ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

28 februari 2018 ( *1 )

„Hogere voorziening – Handelspolitiek – Dumping – Invoer van zonneglas van oorsprong uit China – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 2, lid 7, onder b) en c) – Behandeling als marktgerichte onderneming – Begrip ‚verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie’ in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje – Belastingvoordelen”

In zaak C‑301/16 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 26 mei 2016,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

rekwirante,

ondersteund door:

GMB Glasmanufaktur Brandenburg GmbH, gevestigd te Tschernitz (Duitsland), vertegenwoordigd door A. Bochon, avocat, en R. MacLean, solicitor,

interveniënte in hogere voorziening,

andere partij in de procedure:

Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd, gevestigd te Anhui (China), vertegenwoordigd door Y. Melin en V. Akritidis, avocats,

verzoekster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, A. Rosas, C. Toader, A. Prechal (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 juni 2017,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 2017,

het navolgende

Arrest

1

De Europese Commissie verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 maart 2016, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie (T‑586/14; hierna: „bestreden arrest”, EU:T:2016:154), houdende nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2014, L 142, blz. 1; hierna: „litigieuze verordening”) voor zover deze verordening betrekking had op Xinyi PV Products (Anhui) Holdings Ltd (hierna: „Xinyi PV”).

Toepasselijke bepalingen

2

Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding waren de bepalingen voor de vaststelling van antidumpingmaatregelen door de Europese Unie opgenomen in verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22; hierna: „basisverordening”). Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21).

3

Artikel 2, lid 7, van de basisverordening bepaalde:

„a)

Bij invoer uit landen zonder markteconomie [(met name Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Noord-Korea, Kirgizië, Moldavië, Mongolië, Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkmenistan en Wit-Rusland)] wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Gemeenschap of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.

[…]

b)

Bij antidumpingonderzoeken betreffende producten uit de Volksrepubliek China, Vietnam en Kazachstan en landen met staatshandel die op het tijdstip van de opening van het onderzoek lid zijn van de [Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation; hierna: ‚WTO’)], wordt de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de onder c) vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Indien dit niet het geval is, is het bepaalde onder a) van toepassing.

c)

De onder b) bedoelde verzoeken moeten […] voldoende bewijs bevatten van het feit dat de producenten op marktvoorwaarden opereren, dat wil zeggen, wanneer:

besluiten van bedrijven inzake prijzen, kosten en productiemiddelen, met inbegrip van bijvoorbeeld grondstoffen, kosten van technologie en arbeid, productie, verkoop en investeringen worden genomen als reactie op marktsignalen van vraag en aanbod, en zonder staatsinmenging van betekenis op dat punt, en kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven;

bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt;

de productiekosten en financiële situatie van bedrijven niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, in het bijzonder met betrekking tot depreciatie van activa, andere afschrijvingen, ruilhandel en betaling middels schuldvergelijking;

de betrokken bedrijven onderworpen zijn aan faillissements- en eigendomswetten die juridische zekerheid en stabiliteit verschaffen voor het voeren van een bedrijf;

omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

[…]”

Voorgeschiedenis van het geding

4

De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze uit het bestreden arrest blijkt, kan worden samengevat als volgt.

5

Xinyi PV is een in China gevestigde vennootschap die zonneglas produceert en uitvoert. Zij heeft als enige aandeelhouder Xinyi Solar (Hong Kong) Ltd, een te Hong Kong (China) gevestigde vennootschap die aan de beurs te Hong Kong genoteerd staat.

6

Naar aanleiding van een op 15 januari 2013 ingediende klacht heeft de Commissie op 28 februari 2013 een antidumpingonderzoek betreffende de invoer van bepaalde zonneglasproducten van oorsprong uit China geopend.

7

Op 21 mei 2013 heeft Xinyi PV bij de Commissie een aanvraag tot behandeling als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”) in de zin van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening ingediend om te verkrijgen dat de normale waarde voor haar overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening wordt bepaald, en niet volgens de zogenoemde methode „van het referentieland” bedoeld in artikel 2, lid 7, onder a), van die verordening.

8

Bij brief van 22 augustus 2013 heeft de Commissie Xinyi PV meegedeeld dat dit verzoek haars inziens niet kon worden ingewilligd. In deze brief heeft de Commissie dienaangaande het volgende verklaard:

„Het onderzoek heeft aan het licht gebracht dat [Xinyi PV] verschillende inkomstenbelastingvoordelen heeft genoten, zoals:

het programma ‚2 Free 3 Halve’. Op grond van deze belastingregeling kunnen vennootschappen met buitenlands kapitaal gedurende twee jaar in aanmerking komen voor een algehele belastingvrijstelling (0 %), en in de drie daarop volgende jaren voor een belastingtarief van 12,5 % in plaats van het gebruikelijke tarief van 25 %;

de belastingregeling voor hightechbedrijven. Op grond van deze regeling geldt voor de vennootschap een verlaagd belastingtarief van 15 % in plaats van het normale tarief van 25 %. Dit preferentiële belastingtarief vormt een semipermanent variabele subsidie, die er mede toe kan dienen om tegen lagere kosten investeringen aan te trekken, waardoor de mededinging wordt verstoord.

De conclusie is dat de verlaagde belastingtarieven aanzienlijke financiële voordelen opleveren, zodat [Xinyi PV] er niet in is geslaagd aan te tonen dat haar productiekosten en financiële situatie niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie […].

Bijgevolg stelt de Commissie voor om de BMO-aanvraag [van Xinyi PV] af te wijzen.”

9

Op 1 september 2013 heeft Xinyi PV haar opmerkingen over deze brief ingediend. De Commissie heeft daarop geantwoord bij brief van 13 september 2013, waarbij zij de afwijzing van de door deze vennootschap ingediende BMO-aanvraag heeft bevestigd.

