ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
22 november 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Artikelen 4, 7 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Verbod van onmenselijke of vernederende behandeling – Eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven – Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering – Verblijfsrecht op medische gronden – Gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven – Richtlijn 2008/115/EG – Derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt – Medische behandeling met het oog op pijnbestrijding – Behandeling niet beschikbaar in het land van herkomst – Voorwaarden waaronder de verwijdering moet worden uitgesteld”
In zaak C‑69/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Den Haag (Nederland) bij beslissing van 4 februari 2021, ingekomen bij het Hof op 4 februari 2021, in de procedure
X
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos (rapporteur), E. Regan, M. Safjan, P. G. Xuereb, D. Gratsias en M. L. Arastey Sahún, kamerpresidenten, S. Rodin, F. Biltgen, I. Ziemele, J. Passer, M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 maart 2022,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
X, vertegenwoordigd door J. W. F. Noot, advocaat, |
|
– |
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. J. O. Van Nuffel, C. Cattabriga en A. Katsimerou als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 2022,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, 4, en 7 en artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) alsmede van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen X en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nederland) (hierna: „Staatssecretaris”) over de rechtmatigheid van een door de Staatssecretaris tegen X ingeleide terugkeerprocedure. |
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
|
3 |
Artikel 33 van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals gewijzigd bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te New York op 31 januari 1967, met als opschrift „Verbod tot uitzetting of terugleiding (‚refoulement’)”, bepaalt in lid 1: „Geen der verdragsluitende staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.” |
Unierecht
|
4 |
In de overwegingen 2 en 4 van richtlijn 2008/115 staat te lezen:
[...]
|
|
5 |
Artikel 2, lid 2, van deze richtlijn luidt: „De lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen:
|
|
6 |
Artikel 3 van die richtlijn bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: [...]
[...]” |
|
7 |
Artikel 4, lid 3, van voornoemde richtlijn luidt: „Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen aannemen of handhaven die gunstiger zijn voor de personen op wie de richtlijn van toepassing is, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met de richtlijn.” |
|
8 |
Artikel 5 van richtlijn 2008/115 bepaalt: „Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.” |
|
9 |
Artikel 6, leden 1 en 4, van deze richtlijn luidt als volgt: „1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. [...] 4. De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.” |
|
10 |
Artikel 8 van die richtlijn, „Verwijdering”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 4, is toegekend of indien de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane termijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.” |
|
11 |
Artikel 9 van voornoemde richtlijn is als volgt verwoord: „1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:
2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name rekening gehouden met:
[...]” |
Nederlands recht
|
12 |
Artikel 64 van de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) (Stb. 2000, 495), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Vw”), bepaalt: „Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.” |
|
13 |
De Vreemdelingencirculaire 2000, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Vreemdelingencirculaire”), luidt: „[...] 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen 7.1. Algemeen De IND [(Immigratie‑ en Naturalisatiedienst, Nederland)] kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als:
7.1.1. Vreemdeling is niet in staat om te reizen De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw als BMA [(Bureau Medische Advisering, Nederland)] aangeeft dat [het] voor de vreemdeling of één van zijn gezinsleden vanwege de gezondheidssituatie medisch gezien niet verantwoord is om te reizen. [...] 7.1.3. Reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM:
Medische noodsituatie Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. [...]” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
14 |
X is Russisch staatsburger, geboren in 1988, en heeft op zestienjarige leeftijd een zeldzame vorm van bloedkanker ontwikkeld waarvoor hij momenteel in Nederland wordt behandeld. Zijn medische behandeling bestaat met name uit aderlatingen en het toedienen van medicinale cannabis met het oog op pijnbestrijding. Deze medische behandeling op basis van medicinale cannabis is in Rusland niet toegestaan. |
|
15 |
Op 31 oktober 2013 heeft X voor het eerst een asielaanvraag ingediend in Nederland. De Staatssecretaris heeft echter besloten dat het Koninkrijk Zweden de voor het onderzoek van deze aanvraag verantwoordelijke lidstaat was. |
|
16 |
Op 13 december 2013 heeft X op basis van artikel 64 Vw verzocht om uitstel van vertrek vanwege zijn gezondheidstoestand. De Staatssecretaris heeft dit verzoek bij besluit van 24 december 2013 afgewezen. |
|
17 |
Op 19 mei 2016 heeft X opnieuw een asielaanvraag ingediend in Nederland omdat de termijn waarbinnen hij aan Zweden kon worden overgedragen inmiddels was verstreken. Ter ondersteuning van deze nieuwe aanvraag heeft X aangevoerd dat de medische behandeling die hij in Rusland had gekregen om de met zijn ziekte gepaard gaande pijn te bestrijden bijwerkingen meebracht en dat hij had ontdekt dat het gebruik van medicinale cannabis beter was, gelet op zijn gezondheidssituatie. Omdat het gebruik van medicinale cannabis in zijn land van herkomst niet is toegestaan, teelde hij zelf cannabisplanten voor medicinaal gebruik, waardoor hij in dat land zodanige problemen ondervond dat hij internationale bescherming heeft moeten aanvragen. Samen met deze asielaanvraag heeft X ook verzocht om uitstel van verwijdering op basis van artikel 64 Vw. |
