CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. PIKAMÄE

van 30 september 2020 ( 1 )

Zaak C‑649/19

Spetsializirana prokuratura

Strafprocedure

tegen

IR

[verzoek van de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Recht op informatie in het kader van strafprocedures – Richtlijn 2012/13/EU – Artikelen 3 tot en met 7 – Schriftelijke verklaring van rechten bij aanhouding – Recht op informatie over de beschuldiging – Recht op toegang tot de stukken van het dossier – Persoon die is aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel – Beroep tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen – Geldigheid van kaderbesluit 2002/584/JBZ – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 6, 47 en 48”

I. Inleiding

1.

Sinds 2010 heeft de Uniewetgever ter bevordering van de justitiële samenwerking in strafzaken een aantal richtlijnen vastgesteld die hoofdzakelijk tot doel hebben om de rechten van de betrokkenen in strafprocedures te versterken.

2.

De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft de draagwijdte ratione personae van een dergelijke versterking van rechten, met name de toekenning aan ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden personen van diverse procedurele rechten die zijn opgenomen in richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures ( 2 ). De verwijzende rechter verbindt het genot van die rechten met de uitoefening van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen de beslissing om een dergelijk bevel uit te vaardigen, en, ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, vraagt hij zich af of kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten ( 3 ) überhaupt geldig is in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

3.

De onderhavige zaak biedt het Hof aldus de gelegenheid om de onderlinge samenhang te verduidelijken tussen richtlijn 2012/13, enerzijds, en kaderbesluit 2002/584 en de daarin gestelde vereisten van bescherming van de grondrechten, zoals toegepast op het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel, anderzijds.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   Richtlijn 2012/13

4.

Overweging 39 van die richtlijn luidt als volgt:

„Het recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding waarin deze richtlijn voorziet, dient mutatis mutandis ook te gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in kaderbesluit [2002/584]. Om de lidstaten te helpen bij het opstellen van een verklaring van rechten voor dergelijke personen, is in bijlage II een model opgenomen. Dit model is indicatief en kan worden herzien in het kader van het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn alsmede wanneer alle maatregelen van de routekaart in werking zijn getreden.”

5.

In artikel 1 van die richtlijn is het volgende bepaald:

„Deze richtlijn legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van verdachten of beklaagden over hun rechten in strafprocedures en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. De richtlijn legt ook voorschriften vast met betrekking tot het recht op informatie van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ten aanzien van hun rechten.”

6.

Artikel 3 van die richtlijn is als volgt verwoord:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie krijgen over ten minste de volgende procedurele rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht, opdat deze rechten daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend:

a)

het recht op toegang tot een advocaat;

b)

het recht op kosteloze rechtsbijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen;

c)

het recht op informatie over de beschuldiging overeenkomstig artikel 6;

d)

het recht op vertolking en vertaling;

e)

het zwijgrecht.

2.   De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde informatie mondeling of schriftelijk en in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen wordt verstrekt, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele specifieke behoeften van kwetsbare verdachten of beklaagden.”

7.

Artikel 4 van richtlijn 2012/13 luidt als volgt:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, onverwijld in het bezit worden gesteld van een schriftelijke verklaring van rechten. Zij worden in de gelegenheid gesteld om de verklaring van rechten te lezen en mogen deze in hun bezit houden zolang zij van hun vrijheid zijn beroofd.

2.   Naast de in artikel 3 bedoelde informatie, bevat de in lid 1 van dit artikel bedoelde verklaring van rechten informatie over de volgende rechten, zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht:

a)

het recht op toegang tot de stukken van het dossier;

b)

het recht om consulaire autoriteiten en één persoon op de hoogte te laten stellen;

c)

het recht op toegang tot dringende medische bijstand; en

d)

het maximumaantal uren of dagen dat verdachten of beklaagden van hun vrijheid mogen worden beroofd voordat zij aan een gerechtelijke autoriteit moeten worden voorgeleid.

3.   De verklaring van rechten bevat tevens basisinformatie over de eventuele mogelijkheden, overeenkomstig het nationale recht, om de rechtmatigheid van de aanhouding aan te vechten, om een herziening van de detentie te bekomen, of om [om] voorlopige invrijheidstelling te verzoeken.

4.   De verklaring van rechten is in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen opgesteld. Bijlage I bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring.

5.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden de verklaring van rechten ontvangen opgesteld in een taal die zij begrijpen. Als er geen verklaring van rechten in de passende taal beschikbaar is, worden de rechten aan de verdachten of beklaagden mondeling meegedeeld in een taal die zij begrijpen. Aan de betrokkenen moet vervolgens zonder onnodig uitstel een verklaring van rechten worden verstrekt in een taal die zij begrijpen.”

8.

In artikel 5 van die richtlijn staat het volgende te lezen:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel onverwijld een passende verklaring van rechten ontvangen met informatie over hun rechten zoals voorzien in de wet van de uitvoerende lidstaat tot uitvoering van kaderbesluit [2002/584].

2.   De verklaring van rechten is in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen opgesteld. Bijlage II bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring.”

9.

Artikel 6 van de richtlijn luidt als volgt:

„1.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden informatie ontvangen over het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd. Deze informatie wordt onverwijld verstrekt en is zo gedetailleerd als noodzakelijk is om het eerlijke verloop van de procedure en de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, in kennis worden gesteld van de redenen voor hun aanhouding of detentie, met inbegrip van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.

3.   De lidstaten zien erop toe dat uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging, gedetailleerde informatie wordt verstrekt over de beschuldiging, met inbegrip van de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsmede over de aard van de beweerde betrokkenheid van de beklaagde.

4.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden onverwijld in kennis worden gesteld van wijzigingen in de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie, indien dit nodig is om een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen.”

10.

In artikel 7 van die richtlijn is het volgende bepaald:

„1.   Wanneer een persoon in enige fase van de strafprocedure is aangehouden en gedetineerd, zien de lidstaten erop toe dat de stukken betreffende de zaak die in het bezit zijn van de bevoegde autoriteiten en die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie overeenkomstig het nationale recht daadwerkelijk aan te vechten, ter beschikking worden gesteld van de aangehouden personen of hun advocaten.

2.   De lidstaten zien erop toe dat verdachten of beklaagden of hun advocaten toegang wordt verleend tot ten minste alle bewijsstukken waarover de bevoegde autoriteiten beschikken en die belastend of ontlastend voor de betrokkenen zijn, teneinde een eerlijk verloop van de procedure te waarborgen en de voorbereiding van de verdediging mogelijk te maken.

3.   Onverminderd lid 1 wordt met het oog op de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging tijdig toegang tot de in lid 2 bedoelde stukken verleend, uiterlijk op het moment dat het gerecht wordt verzocht een beslissing te nemen over de gegrondheid van de beschuldiging. Indien de bevoegde autoriteiten in het bezit komen van aanvullende bewijsstukken, verlenen zij daartoe tijdig toegang, zodat deze kunnen worden bestudeerd.

4.   In afwijking van de leden 2 en 3 kan, op voorwaarde dat het recht op een eerlijk proces hierdoor niet wordt geschonden, de toegang tot bepaalde stukken worden geweigerd indien door die toegang het leven of de grondrechten van een andere persoon ernstig in het gedrang zouden kunnen komen of indien die weigering strikt noodzakelijk is ter bescherming van een zwaarwegend algemeen belang, zoals wanneer door de toegang een lopend onderzoek zou kunnen worden geschaad of de nationale veiligheid van de lidstaat waar de strafprocedure wordt gevoerd ernstig zou kunnen worden bedreigd. De lidstaten zien erop toe dat, overeenkomstig de procedures in hun nationale recht, het besluit om overeenkomstig dit lid de toegang tot bepaalde stukken te weigeren, wordt genomen door een gerechtelijke autoriteit of ten minste onderworpen is aan toetsing door een gerechtelijke autoriteit.

