CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 5 juni 2008 ( 1 )
Zaak C-121/07
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Franse Republiek
„Niet-nakoming — Richtlijn 2001/18/EG — Doelbewuste introductie in milieu en in handel brengen van ggo’s — Arrest van Hof waarin niet-nakoming wordt vastgesteld — Niet-uitvoering — Artikel 228 EG — Uitvoering in loop van geding — Financiële sancties”
I — Inleiding
|
1. |
De onderhavige procedure is door de Commissie krachtens artikel 228 EG ingesteld. De Commissie concludeert dat de Franse Republiek het arrest van het Hof van 15 juli 2004 in zaak C-419/03, Commissie/Frankrijk ( 2 ), niet heeft uitgevoerd. De Commissie heeft oorspronkelijk verzocht de Franse Republiek te gelasten een dwangsom te betalen van 366744 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-419/03, te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot de dag waarop het arrest in zaak C-419/03 volledig zal zijn uitgevoerd. De Commissie verzoekt bovendien de Franse Republiek te gelasten een forfaitaire som te betalen. |
|
2. |
In zijn arrest in zaak C-419/03 heeft het Hof geoordeeld dat de Franse Republiek, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting in haar nationaal recht van de bepalingen van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad ( 3 ), die afwijken van of verder gaan dan die van richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu ( 4 ), de krachtens richtlijn 2001/18 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. |
|
3. |
Richtlijn 2001/18 beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten en de bescherming van de volksgezondheid en het milieu bij de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: „GGO’s”) in het milieu voor andere doeleinden dan het in de handel brengen in de Gemeenschap en bij het in de handel brengen in de Gemeenschap van GGO’s als product of in producten. ( 5 ) |
II — Rechtskader
A — Richtlijn 2001/18
|
4. |
Artikel 8 van richtlijn 2001/18, met het opschrift „Procedure voor wijzigingen en nieuwe informatie”, bepaalt: „1. Indien er nadat de bevoegde instantie schriftelijk toestemming heeft verleend sprake is van een wijziging of onbedoelde verandering in de doelbewuste introductie van een GGO of een combinatie van GGO’s, die gevolgen kan hebben voor de risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu, of indien nieuwe informatie over die risico’s aan het licht komt hetzij tijdens de bestudering van de kennisgeving door de bevoegde instantie van een lidstaat hetzij nadat die instantie schriftelijke toestemming heeft gegeven, dient de kennisgever onmiddellijk:
2. Indien de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie de beschikking krijgt over informatie die significante gevolgen kan hebben aangaande de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu, of onder de in lid 1 genoemde omstandigheden, evalueert de bevoegde instantie die informatie en stelt zij die voor het publiek beschikbaar. Zij kan de kennisgever ertoe verplichten de omstandigheden van de doelbewuste introductie te wijzigen of deze op te schorten dan wel te beëindigen, en informeert het publiek daarover.” |
|
5. |
Artikel 19 van richtlijn 2001/18, met het opschrift „Toestemming”, bepaalt: „1. Onverminderd de voorschriften uit hoofde van andere communautaire wetgeving en uitsluitend indien schriftelijke toestemming voor het in de handel brengen van een GGO als product of in een product is verleend, kan dat product zonder verdere kennisgeving in de gehele Gemeenschap worden gebruikt […] 2. De kennisgever mag het product pas in de handel brengen wanneer hij de schriftelijke toestemming van de bevoegde instantie overeenkomstig de artikelen 15, 17 en 18 heeft verkregen, en neemt de aan die toestemming verbonden voorwaarden in acht. […]” |
|
6. |
Artikel 23, lid 1, van richtlijn 2001/18, met het opschrift „Vrijwaringsclausule”, bepaalt: „Wanneer een lidstaat op grond van na de datum van de toestemming beschikbaar gekomen nieuwe of nadere informatie die gevolgen heeft voor de milieurisicobeoordeling of op grond van een herbeoordeling van de bestaande informatie aan de hand van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis duidelijke redenen heeft om aan te nemen dat een GGO als product of in een product, waarvoor overeenkomstig deze richtlijn naar behoren een kennisgeving is ingediend en schriftelijk toestemming is verleend, gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of het milieu, kan die lidstaat het gebruik en/of de verkoop van dat GGO als product of in een product op zijn grondgebied tijdelijk beperken of verbieden. De lidstaat draagt er zorg voor dat in geval van een ernstig risico noodmaatregelen worden getroffen, zoals de onderbreking of beëindiging van het in de handel brengen, met inbegrip van voorlichting van het publiek. De lidstaat stelt de Commissie en de andere lidstaten onverwijld in kennis van de krachtens dit artikel genomen maatregelen en motiveert dat besluit, met bijvoeging van de nieuwe milieurisicobeoordeling waarin vermeld is of en hoe de voorwaarden van de toestemming moeten worden aangepast dan wel of de toestemming moet worden ingetrokken, en waar nodig de nieuwe of bijkomende informatie waarop het besluit gebaseerd is.” |
|
7. |
Artikel 34 van richtlijn 2001/18 bepaalt: „1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 17 oktober 2002 aan deze richtlijn te voldoen. […]” |
|
8. |