|
18 |
Na raadpleging van het BMA heeft de Staatssecretaris de asielaanvraag van X bij besluit van 29 maart 2018 afgewezen op grond dat de problemen die X stelt te hebben ondervonden in Rusland vanwege de teelt van cannabis voor zijn eigen gebruik volgens hem niet geloofwaardig waren. Voorts heeft hij besloten dat X niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op andere gronden en diens verzoek om opschorting van de uitvoering van zijn terugkeerverplichting op grond van artikel 64 Vw afgewezen. |
|
19 |
Bij vonnis van 20 december 2018 heeft de rechtbank Den Haag (Nederland) dit besluit gedeeltelijk vernietigd. Deze rechter heeft weliswaar erkend dat X geen aanspraak kan maken op de vluchtelingenstatus of op subsidiaire bescherming, maar toch de Staatssecretaris gelast opnieuw te beslissen op het door X aangevoerde argument dat hem een verblijfsvergunning moet worden verleend op grond van artikel 8 EVRM, alsook op diens verzoek op basis van artikel 64 Vw. Dit vonnis is bevestigd bij arrest van de Raad van State (Nederland) van 28 maart 2019. |
|
20 |
Op 19 februari 2020 heeft de Staatssecretaris opnieuw geweigerd om X op grond van artikel 8 EVRM een verblijfsrecht voor bepaalde tijd toe te kennen en heeft hij tevens beslist dat geen uitstel van verwijdering wordt verleend. Bovendien heeft hij een terugkeerbesluit vastgesteld waarbij X werd gelast het Nederlandse grondgebied binnen vier weken te verlaten. |
|
21 |
X is tegen dit terugkeerbesluit opgekomen bij de verwijzende rechter. Hij is van mening dat hem een verblijfsvergunning moet worden toegekend op grond van artikel 8 EVRM of dat hem op zijn minst uitstel van verwijdering moet worden verleend op grond van artikel 64 Vw. In dit verband betoogt hij dat de pijnbehandeling op basis van medicinale cannabis die hij in Nederland ontvangt voor hem dermate essentieel is dat hij bij stopzetting ervan niet langer op een menswaardige manier kan leven. Meer in het bijzonder geeft hij aan dat bij een stopzetting van die behandeling de pijn een dusdanig niveau zou bereiken dat hij niet zal kunnen slapen en eten, wat aanzienlijke gevolgen zou hebben voor niet alleen zijn fysieke, maar ook zijn psychische toestand, waardoor hij depressief en suïcidaal zou worden. |
|
22 |
Volgens de verwijzende rechter volgt uit het arrest van 18 december 2014, M’Bodj (C‑542/13, EU:C:2014:2452), dat de gezondheidstoestand van een derdelander niet kan rechtvaardigen dat hem subsidiaire bescherming wordt verleend. Voorts staat vast dat X niet langer verzoekt om de vluchtelingenstatus. |
|
23 |
Hoe dan ook merkt deze rechter in de eerste plaats op dat uitstel van verwijdering overeenkomstig de Nederlandse wetgeving kan worden verleend als de betrokken vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of als er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen. |
|
24 |
Van dat tweede geval zou sprake zijn wanneer uit het advies van het BMA ten eerste blijkt dat stopzetting van de betrokken medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een „medische noodsituatie” in de zin van punt 7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire, en ten tweede dat de passende medische behandeling in het land van bestemming niet beschikbaar is of niet toegankelijk voor de vreemdeling. |
|
25 |
Het BMA heeft in zijn op verzoek van de Staatssecretaris gegeven advies met name aangegeven dat bij het uitblijven van aderlatingen weliswaar op korte termijn een „medische noodsituatie” kon worden verwacht, maar dat een dergelijke behandeling in Rusland beschikbaar was. Het heeft echter te kennen gegeven dat het geen uitspraak kon doen over de gevolgen voor X van de stopzetting van zijn pijnbehandeling op basis van medicinale cannabis, aangezien de medicinale werkzaamheid van cannabis niet was aangetoond. Het BMA heeft tevens opgemerkt dat er geen medische aandoening in relatie tot de pijn is geduid die zou kunnen leiden tot het overlijden van X of tot enige afhankelijkheid in zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen. Het is bijgevolg tot de bevinding gekomen dat niet kon worden gesteld dat het gebruik van medicinale cannabis het op korte termijn ontstaan van een dergelijke „medische noodsituatie” kon voorkomen. Ook heeft het overwogen dat er op de markt voldoende alternatieve pijnbestrijdingsmiddelen bestaan die aan X kunnen worden toegediend. |
|
26 |
Volgens de verwijzende rechter blijkt echter uit de door X overgelegde informatie dat zijn behandelende artsen het gebruik van medicinale cannabis zagen als de enige adequate behandeling voor zijn pijn. Voorts is deze rechter van mening dat X heeft aangetoond dat behandeling met medicinale cannabis alleen wordt voorgeschreven en toegepast wanneer andere methoden voor pijnbestrijding niet alleen ineffectief, maar ook contra-indicatief zijn. |
|
27 |
De verwijzende rechter stelt verder vast dat in Rusland geen adequate pijnbehandeling beschikbaar is. Indien X geen uitstel van verwijdering wordt verleend, zal zijn pijnbehandeling worden stopgezet en zal de intensiteit van de pijn dus toenemen. Er kan evenwel niet worden vastgesteld of de toename van de pijn van X als gevolg van de stopzetting van zijn behandeling zal leiden tot een verslechtering van zijn ziekte. In het licht van de informatie waarover de verwijzende rechter beschikt, is het echter waarschijnlijk dat dit niet het geval zal zijn. Alvorens een medisch deskundigenonderzoek te laten uitvoeren over de intensivering van de pijn die X riskeert als gevolg van de stopzetting van de behandeling met medicinale cannabis, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om eerst door nadere uitlegging van het Unierecht vast te stellen op welke wijze een dergelijke factor in aanmerking moet worden genomen. |
