ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
28 april 2022 ( *1 )
„Hogere voorziening – Dumping – Invoer van aspartaam van oorsprong uit de Volksrepubliek China – Verordeningen nr. 1225/2009 en nr. 2016/1036 – Werkingssfeer ratione temporis – Artikel 2, lid 7 – Status van marktgerichte onderneming – Weigering – Artikel 2, lid 10 – Correcties – Bewijslast – Artikel 3 – Vaststelling van schade – Zorgvuldigheidsplicht van de Europese Commissie”
In zaak C‑666/19 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 9 september 2019,
Changmao Biochemical Engineering Co. Ltd, gevestigd te Changzhou (China), vertegenwoordigd door K. Adamantopoulos, dikigoros, en P. Billiet, avocat,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Maxian Rusche en N. Kuplewatzky, vervolgens door T. Maxian Rusche en A. Demeneix, en tot slot door T. Maxian Rusche en K. Blanck als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
Hyet Sweet SAS,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, S. Rodin en N. Piçarra, rechters,
advocaat-generaal: E. Tanchev,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 oktober 2021,
het navolgende
Arrest
|
1 |
In hogere voorziening verzoekt Changmao Biochemical Engineering Co. Ltd (hierna: „Changmao”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 28 juni 2019, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (T‑741/16, niet gepubliceerd, EU:T:2019:454; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2016/1247 van de Commissie van 28 juli 2016 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op aspartaam van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2016, L 204, blz. 92; hierna: „litigieuze verordening”), heeft verworpen. |
I. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
|
2 |
Bij besluit 94/800/EG van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1), heeft de Raad van de Europese Unie de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994, alsmede de in de bijlagen 1, 2 en 3 bij deze overeenkomst opgenomen overeenkomsten goedgekeurd, waaronder de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (hierna: „antidumpingovereenkomst”). |
|
3 |
Artikel 2 van de antidumpingovereenkomst bevat de regels inzake de „vaststelling van dumping”. |
|
4 |
Artikel 6 van deze overeenkomst heeft als opschrift „Bewijs”. |
|
5 |
Artikel 12 ervan heeft als opschrift „Openbaarmaking en motivering van de vaststellingen”. |
B. Unierecht
1. Basisverordening en verordening 2016/1036
|
6 |
Ten tijde van de feiten van het geding werd de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie geregeld door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 (PB 2014, L 18, blz. 1) (hierna: „basisverordening”). |
|
7 |
Op de datum van vaststelling van de litigieuze verordening, daarentegen, waren de regels voor de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Unie neergelegd in verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21). Deze verordening is overeenkomstig artikel 25 ervan in werking getreden op 20 juli 2016. In artikel 24, eerste alinea, van deze verordening heet het dat „[de basisverordening] wordt ingetrokken”. |
|
8 |
Artikel 2 van de basisverordening en artikel 2 van verordening 2016/1036 betreffen de „vaststelling van dumping”. Punt A van beide artikelen heeft als opschrift „Normale waarde” en bestaat uit de leden 1 tot en met 7. Punt C van deze artikelen, „Vergelijking”, bevat lid 10. |
|
9 |
Artikel 2, lid 7, onder a) tot en met c), van de basisverordening komt in wezen overeen met artikel 2, lid 7, onder a) tot en met c), van verordening 2016/1036 en luidt:
[...]” |
|
10 |
Artikel 2, lid 10, van de basisverordening en artikel 2, lid 10, van verordening 2016/1036 bepalen: „De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hiernavolgende factoren [...]” |
|
11 |
Artikel 3 van de basisverordening en artikel 3 van verordening 2016/1036 hebben als opschrift „Vaststelling van schade”. |
|
12 |
Artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening stemt in wezen overeen met artikel 3, leden 2 en 3, van verordening 2016/1036: „2. De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van:
3. Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Gemeenschap, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.” |
|
13 |
Artikel 6 van de basisverordening en artikel 6 van verordening 2016/1036, met als opschrift „Het onderzoek”, bepalen in lid 8: „Behoudens in de in artikel 18 bedoelde omstandigheden wordt, voor zover mogelijk, gecontroleerd of de door de belanghebbenden verstrekte inlichtingen waarop de bevindingen worden gebaseerd, juist zijn.” |
|
14 |
Artikel 9 van de basisverordening en artikel 9 van verordening 2016/1036 hebben als opschrift „Beëindiging zonder maatregelen; instelling van definitieve rechten”. |
|
15 |
Artikel 9, lid 4, laatste volzin, van de basisverordening en artikel 9, lid 4, tweede alinea, van verordening 2016/1036 luiden: „Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en dient lager te zijn dan de marge als een dergelijk lager recht toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie.” |
|
16 |
Artikel 18 van de basisverordening en artikel 18 van verordening 2016/1036 handelen over niet-medewerking. |
|
17 |
Artikel 20 van de basisverordening en artikel 20 van verordening 2016/1036 hebben betrekking op de mededeling van feiten en overwegingen. |
2. Verordening nr. 1126/2008
|
18 |
In de bijlage bij verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB 2008, L 320, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1255/2012 van de Commissie van 11 december 2012 (PB 2012, L 360, blz. 78), worden de International Accounting Standards (internationale standaarden voor jaarrekeningen; hierna: „IAS”) opgesomd. |
|
19 |
Een daarvan is IAS 36, „Bijzondere waardevermindering van activa”. Deze standaard betreft de procedures die een entiteit moet toepassen opdat haar activa niet tegen een hoger bedrag worden geboekt dan de realiseerbare waarde ervan. |
II. Voorgeschiedenis van het geding
|
20 |
De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 1 tot en met 10 van het bestreden arrest en kan met het oog op de onderhavige hogere voorziening worden samengevat als volgt. |
|
21 |
Naar aanleiding van een klacht van Ajinomoto Sweeteners Europe SAS, thans Hyet Sweet SAS, een onderneming die aspartaam produceert in de Unie, heeft de Europese Commissie op 30 mei 2015 op grond van de basisverordening een antidumpingonderzoek opgestart naar de invoer in de Unie van aspartaam van oorsprong uit China. |
|
22 |
Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang waren voor de schadebeoordeling, had betrekking op de periode van januari 2011 tot het einde van het onderzoektijdvak. |
|
23 |
Op 25 februari 2016 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2016/262 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op aspartaam van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2016, L 50, blz. 4; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld. |
|
24 |
Het betrokken product was aspartaam (N-L-α-aspartyl-L-fenylalanine-1-methylester, 3-amino-N-(α-carbomethoxyfenethyl)-succinamidezuur-N-methylester), CAS-nummer 22839‑47-0, van oorsprong uit China, momenteel ingedeeld onder GN-code ex29242998 (hierna: „aspartaam”), en aspartaam in preparaten of mengsels die eveneens andere zoetstoffen of water bevatten. |
|
25 |
Op 1 april 2016 heeft Changmao bij de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend over de voorlopige bevindingen van het onderzoek. |
|
26 |
Op 12 mei 2016 heeft Changmao mondelinge opmerkingen gemaakt ten overstaan van de Commissie en de raadadviseur-auditeur. |
|
27 |
Op 2 juni 2016 heeft de Commissie Changmao de definitieve bevindingen van het onderzoek meegedeeld. |
|
28 |
Op 13 juni 2016 heeft Changmao bij de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend over de definitieve bevindingen van het onderzoek. |
|
29 |
Op 5 juli 2016 heeft Changmao mondelinge opmerkingen gemaakt ten overstaan van de Commissie en de raadadviseur-auditeur. |
|
30 |
Op 28 juli 2016 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld. |
III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
|
31 |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 oktober 2016, heeft Changmao beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld. |
|
32 |
Bij beschikkingen van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 21 maart 2017, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (T‑741/16, niet gepubliceerd), en 27 september 2017, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (T‑741/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:700), is Hyet Sweet toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie en is het verzoek van Changmao om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van Hyet Sweet gedeeltelijk toegewezen. |
|
33 |
Changmao voerde ter ondersteuning van haar beroep vijf middelen aan. Met het eerste middel stelde zij dat de Commissie artikel 2, lid 7, onder b) en c), van verordening 2016/1036 en de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en behoorlijk bestuur had geschonden met haar beoordeling van de voorwaarden voor behandeling als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”). Het tweede middel betrof schending van artikel 2, lid 7, onder a), van deze verordening in het kader van de bepaling van de normale waarde. Het derde middel, inzake schending van artikel 2, lid 10, artikel 3, lid 2, onder a), en lid 3, en artikel 9, lid 4, van deze verordening alsook van het beginsel van behoorlijk bestuur, betrof de correcties om de dumping‑ en schademarges vast te stellen. Het vierde middel betrof schending van artikel 3, leden 2 en 6, van die verordening en subsidiair schending van artikel 6, lid 7, ervan. Het vijfde middel ten slotte betrof schending van artikel 2, lid 7, onder a), en artikel 3, leden 2, 3 en 5, van verordening 2016/1036. |
|
34 |
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen afgewezen en het beroep derhalve in zijn geheel verworpen. |
