CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. SZPUNAR
van 14 oktober 2020 ( 1 )
Zaak C‑469/19
All in One Star Ltd
[verzoek van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Vrijheid van vestiging – Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die in andere lidstaat een bijkantoor wil oprichten – Inschrijving in het handelsregister – Regeling van de lidstaat van ontvangst die de vermelding vereist van het bedrag van het aandelenkapitaal of een vergelijkbare waarde, alsmede bepaalde verklaringen van de bestuurder”
I. Inleiding
|
1. |
De twee prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) vallen binnen het kader van de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de vestiging van een bijkantoor in een lidstaat door een vennootschap uit een andere lidstaat en de speelruimte van de ontvangende lidstaat met betrekking tot een dergelijke vestiging. Daarmee vormen deze vragen een vervolg op met name de arresten Centros ( 2 ) en Inspire Art ( 3 ). |
|
2. |
Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal deze conclusie zich beperken tot de analyse van de tweede prejudiciële vraag. Die vraag betreft de verplichtingen die krachtens het Duitse recht gelden voor de bestuurder van een vennootschap van een andere lidstaat om te verklaren dat er te zijnen aanzien van hem geen belemmeringen bestaan voor zijn benoeming en dat hij, onder meer door een notaris, op de hoogte is gebracht van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht (rechterlijke instantie die het register aanhoudt, Duitsland). In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af of deze verplichtingen in overeenstemming zijn met het Unierecht. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
3. |
Artikel 29 van richtlijn (EU) 2017/1132 ( 4 ), „Openbaarmaking van akten en gegevens betreffende een bijkantoor”, dat te vinden is in titel I, hoofdstuk III, afdeling 2 („Openbaarmakingsregels voor bijkantoren van vennootschappen van andere lidstaten”), van deze richtlijn bepaalt in lid 1 ervan: „De akten en gegevens betreffende bijkantoren die in een lidstaat zijn opgericht door een in bijlage II genoemde vennootschap die onder het recht van een andere lidstaat valt, worden volgens het recht van de lidstaat waar het bijkantoor zich bevindt openbaar gemaakt overeenkomstig artikel 16.” |
|
4. |
Ingevolge bijlage II bij richtlijn 2017/1132 is, wat het Verenigd Koninkrijk betreft, een „[company] incorporated with limited liability” een van de vennootschapsvormen die in onder meer artikel 29, lid 1, van die richtlijn worden bedoeld. |
|
5. |
Artikel 30 van richtlijn 2017/1132 („Openbaar te maken akten en gegevens”) luidt: „1. De openbaarmakingsplicht bedoeld in artikel 29, heeft slechts betrekking op de volgende akten en gegevens:
2. De lidstaat waarin het bijkantoor is opgericht, kan de openbaarmaking, als bedoeld in artikel 29, voorschrijven van: […]
[…]” |
B. Duits recht
1. Wetboek van koophandel
|
6. |
§ 13e van het Handelsgesetzbuch (wetboek van koophandel; hierna: „HGB”), met het opschrift „Bijkantoren van kapitaalvennootschappen met zetel in het buitenland”, bepaalt het volgende: „1) De volgende bepalingen zijn aanvullend […] van toepassing op bijkantoren […] van naamloze vennootschappen en vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met zetel in het buitenland. […] 3) […] Ten aanzien van de wettelijke vertegenwoordigers van de vennootschap zijn de bepalingen […] van § 6, lid 2, tweede en derde volzin, van de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid van overeenkomstige toepassing op het bijkantoor. […]” |
|
7. |
§ 13g, leden 1 tot en met 3, HGB, met als opschrift „Bijkantoren van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met zetel in het buitenland”, luidt: „1) De volgende bepalingen zijn aanvullend van toepassing op bijkantoren van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met zetel in het buitenland. 2) Bij de aanmelding moet een officieel gewaarmerkt afschrift van de vennootschapsovereenkomst en, voor zover die overeenkomst niet in het Duits is opgesteld, een gewaarmerkte vertaling in het Duits worden gevoegd. De bepalingen van § 8, lid 1, punt 2, en leden 3 en 4, van de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn van toepassing. […] 3) De inschrijving van de oprichting van het bijkantoor moet ook de gegevens bedoeld in § 10 van de wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid […] bevatten.” |
2. Wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
|
8. |
§ 6, lid 2, van het Gesetz betreffend die Gesellschaften mit beschränkter Haftung (wet op de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, RGBl. 1898, blz. 846; hierna: „GmbHG”), in de op de feiten in het hoofdgeding van toepassing zijnde versie ervan, bepaalt het volgende: „Slechts een natuurlijke persoon die volledig bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, kan bestuurder zijn. Geen bestuurder kan zijn degene […]
|
|
9. |
§ 8 GmbHG („Inhoud van de verklaring”) bepaalt in lid 3 ervan het volgende: „In de verklaring moeten de bestuurders verzekeren dat er geen belemmering bestaat voor hun benoeming in de zin van § 6, lid 2, tweede volzin, punten 2 en 3, en derde volzin, en dat zij in kennis zijn gesteld van hun onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. Informatie in de zin van § 53, lid 2, van het Bundeszentralregistergesetz (federale wet inzake het centrale register) kan schriftelijk worden verstrekt; zij kan ook worden afgegeven door een notaris, een in het buitenland benoemde notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar.” |
|
10. |
Volgens § 82, lid 1, punt 5, GmbHG wordt hij die „in de hoedanigheid van bestuurder van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of als bestuurder van een buitenlandse rechtspersoon, bij de overeenkomstig § 8, lid 3, eerste volzin, te verstrekken verklaring valse verklaringen aflegt”, bestraft met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaar of met een geldboete. |
3. Wet inzake het centrale register
|
11. |
§ 53 van het Bundeszentralregistergesetz (wet inzake het federale centrale register) van 21 september 1984 (BGBl. 1985 I, blz. 195 en 1229) heeft als opschrift „Meldingsplicht in geval van veroordeling”, in de versie die vanaf 29 juli 2017 van toepassing is (hierna: „BZRG”), en bepaalt het volgende: „(1) Veroordeelden hoeven hun veroordeling niet te vermelden en zijn niet verplicht om de feiten die aan hun veroordeling ten grondslag hebben gelegen bekend te maken, wanneer de veroordeling 1. niet hoeft te worden vermeld in een verklaring omtrent het gedrag of enkel hoeft te worden vermeld in de verklaring bedoeld in § 32, leden 3 en 4; of 2. moet worden geschrapt. (2) Wanneer rechterlijke instanties of autoriteiten onbeperkt om informatie kunnen verzoeken, kunnen veroordeelden die daarvan in kennis zijn gesteld, zich jegens hen niet beroepen op enig recht dat voortvloeit uit lid 1, punt 1.” |
III. Feiten, procedure bij het Hof en prejudiciële vragen
|
12. |
All in One Star Ltd. is een vennootschap op aandelen met beperkte aansprakelijkheid (private company limited by shares) die in 2013 in het handelsregister van het Companies House in Cardiff (Verenigd Koninkrijk) is ingeschreven en statutair is gevestigd in Great Bookham (Verenigd Koninkrijk). |
|
13. |
Zij heeft in 2014 het Registergericht van het Amtsgericht Frankfurt am Main (rechter in eerste aanleg, Frankfurt am Main, Duitsland) – het gerecht dat het register voert – verzocht om inschrijving van een bijkantoor in het handelsregister. |
|
14. |
Het Registergericht heeft haar bij tussenbeslissing laten weten dat het verzoek om inschrijving niet kon worden ingewilligd, onder andere omdat, in de eerste plaats, de hoogte van het aandelenkapitaal niet was vermeld, en, in de tweede plaats, de bestuurder en enig aandeelhouder van de vennootschap in het verzoek om inschrijving weliswaar had verklaard dat er ten aanzien van zijn persoon geen sprake was van een omstandigheid die zich verzet tegen zijn benoeming als bedoeld in § 6, lid 2, tweede volzin, punten 2 en 3, en derde volzin, GmbHG, maar niet dat hij zich door een notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar in kennis had laten stellen van zijn onbeperkte informatieplicht dienaangaande jegens het Registergericht. All in One Star heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. |
|
15. |