|
28 |
In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter erop dat, volgens vaste rechtspraak van de Raad van State, gewezen op grond van het vereiste van een snelle verslechtering van de gezondheidssituatie van de betrokkene in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, Paposhvili tegen België (CE:ECHR:2016:1213JUD004173810; hierna: „arrest Paposhvili”), alleen de medische gevolgen die zich voordoen binnen een periode van drie maanden na het stopzetten van de aan de betrokkene verleende medische behandeling in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of een dergelijke stopzetting zal leiden tot een „medische noodsituatie” in de zin van punt 7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire. |
|
29 |
Volgens de verwijzende rechter heeft het EHRM in het arrest Paposhvili echter niet uitdrukkelijk een termijn vastgesteld. Bijgevolg moet worden bepaald of de gevolgen van de stopzetting van de medische behandeling van een ernstig zieke derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst uitsluitend onder de reikwijdte van artikel 4 van het Handvest kunnen vallen wanneer deze gevolgen binnen een periode van drie maanden intreden, ongeacht de medische aandoening en ongeacht de mogelijke medische gevolgen van deze stopzetting. |
|
30 |
In de derde plaats merkt de verwijzende rechter op dat de Raad van State heeft geoordeeld dat, overeenkomstig het arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a. (C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127), in het kader van artikel 64 Vw ook moet worden onderzocht of de verwijdering van een vreemdeling met een ernstige lichamelijke of geestelijke aandoening als zodanig kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Deze beoordeling mag echter alleen plaatsvinden in het kader van het onderzoek naar de omstandigheden waaronder de betrokken vreemdeling kan reizen. Hieruit volgt, ten eerste, dat het BMA nooit is gevraagd te beoordelen of het proces van verwijdering van die derdelander als zodanig medische gevolgen kan hebben die zich voordoen nadat hij naar het land van bestemming is verwijderd, en, ten tweede, dat deze gevolgen niet in aanmerking worden genomen om vast te stellen of een „medische noodsituatie” in de zin van punt 7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire aan een dergelijke verwijdering in de weg staat. |
|
31 |
Een dergelijk onderzoek kan er dus moeilijk aan in de weg staan dat de verwijdering van de betrokkene wordt uitgesteld zelfs wanneer een verslechtering van zijn geestelijke gezondheidstoestand, zoals een risico van zelfmoord als gevolg van de verwijdering zelf, kan worden verwacht. |
|
32 |
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of hij kan volstaan met een beoordeling of de medische gevolgen van de verwijdering van de betrokkene, met bepaalde aanpassingen, tijdens die verwijdering beperkt blijven. Hij merkt bovendien op dat medicinale cannabis in het geval van X niet kan worden toegediend tijdens de verwijdering zelf en dat X heeft aangegeven dat de toename van zijn pijn hem depressief en suïcidaal zou maken. |
|
33 |
In de vierde plaats is deze rechter van mening dat moet worden nagegaan of de gezondheidstoestand van een derdelander en het feit dat hij in de lidstaat waar hij onregelmatig verblijft een medische behandeling ondergaat, beschermenswaardig privéleven kan opleveren op grond van artikel 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM. |
|
34 |
Meer in het bijzonder vraagt die rechter zich af of de bevoegde autoriteiten van een lidstaat moeten onderzoeken of aan een dergelijke vreemdeling een verblijfsrecht moet worden toegekend op grond van het recht op eerbiediging van het privéleven, en of de eerbiediging van het privéleven van de betrokkene moet worden meegenomen in de beslissing op zijn verzoek om uitstel van de tegen hem genomen verwijderingsmaatregel. |
|
35 |
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank Den Haag de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
|
36 |
De Nederlandse regering betwist in de eerste plaats de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen, op grond dat zij prematuur zijn. Alvorens het Hof vragen te stellen had de verwijzende rechter het verzoek van X om toekenning van een verblijfsrecht op het Nederlandse grondgebied namelijk moeten afwijzen, aangezien richtlijn 2008/115 alleen op hem van toepassing is indien hij, als derdelander, illegaal op dat grondgebied verblijft. |
|
37 |
Het staat de nationale rechterlijke instanties evenwel vrij om het Hof vragen te stellen op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten, zelfs in een vroeg stadium van de procedure (zie in die zin arresten van 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, EU:C:2010:581, punt 26, en 14 november 2018, Memoria en Dall’Antonia, C‑342/17, EU:C:2018:906, punt 33). |
|
38 |
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de Staatssecretaris de asielaanvraag van X heeft afgewezen, zodat X in beginsel illegaal op het Nederlandse grondgebied verblijft en dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt, tenzij hij in aanmerking komt voor toekenning van een verblijfsrecht op dat grondgebied op grond van met name het Unierecht, hetgeen precies is waar de vierde prejudiciële vraag over gaat. |
|
39 |
Hieruit volgt dat het betoog van de Nederlandse regering dat de prejudiciële vragen prematuur zijn, moet worden afgewezen. |
|
40 |
In de tweede plaats is de Nederlandse regering van mening dat de tweede prejudiciële vraag niet relevant is voor de uitkomst van het hoofdgeding, aangezien zij in wezen ertoe strekt te vernemen of een lidstaat kan eisen dat de bij terugkeer te duchten verslechtering van de gezondheidstoestand van de betrokken derdelander zich binnen een bepaalde termijn na terugkeer openbaart. Een dergelijke termijn is in het kader van het hoofdgeding echter niet beslissend, aangezien de weigering om de verwijdering van X uit te stellen voornamelijk was gerechtvaardigd op grond dat er in zijn land van herkomst op korte termijn geen „medische noodsituatie” in de zin van punt 7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire te vrezen was, omdat de pijn van X niet samenhangt met de symptomen van zijn ziekte en er in dat land alternatieve behandelingen zijn. |
