Zaak C‑442/10

Churchill Insurance Company Limited

tegen

Benjamin Wilkinson

en

Tracy Evans

tegen

Equity Claims Limited

[verzoek van de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) om een prejudiciële beslissing]

„Verplichte motorrijtuigenverzekering – Richtlijn 84/5/EEG – Artikelen 1, lid 4, en 2, lid 1 – Derden die slachtoffer zijn van ongeval – Uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging om voertuig te besturen – Richtlijn 90/232/EEG – Artikel 1, eerste alinea – Richtlijn 2009/103/EG – Artikelen 10, 12, lid 1, en 13, lid 1 – Persoon die slachtoffer is van verkeersongeval als passagier van voertuig waarvoor hij als bestuurder is verzekerd – Voertuig bestuurd door niet door polis gedekte persoon – Verzekerd slachtoffer niet uitgesloten van verzekering”

Samenvatting van het arrest

Harmonisatie van wetgevingen – Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Omvang van door verplichte verzekering verleende garantie ten gunste van derden – Uitsluitingsclausules – Ongeval veroorzaakt door onverzekerde bestuurder

(Richtlijnen 72/166, 84/5, art. 2, lid 1, en 90/232, art. 1, eerste alinea, van de Raad)

Artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn (90/232) en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de voor de verzekeraar geldende verplichting tot schadeloosstelling van een slachtoffer van een verkeersongeval automatisch wordt uitgesloten wanneer dit ongeval door een niet door de polis gedekte bestuurder is veroorzaakt en het ten tijde van het ongeval als passagier meerijdende slachtoffer verzekerd was om dat voertuig te besturen en aan deze bestuurder toestemming had gegeven om dat voertuig te besturen.

Deze uitlegging verschilt niet naargelang het verzekerde slachtoffer wist dat de persoon aan wie het toestemming had gegeven om het voertuig te besturen, daarvoor niet verzekerd was, het veronderstelde dat deze persoon daarvoor verzekerd was, of het zich dat niet had afgevraagd.

De motorrijtuigenverzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn (72/166) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moet immers alle slachtoffers, met uitzondering van de bestuurder van het schadeveroorzakende voertuig, schadeloos stellen, tenzij de feiten vallen onder een van de in de Eerste, de Tweede of de Derde richtlijn uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen.

(cf. punten 44, 46, 50, dictum 1‑2)







ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

1 december 2011 (*)

„Verplichte motorrijtuigenverzekering – Richtlijn 84/5/EEG – Artikelen 1, lid 4, en 2, lid 1 – Derden die slachtoffer zijn van ongeval – Uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging om voertuig te besturen – Richtlijn 90/232/EEG – Artikel 1, eerste alinea – Richtlijn 2009/103/EG – Artikelen 10, 12, lid 1, en 13, lid 1 – Persoon die slachtoffer is van ongeval als passagier van voertuig waarvoor hij als bestuurder is verzekerd – Voertuig bestuurd door niet door polis gedekte persoon – Verzekerd slachtoffer niet uitgesloten van verzekering”

In zaak C‑442/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 26 augustus 2010, ingekomen bij het Hof op 13 september 2010, in de procedure

Churchill Insurance Company Limited

tegen

Benjamin Wilkinson,

en

Tracy Evans

tegen

Equity Claims Limited,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, A. Prechal, L. Bay Larsen, C. Toader en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 juli 2011,

gelet op de opmerkingen van:

–        Churchill Insurance Company Limited, vertegenwoordigd door F. Randolph, barrister, en S. Worthington, QC,

–        Wilkinson, vertegenwoordigd door C. Quigley en S. Grime, QC,

–        Evans, vertegenwoordigd door G. Wood en C. Quigley, QC,

–        Equity Claims Limited, vertegenwoordigd door W. R. O. Hunter, QC, geïnstrueerd door J. Herzog, solicitor,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K.‑P. Wojcik en N. Yerrell als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 september 2011,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 12, lid 1, en 13, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263, blz. 11).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds Churchill Insurance Company Limited (hierna: „Churchill”) en Wilkinson en anderzijds Evans en Equity Claims Limited (hierna: „Equity”) betreffende de vergoeding van schade ten gevolge van ongevallen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1; hierna: „Eerste richtlijn”) bepaalt:

„Iedere lidstaat treft [...] de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld.”