5.   De in dit artikel bedoelde toegang wordt kosteloos verleend.”

B.   Kaderbesluit 2002/584

11.

In artikel 1 van kaderbesluit 2002/584 wordt het volgende bepaald:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

12.

Artikel 8 van dit kaderbesluit luidt als volgt:

„1.   In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

a)

de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b)

de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;

c)

de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;

d)

de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;

e)

een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f)

de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

g)

indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.

2.   Het Europees aanhoudingsbevel wordt vertaald in de officiële taal of in één van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neergelegde verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Gemeenschappen aanvaardt.”

13.

Artikel 11 van dit kaderbesluit is als volgt verwoord:

„1.   Wanneer een gezochte persoon wordt aangehouden, stelt de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit hem, overeenkomstig haar nationaal recht, in kennis van het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel en van de mogelijkheid om met overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in te stemmen.

2.   Een gezochte persoon die ter fine van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt aangehouden, heeft recht op bijstand van een raadsman en van een tolk, overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat.”

14.

In artikel 12 van kaderbesluit 2002/854 is het volgende bepaald:

„Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.”

III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15.

De Spetsializirana prokuratura (bijzonder openbaar ministerie, Bulgarije) is een strafprocedure gestart tegen IR, die wordt aangeklaagd wegens deelneming aan een criminele organisatie die tot doel had fiscale delicten te plegen. IR heeft in de voorbereidende fase van de tegen hem ingeleide strafprocedure, in de loop waarvan hij een beroep heeft gedaan op twee door hem aangewezen advocaten, slechts over een aantal van zijn rechten als beklaagde informatie ontvangen.

16.

Bij aanvang van de gerechtelijke fase van de strafprocedure tegen IR op 24 februari 2017 had hij zijn woonadres verlaten en was hij niet op te sporen. De twee advocaten die hem tijdens de voorbereidende fase van de strafprocedure hadden vertegenwoordigd, hebben aangegeven die rol niet langer te bekleden. In het licht daarvan is ambtshalve een nieuwe advocaat toegevoegd.

17.

Bij beschikking van 10 april 2017, die op 19 april 2017 in beroep is bevestigd, heeft de verwijzende rechter aan IR een maatregel van „voorlopige hechtenis” opgelegd, die gelijkstaat aan een nationaal aanhoudingsbevel. IR is niet ter zitting verschenen en hij werd verdedigd door de ambtshalve toegevoegde advocaat.

18.

Op 25 mei 2017 is een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen IR, die nog steeds niet was opgespoord. De advocaat die ambtshalve was toegewezen om hem te vertegenwoordigen, is vervangen door een andere advocaat, die eveneens ambtshalve is toegewezen.

19.

In het licht van de arresten OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) ( 4 ) en PF (Procureur-generaal van Litouwen) ( 5 ), alsook van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Gavanozov ( 6 ), heeft de verwijzende rechter dat aanhoudingsbevel ingetrokken omdat hij twijfels had over de verenigbaarheid ervan met het Unierecht, gelet op het feit dat IR op grond daarvan geen recht op een doeltreffende voorziening in rechte wordt gewaarborgd, in die zin dat hij na zijn aanhouding in de uitvoerende lidstaat niet onverwijld een verzoek tot intrekking van het nationaal en het Europees aanhoudingsbevel zal kunnen indienen.

20.

Die rechter benadrukt dat hij voor de uitvaardiging van een nieuw, met het Unierecht verenigbaar Europees aanhoudingsbevel tegen IR is aangewezen op nadere toelichtingen over de inhoud van het bevel of over de mogelijkheid om er documenten aan toe te voegen, om te verzekeren dat de uit richtlijn 2012/13 voortvloeiende rechten worden nageleefd.

21.

In de eerste plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat uit de bewoordingen van die richtlijn niet eenduidig kan worden opgemaakt of sommige bepalingen, zoals artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, ervan, niet kunnen worden toegepast op een persoon die in een andere lidstaat wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel. De vraag rijst of die persoon zich op de uit die bepalingen voortvloeiende rechten kan beroepen boven op de rechten die uitdrukkelijk zijn opgenomen in artikel 5 van richtlijn 2012/13 en in bijlage II bij die richtlijn.

22.

Indien moet worden aangenomen dat de in de uitvoerende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon over alle rechten dient te beschikken die hij zou hebben genoten bij aanhouding op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wenst de verwijzende rechter in de tweede plaats te vernemen of artikel 8 van kaderbesluit 2002/584 aldus dient te worden uitgelegd dat het Europees aanhoudingsbevel inhoudelijk kan worden gewijzigd om de in de voornoemde bepalingen van richtlijn 2012/13 opgenomen rechten erin op te nemen.

23.

Indien moet worden aangenomen dat de informatie die is opgenomen in het formulier in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584 niet kan worden aangevuld, wenst de verwijzende rechter in de derde plaats te vernemen welke andere middelen voorhanden zijn teneinde te waarborgen dat IR na zijn aanhouding in een andere lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel zijn rechten krachtens richtlijn 2012/13 onverwijld en daadwerkelijk kan uitoefenen. Als uitvaardigende autoriteit van het Europees aanhoudingsbevel kan de verwijzende rechter, zodra hij kennis heeft gekregen van de aanhouding van die persoon, ertoe worden gebracht hem de verklaring van rechten bij aanhouding alsmede een afschrift van het nationaal aanhoudingsbevel en van de bewijsstukken ter ondersteuning ervan toe te zenden, evenals de gegevens van zijn vertegenwoordiger en desgevraagd een afschrift van de andere stukken uit het hem betreffende dossier.

24.

Bij gebreke van een juridisch bindende oplossing die de aangehouden persoon waarborgen biedt voor de uitoefening van zijn rechten krachtens artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13, betwijfelt de verwijzende rechter in de vierde plaats of kaderbesluit 2002/584 geldig is, gelet op het feit dat overeenkomstig overweging 12 en artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit de grondrechten, en meer bepaald de in de artikelen 6 en 47 van het Handvest verankerde rechten, dienen te worden geëerbiedigd.

25.

In die omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Kan een beklaagde die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden, zich beroepen op de rechten van de beklaagde ingevolge artikel 4 (met name het recht krachtens artikel 4, lid 3), artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [2012/13]?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 8 van kaderbesluit [2002/584] dan aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een inhoudelijke wijziging van het als bijlage bij het Europees aanhoudingsbevel gevoegde formulier, met name de toevoeging van een nieuwe tekst in dit formulier met betrekking tot de rechten van de gezochte persoon om het nationaal aanhoudingsbevel en het Europees aanhoudingsbevel bij de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat aan te vechten?

3)

Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, is het dan in overeenstemming met overweging 12 en artikel 1, lid 3, van kaderbesluit [2002/584], artikel 4, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [2012/13] en de artikelen 6 en 47 van het Handvest wanneer een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd met strikte inachtneming van het formulier zoals opgenomen in de bijlage (dat wil zeggen zonder de gezochte persoon informatie te verstrekken over zijn rechten ten aanzien van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, zodra zij in kennis is gesteld van de aanhouding van de persoon, laatstgenoemde onverwijld over zijn rechten informeert en hem de overeenkomstige stukken toezendt?

4)

Indien er geen andere rechtsgrond bestaat ter waarborging van de rechten van een op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon uit hoofde van artikel 4 (en met name artikel 4, lid 3), artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn [2012/13], is kaderbesluit [2002/584] dan geldig?”

IV. Procedure bij het Hof

26.

De Tsjechische, de Duitse, de Hongaarse en de Oostenrijkse regering alsook de Europese Commissie hebben binnen de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgeschreven termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.