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
|
35 |
In hogere voorziening verzoekt Changmao het Hof:
|
|
36 |
De Commissie verzoekt het Hof:
|
|
37 |
Bij beschikkingen van de president van het Hof van 22 oktober 2019, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (C‑666/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1097), en 17 maart 2020, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (C‑666/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:213), is beslist om bepaalde informatie in het dossier vertrouwelijk te houden ten opzichte van Hyet Sweet. Deze vennootschap heeft in de onderhavige hogere voorziening geen memorie ingediend. |
|
38 |
Het Hof heeft partijen op grond van artikel 61, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om schriftelijk een vraag te beantwoorden over de werkingssfeer ratione temporis van respectievelijk de basisverordening en verordening 2016/1036 in het kader van deze hogere voorziening. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. |
V. Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
|
39 |
Nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen, heeft Changmao bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 oktober 2021, in essentie verzocht om heropening van de mondelinge behandeling. |
|
40 |
Zij voert ter ondersteuning daarvan aan dat de advocaat-generaal in de punten 146 en 150 van zijn conclusie meent dat zij niet heeft aangetoond dat de correcties waar zij met het oog op een billijke vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs om had gevraagd, noodzakelijk waren, maar niettemin erkent dat zij wel degelijk het bewijsmateriaal voor die correcties heeft vermeld. Changmao acht deze kwestie van cruciaal belang voor de beoordeling van haar derde middel in hogere voorziening en wenst daar verder op te kunnen ingaan tijdens een pleitzitting. |
|
41 |
Er zij aan herinnerd dat noch het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, noch het Reglement voor de procesvoering van het Hof in de mogelijkheid voorziet voor partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal (arresten van 9 juli 2015, InnoLux/Commissie, C‑231/14 P, EU:C:2015:451, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 september 2015, Bricmate, C‑569/13, EU:C:2015:572, punt 39). |
|
42 |
Volgens artikel 252, tweede alinea, VWEU heeft de advocaat-generaal tot taak om in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is niet gebonden door de conclusie van de advocaat-generaal, en evenmin door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt (arresten van 9 juli 2015, InnoLux/Commissie, C‑231/14 P, EU:C:2015:451, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 september 2015, Bricmate, C‑569/13, EU:C:2015:572, punt 40). |
|
43 |
Het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat‑generaal kan als zodanig dus geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 9 juli 2015, InnoLux/Commissie, C‑231/14 P, EU:C:2015:451, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
44 |
Ingevolge artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof niettemin in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer de zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen (arresten van 9 juli 2015, InnoLux/Commissie, C‑231/14 P, EU:C:2015:451, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 september 2015, Bricmate, C‑569/13, EU:C:2015:572, punt 41). |
|
45 |
Dit is in casu niet het geval. Partijen hebben immers in twee ronden met schriftelijke opmerkingen een contradictoir debat kunnen voeren over alle middelen die Changmao in hogere voorziening aanvoert. Changmao heeft in het bijzonder haar argumenten over onder meer de beoordeling die het Gerecht heeft verricht van de afwijzing door de Commissie van de verzoeken om correcties met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, naar behoren kenbaar kunnen maken. |
|
46 |
Het Hof is dan ook, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om tot een beslissing te komen en dat over deze gegevens ten overstaan van het Hof is gediscussieerd. |
|
47 |
Gelet op het voorgaande is er geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten. |
VI. Hogere voorziening
A. Opmerkingen vooraf
|
48 |
Volgens de rechtspraak van het Hof moeten de rechtsgrondslag van een handeling en de toepasselijke proceduregels weliswaar van kracht zijn op de datum van de vaststelling van deze handeling, maar vereisen het beginsel van de toepassing van de wet in de tijd, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel dat de materiële bepalingen worden toegepast die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, ook al gelden deze bepalingen niet meer op de datum waarop de handeling in kwestie door de instelling van de Unie wordt vastgesteld (zie in die zin arresten van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a., C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 maart 2018, Deichmann, C‑256/16, EU:C:2018:187, punt 76). |
|
49 |
In het licht van deze rechtspraak moet met het oog op de onderhavige voorziening worden nagegaan wat de werkingssfeer ratione temporis is van de basisverordening en van verordening 2016/1036. |
|
50 |
Verordening 2016/1036 heeft volgens de artikelen 24 en 25 ervan de basisverordening ingetrokken en is in werking getreden op 20 juli 2016. |
|
51 |
In casu is de litigieuze verordening vastgesteld op 28 juli 2016, dat wil zeggen enkele dagen nadat verordening 2016/1036 in werking is getreden. Er moet echter op worden gewezen dat het onderzoektijdvak liep van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015. Ten tijde van de feiten waarop het antidumpingonderzoek zag – na afloop waarvan de litigieuze verordening is vastgesteld – was de basisverordening dus nog van toepassing. |
|
52 |
Bijgevolg moest de litigieuze verordening weliswaar worden vastgesteld op grond en volgens de procedureregels van verordening 2016/1036, maar is zij onderworpen aan de materieelrechtelijke regels van de basisverordening. |
|
53 |
Om te vermijden dat het Hof zijn beslissing baseert op juridische overwegingen die gelet op de werkingssfeer ratione temporis van die verordeningen onjuist zijn (zie naar analogie beschikking van 27 september 2004, UER/M6 e.a., C‑470/02 P, niet gepubliceerd, EU:C:2004:565, punt 69, en arrest van 21 september 2010, Zweden e.a./API en Commissie, C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, EU:C:2010:541, punt 65), en aangezien, zoals de advocaat-generaal in punt 21 van zijn conclusie heeft benadrukt, de voor deze hogere voorziening relevante materieelrechtelijke regels van de basisverordening en van verordening 2016/1036 in wezen identiek zijn, moet dus worden geoordeeld dat de verwijzingen in deze hogere voorziening naar laatstgenoemde verordening moeten worden begrepen als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen van de basisverordening. |
B. Ten gronde
1. Eerste middel
a) Argumenten van partijen
|
54 |
Met haar eerste middel, dat gericht is tegen de punten 54, 64 tot en met 67, 69, 70, 78 tot en met 80, 87, 97 en 98 van het bestreden arrest, verwijt Changmao het Gerecht feiten onjuist te hebben opgevat en blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening. |
|
55 |
In de eerste plaats stelt Changmao dat zij voldoet aan het tweede BMO-criterium, dat is neergelegd in artikel 2, lid 7, onder c), tweede streepje, van de basisverordening (hierna: „tweede BMO-criterium”), aangezien zij over een duidelijke basisboekhouding beschikt die alle terreinen bestrijkt en die wordt voorbereid volgens de Hong Kong Financial Reporting Standards (Hong Kong standaarden voor financiële verslaglegging; hierna: „HKFRS”), die gelijkwaardig zijn aan de International Financial Reporting Standards (internationale standaarden voor financiële verslaglegging). Dit werd zonder voorbehoud bevestigd door PricewaterhouseCoopers (hierna: „PwC”), die verantwoordelijk is voor de controle van haar boekhouding. |
|
56 |
De voorlopige verordening spreekt in de overwegingen 26 en 36 over „tekortkomingen” wat de naleving van het tweede BMO-criterium betreft, maar erkent in overweging 28 wel dat de boekhouding van Changmao is opgesteld in overeenstemming met de HKFRS. In overweging 20 van de litigieuze verordening staat louter dat Changmao in verband met dit criterium geen nieuwe bewijzen heeft verstrekt en evenmin nieuwe argumenten heeft aangevoerd, wat trouwens niet klopt, gelet op de documenten die zij na de voorlopige bevindingen heeft overgelegd. |
|
57 |
In de voorlopige verordening en de litigieuze verordening wordt dus nergens specifiek vastgesteld dat de boekhouding van Changmao onbetrouwbaar of onnauwkeurig is of materiële fouten tegen de IAS bevat. De Commissie heeft op 6 januari 2016 tijdens de hoorzitting bij de raadadviseur-auditeur integendeel erkend dat PwC bij brief van 22 december 2015 een advies had verleend waarin geen bedenkingen rond de eerlijkheid of de betrouwbaarheid van de boekhouding werden geuit. |
|
58 |
Het Gerecht heeft de feiten dus onjuist opgevat waar het in de punten 69 en 87 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie terecht had besloten dat gezien de door de accountants ontdekte fouten niet met zekerheid kon worden gesteld dat de boekhouding van Changmao waarheidsgetrouw was. Het Gerecht mocht haar grief dus niet afwijzen in punt 70 van dat arrest. |
|
59 |
Daarnaast heeft het Gerecht in de punten 60 tot en met 68 van dat arrest geen rekening gehouden met de gedetailleerde commentaren uit een PwC‑audit over haar boekhoudkundige praktijken wat waardevermindering van materiële en immateriële activa betreft. Deze praktijken voldoen aan de vereisten van IAS 36. |
|
60 |