4        De zesde tot en met de achtste overweging van de considerans van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: „Tweede richtlijn”) luiden:

„Overwegende dat moet worden bepaald dat een orgaan waarborgt dat het slachtoffer schadevergoeding ontvangt ingeval het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet is verzekerd of niet is geïdentificeerd; dat het van belang is, zonder wijzigingen aan te brengen in de bepalingen die de lidstaten toepassen inzake het al of niet subsidiaire karakter van de tussenkomst van dit orgaan en de regels inzake subrogatie, voor te schrijven dat het slachtoffer van een dergelijk ongeval zich rechtstreeks kan wenden tot dit orgaan als eerste contactpunt; dat de lidstaten evenwel de mogelijkheid moet worden gegeven om bepaalde beperkte uitsluitingen toe te passen met betrekking tot de tussenkomst van dit orgaan en te bepalen dat de vergoeding van materiële schade, veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, gezien het gevaar van bedrog, mag worden beperkt of uitgesloten;

Overwegende dat het in het belang van de slachtoffers is dat de gevolgen van bepaalde uitsluitingsclausules worden beperkt tot de betrekkingen tussen de verzekeraar en de voor het ongeval aansprakelijke persoon; dat de lidstaten evenwel in geval van door diefstal of geweldpleging verkregen voertuigen mogen bepalen dat het slachtoffer door bovengenoemd orgaan wordt vergoed;

Overwegende dat de lidstaten ter verlichting van de financiële lasten van dit orgaan mogen voorzien in de toepassing van bepaalde franchises voor de vergoeding door dit orgaan van materiële schade veroorzaakt door niet-verzekerde of, in voorkomend geval, door diefstal of geweldpleging verkregen voertuigen”.

5        Artikel 1, lid 4, van de Tweede richtlijn bepaalt dat elke lidstaat een orgaan instelt of erkent dat tot doel heeft materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd of niet-verzekerd voertuig, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden (hierna: „nationaal orgaan”). Artikel 1, lid 4, derde alinea, bepaalt:

„De lidstaten kunnen [...] van de tussenkomst door dit orgaan uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig niet verzekerd was.”

6        Op grond van artikel 1, lid 4, vierde alinea, van de Tweede richtlijn kunnen de lidstaten in geval van materiële schade die door een niet-geïdentificeerd voertuig veroorzaakt werd, de tussenkomst door dit orgaan ook beperken of uitsluiten, en volgens artikel 1, lid 4, vijfde alinea, kunnen zij voor materiële schade die is veroorzaakt door een niet-verzekerd voertuig een franchise toestaan van ten hoogste 500 euro, die tegenover het slachtoffer geldend kan worden gemaakt.

7        De voor die nationale organen geldende regels zijn later nader gepreciseerd en aangevuld, met name bij richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen 72/166/EEG, 84/5/EEG, 88/357/EEG en 90/232/EEG van de Raad en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 149, blz. 14). Daarbij is artikel 1, lid 4, derde alinea, van de Tweede richtlijn in wezen artikel 1, lid 5, tweede alinea, van de Tweede richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/14, geworden.

8        Artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn bepaalt:

„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen, opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis, afgegeven overeenkomstig artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn], op grond waarvan van de verzekering is uitgesloten het gebruik of het besturen van voertuigen:

–        door personen die daartoe niet uitdrukkelijk of stilzwijgend gemachtigd zijn, of

–        door personen die geen rijbewijs hebben om het betrokken voertuig te besturen, of

–        door personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet in acht hebben genomen,

voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn] geacht worden niet te gelden inzake aanspraken van derden die slachtoffer zijn van een ongeval.

De in het eerste streepje bedoelde bepaling of clausule kan echter worden tegengeworpen aan personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.

[...]”

9        De vierde en de vijfde overweging van de considerans van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33; hierna: „Derde richtlijn”) luiden:

„Overwegende dat ervoor dient te worden gezorgd dat slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan;

Overwegende dat er met name in sommige lidstaten leemten zijn in de dekking van de inzittenden van een motorrijtuig door de verplichte verzekering; dat ter bescherming van deze bijzonder kwetsbare categorie potentiële slachtoffers, die leemten moeten worden aangevuld”.

10      Artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn luidt:

„Onverminderd artikel 2, lid 1, tweede alinea, van [de Tweede richtlijn], dekt de in artikel 3, lid 1, van [de Eerste richtlijn] bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.”