|
41 |
In dit verband is het volgens vaste rechtspraak van het Hof uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het hoofdgeding, de relevantie te beoordelen van de vraag die hij aan het Hof stelt. Wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Bijgevolg wordt een prejudiciële vraag die het Unierecht betreft, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een dergelijke vraag te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 7 september 2022, Cilevičs e.a., C‑391/20, EU:C:2022:638, punten 41 en 42). |
|
42 |
Anders dan de Nederlandse regering betoogt, houdt de in de tweede prejudiciële vraag gevraagde uitlegging van het Unierecht niet kennelijk geen verband met het voorwerp van het hoofdgeding. |
|
43 |
Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft benadrukt in punt 35 van zijn conclusie, staat immers vast dat het ten aanzien van X vastgestelde terugkeerbesluit met name is gebaseerd op het feit dat er zich bij terugkeer van X naar zijn land van herkomst op korte termijn geen „medische noodsituatie” in de zin van punt 7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire zou voordoen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt duidelijk dat het bestaan van een dergelijke „medische noodsituatie” volgens de Nederlandse wet moet worden beoordeeld aan de hand van de in de Vreemdelingencirculaire genoemde termijn van drie maanden, waarop de tweede prejudiciële vraag nu juist betrekking heeft. |
|
44 |
Bovendien blijkt uit het door de verwijzende rechter omschreven feitelijke kader dat de pijn van X moet worden geacht te zijn veroorzaakt door zijn ziekte en dat er in zijn land van herkomst geen alternatieve behandeling voor deze pijn beschikbaar is. De vragen inzake de uitlegging van het Unierecht worden door de nationale rechter gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, waarvan de juistheid niet ter beoordeling van het Hof staat. Bijgevolg moet de tweede prejudiciële vraag, ongeacht de kritiek van de Nederlandse regering op de door de verwijzende rechter verrichte feitelijke beoordelingen, worden onderzocht op basis van die beoordelingen (zie in die zin arrest van 7 april 2022, Caixabank, C‑385/20, EU:C:2022:278, punten 34 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
45 |
Bijgevolg is de tweede prejudiciële vraag ontvankelijk. |
|
46 |
Wat in de derde plaats de vierde prejudiciële vraag betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat deze vraag, anders dan de Nederlandse regering betoogt, geen betrekking heeft op de uitlegging van artikel 8 EVRM, maar op de uitlegging van artikel 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met andere bepalingen ervan en van richtlijn 2008/115. |
|
47 |
Bijgevolg is het Hof bevoegd om deze vraag te beantwoorden. |
|
48 |
Ten tweede voert deze regering aan dat deze vraag niet-ontvankelijk is omdat de verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 7 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat aan X een verblijfsrecht in Nederland moet worden toegekend, terwijl er geen enkele materiële bepaling van Unierecht bestaat op grond waarvan hem een dergelijk verblijfsrecht zou kunnen worden toegekend. |
|
49 |
In dit verband volstaat het op te merken dat de vraag of de uitlegging van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 van het Handvest, ertoe kan leiden dat aan een derdelander in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding een verblijfsrecht voor het grondgebied van een lidstaat wordt toegekend, hoe dan ook deel uitmaakt van de inhoudelijke beoordeling van die vraag. |
|
50 |
Bijgevolg is de vierde prejudiciële vraag ontvankelijk. |
Eerste en tweede vraag
|
51 |
Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel ten aanzien van een derdelander die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en lijdt aan een ernstige ziekte, en die in het derde land waarnaar hij zou worden overgebracht zou worden blootgesteld aan een risico dat de door die ziekte veroorzaakte pijn aanzienlijk zal toenemen omdat de enige doeltreffende pijnbehandeling in dat land verboden is. Hij vraagt zich ook af of een lidstaat een strikte termijn kan vaststellen waarbinnen een dergelijke toename van de pijn moet intreden opdat die toename in de weg kan staan aan dit terugkeerbesluit of die verwijderingsmaatregel. |
|
52 |
In de eerste plaats moet worden benadrukt, ten eerste, dat richtlijn 2008/115, behoudens de uitzonderingen van artikel 2, lid 2, ervan, van toepassing is op alle illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelanders. Bovendien moet een derdelander, wanneer hij binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, in beginsel met het oog op zijn terugkeer worden onderworpen aan de gemeenschappelijke normen en procedures waarin die richtlijn voorziet, zolang zijn verblijf niet – in voorkomend geval – is geregulariseerd [arrest van 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C‑673/19, EU:C:2021:127, punten 29 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
53 |
Dienaangaande volgt uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 dat er, zodra vaststaat dat een derdelander illegaal op het grondgebied verblijft, een terugkeerbesluit tegen hem moet worden uitgevaardigd, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 van dat artikel neergelegde uitzonderingen en met strikte inachtneming van de in artikel 5 van deze richtlijn gestelde vereisten; in dat besluit moet worden vermeld naar welk van de in artikel 3, punt 3, van richtlijn 2008/115 bedoelde derde landen hij moet worden verwijderd [arrest van 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C‑673/19, EU:C:2021:127, punten 32 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
54 |