Ten eerste betoogt Changmao dat de hybride kegelvormige droger niet op zichzelf contante ontvangsten genereert, zodat zij de realiseerbare waarde ervan mocht vaststellen onder verwijzing naar de productiefaciliteit waarvan deze droger deel uitmaakt. Gelet op de leden 22, 66 en 67 van IAS 36 hoeft die realiseerbare waarde niet apart te worden opgenomen, in tegenstelling tot wat het Gerecht heeft geoordeeld in punt 66 van het bestreden arrest. Ook de beoordelingen in de punten 64 en 65 van dat arrest zijn verkeerd, zoals blijkt uit het aanvullende bewijs dat Changmao de Commissie op de hoorzitting van januari 2016 heeft verstrekt. |
|
61 |
Ten tweede beoordeelt zij de realiseerbare waarde van het octrooi voor de productietechnologie van fumaarzuur en DL-appelzuur (hierna: „octrooi”) doorlopend en herziet zij deze waarde wanneer de voorwaarden van lid 10 van IAS 36 zijn vervuld, zoals blijkt uit de aan de Commissie overgelegde documenten. Het Gerecht heeft in punt 67 van het bestreden arrest dus de feiten onjuist opgevat. |
|
62 |
In de tweede plaats betoogt Changmao dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat in punt 54 van het bestreden arrest. Zij heeft in punt 7 van haar verzoekschrift in eerste aanleg immers alleen gesteld dat de Commissie zich niet eenvoudigweg op „vergissingen” kon beroepen om haar een BMO te weigeren, terwijl uit de overeenkomstig de IAS verrichte audit ondubbelzinnig was gebleken dat de boekhouding juist en betrouwbaar was. |
|
63 |
In de derde plaats betoogt zij dat het Gerecht er geen rekening mee heeft gehouden dat zij alle te verifiëren activa had verworven vóór 2003 en dat de Commissie reeds gedetailleerde informatie over deze activa had verkregen en gecontroleerd in eerdere antidumpingonderzoeken waarin Changmao een BMO had verkregen. Anders dan het Gerecht in de punten 78 tot en met 80 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, was het voor de Commissie dus niet onmogelijk om de informatie over die activa op de laatste dag van het controlebezoek te verifiëren. |
|
64 |
Om al deze redenen is Changmao van mening dat het Gerecht in punt 93 van het bestreden arrest het eerste onderdeel van haar eerste middel tot nietigverklaring niet op goede gronden kon afwijzen. |
|
65 |
Bijgevolg is ook de afwijzing, in de punten 97 en 98 van dat arrest, van het tweede onderdeel van dat middel, dat zag op het derde BMO-criterium, zoals bedoeld in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, onrechtmatig en heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dit laatste onderdeel niet te willen onderzoeken. |
|
66 |
Volgens de Commissie is het eerste middel deels niet ter zake dienend, en moet het hoe dan ook in zijn geheel ongegrond worden verklaard. |
b) Beoordeling door het Hof
|
67 |
Met haar eerste middel komt Changmao in wezen op tegen de beoordelingen van het Gerecht met betrekking tot de afwijzing door de Commissie van haar BMO-aanvraag krachtens artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening. |
|
68 |
In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat de normale waarde bij invoer uit landen zonder markteconomie volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, in afwijking van de regels die in de leden 1 tot en met 6 van dit artikel zijn neergelegd, in beginsel aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie wordt vastgesteld [arresten van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C‑249/10 P, EU:C:2012:53, punt 30, en 2 december 2021, Commissie en GMB Glasmanufaktur Brandenburg/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings, C‑884/19 P en C‑888/19 P, EU:C:2021:973, punt 56]. |
|
69 |
Artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening bepaalt evenwel dat de normale waarde bij antidumpingonderzoeken naar invoer uit onder meer China wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van deze verordening, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de in artikel 2, lid 7, onder c), ervan vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden produceren en verkopen [zie in die zin arresten van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C‑249/10 P, EU:C:2012:53, punt 31, en 2 december 2021, Commissie en GMB Glasmanufaktur Brandenburg/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings, C‑884/19 P en C‑888/19 P, EU:C:2021:973, punt 57]. |
|
70 |
In dit verband moet worden benadrukt dat de bewijslast rust op de producent die op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening voor een BMO in aanmerking wenst te komen. Artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, van deze verordening bepaalt dat het verzoek van een dergelijke producent voldoende bewijs – zoals in deze bepaling gespecificeerd – moet bevatten van het feit dat hij op marktvoorwaarden opereert [zie in die zin arresten van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad, C‑249/10 P, EU:C:2012:53, punt 32, en 2 december 2021, Commissie en GMB Glasmanufaktur Brandenburg/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings, C‑884/19 P en C‑888/19 P, EU:C:2021:973, punt 59]. |
|
71 |
Een van die criteria is het tweede BMO-criterium, zoals neergelegd in artikel 2, lid 7, onder c), tweede streepje, van de basisverordening, waar het onderhavige middel over gaat. Het vereist dat de betrokken producent beschikt over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt. |
|
72 |
In de eerste plaats betoogt Changmao in essentie dat zij aan dit criterium voldoet aangezien haar boekhouding in overeenstemming is met de HKFRS en zij IAS 36 correct toepast. Door hier anders over te beslissen heeft het Gerecht artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening geschonden en de feiten onjuist opgevat. |
|
73 |
Ten eerste zij er dienaangaande evenwel aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof uit artikel 256 VWEU en artikel 58, eerste alinea, van zijn Statuut volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof krachtens artikel 256 VWEU bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden. Het Hof is dus noch bevoegd om de feiten vast te stellen, noch in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht daarvoor in aanmerking heeft genomen. Die beoordeling vormt dus geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van die bewijzen [zie in die zin arresten van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 29, en 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punt 33]. |
|
74 |
Wanneer een verzoeker een dergelijke onjuiste opvatting door het Gerecht aanvoert, moet hij overeenkomstig artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof precies aangeven welke bewijzen volgens hem door het Gerecht onjuist zijn opgevat en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid. Het is verder vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste opvatting duidelijk uit de stukken van het dossier moet blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (zie in die zin arresten van 3 september 2009, Moser Baer India/Raad, C‑535/06 P, EU:C:2009:498, punt 33, en 29 april 2021, Fortischem/Commissie, C‑890/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:345, punt 70). |
|
75 |
In casu moet worden geconstateerd dat Changmao met haar in punt 72 van het onderhavige arrest bedoelde betoog noch de uitlegging die het Gerecht in de punten 51 tot en met 53 van het bestreden arrest aan artikel 2, lid 7, onder c), tweede streepje, van de basisverordening heeft gegeven, noch de uitlegging die het in de punten 59 tot en met 63 van dat arrest aan IAS 36 heeft gegeven, ter discussie stelt. |
|
76 |
Haar betoog gaat in werkelijkheid over de conformiteit van haar boekhoudkundige stukken en de naleving van IAS 36, en is dus in essentie gericht tegen de beoordeling die het Gerecht van de regelmatigheid van die stukken en die boeking heeft verricht. Deze beoordeling is feitelijk van aard en kan dus niet aan de orde worden gesteld in het stadium van de hogere voorziening, behalve indien er sprake is van een onjuiste opvatting. Changmao stelt weliswaar dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat, maar geeft niet precies aan welke feiten, en in welke zin het Gerecht deze onjuist zou hebben opgevat. |
|
77 |
Dit betoog is bijgevolg niet-ontvankelijk. |
|
78 |
Ten tweede dient, voor zover Changmao het Gerecht met haar in punt 56 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog tracht te verwijten niet te hebben geconstateerd dat de Commissie een fout had begaan door haar bevindingen over het tweede BMO-criterium louter te steunen op niet-gestaafde „tekortkomingen”, in herinnering te worden gebracht dat het Hof in hogere voorziening in beginsel enkel bevoegd is om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven ten aanzien van de middelen die voor de feitenrechter zijn behandeld (arrest van 9 november 2017, SolarWorld/Raad, C‑204/16 P, EU:C:2017:838, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
79 |
Aangezien Changmao dit argument niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, is het niet-ontvankelijk. |
|
80 |
Dit argument is hoe dan ook ongegrond. Uit de dossierstukken waarover het Hof beschikt, blijkt namelijk duidelijk dat de Commissie en Changmao uitvoerig over het tweede BMO-criterium hebben gediscussieerd tijdens de procedure die tot de vaststelling van de litigieuze verordening heeft geleid, en dat de Commissie daarbij duidelijk heeft aangegeven waarom zij van mening was dat Changmao niet aan dit criterium voldeed. |
|
81 |
In de tweede plaats zij er, wat de vermeende onjuiste opvatting van de feiten in punt 54 van het bestreden arrest betreft, op gewezen dat het Gerecht in dit punt heeft opgemerkt dat Changmao leek te stellen dat eventuele „boekhoudkundige fouten” geen obstakel voor een BMO waren. Het klopt dat het Gerecht hier andere bewoordingen heeft gebruikt dan Changmao in punt 7 van het verzoekschrift in eerste aanleg, waarin zij aanvoerde dat zelfs indien er „boekhoudkundige vergissingen” zouden zijn begaan, de Commissie misbruik had gemaakt van haar bevoegdheden doordat zij het standpunt had ingenomen dat simpele boekhoudkundige fouten een reden waren om een BMO te weigeren. Niettemin moet worden opgemerkt dat het Gerecht de essentie van dit betoog goed heeft begrepen en het ten gronde heeft onderzocht. Op basis van de terminologische verschillen kan dus niet worden vastgesteld dat het de argumenten van Changmao onjuist heeft opgevat. |
