ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

11 juli 2019 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van werknemers – Beperkingen – Inleiding van een schuldsaneringsprocedure – Woonplaatsvereiste – Toelaatbaarheid – Artikel 45 VWEU – Rechtstreekse werking”

In zaak C‑716/17,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het Oosten van Denemarken) bij beslissing van 19 december 2017, ingekomen bij het Hof op 22 december 2017, in de procedure ingeleid door

A

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, K. Jürimäe, D. Šváby, S. Rodin (rapporteur) en N. Piçarra, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 januari 2019,

gelet op de opmerkingen van:

A, vertegenwoordigd door C. T. Hermann, advokat,

de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Nymann-Lindegren, M. S. Wolff en P. Z. L. Ngo als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en M. Kellerbauer als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2019,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 45 VWEU.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een door A ingeleide procedure ter verkrijging van schuldsanering.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 84, lid 1, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19, met rectificatie in PB 2016, L 349, blz. 9), bepaalt:

„Deze verordening is slechts van toepassing op insolventieprocedures die vanaf 26 juni 2017 zijn geopend. Op de rechtshandelingen die de schuldenaar vóór de toepassingsdatum van deze verordening heeft aangegaan, blijft het recht van toepassing dat gold op het tijdstip dat zij werden aangegaan.”

Deens recht

4

§ 3 van de konkurslov (faillissementswet) bepaalt het volgende:

„1.   Verzoeken tot schuldherschikking, faillissement of schuldsanering worden ingediend bij de faillissementsrechter van de plaats waar de bedrijfsactiviteiten van de schuldenaar worden uitgeoefend.

2.   Indien de schuldenaar [in Denemarken] geen bedrijfsactiviteit uitoefent, wordt het verzoek ingediend bij de faillissementsrechter van het juridische arrondissement waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft.

[...]”

5

§ 197, lid 2, punt 1, van de faillissementswet bepaalt:

„2.   Een bevel tot schuldsanering wordt niet gegeven wanneer

1)

er geen duidelijkheid bestaat over de financiële situatie van de schuldenaar,

[...]”

6

§ 229, lid 1, van de faillissementswet luidt:

„Het bevel tot schuldsanering kan op verzoek van een schuldeiser door de faillissementsrechter worden herroepen:

1)

indien blijkt dat de schuldenaar in het kader van de procedure voor schuldsanering fraude heeft gepleegd, of

2)

indien de schuldenaar grovelijk nalatig is geweest bij de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het bevel tot schuldsanering.”

7

§ 235 van de retsplejelov (Deens wetboek van burgerlijk procesrecht) luidt als volgt:

„1.   Tenzij bij wet anders is bepaald, worden rechtsvorderingen ingesteld in de woonplaats van verweerder.

2.   De woonplaats bevindt zich in dat rechtsgebied waar de verweerder woonachtig is. Indien de verweerder in meer dan één arrondissement woonachtig is, vormt elk van deze plaatsen een woonplaats.

3.   Indien de verweerder nergens woonachtig is, bevindt de woonplaats zich in het arrondissement waar hij zich bevindt.

4.   Indien de verweerder noch ergens woonachtig is, noch er een plaats bekend is waar hij zich bevindt, bevindt de woonplaats zich in dat arrondissement waar hij het laatst woonachtig was of waar hij zich het laatst bevond.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8

A is een Deens staatsburger die in Zweden woont en als werknemer beroepsactiviteiten uitoefent in Denemarken, alwaar hij volgens de Deense regelgeving onbeperkt belastingplichtig is.

9

Op 8 februari 2017 heeft A een verzoek om schuldsanering ingediend bij de Sø- og Handelsret (rechter in maritieme en handelszaken, Denemarken).

10

Zijn verzoek had betrekking op schulden die hij sinds 1999 was aangegaan bij Deense schuldeisers, waarvan er één een rechtspersoon is en de anderen particulieren.

11

Bij beschikking van 6 april 2017 heeft de Sø- og Handelsret het verzoek afgewezen op grond dat de Deense rechter niet bevoegd was om kennis te nemen van de procedure van schuldsanering die is ingeleid door A, die in Denemarken geen beroepsactiviteit uitoefent in de zin van het Deense recht en er evenmin een woonplaats heeft. Deze rechtbank heeft derhalve niet onderzocht of aan de materiële voorwaarden voor schuldsanering van de faillissementswet was voldaan.