Daarnaast mag een lidstaat een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander niet op grond van artikel 8 van richtlijn 2008/115 verwijderen zonder eerst jegens die derdelander een terugkeerbesluit vast te stellen met inachtneming van de in die richtlijn vastgelegde materiële en procedurele waarborgen [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken), C‑808/18, EU:C:2020:1029, punt 253]. |
|
55 |
Ten tweede verplicht artikel 5 van richtlijn 2008/115, dat een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, de bevoegde nationale autoriteit om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, alsmede in artikel 19, lid 2, van het Handvest. Dit geldt met name wanneer die autoriteit, na de betrokkene te hebben gehoord, voornemens is jegens hem een terugkeerbesluit vast te stellen, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken), C‑808/18, EU:C:2020:1029, punt 250 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
56 |
Bijgevolg verzet artikel 5 van richtlijn 2008/115 zich ertegen dat jegens een derdelander een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd wanneer dat besluit een land van bestemming aanwijst ten aanzien waarvan er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die derdelander daar in geval van uitvoering van dat besluit zou worden blootgesteld aan een reëel risico van behandelingen in strijd met artikel 18 of artikel 19, lid 2, van het Handvest. |
|
57 |
Op grond van dit artikel 19, lid 2, mag niemand worden verwijderd naar een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij niet alleen aan de doodstraf, maar ook aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest wordt onderworpen. Het in dat artikel 4 vastgestelde verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen heeft een absoluut karakter, aangezien het nauw samenhangt met de eerbiediging van de menselijke waardigheid bedoeld in artikel 1 van het Handvest (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 85). |
|
58 |
Hieruit volgt dat wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander in geval van terugkeer naar een derde land wordt blootgesteld aan een reëel risico van onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 1 en artikel 19, lid 2, ervan, jegens die derdelander geen besluit tot terugkeer naar dat land kan worden uitgevaardigd zolang dat risico blijft bestaan. |
|
59 |
Zoals overigens uitdrukkelijk is bepaald in artikel 9, lid 1, van richtlijn 2008/115, kan die derdelander gedurende die periode evenmin worden verwijderd. |
|
60 |
Ten derde zijn de inhoud en reikwijdte van artikel 4 van het Handvest overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde als die welke er door artikel 3 EVRM aan worden toegekend, aangezien de door artikel 4 gewaarborgde rechten corresponderen met de door artikel 3 EVRM gegarandeerde rechten [arrest van 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 37]. |
|
61 |
Volgens de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 3 EVRM kan pijn die wordt veroorzaakt door een natuurlijk optredende lichamelijke of geestelijke ziekte onder artikel 3 EVRM vallen als deze wordt verergerd of dreigt te worden verergerd door een behandeling die het gevolg is van detentievoorwaarden, uitzetting of andere maatregelen waarvoor de overheid verantwoordelijk kan worden gehouden, mits de daaruit voortvloeiende pijn de ernst heeft die dat artikel minimaal vereist [zie in die zin arrest Paposhvili, §§ 174 en 175, en arrest van 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 38]. |
|
62 |
In herinnering dient te worden gebracht dat een behandeling, om onder artikel 3 EVRM te vallen, een minimum aan ernst moet hebben. De beoordeling van dit minimum is relatief en hangt af van alle gegevens van het geval (EHRM, 20 oktober 2016, Muršić tegen Kroatië, CE:ECHR:2016:1020JUD000733413, § 97, en EHRM, 7 december 2021, Savran tegen Denemarken, CE:ECHR:2021:1207JUD005746715, § 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
63 |
In dit verband volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen de verwijdering van een ernstig zieke persoon die het risico loopt om in de zeer nabije toekomst te sterven of wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon, ook al loopt hij niet het risico om in de zeer nabije toekomst te sterven, wordt blootgesteld aan een reëel risico van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand die voor intense pijn zou zorgen of van een significante daling van zijn levensverwachting, omdat hij in het land waarnaar hij wordt verwijderd geen adequate behandeling of geen toegang tot een dergelijke behandeling zou krijgen [zie in die zin arrest Paposhvili, §§ 178 en 183, en arrest van 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 40]. |
|
64 |
Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het EHRM dat het arrest Paposhvili een norm stelt die naar behoren rekening houdt met alle voor de toepassing van artikel 3 EVRM relevante overwegingen, in die zin dat daarin het algemene recht van staten om toezicht te houden op de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen onverlet laat, maar tegelijkertijd de absolute aard van dat artikel wordt erkend (EHRM, 7 december 2021, Savran tegen Denemarken, CE:ECHR:2021:1207JUD005746715, § 133). |
|
65 |
Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat de voor de toepassing van artikel 4 van het Handvest benodigde ernst gelijk is aan de krachtens artikel 3 EVRM in dezelfde omstandigheden vereiste minimale ernst [arresten van 16 februari 2017, C. K. e.a., C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 67, en 24 april 2018, MP (Subsidiaire bescherming van een slachtoffer van eerdere foltering), C‑353/16, EU:C:2018:276, punt 37]. |
|
66 |
Uit de punten 52 tot en met 65 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is. |
|
67 |