|
82 |
Wat in de derde plaats de argumenten tegen de punten 78 tot en met 80 van het bestreden arrest betreft, moet worden opgemerkt dat deze punten deel uitmaken van het onderzoek door het Gerecht van de conclusie van de Commissie dat Changmao tijdens het controlebezoek aan haar bedrijfsruimten bepaalde documenten te laat ter verificatie had overgelegd. Het Gerecht heeft in punt 79 van het bestreden arrest geconstateerd dat de beslissing van de Commissie om een BMO te weigeren, niet steunde op het feit dat Changmao bepaalde documenten te laat had verstrekt. |
|
83 |
Changmao komt niet specifiek op tegen deze vaststelling van het Gerecht. Haar betoog dat de Commissie dankzij eerdere onderzoeken het nodige had kunnen verifiëren, doet bijgevolg niet ter zake. |
|
84 |
Zelfs gesteld dat Changmao met dit betoog wil aanvoeren dat het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat zij eerdere beslissingen van de Commissie niet kon aanhalen om de vaststellingen in de litigieuze verordening aan te vechten, is dit betoog ongegrond. Volgens vaste rechtspraak van het Hof beschikt de Commissie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, immers over een ruime beoordelingsvrijheid wegens de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die zij moet onderzoeken [zie in die zin arrest van 2 december 2021, Commissie en GMB Glasmanufaktur Brandenburg/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings, C‑884/19 P en C‑888/19 P, EU:C:2021:973, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Handelaars kunnen er niet rechtmatig op vertrouwen dat een bestaande situatie die een instelling van de Unie in het kader van haar beoordelingsvrijheid kan wijzigen, wordt gehandhaafd (zie naar analogie arresten van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, EU:C:1991:186, punten 113 en 120, en 10 maart 1992, Canon/Raad, C‑171/87, EU:C:1992:106, punt 41). |
|
85 |
Wat tot slot de argumenten tegen de punten 97 en 98 van het bestreden arrest betreft, zij erop gewezen dat het Gerecht in deze punten het tweede onderdeel van het eerste middel van Changmao in eerste aanleg, waarmee zij opkwam tegen de bevindingen van de Commissie over het derde BMO-criterium – zoals bedoeld in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening –, heeft afgewezen als niet ter zake dienend. Het Gerecht heeft er in punt 96 van dat arrest namelijk aan herinnerd dat de in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening gestelde BMO-voorwaarden cumulatief zijn, wat Changmao in deze hogere voorziening niet betwist. In deze zin heeft het Gerecht, na er in punt 97 van dat arrest op te hebben gewezen dat Changmao niet met succes had aangetoond dat de Commissie een fout had begaan waar zij meende dat niet aan het tweede BMO-criterium was voldaan, in punt 98 ervan geoordeeld dat dat tweede onderdeel geen doel diende. |
|
86 |
Aangezien Changmao evenmin voor het Hof heeft aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar betoog inzake schending door de Commissie van de regels rond het tweede BMO-criterium af te wijzen, moeten haar argumenten tegen de punten 97 en 98 van het bestreden arrest ongegrond worden verklaard. |
|
87 |
Het eerste middel moet dan ook deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard. |
2. Tweede middel
a) Argumenten van partijen
|
88 |
Met haar tweede middel verwijt Changmao het Gerecht in de punten 113, 115 tot en met 118, 125, 126 en 128 tot en met 130 van het bestreden arrest blijk te hebben gegeven van onjuiste opvattingen van het recht en van de feiten door te oordelen dat de Commissie artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, artikel 6, lid 8, van verordening 2016/1036 en artikel 9, lid 4, van de basisverordening of het beginsel van behoorlijk bestuur niet had geschonden en evenmin was tekortgeschoten in haar zorgvuldigheidsplicht door de producent van het referentieland niet om een gedetailleerd overzicht van zijn exporttransacties te vragen. |
|
89 |
In de eerste plaats heeft het Gerecht artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening geschonden. Overeenkomstig deze bepaling moet de Commissie voor de vaststelling van de normale waarde rekening houden met de verkoop van de producent uit het referentieland op de binnenlandse markt of, indien dat onmogelijk is, met diens uitvoerverkoop. Pas in laatste instantie kan zij zich baseren op de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de Unie. |
|
90 |
De Commissie was in casu van mening dat zij niet kon vertrouwen op de binnenlandse verkoop van de Japanse producent – de producent uit het referentieland – en evenmin op diens uitvoerverkoop, en heeft daarom de normale waarde bepaald aan de hand van de verkopen van de Unieproducent, die een volledige dochteronderneming van de Japanse producent is. De Commissie heeft bij die producent gedetailleerde overzichten van al zijn verkooptransacties opgevraagd, maar enkel voor de binnenlandse verkoop. Hoewel zij deze overzichten onbetrouwbaar vond, heeft zij genoegen genomen met een samenvatting van de financiële exportresultaten van deze producent, die in tabel nr. 15 van zijn antwoord op de antidumpingvragenlijst stond. Deze tabel is onvoldoende gedetailleerd. Anders dan het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, kon uit de tabel niet worden afgeleid dat „de gehele” uitvoerverkoop duidelijk verliesgevend was, maar enkel dat die verkoop „in zijn geheel genomen” verliesgevend was. Punt 113 geeft dus blijk van een onjuiste opvatting van de feiten. |
|
91 |
Volgens Changmao kan zonder een overzicht van de uitvoerverkopen waarin elke transactie afzonderlijk wordt vermeld, niet worden uitgesloten dat bepaalde exporttransacties van de Japanse producent naar derde landen of naar de Unie voldoende betrouwbaar waren om als basis te dienen voor de bepaling van de normale waarde. De Commissie had hem dus om een dergelijk overzicht moeten verzoeken. |
|
92 |
Changmao leidt daaruit af dat de Commissie, anders dan het Gerecht in de punten 115, 116, 128 en 129 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening heeft geschonden, niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd en het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. |
|
93 |
In de tweede plaats betoogt Changmao onder verwijzing naar punt 125 van het bestreden arrest dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie de krachtens artikel 6, lid 8, van verordening 2016/1036 op haar rustende verplichtingen was nagekomen. |
|
94 |
In de derde plaats voert zij aan dat, indien de Commissie geen fouten had gemaakt, haar dumpingmarge naar alle waarschijnlijkheid lager zou zijn geweest, en mogelijkerwijs lager zou zijn geweest dan de schademarge. Het Gerecht heeft in dit verband blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest te oordelen dat zij het bewijs had moeten leveren dat de dumpingmarge lager zou zijn geweest dan de schademarge. Deze benadering berust op een onjuiste lezing van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening en is in strijd met de rechtspraak van het Hof volgens welke de Commissie ambtshalve alle beschikbare informatie moet onderzoeken. |
|
95 |
De Commissie antwoordt hierop dat het tweede middel niet ter zake dienend is, en hoe dan ook deels niet-ontvankelijk, deels niet ter zake dienend en deels ongegrond moet worden verklaard. |
b) Beoordeling door het Hof
|
96 |
In de eerste plaats betoogt Changmao dat het Gerecht in de punten 115, 116, 128 en 129 van het bestreden arrest artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening heeft geschonden en ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie de nodige zorgvuldigheid aan de dag had gelegd en het beginsel van behoorlijk bestuur had nageleefd. |
|
97 |
In artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening is bepaald welke methode in afwijking van de regels in de leden 1 tot en met 6 van dit artikel moet worden toegepast om de normale waarde vast te stellen bij invoer uit landen zonder markteconomie. |
|
98 |
Gelet op de bewoordingen en de opzet van deze bepaling is de hoofdmethode om de normale waarde te berekenen bij invoer uit landen zonder markteconomie, de methode van het referentieland, namelijk aan de hand van „de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie”, of „de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de [Unie]”. Voor het geval „dit niet mogelijk is”, geldt een alternatieve methode, waarbij de normale waarde wordt vastgesteld „op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de [Unie], indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge”. Hieruit volgt dat de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie bij de keuze van een referentieland niet de mogelijkheid inhoudt om af te wijken van het vereiste om te kiezen voor een derde land met een markteconomie wanneer dit mogelijk is (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punten 24 en 26). |
|
99 |
Ingevolge artikel 2, lid 7, onder a), tweede alinea, van de basisverordening wordt een geschikt derde land met markteconomie op redelijke wijze geselecteerd, met inachtneming van alle betrouwbare informatie die op het tijdstip van de selectie beschikbaar is. Het staat namelijk aan de Commissie om, rekening houdend met de beschikbare alternatieven, te trachten een derde land te vinden waar de prijs van een gelijksoortig product wordt vastgesteld in omstandigheden die zo vergelijkbaar mogelijk zijn met die in het uitvoerland, op voorwaarde dat het een land met een markteconomie betreft (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 21). |
|
100 |