12

De Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het Oosten van Denemarken), die uitspraak doet als rechter in tweede aanleg in het hoofdgeding, is van oordeel dat een Deense rechter bevoegd zou kunnen zijn om kennis te nemen van het verzoek van A om een schuldsanering te verkrijgen indien de Deense bevoegdheidsregels inzake schuldsanering in strijd zijn met het Unierecht, met name met artikel 45 VWEU.

13

In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de procedure voor schuldsanering overeenkomstig de toepasselijke Deense regelgeving, een grondig onderzoek veronderstelt van de economische situatie en van de levensstandaard van de verzoeker. Die regeling bepaalt dat deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van nauwkeurige regels die worden opgesteld met inaanmerkingneming van de sociaal-economische omstandigheden in Denemarken, en die als doel hebben om tijdens de gelding van de schuldsaneringsmaatregel een bescheiden, aanvaardbare, levensstandaard te garanderen. Deze regels zouden echter onaangepast kunnen blijken te zijn in het geval van een verzoeker die in een andere lidstaat woont, waarvan de sociale en financiële situatie verschillend is en onbekend is bij de bevoegde Deense rechterlijke instanties, die geen enkele mogelijkheid zouden hebben om de informatie die de verzoeker in dat verband zelf heeft verstrekt, te verifiëren.

14

In die omstandigheden heeft de Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Staat artikel 45 VWEU, zoals uitgelegd in het arrest [...] van 8 november 2012[, Radziejewski (C‑461/11, EU:C:2012:704),] in de weg aan een bevoegdheidsregel als de Deense regel, die tot doel heeft te waarborgen dat de rechter die een schuldsaneringszaak behandelt, op de hoogte is van, en in zijn beoordeling rekening kan houden met de specifieke sociaal-economische situatie waarin de schuldenaar en zijn gezin zich bevinden en zich waarschijnlijk ook in de toekomst zullen bevinden, en dat de beoordeling kan worden uitgevoerd volgens vooraf vastgestelde criteria die bepalen wat in het kader van de schuldsaneringsregeling een aanvaardbare bescheiden levensstandaard kan worden geacht?

[...]

2)

[Indien het antwoord op de eerste vraag luidt dat de beperking niet gerechtvaardigd kan worden geacht, moet] artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat het ook rechtstreekse werking heeft tussen particulieren in een situatie als de onderhavige, zodat particuliere schuldeisers moeten instemmen met een vermindering of volledige afschrijving van bedragen die hun zijn verschuldigd door een schuldenaar die naar een ander land is verhuisd?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

15

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 45 VWEU aldus dient te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een in de regeling van een lidstaat opgenomen regel inzake rechterlijke bevoegdheid, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die de toekenning van een schuldsaneringsmaatregel onderwerpt aan de voorwaarde dat de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft in die lidstaat (hierna: „woonplaatsvereiste”).

16

In dit verband zij eraan herinnerd dat de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel beogen het de onderdanen van de lidstaten gemakkelijker te maken op het grondgebied van de Unie om het even welk beroep uit te oefenen, en in de weg staan aan maatregelen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (arrest van 8 november 2012, Radziejewski, C‑461/11, EU:C:2012:704, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17

Voorts leveren nationale bepalingen die een werknemer, onderdaan van een lidstaat, beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, derhalve beperkingen van die vrijheid op, zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn (arrest van 8 november 2012, Radziejewski, C‑461/11, EU:C:2012:704, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18

Een nationale regeling zoals die van het hoofdgeding, die aan de toekenning van een schuldsaneringsmaatregel een woonplaatsvereiste verbindt, kan een insolvente werknemer ervan weerhouden om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen (zie in die zin arrest van 8 november 2012, Radziejewski, C‑461/11, EU:C:2012:704, punt 31).

19

Bijgevolg dient te worden vastgesteld, zoals de verwijzende rechter, A, de Deense regering en de Europese Commissie opmerken, dat de regeling in het hoofdgeding, voor zover zij de indiening van een verzoek om schuldsanering onderwerpt aan een woonplaatsvereiste, een in beginsel door artikel 45 VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van werknemers oplevert.

20

Een dergelijke regeling is slechts toelaatbaar wanneer zij een met het VWEU verenigbare wettige doelstelling nastreeft en gerechtvaardigd is uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang. Daarenboven moet in een dergelijk geval de toepassing ervan geschikt zijn om de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en niet verder gaan dan voor de verwezenlijking van deze doelstelling noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 14 maart 2019, Jacob en Lennertz, C‑174/18, EU:C:2019:205, punt 44).