10

In deze laatste brief heeft de Commissie met name het volgende uiteengezet:

„Een inkomstenbelastingstelsel waarin bepaalde vennootschappen of economische sectoren die de regering van strategisch belang acht, [gunstig] worden behandeld, heeft als kenmerk dat het niet voortvloeit uit een markteconomie[,] maar nog steeds in belangrijke mate het product is van staatsplanning. Dit stelsel kan dus vallen onder het derde criterium [artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening]. De toepassing van een regeling inzake een preferentieel belastingtarief wijzigt het bedrag aan winst vóór belasting dat de onderneming moet genereren om aantrekkelijk te zijn voor investeerders […]

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat op [Xinyi PV] het verlaagde tarief (14,01 %) kon worden toegepast aangezien [deze] de belastingregeling voor hightechbedrijven kon combineren met een andere regeling, te weten het programma ‚2 Free 3 Halve’. Het gecombineerde effect hiervan was een aanzienlijk verlaagd tarief ten opzichte van het normale tarief (25 %), waarmee onder meer de doelstelling kon worden nagestreefd, kapitaal aan te trekken tegen lagere kosten teneinde daarmee de financiële en economische situatie van de vennootschap als geheel te beïnvloeden.

[…]

Ten slotte betoogt u dat het oordeel van de Commissie dat de belastingregeling semipermanent variabel is, ongefundeerd is. Uw betoog dat beide belastingregelingen beperkt zijn in de tijd, is naar behoren in aanmerking genomen. Het feit dat deze twee belastingregelingen geen permanent karakter hebben, doet echter niet af aan het feit […] dat ermee wordt beoogd de financiële en economische situatie van de onderneming te beïnvloeden.”

11

Op 26 november 2013 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 1205/2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2013, L 316, blz. 8; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld. Met toepassing van de methode van het referentieland is de Republiek Turkije gekozen voor de berekening van de normale waarde voor alle Chinese producenten-exporteurs, Xinyi PV daaronder begrepen. Voor de invoer van het door deze producent vervaardigde betrokken product is een voorlopig antidumpingrecht van 39,3 % vastgesteld.

12

De overwegingen 34 tot en met 47 van de voorlopige verordening betreffen de BMO-aanvragen. In de overwegingen 40, 41, 43 en 45 tot en met 47 van deze verordening staat te lezen:

„(40)

[…] [D]e BMO-aanvragen van vier producenten-exporteurs (groepen van [vennootschappen]) die uit in totaal elf juridische entiteiten bestaan, [werden] onderzocht.

(41)

Het onderzoek wees uit dat geen van de vier producenten-exporteurs (groep van [vennootschappen]) die een BMO-aanvraag hadden ingediend, kon aantonen dat hij aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder [c]), van de basisverordening voldeed.

[…]

(43)

[…] [D]e [vier] producenten-exporteurs [konden] noch individueel noch als groep aantonen dat zij niet onderhevig waren aan nog uit het systeem zonder markteconomie voortvloeiende verstoringen [van betekenis]. Deze [vennootschappen] of groepen van [vennootschappen] voldeden daarom niet aan het derde BMO-criterium. Meer specifiek genoten alle vier de producenten-exporteurs of groepen van producenten-exporteurs preferentiële fiscale regelingen.

[…]

(45)

De Commissie deelde de resultaten van het BMO-onderzoek mede aan de betrokken [vennootschappen], de [Chinese] autoriteiten […] en de klager en verzocht hen om opmerkingen.

(46)

De ontvangen opmerkingen hebben niet geleid tot aanpassing van de voorlopige bevindingen van de Commissie. Na de lidstaten overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), [van de basisverordening] te hebben geraadpleegd, stelde de Commissie alle aanvragers op 13 september 2013 individueel en formeel op de hoogte van haar definitieve besluit met betrekking tot hun BMO-aanvragen.

(47)

Daar geen van de vier medewerkende (groepen) producenten-exporteurs in [China] die om een BMO hadden verzocht, kon aantonen dat hij voldeed aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, werden hun BMO-aanvragen afgewezen.”

13

Op 13 mei 2014 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld waarbij zij met name – in overweging 34 ervan – de in de overwegingen 34 tot en met 47 van de voorlopige verordening uiteengezette bevindingen, volgens welke alle BMO-aanvragen dienden te worden afgewezen, heeft bevestigd. Bij de litigieuze verordening is een definitief antidumpingrecht van 36,1 % ingesteld op de invoer van door Xinyi PV vervaardigde zonneglasproducten.

14

Dit definitieve antidumpingrecht is later gewijzigd en op 75,4 % bepaald bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/1394 van de Commissie van 13 augustus 2015 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 470/2014, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/588, tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek naar absorptie van rechten op grond van artikel 12 van verordening nr. 1225/2009 (PB 2015, L 215, blz. 42).

15

Naast het antidumpingonderzoek is op 23 april 2013 een antisubsidieonderzoek geopend, dat heeft geleid tot de vaststelling van uitvoeringsverordening (EU) nr. 471/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot instelling van definitieve compenserende rechten op zonneglas van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2014, L 142, blz. 23). Bij artikel 1, lid 2, van deze verordening is een compenserend recht van 3,2 % ingesteld op de invoer van door Xinyi PV vervaardigd zonneglas.

Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest

16

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 augustus 2014, heeft Xinyi PV verzocht om nietigverklaring van de litigieuze verordening.

17

Ter ondersteuning van haar beroep heeft Xinyi PV vier middelen aangevoerd. Slechts het eerste van deze middelen, namelijk schending van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, is door het Gerecht in het bestreden arrest onderzocht en is dus van belang voor de onderhavige hogere voorziening.

18

Met dit middel voerde Xinyi PV aan dat de Commissie in de litigieuze verordening ten onrechte had geoordeeld dat haar productiekosten en haar financiële situatie onderhevig waren aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

19

Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest geoordeeld dat tot de slotsom moest worden gekomen dat het oordeel van de Commissie op dit punt kennelijk onjuist was.

20

Allereerst heeft het Gerecht – in de punten 63 tot en met 67 van het bestreden arrest – deze slotsom, zakelijk weergegeven, gebaseerd op de overweging dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken belastingvoordelen nog voortvloeien uit een vroeger systeem zonder markteconomie, in die zin dat zij daaruit voortkomen of daar het gevolg van zijn, aangezien het algemeen bekend is dat ook landen met een markteconomie, zoals de lidstaten van de Unie, aan ondernemingen belastingvoordelen in de vorm van belastingvrijstellingen gedurende een bepaalde periode of een verlaagd belastingtarief toekennen, zoals overigens blijkt uit de rechtspraak van het Hof inzake staatssteun.

