ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

15 juli 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78/EG – Verbod van discriminatie op grond van handicap – Artikel 2, lid 2, onder a) – Artikel 4, lid 1 – Artikel 5 – Nationale regeling waarbij vereisten inzake het gehoorvermogen worden gesteld aan penitentiair beambten – Niet voldaan aan de minimumgehoordrempels – Absolute onmogelijkheid om de betrokkene in dienst te houden”

In zaak C‑795/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland) bij beslissing van 24 oktober 2019, ingekomen bij het Hof op 29 oktober 2019, in de procedure

XX

tegen

Tartu Vangla,

in tegenwoordigheid van:

Justiitsminister,

Tervise- ja tööminister,

Õiguskantsler,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, A. Kumin, T. von Danwitz (rapporteur), P. G. Xuereb en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

XX, vertegenwoordigd door K. Hanni, vandeadvokaat,

de Õiguskantsler, vertegenwoordigd door O. Koppel,

de Griekse regering, vertegenwoordigd door E.‑M. Mamouna, A. Magrippi en A. Dimitrakopoulou als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en E. Randvere als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 november 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 2, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen XX en de Tartu Vangla (penitentiaire inrichting van Tartu, Estland) naar aanleiding van het besluit van de directeur van deze penitentiaire inrichting om XX te ontslaan omdat hij niet voldeed aan de eisen die aan penitentiair beambten worden gesteld op het gebied van gehoorvermogen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

In de overwegingen 16, 18, 20, 21 en 23 van richtlijn 2000/78 staat te lezen:

„(16)

Maatregelen gericht op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van personen met een handicap vervullen bij de bestrijding van discriminatie op grond van een handicap een belangrijke rol.

[...]

(18)

Deze richtlijn heeft met name niet tot gevolg dat de strijdkrachten, de [politiediensten], het gevangeniswezen of de noodhulpdiensten worden gedwongen om personen in dienst te nemen of te houden die niet de vereiste capaciteiten bezitten om alle taken te kunnen verrichten die zij wellicht zullen moeten vervullen met het oog op de legitieme doelstelling van handhaving van het operationele karakter van deze diensten.

[...]

(20)

Er moeten passende, dat wil zeggen doeltreffende en praktische maatregelen worden getroffen die gericht zijn op aanpassing van de werkplek aan de behoeften van de werknemer met een handicap, bijvoorbeeld aanpassing van gebouwen, uitrusting, arbeidsritme, en taakverdeling, of voorzien in opleidings‑ en integratiemiddelen.

(21)

Wanneer wordt nagegaan of de betrokken maatregelen geen onevenredige belasting veroorzaken, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de financiële en andere kosten, alsmede met de omvang en de financiële middelen van de organisatie of onderneming, en met de mogelijkheid om overheidsgeld of andere vormen van steun te verkrijgen.

[...]

(23)

In een zeer beperkt aantal omstandigheden kan een verschil in behandeling gerechtvaardigd zijn wanneer een met godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verband houdend kenmerk een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem is en het vereiste daaraan evenredig is; in de informatie die de lidstaten aan de Commissie verstrekken, moet aangegeven worden welke omstandigheden het betreft.”

4

Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Doel”, luidt:

„Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

5

In artikel 2 van die richtlijn, met als opschrift „Het begrip discriminatie”, is bepaald:

„1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is er:

a)

‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;

[...]

5.   Deze richtlijn laat de nationale wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden.”

6

Artikel 3 van richtlijn 2000/78, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in lid 1 het volgende:

„Binnen de grenzen van de aan de [Europese Unie] verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

a)

de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie‑ en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen;

[...]

c)

werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;

[...]”

7

Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift „Wezenlijke beroepsvereisten”, bepaalt in lid 1:

„Niettegenstaande artikel 2, leden 1 en 2, kunnen de lidstaten bepalen dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een van de in artikel 1 genoemde gronden berust, geen discriminatie vormt, indien een dergelijk kenmerk, vanwege de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijke en bepalende beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is.”