In de tweede plaats moet ten behoeve van het hoofdgeding worden onderzocht of een lidstaat moet afzien van de vaststelling van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel ten aanzien van een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die derdelander in geval van terugkeer zou worden blootgesteld aan een reëel risico van toename van zijn pijn omdat de enige doeltreffende pijnbehandeling verboden is in het land van bestemming, maar een dergelijke terugkeer hem niet blootstelt aan een risico dat zijn ziekte verergert. |
|
68 |
Zoals opgemerkt in de punten 61, 63 en 65 van het onderhavige arrest, is het mogelijk dat een lidstaat het in artikel 4 van het Handvest vastgestelde verbod op onmenselijke en vernederende behandelingen schendt wanneer het terugkeerbesluit of de verwijderingsmaatregel van zijn autoriteiten de pijn die een derdelander vanwege een natuurlijk opgetreden ziekte lijdt zodanig kan verergeren dat die pijn de in die punten bedoelde minimale ernst heeft. |
|
69 |
De omstandigheid dat een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander bij terugkeer alleen een toename van de aan zijn ernstige ziekte gerelateerde pijn riskeert, volstaat derhalve niet om uit te sluiten dat een dergelijke terugkeer in strijd kan zijn met artikel 4 van het Handvest. Dit geldt temeer daar een toename van de met een ziekte verband houdende pijn op zich kan leiden tot een verslechtering van de lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand van de betrokkene. |
|
70 |
Niet elk risico van een toename van pijn als gevolg van de terugkeer van een derdelander leidt er echter toe dat hij wordt blootgesteld aan een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Naar analogie van hetgeen in punt 66 van het onderhavige arrest is uiteengezet, moeten er immers zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat deze derdelander in geval van terugkeer wordt blootgesteld aan een reëel risico dat zijn pijn snel, aanzienlijk en zonder mogelijkheid van herstel toeneemt. |
|
71 |
In dit verband moet ten eerste worden verduidelijkt dat er met name ernstige redenen zijn om aan te nemen dat een derdelander het risico loopt dat hij in geval van terugkeer wordt blootgesteld aan een aanzienlijke en onomkeerbare toename van de door zijn ziekte veroorzaakte pijn wanneer vaststaat dat de enige doeltreffende pijnbehandeling hem in het land van bestemming niet rechtmatig kan worden toegediend en dat het ontbreken van een dergelijke behandeling hem zou blootstellen aan een dermate intense pijn dat dit in strijd zou zijn met de menselijke waardigheid, aangezien dit hem ernstige en onomkeerbare psychische klachten zou kunnen bezorgen of hem zelfs zou kunnen aanzetten tot zelfmoord, hetgeen de verwijzende rechter in het licht van alle relevante, met name medische gegevens dient te beoordelen. In het bijzonder moet bij de beoordeling van de onomkeerbaarheid van de toename van de pijn rekening worden gehouden met een groot aantal factoren, waaronder de directe en meer indirecte gevolgen van een dergelijke toename (zie naar analogie EHRM, 7 december 2021, Savran tegen Denemarken, CE:ECHR:2021:1207JUD005746715, § 138). |
|
72 |
Wat in de tweede plaats het vereiste betreft dat de betrokken derdelander bij terugkeer een snelle toename van zijn pijn riskeert, moet worden benadrukt dat een dergelijke voorwaarde niet zo strikt mag worden uitgelegd dat zij zich alleen verzet tegen de terugkeer van een ernstig zieke derdelander in extreme gevallen waarin de betrokkene bij aankomst op het grondgebied van het land van bestemming of in de periode onmiddellijk erna een aanzienlijke en onomkeerbare toename van zijn pijn ondervindt. Integendeel, er moet rekening worden gehouden met het feit dat de toename van de pijn van de betrokkene als gevolg van zijn terugkeer naar een land waar geen passende behandeling beschikbaar is, geleidelijk kan zijn en dat die toename mogelijk pas na een bepaalde tijd aanzienlijk en onherstelbaar wordt. |
|
73 |
Bovendien staan zowel de noodzaak om, bij de beoordeling van de in dit verband uit hoofde van artikel 4 van het Handvest vereiste minimale ernst, rekening te houden met alle relevante factoren, als de mate van onzekerheid die inherent is aan een dergelijk prospectief onderzoek, eraan in de weg dat de toename van de pijn van een derdelander in geval van terugkeer alleen kan worden geacht snel in te treden indien deze plaatsvindt binnen een vooraf in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde absolute termijn. |
|
74 |
De bevoegde nationale autoriteit moet namelijk, naargelang van de aandoening waaraan de derdelander lijdt, zowel de snelheid waarmee in geval van terugkeer een toename van de pijn te verwachten valt als de intensiteit van die toename in de overweging kunnen meenemen. |
|
75 |
Indien de lidstaten een termijn vaststellen, moet deze louter indicatief zijn en ontslaat hij de bevoegde nationale autoriteit niet van de plicht om de situatie van de betrokken derdelander concreet te onderzoeken in het licht van alle relevante factoren, met name de factoren die in het vorige punt zijn genoemd, rekening houdend met de aandoening waaraan die derdelander lijdt. |
|
76 |
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel ten aanzien van een derdelander die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en lijdt aan een ernstige ziekte wanneer er ernstige en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene in het derde land waarnaar hij zou worden overgebracht zal worden blootgesteld aan een reëel risico dat de door die ziekte veroorzaakte pijn in geval van terugkeer aanzienlijk, op onomkeerbare wijze en snel zal toenemen omdat de enige doeltreffende pijnbehandeling in dat land verboden is. Een lidstaat mag geen strikte termijn vaststellen waarbinnen een dergelijke toename van de pijn moet intreden opdat die toename in de weg kan staan aan dit terugkeerbesluit of die verwijderingsmaatregel. |
Derde vraag
|
77 |
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1, 4 en 19 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteit de gevolgen van de verwijderingsmaatregel zelf voor de gezondheidstoestand van een derdelander alleen in aanmerking neemt om te onderzoeken of de derdelander in staat is om te reizen. |
|
78 |