11      Richtlijn 2009/103 bevat een codificatie van de reeds bestaande richtlijnen betreffende de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (hierna: „motorrijtuigenverzekering”), zodat deze richtlijnen met ingang van 27 oktober 2009 zijn ingetrokken. Volgens de concordantietabel in bijlage II bij richtlijn 2009/103 wordt artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn artikel 3, eerste en tweede alinea, van richtlijn 2009/103, worden de artikelen 1, lid 4, derde alinea, en 2, lid 1, van de Tweede richtlijn artikel 10, lid 2, tweede alinea, respectievelijk artikel 13, lid 1, van richtlijn 2009/103, en wordt artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103.

 Nationaal recht

12      Section 151 van de Road Traffic Act 1988 (wegenverkeerswet van 1988; hierna: „RTA 1988”) over de voor verzekeraars geldende verplichting tot uitvoering van een rechterlijke uitspraak betreffende wettelijke aansprakelijkheid als die welke door de verplichte verzekering wordt gedekt, bepaalt:

„1.      Deze section is van toepassing wanneer, nadat een verzekeringskaart [...] is afgegeven [...] aan de persoon die een verzekering heeft afgesloten [...], een rechterlijke uitspraak wordt verkregen waarop deze subsection van toepassing is.

[...]

5.      Niettegenstaande dat de verzekeraar gerechtigd kan zijn de polis nietig te verklaren of op te zeggen, dan wel daartoe kan zijn overgegaan [...], is hij, onverminderd de bepalingen van deze section, verplicht aan de personen op wie de rechterlijke uitspraak van toepassing is,

a)      wat de aansprakelijkheid voor dood of lichamelijk letsel betreft, alle bedragen te betalen die volgens de rechterlijke uitspraak uit hoofde van [die] aansprakelijkheid verschuldigd zijn [...],

[...]

[...]

8.      Indien een verzekeraar ingevolge deze section verplicht wordt een bedrag uit te keren ter zake van de aansprakelijkheid van een persoon die niet door een polis verzekerd is, [...] kan hij het uitgekeerde bedrag terugvorderen van die persoon dan wel van eenieder die

a)      is verzekerd volgens de polis [...], volgens de voorwaarden waarvan de aansprakelijkheid zou zijn gedekt indien op grond van de polis alle personen waren verzekerd [...], en

b)      het gebruik van het voertuig waardoor de aansprakelijkheid is ontstaan, heeft veroorzaakt of toegestaan.

[...]”

 Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

13      Wilkinson stond als bestuurder geregistreerd in een bij Churchill afgesloten polis voor het gebruik van een voertuig. Op 23 november 2005 liet hij een vriend dat voertuig besturen; zelf reed hij als inzittende mee. Vaststaat dat Wilkinson wist dat deze persoon volgens die polis niet verzekerd was. De bestuurder verloor de macht over het stuur en de auto kwam in botsing met een tegenligger. Wilkinson liep ernstig letsel op. Churchill erkende gehouden te zijn tot schadeloosstelling van Wilkinson, maar eiste op grond van section 151, lid 8, RTA 1988 van hem als de verzekerde schadevergoeding voor hetzelfde bedrag als de aan hem verschuldigde schadeloosstelling, welke eis door Wilkinson werd betwist. Aangezien de rechter in eerste aanleg Wilkinson in het gelijk stelde, ging Churchill in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

14      Evans was eigenaar van een bij Equity verzekerde motorfiets en was als enige verzekerd om ermee te rijden. Op 4 augustus 2004 liet zij een vriend de motorfiets besturen; zelf reed zij als duopassagier mee. Door nalatigheid reed de bestuurder achter op een vrachtwagen. Evans raakte ernstig gewond. Volgens de rechter in eerste aanleg heeft Evans zich, toen zij die bestuurder toestemming gaf om haar motorfiets te besturen, niet afgevraagd of hij daarvoor wel verzekerd was. De rechter was tevens van oordeel dat Equity krachtens section 151, lid 8, RTA 1988 recht had op schadevergoeding voor de bedragen die Equity aan Evans zou hebben moeten betalen, aangezien Evans iemand had gemachtigd de motorfiets te besturen zonder dat die persoon daarvoor verzekerd was. Evans heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

15      Churchill en Equity voeren voor de verwijzende rechter aan dat section 151, lid 8, RTA 1988 geen bepaling is waardoor „van de verzekering is uitgesloten” in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn 2009/103, en dat de betrokken bestuurders in beide gevallen over de vereiste machtiging beschikten om het betrokken voertuig te gebruiken of te besturen. Wilkinson en Evans daarentegen stellen dat indien die bepaling op een verzekerde die slachtoffer is, aldus wordt toegepast dat hij niet voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komt, dat slachtoffer van de verzekering wordt uitgesloten in de zin van artikel 13, lid 1, en dat de in die bepaling bedoelde machtiging de machtiging door de verzekeraar en niet door de verzekerde is.

