ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

22 oktober 2014 ( *1 )

„Niet-nakoming — Richtlijnen 2002/73/EG en 2006/54/EG — Gelijke behandeling van mannen en vrouwen — Arbeid en beroep — Toegang tot arbeidsproces — Terugkeer na zwangerschaps- en bevallingsverlof — Vormvereisten voor inleidend verzoekschrift — Coherente uiteenzetting van grieven — Ondubbelzinnige formulering van petitum”

In zaak C‑252/13,

betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 7 mei 2013,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en M. van Beek als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, M. Berger (rapporteur) en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Met haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door bepalingen van de Nederlandse wetgeving te handhaven die in strijd zijn met de artikelen 1, tweede alinea, sub a en b, 15 en 28, lid 2, van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204, blz. 23), de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Toepasselijke bepalingen

Recht van de Unie

2

Bij richtlijn 2006/54, die volgens artikel 1, eerste alinea, ervan tot doel heeft „het verzekeren van de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep”, is per 15 augustus 2009 richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), ingetrokken. Volgens punt 1 van de considerans van richtlijn 2006/54 moeten, om meer duidelijkheid te scheppen, de voornaamste bepalingen op de gebieden die onder deze richtlijn vallen worden herschikt en in één tekst worden samengevoegd.

3

Onder het opschrift „Terugkeer na zwangerschaps- en bevallingsverlof” bepaalt artikel 15 van richtlijn 2006/54:

„Een vrouw die zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft, heeft na afloop van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof het recht om onder voor haar niet minder gunstige voorwaarden en omstandigheden naar haar baan of naar een gelijkwaardige functie terug te keren en te profiteren van elke verbetering van de arbeidsvoorwaarden waarop zij tijdens haar afwezigheid aanspraak had kunnen maken.”

4

Artikel 28, lid 2, van dezelfde richtlijn preciseert dat deze laatste „[onverlet] laat de bepalingen van richtlijn 96/34/EG [van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB L 145, blz. 4)] en van richtlijn 92/85/EEG [van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (PB L 348, blz. 1)]”.

5

Met de artikelen 15 en 28, lid 2, van richtlijn 2006/54 overeenkomende bepalingen waren in artikel 2, lid 7, tweede en vierde alinea, van richtlijn 76/207 opgenomen bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207 (PB L 269, blz. 15).

Nederlands recht

6

Het Koninkrijk der Nederlanden heeft aan richtlijn 2002/73 uitvoering gegeven bij de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: „AWGB”), bij de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en door middel van wijziging van enkele bepalingen in het Nederlands Burgerlijk Wetboek (hierna „BW”).

7

Artikel 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bepaalt het volgende:

„1.   In deze wet wordt verstaan onder:

[...]

b.

direct onderscheid: indien een persoon op grond van geslacht op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld;

[...]

2.   Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.”

8

Artikel 1 van de AWGB en artikel 7:646, lid 5, BW bevatten bepalingen van gelijke strekking.

9

Artikel 5, lid 1, sub a, van de AWGB en artikel 7:646, lid 1, BW verbieden discriminatie en onderscheid tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.

10

Ingevolge artikel 7:611 BW zijn „[d]e werkgever en de werknemer [...] verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen”.

Precontentieuze procedure

11

Bij brief van 29 juni 2007 heeft de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 226 EG het Koninkrijk der Nederlanden aangemaand zijn opmerkingen kenbaar te maken over zijn wettelijke bepalingen ter uitvoering van een aantal bepalingen van richtlijn 2002/73. De Nederlandse autoriteiten hebben geantwoord bij schrijven van 7 augustus 2007.

12

Bij brief van 2 februari 2009 heeft de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden een aanvullende ingebrekestelling gestuurd, die de Nederlandse autoriteiten bij brief van 27 maart 2009 hebben beantwoord. Dit antwoord heeft de Commissie in de gelegenheid gesteld, op meerdere punten van de verweten niet-nakoming haar grieven te laten vallen.