21

In de punten 68 tot en met 78 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vervolgens afwijzend beslist op de argumenten van de Commissie dat de betrokken belastingvoordelen, wegens de bijzondere kenmerken ervan, niets te maken hebben met een markteconomie, omdat zij met name in verband staan met verschillende in China ten uitvoer gelegde plannen.

22

Om die redenen heeft het Gerecht het eerste middel van het beroep aanvaard en artikel 1 van de litigieuze verordening nietig verklaard voor zover het betrekking had op Xinyi PV, zonder de andere door deze laatste aangevoerde middelen tot nietigverklaring te onderzoeken.

Conclusies van partijen en procedure voor het Hof

23

De Commissie verzoekt het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

het eerste onderdeel van het eerste middel van het beroep in eerste aanleg rechtens ongegrond te verklaren;

de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een nieuw onderzoek van het tweede onderdeel van dit eerste middel en van het tweede tot en met het vierde middel van het beroep in eerste aanleg, en

de beslissing omtrent de kosten in de twee instanties aan te houden.

24

Xinyi PV verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen en

rekwirante en de interveniërende partij te verwijzen in de kosten.

25

Bij beschikking van de president van het Hof van 13 oktober 2016, Commissie/Xinyi PV Products (Anhui) Holdings (C‑301/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:796), is GMB Glasmanufaktur Brandenburg GmbH (hierna: „GMB”), toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.

Hogere voorziening

26

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie drie middelen aan, ten eerste een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de uitdrukking „die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie” in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, ten tweede niet-nakoming van de motiveringsplicht en ten derde onregelmatigheden in de procedure.

Eerste middel: schending van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, doordat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de uitdrukking „die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie”

Argumenten van partijen

27

Het eerste middel van de Commissie bestaat uit vijf onderdelen.

– Eerste onderdeel

28

In het eerste onderdeel van haar eerste middel verwijt de Commissie het Gerecht, blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 63 en 69 van het bestreden arrest te oordelen dat het niet volstaat aan te tonen dat een maatregel ter uitvoering van een vijfjarenplan in China is vastgesteld om op grond daarvan te kunnen oordelen dat die maatregel nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van die bepaling.

29

Artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening zou immers in die zin moeten worden uitgelegd dat belastingvoordelen ter uitvoering van een vijfjarenplan steeds voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie.

30

Xinyi PV antwoordt op dit eerste onderdeel dat uit punt 57 van het bestreden arrest blijkt dat het betoog van de Commissie volgens hetwelk belastingvoordelen ter uitvoering van een vijfjarenplan steeds voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, voor het Gerecht nooit ter sprake is gekomen. Volgens haar gaat het dus om een nieuwe stelling, die als zodanig door het Hof niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

31

Ten gronde zou het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest terecht hebben geoordeeld dat de afwijzing van een BMO-aanvraag op grond dat er een indirect verband bestaat tussen de betrokken belastingvoordelen en door de huidige Volksrepubliek China ten uitvoer gelegde plannen, de uitdrukking „die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie” elke nuttige werking zou ontnemen.

– Tweede onderdeel

32

In het tweede onderdeel van haar eerste middel verwijt de Commissie het Gerecht, blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 74 tot en met 76 van het bestreden arrest te oordelen dat de steun aan bepaalde door een land als van strategisch belang aangemerkte economische sectoren, zoals de hightechsector, een legitieme doelstelling in een markteconomie vormt.

33

De Commissie betoogt dienaangaande dat, ook al staat het concept markteconomie bepaalde overheidsinterventies toe, deze het algemeen belang beogen en niet de selectie van „kampioenen”, die erop neerkomt dat een als „strategisch” aangemerkte economische sector door middel van een verschillend belastingtarief en van voordelen in andere vormen wordt gestimuleerd ten opzichte van andere sectoren. In een markteconomie zouden steunmaatregelen van de staten alleen gerechtvaardigd zijn indien zij erop gericht zijn een marktfalen te corrigeren of indien daarmee billijkheidsdoelstellingen worden nagestreefd.

34

Xinyi PV voert aan dat dit betoog, voor zover het ziet op de punten 75 en 76 van het bestreden arrest, betrekking heeft op het in beginsel soevereine oordeel van het Gerecht over door haar voor het Gerecht aangedragen bewijzen, en dat dit oordeel niet het voorwerp van onderzoek in hogere voorziening kan zijn, aangezien de Commissie geen kennelijk onjuiste opvatting van een van deze bewijzen heeft gesteld of aangetoond.

35

Die punten 75 en 76 zouden slechts voor de toepassing van het in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening geformuleerde criterium verduidelijken dat de betrokken belastingvoordelen geen verstoringen vormen als die welke in een systeem zonder markteconomie plaatsvinden.

– Derde onderdeel

36

Als derde onderdeel van haar eerste middel stelt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 77 en 78 van het bestreden arrest te oordelen dat het argument van de Commissie volgens hetwelk de betrokken belastingvoordelen niet alleen invloed hebben gehad op kosten die rechtstreeks verband houden met de nagestreefde doelstelling, maar op het totale financiële resultaat van Xinyi PV en dus op de gehele economische situatie van deze vennootschap, slechts relevant is voor het bepalen van de omvang van de verstoring in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, maar niet om te beoordelen of die verstoring nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie in de zin van deze bepaling.

37

Zoals de Commissie zowel in het kader van de administratieve procedure als voor het Gerecht zou hebben aangetoond, is een van de gemeenschappelijke kenmerken van de steunregelingen in een markteconomie, dat de steun gericht is en beperkt is tot de overheidsfinanciering die nodig om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. De in het onderhavige geval onderzochte maatregelen zouden echter niet op deze wijze beperkt zijn tot een bijzondere categorie van kosten in verband met een investering en zouden ook niet in de tijd beperkt zijn.

38

Xinyi PV voert aan dat de Commissie geen enkel bewijs aandraagt voor haar stelling dat alle binnen de markteconomieën bestaande subsidies gericht zijn en beperkt zijn tot de overheidsfinanciering die nodig is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken, en naar geen enkel voor het Gerecht aangedragen gegeven verwijst.

39

Bovendien zou dit betoog van de Commissie juridisch ongegrond zijn, daar artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening niet ziet op de vraag of een verstoring valt onder een soort maatregelen die in een markteconomie aanvaardbaar is, maar op de vraag of zij valt onder een soort maatregelen die in het vroegere systeem zonder markteconomie bestond.