16      De verwijzende rechter wijst erop dat naar Engels recht het effect van section 151, lid 8, RTA 1988 is dat een persoon die verzekerd is om een voertuig te besturen en die als passagier meerijdt in of op dat voertuig, automatisch van de verzekeringsdekking wordt uitgesloten indien hij aan een onverzekerde bestuurder toestemming heeft gegeven om te rijden. De verwijzende rechter vraagt zich af of het Unierecht zich verzet tegen een dergelijke uitsluiting en of, in voorkomend geval, aan die bepaling een Unierechtconforme uitlegging kan worden gegeven.

17      Volgens de verwijzende rechter moet blijkens de rechtspraak aan artikel 12, lid 1, van richtlijn 2009/103 een ruime uitlegging worden gegeven. Hij merkt evenwel op dat in omstandigheden als die in de bij hem aanhangige zaken, een dergelijke uitlegging zou leiden tot een verschillende behandeling ten opzichte van de situatie die wordt beheerst door artikel 10, lid 2, van die richtlijn. Hij geeft ook aan dat de situatie van de passagier van een voertuig die de verzekerde is en die een onverzekerde bestuurder laat rijden, kan verschillen naargelang die passagier wel of niet weet dat de bestuurder onverzekerd is, of naargelang die passagier zich wel of niet heeft afgevraagd of de bestuurder verzekerd is.

18      In die omstandigheden heeft de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moeten de artikelen 12, lid 1, en 13, lid 1, van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen nationale bepalingen die volgens het relevante nationale recht tot gevolg hebben dat een slachtoffer van een verkeersongeval van de verzekering wordt uitgesloten, indien:

–        dat ongeval is veroorzaakt door een onverzekerde bestuurder;

–        die onverzekerde bestuurder van het slachtoffer toestemming had gekregen om het voertuig te besturen;

–        het slachtoffer ten tijde van het ongeval inzittende van het voertuig was, en

–        het slachtoffer verzekerd was om het betrokken voertuig te besturen?

Met name:

–        is een dergelijke nationale bepaling een bepaling waardoor ‚van de verzekering is uitgesloten’ in de zin van artikel 13, lid 1, van [richtlijn 2009/103]?

–        is in omstandigheden als die van de onderhavige zaken de door de [verzekerde] aan de niet-verzekerde persoon verleende toestemming een ‚uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging’ in de zin van artikel 13, lid 1, sub a, van [richtlijn 2009/103]?

–        is het voor het antwoord op deze vraag van belang dat volgens artikel 10 van [richtlijn 2009/103] nationale organen die belast zijn met de vergoeding van schade die is veroorzaakt door niet-geïdentificeerde of onverzekerde voertuigen, van vergoeding kunnen uitsluiten degenen die vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade of het letsel heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat het voertuig niet verzekerd was?

2)      Maakt het voor de beantwoording van de eerste vraag verschil of de toestemming [...] was gebaseerd op de feitelijke wetenschap dat de betrokken bestuurder onverzekerd was, of [...] was gebaseerd op de veronderstelling dat de bestuurder verzekerd was, dan wel [...] door de verzekerde was verleend zonder zich af te vragen of de bestuurder al dan niet verzekerd was?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

19      Allereerst moet erop worden gewezen dat richtlijn 2009/103 ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen niet van toepassing was. De gestelde vraag moet dus aldus worden begrepen dat zij geen betrekking heeft op de bepalingen van richtlijn 2009/103, maar wel op de desbetreffende bepalingen van de Tweede en de Derde richtlijn, die ratione temporis van toepassing zijn op die feiten en later in richtlijn 2009/103 zijn overgenomen.