13

Op de punten die nog in geding zijn heeft de Commissie het Koninkrijk der Nederlanden op 30 september 2011 een met redenen omkleed advies gestuurd waarin zij aangaf dat de Nederlandse wettelijke bepalingen onvoldoende duidelijk en nauwkeurig uitvoering gaven aan een aantal bepalingen van richtlijn 2006/54. Zij kwam tot de conclusie dat de handhaving van bepalingen die onverenigbaar waren met de artikelen 1, tweede alinea, sub a en b, 15, 16 en 28, lid 2, van deze richtlijn in strijd was met de in deze laatste neergelegde verplichtingen. De Nederlandse autoriteiten hebben dit advies bij brief van 1 december 2011 beantwoord.

14

Aangezien de Commissie van oordeel was dat ondanks dat antwoord haar grief betreffende de artikelen 1, tweede alinea, sub a en b, 15 en 28, lid 2, van richtlijn 2006/54 niet zonder voorwerp was geraakt, heeft zij besloten het onderhavige beroep in te stellen.

Conclusies van partijen

15

In haar inleidend verzoekschrift heeft de Commissie het Hof verzocht:

vast te stellen dat „het Koninkrijk der Nederlanden, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te verzekeren dat, door bepalingen van de Nederlandse wetgeving te handhaven die in strijd zijn met artikel 1, [tweede alinea], sub a en b, artikel 15 en artikel 28, lid 2, van richtlijn 2006/54[...], de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen”;

het Koninkrijk der Nederlanden te veroordelen tot de kosten van het geding.

16

Bij brief van 6 juni 2013 heeft de Commissie de griffie van het Hof meegedeeld dat in de formulering van het eerste streepje van het petitum een „redactionele onduidelijkheid” was geslopen en dat zij deze wenste te corrigeren. Zij gaf te kennen dat het Hof werd verzocht vast te stellen dat „het Koninkrijk der Nederlanden, door bepalingen van de Nederlandse wetgeving te handhaven die in strijd zijn met artikel 1, [tweede alinea], sub a en b, artikel 15 en artikel 28, lid 2, van richtlijn 2006/54[...], de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen”.

17

Het Koninkrijk der Nederlanden heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van de Commissie in de kosten.

Beroep

Argumenten van partijen

Ontvankelijkheid

18

Het Koninkrijk der Nederlanden betwist de ontvankelijkheid van het beroep met het betoog dat het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten van duidelijkheid, nauwkeurigheid en coherentie zoals gesteld in de rechtspraak van het Hof.

19

In de eerste plaats merkt deze lidstaat op dat het bij het voorwerp van het beroep zoals omschreven op de eerste bladzijde van het inleidend verzoekschrift gaat om richtlijn 2002/73, terwijl het petitum van dat verzoekschrift enkel verwijst naar richtlijn 2006/54.

20

In de tweede plaats merkt het Koninkrijk der Nederlanden op dat het petitum elke aansluiting mist met de argumenten die in het verzoekschrift naar voren worden gebracht. Deze argumenten hebben geen betrekking op het handhaven van nationaal recht dat in strijd zou zijn met richtlijn 2006/54 – dat in dat verzoekschrift overigens niet nauwkeurig wordt vermeld – maar geven de stelling van de Commissie weer dat in de Nederlandse wetgeving deze richtlijn niet volledig zou zijn omgezet.

21

De Commissie betoogt dat de door het Koninkrijk der Nederlanden ingeroepen onjuistheden in het inleidend verzoekschrift niet afdoen aan de duidelijkheid van dit document.

22

De Commissie brengt aangaande het verwijt dat zij de met richtlijn 2006/54 onverenigbare nationale bepalingen niet heeft vermeld in herinnering dat zij gedurende de gehele administratieve procedure duidelijk heeft aangegeven dat de bepalingen van artikel 1 van de AWGB en artikel 7:646, lid 5, BW niet volstaan om een afdoende uitvoering van de artikelen 15 en 28, lid 2, van die richtlijn te verzekeren.