– Vierde onderdeel

40

Als vierde onderdeel van haar eerste middel verwijt de Commissie het Gerecht, in de punten 66 en 67 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat de staatssteunregelingen die in de arresten van 29 januari 1998, Commissie/Italië (C‑280/95, EU:C:1998:28); 21 maart 2002, Spanje/Commissie (C‑36/00, EU:C:2002:196), en 28 juli 2011, Diputación Foral de Vizcaya e.a./Commissie (C‑471/09 P–C‑473/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:521), onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt zijn verklaard, vergelijkbaar zijn met de in het onderhavige geval onderzochte belastingmaatregelen, zodat het bestaan alleen van die maatregelen niet volstaat om te oordelen dat deze voortvloeien uit een systeem zonder markteconomie.

41

Allereerst zouden de in deze drie arresten van het Hof aan de orde zijnde steunregelingen gemeen hebben dat zij gericht zijn en beperkt zijn tot het bedrag dat noodzakelijk is om het nagestreefde strategische doel te bereiken, en zouden zij daarmee een kenmerk gemeen hebben dat eigen is aan een markteconomie. De twee in de onderhavige zaak onderzochte maatregelen zouden daarentegen niet beperkt zijn tot een bijzondere categorie van kosten, en bovendien zou het lagere belastingtarief voor hightechondernemingen niet in de tijd beperkt zijn.

42

Vervolgens zou met deze drie aangehaalde steunregelingen een voor een markteconomie kenmerkende strategische doelstelling worden nagestreefd, te weten de bescherming van het milieu, de herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden en de regionale ontwikkeling. De in de onderhavige zaak onderzochte maatregelen zouden daarentegen erop gericht zijn, strategische sectoren te bevorderen, en daarmee zou dus geen doelstelling worden nagestreefd die kenmerkend is voor een markteconomie.

43

Tot slot stelt de Commissie dat de begunstigden van de staatssteun die in de drie in punt 66 van het bestreden arrest aangehaalde arresten onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard, anders dan Xinyi PV, deze steun niet hebben mogen behouden, aangezien de terugvordering ervan was gelast.

44

Xinyi PV is van mening dat de door het Gerecht in de punten 66 en 67 van het bestreden arrest geformuleerde bevindingen beoordelingen van de feiten vormen, die geen voorwerp van onderzoek in hogere voorziening kunnen zijn aangezien de Commissie geen kennelijk onjuiste opvatting van een bewijselement heeft gesteld of bewezen.

45

Ten gronde zou de Commissie niet nader aangeven in welk opzicht de betrokken belastingvoordelen niet zijn beperkt tot het bedrag dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel dat ermee wordt nagestreefd. In elk geval zou het in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening geformuleerde criterium niet eisen dat wordt aangetoond dat de ontvangen subsidies beperkt zijn tot het bedrag dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel dat met die subsidies wordt nagestreefd. Met de betrokken belastingvoordelen zouden overigens wel degelijk milieudoelstellingen worden nagestreefd.

46

GMB laakt allereerst punt 66 van het bestreden arrest op grond dat het Gerecht daarin twee verschillende begrippen door elkaar haalt. Het begrip „verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie”, in het onderhavige geval de Volksrepubliek China, zou betrekking hebben op een vraag die onder de antidumpingwetgeving en het antidumpingbeleid van de Unie valt, namelijk de vraag of een Chinese exporteur in aanmerking komt voor BMO. Het begrip „subsidies of steun van de staten” zou daarentegen deel uitmaken van een geheel van regels betreffende een andere kwestie, namelijk of staatssteun die in een land met een markteconomie wordt verleend, is toegestaan.

47

Vervolgens zou het Gerecht zich hebben vergist inzake het verschil tussen de gecentraliseerde controle van een economie en de beperkte en gerichte interventies die in een markteconomie kunnen worden waargenomen en die buitenlandse investeringen beogen aan te trekken en de economische activiteit beogen te bevorderen.

48

Tot slot laakt GMB de in punt 67 van het bestreden arrest gevolgde redenering, op grond van de overweging dat, aangezien de betrokken belastingvoordelen uitdrukkelijk en opzettelijk zijn ontworpen om de structuur van de Chinese economie op een bepaalde wijze te organiseren, zij niet los kunnen worden gezien van de algemene planning van de Chinese economie, die is gericht op het manipuleren van de marktkrachten die binnen deze economie spelen.

– Vijfde onderdeel

49

Als vijfde onderdeel van haar eerste middel voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in de punten 75 en 76 en in de punten 66 en 67 van het bestreden arrest te baseren op een onjuiste uitlegging van de uitdrukking „zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

50

De Commissie betoogt in de eerste plaats dat, waar het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest heeft verklaard dat een systeem zonder markteconomie wordt gekenmerkt door „een inrichting van de economie die berust op collectieve of staatseigendom van bedrijven die zich hebben te richten naar door een gecentraliseerde planning voorgeschreven productiedoelen”, het verkeerdelijk heeft gerefereerd aan de definitie van een land met staatshandel.

51

Het begrip „systeem zonder markteconomie” zou immers ruimer zijn dan het begrip „land met staatshandel” doordat het met name de landen omvat die voorkomen op de lijst in de voetnoot bij artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, waarvan er aantal – zo niet de meeste – op weg zijn naar een markteconomie.

52

Ook de Volksrepubliek China was, zelfs toen zij nog op deze lijst stond en alvorens zij bij verordening (EG) nr. 905/98 van de Raad van 27 april 1998 tot wijziging van verordening (EG) nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen de invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1998, L 128, blz. 18) werd overgeplaatst naar de categorie van landen bedoeld in de bepaling die overeenkwam met artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening, al sinds 1979 een zogenoemde economie „in overgang”.

53

Zo zou de Volksrepubliek China in 1986 maatregelen hebben vastgesteld om rechtstreekse buitenlandse investeringen aan te trekken, waaronder het programma „2 Free 3 Halve” voor in het bijzonder de buitenlandse ondernemingen uit de hightechsector.