8

Artikel 5 van die richtlijn, met als opschrift „Redelijke aanpassingen voor gehandicapten”, luidt:

„Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap nageleefd wordt, wordt voorzien in redelijke aanpassingen. Dit houdt in dat de werkgever, naargelang de behoefte, in een concrete situatie passende maatregelen neemt om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen dan wel om een opleiding te genieten, tenzij deze maatregelen voor de werkgever een onevenredige belasting vormen. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake personen met een handicap, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd.”

Ests recht

9

§ 146 van de vangistusseadus (detentiewet) bepaalt:

„(1)   De penitentiair beambte wordt medisch gekeurd om door de dienst veroorzaakte aandoeningen te detecteren en gezondheidsrisico’s te verminderen of weg te nemen, alsmede om vast te stellen dat de betrokken beambte niet lijdt aan een aandoening die hem belet zijn professionele verplichtingen na te komen.

[...]

(4)   De voorschriften inzake de vereisten die gelden voor de gezondheid van de penitentiair beambten en de procedure voor de medische keuring alsook voor de inhoud en de vorm van de gezondheidsverklaring worden vastgesteld bij een door de regering van de Republiek Estland te nemen besluit.”

10

De Vabariigi Valitsuse määrus nr 12 „Vanglateenistuse ametniku tervisenõuded ja tervisekontrolli kord ning tervisetõendi sisu ja vormi nõuded” (besluit nr. 12 van de regering van de Republiek Estland inzake de vereisten die gelden voor de gezondheid van penitentiair beambten en de procedure voor de medische keuring alsook voor de inhoud en de vorm van de gezondheidsverklaring) van 22 januari 2013 (hierna: „besluit nr. 12”), die is vastgesteld op de grondslag van § 146, lid 4, van de detentiewet, is in werking getreden op 26 januari 2013.

11

§ 3 van besluit nr. 12 luidt:

„(1)   Het gezichtsvermogen van de penitentiair beambte dient te voldoen aan de volgende vereisten:

1)

de gezichtsscherpte met correctie mag niet minder zijn dan 0,6 aan het ene oog en niet minder dan 0,4 aan het andere oog;

2)

een normaal gezichtsveld, een normale kleurwaarneming en een normaal nachtzicht.

(2)   De penitentiair beambte mag contactlenzen of een bril dragen.”

12

In § 4 van dat besluit staat te lezen:

„(1)   Het gehoorvermogen van de penitentiair beambte moet voldoende zijn om telefonisch te communiceren alsook om alarmeringen en radiocommunicatie te kunnen horen.

(2)   Bij een medische keuring mag het gehoorverlies aan het oor waarmee de penitentiair beambte het beste hoort in het frequentiebereik 500‑2 000 [Hertz (Hz)] niet meer dan 30 [decibel (dB)] en in het frequentiebereik 3 000‑4 000 Hz niet meer dan 40 dB bedragen. Aan het oor waarmee hij het slechtste hoort, mag het gehoorverlies in het frequentiebereik 500‑2 000 Hz niet meer dan 40 dB en in het frequentiebereik 3 000‑4 000 Hz niet meer dan 60 dB bedragen.”

13

In § 5 van datzelfde besluit is bepaald:

„(1)   De lijst van aandoeningen die de penitentiair beambte beletten zijn professionele verplichtingen na te komen en waarop bij de beoordeling van zijn gezondheidstoestand moet worden gelet, is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

(2)   Het bestaan van een absoluut medisch beletsel staat eraan in de weg dat de betrokkene in dienst treedt als penitentiair beambte of een opleiding volgt die hem voorbereidt op de uitoefening van het beroep van penitentiair beambte. [...]”

