product bij het verlaten van de fabriek – en ten tweede dat het gebruik in dit geval van het handelsstadium „grens Unie” en niet dat van de wederverkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer als referentiepunt voor de berekening van de schademarge kan worden gerechtvaardigd zowel op grond van artikel 1, lid 1, van de basisverordening als op grond van artikel 3, lid 3, van die verordening.

95

Aan de overwegingen hierboven wordt niet afgedaan door het antwoord van rekwirantes op een door het Hof in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang gestelde vraag over de consequenties die uit het arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper (C‑260/20 P, EU:C:2022:370), moest worden getrokken voor de beoordeling van hun respectieve derde middelen.

96

In dat antwoord stellen verzoeksters namelijk in essentie dat de feiten die ten grondslag liggen aan de gedingen in de onderhavige gevoegde zaken, verschillen van de feiten die ten grondslag liggen van het geding in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, hetgeen zou rechtvaardigen dat de in dat arrest gekozen oplossing in casu niet wordt toegepast. Met name heeft de Commissie ten onrechte geoordeeld dat de met rekwirantes verbonden handelaren optraden als importeurs, zodat het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de toepassing naar analogie van artikel 2, lid 9, van de basisverordening in casu toe te staan. Een dergelijk argument trekt echter de beoordeling van de feiten door het Gerecht in twijfel. Zoals blijkt uit de punten 44 tot en met 46 van het onderhavige arrest, kan het Hof die beoordeling niet toetsen in het kader van een hogere voorziening, tenzij de bewijzen onjuist zijn opgevat. Aangezien er geen onjuiste opvatting is aangevoerd, moet dit argument niet-ontvankelijk worden verklaard.

97

In de tweede plaats moet, voor zover rekwirantes stellen dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door geen rekening te houden met de beoordelingen in zijn arrest van 2 april 2020, Hansol Paper/Commissie (T‑383/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:139), in herinnering worden gebracht dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat de op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren niet aldus kan worden uitgelegd dat het elk argument van de rekwirant gedetailleerd moet beantwoorden (arrest van 15 april 2010, Gualtieri/Commissie, C‑485/08 P, EU:C:2010:188, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aan een dergelijke beoordeling wordt voorts niet afgedaan door de omstandigheid dat het Gerecht zelf partijen heeft ondervraagd over de eventuele invloed van het arrest van 2 april 2020, Hansol Paper/Commissie (T‑383/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:139). Bijgevolg moet ook de grief van rekwirantes inzake ontoereikende motivering worden afgewezen.

98

Gelet op een en ander moeten ook de respectieve derde middelen, en dus de hogere voorzieningen in hun geheel, worden afgewezen.

Kosten

99

Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

100

Aangezien rekwirantes in casu in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van hun respectieve hogere voorziening.

 

Het Hof (Zevende kamer) verklaart:

 

1)

De hogere voorzieningen worden afgewezen.

 

2)

PAO Severstal wordt verwezen in de kosten in zaak C‑747/21 P.

 

3)

Novolipetsk Steel PJSC (NLMK) wordt verwezen in de kosten in zaak C‑748/21 P.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.