V. Analyse

27.

De verwijzende rechter heeft aan het Hof vier vragen voorgelegd, die gedeeltelijk overlappen en in mijn ogen kunnen worden gegroepeerd rond twee vraagstukken.

28.

Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst die rechter in essentie te vernemen of artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus dienen te worden uitgelegd dat de daarin genoemde rechten gelden voor personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel. Zo ja, vraagt de verwijzende rechter zich af of het formulier met het uniforme model van het Europees aanhoudingsbevel, zoals vastgesteld in artikel 8 van kaderbesluit 2002/584, inhoudelijk kan worden gewijzigd door die rechten erin op te nemen, of anders door de aangehouden persoon stukken toe te zenden met informatie over zijn rechten op grond van voornoemde bepalingen van richtlijn 2012/13.

29.

Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter met zijn tweede prejudiciële vraag in wezen van het Hof te vernemen of kaderbesluit 2002/584 verenigbaar is met de vereisten die uit het in artikel 6 van het Handvest opgenomen recht op vrijheid en het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces voortvloeien, voor zover in dat kaderbesluit aan de persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is aangehouden en in de uitvoerende lidstaat wordt vastgehouden, niet het in voornoemde artikelen van richtlijn 2012/13 genoemde recht op informatie wordt gewaarborgd teneinde na zijn aanhouding in die lidstaat bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onverwijld en daadwerkelijk beroep te kunnen instellen strekkende tot intrekking van het nationaal en Europees aanhoudingsbevel.

A.   Ontvankelijkheid

30.

De Duitse regering heeft twijfels over de ontvankelijkheid van de voorgelegde vragen, die volgens haar neerkomen op een verzoek om juridisch advies zonder enig verband met een aanhangig geding, wat in strijd is met de strekking en het doel van de prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU.

31.

Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om – rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, waarvan het Hof de juistheid niet behoeft na te gaan. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. ( 7 )

32.

In casu blijkt evenwel niet duidelijk uit de aan het Hof overgelegde stukken dat de situatie in kwestie onder een van deze hypothesen valt. Bij de verwijzende rechter is thans namelijk een strafrechtelijke verstekprocedure aanhangig betreffende IR, in het kader waarvan die rechter aan laatstgenoemde een maatregel van voorlopige hechtenis – die gelijkstaat aan een nationaal aanhoudingsbevel – heeft opgelegd en vervolgens op 27 mei 2017 ten aanzien van hem een Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. De onderhavige prejudiciële verwijzing past in het kader van die procedure. De verwijzende rechter zet in dit verband uiteen dat hij zich tot het Hof heeft gewend om, in het licht van de antwoorden op de gestelde vragen, een nieuw Europees aanhoudingsbevel tegen IR uit te vaardigen, daar hij het oorspronkelijk uitgevaardigde aanhoudingsbevel heeft ingetrokken omdat hij twijfels had over de verenigbaarheid ervan met het Unierecht. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de voorgelegde vragen geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van de bij de verwijzende rechter aanhangige procedure, of dat het probleem van hypothetische aard is. ( 8 )

33.

Bovendien moet worden benadrukt dat de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel tot gevolg heeft dat de gezochte persoon in hechtenis kan worden genomen, zodat dit zijn persoonlijke vrijheid aantast. Het Hof heeft reeds ten aanzien van een procedure inzake een Europees aanhoudingsbevel geoordeeld dat de waarborging van de grondrechten in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat is. Om ervoor te zorgen dat deze rechten worden gewaarborgd – wat voor een rechterlijke autoriteit aanleiding kan zijn om het door haar uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel in te trekken – is het derhalve van belang dat een dergelijke autoriteit over de mogelijkheid beschikt om zich prejudicieel tot het Hof te wenden met het oog op de vaststelling van de voorwaarden waaronder een nieuw Europees aanhoudingsbevel in overeenstemming met het Europees recht kan worden uitgevaardigd, met name wat betreft de inachtneming van de procedurele rechten van de betrokkene, en dus de toepasselijkheid van artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 op de ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden personen. ( 9 )

34.

Derhalve is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing mijns inziens ontvankelijk.

B.   Eerste prejudiciële vraag

35.

Vooraf dient mijns inziens te worden gewezen op de evidentie dat richtlijn 2012/13 van toepassing is op personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, waarbij de verwijzende rechter peilt naar de mate waarin die richtlijn van toepassing is, en met name wenst te vernemen of aan die personen de in artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 opgenomen rechten worden toegekend.

36.

Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 10 )

1. Contextuele en letterlijke uitlegging van artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13

37.

Om de werkingssfeer van artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 te bepalen, en om de vraag te beantwoorden of de daarin opgenomen rechten worden toegekend aan personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, is het mijns inziens noodzakelijk om de algemene opzet van die richtlijn te analyseren.

38.

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat pas in overweging 39 van richtlijn 2012/13 voor de eerste en enige keer in de considerans melding wordt gemaakt van de situatie van voornoemde personen. Al de voorgaande overwegingen zijn gewijd aan de minimumvoorschriften die van toepassing zijn op het verstrekken van informatie aan „verdachten of beklaagden” in het kader van strafprocedures. De formulering van overweging 39 bevestigt dat de Uniewetgever een onderscheid maakt tussen beide situaties, aangezien daarin wordt aangegeven dat het recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding „mutatis mutandis ook” dient te gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Deze Latijnse uitdrukking, die kan worden vertaald als „na de nodige wijzigingen te hebben aangebracht”, wordt doorgaans gebezigd om situaties te vergelijken waarvan de spreker wil aangeven dat zij slechts gelijkaardig zijn.

39.

Artikel 1 van richtlijn 2012/13 is nog explicieter door de omschrijving in twee afzonderlijke zinnen van het dubbele onderwerp van de richtlijn, te weten de vaststelling van voorschriften met betrekking tot het recht op informatie van twee categorieën van personen, ten eerste verdachten en beklaagden in strafprocedures en ten tweede personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. De aldus gebruikte terminologie wordt nauwkeurig hernomen in de daaropvolgende artikelen 2 tot en met 8, en enkel artikel 5 van die richtlijn – en dus niet de in het verzoek om een prejudiciële beslissing vermelde bepalingen – verwijst uitdrukkelijk naar die tweede categorie. In artikel 2 van richtlijn 2012/13 wordt op de toepassing ratione materiae van de richtlijn enkel ingegaan vanuit het oogpunt van de bepaling van het begrip „strafprocedure”, waaraan hier een ruime betekenis wordt toegekend, gaande van de eerste verdenking tot en met de definitieve schuldigverklaring van de betrokkene. Uit die omschrijving blijkt wederom de eigenheid en in zekere zin het bijkomstige karakter van de in artikel 5 van richtlijn 2012/13 vervatte bepalingen betreffende personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

40.

Wat meer specifiek de vaststelling van de omvang van de in de artikelen 4, 6 en 7 van richtlijn 2012/13 opgenomen rechten betreft, dienen die bepalingen en artikel 3 van die richtlijn in onderlinge samenhang te worden gelezen, gelet op de daarin vervatte verwijzingen naar een van die bepalingen.

41.

Artikel 4 van richtlijn 2012/13 verplicht de lidstaten om verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd een schriftelijke verklaring te verstrekken met daarin informatie over de in artikel 3 van die richtlijn opgenomen procedurele rechten, waaronder het recht op informatie over de beschuldiging zoals gespecificeerd in artikel 6 van die richtlijn, en daarnaast over de vier in artikel 4, lid 2, van die richtlijn genoemde aanvullende rechten, waaronder het in artikel 7 beschreven recht op toegang tot de stukken van het dossier. Voorts bepaalt artikel 4, lid 3, van richtlijn 2012/13 dat die verklaring van rechten tevens basisinformatie bevat over de eventuele mogelijkheden, overeenkomstig het nationale recht, om de rechtmatigheid van de aanhouding aan te vechten, om een herziening van de detentie te bekomen, of om om voorlopige invrijheidstelling te verzoeken.