14

Bijlage 1 bij besluit nr. 12 bevat een lijst van aandoeningen die de penitentiair beambte beletten zijn professionele verplichtingen na te komen. Wat de „medische beletsels” betreft, wordt een „onder de voorgeschreven norm liggend gehoor” als een „absoluut” medisch beletsel aangemerkt.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15

Verzoeker in het hoofdgeding is gedurende bijna 15 jaar als penitentiair beambte werkzaam geweest in de penitentiaire inrichting van Tartu (Estland). Vanaf 2 december 2002 werkte hij als bewaarder op de „gevangenisafdeling” van die penitentiaire inrichting en vervolgens, vanaf1 juni 2008, als bewaarder op de „observatieafdeling” van diezelfde inrichting. In laatstgenoemde functie had verzoeker onder meer tot taak om – overeenkomstig de instructies – door middel van een volgsysteem toezicht te houden op personen die onder elektronisch toezicht stonden en informatie te verstrekken over deze personen, om toezicht‑ en signaleringsinstallaties te monitoren, om te reageren op en informatie te verstrekken over met name alarmeringen, en om overtredingen van het interne reglement van de penitentiaire inrichting te constateren.

16

Volgens een gezondheidsverklaring van 4 april 2017 voldeed de gehoordrempel van het linkeroor van verzoeker in het hoofdgeding aan de vereisten van besluit nr. 12, terwijl de gehoordrempel van zijn rechteroor tussen 55 en 75 dB bedroeg in het frequentiebereik 500‑2 000 Hz. Volgens verzoeker ging het om gehoorverlies dat reeds dateerde uit zijn kindertijd.

17

Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de directeur van de penitentiaire inrichting van Tartu verzoeker in het hoofdgeding ontslagen op grond van de relevante bepalingen van het Estse recht, waaronder met name § 5 van besluit nr. 12, omdat zijn gehoorvermogen niet voldeed aan de in dat besluit vastgestelde minimumgehoordrempels.

18

Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de Tartu Halduskohus (bestuursrechter in eerste aanleg Tartu, Estland) beroep ingesteld om te doen vaststellen dat dit ontslag onrechtmatig was en om schadevergoeding te verkrijgen, waarbij hij aanvoerde dat besluit nr. 12 een met de põhiseadus (Estse grondwet) en de nationale regelgeving inzake gelijke behandeling strijdige discriminatie op grond van handicap inhield. Dat beroep is bij vonnis van 14 december 2017 verworpen op grond van met name de overweging dat het bij besluit nr. 12 vastgestelde vereiste op het gebied van minimumgehoordrempels een noodzakelijke en gerechtvaardigde maatregel is die ervoor moet zorgen dat de in dienst zijnde penitentiair beambten in staat zijn om al hun taken uit te voeren.

19

Bij arrest van 11 april 2019 heeft de Tartu Ringkonnakohus (rechter in tweede aanleg Tartu, Estland) het hoger beroep van verzoeker in het hoofdgeding toegewezen, bovengenoemd vonnis vernietigd, vastgesteld dat het ontslagbesluit onrechtmatig was en de penitentiaire inrichting van Tartu veroordeeld om verzoeker schadevergoeding te betalen.

20

Volgens die rechter zijn de bepalingen van besluit nr. 12 die betrekking hebben op de vereisten inzake het gehoorvermogen in strijd met het in de Estse grondwet neergelegde algemene gelijkheidsbeginsel. Daarnaast was hij van oordeel dat voornoemd besluit tevens in strijd is met het – eveneens in de Estse grondwet neergelegde – vertrouwensbeginsel. Hij heeft dan ook besloten om de bepalingen van dat besluit in de bij hem aanhangige zaak buiten toepassing te laten en de zaak te verwijzen naar de verwijzende rechter, de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland) met het oog op constitutionele toetsing van die bepalingen.