Het Oberlandesgericht Frankfurt am Main (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hessen, Frankfurt am Main, Duitsland) heeft bij beschikking van 8 augustus 2017 het beroep van All in One Star tegen deze vaststellingen van het Registergericht verworpen. |
|
16. |
All in One Star heeft vervolgens bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken) beroep in Revision ingesteld. Deze rechter is van mening dat de beslechting van het bij hem aanhangig gemaakte geding afhangt van de uitlegging die moet worden gegeven aan artikel 30 van richtlijn 2017/1132 en de artikelen 49 en 54 VWEU. |
|
17. |
Volgens de verwijzende rechter wordt de inschrijving in het Duitse handelsregister van een bijkantoor van een buitenlandse vennootschap beheerst door de §§ 13d e.v. HGB. Hij is van mening dat All in One Star in haar hoedanigheid van vennootschap op aandelen met beperkte aansprakelijkheid (private company limited by shares) gelijk kan worden gesteld met een Duitse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (Gesellschaft mit beschränkter Haftung), zodat de voor dit soort vennootschappen geldende bepalingen naar analogie van toepassing zijn op het Duitse bijkantoor van All in One Star. |
|
18. |
In dat kader veronderstelt de inschrijving van een dergelijk bijkantoor ingevolge § 13g, lid 3, HGB juncto § 8, lid 3, GmbHG dat de bestuurder van de vennootschap in het verzoek om inschrijving verklaart dat er ten aanzien van zijn persoon geen belemmering voor zijn benoeming bestaat als bedoeld in § 6, lid 2, tweede volzin, punten 2 en 3, en derde volzin, GmbHG. Verder moet de bestuurder overeenkomstig § 13g, lid 2, tweede volzin, HGB juncto § 8, lid 3, GmbHG eveneens verklaren zich door een notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar in kennis te hebben laten stellen van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. |
|
19. |
De verwijzende rechter licht toe dat de verplichting tot het afleggen van een dergelijke verklaring tot doel heeft de inschrijvings- en controleprocedures voor het Registergericht te vergemakkelijken. Hij wijst er tevens op dat het Registergericht in beginsel onbeperkt alle informatie kan vragen. § 53, lid 2, BZRG stelt de voorafgaande voorwaarde dat de betrokkene in kennis is gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. Indien de betrokkene hiervan niet op de hoogte is gesteld, is hij in bepaalde gevallen gerechtigd zich gevrijwaard te verklaren tegen strafrechtelijke sancties. De verplichtingen die voortvloeien uit het Duitse recht zijn daarentegen niet van invloed op de organieke positie van de bestuurder op grond van het voor hem geldende buitenlandse vennootschapsrecht, maar staan eraan in de weg dat de bestuurder als orgaan van die vennootschap verzoekt om inschrijving van een bijkantoor in Duitsland. |
|
20. |
Bovendien heeft de procesgemachtigde van All in One Star in de beroepsprocedure verklaard de bestuurder van All in One Star, voordat deze had verzocht om inschrijving van het bijkantoor, overeenkomstig § 8, lid 3, GmbHG in kennis te hebben gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. De verwijzende rechter wijst er echter op dat de verklaring door de naar behoren in kennis gestelde bestuurder zelf moet worden afgelegd en moet worden neergelegd in een authentieke akte. |
|
21. |
In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat, indien de verplichting tot het afleggen van een verklaring krachtens § 13g, lid 2, tweede volzin, HGB, gelezen in samenhang met § 8, lid 3, GmbHG, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2017/1132 valt, deze verplichting hiermee in strijd is. Deze rechter merkt op dat de Duitse wetgever bij de vaststelling van deze bepalingen van nationaal recht heeft geoordeeld dat zij niet binnen de werkingssfeer van de toen geldende richtlijn 89/666/EEG ( 5 ) vielen. |
|
22. |
Valt deze verplichting tot het afleggen van een verklaring niet onder richtlijn 2017/1132, dan rijst de vraag of zij verenigbaar is met het primaire recht en meer in het bijzonder met de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging. In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich vooral af of deze verplichting niet verder gaat dan nodig is om het hiermee nagestreefde doel te bereiken. Aangezien dezelfde verplichting ook geldt voor buitenlandse vennootschappen, waarvan de bestuurders buitenlanders zijn, kan, om te beginnen, met betrekking tot dergelijke vennootschappen niet worden verwacht dat zij een grondige kennis hebben van het Duitse recht met betrekking tot de belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen. Het zou voor dergelijke buitenlandse bestuurders dan ook zeer moeilijk zijn om een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen. Voorts zou, bij gebreke van concrete aanwijzingen dat een persoon ongeschikt is als bestuurder, de betrokken verplichting enkel ertoe strekken te voorkomen dat volgens het nationale recht ongeschikte vertegenwoordigers van vennootschappen mogelijkerwijs misbruik maken van de vrijheid van vestiging en fraude plegen. |
|
23. |
Onder deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof besloten de procedure te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:
|
|
24. |
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door All in One Star, de Duitse regering en de Europese Commissie. Dezelfde partijen hebben ook schriftelijk geantwoord op de vragen van het Hof, dat heeft besloten uitspraak te doen zonder een hoorzitting te houden. |
IV. Analyse van de tweede prejudiciële vraag
|
25. |
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 30 van richtlijn 2017/1132 dan wel de artikelen 49 en 54 VWEU zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan, bij een verzoek om inschrijving in het handelsregister van een bijkantoor van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die haar zetel in een andere lidstaat heeft, de persoon die zich als bestuurder van dat bijkantoor wenst te laten inschrijven, ten eerste, moet verklaren dat te zijnen aanzien geen belemmeringen ingevolge het nationale recht bestaan voor zijn benoeming als bestuurder en dat, ten tweede, een notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar hem in kennis heeft gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. |
|
26. |
Er zij op gewezen dat deze prejudiciële vraag twee delen omvat: het eerste deel betreft de beoordeling van de door het Duitse recht opgelegde verplichtingen in het licht van richtlijn 2017/1132 en het tweede deel de beoordeling van deze verplichtingen in het licht van de artikelen 49 en 54 VWEU. |
|
27. |
In dit verband doen de bewoordingen van het verzoek om een prejudiciële beslissing vermoeden dat het tweede deel van de tweede vraag slechts aan de orde is indien het eerste deel van deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Uit de motivering van deze verwijzing blijkt dat het tweede deel van de vraag wordt gesteld voor het geval dat deze verplichtingen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2017/1132 vallen. De nationale bepalingen betreffende aangelegenheden die binnen de werkingssfeer van een richtlijn vallen, moeten namelijk worden onderzocht in het licht van die richtlijn, terwijl de bepalingen betreffende aangelegenheden die niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, moeten worden onderzocht in het licht van het primaire recht. ( 6 ) |
|
28. |
In het licht van het voorgaande zal ik, na eerst de ontvankelijkheid van de tweede prejudiciële vraag (deel A) te hebben onderzocht, de twee delen van deze vraag onderzoeken in de door de verwijzende rechter vastgestelde volgorde (delen B en C). |
A. Ontvankelijkheid
|
29. |
Hoewel de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen door de partijen niet in twijfel is getrokken, lijkt het mij passend om dit aspect te onderzoeken wat de tweede prejudiciële vraag betreft. |
|
30. |
Uit de formulering ervan kan worden afgeleid dat deze tweede vraag betrekking heeft op twee verplichtingen – en twee verklaringen die moeten worden afgelegd ter nakoming van die verplichtingen – die gelden wanneer een vennootschap uit een lidstaat een bijkantoor in een andere lidstaat wil vestigen. De eerste verplichting bestaat in de verklaring dat er wat de bestuurder van deze vennootschap betreft ingevolge het Duitse recht geen belemmeringen voor zijn benoeming bestaan en de tweede verplichting bestaat in de verklaring dat een notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar hem in kennis heeft gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht betreffende dergelijke belemmeringen jegens het Registergericht. |