In het kader van het rechterlijk toezicht op de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid die de Commissie heeft wat de keuze van het referentieland betreft, moet in het bijzonder worden nagegaan of deze instelling bij de beoordeling van de geschiktheid van het gekozen land wezenlijke factoren buiten beschouwing heeft gelaten en of de gegevens van het dossier zo nauwgezet zijn onderzocht, dat de normale waarde kan worden geacht op passende en niet onredelijke wijze te zijn vastgesteld (arresten van 22 oktober 1991, Nölle, C‑16/90, EU:C:1991:402, punten 12 en 13, en 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 22). |
|
101 |
In casu heeft het Gerecht in de punten 112 tot en met 114 van het bestreden arrest benadrukt dat zowel uit de litigieuze verordening als uit de uitleg van de Commissie bleek dat de door de Japanse producent verstrekte gegevens onbetrouwbaar waren, onder meer omdat zijn winstmarges te sterk en zonder goede reden uiteenliepen naargelang de soort en de grootte van de afnemer, de gehele binnenlandse verkoop van deze producent winstgevend was terwijl de volledige uitvoerverkoop duidelijk verliesgevend was, en de belanghebbende partijen, waaronder Changmao, na de voorlopige bevindingen ongerust waren over de keuze voor Japan als referentieland. |
|
102 |
In het licht van deze omstandigheden – waarvan de eerste en de derde niet door Changmao worden betwist – heeft het Gerecht in de punten 115 en 116 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening niet had geschonden door voor de vaststelling van de normale waarde van het betrokken product de gegevens van de bedrijfstak van de Unie te gebruiken, aangezien de op het moment van de keuze beschikbare informatie niet betrouwbaar was en tot een ongeschikte en onredelijke keuze van het referentieland dreigde te leiden. |
|
103 |
In dezelfde context heeft het Gerecht in de punten 128 en 129 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie geen gebrek aan zorgvuldigheid kon worden verweten. Het Gerecht is tot deze conclusie gekomen op basis van een reeks feitelijke elementen, die zijn uiteengezet in de punten 120 tot en met 124 en 127 van dat arrest en die Changmao niet betwist. Deze elementen zijn het beperkt aantal aspartaamproducerende landen, het verloop van het onderzoek van de Commissie en de opmerkingen die deze heeft kunnen verkrijgen. |
|
104 |
Het Gerecht heeft zodoende geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
105 |
Het is juist dat, zoals Changmao stelt, de Commissie volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, waarvan de draagwijdte in punt 98 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de normale waarde enkel wanneer de methode van het referentieland onmogelijk is, kan vaststellen op een andere redelijke grondslag. |
|
106 |
Anders dan Changmao betoogt, volgt daaruit echter nog niet dat de Commissie in de omstandigheden van de onderhavige zaak gehouden was om bij de Japanse producent gedetailleerde informatie over zijn exporttransacties op te vragen. |
|
107 |
In deze omstandigheden en gelet op de onbetrouwbaarheid van de gedetailleerde informatie die deze producent over zijn binnenlandse verkoop had verstrekt en van de meer summiere informatie over zijn uitvoerverkoop, was het immers noch ongepast, noch onredelijk voor de Commissie om de normale waarde op een andere redelijke grondslag vast te stellen overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening en de in de punten 99 en 100 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof. De Commissie kon aldus handelen zonder eerst gedetailleerdere informatie over die uitvoerverkoop op te vragen. |
|
108 |
Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 115 en 116 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat de Commissie artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening niet had geschonden door ter bepaling van de normale waarde van het betrokken product de gegevens van de bedrijfstak van de Unie te gebruiken, zelfs zonder eerst gedetailleerde informatie over de uitvoerverkoop van de Japanse producent op te vragen. |
|
109 |
De omstandigheid dat het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest algemeen heeft vastgesteld dat volgens de uitleg van de Commissie uit het overzicht van de Japanse producent bleek dat „de gehele uitvoerverkoop [van deze producent] duidelijk verliesgevend was” terwijl deze verkoop, zoals Changmao terecht aangeeft, volgens die uitleg „in zijn geheel genomen” verliesgevend was, kan op zichzelf niet afdoen aan de conclusie in het vorige punt. Deze onnauwkeurigheid in punt 113 van dat arrest doet immers niets af aan de overweging dat de door de Japanse producent overgelegde gegevens over het geheel genomen niet betrouwbaar waren. In het licht van deze overweging kon de Commissie in de door het Gerecht genoemde omstandigheden de normale waarde vaststellen aan de hand van de gegevens van de Unie. |
|
110 |
In de tweede plaats moet, afgezien van het feit dat het Gerecht zich in punt 125 van het bestreden arrest geenszins heeft uitgesproken over artikel 6, lid 8, van verordening 2016/1036, worden vastgesteld dat Changmao pas in hogere voorziening aanvoert dat deze bepaling is geschonden. Overeenkomstig de in punt 78 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak is deze bewering dan ook niet-ontvankelijk. |
|
111 |
In de derde plaats moet worden geconstateerd dat het Gerecht in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest een motivering ten overvloede geeft voor de afwijzing van het tweede middel van het beroep in eerste aanleg. Deze motivering wordt immers ingeleid met „bovendien”, en het Gerecht heeft daar in essentie het argument van Changmao dat de Commissie bij voorkeur de uitvoerprijzen van de producent in het referentieland had moeten gebruiken, niet ter zake dienend mee verklaard, aangezien het in punt 116 van het bestreden arrest reeds ongegrond was verklaard. |
|
112 |
Bijgevolg zijn de argumenten van Changmao tegen de punten 117 en 118 van dat arrest niet ter zake dienend. |
|
113 |
Gelet op het voorgaande moet het tweede middel deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels niet ter zake dienend worden verklaard. |
3. Derde middel
a) Argumenten van partijen
|
114 |
Met haar derde middel komt Changmao op tegen de punten 141 tot en met 144, 152, 153 en 155 tot en met 162 van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft volgens haar in deze punten ten onrechte geoordeeld dat de Commissie noch artikel 2, lid 10, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening, noch artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst had geschonden door haar verzoeken om correcties voor de berekening van de dumpingmarge af te wijzen. Dit middel bestaat uit drie onderdelen. |
1) Eerste onderdeel
|
115 |
Met het eerste onderdeel van haar derde middel stelt Changmao dat het Gerecht „feiten onjuist heeft opgevat rond het concept ‚bewijs’”. |
|
116 |
Volgens haar heeft zij de Commissie tijdens de onderzoeksprocedure gevraagd om krachtens artikel 2, lid 10, onder a), b), e) tot en met h), en k), van de basisverordening prijscorrecties toe te passen omdat verschillen op het gebied van het productieproces van aspartaam, wettelijke vereisten, dienstverlening na verkoop, energieprijzen, arbeidskosten, toegang tot grondstoffen, octrooiheffingen en knowhow, verpakkingskosten en vervoer over zee, verzekering, lading en bank‑ en kredietkosten, van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de voor de bepaling van de normale waarde gehanteerde Unieprijzen en de uitvoerprijs. |
|
117 |
De Commissie heeft alle verlangde correcties – die zouden hebben geleid tot een stijging van de uitvoerprijzen of een daling van de normale waarde – geweigerd op grond dat Changmao niet had bewezen dat „afnemers door die verschillen systematisch andere prijzen betalen op de binnenlandse markt”. Zij heeft daarentegen wel correcties toegepast die ten nadele van Changmao een daling van de uitvoerprijzen en een stijging van de normale waarde hebben veroorzaakt, zonder een dergelijk bewijs te verlangen, wat neerkomt op een willekeurig verschil in behandeling. |
|
118 |
Changmao is van mening dat zij, anders dan het Gerecht in de punten 141 tot en met 144 van het bestreden arrest heeft geoordeeld en waardoor het de feiten onjuist heeft opgevat, wel degelijk bewijzen heeft aangedragen ter ondersteuning van de verlangde correcties. Zij heeft immers alle factoren geïdentificeerd en aangehaald die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen en aangetoond dat elk van deze factoren gevolgen had voor de prijzen. |
|
119 |
Bovendien komen de door Changmao verstrekte bewijzen overeen met de vaststellingen die de Commissie in overweging 80 van de voorlopige verordening en overweging 76 van de litigieuze verordening heeft gedaan, namelijk dat de gewogen gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie per aspartaamsoort tijdens het onderzoektijdvak 21,1 % hoger lag dan de prijs voor ingevoerde vergelijkbare productsoorten. |
|
120 |
Voorts had Changmao niet de bewijzen kunnen leveren die volgens de benadering van het Gerecht noodzakelijk zouden zijn geweest, aangezien het om vertrouwelijke documenten ging waartoe zij geen toegang had. De Commissie had daarentegen wel toegang tot deze documenten. |
|
121 |
De Commissie acht deze argumenten, die hoofdzakelijk betrekking hebben op de administratieve procedure, niet relevant in het stadium van de hogere voorziening. Volgens haar is het eerste onderdeel van het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. |
2) Tweede onderdeel
|
122 |
Het tweede onderdeel van het derde middel van Changmao omvat twee grieven, waarmee wordt gesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van twee onjuiste rechtsopvattingen. |
|
123 |
Met de eerste grief verwijt zij het Gerecht in de punten 151 en 153 van het bestreden arrest een onjuiste uitlegging van artikel 2, lid 10, van de basisverordening te hebben gehanteerd door eraan voorbij te gaan dat volgens het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO de exporteur die geen BMO geniet, zo constructief mogelijk moet aantonen welke feiten een correctie noodzakelijk maken, en de Commissie de verlangde correcties moet beoordelen en toekennen op basis van marktinformatie die geen vertekend beeld geeft. |