21

De verwijzende rechter zet uiteen dat de Justiitsminister (minister van Justitie, Estland) en de penitentiaire inrichting van Tartu aanvoeren dat besluit nr. 12 – en meer bepaald bijlage 1 daarbij – in overeenstemming is met de Estse grondwet, alsmede dat de in dat besluit vastgestelde minimumgehoordrempels en het verbod om gebruik te maken van een hoortoestel om aan die vereisten te voldoen worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de veiligheid van personen en de openbare orde te waarborgen. Penitentiair beambten dienen namelijk in staat te zijn om alle taken te verrichten waarvoor zij zijn opgeleid en om – indien nodig – bijstand te verlenen aan de politie, zodat hun gehoorvermogen van een zodanig niveau moet zijn dat ook zonder hoortoestel in alle omstandigheden een duidelijke communicatie wordt gewaarborgd die geen risico’s met zich meebrengt voor hun collega’s.

22

De verwijzende rechter merkt tevens op dat de verplichting om personen met een handicap op dezelfde wijze te behandelen als andere personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden en om deze personen niet te discrimineren niet alleen voortvloeit uit de Estse grondwet, maar ook uit het Unierecht, met name uit artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en uit richtlijn 2000/78.

23

Onder verwijzing naar het arrest van 13 november 2014, Vital Pérez (C‑416/13, EU:C:2014:2371, punten 4345), verklaart de verwijzende rechter ten slotte dat de wens om het operationele karakter en de goede werking van de politie-, penitentiaire of noodhulpdiensten te waarborgen een legitieme doelstelling vormt die een verschil in behandeling kan rechtvaardigen. Nagegaan moet evenwel worden of bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een vereiste wordt opgelegd dat evenredig is aan de nagestreefde doelstelling. Noch uit de bewoordingen van richtlijn 2000/78, noch uit de rechtspraak van het Hof kunnen ter zake eenduidige conclusies worden getrokken.

24

In deze omstandigheden heeft de Riigikohus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 2, lid 2, juncto artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2000/78] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wettelijke bepalingen op grond waarvan er een absoluut beletsel bestaat om de betrokkene in dienst te houden als penitentiair beambte indien zijn gehoorvermogen – ten gevolge van gehoorverlies – onder de voorgeschreven norm ligt en op grond waarvan het niet toegestaan is om gebruik te maken van corrigerende hulpmiddelen wanneer wordt beoordeeld of er voldaan is aan de vereisten inzake het gehoorvermogen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

25

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het absoluut onmogelijk is om een penitentiair beambte in dienst te houden van wie het gehoorvermogen niet voldoet aan de bij die regeling vastgestelde minimumgehoordrempels, zonder dat het op grond van die regeling toegestaan is om corrigerende hulpmiddelen te gebruiken wanneer wordt beoordeeld of er voldaan is aan de vereisten inzake het gehoorvermogen.

26

Vooraf zij eraan herinnerd dat uit zowel de titel en de overwegingen als de inhoud en de doelstelling van richtlijn 2000/78 blijkt dat deze richtlijn ertoe strekt een algemeen kader te creëren om voor eenieder gelijke behandeling „in arbeid en beroep” te waarborgen, door een doeltreffende bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden, waaronder handicap (arresten van 19 september 2018, Bedi, C‑312/17, EU:C:2018:734, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 oktober 2020, Universitatea Lucian Blaga Sibiu e.a., C‑644/19, EU:C:2020:810, punt 30).

27

Wat de toepasselijkheid van richtlijn 2000/78 betreft, ziet besluit nr. 12 – gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, die voor het Hof niet worden betwist – op de voor penitentiair beambten geldende aanstellingscriteria en ontslagvoorwaarden in de zin van artikel 3, lid 1, onder a) en c), van die richtlijn. Derhalve valt dat besluit binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78.

28

Wat in de eerste plaats de vraag betreft of een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is een verschil in behandeling op grond van handicap in het leven roept, zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 bepaalt dat voor de toepassing van deze richtlijn onder het beginsel van gelijke behandeling wordt verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op basis van een van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde gronden. In artikel 2, lid 2, onder a), van voornoemde richtlijn wordt gepreciseerd dat er sprake is van directe discriminatie wanneer iemand op basis van handicap ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld.