54

Bijgevolg zou het Gerecht, door in punt 76 van het bestreden arrest te verklaren dat het doel, rechtstreekse buitenlandse investeringen aan te trekken, zich niet verdraagt met het begrip „zonder markteconomie”, blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te baseren op een onjuiste uitlegging van dat begrip. De overgrote meerderheid van – zo niet alle – landen zonder een markteconomie zouden immers, zodra zij beginnen met economische hervormingen, proberen buitenlandse investeringen aan te trekken, waarbij zij vaak gebruikmaken van belastingvrijstellingen zoals die aan de orde in het hoofdgeding.

55

In de tweede plaats zou het Gerecht, in de punten 66, 67, 75 en 76 van het bestreden arrest, zijn uitgegaan van de premisse dat alles wat in een markteconomie kan worden waargenomen, per definitie niet kan voortvloeien uit een systeem zonder markteconomie.

56

Die premisse zou onjuist zijn omdat, enerzijds, de meeste landen zonder markteconomie economieën op weg naar een markteconomie zijn, en anderzijds, verstoringen als gevolg van staatsinterventies ook in markteconomieën kunnen worden waargenomen. De beslissende vraag zou dan ook niet zijn of bepaalde elementen ook in een markteconomie kunnen worden waargenomen, maar of bepaalde elementen kenmerkend zijn voor een dergelijke economie.

57

Xinyi PV betoogt dat de term „vroegere” in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening geen enkele twijfel laat bestaan over het feit dat de Commissie ter beoordeling van de BMO-aanvragen die Chinese producenten hebben ingediend vanaf 1 juli 1998 – de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 905/98 waarbij de mogelijkheid van de verkrijging van die behandeling in het leven is geroepen –, moet nagaan of er sprake is van verstoringen die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie dat vóór die datum gold, te weten toen de Volksrepubliek China nog een traditioneel land met staatshandel was.

58

In punt 76 van het bestreden arrest zou het Gerecht de uitdrukking „systeem zonder markteconomie” in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening dan ook terecht hebben opgevat als „land met staatshandel”.

59

GMB betoogt dat de punten 65 en 67 van het bestreden arrest een onjuiste rechtsopvatting bevatten. Zij beklemtoont dat een verstoring kan worden geacht „nog voort [te] vloeien uit [het vroegere systeem zonder markteconomie]” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening zolang de Chinese economie het systeem zonder markteconomie niet volstrekt heeft opgegeven om over te gaan naar een markteconomie.

60

De Chinese economie zou echter nog in tal van opzichten een niet-hervormde economie blijven, waarbij de overheid nog steeds een rol van organisator speelt. In de achtereenvolgende vijfjarenplannen zou een samenstel van verbindende instructies van de Chinese centrale regering tot uitdrukking komen die op nationaal, regionaal en lokaal niveau ten uitvoer worden gelegd om de Chinese economie in de rechte weg van de centrale planning te organiseren. Het Chinese economische model zou na het jaar 1998 niet dermate aanzienlijk zijn veranderd dat het als een markteconomie zou kunnen worden omschreven.

61

GMB laakt de door haar als overdreven formalistisch aangemerkte opvatting door het Gerecht van het begrip „verstoring die nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie”, omdat deze opvatting volgens haar impliceert dat geen enkele verstoring die de Volksrepubliek China na het jaar 1998 in haar economie heeft aangebracht, voor de Commissie een grond kan zijn om toekenning van BMO te weigeren.

62

Deze vennootschap is van mening dat het Gerecht ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat de passende analyse van de verstoringen niet gewoon betrekking heeft op het „bestaan” van de betrokken maatregelen als economische stimuli, maar veeleer op de rol die deze maatregelen als verlengstuk van de politieke doelstellingen van de Chinese centrale regering spelen. De ontstaansgeschiedenis van het aan Xinyi PV opgelegde antidumpingrecht van 36,1 % en later 75,4 % zou aantonen dat de verstoringen waarvan deze vennootschap profijt heeft kunnen trekken bij het nastreven van de doelstellingen van economische planning van de Chinese regering, haar flink hebben geholpen om haar prijzen tot een minimum te verlagen los van haar totale productiekosten. Zonder de betrokken verstoringen zouden de prijzen niet volledig onelastisch zijn geweest.

63

Tot slot betoogt GMB dat punt 65 van het bestreden arrest in elk geval een fout bevat omdat de Chinese regering het programma „2 Free 3 Halve” in 1986 heeft ingevoerd en dat programma dus dateert uit een periode waarin China nog geen enkel kenmerk van een markteconomie vertoonde.

Beoordeling door het Hof

– Opmerkingen vooraf

64

Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, in afwijking van het bepaalde in artikel 2, leden 1 tot en met 6, van die verordening, bij invoer uit landen zonder markteconomie de normale waarde in beginsel wordt vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met een markteconomie, dat wil zeggen volgens de methode van het referentieland. Deze bepaling heeft aldus tot doel te voorkomen dat rekening wordt gehouden met prijzen en kosten in landen zonder markteconomie, omdat deze parameters aldaar niet het normale eindresultaat van markteconomische factoren zijn (zie met name arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group,C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 66).

65

Volgens artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt bij antidumpingonderzoeken betreffende de invoer uit onder meer China de normale waarde echter vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van deze verordening, en dus niet volgens de methode van het referentieland, indien op basis van naar behoren met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten op wie het onderzoek betrekking heeft, en overeenkomstig de in artikel 2, lid 7, onder c), van die verordening vermelde criteria en procedures, wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen.

66

Zoals blijkt uit de verschillende verordeningen waaruit artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening voortkomt, is deze regeling erop gericht, de op marktvoorwaarden opererende producenten in met name China de mogelijkheid te bieden een behandeling te krijgen die overeenstemt met hun individuele situatie veeleer dan met de situatie in het gehele land waarin zij zijn gevestigd (arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 108).

67

Op grond van de bevoegdheden die haar bij de basisverordening zijn verleend, staat het aan de Commissie om te beoordelen of de door de betrokken producent aangedragen gegevens volstaan om aan te tonen dat is voldaan aan de in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening gestelde criteria voor BMO, en aan de Unierechter om na te gaan of die beoordeling niet op een kennelijke fout berust (zie in die zin met name arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 70).