20      Derhalve wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen te vernemen of artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat een slachtoffer van een verkeersongeval automatisch van de verzekering wordt uitgesloten wanneer dat ongeval is veroorzaakt door een onverzekerde bestuurder en het ten tijde van het ongeval als passagier meerijdende slachtoffer verzekerd was om dat voertuig te besturen en aan deze bestuurder toestemming had gegeven om dat voertuig te besturen.

21      Dienaangaande betogen Churchill en Equity om te beginnen dat de met artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn overeenkomende bepalingen van richtlijn 2009/103 in casu niet van toepassing zijn. Section 151, lid 8, RTA 1988 houdt geen uitsluiting van de verplichte verzekeringsdekking in. Volgens hen heeft die bepaling alleen tot gevolg dat een verzekeraar die gehouden is tot vergoeding van schade wegens aansprakelijkheid van een bestuurder die niet door de verzekering is gedekt, de schadevergoeding op de verzekerde kan verhalen indien die verzekerde het gebruik van het voertuig door die bestuurder heeft veroorzaakt of toegestaan.

22      Volgens vaste rechtspraak zijn in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU de taken van het Hof strikt gescheiden van de taken van de verwijzende rechter en staat het uitsluitend aan laatstgenoemde om het nationale recht uit te leggen en zich over de gevolgen daarvan uit te spreken (zie arresten van 3 februari 1977, Benedetti, 52/76, Jurispr. blz. 163, punt 25; 21 september 1999, Kordel e.a., C‑397/96, Jurispr. blz. I‑5959, punt 25, en 17 juli 2008, Corporación Dermoestética, C‑500/06, Jurispr. blz. I‑5785, punt 21).

23      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter in omstandigheden als die in de eerste prejudiciële vraag, section 151, lid 8, RTA 1988 niet aldus uitlegt dat daarin is bepaald dat de verzekeraar een schadevergoeding betaalt aan de benadeelde verzekerde, waarna de schadevergoeding door de verzekerde aan de verzekeraar wordt terugbetaald, maar wel in die zin dat die bepaling tot gevolg heeft dat een passagier die slachtoffer is van een verkeersongeval, verzekerd was en een onverzekerde bestuurder toestemming heeft gegeven om te rijden, automatisch van de verzekering wordt uitgesloten.

24      De in het onderhavige geval aan het Hof gestelde vragen hebben dus geen betrekking op de vraag of een voorschrift inzake de wettelijke aansprakelijkheid verenigbaar is met het Unierecht, maar wel op de vraag of daarmee verenigbaar is een bepaling die, volgens de uitlegging die de verwijzende rechter daaraan geeft, de omvang van de wettelijke-aansprakelijkheidsdekking beperkt door de verzekerde automatisch uit te sluiten van de eventueel verschuldigde schadevergoeding. De gestelde vragen vallen dan ook onder de ter zake geldende Unieregeling.

25      Churchill, Equity en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen voorts dat de eerste vraag negatief moet worden beantwoord. Personen die in een situatie als die van Wilkinson en Evans verkeren, kunnen immers niet worden beschouwd als derden die slachtoffer zijn van een ongeval, als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn.

26      Volgens Wilkinson, Evans en de Europese Commissie daarentegen verzet de Unieregeling ter zake van de verplichte motorrijtuigenverzekering zich tegen een nationale bepaling zoals omschreven in de eerste vraag. De Commissie stelt met name dat het slachtoffer van een verkeersongeval niet kan worden uitgesloten van de categorie van inzittenden, louter omdat het tevens om de verzekerde persoon gaat. Een slachtoffer dat tegelijk ook de verzekerde is, moet haars inziens dus worden gelijkgesteld met een derde die slachtoffer is van een ongeval, als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn.

27      Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de Unieregeling ter zake van de verplichte motorrijtuigenverzekering beoogt het vrije verkeer te waarborgen, zowel van de gewoonlijk op het grondgebied van de Unie gestalde voertuigen als van de inzittenden, en wil verzekeren dat de slachtoffers van door deze voertuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan (zie met name arresten van 28 maart 1996, Ruiz Bernáldez, C‑129/94, Jurispr. blz. I‑1829, punt 13, en 30 juni 2005, Candolin e.a., C‑537/03, Jurispr. blz. I‑5745, punt 17). Volgens de vijfde overweging van de considerans van de Derde richtlijn heeft deze regeling ook tot doel deze bijzonder kwetsbare categorie van potentiële slachtoffers, die de inzittenden van een motorrijtuig zijn, te beschermen door de in sommige lidstaten bestaande leemten in de dekking van die inzittenden door de verplichte verzekering aan te vullen (arrest van 19 april 2007, Farrell, C‑356/05, Jurispr. blz. I‑3067, punt 24).