29

In casu kunnen personen met een verminderd gehoorvermogen dat onder de vastgestelde minimumgehoordrempels ligt, op grond van besluit nr. 12 – met name § 4 van dit besluit en bijlage 1 bij dat besluit – niet als penitentiair beambte in dienst worden genomen of gehouden. Derhalve worden zij ongunstiger behandeld dan andere personen in een vergelijkbare situatie worden, zijn of zouden worden behandeld, te weten andere werknemers die als penitentiair beambte werkzaam zijn maar van wie het gehoorvermogen aan die normen voldoet.

30

Hieruit volgt dat besluit nr. 12 een direct op handicap gebaseerd verschil in behandeling in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van richtlijn 2000/78 in het leven roept.

31

Wat in de tweede plaats de vraag betreft of een dergelijk verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78, zij eraan herinnerd dat de lidstaten – volgens de bewoordingen zelf van deze bepaling – kunnen bepalen dat een verschil in behandeling dat op een kenmerk in verband met een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden berust, geen discriminatie vormt indien een dergelijk kenmerk – wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd – een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormt, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig is aan dat doel.

32

Het Hof heeft geoordeeld dat niet de grond voor het verschil in behandeling, maar een met die grond verband houdend kenmerk een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste in vorenbedoelde zin moet vormen (arrest van 15 november 2016, Salaberria Sorondo, C‑258/15, EU:C:2016:873, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

Aangezien het op grond van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 – gelezen in het licht van overweging 23 van deze richtlijn, waarin wordt vermeld dat een dergelijk verschil in behandeling in „een zeer beperkt aantal omstandigheden” gerechtvaardigd kan zijn – toegestaan is om af te wijken van het non‑discriminatiebeginsel, moet die bepaling restrictief worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 13 september 2011, Prigge e.a., C‑447/09, EU:C:2011:573, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

In dit verband zij opgemerkt dat in overweging 18 van richtlijn 2000/78 wordt gepreciseerd dat deze richtlijn niet tot gevolg heeft dat het gevangeniswezen wordt gedwongen om personen in dienst te nemen of te houden die niet de vereiste capaciteiten bezitten om alle taken te kunnen verrichten die zij wellicht zullen moeten vervullen met het oog op de legitieme doelstelling van handhaving van het operationele karakter van deze diensten.

35

De wens om het operationele karakter en de goede werking van het gevangeniswezen te waarborgen, vormt dus een legitieme doelstelling in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 (zie naar analogie arrest van 13 november 2014, Vital Pérez, C‑416/13, EU:C:2014:2371, punt 44).

36

Daarnaast laat richtlijn 2000/78 volgens artikel 2, lid 5, ervan de nationale wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van derden.

37

Wat betreft de doelstelling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat besluit nr. 12 ertoe strekt om – met de vaststelling, in § 4 van dit besluit en bijlage 1 erbij, van minimumgehoordrempels, waarbij het feit dat niet aan die drempels is voldaan een absoluut medisch beletsel vormt om de taken van een penitentiair beambte te verrichten – de veiligheid van personen en de openbare orde te beschermen door ervoor te zorgen dat de penitentiaire beambten fysiek in staat zijn om alle taken te vervullen die hun zijn opgedragen.

38

In § 4, lid 1, van dat besluit is bijvoorbeeld bepaald dat het gehoorvermogen van de penitentiair beambte voldoende moet zijn om telefonisch te communiceren alsook om alarmeringen en radiocommunicatie te kunnen horen.