68

Vast staat dat in het onderhavige geval de BMO-aanvraag van Xinyi PV is afgewezen op de enkele grond dat deze vennootschap niet had aangetoond dat zij voldeed aan het in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening geformuleerde criterium.

69

Volgens deze bepaling moet de betrokken producent voldoende bewijs overleggen van het feit dat zijn productiekosten en financiële situatie niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, in het bijzonder met betrekking tot depreciatie van activa, andere afschrijvingen, ruilhandel en betaling middels schuldvergelijking.

70

Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt, zoals ook het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, dat in die bepaling twee cumulatieve voorwaarden worden gesteld, namelijk dat er sprake is van een verstoring van betekenis met betrekking tot de productiekosten en de financiële situatie van de betrokken onderneming en dat die verstoring nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie.

71

Het bestreden arrest betreft alleen de tweede voorwaarde, daar het Gerecht zich heeft beperkt tot het onderzoek, en vervolgens de aanvaarding, van het onderdeel van het eerste door Xinyi PV aangevoerde middel als zou de Commissie een kennelijke fout hebben gemaakt door te oordelen dat de belastingvoordelen waarin de Chinese regeling voorzag en die Xinyi PV had genoten, dienden te worden aangemerkt als verstoringen „die nog voortvloei[d]en uit het vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

– Vijfde onderdeel

72

In het vijfde onderdeel van haar eerste middel, dat eerst dient te worden onderzocht, komt de Commissie op tegen de uitlegging die het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest van de tweede in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening gestelde voorwaarde heeft gegeven, en in dit verband voert zij, zakelijk weergegeven, aan dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitdrukking „vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening doelt op „een inrichting van de economie die berust op collectieve of staatseigendom van bedrijven die zich hebben te richten naar door een gecentraliseerde planning voorgeschreven productiedoelen”.

73

In deze context dient eraan te worden herinnerd dat Xinyi PV voor het Gerecht onder meer had aangevoerd dat de belastingvoordelen die zij had genoten, niet konden worden aangemerkt als onderdeel van een systeem waarin de handel volledig of bijna volledig monopolistisch is en waarin de binnenlandse prijzen door de staat worden bepaald, dat wil zeggen als een instrument van een land met staatshandel.

74

Hieruit volgt – en dit wordt overigens door geen enkele partij voor het Hof betwist – dat het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest voor de definitie van de uitdrukking „het vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening specifiek is uitgegaan van een economisch systeem van een land met staatshandel.

75

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals uit de vierde en de vijfde overweging van verordening nr. 905/98 blijkt, de later onder meer in artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening opgenomen regeling is ingevoerd omdat de hervormingen in China de economie van dit land ingrijpend hebben gewijzigd en hebben geleid tot de opkomst van ondernemingen die op marktvoorwaarden opereren, zodat dit land zich heeft afgewend van het economische systeem dat de systematische toepassing van de methode van het referentieland had gerechtvaardigd (arrest van19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 68).

76

Aangezien de Volksrepubliek China ondanks deze hervormingen echter nog steeds geen markteconomie is, op de exporten waarvan de in artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening geformuleerde regels automatisch van toepassing zouden zijn, dient volgens artikel 2, lid 7, onder c), van deze verordening iedere producent die voor toepassing van die regels in aanmerking wil komen, voldoende bewijs aan te dragen – zoals in die bepaling wordt gespecificeerd – dat hij op marktvoorwaarden opereert en op grond daarvan in aanmerking komt voor BMO (arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 69).

77

Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de uitdrukking „vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening ziet op het vroegere economische systeem dat de systematische toepassing van de methode van het referentieland op de Chinese producenten had gerechtvaardigd, maar waarvan de Volksrepubliek China zich heeft afgewend.

78

Het is echter algemeen bekend dat lang vóór 1 juli 1998, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 905/98 waarbij de later onder meer in artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening opgenomen regeling is ingevoerd, het in China heersende economische systeem al niet meer dat van een land met staatshandel was. Het ging immers om een land dat, ofschoon nog steeds geen markteconomie, al bepaalde hervormingen had ondergaan die de controle van de Staat beperken, maar waarvan de economie in een groot aantal sectoren nog steeds werd gekenmerkt door met name de centrale rol van de vijfjarenplannen.

79

Vast staat overigens, zoals ook de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat het doel van de invoering van die regeling erin bestond de al in bepaalde sectoren van de Chinese economie doorgevoerde hervormingen te erkennen en meer fundamentele hervormingen aan te moedigen, opdat in een vrij nabije toekomst in alle sectoren van deze economie de kosten voor de producenten en de prijzen die deze toepassen, niet langer worden bepaald of aanzienlijk worden beïnvloed door de Staat, maar grotendeels het resultaat van het vrije spel van vraag en aanbod zijn.

80

Intussen blijft echter volgens artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening de methode van het referentieland van toepassing wanneer de normale waarde niet kan worden berekend, aangezien slechts ingeval een producent rechtens genoegzaam aantoont dat hij voldoet aan de vijf in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening gestelde voorwaarden, deze methode niet op hem zal worden toegepast en de Commissie voor deze producent de normale waarde zal moeten berekenen volgens de voor invoer uit landen met een markteconomie geldende methode van artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening.

81

De slotsom volgens welke de uitdrukking „vroegere systeem zonder markteconomie” in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, niet noodzakelijk en specifiek ziet op het historische economische systeem van een land met staatshandel, maar meer in het algemeen op een economisch systeem zonder markteconomie, dat, in voorkomend geval, al bepaalde hervormingen heeft ondergaan, vindt steun in het feit dat in verschillende taalversies van die bepaling verschillende uitdrukkingen worden gebruikt, zoals „vroeger economisch systeem waarin de economie niet aan de wetten van de markt was onderworpen” („sistema anterior de economia no sujeta a las leyes del mercado” in het Spaans) en „vroeger systeem zonder markteconomie („former non-market economy system” in het Engels of „antigo sistema de economia centralizada” in het Portugees).

82

Deze slotsom vindt ook steun in de omstandigheid dat, zoals in wezen ook de advocaat-generaal in de punten 70 tot en met 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de uitdrukking „nog voortvloeien uit”, die voorafgaat aan de uitdrukking „vroegere systeem zonder markteconomie”, gelet op de ratio legis van de bepalingen betreffende BMO, aldus moet worden begrepen dat dit vroegere systeem moet hebben geleid tot de betrokken verstoringen of deze tot gevolg moet hebben gehad, met andere woorden, dat de betrokken voordelen uit een dergelijk systeem moeten voortvloeien, zoals het Gerecht overigens in punt 64 van het bestreden arrest heeft geoordeeld op basis van een vergelijking van een aantal taalversies van de basisverordening.