|
124 |
In casu heeft Changmao haar correctieverzoek niet gestaafd met haar eigen productiekosten in China, anders dan het Gerecht in punt 151 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, waar het de door haar overgelegde bewijzen – waaruit bleek dat de verschillen in de kosten van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen – ten onrechte in verband heeft gebracht met het feit dat de kosten in China een vertekend beeld gaven. De Commissie had moeten proberen van de producent in de Unie de gegevens te verkrijgen die nodig waren om de verlangde correcties toe te passen en een schatting te maken van de kostenverschillen in de Unie op het vlak van grondstoffen, productieprocessen, het naleven van de regelgeving, vervoer en verzekering, invoerrechten, octrooiheffingen en verpakking. |
|
125 |
Changmao is in dit verband van mening dat de omstandigheden van de onderhavige zaak wezenlijk verschillen van die van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 juli 2019, Shanxi Taigang Stainless Steel/Commissie (C‑436/18 P, EU:C:2019:643). |
|
126 |
Zij voegt daar onder verwijzing naar artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst aan toe dat de normale waarde en de uitvoerprijs altijd op billijke wijze moeten worden vergeleken, ook wanneer de normale waarde wordt vastgesteld op basis van een derde land met markteconomie en wanneer de betrokken exporteur geen BMO heeft verkregen. Van een exporteur als Changmao verlangen dat hij bewijst dat afnemers wegens de gestelde verschillen in de productiekosten systematisch een andere prijs betalen op de binnenlandse markt, staat elke correctie in de weg. Deze onjuiste benadering van de Commissie en het Gerecht is in strijd met het WTO-recht, de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie en de praktijk van de instellingen van de Unie. |
|
127 |
Met de tweede grief betoogt Changmao dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties afhankelijk stelt van de voorwaarde dat afnemers door de betrokken verschillen systematisch andere prijzen betalen op de binnenlandse markt. Een dergelijke voorwaarde wordt alleen in artikel 2, lid 10, onder k), van deze verordening specifiek gesteld, maar niet op algemene wijze in artikel 2, lid 10, onder a) tot en met j), ervan. Deze voorwaarde komt niet voor in artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst, volgens hetwelk de bewijslast van de belanghebbenden niet onredelijk mag zijn. Die voorwaarde legt exporteurs die niet afkomstig zijn uit een markteconomie echter een onredelijke bewijslast op, aangezien zij niet beschikken over de gegevens van de producent uit het referentieland die voor de vaststelling van de normale waarde worden gebruikt. |
|
128 |
Changmao verduidelijkt in haar repliek dat zij zich voor het Gerecht wel degelijk op het WTO-recht heeft beroepen, zoals uit de punten 31 en 33 en de voetnoten nrs. 24 tot en met 26 van de repliek in eerste aanleg blijkt. |
|
129 |
Volgens de Commissie moeten al deze argumenten worden afgewezen. De eerste grief, waarmee op grond van het WTO-recht wordt opgekomen tegen de punten 151 tot en met 153 van het bestreden arrest, is niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond, en de tweede grief is ongegrond. |
3) Derde onderdeel
|
130 |
Met het derde onderdeel van haar derde middel bekritiseert Changmao om te beginnen de punten 155 tot en met 160 van het bestreden arrest. De overwegingen van het Gerecht in deze punten bevatten procedurele fouten en schendingen van haar rechten van verdediging alsook van de verplichtingen van de Commissie inzake behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid. Het Gerecht heeft in deze context ook artikel 20, leden 2 en 4, van verordening 2016/1036 en de artikelen 6.2, 6.4, 12.2.1 en 12.2.2 van de antidumpingovereenkomst geschonden. |
|
131 |
Volgens Changmao bevat punt 155 van het bestreden arrest, gelet op die bepalingen, een fout, aangezien de Commissie haar niet heeft uitgelegd waarom zij de bewijzen rond de verschillen qua fysieke kenmerken van de producten van de producent uit de Unie, die te wijten zijn aan verschillen in wettelijke voorschriften, had afgewezen. Bovendien heeft de Commissie haar in strijd met artikel 6.4 van de antidumpingovereenkomst een termijn van slechts tien dagen gelaten om opmerkingen in te dienen over de wijziging in de keuze van de referentieproducent, die laat in de procedure heeft plaatsgevonden. De producent van de Unie heeft onvoldoende informatie verstrekt. |
|
132 |
Voorts komt Changmao op tegen punt 207 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht volgens haar ten onrechte heeft geweigerd de maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie te treffen waar zij in het kader van haar middel over de correcties om had verzocht en die noodzakelijk waren voor haar effectieve rechterlijke bescherming. |
|
133 |
Tot slot beklemtoont Changmao onder verwijzing naar artikel 9, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening dat de verlangde correcties het mogelijk zouden hebben gemaakt haar dumpingmarge terug te brengen tot onder het niveau van de schademarge. |
|
134 |
Volgens de Commissie dient dit derde onderdeel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te worden verklaard. |
b) Beoordeling door het Hof
|
135 |
Binnen het derde middel, waarmee een onjuiste opvatting van de feiten, onjuiste rechtsopvattingen en procedurefouten worden aangevoerd, dienen eerst het eerste onderdeel en de tweede grief van het tweede onderdeel, vervolgens het derde onderdeel en tot slot de eerste grief van het tweede onderdeel te worden onderzocht. |
1) Eerste onderdeel en tweede grief van het tweede onderdeel
|
136 |
Met dit onderdeel en deze grief verwijt Changmao het Gerecht in wezen dat het feiten onjuist heeft opgevat en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij het onderzoek, in de punten 141 tot en met 144 van het bestreden arrest, van haar argumenten tegen de afwijzing door de Commissie van de correcties waar zij op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening om had verzocht. |
|
137 |
Volgens deze bepaling moet, wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs niet op billijke wijze kunnen worden vergeleken, door middel van correcties rekening worden gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en dientengevolge op de vergelijkbaarheid daarvan. |
|
138 |
Volgens de rechtspraak van het Hof blijkt zowel uit de tekst als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van de basisverordening dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen kan worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen betreffende factoren die van invloed zijn op de twee prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan, teneinde ervoor te zorgen dat de prijzen in hetzelfde handelsstadium worden vergeleken (zie in die zin arresten van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 53, en 4 mei 2017, RFA International/Commissie, C‑239/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:337, punt 42). |
|
139 |
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt tevens dat een partij die op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening om correcties verzoekt teneinde de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge, het bewijs moet leveren dat haar verzoek gerechtvaardigd is. Aldus rust de bewijslast ten aanzien van de toepassing van de specifieke correcties die worden opgesomd in artikel 2, lid 10, onder a) tot en met k), van de basisverordening, op degenen die zich daarop willen beroepen, ongeacht om wie het gaat (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punten 58 en 60). Bijgevolg moet de partij die zich op een dergelijke correctie wenst te beroepen, aantonen dat de factor waarvoor om correctie wordt gevraagd, de prijzen en dus de prijsvergelijkbaarheid beïnvloedt. |
|
140 |
In casu heeft het Gerecht in de punten 139 en 141 tot en met 143 van het bestreden arrest in essentie geoordeeld dat Changmao moest aantonen dat haar krachtens artikel 2, lid 10, van de basisverordening ingediende verzoek om correcties gerechtvaardigd was en dat de door haar aangevoerde kostenverschillen tot uiting kwamen in prijsverschillen. Het heeft er daarbij op gewezen dat zij niet opkwam tegen de vaststelling in overweging 49 van de litigieuze verordening dat zij geen bewijs voor haar correctieverzoek had geleverd. Derhalve heeft het Gerecht in punt 144 van dat arrest geoordeeld dat Changmao de Commissie niet kon verwijten artikel 2, lid 10, van de basisverordening te hebben geschonden door te weigeren de met het oog op de vaststelling van de dumpingmarge verlangde correcties toe te passen. |
|
141 |
Deze overwegingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
142 |
Ten eerste heeft het Gerecht, anders dan Changmao stelt, terecht geoordeeld dat zij ter ondersteuning van haar verzoek om correcties moest aantonen dat de aangevoerde kostenverschillen de prijzen en dus de prijsvergelijkbaarheid beïnvloedden, wat in lijn is met zowel de bewoordingen en de opzet van artikel 2, lid 10, van de basisverordening als de rechtspraak van het Hof die in de punten 138 en 139 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht. |
|
143 |
Ten tweede komen de in de punten 116 en 117 van dit arrest samengevatte argumenten van Changmao, voor zover zij daarmee lijkt aan te voeren dat zij, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, wel degelijk het bewijs had geleverd dat haar correctieverzoeken krachtens artikel 2, lid 10, van de basisverordening gerechtvaardigd waren, in werkelijkheid neer op een verzoek aan het Hof om de feiten en het bewijsmateriaal opnieuw te beoordelen. Aangezien zij niet aantoont en zelfs niet aanvoert dat deze feiten en bewijzen onjuist zijn opgevat, is dit betoog niet-ontvankelijk, overeenkomstig de in punt 73 van het onderhavige arrest aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof. |