42.

Zoals in overweging 22 van richtlijn 2012/13 wordt aangegeven en in artikel 4, lid 4, ervan wordt bepaald, is in bijlage I bij die richtlijn een indicatief model opgenomen om de lidstaten te helpen bij de opstelling van die verklaring van rechten, waarbij dat model acht rubrieken bevat betreffende: A. Bijstand van een advocaat/recht op rechtsbijstand; B. Informatie over de beschuldiging; C. Vertolking en vertaling; D. Zwijgrecht; E. Toegang tot documenten; F. Recht om iemand in kennis te stellen van de aanhouding of inhechtenisneming/recht om het consulaat of de ambassade van de betrokkene in kennis te stellen; G. Dringende medische bijstand, en H. Duur van de vrijheidsbeneming. Hieruit blijkt dat de rubrieken B, E en H overeenkomen met de rechten die respectievelijk zijn opgenomen in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, en artikel 4, lid, 3 van richtlijn 2012/13.

43.

Artikel 5 van richtlijn 2012/13, gelezen in samenhang met overweging 39 ervan, bepaalt dat personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel eveneens een „passende” schriftelijke verklaring van rechten dienen te ontvangen, en verwijst naar het in bijlage II bij die richtlijn opgenomen indicatieve model, waarvan de inhoud verschilt van het in bijlage I opgenomen model. Het indicatieve model in bijlage II bevat immers geen rubrieken betreffende de in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 1, en artikel 4, lid 3, van richtlijn 2012/13 opgenomen rechten, die dus niet gelden voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. ( 11 )

44.

Zoals de Tsjechische regering in haar opmerkingen terecht aangeeft, bevat richtlijn 2012/13 geen enkele bepaling of aanwijzing voor het feit dat personen die zijn aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel in het bezit moeten worden gesteld van een schriftelijke verklaring waarin de informatie uit de twee in de bijlagen I en II bij die richtlijn opgenomen indicatieve modellen wordt gecombineerd. Wel integendeel, overweging 39 van richtlijn 2012/13 leert heel duidelijk dat het model van de verklaring van rechten „voor dergelijke personen” uitsluitend wordt gevormd door bijlage II bij die richtlijn. Uit de bewoordingen van de artikelen 4 en 5 van richtlijn 2012/13, gelezen in samenhang met de overwegingen 22 en 39 ervan, blijkt dus dat de modellen van de verklaring van rechten die in die twee bijlagen zijn opgenomen, elkaar uitsluiten. ( 12 )

45.

De vaststelling dat artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 niet van toepassing zijn op de situatie van personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, vindt verder steun in twee andere overwegingen.

46.

In de eerste plaats dient mijns inziens te worden stilgestaan bij de draagwijdte van de in de artikelen 4, 6 en 7 van richtlijn 2012/13 gehanteerde begrippen „aanhouding” of „detentie” van verdachten of beklaagden. Dienaangaande wordt er in overweging 21 van richtlijn 2012/13 op gewezen dat „[w]anneer deze richtlijn verwijst naar verdachten of beklaagden die zijn aangehouden of gedetineerd, [...] hieronder [dient] te worden verstaan betrokkenen die in de loop van een strafprocedure van hun vrijheid zijn beroofd als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), [van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‚EVRM’)], zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”.

47.

Laatstgenoemde bepaling ziet op de situatie waarin een persoon „op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan”. Een dergelijke situatie verschilt van de in artikel 5, lid 1, onder f), EVRM bedoelde situatie, te weten de rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een „uitwijzings- of uitleveringsprocedure” hangende is, waarbij dat laatste geval overeenkomt met het door kaderbesluit 2002/584 ingevoerde mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel.

48.

In de tweede plaats volgt uit de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2012/13 dat aan verdachten en beklaagden een aantal rechten wordt toegekend, waaronder de respectievelijk in de artikelen 6 en 7 van die richtlijn gespecificeerde rechten op informatie over de beschuldiging en op toegang tot de stukken van het dossier, „zoals die van toepassing zijn op grond van het nationale recht” van de betrokken lidstaat. De uitdrukkelijke verwijzing naar het „nationale recht” wijst erop dat met de situatie van personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel evenwel geen rekening is gehouden, aangezien daarvoor noodzakelijkerwijze wordt verwezen naar het recht van de uitvaardigende of de uitvoerende lidstaat, waarvoor in de bewoordingen van artikel 5 van die richtlijn steun kan worden gevonden.

2. Teleologische uitlegging

49.

Vooraf wijs ik erop dat voor de teleologische uitlegging, gelet op de aard van de prejudiciële vraag, de doelstellingen van richtlijn 2012/13 en die van kaderbesluit 2002/584 samen dienen te worden onderzocht.

50.

Om inzicht te krijgen in de bedoeling van de Uniewetgever en bijgevolg in de doelstellingen die met deze handelingen worden nagestreefd, dient aandacht te worden besteed aan de dynamiek van de totstandbrenging, uit het oogpunt van de Unie, van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, met name op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken.

51.

In dat verband dient te worden opgemerkt dat kaderbesluit 2002/584, blijkens overweging 6 ervan, de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied vormt van het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen dat is verankerd in artikel 82, lid 1, VWEU, dat in de plaats is gekomen van artikel 31 VEU, op grond waarvan dit kaderbesluit is vastgesteld. Sindsdien is de justitiële samenwerking in strafzaken geleidelijk aan voorzien van juridische instrumenten waarvan de gecoördineerde toepassing ertoe strekt het vertrouwen van de lidstaten ten aanzien van hun respectieve nationale rechtsorden te versterken met het doel de erkenning en de tenuitvoerlegging in de Unie van strafrechtelijke uitspraken te verzekeren om te voorkomen dat daders van strafbare feiten straffeloos blijven. ( 13 )

52.

Richtlijn 2012/13 maakt, zoals aangegeven in de overwegingen 11, 12 en 14 ervan, deel uit van dat geheel aan juridische instrumenten tot uitwerking van de door de Raad in 2009 aangenomen routekaart ter versterking van de rechten van personen in strafprocedures, die door de Europese Raad is verwelkomd en als deel van het programma van Stockholm is aangemerkt. ( 14 ) Uit die chronologie blijkt duidelijk dat de Uniewetgever de justitiële samenwerking in strafzaken heeft willen versterken door verder te gaan dan het reeds bestaande mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel teneinde de strafprocedure in al haar aspecten te bestrijken. Zoals in de resolutie van de Raad van 30 november 2009 over die routekaart wordt vermeld, omvatten „strafprocedures [...] in de context van deze resolutie het strafproces en de fase ervoor”.

53.

Tot die instrumenten behoren eveneens:

richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures ( 15 );

richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming ( 16 );

richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure ( 17 );

richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel ( 18 ).

54.

Al die afgeleide handelingen, met inbegrip van richtlijn 2012/13, zijn bedoeld om de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures te versterken, maar hebben eveneens met elkaar gemeen dat zij specifieke bepalingen bevatten voor de situatie van personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingbevel, waardoor een aantal van voornoemde rechten – op aangepaste wijze – wel degelijk op hen van toepassing zijn. De uitlegging van de in het verzoek om een prejudiciële beslissing genoemde bepalingen is mijns inziens onlosmakelijk verbonden met die bijzondere normatieve context, die wordt gekenmerkt door een wetgevingstechniek waarbij gebruik wordt gemaakt van rechtsinstrumenten met een dubbel onderwerp en waarin de basistekst, te weten kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 ( 19 ), op zich niet langer volstaat om inzicht te krijgen in de rechten van personen die zijn aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel.