83

Tot slot vindt deze slotsom steun in het doel van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, dat erop is gericht te verzekeren dat de producent op marktvoorwaarden opereert, en met name dat de kosten die hij dient te dragen en de prijzen die hij toepast, het resultaat van het vrije spel van de marktkrachten zijn (arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 82).

84

Wat dit doel betreft, is het voor de toepassing van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van deze verordening immers van geen belang of het betrokken economische systeem een economie met staatshandel dan wel een ander economisch systeem zonder markteconomie is.

85

Hieruit volgt dat artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening in die zin moet worden begrepen dat het de producent de verplichting oplegt, rechtens genoegzaam te bewijzen dat zijn productiekosten en zijn financiële situatie niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, dat in voorkomend geval een systeem is dat voor bepaalde sectoren al op weg is naar een markteconomie.

86

Gelet op een en ander staat vast dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 76 van het bestreden arrest voor de definitie van de uitdrukking „vroegere systeem zonder markteconomie” in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening uit te gaan van een economisch systeem van een land met staatshandel.

87

Bijgevolg dient het vijfde onderdeel van het eerste middel te worden aanvaard.

– Eerste onderdeel

88

In het eerste onderdeel van haar eerste middel, dat vervolgens dient te worden onderzocht, verwijt de Commissie het Gerecht, zakelijk weergegeven, dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 63 en 69 van het bestreden arrest te oordelen dat het niet volstaat aan te tonen dat een maatregel verband houdt met een in China ten uitvoer gelegd vijfjarenplan, om op grond daarvan te kunnen oordelen dat die maatregel nog voortvloeit uit het vroegere systeem zonder markteconomie in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van die bepaling.

89

In dit verband dient om te beginnen te worden verworpen de door Xinyi PV opgeworpen exceptie dat dit betoog van de Commissie niet-ontvankelijk is omdat het gaat om een nieuwe stelling waarover voor het Gerecht geen debat heeft plaatsgevonden.

90

De Commissie kan immers een hogere voorziening instellen waarin zij voor het Hof middelen aanvoert die uit het bestreden arrest voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid van het arrest in rechte te betwisten (zie in die zin met name arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a., C‑231/11 P– C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 102). Uit de punten 52 en 53 van het bestreden arrest blijkt overigens dat de Commissie het betrokken argument voor het Gerecht had aangevoerd, zodat het Gerecht erop diende te antwoorden.

91

Ten gronde dient er om te beginnen op te worden gewezen dat, anders dan Xinyi PV betoogt, het Gerecht zich in punt 69 van het bestreden arrest niet heeft gebaseerd op de overweging dat de door de Volksrepubliek China van vandaag opgestelde vijfjarenplannen niet vergelijkbaar zijn met die welke ten uitvoer werden gelegd toen dit land nog een economie met staatshandel was.

92

In dat punt heeft het Gerecht immers het argument van de Commissie, „dat de betrokken belastingvoordelen indirect in verband staan met verschillende door China uitgevoerde plannen”, verworpen op grond van de overweging dat dit argument „blijk [geeft] van bovenmatig formalisme, nu het voortbestaan van die plannen niet noodzakelijkerwijs betekent dat deze regelingen nog voortvloeien uit het vroegere in China bestaande systeem zonder markteconomie. Zo niet, dan zou moeten worden geoordeeld dat alle in China vastgestelde maatregelen die met een plan in verband staan, nog voortvloeien uit zijn vroegere planeconomie, hetgeen aan artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening elke nuttige werking zou ontnemen.”

93

In punt 76 van het bestreden arrest heeft het Gerecht er overigens op gewezen dat het gebruik van gecentraliseerde plannen met productiedoelen een kenmerk van een systeem zonder markteconomie is.

94

Dienaangaande staat vast dat, zelfs al zouden de Chinese vijfjarenplannen voortaan niet meer voor alle sectoren van de economie productiedoelen voorschrijven zoals het geval was toen de Volksrepubliek China nog een land met staatshandel was, dit niet wegneemt dat, zoals ook de advocaat-generaal in de punten 89 en 99 van zijn conclusie, zakelijk weergegeven, heeft opgemerkt, het algemeen bekend is dat deze plannen, zelfs na de hervormingen die het Chinese economische systeem heeft ondergaan, nog een fundamentele rol spelen bij de organisatie van deze economie, omdat zij voor een groot aantal sectoren nauwkeurige doelstellingen bevatten die verbindend zijn voor alle regeringsniveaus.

95

Voor zover, zoals al in punt 85 van het onderhavige arrest is gezegd, het in artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening geformuleerde criterium de producent de verplichting oplegt, rechtens genoegzaam te bewijzen dat zijn productiekosten en zijn financiële situatie niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die voortvloeien uit een economisch systeem zonder markteconomie, ongeacht of het gaat om een systeem met staatshandel dan wel om een systeem dat al op weg is naar een markteconomie, volstaat het feit dat een maatregel als die welke in het onderhavige geval aan de orde is, namelijk het verlenen van belastingvoordelen voor buitenlandse investeringen in sectoren die van strategisch belang worden geacht, zoals de hightechsector, verband houdt met verschillende plannen die in China ten uitvoer worden gelegd, dus om ervan uit te gaan dat deze maatregel een verstoring vormt „die nog voortvloei[t] uit het vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van deze bepaling.

96

Anders dan het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, ontneemt dit vermoeden artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening overigens niet elke nuttige werking.

97

Naast het feit dat dit vermoeden alleen geldt voor maatregelen die daadwerkelijk verband houden met een vijfjarenplan, kan de betrokken producent dit vermoeden immers ook weerleggen door rechtens genoegzaam aan te tonen dat de betrokken maatregel niet intrinsiek in strijd is met een markteconomie.

98

In elk geval behoudt die producent de mogelijkheid, aan te tonen dat die maatregel, zoals die op hem is toegepast, geen verstoring bevat die als „van betekenis” in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt.