|
144 |
Waar Changmao voorts lijkt te stellen dat het Gerecht het begrip „bewijs” verkeerd heeft opgevat, verwart zij een bewering of een verklaring rond de feitelijke omstandigheden op basis van eenvoudige vermoedens, met een bewijs van de juistheid van deze omstandigheden. Naast het feit dat zij voor het Hof slechts beweringen doet zonder deze te staven met bewijsstukken waarmee de vermeende kostenverschillen en de gevolgen daarvan voor de prijsvergelijkbaarheid kunnen worden geverifieerd en vastgesteld in de zin van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, noemt zij geen bewijsstukken die het Gerecht niet in aanmerking heeft genomen of onjuist heeft opgevat. |
|
145 |
Ten derde tracht Changmao haar correctieverzoeken ten onrechte te rechtvaardigen aan de hand van overweging 76 van de litigieuze verordening, waarin de Commissie heeft vastgesteld dat de gewogen gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie per aspartaamsoort 21,1 % hoger lag dan de prijzen van vergelijkbare ingevoerde productsoorten. Dit prijsverschil geeft immers de prijsonderbiedingsmarge weer en is een aspect van de bepaling van het bestaan van door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. Zoals de advocaat-generaal in punt 151 van zijn conclusie heeft opgemerkt, valt uit voormelde overweging daarentegen geenszins op te maken dat de prijsonderbiedingsmarge werd veroorzaakt door verschillen in de productiekosten. |
|
146 |
Gelet op het voorgaande moeten het eerste onderdeel en de tweede grief van het tweede onderdeel van het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard. |
2) Derde onderdeel
|
147 |
Met het derde onderdeel van haar derde middel betwist Changmao de punten 155 tot en met 160 en 207 van het bestreden arrest op grond dat het Gerecht, door haar argumenten over de onredelijke bewijslast af te wijzen, haar rechten van verdediging heeft geschonden, voorbij is gegaan aan de verplichtingen inzake behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid van de Commissie, en de artikelen 6.2, 6.4, 12.2.1 en 12.2.2 van de antidumpingovereenkomst alsook artikel 20, leden 2 en 4, van verordening 2016/1036 heeft geschonden. |
|
148 |
Meteen moet worden vastgesteld dat Changmao pas in hogere voorziening heeft gesteld dat de artikelen 6.2, 6.4, 12.2.1 en 12.2.2 van de antidumpingovereenkomst en artikel 20, leden 2 en 4, van verordening 2016/1036 waren geschonden. Zoals de advocaat-generaal in de punten 124 en 125 van zijn conclusie heeft aangegeven, is het derde onderdeel overeenkomstig de in punt 78 van dit arrest aangehaalde rechtspraak dus niet-ontvankelijk voor zover daarmee schending van deze bepalingen wordt aangevoerd. |
|
149 |
Ten gronde betoogt Changmao ten eerste in wezen dat het Gerecht haar in de punten 155 tot en met 160 van het bestreden arrest een onredelijke bewijslast heeft opgelegd en daardoor haar rechten van verdediging heeft geschonden en voorbij is gegaan aan de zorgvuldigheidsplicht van de Commissie en het beginsel van behoorlijk bestuur. |
|
150 |
Het Gerecht heeft in die punten geoordeeld dat Changmao, gelet op de gegevens die de Commissie tijdens het onderzoek had meegedeeld en de bewijslast die in het kader van haar correctieverzoeken op haar rustte, de Commissie niet kon verwijten haar een onredelijke bewijslast te hebben opgelegd. |
|
151 |
Anders dan Changmao lijkt te stellen, is het om te beginnen niet reeds omdat de normale waarde in deze zaak overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening is bepaald op basis van de in de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs, dat de regel voor de bewijslastverdeling, zoals die voortvloeit uit artikel 2, lid 10, van deze verordening en de in de punten 138 en 139 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, moet worden versoepeld. Zoals de advocaat-generaal in punt 140 van zijn conclusie heeft onderstreept, geldt deze regel – namelijk dat de partij die op grond van een van de in artikel 2, lid 10, van de basisverordening genoemde factoren een correctie vraagt, moet aantonen dat deze factor de prijzen en dus de vergelijkbaarheid daarvan beïnvloedt – immers ongeacht de methode die voor de berekening van de normale waarde wordt gehanteerd. |
|
152 |
Voorts stelt Changmao dat wanneer de normale waarde wordt bepaald op basis van de in de Unie betaalde of te betalen prijs, een producent-exporteur van het land waarop het onderzoek betrekking heeft, zijn rechten van verdediging niet ten volle kan uitoefenen, aangezien hij geen toegang heeft tot de gegevens van de bedrijfstak van de Unie, wat in casu bij haar zo was. In de vaststellingen van het Gerecht in de punten 155 en 156 van het bestreden arrest staat echter uitdrukkelijk dat de Commissie blijkens de litigieuze verordening de Chinese producenten-exporteurs gegevens over de producent van de Unie had meegedeeld en dat Changmao de kans had gekregen om deze te becommentariëren. Uit deze vaststellingen – die in deze hogere voorziening niet als zodanig door Changmao worden betwist – kon het Gerecht in punt 159 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting afleiden dat zij de Commissie niet met succes kon verwijten dat zij haar een onredelijke bewijslast had opgelegd en zodoende het beginsel van behoorlijk bestuur en haar rechten van verdediging had geschonden. |
|
153 |
Bijgevolg moeten de door Changmao ter ondersteuning van het derde onderdeel van haar derde middel aangevoerde argumenten volgens welke de punten 155 tot en met 160 van het bestreden arrest fouten bevatten tegen de rechten van de verdediging, de zorgvuldigheidsplicht van de Commissie en het beginsel van behoorlijk bestuur, ongegrond worden verklaard. |
|
154 |
Ten tweede betoogt Changmao dat het Gerecht in punt 207 van het bestreden arrest ten onrechte de door haar verlangde maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie heeft geweigerd. |
|
155 |
In dat punt heeft het Gerecht het beroep in eerste aanleg van Changmao verworpen „zonder dat de door [haar] ingediende verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie hoeven te worden ingewilligd”. |
|
156 |
Er zij aan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven (arresten van 10 juli 2001, Ismeri Europa/Rekenkamer, C‑315/99 P, EU:C:2001:391, punt 19, en 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 28). |
|
157 |
Changmao kan in het stadium van de onderhavige hogere voorziening dus niet met succes opkomen tegen de beslissing van het Gerecht om de in haar geschriften voor het Gerecht voorgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang en maatregelen van instructie niet te treffen. |
|
158 |
Bijgevolg moet het derde onderdeel van het derde middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard. |
3) Eerste grief van het tweede onderdeel
|
159 |
Met deze grief verwijt Changmao het Gerecht in de punten 151 tot en met 153 van het bestreden arrest blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
160 |
Het Gerecht heeft in deze punten verduidelijkt dat aangezien Changmao geen BMO genoot, de haar betreffende gegevens „in elk geval” niet in aanmerking konden worden genomen voor een correctie in de zin van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, dat niet kan worden aangewend om artikel 2, lid 7, onder a), van deze verordening elke werking te ontnemen. |
|
161 |
De woorden „in elk geval” geven aan dat de overwegingen in die punten van het bestreden arrest overwegingen ten overvloede zijn. |
|
162 |
Uit de analyse van het eerste en het derde onderdeel en van de tweede grief van het tweede onderdeel van dit middel blijkt dat Changmao er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de hoofdmotivering, die met name is opgenomen in de punten 141 en 144 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met de punten 155 tot en met 160 ervan, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
163 |
Bijgevolg moet deze grief, zoals de advocaat-generaal in de punten 186 en 187 van zijn conclusie heeft aangegeven, worden afgewezen als niet ter zake dienend, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan. |
|
164 |
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het derde middel in zijn geheel worden afgewezen. |
4. Vierde middel
a) Argumenten van partijen
|
165 |
Met haar vierde middel verwijt Changmao het Gerecht blijk te hebben gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en van een onjuiste opvatting van de feiten waar het in de punten 148 en 150 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie niet gehouden was de in artikel 2, lid 10, van de basisverordening bedoelde correcties toe te passen ter vaststelling van de schade, en daarom haar argumenten inzake schending van artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 9, lid 4, van deze verordening, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de zorgvuldigheidsplicht heeft afgewezen. |
|
166 |
Changmao leidt uit de rechtspraak van het Gerecht af dat om het bestaan van door de bedrijfstak van de Unie geleden schade vast te stellen krachtens artikel 3, lid 2, van die verordening, de uitvoerprijs op billijke wijze moet worden vergeleken met de prijs die de bedrijfstak van de Unie heeft of had moeten verkrijgen uit de verkoop op het grondgebied van de Unie. Volgens haar impliceert een billijke vergelijking dat de prijzen worden vergeleken in hetzelfde handelsstadium, ook rekening houdend met alle kosten die in het desbetreffende handelsstadium worden gemaakt. |
|
167 |
Bij die correcties moet rekening worden gehouden met de tussen de bedrijfstak van de Unie en de exporteurs bestaande verschillen in kosten van klantenservice – die enkel door die eerste wordt verleend –, verpakking, octrooiheffingen of knowhow. De Commissie past die correcties volgens haar praktijk aldus toe door de verkoopprijzen en ‑kosten van de bedrijfstak van de Unie te verminderen voor zover dat nodig is. |