|
31. |
Uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de bestuurder van All in One Star in het verzoek om inschrijving van het bijkantoor enkel heeft verklaard niet onder de wettelijke belemmeringen voor zijn benoeming te vallen. Hij heeft daarentegen niet verklaard in kennis te zijn gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. |
|
32. |
De ontvankelijkheid van de tweede vraag kan derhalve aanleiding geven tot twijfel voor zover deze betrekking heeft op de eerste verplichting. Zonder uitlegging te geven van het nationale recht kan niettemin niet worden vastgesteld of, bij gebreke van de verklaring met betrekking tot de tweede verplichting, de eerste verplichting kan worden geacht in het hoofdgeding naar behoren te zijn nagekomen. |
|
33. |
Het is, volgens de vaste rechtspraak van het Hof, hoe dan ook uitsluitend een zaak van de verwijzende rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak als de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. ( 7 ) Ik geef daarom in overweging om de tweede vraag ontvankelijk te verklaren. |
B. Nationale regeling in het licht van richtlijn 2017/1132
|
34. |
Met het eerste deel van de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te bepalen of richtlijn 2017/1132 zich verzet tegen de twee verplichtingen die van toepassing zijn wanneer een vennootschap uit een lidstaat een bijkantoor in Duitsland wil oprichten. Zoals ik in punt 27 van deze conclusie heb uiteengezet, moet voor de beoordeling van deze verplichtingen in het licht van richtlijn 2017/1132 eerst worden vastgesteld of zij onder die richtlijn vallen. In dit verband moet, nog voordat de werkingssfeer ratione materiae van richtlijn 2017/1132 wordt onderzocht, worden nagegaan of deze richtlijn ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding. |
1. Werkingssfeer ratione temporis
|
35. |
De verwijzende rechter geeft aan dat verzoekster in 2013 in het Verenigd Koninkrijk is ingeschreven en in 2014 heeft verzocht om inschrijving van een bijkantoor in het Duitse handelsregister. Hij merkt op dat het beroep in Revision is ingesteld vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/1132 op 20 juli 2017 ( 8 ), maar wijst erop dat hij in het beroep in Revision verplicht is het recht toe te passen dat van kracht is op de datum van de uitspraak van zijn arrest en met name de bepalingen tot omzetting van richtlijn 2017/1132. |
|
36. |
In antwoord op de vraag van het Hof stellen verzoekster en de Duitse regering in dit verband – in navolging van de verwijzende rechter – dat, volgens de Duitse rechtspraak, in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding de regeling moet worden toegepast die geldt op het moment van de uitspraak van het arrest in het beroep in Revision. |
|
37. |
Het Hof heeft in het arrest I.G.I. ( 9 ) inderdaad geoordeeld dat, aangezien de feiten in het hoofdgeding alle dateerden van vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2017/1132, in dat geval de voorafgaande richtlijn van toepassing was. In het arrest Miravitlles Ciurana e.a. ( 10 ) heeft het Hof een vergelijkbaar oordeel gegeven. Deze oordelen van het Hof zouden kunnen doen vermoeden dat richtlijn 2017/1132 ook in het hoofdgeding niet van toepassing is. |
|
38. |
In de eerste plaats moet echter worden opgemerkt dat het in beide genoemde arresten ging om de regeling die van toepassing was op gebeurtenissen die dateerden van vóór de instelling van het beroep. ( 11 ) In het onderhavige geval gaat het evenwel om de regeling die van toepassing is op de inschrijving van een bijkantoor, en de voorwaarden die ten tijde van die inschrijving golden, vormen in wezen nog steeds het voorwerp van het hoofdgeding. Daarom zal ik, gelet op de eensluidende verduidelijkingen van de verwijzende rechter en de partijen met betrekking tot de regeling die volgens het Duitse recht van toepassing is in het beroep in Revision, de tweede vraag onderzoeken in het licht van richtlijn 2017/1132. |
|
39. |
In de tweede plaats vormt richtlijn 2017/1132, zoals te lezen valt in overweging 1 ervan, een codificatie van de richtlijnen op het gebied van het vennootschapsrecht. Deze codificatie heeft onder meer tot gevolg gehad dat artikel 2 van richtlijn 89/666 is vervangen door artikel 30 van richtlijn 2017/1132 zonder wijziging van de inhoud ervan. Artikel 166 van richtlijn 2017/1132 bepaalt dat de intrekking van richtlijn 89/666 niet afdoet aan de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de omzetting van richtlijnen op het gebied van vennootschappen. Voorts gelden, volgens deze bepaling, verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen als verwijzingen naar richtlijn 2017/1132. |
|
40. |
In de derde plaats ten slotte, komt de overweging met betrekking tot de toepassing van richtlijn 2017/1132 ratione temporis op het hoofdgeding niet op losse schroeven te staan door het feit dat deze richtlijn ondertussen op meerdere punten is gewijzigd bij richtlijn 2019/1151, naar welke gewijzigde punten wordt verwezen door de partijen om de inhoud van de onder vigeur van richtlijn 2017/1132 toepasselijke regeling te bepalen. De Duitse regering zet in dit verband uiteen dat naar Duits recht niet kan worden overwogen om de wijzigingen die bij richtlijn (EU) 2019/1151 ( 12 ) in richtlijn 2017/1132 zijn doorgevoerd, toe te passen op het hoofdgeding, omdat de in artikel 2 van deze eerste richtlijn bedoelde relevante omzettingstermijnen nog niet zijn verstreken. Bovendien mag ik niet onvermeld laten dat, in tegenstelling tot richtlijn 2017/1132, die de verplichtingen van de lidstaten om eerdere richtlijnen om te zetten onverlet liet, richtlijn 2019/1151 de data voor de omzetting van de door haar ingevoerde wijzigingen vastlegt. |
|
41. |
Bijgevolg dient thans te worden vastgesteld of richtlijn 2017/1132 ratione materiae op het hoofdgeding van toepassing is. |
2. Werkingssfeer ratione materiae
|
42. |
Volgens artikel 1 ervan voorziet richtlijn 2017/1132 in maatregelen met betrekking tot onder meer de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van bepaalde vennootschapsvormen die onder het recht van een andere lidstaat vallen. ( 13 ) De bepalingen ter zake van deze maatregelen zijn te vinden in titel I, hoofdstuk III, afdeling 2, met als opschrift „Openbaarmakingsregels voor bijkantoren van vennootschappen van andere lidstaten”. |
|
43. |
In dat kader worden, overeenkomstig artikel 29, lid 1, van richtlijn 2017/1132, de akten en gegevens betreffende bijkantoren die in een lidstaat zijn opgericht door een in bijlage II genoemde vennootschap die onder het recht van een andere lidstaat valt, volgens het recht van de lidstaat waar het bijkantoor zich bevindt openbaar gemaakt. De verwijzende rechter merkt op dat verzoekster als private company limited by shares voorkomt op de lijst van de in bijlage II bij richtlijn 2017/1132 bedoelde vennootschappen van het Verenigd Koninkrijk (companies incorporated with limited liability). Bijgevolg zijn, zoals de verwijzende rechter in casu meent, de akten en gegevens betreffende een bijkantoor van verzoekster onderworpen aan de regels inzake openbaarmaking van afdeling 2 van deze richtlijn, met inbegrip van de regels van artikel 30 ervan. |
|
44. |
De vraag rijst evenwel of de verklaringen die samenhangen met de verplichtingen uit hoofde van het Duitse recht akten of gegevens zijn die onder de in de artikelen 29 e.v. van richtlijn 2017/1132 neergelegde openbaarmakingsplicht vallen. |
a) Standpunt van partijen
|
45. |
Verzoekster stelt dat, volgens artikel 30, lid 1, onder e), van richtlijn 2017/1132, de benoeming, de beëindiging van de functie en de identiteit van de personen die bevoegd zijn de vennootschap te verbinden openbaar moeten worden gemaakt bij de inschrijving van een bijkantoor in het handelsregister. Uit deze bepaling leidt zij af dat richtlijn 2017/1132 de persoonlijke gegevens met betrekking tot de bestuurders uitputtend regelt. Volgens haar wordt deze uitlegging bevestigd door overweging 8 van deze richtlijn, volgens welke de openbaarmaking derden in de gelegenheid moet stellen kennis te nemen van onder meer de identiteit van de personen die de bevoegdheid hebben de vennootschap te verbinden. |
|
46. |