99

Hieruit volgt dat de overwegingen in punt 69 van het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting berusten.

100

Bijgevolg dient tot de slotsom te worden gekomen dat het eerste onderdeel van het eerste middel van hogere voorziening eveneens gegrond is.

– Tweede en vierde onderdeel

101

In het tweede en het vierde onderdeel van haar eerste middel, die vervolgens samen dienen te worden onderzocht, verwijt de Commissie het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 66, 67, 75 en 76 van het bestreden arrest te oordelen dat niet kan worden aangenomen dat de betrokken belastingvoordelen nog voortvloeien uit een vroeger systeem zonder markteconomie in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening, aangezien, enerzijds, het algemeen bekend is dat landen met een markteconomie, zoals de lidstaten van de Unie, ook belastingvoordelen toekennen aan ondernemingen om buitenlandse investeringen aan te trekken in sectoren die van strategisch belang worden geacht, zoals de hightechsector, en, anderzijds, een dergelijke doelstelling, althans in theorie, zich niet verdraagt met een inrichting van de economie die berust op collectieve of staatseigendom van ondernemingen die zich hebben te richten naar door een gecentraliseerde planning voorgeschreven productiedoelen, hetgeen het kenmerk van een systeem zonder markteconomie is.

102

Ook al staat het, zoals Xinyi PV stelt, zeker niet aan het Hof om in hogere voorziening de juistheid te onderzoeken van de in die punten van het bestreden arrest gedane, in wezen feitelijke, vaststelling dat belastingvoordelen van dezelfde aard als die welke deze producent heeft genoten, ook bestaan in landen met een markteconomie, zoals de lidstaten van Unie, de Commissie mag in haar hogere voorziening daarentegen wel kritiek leveren op de gevolgtrekking die het Gerecht daaraan in de vorm van een juridische kwalificatie van deze feiten heeft verbonden, namelijk dat niet kan worden geoordeeld dat deze voordelen „verstoringen [vormen] die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

103

Vast staat dat deze kritiek gegrond is.

104

Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 95 tot en met 99 van zijn conclusie, zakelijk weergegeven, heeft opgemerkt, wordt immers niet betwist dat de betrokken belastingvoordelen in verband kunnen worden gebracht met verschillende plannen die in China ten uitvoer worden gelegd, en dat dit land, ondanks de hervormingen van zijn economisch model, nog altijd in beginsel als een land zonder markteconomie wordt beschouwd, zoals uit de regeling in artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening blijkt, zodat de context waarin deze belastingvoordelen worden verleend, fundamenteel verschilt van die waarin eventueel gelijkaardige maatregelen in landen met een markteconomie werken.

105

In dit verband dient, wat de lidstaten van de Unie betreft, eraan te worden herinnerd dat dergelijke belastingvoordelen in beginsel onverenigbaar met de interne markt en bijgevolg verboden zijn indien zij als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt, waarvoor aan de vier in die bepaling gestelde voorwaarden moet worden voldaan (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group SA e.a., C‑20/15 P en C‑21/15 P, EU:C:2016:981, punt 53).

106

Zoals ook de Commissie heeft betoogd zonder op dit punt te zijn weersproken, ging het in de drie door het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest genoemde arresten overigens om fiscale steun die onrechtmatig en onverenigbaar met het Unierecht was verklaard en van de begunstigden ervan moest worden teruggevorderd ofschoon bij het verlenen van die steun een aantal beperkingen waren gesteld teneinde welbepaalde doelstellingen te verwezenlijken. In het onderhavige geval worden de belastingvoordelen daarentegen ten behoeve van ruim omschreven strategische sectoren en zonder beperking in de tijd toegekend en blijkt niet dat de staat toezicht uitoefent op de toekenning van de steun waardoor de begunstigden ervan het risico lopen dat deze wordt teruggevorderd.

107

Met betrekking tot het bijzondere economische stelsel dat in China geldt, zoals wordt bedoeld in de regeling van artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening, te weten een economisch stelsel dat op weg is naar een markteconomie maar in de regel nog steeds als een systeem zonder markteconomie wordt beschouwd indien de betrokken belastingvoordelen in verband kunnen worden gebracht met verschillende in China ten uitvoer gelegde plannen, zoals in casu het geval is, kan niet worden geoordeeld dat die voordelen zich niet met een dergelijk stelsel verdragen.

108

Integendeel, daar de betrokken belastingvoordelen een vijfjarenplan, dat een kenmerkend element van planeconomieën en een fundamenteel element in de Chinese inrichting van de economie is, ten uitvoer leggen, kon de Commissie ervan uitgaan dat deze maatregelen „nog voortvloei[d]en uit het vroegere systeem zonder markteconomie”, zoals ook de advocaat-generaal in punt 104 van zijn conclusie heeft opgemerkt.

109

Bijgevolg moet tot de slotsom worden gekomen dat het tweede en het vierde onderdeel van het eerste middel van de Commissie gegrond zijn.

110

Hieruit volgt – zonder dat het derde onderdeel van het eerste middel hoeft te worden onderzocht – dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door Xinyi PV een BMO te weigeren, en dit oordeel te baseren op de overweging dat de uit deze maatregelen resulterende verstoringen niet „voortvloei[d]en uit het vroegere systeem zonder markteconomie” in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), derde streepje, van de basisverordening.

111

Aangezien het eerste, het tweede, het vierde en het vijfde onderdeel van het eerste middel van de Commissie gegrond zijn, dient het bestreden arrest dus te worden vernietigd zonder dat het tweede en het derde middel van de hogere voorziening dienen te worden onderzocht.

Beroep voor het Gerecht

112

Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

113

Dit is in casu niet het geval, aangezien het Gerecht het door Xinyi PV ingestelde beroep tot nietigverklaring heeft toegewezen zonder het tweede onderdeel van het eerste voor hem aangevoerde middel, en evenmin het tweede tot en met het vierde voor hem aangevoerde middel, te hebben onderzocht. Bijgevolg dient de zaak naar het Gerecht te worden terugverwezen.

Kosten

114

Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

 

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 maart 2016, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie (T‑586/14, EU:T:2016:154), wordt vernietigd.

 

2)

De zaak wordt naar het Gerecht van de Europese Unie terugverwezen.

 

3)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.