39

Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vloeit het vereiste om goed te kunnen horen en dus een bepaald gehoorvermogen te bezitten voort uit de aard van de taken die een penitentiair beambte dient te verrichten, zoals die door de verwijzende rechter zijn omschreven. Die rechter heeft namelijk uiteengezet dat het toezicht op gevangenen met name impliceert dat de penitentiair beambte in staat moet zijn om onrust die zich hoorbaar manifesteert, op te merken en daarop te reageren, alarmeringen te horen en via communicatiemiddelen met andere beambten te communiceren, met name in – eventueel fysieke – rumoerige situaties of conflictsituaties waarbij de gedetineerden het interne reglement van de penitentiaire inrichting overtreden. Uit die door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt bovendien dat aan iedere penitentiair beambte een verplichting kan worden opgelegd om bijstand te verlenen aan de politie, voor wie dezelfde vereisten inzake het gehoorvermogen gelden.

40

Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het bezit van bijzondere fysieke capaciteiten kan worden geacht een „wezenlijk en bepalend beroepsvereiste” in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 te zijn voor de uitoefening van bepaalde beroepen zoals brandweerman of politieagent (zie in die zin arresten van 12 januari 2010, Wolf, C‑229/08, EU:C:2010:3, punt 40; 13 november 2014, Vital Pérez, C‑416/13, EU:C:2014:2371, punten 40 en 41, en 15 november 2016, Salaberria Sorondo, C‑258/15, EU:C:2016:873, punt 36).

41

Gelet op de aard van de taken van penitentiair beambten en de omstandigheden waarin deze taken worden uitgevoerd, kan het feit dat hun gehoorvermogen moet voldoen aan een in de nationale regeling vastgestelde minimumgehoordrempel worden beschouwd als een „wezenlijk en bepalend beroepsvereiste” – in de zin van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/78 – voor de uitoefening van het beroep van penitentiair beambte.

42

Aangezien besluit nr. 12 tot doel heeft de veiligheid van personen en de openbare orde te beschermen, moet worden vastgesteld dat met dit besluit legitieme doelstellingen worden nagestreefd, zoals blijkt uit de punten 36 en 37 van dit arrest. Het is dan ook van belang om voorts na te gaan of het in § 4 van besluit nr. 12 en in bijlage 1 bij dit besluit neergelegde vereiste evenredig is. Dit vereiste houdt in dat het gehoorvermogen van een penitentiair beambte moet voldoen aan minimumgehoordrempels, waarbij het niet toegestaan is om gebruik te maken van corrigerende hulpmiddelen wanneer wordt beoordeeld of aan die drempelwaarden is voldaan, en waarbij het feit dat niet aan die drempelwaarden is voldaan een absoluut medisch beletsel vormt voor de uitvoering van de taken van een penitentiair beambte, zodat de betrokken beambte die taken niet langer kan verrichten en dus kan worden ontslagen. Derhalve moet worden onderzocht of dat vereiste geschikt is om voormelde doelstellingen te bereiken en niet verder gaat dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Vital Pérez, C‑416/13, EU:C:2014:2371, punt 45).

43

Wat allereerst de vraag betreft of het in het vorige punt genoemde vereiste geschikt is voor het bereiken van de met besluit nr. 12 nagestreefde doelstellingen die verband houden met de bescherming van de veiligheid van personen en de openbare orde, kan worden aangenomen dat de vaststelling van een minimumgehoordrempel voor de uitvoering van de taken van een penitentiair beambte waarbij geen gebruik mag worden gemaakt van hoortoestellen, het mogelijk maakt om te waarborgen dat die penitentiair beambte in staat zal zijn om te reageren op geluidsalarmeringen of eventuele agressie en om de politie bij te staan, zonder dat het risico bestaat dat hij in voorkomend geval wordt gehinderd door het gebruik, de beschadiging of het verlies van een hoortoestel.

44

Niettemin zij eraan herinnerd dat een regeling slechts geschikt is om de verwezenlijking van de aangevoerde doelstelling te waarborgen wanneer zij er daadwerkelijk toe strekt die doelstelling op coherente en stelselmatige wijze te bereiken (arresten van 12 januari 2010, Petersen, C‑341/08, EU:C:2010:4, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 januari 2021, INSS, C‑843/19, EU:C:2021:55, punt 32).