De Duitse regering is daarentegen van mening dat uit de uitlegging a contrario van artikel 30, lid 1, onder e), van richtlijn 2017/1132 volgt dat deze richtlijn uitsluitend betrekking heeft op de benoeming, de beëindiging van de functie en de identiteit van de vertegenwoordiger van de vennootschap. Bovendien heeft de verplichting om te verklaren dat de bestuurder naar behoren in kennis is gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht volgens deze regering betrekking op het gedeelte van de procedure van het vennootschapsregister dat de inschrijving van een bijkantoor betreft. Deze verplichting is vastgelegd in een procedurevoorschrift. |
|
47. |
In dit verband betoogt de Commissie dat de af te leggen verklaring met betrekking tot de persoonlijke geschiktheid van de bestuurder geen openbaarmaking vormt van de bepalende kenmerken van een bijkantoor, maar een door het Duitse vennootschapsrecht opgelegde administratieve en procedurele verplichting. |
b) Beoordeling
|
48. |
Om een nuttig antwoord te kunnen geven op het eerste deel van de tweede prejudiciële vraag, moet worden nagegaan of de in het Duitse recht opgelegde verplichtingen een openbaarmakingsplicht in de zin van artikel 30 van richtlijn 2017/1132 vormen, dan wel of het – zoals de Duitse regering en de Commissie in wezen betogen – voorwaarden zijn voor de oprichting of de inschrijving van een vennootschap of een bijkantoor ervan. |
|
49. |
Dienaangaande kunnen nuttige lessen worden getrokken uit het arrest Inspire Art ( 14 ). |
|
50. |
Uit dit arrest volgt, om te beginnen, dat een nationale bepaling op grond waarvan de woonplaats van de enig aandeelhouder in het handelsregister van de staat van ontvangst moet worden vermeld, binnen de werkingssfeer van artikel 2 van richtlijn 89/666 en dus ook binnen de werkingssfeer van artikel 30 van richtlijn 2017/1132 valt. In dat arrest heeft het Hof namelijk geoordeeld dat artikel 2 van richtlijn 89/666 zich verzet tegen een bepaling die een dergelijke verplichting oplegt aan het bijkantoor van een vennootschap die in overeenstemming met het recht van een andere lidstaat is opgericht, aangezien richtlijn 89/666 niet in een dergelijke verplichting voorziet. ( 15 ) Wil richtlijn 89/666 in de weg kunnen staan aan een dergelijke verplichting, dan moet deze binnen de werkingssfeer ratione materiae van deze richtlijn vallen. |
|
51. |
Ingevolge artikel 2, lid 1, onder e), van richtlijn 89/666 had de openbaarmakingsplicht – zoals thans in artikel 30, lid 1, onder e), van richtlijn 2017/1132 is bepaald – betrekking op de benoeming, de beëindiging van de functie en de identiteit van de personen die bevoegd zijn de vennootschap jegens derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen. In dit verband strekt, volgens de overwegingen 8 en 16 van richtlijn 2017/1132, de openbaarmakingsplicht tot bescherming van derden die via een bijkantoor in contact treden met de vennootschap. Om dergelijke derden te beschermen, hoeft de woonplaats van de vertegenwoordiger van de vennootschap in beginsel niet bekend te zijn. In die omstandigheden maakt de openbaarmakingsplicht met betrekking tot de woonplaats van een vertegenwoordiger, hoewel deze betrekking heeft op de vertegenwoordiger en als openbaarmakingsplicht binnen de werkingssfeer van de richtlijnen 89/666 en 2017/1132 valt, het als zodanig niet mogelijk om deze vertegenwoordiger te identificeren. Bijgevolg kan deze openbaarmakingsplicht niet worden gelijkgesteld met de openbaarmaking van de „identiteit” in de zin van deze richtlijnen. |
|
52. |
Voorts volgt uit het arrest Inspire Art ( 16 ) dat richtlijn 89/666 daarentegen niet van toepassing is op nationale bepalingen die de oprichting van een bijkantoor in een lidstaat van ontvangst afhankelijk stellen van bepaalde voorschriften die in die lidstaat zijn vastgesteld voor de oprichting van een vennootschap. Hetzelfde moet gelden voor richtlijn 2017/1132. |
|
53. |
Worden de lessen uit het arrest Inspire Art ( 17 ) toegepast op het onderhavige geval, dan is het twijfelachtig of een verplichting tot het afleggen van een verklaring met betrekking tot omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat een vertegenwoordiger van een vennootschap een bestuursverbod wordt opgelegd, kan worden gelijkgesteld met een openbaarmakingsplicht. Uit § 6, lid 2, GmbHG volgt immers dat een dergelijke verklaring betrekking heeft op omstandigheden die, met name bij de oprichting van een vennootschap in Duitsland, eerst en vooral bepalend zijn voor de persoonlijke geschiktheid om als bestuurder te worden ingeschreven. Waar het voorts gaat om de verklaring dat een notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar de bestuurder in kennis heeft gesteld van zijn onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht, stelt de verwijzende rechter bovendien dat bij gebreke van een dergelijke verklaring „inschrijving in het handelsregister niet mogelijk is”. In bepaalde omstandigheden is het verstrekken van deze laatste verklaring ook een voorwaarde voor de mogelijkheid strafrechtelijke sancties aan een bestuurder op te leggen. Bijgevolg is de verplichting voor een bestuurder om deze twee verklaringen af te leggen dus niet op één lijn te stellen met het feit dat voor de oprichting van een bijkantoor in een lidstaat van ontvangst openbaarmakingsplichten gelden, maar te vergelijken met het feit dat deze oprichting aan bepaalde regels in die lidstaat voor de oprichting van een vennootschap moet voldoen. |
|
54. |
Voorts wordt het feit dat verklaringen met betrekking tot omstandigheden van persoonlijke geschiktheid van meet af aan buiten de werkingssfeer van richtlijn 2017/1132 vallen, ook bevestigd door richtlijn 2019/1151. |
|
55. |
Zoals wordt opgemerkt door de Duitse regering, zijn bij richtlijn 2019/1151 in richtlijn 2017/1132 bepalingen ingevoegd die betrekking hebben op „bestuurders aan wie een bestuursverbod is opgelegd”. De Commissie verwijst op haar beurt met name naar artikel 13 decies, lid 2, van richtlijn 2017/1132, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1151, waarin is bepaald dat „[d]e lidstaten […] van personen die bestuurder willen worden, [kunnen] verlangen dat zij verklaren of zij op de hoogte zijn van omstandigheden die kunnen leiden tot een bestuursverbod in de betrokken lidstaat” en dat „[d]e lidstaten […] de benoeming van een persoon als bestuurder van een vennootschap kunnen weigeren indien aan die persoon een bestuursverbod is opgelegd in een andere lidstaat”. |
|
56. |
In dit verband is de enige wijziging die bij richtlijn 2019/1151 is aangebracht in artikel 1 van richtlijn 2017/1132, waarin het onderwerp van de richtlijn wordt gedefinieerd ( 18 ), de invoeging van de zin dat deze richtlijn eveneens voorziet in maatregelen die betrekking hebben op „de regels inzake de online oprichting van vennootschappen, de online registratie van bijkantoren en de online indiening van documenten en informatie door vennootschappen en bijkantoren van vennootschappen”. Hieruit kan worden afgeleid dat de nationale bepalingen betreffende de verklaringen van de kandidaten voor de functie van bestuurder wat betreft de belemmeringen voor de benoeming van bestuurder, als bedoeld in artikel 13 decies van richtlijn 2017/1132, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1151, voor de wetgever van de Unie regels vormen met betrekking tot de oprichting van vennootschappen of de inschrijving van bijkantoren. Voor deze wetgever hebben deze bepalingen daarentegen geen betrekking op, in de bewoordingen van artikel 1 van richtlijn 2017/1132 in hun oorspronkelijke vorm, „de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van bepaalde vennootschapsvormen die onder het recht van een andere staat vallen”. |
|
57. |
Derhalve moet worden vastgesteld dat de in de tweede prejudiciële vraag bedoelde verplichtingen niet binnen de werkingssfeer ratione materiae van richtlijn 2017/1132 vallen. In het licht van de overwegingen in punt 27 van deze conclusie moet nu worden onderzocht of deze verplichtingen in overeenstemming zijn met de artikelen 49 en 54 VWEU. |
C. Nationale regeling in het licht van de vrijheid van vestiging
|
58. |
De verwijzende rechter zelf is van oordeel dat de verplichtingen die krachtens het Duitse recht worden opgelegd aan de bestuurder van een vennootschap uit een andere lidstaat die een bijkantoor in een andere lidstaat wil vestigen, de vrijheid van vestiging beperken. |
|
59. |