|
168 |
Deze correcties kunnen dan ook zowel op grond van artikel 2, lid 10, onder f) en h), van de basisverordening als op grond van artikel 3, lid 2, ervan worden toegekend. |
|
169 |
Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in de punten 148 en 150 van het bestreden arrest te scharen achter de weigering van de Commissie om de correcties toe te passen waar Changmao aldus onder bijvoeging van het nodige bewijsmateriaal om had verzocht ter vaststelling van het bestaan van schade. Het Gerecht heeft tevens ten onrechte geoordeeld dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur niet had geschonden en de nodige zorgvuldigheid aan de dag had gelegd. Indien de verlangde correcties zouden zijn toegepast, zou de Commissie geen schade hebben kunnen vaststellen of althans op een minder hoge schademarge zijn uitgekomen. Bijgevolg heeft het Gerecht ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de aanpak van de Commissie niet in strijd was met artikel 9, lid 4, van de basisverordening. |
|
170 |
Volgens de Commissie zijn al deze argumenten, naargelang het geval, niet-ontvankelijk dan wel niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond. |
b) Beoordeling door het Hof
|
171 |
Met haar vierde middel verwijt Changmao het Gerecht het recht onjuist te hebben opgevat in de punten 148 en 150 van het bestreden arrest. |
|
172 |
Het Gerecht was in die punten van oordeel dat artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening niet vereisten dat de Commissie ter vaststelling van het bestaan van schade de in artikel 2, lid 10, van deze verordening bedoelde correcties toepaste, en dat Changmao de Commissie dus niet kon verwijten laatstgenoemde bepaling te hebben geschonden door te weigeren de verlangde correcties toe te passen om het bestaan van schade vast te stellen. |
|
173 |
Changmao betoogt in wezen dat om de schade te bepalen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de basisverordening, soortgelijke correcties als die in artikel 2, lid 10, ervan moeten worden toegepast wanneer dit noodzakelijk is voor een billijke vergelijking, dat wil zeggen een vergelijking die in hetzelfde handelsstadium wordt gemaakt tussen de uitvoerprijs en de prijs die de bedrijfstak van de Unie heeft verkregen of had moeten verkrijgen. |
|
174 |
Gesteld al dat artikel 3, lid 2, van de basisverordening ondanks de bewoordingen ervan de Commissie verplicht, zoals Changmao beweert, om ter vaststelling van het bestaan van schade dergelijke correcties toe te passen, dan nog moet in lijn met de advocaat-generaal in punt 206 van zijn conclusie en naar analogie van de in punt 139 van dit arrest aangehaalde rechtspraak worden geoordeeld dat de partij die zich op een correctie beroept, moet bewijzen dat die gerechtvaardigd is. |
|
175 |
Om te beginnen staat vast dat Changmao ter vaststelling van het bestaan van dumping en ter vaststelling van de schade in wezen dezelfde correcties verlangt. Deze correcties werden bij het Gerecht trouwens in een en hetzelfde middel besproken. Zoals uit de punten 140 en 142 tot en met 146 van het onderhavige arrest blijkt, heeft het Gerecht in het kader van zijn soevereine beoordeling van de feiten en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting geoordeeld dat Changmao niet had bewezen dat die correcties noodzakelijk waren. |
|
176 |
Voorts heeft de Commissie de verzoeken om correcties ter vaststelling van het bestaan van schade afgewezen omdat, zoals in overweging 70 van de litigieuze verordening is uiteengezet, uit het onderzoek geen „kwaliteits- of enig ander verschil tussen het betrokken product en het soortgelijke product [is gebleken] dat systematisch in de prijzen tot uitdrukking zou komen”. Zoals de advocaat-generaal in punt 207 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Gerecht deze motivering in wezen gevalideerd. Changmao betwist dit punt enkel in de derde grief van het derde middel in hogere voorziening, die is afgewezen in punt 164 van het onderhavige arrest. |
|
177 |
In die omstandigheden moet het vierde middel als niet ter zake dienend worden afgewezen, zonder dat hoeft te worden uitgemaakt of de Commissie, bij het vaststellen van het bestaan van schade overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de basisverordening, correcties kan en zelfs moet toepassen om te verzekeren dat de prijzen in hetzelfde handelsstadium worden vergeleken. |
5. Vijfde middel
a) Argumenten van partijen
|
178 |
Met haar vijfde middel betoogt Changmao dat de punten 187, 189 tot en met 191, 194, 200, 201 en 203 tot en met 206 van het bestreden arrest blijk geven van onjuiste opvattingen van het recht en van de feiten. |
|
179 |
Dit middel berust op de veronderstelling dat de producent in de Unie en zijn grondstoffenleveranciers, te weten de Japanse producent en leveranciers in de Unie die volledige dochterondernemingen van deze laatste zijn, tot een enkele economische en sociale entiteit behoorden. Changmao leidt daaruit af dat de prijzen die de Unieproducent voor de aankoop van de grondstoffen betaalde, prijzen tussen geassocieerde partijen waren, en doorwerkten in zijn productiekosten en verkoopprijzen. |
|
180 |
Volgens Changmao volgt uit artikel 2, lid 7, onder a), en artikel 3 van de basisverordening dat de Commissie zich er ter vaststelling van dumping en schade op basis van bewijzen van moet vergewissen dat de gehanteerde prijzen betrouwbaar en onvervalst zijn. Volgens artikel 6, lid 8, van verordening 2016/1036 moet zij voor zover mogelijk de inlichtingen van de samenwerkende partijen gebruiken. De leveranciers moeten evenwel het bewijs leveren dat de prijzen van hun aan geassocieerde partijen in de Unie verkochte grondstoffen, marktprijzen zijn. |
|
181 |
In tegenstelling tot de benadering van het Gerecht in de punten 187, 200, 201 en 203 tot en met 206 van het bestreden arrest, is het de gangbare praktijk van de Commissie om de samenwerkende belanghebbenden, zoals de bedrijfstak van de Unie, te vragen om vragenlijsten in te vullen voor hun geassocieerde leveranciers buiten en binnen de Unie. Changmao heeft de door de Commissie voor de grondstoffen gehanteerde prijzen betwist. |
|
182 |
Het Gerecht heeft ook een fout begaan in punt 191 van het bestreden arrest, waarin het heeft geoordeeld dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur had geëerbiedigd en dat haar vaststelling dat de door de leveranciers aan de geassocieerde producent in de Unie aangerekende grondstofprijzen voldeden aan de marktvoorwaarden, op bewijzen was gebaseerd. Volgens Changmao heeft de Commissie niet geverifieerd of de informatie die zij in dit verband uit een algemeen rapport van een Chinese onderneming over Chinese grondstofprijzen had gehaald, juist en betrouwbaar was om zeker te zijn dat dit positief en objectief bewijsmateriaal was. Dit materiaal volstond niet om zich ervan te vergewissen dat de door die leveranciers aangerekende prijzen daadwerkelijk marktprijzen waren. De Commissie had de producent van de Unie kunnen verzoeken een gedetailleerde vragenlijst over die prijzen in te vullen, en de antwoorden kunnen verifiëren. |
|
183 |
Deze verificatieplicht bestaat los van de bewijzen of de verzoeken van de belanghebbenden. Punt 206 van het bestreden arrest is dus verkeerd. |
|
184 |
Changmao voegt daaraan toe dat het arrest van 23 september 2015, Hüpeden/Raad en Commissie (T‑206/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:672), waarnaar wordt verwezen in de punten 187 en 203 van het bestreden arrest, niet relevant is, aangezien de zaak die tot dat arrest heeft geleid, niet ging over de vraag of de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot het bestaan van dumping en schade had uitgeoefend volgens het beginsel van behoorlijk bestuur en de zorgvuldigheidsplicht. |
|
185 |
De Commissie repliceert dat dit middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is. |
b) Beoordeling door het Hof
|
186 |
Volgens artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moeten de aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht. Zo moet, volgens vaste rechtspraak, een hogere voorziening duidelijk aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, anders is de betrokken hogere voorziening of het betrokken middel niet-ontvankelijk (arrest van 20 september 2018, Agria Polska e.a./Commissie, C‑373/17 P, EU:C:2018:756, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
187 |
Een middel waarvan het betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, met name omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die ter zake onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt welke de wezenlijke onderdelen zijn waarop het middel berust, voldoet niet aan die vereisten en moet niet-ontvankelijk worden verklaard (arrest van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 29 juni 2016, Ombudsman/Staelen, C‑337/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:670, punt 22). |
|
188 |
Changmao geeft weliswaar nauwkeurig aan tegen welke punten van het bestreden arrest zij met haar vijfde middel wil opkomen, maar zet niet nauwkeurig en concreet uiteen van welke onjuiste rechtsopvattingen het Gerecht blijk heeft gegeven. |
|
189 |
Bovendien blijkt niet dat Changmao met de in dit middel aangedragen argumenten de motivering van het bestreden arrest betwist. Deze argumenten lijken integendeel hoofdzakelijk bedoeld als kritiek op het gedrag van de Commissie in de procedure die tot de vaststelling van de litigieuze verordening heeft geleid. |
|
190 |
Bijgevolg is het vijfde middel niet-ontvankelijk. |
|
191 |
Aangezien geen van de door Changmao ter ondersteuning van haar hogere voorziening aangevoerde middelen kan slagen, moet deze in haar geheel worden afgewezen. |
Kosten
|
192 |
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. |
|
193 |
Aangezien Changmao in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie. |
|
Het Hof (Vierde kamer) verklaart: |
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Engels.