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter ervan uitgaat dat de betrokken Nederlandse wetgeving een onderscheid maakt tussen enerzijds de beoordeling van het risico dat de onderbreking van de behandeling van een derdelander, vanwege zijn terugkeer, op korte termijn zal leiden tot een „medische noodsituatie” in de zin van punt 7.1.3 van de Vreemdelingencirculaire, en anderzijds de beoordeling van de gevolgen van de verwijderingsmaatregel zelf, die deel moet uitmaken van het onderzoek naar de reisgeschiktheid van de derdelander en dus veronderstelt dat alleen rekening wordt gehouden met de medische gevolgen die zich tijdens de verwijdering kunnen voordoen, en niet met de gevolgen die na de verwijdering in het land van bestemming aan het licht kunnen komen. |
|
79 |
De Nederlandse regering betwist dat de betrokken nationale autoriteit aldus te werk gaat. Overeenkomstig de in punt 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet bij de beantwoording van de derde vraag evenwel worden uitgegaan van de door de verwijzende rechter gehanteerde premisse. |
|
80 |
In het licht van deze verduidelijking blijkt uit de motivering van het antwoord op de eerste en de tweede vraag dat artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 vereisen dat de lidstaten, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. Wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, kan de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit uitvaardigen noch de betrokken derdelander verwijderen. |
|
81 |
Hoewel een dergelijk verbod ook geldt zolang de betrokken lidstaat niet in staat is om de eigenlijke verwijdering van de betrokken derdelander zodanig te organiseren dat met name wordt gewaarborgd dat hij niet zal worden blootgesteld aan een risico dat zijn ziekte of zijn pijn tijdens die verwijdering aanzienlijk en op onomkeerbare wijze verergert, kan daaruit niet worden afgeleid dat het, om jegens die derdelander een terugkeerbesluit vast te kunnen stellen of om hem te kunnen verwijderen, volstaat dat deze lidstaat waarborgt dat hij tijdens zijn verwijdering passende zorg zal ontvangen. De betrokken lidstaat dient zich er namelijk van te vergewissen dat de betrokkene, wanneer zijn gezondheidstoestand zulks vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt (zie naar analogie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a.,C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punten 76‑82). |
|
82 |
Gelet op alle voorgaande overwegingen moeten artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de bevoegde nationale autoriteit de gevolgen van de verwijderingsmaatregel zelf voor de gezondheidstoestand van een derdelander alleen in aanmerking neemt om te onderzoeken of de derdelander in staat is om te reizen. |
Vierde prejudiciële vraag
|
83 |
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, alsmede de artikelen 1 en 4, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de gezondheidstoestand van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander en de zorg die deze derdelander wegens een ernstige ziekte op dat grondgebied ontvangt, door die lidstaat in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of, op grond van het recht op eerbiediging van het privéleven, de betrokkene een verblijfsrecht voor dit grondgebied moet worden toegekend dan wel zijn verwijdering moet worden uitgesteld. |
|
84 |
In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat de bij richtlijn 2008/115 ingestelde gemeenschappelijke normen en procedures alleen betrekking hebben op de vaststelling en de uitvoering van terugkeerbesluiten, aangezien deze richtlijn niet beoogt alle voorschriften van de lidstaten inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg regelt die richtlijn noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld [zie in die zin arresten van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punten 44 en 45, en 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C‑673/19, EU:C:2021:127, punten 43 en 44]. |
|
85 |
Hieruit volgt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 aldus kan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfsvergunning toekent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander wanneer tegen die derdelander geen terugkeer- of verwijderingsmaatregel kan worden uitgevaardigd omdat er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene in het land van bestemming zal worden blootgesteld aan een reëel risico dat de door zijn ziekte veroorzaakte pijn snel, aanzienlijk en op onomkeerbare wijze toeneemt. |
|
86 |
Wat in het bijzonder artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 betreft, deze bepaling is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale recht, en niet op basis van het Unierecht, in schrijnende gevallen om humanitaire redenen een verblijfsrecht toe te kennen aan illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders. |
|
87 |
Volgens artikel 51, lid 2, van het Handvest breiden de bepalingen ervan de werkingssfeer van het Unierecht niet uit. Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat een lidstaat op grond van artikel 7 van het Handvest ertoe gehouden kan zijn om aan een binnen de werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallende derdelander een verblijfsrecht toe te kennen. |
|
88 |
In de tweede plaats moet evenwel worden opgemerkt dat het hoofddoel van richtlijn 2008/115 erin is gelegen om een doeltreffend verwijderings‑ en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zoals volgt uit de overwegingen 2 en 4 daarvan, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de waardigheid van de betrokkenen (arrest van 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
89 |
Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, ook wanneer zij voornemens zijn een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel vast te stellen ten aanzien van een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander, de door het Handvest aan die derdelander toegekende grondrechten moeten eerbiedigen (arrest van 11 juni 2015, Zh. en O., C‑554/13, EU:C:2015:377, punt 69). |