Ten gronde

23

De Commissie verwijst naar de rechtspraak van het Hof volgens welke aan een richtlijn slechts uitvoering wordt gegeven indien het nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing ervan verzekert, de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is en de begunstigden kennis kunnen nemen van al hun rechten en deze zo nodig geldend kunnen maken voor de nationale rechterlijke instanties.

24

In dit verband merkt zij op dat de algemene bepalingen die iedere discriminatie op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap verbieden, noch het „beginsel van de goede werkgever” zoals dit is neergelegd in de Nederlandse rechtsorde, voldoende duidelijk en nauwkeurig uitvoering geven aan de betrokken bepalingen van richtlijn 2006/54.

25

In zijn verweerschrift verwijst het Koninkrijk der Nederlanden naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het bestaan van algemene rechtsbeginselen de uitvoering van een richtlijn door specifieke wet- of regelgeving overbodig kan maken, op voorwaarde evenwel dat deze beginselen de volledige toepassing van die richtlijn verzekeren.

26

Volgens deze lidstaat wordt de volledige toepassing van richtlijn 2006/54 gewaarborgd door de diverse bepalingen van de Nederlandse wetgeving zoals die in de administratieve procedure zijn ingeroepen en in het verweerschrift opnieuw zijn vermeld.

Beoordeling door het Hof

Strekking van het beroep

27

Om te beginnen moet de strekking van het onderhavige beroep worden bepaald.

28

Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat een beroep krachtens artikel 258 VWEU uitsluitend moet worden onderzocht tegen de achtergrond van de conclusies die in het inleidend verzoekschrift zijn voorgedragen (zie onder meer arrest Commissie/België, C‑132/09, EU:C:2010:562, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29

Ook zij eraan herinnerd dat die conclusies ondubbelzinnig moeten zijn geformuleerd, om te voorkomen dat het Hof ultra petita uitspraak doet of nalaat zich over een van de grieven uit te spreken (zie onder meer arrest Commissie/Spanje, C‑67/12, EU:C:2014:5, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30

In casu was het eerste onderdeel van het petitum in het inleidend verzoekschrift dubbelzinnig geformuleerd, daar het kon worden uitgelegd als de formulering van twee grieven, te weten in de eerste plaats het ontbreken van nationale maatregelen die een volledige uitvoering van richtlijn 2006/54 verzekeren, en in de tweede plaats de handhaving door het Koninkrijk der Nederlanden van met die richtlijn onverenigbare bepalingen.

31

In haar brief van 6 juni 2013 heeft de Commissie erkend dat in het eerste onderdeel van het petitum een onduidelijkheid was geslopen en heeft zij aangegeven dat dit aldus moet worden gelezen dat het slechts doelt op één grief, te weten de handhaving door het Koninkrijk der Nederlanden van met richtlijn 2006/54 onverenigbare bepalingen.

32

Nu genoemde brief van de Commissie de strekking van het in het inleidend verzoekschrift geformuleerde petitum beperkt, moet er akte van worden genomen en moet worden geconstateerd dat daarmee gedeeltelijk afstand wordt gedaan van instantie. Het onderhavige beroep moet dan ook worden geacht betrekking te hebben op de handhaving door het Koninkrijk der Nederlanden van bepalingen waarvan de Commissie betoogt dat zij in strijd zijn met de artikelen 1, tweede alinea, sub a en b, 15 en 28, lid 2, van richtlijn 2006/54.