45

Uit de in het verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte informatie blijkt dat een penitentiair beambte geen hoortoestel mag gebruiken wanneer wordt beoordeeld of hij voldoet aan de bij besluit nr. 12 vastgestelde minimumgehoordrempels, terwijl hij wel corrigerende hulpmiddelen zoals contactlenzen of een bril mag gebruiken wanneer wordt beoordeeld of hij voldoet aan de in dat besluit vastgestelde normen inzake het gezichtsvermogen. Ook het dragen, het verlies of de beschadiging van contactlenzen of een bril kan de uitvoering van zijn taken evenwel belemmeren en kan voor een penitentiair beambte risico’s met zich meebrengen die vergelijkbaar zijn met die welke voortvloeien uit het gebruik, het verlies of de beschadiging van een hoortoestel, met name in een situatie waarin de betrokken penitentiair beambte wordt geconfronteerd met een fysiek conflict.

46

Wat vervolgens de vraag betreft of voormeld vereiste noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de met besluit nr. 12 nagestreefde doelstellingen die verband houden met de bescherming van de veiligheid van personen en de openbare orde, zij eraan herinnerd dat het feit dat niet voldaan is aan de in dat besluit vastgestelde minimumgehoordrempels een absoluut medisch beletsel vormt om de taken van een penitentiair beambte uit te voeren. Die drempelwaarden gelden voor alle penitentiair beambten, zonder dat daarvan kan worden afgeweken en ongeacht de inrichting waarin zij worden ingezet of de functie die zij bekleden. Bovendien biedt besluit nr. 12 niet de mogelijkheid om een individuele beoordeling te verrichten van het vermogen van de penitentiair beambte om ondanks zijn verminderd gehoorvermogen de essentiële taken te verrichten die dit beroep inhoudt.

47

Zoals blijkt uit de punten 15 en 39 van dit arrest, bestaat een aantal van de taken van penitentiair beambten erin om door middel van een volgsysteem toezicht te houden op personen die onder elektronisch toezicht staan en om toezicht‑ en signaleringsinstallaties te monitoren, waarbij er geen sprake is van frequent contact met de gedetineerden. Tevens blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat er in besluit nr. 12 geen rekening mee wordt gehouden dat een verminderd gehoorvermogen kan worden gecorrigeerd door middel van een hoortoestel, dat kan worden verkleind en aan de binnenkant van het oor of zelfs onder een hoofddeksel kan worden gedragen.

48

Overigens zij eraan herinnerd dat artikel 5 van richtlijn 2000/78, gelezen in het licht van de overwegingen 20 en 21 van deze richtlijn, bepaalt dat de werkgever – naargelang van de behoefte in een concrete situatie – passende maatregelen dient te nemen om een persoon met een handicap in staat te stellen toegang tot arbeid te hebben, in arbeid te participeren of daarin vooruit te komen, tenzij deze maatregelen voor die werkgever een onevenredige belasting vormen. In overweging 16 van die richtlijn staat namelijk te lezen dat maatregelen die gericht zijn op de aanpassing van de werkplek aan de behoeften van personen met een handicap een belangrijke rol vervullen bij de bestrijding van discriminatie op grond van handicap. In zoverre heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip „redelijke aanpassingen” ruim dient te worden opgevat, in die zin dat het ziet op de verwijdering van de verschillende obstakels die personen met een handicap beletten om volledig en daadwerkelijk aan het beroepsleven deel te nemen op voet van gelijkheid met de overige werknemers. Daarnaast bevat overweging 20 in dit verband een niet-uitputtende lijst van redelijke materiële, organisatorische of educatieve aanpassingen (zie in die zin arrest van 11 april 2013, HK Danmark, C‑335/11 en C‑337/11, EU:C:2013:222, punten 54 en 56).