55.

Meer specifiek met betrekking tot richtlijn 2012/13 wijs ik erop dat meerdere formuleringen in het voorstel voor een richtlijn van de Commissie van 20 juli 2010 ( 20 ) die wat betreft de draagwijdte van de erin opgenomen rechten relatief dubbelzinnig konden overkomen, uit de definitieve tekst zijn verdwenen.

56.

Aldus stond in overweging 25 te lezen dat „de rechten waarin deze richtlijn voorziet” mutatis mutandis ook moesten gelden in procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, een algemene formulering die is vervangen door de verwijzing in overweging 39 van richtlijn 2012/13 naar het loutere recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar het model van de verklaring in bijlage II.

57.

Artikel 2 van het voorstel voor een richtlijn – dat het toepassingsgebied betrof – bevatte in lid 1 reeds een identieke omschrijving ratione temporis, te weten het tijdvak van de eerste verdenking tot en met de definitieve uitspraak over de schuld. Lid 2 ervan was als volgt verwoord: „Deze richtlijn geldt voor procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.” Vastgesteld moet worden dat er in artikel 2 van richtlijn 2012/13 zelfs geen melding van die procedures wordt gemaakt.

58.

Daarentegen moet erop worden gewezen dat er in de toelichting op artikel 5 van het voorstel voor een richtlijn uitdrukkelijk was vermeld dat „[v]oor personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, [...] andere rechten [gelden]”, wat heeft geleid tot een formulering van die bepaling die nauw aansluit bij de huidige eindtekst.

59.

Het is dus duidelijk dat richtlijn 2012/13 er in hoofdorde toe strekt om gemeenschappelijke minimumvoorschriften voor het recht op informatie van verdachten en beklaagden in nationale strafprocedures vast te stellen, teneinde het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten in hun respectieve strafrechtstelsels te versterken. ( 21 ) Zoals in de overwegingen 19, 22, 27 en 28 van richtlijn 2012/13, alsook in de artikelen 3, 4, 6 en 7 ervan, is aangegeven, hebben die artikelen juist tot doel te waarborgen dat de rechten van de verdediging daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend en de procedure eerlijk verloopt ( 22 ), waarbij die rechten worden uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat.

60.

In ondergeschikte orde beoogt zij daarnaast te verduidelijken op welke manier het recht op informatie geldt voor personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, waarbij artikel 5 van richtlijn 2012/13 en bijlage II bij die richtlijn op die manier kaderbesluit 2002/584 aanvullen.

61.

Ofschoon die twee doelstellingen een onmiskenbare samenhang vertonen of als parallel kunnen worden omschreven, daar een Europees aanhoudingsbevel noodzakelijkerwijze wordt uitgevaardigd in het kader van een nationale strafprocedure, vallen zij niet samen. De aanhouding van de gezochte persoon heeft automatisch tot gevolg dat een specifieke procedure ten uitvoer wordt gelegd die vanwege de grensoverschrijdende dimensie ervan als een lex specialis is te beschouwen.

62.

In dat verband dient in herinnering te worden gebracht dat kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een nieuwe, vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, beoogt de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan. Zoals uit overweging 5 van dat kaderbesluit blijkt, kan met het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent waren aan de uitleveringsprocedures van vóór de vaststelling van dat besluit. Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit beoogt het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel derhalve de aanhouding en de overlevering van een gezochte persoon mogelijk te maken opdat, gelet op het met dit kaderbesluit nagestreefde doel, het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft en deze persoon wordt vervolgd of de hem opgelegde vrijheidsstraf ondergaat. ( 23 )

63.

Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de beslissing van de uitvoerende autoriteit beperkt blijft tot het toestaan van de overlevering van de betrokkene, in overeenstemming met de bepalingen van kaderbesluit 2002/584, waarbij de procedure van strafvervolging of van uitvoering van een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, dan wel de strafprocedure ten gronde buiten de werkingssfeer van dat kaderbesluit blijven. ( 24 )

64.

De procedurele rechten van personen die worden aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, kunnen niet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de bedoeling die de Uniewetgever met de invoering van dat aanhoudingsbevel heeft gehad. Het Europees aanhoudingsbevel is opgevat als een rechterlijk mechanisme voor een snelle en doeltreffende overlevering van gezochte personen tussen lidstaten, dat in de plaats is gekomen van een omslachtige uitleveringsregeling die aan politieke discretie onderhevig was en niet bedoeld was om rekening te houden met de gehele strafprocesrechtelijke situatie van de betrokkene. Zoals de Tsjechische regering terecht aangeeft, zijn de rechten die een persoon in het kader van een procedure betreffende een Europees aanhoudingsbevel geniet, dan ook logischerwijze toegespitst op het aspect van de overlevering aan een andere lidstaat en omvatten zij niet het hele scala aan rechten waarover een persoon in het kader van een strafprocedure naar nationaal recht beschikt. ( 25 )

65.

In die context is elke uitlegging van richtlijn 2012/13 die leidt tot een ruime toepassing ratione personae ervan ( 26 ) en tot een sterke onderlinge verwevenheid van de twee betrokken normen van afgeleid recht, mijns inziens niet verenigbaar met het bewust beperkte onderwerp van kaderbesluit 2002/584, noch met de erin opgenomen doelstelling om de justitiële samenwerking te bespoedigen, waarbij in artikel 17, lid 1, ervan uitdrukkelijk is bepaald dat Europese aanhoudingsbevelen met spoed dienen te worden behandeld en ten uitvoer gelegd. ( 27 ) Overeenkomstig de reeds door het Hof verwoorde bedoeling dient aldus te worden voorkomen dat het effect van Europese aanhoudingsbevelen wordt beperkt door vertragingsmanoeuvres die tot doel hebben de tenuitvoerlegging van die aanhoudingsbevelen te belemmeren. ( 28 )

66.

In het licht van de voorgaande overwegingen dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 aldus moeten worden uitgelegd dat de erin genoemde rechten niet gelden voor personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel. ( 29 ) In die omstandigheden hoeft er niet te worden onderzocht of het formulier met het uniforme model van het Europees aanhoudingsbevel, zoals vastgesteld in artikel 8 van kaderbesluit 2002/584, overeenkomstig de suggestie van de verwijzende rechter inhoudelijk kan worden gewijzigd door die rechten erin op te nemen, of anders door de aangehouden persoon stukken toe te zenden met informatie over zijn rechten op grond van voornoemde bepalingen van richtlijn 2012/13.

67.

Wat het argument van de verwijzende rechter betreft dat er, door aan de ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden personen de in voornoemde bepalingen van richtlijn 2012/13 opgenomen rechten te ontzeggen, niet aan de in overweging 12 en artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 opgenomen verplichting wordt voldaan om de grondrechten en meer bepaald de uit de artikelen 6 en 47 van het Handvest voortvloeiende vereisten te eerbiedigen, dient erop te worden gewezen dat het daarbij in feite gaat om de vraag of kaderbesluit 2002/584 verenigbaar is met de in de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten, wat het onderwerp van de tweede vraag is. ( 30 )

C.   Tweede prejudiciële vraag

68.

Met zijn twee prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of kaderbesluit 2002/584 in het licht van de artikelen 6 en 47 van het Handvest geldig is, voor zover aan de op grond van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden personen niet de rechten worden gewaarborgd die voortvloeien uit de in de verwijzingsbeslissing genoemde bepalingen van richtlijn 2012/13, waardoor het voor die personen onmogelijk of uiterst moeilijk is om tegen een nationaal en een Europees aanhoudingsbevel op te komen, ook al bevinden zij zich in de uitvoerende lidstaat op grond van het Europees aanhoudingsbevel in hechtenis.

69.