28      Daartoe verplicht artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, de lidstaten ervoor te zorgen dat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering wordt gedekt, en het preciseert met name welke soorten schade en welke derden die slachtoffer van een ongeval zijn geworden, door deze verzekering moeten worden gedekt (zie in die zin arresten van 14 september 2000, Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, C‑348/98, Jurispr. blz. I‑6711, punten 25‑27, en 17 maart 2011, Carvalho Ferreira Santos, C‑484/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 25‑27).

29      Wat het laatste aspect betreft, heeft het Hof reeds erop gewezen dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn en artikel 1 van de Derde richtlijn beogen te waarborgen dat alle inzittenden die slachtoffer zijn van een door een voertuig veroorzaakt ongeval, op grond van de verplichte motorrijtuigenverzekering schadeloosstelling voor de door hen geleden schade kunnen verkrijgen (zie in die zin arrest Candolin e.a., reeds aangehaald, punt 27). Door te bepalen dat de verplichte motorrijtuigenverzekering de aansprakelijkheid dekt voor lichamelijk letsel van alle inzittenden, met uitzondering van de bestuurder, maakt artikel 1 van de Derde richtlijn uitsluitend een onderscheid tussen de bestuurder en de andere inzittenden en strekt het onbetwistbaar de dekking door een verzekering tot alle inzittenden uit (reeds aangehaalde arresten Candolin e.a., punt 32, en Farrell, punt 23).

30      Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat de met de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn nagestreefde, en in punt 27 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte, doelstelling slachtoffers te beschermen vereist dat de rechtssituatie van de eigenaar van het voertuig die zich op het tijdstip van het ongeval als inzittende in dit voertuig bevond, wordt gelijkgesteld met die van elke andere inzittende die slachtoffer is van het ongeval (arrest Candolin e.a., reeds aangehaald, punt 33). Verder verzet deze doelstelling er zich ook tegen dat een nationale regeling het begrip „door de verplichte motorrijtuigenverzekering gedekte inzittende” onnodig inperkt door de personen die hebben plaatsgenomen in een gedeelte van het voertuig dat niet voor hun vervoer is ontworpen en daarvoor ook niet is uitgerust, van dit begrip uit te sluiten (zie in die zin arrest Farrell, reeds aangehaald, punten 28‑30).

31      Aangezien het enige onderscheid dat de Unieregeling ter zake van de verplichte motorrijtuigenverzekering toelaat dus, zoals in punt 29 van het onderhavige arrest is uiteengezet en door de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie is opgemerkt, dat tussen bestuurder en inzittende is, vereist die doelstelling slachtoffers te beschermen ook dat de rechtssituatie van de persoon die verzekerd was om het voertuig te besturen maar als passagier meereed op het tijdstip van het ongeval, wordt gelijkgesteld met die van elke andere inzittende die slachtoffer is van dat ongeval.

32      Derhalve kan een persoon op grond van het feit dat hij verzekerd was om het voertuig te besturen dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet worden uitgesloten van het begrip „derden die slachtoffer zijn van een ongeval”, als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn wanneer hij passagier en niet bestuurder van dat voertuig was.

33      Met betrekking tot de rechten die dergelijke benadeelde derden genieten, moet eraan worden herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn zich ertegen verzet dat de wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeraar met een beroep op wettelijke bepalingen of contractuele clausules kan weigeren derden die slachtoffer zijn van een door het verzekerde voertuig veroorzaakt ongeval, schadeloos te stellen (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Ruiz Bernáldez, punt 20; Candolin e.a., punt 18, en Carvalho Ferreira Santos, punt 29).

34      Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de Tweede richtlijn die verplichting slechts in herinnering brengt met betrekking tot bepalingen of clausules in een verzekeringspolis als bedoeld in dat artikel, op grond waarvan schade die aan benadeelde derden is veroorzaakt ten gevolge van het gebruik of het besturen van verzekerde voertuigen door personen die niet gemachtigd zijn het betrokken voertuig te besturen, personen die geen rijbewijs hebben of personen die de wettelijke technische vereisten inzake de toestand en veiligheid van het betrokken voertuig niet hebben nageleefd, van de motorrijtuigenverzekering is uitgesloten (reeds aangehaalde arresten Ruiz Bernáldez, punt 21; Candolin e.a., punt 19, en Carvalho Ferreira Santos, punt 30).