Ontvankelijkheid van het beroep

33

Uit artikel 120, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de op deze bepaling betrekking hebbende rechtspraak volgt dat elk inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil dient te vermelden en een summiere uiteenzetting van de tot staving van het beroep aangevoerde middelen moet bevatten. Deze aanduidingen moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Bijgevolg moeten de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop een beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk blijken uit de tekst van het verzoekschrift zelf (zie onder meer arrest Commissie/Spanje, EU:C:2014:5, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34

Het Hof heeft tevens geoordeeld dat in het kader van een beroep krachtens artikel 258 VWEU dit beroep de grieven coherent en nauwkeurig moet uiteenzetten opdat de lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, hetgeen noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de vermeende niet-nakoming kan beoordelen (zie onder meer arrest Commissie/Spanje, EU:C:2014:5, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

In casu betoogt het Koninkrijk der Nederlanden in de eerste plaats dat het onderhavige beroep die voorwaarden niet vervult door de onduidelijkheid in de wijze waarop naar de richtlijnen 2002/73 en 2006/54 wordt verwezen.

36

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de precontentieuze fase van de onderhavige niet-nakomingsprocedure in de loop van de maand juni 2007, met de toezending van de oorspronkelijke ingebrekestelling, is ingegaan, en op 7 mei 2013, met de instelling van het onderhavige beroep, is geëindigd. In dit tijdvak van bijna zes jaar is richtlijn 2002/73, die in die ingebrekestelling was vermeld, per 15 augustus 2009 ingetrokken en – met nagenoeg dezelfde bepalingen – vervangen door richtlijn 2006/54. Vanaf die datum, zo blijkt uit het bij het Hof neergelegde dossier, is de precontentieuze procedure verlopen onder verwijzing naar de – in hoofdzaak identieke – bepalingen van deze laatste richtlijn.

37

In die omstandigheden leidt het enkele feit dat het voorwerp van het onderhavige beroep, zoals weergegeven op de eerste bladzijde van het verzoekschrift, richtlijn 2002/73 vermeldt, terwijl in het petitum enkel sprake is van richtlijn 2006/54, niet tot twijfel over de vraag aan welke bepalingen van Unierecht de gegrondheid van dit beroep moet worden getoetst. Op dezelfde gronden kan het Koninkrijk der Nederlanden niet beweren dat het de omvang van de verweten niet-nakoming niet heeft kunnen begrijpen en zijn recht van verweer niet ten volle heeft kunnen uitoefenen.

38

In de tweede plaats merkt het Koninkrijk der Nederlanden op dat de uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift van de elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, incoherent is gelet op de conclusie waartoe die uiteenzetting leidt.

39

In casu verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door in de nationale rechtsorde bepalingen te handhaven die in strijd zijn met de artikelen 1, tweede alinea, sub a en b, 15 en 28, lid 2, van richtlijn 2006/54, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Dit verzoek bakent het voorwerp van het beroep af, daar het Hof niet ultra petita uitspraak kan doen.

40

Waar de Commissie in de motivering van haar verzoekschrift een vrij gedetailleerde uiteenzetting geeft van de onder de Nederlandse regelgeving geldende maatregelen, wil zij daarmee betogen dat die maatregelen niet volstaan om een volledige uitvoering van de in het voorgaande punt genoemde bepalingen van richtlijn 2006/54 te verzekeren.

41

Daarentegen vermeldt de Commissie geen regel van Nederlands recht waarvan de inhoud of de toepassing zou indruisen tegen de bewoordingen of het doel van de betrokken bepalingen van genoemde richtlijn.

42

In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat nu de Commissie nalaat een gegeven te verschaffen dat voor het Hof onmisbaar is om op het petitum van het beroep met volledige kennis van zaken te kunnen beslissen, het beroep niet voldoet aan de vereisten van coherentie, duidelijkheid en nauwkeurigheid zoals vereist ingevolge de rechtspraak op het onderhavige gebied.

43

Nu het Hof niet heeft kunnen nagaan of van de in het onderhavige beroep aangevoerde niet-nakoming sprake is, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Kosten

44

Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Koninkrijk der Nederlanden worden verwezen in de kosten.

 

Het Hof (Zesde kamer) verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.