21

In dit verband dient eraan herinnerd te worden dat het legitiem is dat een lidstaat wil nagaan wat de financiële en persoonlijke situatie van een schuldenaar is, alvorens een maatregel tot volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van zijn schulden te nemen (arrest van 8 november 2012, Radziejewski, C‑461/11, EU:C:2012:704, punt 46).

22

Deze legitieme doelstelling kan inhouden dat een nationale rechterlijke instantie waarbij een dergelijk verzoek is ingediend, een beoordeling verricht, zoals de beoordeling waarin is voorzien bij de in punt 13 van het onderhavige arrest beschreven toepasselijke regeling, op basis van vooraf vastgestelde criteria die zijn uitgewerkt met inaanmerkingneming van de omstandigheden in de lidstaat van indiening van dat verzoek.

23

Indien het middel om die doelstelling te verwezenlijken bestaat in de vaststelling van een woonplaatsvereiste dat uitsluitend is gelieerd aan de datum van indiening van het verzoek om schuldsanering, kan een dergelijke voorwaarde evenwel niet worden geacht geschikt te zijn om die doelstelling te verwezenlijken (zie in die zin arrest van 8 november 2012, Radziejewski, C‑461/11, EU:C:2012:704, punt 47).

24

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een nationale wettelijke regeling immers slechts geschikt om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, wanneer de verwezenlijking ervan coherent en systematisch wordt nagestreefd (zie in die zin arresten van 10 maart 2009, Hartlauer, C‑169/07, EU:C:2009:141, punt 55, en 15 oktober 2015, Grupo Itevelesa e.a., C‑168/14, EU:C:2015:685, punt 76, en beschikking van 30 juni 2016, Sokoll-Seebacher en Naderhirn, C‑634/15, EU:C:2016:510, punt 27).

25

In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de beoordeling van de bevoegde nationale rechter is gebaseerd op criteria die de sociale en financiële situatie van de schuldenaar en zijn gezin, niet alleen op het tijdstip van de indiening van het verzoek om schuldsanering in aanmerking nemen, maar ook in een later stadium, totdat deze rechterlijke instantie haar beslissing neemt, zou een coherente benadering de verplichte afwijzing van het verzoek tot schuldsanering impliceren wanneer de verzoeker zijn woonplaats tijdens de procedure van het Koninkrijk Denemarken naar een andere lidstaat overbrengt, voordat de bevoegde rechter definitief uitspraak doet op het verzoek.

26

Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter heeft de overbrenging van de woonplaats van de schuldenaar van het Koninkrijk Denemarken naar een andere lidstaat in de loop van de schuldsaneringsprocedure, of daarna, echter niet onmiddellijk tot gevolg dat deze schuldenaar het recht wordt ontzegd om gebruik te maken van een schuldsaneringsmaatregel.

27

Voorts blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat deze regeling slechts voorziet in de herroeping van het bevel tot schuldsanering wanneer de debiteur frauduleus heeft gehandeld of de hem in dat bevel opgelegde verplichtingen grovelijk niet is nagekomen, en niet wanneer hij slechts zijn woonplaats naar het buitenland heeft verplaatst.

28

Bovendien moet worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling bepaalt dat een persoon die op het Deense grondgebied een bedrijfsactiviteit uitoefent in de zin van het Deense recht, een schuldsaneringsverzoek kan indienen bij de faillissementsrechter van het arrondissement waar hij deze activiteit uitoefent, zonder evenwel aan het woonplaatsvereiste te voldoen.

29

In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het vereiste van een woonplaats in Denemarken, dat is neergelegd in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, als zodanig niet kan worden geacht de verwezenlijking van de in punt 22 van het onderhavige arrest genoemde doelstelling coherent en systematisch na te streven.

30

Wanneer voor de schuldsanering als voorwaarde zou worden gesteld dat de schuldenaar met woonplaats in een andere lidstaat dan de lidstaat van indiening van het verzoek om schuldsanering geloofwaardige informatie overlegt met betrekking tot zijn eigen sociale en financiële situatie en die van zijn familie, alsmede de sociale omstandigheden in de lidstaat waar zij wonen, zou dit bovendien, indien die informatie door de nationale rechterlijke instantie wordt verlangd, een minder restrictieve maatregel vormen dan een absoluut verbod om dit verzoek in te dienen.