49

Een dergelijke verplichting is eveneens neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 (PB 2010, L 23, blz. 35). Wat dit betreft zij eraan herinnerd dat de bepalingen van dit verdrag kunnen worden ingeroepen om de bepalingen van richtlijn 2008/78 uit te leggen, zodat deze richtlijn zoveel mogelijk moet worden uitgelegd in overeenstemming met dat verdrag (zie in die zin arrest van 11 september 2019, Nobel Plastiques Ibérica, C‑397/18, EU:C:2019:703, punt 40).

50

In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat richtlijn 2000/78 zich verzet tegen een ontslag op grond van handicap dat, rekening houdend met de verplichting om te voorzien in redelijke aanpassingen voor personen met een handicap, niet wordt gerechtvaardigd door het feit dat de betrokken persoon niet bekwaam, in staat of beschikbaar is om de essentiële taken van zijn functie uit te voeren (zie in die zin arrest van 11 juli 2006, Chacón Navas, C‑13/05, EU:C:2006:456, punt 52).

51

In casu blijkt uit de in het verzoek om een prejudiciële beslissing verstrekte informatie dat verzoeker in het hoofdgeding vóór zijn ontslag gedurende meer dan 14 jaar en tot tevredenheid van zijn hiërarchieke meerderen in dienst is geweest als penitentiair beambte. Uit diezelfde informatie blijkt evenwel dat besluit nr. 12 de werkgever van verzoeker in het hoofdgeding niet de mogelijkheid bood om, alvorens over te gaan tot diens ontslag, na te gaan of er overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 2000/78 passende maatregelen konden worden genomen, zoals het toestaan van het gebruik van een hoortoestel, het vrijstellen van verzoeker in het hoofdgeding van de verplichting om taken te verrichten waarvoor het noodzakelijk is dat de vastgestelde minimumgehoordrempels worden bereikt, of de tewerkstelling in een functie waarvoor die drempelwaarden niet hoeven te worden bereikt. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen verstrekt waaruit blijkt dat dergelijke maatregelen een onevenredige belasting zouden vormen.

52

Doordat in besluit nr. 12 minimumgehoordrempels worden vastgesteld, waarbij het feit dat niet aan die minimumgehoordrempels is voldaan een absoluut medisch beletsel vormt om de taken van een penitentiair beambte uit te voeren, en doordat dit besluit niet de mogelijkheid biedt om te onderzoeken of de betrokken beambte in staat is om – in voorkomend geval na het doorvoeren van redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 van richtlijn 2000/78 – zijn taken te verrichten, lijkt in besluit nr. 12 bijgevolg een vereiste te zijn neergelegd dat verder gaat dan nodig is om de met dat besluit nagestreefde doelstellingen te bereiken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit daadwerkelijk het geval is.

53

Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder a), artikel 4, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 2000/78 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het absoluut onmogelijk is om een penitentiair beambte in dienst te houden van wie het gehoorvermogen niet voldoet aan de bij deze regeling vastgestelde minimumgehoordrempels, zonder dat die regeling de mogelijkheid biedt om na te gaan of de betrokken beambte in staat is om, in voorkomend geval na het doorvoeren van redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 van die richtlijn, de aan die functie verbonden taken te verrichten.

Kosten

54

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 2, lid 2, onder a), artikel 4, lid 1, en artikel 5 van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het absoluut onmogelijk is om een penitentiair beambte in dienst te houden van wie het gehoorvermogen niet voldoet aan de bij deze regeling vastgestelde minimumgehoordrempels, zonder dat die regeling de mogelijkheid biedt om na te gaan of de betrokken beambte in staat is om, in voorkomend geval na het doorvoeren van redelijke aanpassingen in de zin van artikel 5 van die richtlijn, de aan die functie verbonden taken te verrichten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Ests.