Vooraf moet erop worden gewezen dat de Unie overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgesteld in het Handvest, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft. ( 31 )

70.

In de eerste plaats dient te worden benadrukt dat het mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel dat is ingevoerd bij kaderbesluit 2002/584 – dat niet voorziet in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing tot uitvaardiging van dat bevel – berust op het vermoeden van eerbiediging van de in het Handvest verankerde grondrechten, waarvan het in artikel 6 van het Handvest opgenomen recht op vrijheid alsook de eerbiediging van de rechten van de verdediging die zijn afgeleid van het in de artikelen 47 en 48 van het Handvest verankerde recht op een eerlijk proces integraal deel uitmaken.

71.

Het beginsel van wederzijdse erkenning, waarop het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel berust, is zelf gebaseerd op het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten dat hun respectieve nationale rechtsorden in staat zijn een effectieve en gelijkwaardige bescherming te bieden van de in de Unie, in het bijzonder in het Handvest, erkende grondrechten. Het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht, en meer in het bijzonder de door dat recht erkende grondrechten, in acht nemen. ( 32 )

72.

Aan kaderbesluit 2002/584 ligt meer in het bijzonder het beginsel ten grondslag dat voor beslissingen betreffende Europese aanhoudingsbevelen alle waarborgen gelden die eigen zijn aan rechterlijke beslissingen, waaronder de waarborgen die voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 1, lid 3, van dat kaderbesluit. Dit impliceert dat de gehele procedure van overlevering tussen lidstaten waarin kaderbesluit 2002/584 voorziet, onder rechterlijk toezicht wordt uitgevoerd. Hieruit volgt dat de bepalingen van het kaderbesluit zelf reeds voorzien in een procedure conform de vereisten van artikel 47 van het Handvest, onafhankelijk van de wijze waarop de lidstaten het kaderbesluit uitvoeren. ( 33 )

73.

Het Hof heeft met betrekking tot een procedure inzake een Europees aanhoudingsbevel voor recht verklaard dat het waarborgen van de eerbiediging van de rechten van de gezochte persoon in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de uitvaardigende lidstaat, waarbij ervan dient te worden uitgegaan dat deze lidstaat het Unierecht en meer in het bijzonder de door dit recht erkende grondrechten eerbiedigt. ( 34 ) Dienaangaande omvat het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel op twee niveaus bescherming van de procedurele en de grondrechten die de gezochte persoon moet genieten, aangezien bij de rechterlijke bescherming op het eerste niveau van de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel, de bescherming komt die gewaarborgd moet zijn op het tweede niveau van de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, die in voorkomend geval kort na de vaststelling van de nationale rechterlijke beslissing kan plaatsvinden. ( 35 )

74.

Wanneer het gaat om een maatregel die, zoals de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel, het recht op vrijheid van de betrokkene kan aantasten, houdt deze bescherming dus in dat er op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming. In het bijzonder veronderstelt het tweede niveau van bescherming van de rechten van de betrokkene dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit controleert of de voor de uitvaardiging noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld en op objectieve wijze – rekening houdend met alle belastende en ontlastende elementen en zonder daarbij het risico te lopen dat door derden, met name door de uitvoerende macht, instructies worden gegeven – onderzoekt of die uitvaardiging evenredig is. ( 36 )

75.

Het staat derhalve aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun rechtsorden het door kaderbesluit 2002/584 vereiste niveau van rechterlijke bescherming op doeltreffende wijze waarborgen middels door hen toegepaste procedurevoorschriften, die van systeem tot systeem kunnen verschillen, voor zover het doel van het kaderbesluit en de daaruit voortvloeiende vereisten niet worden doorkruist. Dienaangaande kunnen de aan een effectieve rechterlijke bescherming inherente vereisten inhouden dat een afzonderlijk recht op beroep wordt opengesteld tegen de door een andere rechterlijke autoriteit dan een rechter genomen beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen. ( 37 ) In het licht van de bewoordingen van het verzoek om een prejudiciële beslissing is het interessant om erop te wijzen dat een nationale regeling die voorziet in een recht op beroep tegen de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging uit te vaardigen dat kan worden uitgeoefend na de daadwerkelijke overlevering van de gezochte persoon, aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming voldoet. ( 38 )

76.

Voorts dient erop te worden gewezen dat ofschoon de lidstaten zich er overeenkomstig artikel 1, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 toe verbinden om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van ditzelfde kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, deze erkenning evenwel niet impliceert dat de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde aanhoudingsbevel een absolute verplichting is. ( 39 ) Alvorens een beslissing te nemen over de overlevering van de persoon die met het oog op strafvervolging wordt gezocht, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit een zeker toezicht op het Europees aanhoudingsbevel uit te oefenen en zich ervan te vergewissen dat de grondrechten van die persoon worden geëerbiedigd, zoals uitdrukkelijk in herinnering wordt gebracht in artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584. Die autoriteit mag geen schending van die rechten dulden en kan in voorkomend geval weigeren om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. ( 40 )

77.

Tot slot wijs ik erop dat de in de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof terecht is beschouwd als een tendens naar „proceduralisering” van het beginsel van wederzijds vertrouwen in het kader van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, met als bedoeling een tegengewicht te bieden aan het vrijwel automatische karakter ervan door procedurele vereisten op te leggen die de rechten van de betrokkenen waarborgen. ( 41 )

78.

In de tweede plaats dient te worden vastgesteld dat kaderbesluit 2002/584 voor personen die op grond van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat worden aangehouden, voorziet in een aantal procedurele rechten, en met name in een recht op informatie. Overeenkomstig artikel 11 van kaderbesluit 2002/584 dient de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit die persoon vanaf zijn aanhouding in kennis te stellen van het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel, van de mogelijkheid om met overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in te stemmen of zich ertegen te verzetten, en van zijn recht op bijstand van een raadsman en een tolk. Met uitzondering van het in artikel 14 van dat kaderbesluit opgenomen recht om te worden gehoord indien de persoon niet instemt met zijn overlevering, komen die rechten overeen met deze uit de in artikel 5 van richtlijn 2012/13 opgenomen schriftelijke verklaring die onverwijld dient te worden verstrekt aan personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel.

79.

In het kader van de mededeling van de inhoud van het aanhoudingsbevel zal die persoon de vereiste informatie ontvangen in het als bijlage bij kaderbesluit 2002/584 gevoegde formulier met het uniforme model van het Europees aanhoudingsbevel, dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten binnen de in artikel 17 van kaderbesluit 2002/584 gestelde termijnen moeten invullen, meer bepaald om de overleveringsprocedure te vereenvoudigen en te bespoedigen. Volgens artikel 8 van dat besluit betreffen die gegevens, naast uiteraard de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2 van dit kaderbesluit, tevens de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbare feit, alsook de beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit. ( 42 ) Het is interessant om erop te wijzen dat die laatste twee gegevens grosso modo overeenkomen met die in artikel 6 van richtlijn 2012/13.

80.

Aldus blijkt dat personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van artikel 11 van kaderbesluit 2002/584 en artikel 5 van richtlijn 2012/13 in een vroeg stadium van de overleveringsprocedure precieze, passende en toegankelijke informatie over hun rechten ontvangen, zodat zij die rechten in het specifieke kader van die procedure daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

81.