35      In afwijking van die verplichting bepaalt artikel 2, lid 1, tweede alinea, van de Tweede richtlijn weliswaar dat de verzekeraar in bepaalde gevallen wel kan weigeren de schade te vergoeden, gelet op de situatie die de slachtoffers zelf hebben geschapen, namelijk in geval van personen die geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer de verzekeraar kan bewijzen dat zij wisten dat het gestolen was (reeds aangehaalde arresten Ruiz Bernáldez, punt 21, en Candolin e.a., punt 20). Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, kan evenwel uitsluitend in dat specifieke geval worden afgeweken van artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de Tweede richtlijn (zie in die zin arrest Candolin e.a., reeds aangehaald, punt 23).

36      Derhalve moeten artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de voor de verzekeraar geldende verplichting tot schadeloosstelling van een passagier die slachtoffer is van een verkeersongeval, automatisch wordt uitgesloten op de grond dat die passagier verzekerd was voor het besturen van het voertuig dat de door hem geleden schade heeft veroorzaakt, en dat de bestuurder dat niet was.

37      In dit verband stelt de verwijzende rechter het Hof ook de vraag of de door de verzekerde aan een onverzekerde bestuurder verleende machtiging om te rijden in omstandigheden als die in de hoofdgedingen, een „uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging” in de zin van artikel 2, lid 1, eerste streepje, van de Tweede richtlijn is. Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, stelt de verwijzende rechter deze vraag om te vernemen of wettelijke bepalingen of contractuele clausules waardoor de verzekeringsdekking wordt uitgesloten ingeval het voertuig wordt bestuurd door personen die door de verzekeraar niet uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn gemachtigd, aan het slachtoffer kunnen worden tegengeworpen.

38      Dat argument kan niet worden aanvaard. Ook al zou met de „uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging” slechts de door de verzekerde verleende machtiging worden bedoeld, dan nog betekent dat geenszins dat een clausule waardoor de dekking wordt uitgesloten ingeval het voertuig wordt bestuurd door personen die niet door de verzekeraar zijn gemachtigd, rechtsgeldig is en kan worden tegengeworpen aan een derde die slachtoffer is van een ongeval. Het enige geval waarin een benadeelde derde van de dekking kan worden uitgesloten, is immers het in artikel 2, lid 1, tweede alinea, van de Tweede richtlijn bedoelde geval. Vaststaat evenwel dat een dergelijk geval in casu niet aan de orde is.

39      Voorts wenst de verwijzende rechter ook te vernemen of de omstandigheid dat volgens artikel 1, lid 4, derde alinea, van de Tweede richtlijn de lidstaten van vergoeding door het nationale orgaan kunnen uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer dat orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat de bestuurder en het voertuig niet verzekerd waren, van belang is voor het antwoord op de eerste vraag.

40      Dienaangaande moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat de situatie waarin het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, werd bestuurd door een daarvoor onverzekerde persoon, terwijl er verder een bestuurder was die verzekerd was om dat voertuig te besturen, en de in artikel 1, lid 4, derde alinea, van de Tweede richtlijn bedoelde situatie waarin het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt niet door een verzekering is gedekt, geen identieke of vergelijkbare situaties zijn. Dat een voertuig wordt bestuurd door een persoon die niet geregistreerd staat in de desbetreffende verzekeringspolis betekent, met name gelet op de met de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn nagestreefde doelstelling slachtoffers van verkeersongevallen te beschermen, immers niet dat een dergelijk voertuig niet verzekerd is in de zin van die bepaling.

41      In de tweede plaats is, zoals de Commissie heeft opgemerkt, vergoeding door het nationale orgaan opgevat als een allerlaatste middel, uitsluitend voor het geval de schade is veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of door een voertuig waarvoor niet aan de in artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn bedoelde verzekeringsplicht is voldaan.

42      Dat verklaart waarom de Uniewetgever, ondanks de met de Unieregeling ter zake van de verplichte motorrijtuigenverzekering nagestreefde algemene doelstelling slachtoffers te beschermen, de lidstaten heeft toegestaan in een beperkt aantal gevallen vergoeding door dat orgaan uit te sluiten, met name voor degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer het orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat de bestuurder en het voertuig niet verzekerd waren.