Dienaangaande moeten, zoals de verwijzende rechter opmerkt, nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, aan vier voorwaarden voldoen om met deze vrijheden in overeenstemming te zijn. Deze maatregelen moeten, ten eerste, zonder discriminatie worden toegepast, ten tweede hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, ten derde geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en, ten vierde, niet verder gaan dan voor de bereiking van dat doel noodzakelijk is. ( 19 ) |
|
60. |
De verwijzende rechter zet uiteen dat, volgens de Duitse wetgever, de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichte verklaringen worden gerechtvaardigd door de dwingende noodzaak om de handel te beschermen tegen vertegenwoordigers van een vennootschap die ongeschikt zijn. Het doel is te voorkomen dat personen die naar Duits recht ongeschikt zijn, als vertegenwoordiger van een buitenlandse vennootschap een bijkantoor in Duitsland laten inschrijven om zo de in die lidstaat geldende belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van een vennootschap te omzeilen. De verwijzende rechter stelt dat deze verplichtingen volgens hem voldoen aan dwingende redenen van algemeen belang, namelijk de bescherming van schuldeisers en van de eerlijkheid van handelstransacties tegen ongeschikte vertegenwoordigers van een vennootschap. |
|
61. |
De verwijzende rechter is evenwel van mening dat de betrokken verplichtingen verder gaan dan wat nodig is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken, aangezien de bestuurders van de buitenlandse vennootschap onderworpen zijn aan een meldingsplicht die gepaard gaat met strafrechtelijke sancties. Van buitenlandse bestuurders kan echter niet worden verlangd dat zij gedetailleerde kennis hebben van het nationale recht dat van toepassing is op de belemmeringen voor hun benoeming. |
|
62. |
Voorts zouden dergelijke verplichtingen enkel ertoe strekken preventief te waarborgen dat de uit het Duitse recht voortvloeiende belemmeringen voor de benoeming niet worden omzeild met de oprichting van een bijkantoor. Het zou dus gaan om het voorkomen van mogelijk misbruik van de vrijheid van vestiging en fraude door vertegenwoordigers van de vennootschap die op grond van dit binnenlands recht ongeschikt zijn. In het licht van het arrest Centros ( 20 ) zou dit echter geen rechtvaardiging zijn voor een weigering van de inschrijving van het bijkantoor. |
1. Standpunt van partijen
|
63. |
Alle partijen zijn het erover eens dat de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichtingen in het licht van de artikelen 49 en 54 VWEU een beperking van de vrijheid van vestiging vormen, met inbegrip van verzoekster voor het geval deze verplichtingen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2017/1132 vallen. |
|
64. |
Verzoekster is het eens met het standpunt van de verwijzende rechter en is van mening dat het in casu gaat om een beperking van de vrijheid van vestiging die verder gaat dan nodig is om de doelstellingen ervan te bereiken. In die zin stelt de Commissie dat de betrokken verklaringen worden vereist terwijl de bestuurder reeds naar behoren is benoemd als bestuurder van een vennootschap in een andere lidstaat. Een dergelijke bestuurder moet dus een tweede keer verklaringen verstrekken met betrekking tot zijn geschiktheid als bestuurder. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, dat met name bedoeld is om te voorkomen dat formaliteiten – dat wil zeggen het opnieuw vervullen van formaliteiten waaraan in een andere lidstaat al is voldaan – elkaar overlappen. |
|
65. |
De Duitse regering betoogt daarentegen dat de artikelen 49 en 54 VWEU niet in de weg staan aan de betrokken verplichting, die wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de bescherming van de eerlijkheid van handelstransacties. De betrokken verplichting is namelijk niet discriminerend, geschikt om het nagestreefde doel te bereiken en evenredig. Een eigen onderzoek naar het bestaan van mogelijke gronden voor onbekwaamheid door het Registergericht is geen even goede waarborg voor de verwezenlijking van dit doel. Dergelijk onderzoek is alleen mogelijk wanneer sprake is van een reeds bestaand systeem van automatische gegevensuitwisseling tussen de registers van de lidstaten, een systeem dat pas voor het eerst is voorzien in artikel 13 decies van richtlijn 2017/1132, dat is ingevoerd bij richtlijn 2019/1151. De verplichting om de in § 8 GmbHG bedoelde verklaring af te leggen, is bovendien passend, aangezien deze bedoeld is om er preventief voor te zorgen dat nationale redenen van onbekwaamheid niet worden omzeild door middel van vestiging van bijkantoren van in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen. |
2. Beoordeling
a) Toepassing van de belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen op bijkantoren van in andere lidstaten gevestigde vennootschappen
|
66. |
Vooraf zij erop gewezen dat de in de tweede prejudiciële vraag bedoelde verplichtingen preventief en algemeen worden toegepast op vennootschappen die reeds overeenkomstig het recht van een andere lidstaat zijn opgericht en op de bestuurders van die vennootschappen, ook al zijn zij in hun lidstaat van vestiging als bestuurders van die vennootschappen ingeschreven. De toepassing van deze verplichtingen op de bestuurders van vennootschappen die in andere lidstaten zijn gevestigd, is derhalve gebaseerd op de veronderstelling dat de in het Duitse recht vastgestelde belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van toepassing zijn op deze bestuurders. ( 21 ) |
|
67. |
Gelet op de overwegingen in punt 56 van deze conclusie, is de wetgever van de Unie van mening dat dergelijke belemmeringen verband houden met de voorwaarden voor de oprichting van vennootschappen of, eventueel, voor de inschrijving van hun bijkantoren. |
|
68. |
De in artikel 54 VWEU bedoelde vennootschappen hebben het recht hun werkzaamheden in een andere lidstaat uit te oefenen, onder andere door middel van een bijkantoor, en voor deze vennootschappen is de plaats van hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging bepalend voor hun verbondenheid met het rechtsstelsel van een lidstaat. ( 22 ) De vrijheid van vestiging van deze vennootschappen omvat met name het recht om deze vennootschappen op te richten en te beheren onder de voorwaarden die door de wetgeving van de lidstaat van vestiging voor de eigen vennootschappen zijn vastgesteld. In dit verband moet worden opgemerkt dat de toepassing van de belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen waarin het Duitse recht voorziet, niet lijkt te zijn gebaseerd op de overweging dat de plaats van een bijkantoor in Duitsland impliceert dat een vennootschap volledig aan het rechtsstelsel van die lidstaat is verbonden. ( 23 ) |
|
69. |
In die omstandigheden komt het stellen van aanvullende voorwaarden aan de inschrijving van een bijkantoor, die deze belemmeringen opwerpen in het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging van de vennootschap, waaraan deze vennootschap is verbonden, inderdaad niet neer op het ontzeggen van die vrijheid van vestiging. ( 24 ) Dit feit maakt een inschrijving evenwel op zijn minst moeilijker en vormt dus een beperking van de vrijheid van vestiging. ( 25 ) |
|
70. |
Het is inderdaad ook zo dat de voorwaarden waar het hier om gaat geen betrekking hebben op een vennootschap zelf, maar rechtstreeks op de persoonlijke geschiktheid van de bestuurder van een vennootschap. Niet-naleving van deze voorwaarden leidt er evenwel toe dat de inschrijving van een bijkantoor van die vennootschap wordt geweigerd. Derhalve moet worden vastgesteld dat de belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen naar Duits recht niet worden toegepast in het kader van de activiteiten van de vennootschappen als zodanig, maar dat zij betrekking hebben op de oprichting van een vennootschap of de latere vestiging ervan in een andere lidstaat. ( 26 ) |
|
71. |
Bovendien heeft het Hof in het arrest Segers ( 27 ) verklaard dat discriminatie van een directeur op het vlak van de sociale bescherming op grond van de plaats van de statutaire zetel van de door hem bestuurde vennootschap, een indirecte beperking vormt van de vrijheid van vennootschappen van een andere lidstaat om zich door middel van een agentschap, dochteronderneming of filiaal in de betrokken lidstaat te vestigen. Deze vrijheid wordt a fortiori ook beperkt door de toepassing van bijkomende voorwaarden die de benoeming van bestuurders van vennootschappen belemmeren. |