Die rechten zijn verder gepreciseerd en aangevuld met bepalingen van de richtlijnen 2010/64, 2013/48 en 2016/1919. Het Hof heeft er aldus op gewezen dat kaderbesluit 2002/584 past in een algemeen systeem van waarborgen betreffende de effectieve rechterlijke bescherming waarin is voorzien in andere Unieregelingen die zijn vastgesteld op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en die samen beogen het voor de op grond van een Europees aanhoudingsbevel gezochte persoon gemakkelijker te maken om zijn rechten uit te oefenen, zelfs nog voordat hij wordt overgeleverd aan de uitvaardigende lidstaat. In het bijzonder verplicht artikel 10 van richtlijn 2013/48 de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat om gezochte personen zonder onnodig uitstel na hun vrijheidsbeneming erover te informeren dat zij het recht hebben om een advocaat aan te wijzen in de uitvaardigende lidstaat. ( 43 ) Evenwel dient erop te worden gewezen, ten eerste, dat de rol van die advocaat erin bestaat de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan door hem informatie en advies te verstrekken, opdat voornoemde personen hun rechten „uit hoofde van kaderbesluit [2002/584]” daadwerkelijk kunnen uitoefenen en, ten tweede, dat voornoemd recht de in kaderbesluit 2002/584 bepaalde termijnen en de verplichting voor de uitvoerende rechterlijke instantie om binnen de overeenkomstig dat kaderbesluit bepaalde termijnen en voorwaarden een beslissing over de overlevering van de betrokkene te nemen, onverlet laat.

82.

Wat in de derde plaats de situatie van de gezochte persoon als gedetineerde betreft, die door de verwijzende rechter is gekoppeld aan de vraag of tegen het nationaal en het Europees aanhoudingsbevel beroep kan worden ingesteld, dient erop te worden gewezen dat het op grond van artikel 12 van kaderbesluit 2002/584 aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om na de aanhouding van de gezochte persoon te beslissen of hij, in afwachting van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, in hechtenis blijft dan wel in vrijheid wordt gesteld. Detentie is dus niet absoluut noodzakelijk en de betrokkene kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld.

83.

Deze overwegingen moeten worden gelezen in samenhang met het feit dat de Europese wetgever er ten eerste voor heeft gezorgd dat het recht om in de uitvoerende lidstaat te worden gehoord, zoals dat met name uit de artikelen 14 en 18 van kaderbesluit 2002/584 voortvloeit, wordt geëerbiedigd, waardoor de gezochte persoon daadwerkelijk tegen zijn voortgezette hechtenis kan opkomen, en ten tweede een strikt tijdskader voor de vaststelling van beslissingen inzake het Europees aanhoudingsbevel heeft ingevoerd, zodat er kan worden voldaan aan de doelstelling om de justitiële samenwerking te bespoedigen.

84.

Wat de vaststelling van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel betreft, wordt in artikel 17, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals reeds aangegeven, bepaald dat aanhoudingsbevelen met spoed worden behandeld en ten uitvoer gelegd. In de leden 2 en 3 van dat artikel worden specifieke termijnen vastgesteld waarbinnen de lidstaten de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel moeten nemen, namelijk tien respectievelijk zestig dagen, naargelang de gezochte persoon al dan niet met zijn overlevering instemt. Lid 4 bepaalt dat deze termijnen met dertig dagen kunnen worden verlengd. Binnen welke tijdspanne een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer wordt gelegd, hangt derhalve ruimschoots af van de wilsuiting van die persoon.

85.

Ofschoon het Hof heeft aangegeven dat de in artikel 17 van kaderbesluit 2002/584 gestelde termijnen – in het licht van met name het cruciale belang van het beginsel van wederzijdse erkenning in de bij het kaderbesluit ingevoerde regeling – in principe voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit volstaan om de controles te verrichten die aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voorafgaan en om over de tenuitvoerlegging van dat bevel te beslissen, heeft het geoordeeld dat die autoriteit na het verstrijken van die termijnen daar nog steeds over moet beslissen en dat artikel 12 van het kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 17 ervan, er in een dergelijke situatie in beginsel niet aan in de weg staat dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de hechtenis van de gezochte persoon overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat handhaaft, zelfs wanneer de totale duur van zijn hechtenis die termijnen overschrijdt. ( 44 )

86.

Mijns inziens is het van belang erop te wijzen dat het Hof, door de betrokken bepalingen uit te leggen in overeenstemming met artikel 6 van het Handvest – waarvan de toelichtingen verwijzen naar artikel 5 EVRM en meer bepaald naar artikel 5, lid 1, onder f), van die tekst inzake uitleveringsprocedures – die oplossing duidelijk heeft afgezwakt met de precisering dat aangezien de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel als zodanig niet rechtvaardigt dat de gezochte persoon in hechtenis wordt gehouden gedurende een periode waarvan de totale duur langer is dan nodig om dat bevel ten uitvoer te leggen, de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen kan besluiten de hechtenis van die persoon te handhaven als de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt. Teneinde zich ervan te vergewissen dat dit het geval is, moet die autoriteit de betreffende situatie concreet toetsen, waarbij zij rekening dient te houden met alle factoren die relevant zijn om te beoordelen of de duur van de procedure gerechtvaardigd is. ( 45 )

87.

In mijn ogen dienen nog twee bepalingen van kaderbesluit 2002/584 in herinnering te worden gebracht, aangezien de verwijzende rechter ter ondersteuning van zijn twijfels over de geldigheid van die handeling ingeval de verschillende in het verzoek om een prejudiciële beslissing genoemde rechten op informatie uit richtlijn 2012/13 niet gelden, heeft aangevoerd dat de ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden persoon in hechtenis verkeert.

88.

Ten eerste wordt in artikel 23, lid 5, van kaderbesluit 2002/584 bepaald dat de gezochte persoon in vrijheid wordt gesteld indien hij na het verstrijken van de termijnen voor zijn overlevering op grond van de beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel nog steeds in hechtenis verkeert.

89.

Ten tweede moet de uitvaardigende lidstaat ingevolge artikel 26, lid 1, van dat kaderbesluit elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in die lidstaat moet worden ondergaan, zodat het wordt verzekerd dat er bij de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de uitvaardigende lidstaat terdege rekening wordt gehouden met elke periode van vrijheidsbeneming, zelfs wanneer die het gevolg is van een eventuele voortzetting van de hechtenis na het verstrijken van de in artikel 17 van het kaderbesluit gestelde termijnen. ( 46 )

90.

In die context kan de vaststelling dat artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 niet van toepassing zijn op personen die worden aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, in het licht van een eventueel beroep tegen de beslissing om een nationaal en een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen en van de situatie van die personen tijdens de overleveringsprocedure, er mijns inziens niet toe leiden dat de uit de artikelen 6, 47 en 48 van het Handvest voortvloeiende vereisten op de een of andere manier door kaderbesluit 2002/584 zijn geschonden.

91.

Mijns inziens waarborgt kaderbesluit 2002/584, zoals gepreciseerd en aangevuld door met name artikel 5 van richtlijn 2012/13 en overeenkomstig de uitlegging die het Hof eraan heeft gegeven, de rechten van de betrokkenen in overeenstemming met voornoemde vereisten, en zorgt het tegelijkertijd voor een efficiënt mechanisme voor de overlevering van die personen, en daarmee ook voor een doeltreffend systeem van justitiële samenwerking tussen lidstaten, waarvan het Europees aanhoudingsbevel een van de essentiële onderdelen vormt.

92.

In het licht van een en ander dient te worden geantwoord dat het onderzoek van de voorgelegde vragen geen enkel element heeft opgeleverd dat de geldigheid van kaderbesluit 2002/584 kan aantasten.

VI. Conclusie

93.

In het licht van voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging de Spetsializiran nakazatelen sad te antwoorden als volgt:

„Artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures dienen aldus te worden uitgelegd dat de erin genoemde rechten niet gelden voor personen die zijn aangehouden ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.

Het onderzoek van de voorgelegde vragen heeft geen enkel element opgeleverd dat de geldigheid van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten kan aantasten.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) PB 2012, L 142, blz. 1.

( 3 ) PB 2002, L 190, blz. 1.

( 4 ) Zie arrest van 27 mei 2019 (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456).