31

Voorts moet worden opgemerkt dat, zoals de Deense regering ter terechtzitting heeft bevestigd, de Deense regeling bepaalt dat de Deense rechter kan weigeren een schuldsaneringsbevel te geven indien hij van oordeel is dat de sociaal-economische situatie van de schuldenaar niet meer voldoende nauwkeurig kan worden bepaald, hetgeen zich kan voordoen wanneer de schuldenaar zijn woonplaats van het Koninkrijk Denemarken naar een andere lidstaat overbrengt.

32

Op grond van deze regeling kan een dergelijk verzoek dus worden afgewezen wanneer de in punt 13 van het onderhavige arrest beschreven beoordeling onmogelijk blijkt te zijn omdat de verzoeker vóór de indiening van zijn verzoek of in de loop van de procedure het Koninkrijk Denemarken metterwoon heeft verlaten. Het is dan ook niet nodig te voorzien in een volstrekte onmogelijkheid om een dergelijk verzoek in te dienen voor een verzoeker die op het tijdstip van de indiening ervan niet in het Koninkrijk Denemarken woont.

33

Bijgevolg gaat de vaststelling van een woonplaatsvereiste als dat in het hoofdgeding, verder dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in punt 22 van dit arrest vermelde doelstelling.

34

Het in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument van de Deense regering dat de daadwerkelijke uitvoering van verordening 2015/848 zou worden belemmerd indien artikel 45 VWEU aldus zou worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, is in het kader van het hoofdgeding irrelevant, aangezien volgens artikel 84, lid 1, van die verordening de bepalingen ervan enkel van toepassing zijn op insolventieprocedures die zijn geopend vanaf 26 juni 2017, dat wil zeggen na de indiening van het verzoek tot schuldsanering door A.

35

Gelet op het voorgaande dient artikel 45 VWEU aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een in de regeling van een lidstaat opgenomen regel inzake rechterlijke bevoegdheid, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die de toekenning van een schuldsaneringsmaatregel onderwerpt aan de voorwaarde dat de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft in die lidstaat.

Tweede vraag

36

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 45 VWEU aldus dient te worden uitgelegd dat het van de nationale rechter verlangt dat hij het in een nationale regel inzake rechterlijke bevoegdheid opgenomen woonplaatsvereiste, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde woonplaatsvereiste, buiten toepassing laat, ongeacht of de procedure van schuldsanering waarin deze regeling tevens voorziet, er eventueel toe leidt dat schuldvorderingen die particulieren op grond van deze regeling hebben, worden aangetast.

37

In dit verband zij om te beginnen eraan herinnerd dat artikel 45 VWEU voor particulieren rechten doet ontstaan, welke zij in rechte geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient te handhaven (arrest van 11 januari 2007, ITC, C‑208/05, EU:C:2007:16, punt 67).

38

Op grond van het voorrangsbeginsel dient elke nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, wanneer de nationale regelgeving niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan worden uitgelegd, als orgaan van een lidstaat, elke nationale bepaling die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking in het geschil dat aan hem is voorgelegd, buiten toepassing te laten (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 58 en 61).

39

Deze verplichting hangt niet af van de omstandigheid dat een nationale regeling, zoals de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, de rechtspositie van particulieren eventueel kan wijzigen wanneer de verwijzende rechter een nationale bevoegdheidsbepaling buiten toepassing laat en uitspraak doet op het door een schuldenaar ingediende verzoek om schuldsanering.

40

Derhalve moet artikel 45 VWEU aldus worden uitgelegd dat het van de nationale rechter verlangt dat hij het in een nationale regel inzake rechterlijke bevoegdheid opgenomen woonplaatsvereiste, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde woonplaatsvereiste, buiten toepassing laat, ongeacht of de procedure van schuldsanering waarin deze regeling tevens voorziet, er eventueel toe leidt dat schuldvorderingen die particulieren op grond van deze regeling hebben, worden aangetast.

Kosten

41

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 45 VWEU dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een in de regeling van een lidstaat opgenomen regel inzake rechterlijke bevoegdheid, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die de toekenning van een schuldsaneringsmaatregel onderwerpt aan de voorwaarde dat de schuldenaar zijn woon- of verblijfplaats heeft in die lidstaat.

 

2)

Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het van de nationale rechter verlangt dat hij het in een nationale regel inzake rechterlijke bevoegdheid opgenomen woonplaatsvereiste, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde woonplaatsvereiste, buiten toepassing laat, ongeacht of de procedure van schuldsanering waarin deze regeling tevens voorziet, er eventueel toe leidt dat schuldvorderingen die particulieren op grond van deze regeling hebben, worden aangetast.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Deens.