43      Dat volgens artikel 1, lid 4, derde alinea, van de Tweede richtlijn de lidstaten van vergoeding door het nationale orgaan kunnen uitsluiten degenen die geheel vrijwillig plaats hebben genomen in het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, wanneer dat orgaan kan bewijzen dat zij wisten dat de bestuurder en het voertuig niet verzekerd waren, is in casu dus irrelevant voor de uitlegging van artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn.

44      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de voor de verzekeraar geldende verplichting tot schadeloosstelling van een slachtoffer van een verkeersongeval automatisch wordt uitgesloten wanneer dit ongeval door een niet door de polis gedekte bestuurder is veroorzaakt en het ten tijde van het ongeval als passagier meerijdende slachtoffer verzekerd was om dat voertuig te besturen en aan deze bestuurder toestemming had gegeven om dat voertuig te besturen.

 Tweede vraag

45      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het antwoord op de eerste vraag verschilt naargelang het verzekerde slachtoffer wist dat de persoon aan wie het toestemming had gegeven om het voertuig te besturen daarvoor niet verzekerd was, het veronderstelde dat deze persoon daarvoor verzekerd was, of het zich dat wel of niet had afgevraagd.

46      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de in artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn bedoelde motorrijtuigenverzekering alle slachtoffers, met uitzondering van de bestuurder van het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, schadeloos moet stellen, tenzij de feiten vallen onder een van de in de Eerste, de Tweede of de Derde richtlijn uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen.

47      Derhalve is de omstandigheid dat het verzekerde slachtoffer wist dat de persoon aan wie het toestemming had gegeven om het voertuig te besturen daarvoor niet verzekerd was, of dat het veronderstelde dat deze persoon daarvoor verzekerd was, dan wel dat het zich dat wel of niet had afgevraagd, irrelevant voor het antwoord op de eerste vraag.

48      Dat betekent evenwel niet dat de lidstaten daarmee geen rekening kunnen houden in het kader van hun wettelijke-aansprakelijkheidsregeling. Voorwaarde is wel dat bij de uitoefening van hun bevoegdheden op dit gebied het Unierecht en in het bijzonder artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn en artikel 1 van de Derde richtlijn worden nageleefd, en dat die nationale regeling niet tot gevolg heeft dat deze richtlijnen hun nuttige werking wordt ontnomen (reeds aangehaalde arresten Ruiz Bernáldez, punt 19; Candolin e.a., punten 27 en 28; Farrell, punt 34, en Carvalho Ferreira Santos, punten 35 en 36, en arrest van 9 juni 2011, Ambrósio Lavrador en Olival Ferreira Bonifácio, C‑409/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).

49      Een nationale regeling mag dus niet aan de hand van algemene en abstracte criteria het recht van de passagier op schadeloosstelling door de verplichte motorrijtuigenverzekering weigeren of op onevenredige wijze beperken, louter op de grond dat deze passagier tot de schade heeft bijgedragen. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan de omvang van de schadevergoeding op basis van een individuele beoordeling worden beperkt (reeds aangehaalde arresten Candolin e.a., punten 29, 30 en 35; Farrell, punt 35; Carvalho Ferreira Santos, punt 38, en Ambrósio Lavrador en Olival Ferreira Bonifácio, punt 29).

50      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het antwoord op de eerste vraag niet verschilt naargelang het verzekerde slachtoffer wist dat de persoon aan wie het toestemming had gegeven om het voertuig te besturen daarvoor niet verzekerd was, het veronderstelde dat deze persoon daarvoor verzekerd was, of het zich dat wel of niet had afgevraagd.

 Kosten

51      Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de voor de verzekeraar geldende verplichting tot schadeloosstelling van een slachtoffer van een verkeersongeval automatisch wordt uitgesloten wanneer dit ongeval door een niet door de polis gedekte bestuurder is veroorzaakt en het ten tijde van het ongeval als passagier meerijdende slachtoffer verzekerd was om dat voertuig te besturen en aan deze bestuurder toestemming had gegeven om dat voertuig te besturen.

2)      Het antwoord op de eerste vraag verschilt niet naargelang het verzekerde slachtoffer wist dat de persoon aan wie het toestemming had gegeven om het voertuig te besturen daarvoor niet verzekerd was, het veronderstelde dat deze persoon daarvoor verzekerd was, of het zich dat wel of niet had afgevraagd.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.