( 5 ) Zie arrest van 27 mei 2019 (C‑509/18, EU:C:2019:457).

( 6 ) C‑324/17, EU:C:2019:312.

( 7 ) Zie met name arrest van 12 oktober 2017, Sleutjes (C‑278/16, EU:C:2017:757, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 8 ) Zie in die zin arrest van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel – Getuige) (C‑268/17, EU:C:2018:602, punten 26 en 27).

( 9 ) Zie in die zin arrest van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel – Getuige) (C‑268/17, EU:C:2018:602, punten 28 en 29).

( 10 ) Zie arrest van 10 september 2014, Ben Alaya (C‑491/13, EU:C:2014:2187, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 11 ) Bijlage II bevat vijf rubrieken, die betrekking hebben op: A. Informatie over het Europees aanhoudingsbevel; B. Bijstand van een advocaat; C. Vertolking en vertaling; D. Mogelijkheid tot instemming, en E. Hoorzitting. Die rubrieken komen overeen met de rechten van de gezochte persoon die, zoals hieronder zal blijken, rechtstreeks worden gewaarborgd in kaderbesluit 2002/584.

( 12 ) Ik wijs er evenwel op dat de gezochte persoon, na aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te zijn overgeleverd, de status van „beklaagde” in de zin van richtlijn 2012/13 zal verwerven en dus al de rechten zal genieten die aan die hoedanigheid zijn verbonden.

( 13 ) Zie arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officiers van justitie van Lyon en Tours) (C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punt 43).

( 14 ) Resolutie van de Raad van 30 november 2009 over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures (PB 2009, C 295, blz. 1) en „Het programma van Stockholm — Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger”, punt 2.4 (PB 2010, C 115, blz. 1).

( 15 ) PB 2010, L 280, blz. 1.

( 16 ) PB 2013, L 294, blz. 1.

( 17 ) PB 2016, L 132, blz. 1.

( 18 ) PB 2016, L 297, blz. 1.

( 19 ) PB 2009, L 81, blz. 24.

( 20 ) COM(2010) 392 definitief.

( 21 ) Zie in die zin arresten van 13 juni 2019, Moro (C‑646/17, EU:C:2019:489, punt 34), en 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 36). In die eerste beslissing heeft het Hof er in punt 36 nog op gewezen dat richtlijn 2012/13 bijdraagt tot de totstandbrenging van een minimale harmonisatie van de strafprocedures in de Unie en dat de toepassing in een lidstaat van de regels van die richtlijn losstaat van het bestaan van een grensoverschrijdende situatie in het kader van een in die lidstaat ontstaan geschil.

( 22 ) Zie in die zin arrest van 5 juni 2018, Kolev e.a. (C‑612/15, EU:C:2018:392, punt 89).

( 23 ) Zie arresten van 6 december 2018, IK (Uitvoering van een bijkomende straf) (C‑551/18 PPU, EU:C:2018:991, punten 3639), en 30 mei 2013, F (C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 57).

( 24 ) Zie in die zin arresten van 6 december 2018, IK (Uitvoering van een bijkomende straf) (C‑551/18 PPU, EU:C:2018:991, punt 56), en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 57).

( 25 ) De in de verwijzingsbeslissing naar voren gebrachte stelling dat de procedurele situatie van ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden personen op die van de in richtlijn 2012/13 bedoelde verdachten of beklaagden dient te worden afgestemd, komt er mijns inziens op neer dat het specifieke karakter van de grensoverschrijdende procedure voor overlevering van gezochte personen tussen lidstaten wordt genegeerd.

( 26 ) De toepassing van artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 op de situatie van ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel aangehouden personen is hoe dan ook zinloos wanneer dat aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf.

( 27 ) Meer bepaald kan de vraag rijzen wat de gevolgen zijn wanneer personen die ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel zijn aangehouden, het recht wordt toegekend op toegang tot het dossier, zoals opgenomen in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2012/13 en gepreciseerd in overweging 30 ervan, in de vorm van een beschikbaarstelling aan de betrokkene of zijn advocaat van documenten en, in voorkomend geval, foto’s en geluids- en beeldopnamen die essentieel zijn om de rechtmatigheid van de aanhouding of de detentie van verdachten op doeltreffende wijze aan te vechten overeenkomstig het nationale recht. Op grond van die mededeling van de stukken van het dossier zullen de betrokkene en zijn advocaat vragen kunnen stellen over de overgelegde bewijzen of kunnen verzoeken om een aanvullend onderzoek, wat ongetwijfeld gevolgen zal hebben voor het verloop van de overleveringsprocedure.

( 28 ) Arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 41).

( 29 ) Ik wijs erop dat dit standpunt wordt gedeeld door de Commissie en alle regeringen die in het kader van deze procedure schriftelijke opmerkingen hebben ingediend.

( 30 ) Zie in die zin arrest van 26 februari 2013, Melloni (C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 45).

( 31 ) Zie arrest van 26 februari 2013, Melloni (C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 48).

( 32 ) Zie in die zin arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru (C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punten 77 en 78).

( 33 ) Zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 56), en 30 mei 2013, F (C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punten 46 en 47).

( 34 ) Zie arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C‑367/16, EU:C:2018:27, punt 50).

( 35 ) Zie arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 36 ) Zie arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officiers van justitie van Lyon en Tours) (C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punten 60 en 61).

( 37 ) Zie in die zin arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officiers van justitie van Lyon en Tours) (C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punten 6466).

( 38 ) Zie arresten van 30 mei 2013, F (C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 50); 6 december 2018, IK (Uitvoering van een bijkomende straf) (C‑551/18 PPU, EU:C:2018:991, punt 67), en 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officiers van justitie van Lyon en Tours) (C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punten 70 en 71).

( 39 ) Zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punten 39 en 40).

( 40 ) Zie in die zin arresten van 29 januari 2013, Radu (C‑396/11, EU:C:2013:39, punt 41), en 10 augustus 2017, Zdziaszek (C‑271/17 PPU, EU:C:2017:629, punten 103 en 104). Als voorbeeld hiervan kan worden verwezen naar het verifiëren door de uitvoerende rechterlijke autoriteit van het gevaar van onmenselijke en vernederende behandelingen vanwege de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198), de hoedanigheid van rechterlijke autoriteit van het orgaan dat het aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd (arrest van 10 november 2016, Kovalkovas, C‑477/16 PPU, EU:C:2016:861), het bestaan van een nationaal aanhoudingsbevel (arrest van 1 juni 2016, Bob-Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385), de inachtneming van het ne-bis-in-idembeginsel (arrest van 16 november 2010, Mantello, C‑261/09, EU:C:2010:683), en het feit dat de voorwaarden voor de uitvaardiging van dat bevel, en met name de evenredigheid ervan, in die lidstaat door de rechter worden getoetst [arrest van 12 december 2019, Openbaar Ministerie (openbaar ministerie van Zweden), C‑625/19 PPU, EU:C:2019:1078].

( 41 ) Rizcallah, C., „La notion d’autorité judiciaire d’émission dans le cadre du mandat d’arrêt européen et la ‚procéduralisation’ du principe de confiance mutuelle”, L’Observateur de Bruxelles, nr. 119, blz. 36.

( 42 ) Zie in die zin arrest van 23 januari 2018, Piotrowski (C‑367/16, EU:C:2018:27, punten 58 en 59).

( 43 ) Zie arrest van 12 december 2019, Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officiers van justitie van Lyon en Tours) (C‑566/19 PPU en C‑626/19 PPU, EU:C:2019:1077, punten 72 en 73).

( 44 ) Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punten 42, 52, 60 en 62).

( 45 ) Zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punten 5359).

( 46 ) Zie arrest van 16 juli 2015, Lanigan (C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 51).