|
72. |
In dit verband kan een lidstaat waar de inschrijving van een bijkantoor wordt verzocht, maatregelen treffen om te verhinderen dat sommige van zijn onderdanen, door gebruik te maken van de door het Verdrag geboden mogelijkheden, zich op onaanvaardbare wijze aan hun nationale wetgeving trachten te onttrekken. ( 28 ) Derhalve moet worden nagegaan of de toepassing, ten aanzien van bijkantoren van vennootschappen die in andere lidstaten zijn gevestigd, van de in een dergelijke lidstaat geldende belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen in het licht van die doelstelling kan worden gerechtvaardigd. |
b) Bestrijding van misbruik van de vrijheid van vestiging
|
73. |
Uit de rechtspraak van het Hof komt naar voren dat het begrip „rechtsmisbruik” een autonoom Unierechtelijk begrip is, volgens hetwelk „[o]m te kunnen vaststellen dat het om een misbruik gaat, […] enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist [is] waaruit blijkt, dat in weerwil van de formele naleving van de door de [Unieregeling] opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt. Anderzijds is een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door de [Unieregeling] toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat” ( 29 ). |
|
74. |
In het kader van de inaanmerkingneming van de doelstellingen die worden nagestreefd door de bepalingen van het Unierecht die door justitiabelen niet met het oog op misbruik of bedrog mogen worden ingeroepen, lijkt het Hof in het arrest Centros ( 30 ), wat betreft de nationale bepalingen die de betrokkenen probeerden te omzeilen, een onderscheid te hebben gemaakt tussen de nationale bepalingen betreffende de oprichting van vennootschappen enerzijds en de regels inzake de uitoefening van bepaalde beroepsactiviteiten anderzijds. Het Hof heeft dienaangaande verklaard dat de betrokken nationale bepalingen perfect binnen deze eerste categorie vielen en dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, de toepassing ervan niet kon worden gerechtvaardigd uit hoofde van de strijd tegen het misbruik van de vrijheid van vestiging. De rechtsleer heeft hieruit afgeleid dat het gemakkelijker kan zijn zich te beroepen op misbruik in gevallen waarin het de bedoeling is de toepassing van de regels met betrekking tot de uitoefening van bepaalde beroepsactiviteiten te omzeilen. ( 31 ) |
|
75. |
De belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen waarin het Duitse recht voorziet, zijn evenwel van toepassing op elke beroepsactiviteit die door middel van een bijkantoor wordt uitgeoefend en hangen, in het licht van de wijzigingen krachtens richtlijn 2019/1151, samen met de voorwaarden voor de oprichting van vennootschappen of de inschrijving van bijkantoren. ( 32 ) |
|
76. |
Bovendien volgt uit de rechtspraak dat niet systematisch en algemeen kan worden verondersteld dat er sprake is van misbruik of fraude. De vraag of het recht van de vrijheid van vestiging op grond van misbruik of fraude moet worden geweigerd, moet namelijk van geval tot geval worden beantwoord. ( 33 ) |
|
77. |
In dit verband is er geen enkel element, objectief of subjectief, dat doet vermoeden dat de in het hoofdgeding verzochte inschrijving van een bijkantoor in het handelsregister misbruik of fraude vormt. Voorts merkt de verwijzende rechter op dat het niet zeker is dat er in het onderhavige geval een belemmering naar Duits recht bestaat voor de benoeming van de bestuurder, en dat niets erop wijst dat sprake is van een dergelijk verbod. De preventieve en algemene toepassing van de in het Duitse recht geregelde belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen en van de in de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter genoemde verplichtingen ter bestrijding van misbruik van de vrijheid van vestiging lijkt dus te zijn gebaseerd op de veronderstelling dat elke inschrijving van een bijkantoor in Duitsland wordt ondernomen om dergelijke belemmeringen te omzeilen. In het licht van de overwegingen in het vorige punt kan noch de toepassing van deze voorwaarden, noch de toepassing van deze verplichtingen om die reden worden geacht in overeenstemming te zijn met de artikelen 49 en 54 VWEU. |
|
78. |
Ten overvloede voert de Duitse regering aan dat uit de bij richtlijn 2019/1151 ingevoerde bepalingen inzake bestuurders aan wie een bestuursverbod is opgelegd ( 34 ) blijkt dat de lidstaten op grond van die richtlijn het recht behouden om zelf de persoonlijke geschiktheid te definiëren die vereist is voor een vertegenwoordiger van een vennootschap. Volgens deze regering is er geen reden waarom de lidstaten geen beroep zouden kunnen doen op het instrument van de preventieve controle op misbruik. |
|
79. |
Voornoemde bepalingen – die in het hoofdgeding niet van toepassing zijn – laten de overwegingen in de voorafgaande punten van deze conclusie evenwel onverlet. |
|
80. |
In overweging 3 van richtlijn 2019/1151 staat dat deze richtlijn beoogt de noodzakelijke bescherming tegen misbruik en fraude te bieden. In dat kader biedt overweging 23 de lidstaten de mogelijkheid om de benoeming van een persoon als bestuurder van een vennootschap te weigeren, daarbij niet alleen rekening houdend met het eerdere gedrag van die persoon op zijn eigen grondgebied maar ook, wanneer zo vastgesteld in het nationale recht, met inachtneming van door andere lidstaten verstrekte informatie. In die zin valt in overweging 24 te lezen dat met het oog op de bescherming van alle personen die met vennootschappen of bijkantoren interageren en met het oog op het voorkomen van frauduleus of ander wangedrag, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen nagaan of het de persoon die tot bestuurder moet worden benoemd, niet verboden is om de taken van een bestuurder uit te voeren. |
|
81. |
Volgens de toelichting bij het ontwerp van richtlijn 2019/1151 ( 35 ) stelt artikel 13 decies van richtlijn 2017/1132, zoals gewijzigd bij deze eerste richtlijn, een wettelijk kader vast dat de lidstaten in staat stelt bij andere lidstaten informatie op te vragen over bestuurders aan wie een bestuursverbod is opgelegd. Ingevolge deze bepaling kunnen de lidstaten bij andere lidstaten navragen of aan de persoon die als bestuurder van een vennootschap moet worden ingeschreven een verbod is opgelegd om deze functie in een andere lidstaat uit te oefenen op grond van het nationale recht van die andere lidstaat. |
|
82. |
Richtlijn 2019/1151 is gebaseerd op de vooronderstelling dat binnen dit rechtskader de systematische en algemene preventie van misbruik of fraude bestaande in de oprichting van een vennootschap in een andere lidstaat om het verbod op een bestuursfunctie te omzeilen, in de lidstaat van vestiging van de vennootschap kan worden verwezenlijkt. In dit verband kan een lidstaat overeenkomstig artikel 13 decies, lid 2, tweede volzin, van richtlijn 2017/1132, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1151, de benoeming van een persoon tot bestuurder van een vennootschap weigeren wanneer aan deze persoon in een andere lidstaat een bestuursverbod is opgelegd. |
|
83. |
Deze overweging vindt steun in de analyse van andere bepalingen die bij richtlijn 2019/1151 zijn ingevoerd. |
|
84. |
Zoals de Commissie betoogt, omvatten – overeenkomstig artikel 13 octies, lid 3, onder f), van richtlijn 2017/1132, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1151 – de nadere voorschriften inzake de online oprichting van vennootschappen die de lidstaten moeten vaststellen onder meer regels met betrekking tot „de procedures om de benoeming van bestuurders te verifiëren”. Artikel 28 bis van deze richtlijn bevat dezelfde bepalingen met betrekking tot de online registratie van bijkantoren. Echter, de opsomming in artikel 28 bis, lid 3, van die richtlijn van de gebieden waarop de lidstaten gedetailleerde regels moeten vaststellen, is weliswaar vergelijkbaar met de opsomming in artikel 13 octies, maar verwijst niet naar de verificatiesprocedures met betrekking tot bestuurders. |
|
85. |
De vraag die nog moet worden onderzocht, is of een beperking van de vrijheid van vestiging die voortvloeit uit de toepassing van de belemmeringen waarin het Duitse recht voorziet bij de benoeming van bestuurders van vennootschappen, gerechtvaardigd kan zijn om andere, zowel door de verwijzende rechter als door de Duitse regering genoemde redenen, namelijk de bescherming van schuldeisers en de eerlijkheid van handelstransacties. |