|
90 |
Dat geldt onder meer voor het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie‑ en gezinsleven van die derdelander, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest. Dit recht, dat de verwijzende rechter specifiek heeft aangeduid in zijn vierde vraag, komt overeen met het in artikel 8 EVRM verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
91 |
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2008/115 zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het familie‑ en gezinsleven van de betrokken derdelander [arrest van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 104]. |
|
92 |
Hoewel dit artikel 5 het privéleven van de illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander niet vermeldt als een van de factoren waarmee de lidstaten rekening moeten houden bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het onderhavige arrest dat geen terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel kan worden vastgesteld indien daarmee inbreuk zou worden gemaakt op het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander. |
|
93 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat de medische behandeling die een derdelander op het grondgebied van een lidstaat geniet, zelfs indien hij daar illegaal verblijft, deel uitmaakt van diens privéleven in de zin van artikel 7 van het Handvest. |
|
94 |
Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in punt 114 van zijn conclusie, draagt iemands lichamelijke en geestelijke integriteit bij aan diens persoonlijke ontwikkeling en dus aan het daadwerkelijke genot van zijn recht op eerbiediging van het privéleven, dat in zekere mate ook het recht van het individu omvat om relaties aan te gaan en te ontwikkelen met zijn medemens (zie in die zin EHRM, 8 april 2021, Vavricka e.a. tegen Tsjechië, CE:ECHR:2021:0408JUD004762113, § 261). |
|
95 |
Zoals wordt bevestigd door artikel 5, eerste alinea, onder c), en artikel 9, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/115, kan de bevoegde nationale autoriteit dus pas een terugkeerbesluit vaststellen of overgaan tot de verwijdering van een derdelander wanneer zij rekening heeft gehouden met de gezondheidstoestand van de betrokkene. |
|
96 |
Niettemin dient in herinnering te worden gebracht dat het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op eerbiediging van het privéleven geen absolute gelding heeft, maar moet worden beschouwd in relatie tot zijn functie in de samenleving. Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, staat het Handvest immers beperkingen op de uitoefening van dat recht toe, mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van dit recht eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (arrest van 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a., C‑140/20, EU:C:2022:258, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
97 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat het streven van richtlijn 2008/115 om een doeltreffend verwijderings‑ en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zoals omschreven in overweging 2 ervan, een door het Unierecht erkende doelstelling van algemeen belang is. |
|
98 |
In dit verband moet op grond van artikel 52, lid 1, van het Handvest met name nog worden nagegaan of de vaststelling van een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel ten aanzien van een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt en in de betrokken lidstaat een pijnbehandeling ondergaat die in het land van bestemming niet beschikbaar is, geen afbreuk doet aan de wezenlijke inhoud van zijn recht op privéleven en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. |
|
99 |
Bij een dergelijk onderzoek moet rekening worden gehouden met alle sociale banden die deze derdelander heeft opgebouwd in de lidstaat waar hij illegaal verblijft, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de met zijn gezondheidstoestand gepaard gaande kwetsbaarheid en bijzondere afhankelijkheid. Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft benadrukt in punt 112 van zijn conclusie, kunnen, wanneer die derdelander in deze lidstaat zijn privéleven heeft opgebouwd zonder aldaar over een verblijfstitel te beschikken, er echter alleen uitzonderlijke redenen aan in de weg staan dat tegen hem een terugkeerprocedure wordt ingeleid (zie naar analogie EHRM, 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, §§ 53 en 58). |
|
100 |
Bovendien kan de omstandigheid dat die derdelander in geval van terugkeer niet zou beschikken over dezelfde behandelingen als in de lidstaat waar hij illegaal verblijft, wat onder meer van invloed kan zijn op het opbouwen van zijn sociale betrekkingen in het land van bestemming, er op zich niet aan in de weg staan, op grond van artikel 7 van het Handvest, dat jegens hem een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel wordt vastgesteld. |
|
101 |
Zoals in de punten 60 en 64 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, verzet artikel 4 van het Handvest zich immers alleen onder strikte voorwaarden tegen de terugkeer van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt. |
|
102 |
Artikel 7 van het Handvest kan een lidstaat er dus niet van weerhouden – zonder dat die voorwaarden inhoudsloos worden – om ten aanzien van die derdelander een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel vast te stellen louter op grond van het risico dat zijn gezondheidstoestand in het land van bestemming verslechtert wanneer niet aan die voorwaarden is voldaan. |
|
103 |
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, alsmede de artikelen 1 en 4, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat:
|
Kosten
|
104 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
|
Lenaerts Bay Larsen Jürimäe Lycourgos Regan Safjan Xuereb Gratsias Arastey Sahún Rodin Biltgen Ziemele Passer Gavalec Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 november 2022. De griffier A. Calot Escobar De president K. Lenaerts |
( *1 ) Procestaal: Nederlands.