c) Bescherming van schuldeisers en eerlijkheid van handelstransacties
|
86. |
Hoewel de bescherming van schuldeisers en de eerlijkheid van handelstransacties dwingende redenen van algemeen belang vormen ( 36 ), moeten de maatregelen die om die reden gerechtvaardigd zijn tevens voldoen aan de criteria van gelijke behandeling, doeltreffendheid en evenredigheid, waaraan in punt 59 van deze conclusie is herinnerd. |
|
87. |
Om te beginnen wijst niets erop dat deze voorwaarden op discriminerende wijze worden toegepast, aangezien de belemmeringen van het Duitse recht bij de benoeming van bestuurders van vennootschappen ook van toepassing zijn op in Duitsland gevestigde vennootschappen. |
|
88. |
Voorts is het, wat de bescherming van schuldeisers en de eerlijkheid van handelstransacties betreft, inderdaad zo dat het feit dat een persoon die wettig is benoemd als bestuurder van een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap zich geplaatst ziet voor de belemmeringen voor zijn benoeming, als bedoeld in artikel 6, lid 2, tweede volzin, punten 2 en 3, en derde volzin, GmbHG, niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat deze persoon niet de bevoegdheid heeft om, via een bijkantoor, de vennootschap jegens derden te binden. |
|
89. |
Om te beginnen nemen in het Duitse recht de belemmeringen bij de benoeming van bestuurders van vennootschappen evenwel de vorm aan van een gerechtelijk of bestuurlijk beroeps- of handelsverbod dat overeenkomt met de activiteit van het bijkantoor. Een dergelijk verbod wordt juist opgelegd om de handel te beschermen. Voorts vormen ook veroordelingen voor bepaalde opzettelijk gepleegde misdrijven, namelijk die welke verband houden met insolventie, het verstrekken van valse of onjuiste zakelijke informatie en fraude, belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen. Enkel deze veroordelingen kunnen daadwerkelijk geschaard worden onder het oogmerk van de bescherming van de eerlijkheid van handelstransacties. |
|
90. |
Wat ten slotte de evenredigheid ervan betreft, ben ik van mening dat de toepassing van de belemmeringen van het Duitse recht bij de benoeming van bestuurders van vennootschappen niet verder lijkt te gaan dan wat noodzakelijk is om het hiermee beoogde doel te bereiken. Hoewel deze belemmeringen ook gelden voor personen die in andere lidstaten reeds wettig als bestuurder van een vennootschap zijn ingeschreven, is er bij gebreke van harmonisatie ervan op het niveau van de Unie geen reden om aan te nemen dat elke lidstaat in soortgelijke belemmeringen voorziet, zodat de toepassing ervan naar Duits recht voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen tot een verdubbeling van belemmeringen of formaliteiten zou leiden. Voorts is het niet mogelijk om op het moment van de oprichting van een vennootschap vooruit te lopen op alle beslissingen die deze vennootschap zal nemen wat betreft de inschrijving van haar bijkantoren. Het is dus niet uitgesloten dat de lidstaat van vestiging van een vennootschap niet in staat is de naleving van de benoemingsverplichtingen die van kracht zijn in de lidstaat van ontvangst van bijkantoren van deze vennootschap volledig te verzekeren. Bovendien maakt de toepassing van deze belemmeringen het mogelijk de doeltreffendheid van een gerechtelijk of bestuurlijk beroeps- of handelsverbod in de Unie te waarborgen. |
|
91. |
Samenvattend: het feit dat de inschrijving van een bijkantoor onderworpen is aan bijkomende voorwaarden die voorzien zijn in het recht van een lidstaat die niet de lidstaat van vestiging is, welke belemmeringen opwerpen bij de benoeming van bestuurders van vennootschappen, zoals het Duitse recht doet, vormt dus een beperking van de vrijheid van vestiging. Deze beperking kan evenwel gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van schuldeisers en de eerlijkheid van handelstransacties. |
|
92. |
Nu moet worden vastgesteld of dit ook geldt voor de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichtingen. De verenigbaarheid van de toepassing van de uit de nationale wetgeving voortvloeiende belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen met het recht van de Unie impliceert niet noodzakelijkerwijs dat dit ook opgaat voor elke maatregel die het mogelijk maakt om op grond van die wetgeving na te gaan of die belemmeringen inderdaad ontbreken. |
d) Rechtvaardiging van de betrokken verplichtingen uit hoofde van de bescherming van schuldeisers en de eerlijkheid van handelstransacties
|
93. |
Aangezien de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichtingen onder dezelfde voorwaarden gelden als de in het Duitse recht vastgestelde belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen, is er geen reden om aan te nemen dat deze verplichtingen op discriminerende wijze worden toegepast. |
|
94. |
Wat betreft de doeltreffendheid van de verplichting om te verklaren dat dergelijke belemmeringen ontbreken, wordt de doeltreffendheid van deze verplichting uit hoofde van de bescherming van de schuldeiser en de eerlijkheid van handelstransacties erkend in richtlijn 2019/1151. Artikel 13 decies, lid 2, van richtlijn 2017/1132, ingevoegd bij richtlijn 2019/1151, gelezen in het licht van de overwegingen 23 en 24 van deze laatste richtlijn, bepaalt dat met het oog op de bescherming van alle personen die met vennootschappen interageren, de lidstaten „van personen die bestuurder willen worden, [kunnen] verlangen dat zij verklaren of zij op de hoogte zijn van omstandigheden die kunnen leiden tot een bestuursverbod in de betrokken lidstaat”. |
|
95. |
Bij gebreke van een systeem voor de automatische uitwisseling van informatie over belemmeringen voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen lijkt deze verplichting niet verder te gaan dan wat nodig is om de doelstelling van bescherming van schuldeisers en de eerlijkheid van handelstransacties te bereiken, zonder de betrokkenen onredelijk te belasten. Bovendien lijkt kennis van de dwingende voorschriften van de lidstaat van inschrijving van een bijkantoor waarin de belemmeringen die samenhangen met de betrouwbaarheid in het zakelijk verkeer, zoals die welke in het Duitse recht zijn vastgelegd, geen uitzonderlijk grondige bestudering van dat recht te vereisen. |
|
96. |
De verplichting om te verklaren dat er geen belemmeringen bestaan voor de benoeming van bestuurders van vennootschappen mag dan gerechtvaardigd zijn, dit geldt niet voor de verplichting om te verklaren dat een notaris, een beoefenaar van een vergelijkbaar juridisch beroep of een consulair ambtenaar de bestuurder in kennis heeft gesteld van zijn plicht om het Registergericht dienaangaande onbeperkt te informeren. |
|
97. |
Niets rechtvaardigt namelijk dat een dergelijke verklaring noodzakelijkerwijs door een bestuurder moet worden afgelegd en niet kan worden afgelegd door de persoon die hem heeft gewezen op de onbeperkte informatieplicht jegens het Registergericht. Bovendien vloeit de verplichting om een dergelijke verklaring af te leggen veeleer voort uit de regels van het nationale recht inzake strafrechtelijke aansprakelijkheid. Bij gebreke van een dergelijke verklaring zou de betrokkene het recht hebben om bepaalde veroordelingen niet te melden en zouden de sancties voor het afleggen van valse verklaringen in verband met dergelijke veroordelingen in zijn geval niet van toepassing zijn. Het belang van een lidstaat om de werkingssfeer van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van bestuurders uit te breiden tot verklaringen over het bestaan van belemmeringen voor hun benoeming, kan echter niet noodzakelijkerwijs worden gelijkgesteld met het belang van de bescherming van schuldeisers. Het zou voldoende zijn als de bestuurders in beginsel niet worden vrijgesteld van het melden van deze veroordelingen. |
|
98. |
Volledigheidshalve zij erop gewezen dat de bovenstaande overwegingen niet afdoen aan de overeenstemming met het Unierecht van de strafrechtelijke sancties die verbonden zijn aan de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichtingen. |
V. Conclusie
|
99. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de tweede vraag van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) te beantwoorden als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Arrest van 9 maart 1999 (C‑212/97, EU:C:1999:126).
( 3 ) Arrest van 30 september 2003 (C‑167/01, EU:C:2003:512).
( 4 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB 2017, L 169, blz. 46).
( 5 ) Elfde richtlijn van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen (PB 1989, L 395, blz. 36).
( 6 ) Zie arrest van 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, EU:C:2003:512, punt 73).
( 7 ) Arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Societé Générale (C‑698/18 en C‑699/18, EU:C:2020:537, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 8 ) Zie artikel 167 van richtlijn 2017/1132.
( 9 ) Zie arrest van 30 januari 2020 (C‑394/18, EU:C:2020:56, punt 38).
( 10 ) Zie arrest van 14 december 2017 (C‑243/16, EU:C:2017:969, punten 3 en 9).
( 11 ) Het arrest van 30 januari 2020, I.G.I. (C‑394/18, EU:C:2020:56, punt 38), betrof namelijk een actio pauliana die was gericht tegen een splitsing van vennootschappen, terwijl het in het arrest van 14 december 2017, Miravitlles Ciurana e.a. (C‑243/16, EU:C:2017:969, punten 3 en 9), ging om een aansprakelijkheidsvordering die was gebaseerd op een loonvordering.
( 12 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (PB 2019, L 186, blz. 80).
( 13 ) Er zij op gewezen dat het vertrek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie, althans tot het einde van de in de terugtrekkingsovereenkomst vastgestelde overgangsperiode, de toepasselijkheid van richtlijn 2017/1132 op het hoofdgeding onverlet laat. Voor de toepassing van deze richtlijn moet de verzoeker nog steeds worden beschouwd als een vennootschap van een andere lidstaat.
( 14 ) Arrest van 30 september 2003 (C‑167/01, EU:C:2003:512).
( 15 ) Arrest van 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, EU:C:2003:512, punten 65 en 73).
( 16 ) Arrest van 30 september 2003 (C‑167/01, EU:C:2003:512, punten 65, 73, 101 en 105).
( 17 ) Arrest van 30 september 2003 (C‑167/01, EU:C:2003:512).
( 18 ) Zie punt 42 van deze conclusie.
( 19 ) Arrest van 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, EU:C:2003:512, punt 133).
( 20 ) Arrest van 9 maart 1999, Centros (C‑212/97, EU:C:1999:126, punt 38).
( 21 ) In dit verband heeft de Commissie in antwoord op de vraag van het Hof verklaard dat de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichtingen tot gevolg hebben dat het Duitse recht inzake het bestuursverbod voor bestuurders van toepassing wordt op bestuurders van in andere lidstaten ingeschreven vennootschappen die een bijkantoor in Duitsland willen oprichten. Verder geeft de Duitse regering, onder verwijzing naar de documenten die tijdens de wetgevingsprocedure zijn opgesteld, aan dat „het enige doel hier is te voorkomen dat personen die naar Duits recht ongeschikt zouden zijn – bijvoorbeeld die geen bestuurder van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid kunnen worden – als vertegenwoordiger van een buitenlandse vennootschap een bijkantoor in Duitsland laten inschrijven”.
( 22 ) Zie arrest van 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, EU:C:2003:512, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 23 ) De verwijzende rechter merkt op dat de in de tweede prejudiciële vraag genoemde verplichtingen ook gelden voor „alle buitenlandse vennootschappen die in het buitenland met buitenlands leidinggevend personeel worden opgericht en daar daadwerkelijk hun hoofdvestiging hebben”. Zie met betrekking tot deze problematiek Avout, L., „L’entreprise et les conflits internationaux de lois”, Recueil des cours de l’Académie de La Haye, 2019, deel 397, blz. 264.
( 24 ) Zie, a contrario, ingeval het recht van een lidstaat, wanneer een vennootschap die overeenkomstig het recht van een andere lidstaat is opgericht op het grondgebied waarvan zij haar statutaire zetel heeft, geacht wordt haar werkelijke zetel naar die eerste staat te hebben verplaatst, deze vennootschap haar rechtsbevoegdheid ontzegt, arrest van 5 november 2002, Überseering (C‑208/00, EU:C:2002:632, punt 93). Zie ook naar analogie mijn conclusie in de zaak McCarthy e.a. (C‑202/13, EU:C:2014:345, punten 138 en 139).
( 25 ) Zie in die zin met betrekking tot de toepassing van beletselen voor de benoeming wat betreft bijkantoren van vennootschappen die in een andere lidstaat zijn gevestigd Ebke, W.F., „The ‚Real Seat’ Doctrine in the Conflict of Corporate Laws”, The International Lawyer, 2002, deel 36, blz. 1031, voetnoot 112; Gerner‑Beuerle, C., Mucciarelli, F., Schuster, E., Siems, M., „Study on the Law Applicable to Companies. Final Report”, Publications Office in the European Union, 2016, Luxemburg, blz. 139; Sørensen, K. E., „Branches of Companies in the EU: Balancing the Eleventh Company Law Directive, National Company Law and the Right of Establishment”, European Company and Financial Law Review, 2014, deel 11(1), blz. 83, en Tridimas, T., „Abuse of Rights in the EU Law: Some Reflections with Particular Reference to Financial Law”, in de la Feria, R., Vogenauer, S. (uitg.), Prohibition of Abuse of Law: A New General Principle of EU Law? Hart Publishing, Oxford – Portland, 2011, blz. 178.
( 26 ) Zie, a contrario, arrest van 10 december 2015, Kornhaas (C‑594/14, EU:C:2015:806, punt 28). In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat de toepassing van een nationale bepaling die geen betrekking heeft op de oprichting van een vennootschap in een bepaalde lidstaat of de latere vestiging ervan in een andere lidstaat en die daarentegen wel wordt toegepast in het kader van de activiteit van deze vennootschap, de vrijheid van vestiging niet kan aantasten.
( 27 ) Arrest van 10 juli 1986 (79/85, EU:C:1986:308, punt 15).
( 28 ) Zie in die zin arrest van 25 oktober 2017, Polbud – Wykonawstwo (C‑106/16, EU:C:2017:804, punt 39).
( 29 ) Zie arrest van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C‑110/99, EU:C:2000:695, punten 52 en 53).
( 30 ) Zie arrest van 9 maart 1999, Centros (C‑212/97, EU:C:1999:126, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 31 ) Zie in die zin Sørensen, K.E., „The fight against letterbox companies in the internal market”, Common Market Law Review, 2015, deel 25(1), blz. 92, en Munari, F., Terrile, P., „The Centros case and the rise of an EC market for corporate law”, in: Ferrarini, G., Hopt, K. J., Wymeersch, E. (uitg.), Capital Markets in the Age of the Euro: Cross-Border Transactions, Listed Companies and Regulation, Kluwer Law International, Den Haag/Londen/New York, 2002, blz. 47.
( 32 ) Zie punt 56 van deze conclusie.
( 33 ) Zie in die zin arrest van 9 maart 1999, Centros (C‑212/97, EU:C:1999:126, punt 25). Zie ook Tridimas, T., „Abuse of Rights in the EU Law: Some Reflections with Particular Reference to Financial Law”, in de la Feria, R., Vogenauer, S. (uitg.), Prohibition of Abuse of Law: A New General Principle of EU Law?, Hart Publishing, Oxford – Portland, 2011, blz. 178.
( 34 ) Volgens artikel 13 decies van richtlijn 2017/1132, zoals gewijzigd bij richtlijn 2019/1151, worden onder „bestuurders” ten minste de in artikel 14, onder d), i), van deze eerste richtlijn bedoelde personen verstaan, dat wil zeggen de personen die, als orgaan waarin de wet voorziet of als leden van een dergelijk orgaan, de bevoegdheid hebben de vennootschap ten opzichte van derden te verbinden en haar in rechte te vertegenwoordigen. In dit verband blijkt uit het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing dat volgens de door de nationale rechter gebruikte terminologie een „bestuurder van een vennootschap” in feite de wettelijke vertegenwoordiger van die vennootschap is. Hij kan dus worden beschouwd als een „bestuurder” in de zin van bovengenoemde bepalingen.
( 35 ) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht [COM(2018) 239 final, blz. 15].
( 36 ) Zie arrest van 12 juli 2012, VALE (C‑378/10, EU:C:2012:440, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook in die zin arrest van 30 september 2003, Inspire Art (C‑167/01, EU:C:2003:512, punt 140).