Artikel 36 van richtlijn 2001/18 bepaalt: „1. Richtlijn 90/220/EEG wordt per 17 oktober 2002 ingetrokken. 2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn worden gelezen als verwijzingen naar deze richtlijn overeenkomstig de concordantietabel in bijlage VIII.” |
B — Nationale wetgeving
|
9. |
Artikel L.533-6 van de Franse milieuwet (hierna: „de wet”) bepaalt: „De door de andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig richtlijn 90/220/EEG van 23 april 1990 verleende toestemming, krachtens door deze staten of andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte toegepaste wetten, wordt beschouwd als toestemming krachtens dit hoofdstuk. Wanneer er echter gegronde redenen zijn om te aan te nemen dat een product, waarvoor door een andere lidstaat of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst, toestemming is verleend, gevaar oplevert voor de volksgezondheid of het milieu, kan de bevoegde instantie het gebruik of het in de handel brengen van dit product tijdelijk beperken of verbieden.” |
|
10. |
Artikel L.535-2 van de wet, dat is opgenomen in hoofdstuk V van titel III van de wet, bepaalt:
|
|
11. |
Artikel L.537-1 van de wet, dat zich bevindt in titel III daarvan, bepaalt: „De maatregelen voor de toepassing van de hoofdstukken III, V en VI van deze titel worden vastgesteld bij in de Conseil d’État overlegd besluit.” |
|
12. |
Artikel 16 van besluit nr. 2007-358 van 19 maart 2007 inzake de doelbewuste introductie voor andere doeleinden dan het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan, bepaalt: „Indien de bevoegde instantie beschikt over nieuwe informatie die significante gevolgen zou kunnen hebben aangaande de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu, zal deze instantie de risico’s opnieuw evalueren en stelt zij de nieuwe informatie voor het publiek beschikbaar. In overeenstemming met artikel L.535-6 van de [wet], kan de bevoegde instantie de voor de doelbewuste introductie verantwoordelijke persoon verplichten de omstandigheden van de doelbewuste introductie te wijzigen, of deze op te schorten dan wel te beëindigen, en het publiek daarover te informeren.” |
|
13. |
Artikel 16 van besluit nr. 2007-359 van 19 maart 2007 inzake de toestemmingsprocedure voor het in de handel brengen van producten die niet voor consumptie zijn bestemd en geheel of gedeeltelijk uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan, bepaalt: „De bevoegde instantie zal de in lid 1 van artikel L.535-2 van de [wet] voorziene maatregelen op tijdelijke basis vaststellen. In geval van een ernstig risico zullen deze maatregelen met spoed worden vastgesteld en het publiek zal op passende wijze worden geïnformeerd. De bevoegde instantie zal de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten in kennis stellen van de genomen maatregelen en de motivering van dat besluit, met bijvoeging van de nieuwe milieurisicobeoordeling waarin vermeld is of en hoe de voorwaarden van de toestemming moeten worden aangepast dan wel of de toestemming moet worden ingetrokken, en waar nodig de nieuwe of bijkomende informatie waarop het besluit gebaseerd is.” |
III — Achtergrond van het geschil
A — Arrest in zaak C-419/03
|
14. |
Punt 1 van het dictum van het arrest in zaak C-419/03 bepaalt: „Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de omzetting in haar nationaal recht van de bepalingen van richtlijn 2001/18/EG […], die afwijken van of verder gaan dan die van richtlijn 90/220/EEG […], is de Franse Republiek de krachtens richtlijn 2001/18 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.” |
B — Precontentieuze procedure
|
15. |
Op 5 november 2004 heeft de Commissie de Franse autoriteiten verzocht haar te informeren omtrent de door de Franse Republiek vastgestelde maatregelen ter uitvoering van het arrest in zaak C-419/03. Op 4 februari 2005 hebben de Franse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat er een parlementaire enquête naar de feiten omtrent GGO’s was ingesteld en dat de Franse Republiek voornemens was, richtlijn 2001/18 na afronding van deze enquête om te zetten. Op 21 februari 2005 hebben de Franse autoriteiten besluit 2005-51 van 26 januari 2005 aan de Commissie toegezonden. De Franse autoriteiten waren van mening dat het betrokken besluit bijdroeg aan de omzetting van richtlijn 2001/18. |
|
16. |
Op 13 juli 2005 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 228 EG aan de Franse Republiek een aanmaningsbrief gezonden, waarin zij deze lidstaat informeerde dat de vastgestelde maatregelen niet volstonden ter uitvoering van het arrest in zaak C-419/03. De Commissie heeft erop gewezen dat geldboetes zouden kunnen worden opgelegd wegens het verzuim om zich naar een arrest van het Hof te voegen en heeft de Franse Republiek een termijn van twee maanden gesteld om alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van genoemd arrest. Niet tevreden met het op 22 september 2005 door de Franse Republiek verstrekte antwoord, heeft de Commissie de Franse Republiek op 19 december 2005 een met redenen omkleed advies gezonden waarin zij heeft gesteld dat deze lidstaat, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest in zaak C-419/03, de krachtens artikel 228, lid 1, EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. De Commissie heeft de Franse Republiek verzocht binnen een termijn van twee maanden na ontvangst ervan, te voldoen aan dat met redenen omkleed advies. |
|
17. |
Op 20 februari 2006 hebben de Franse autoriteiten aan de Commissie de tekst van een wetsontwerp toegezonden, dat was bedoeld ter omzetting van richtlijn 2001/18 en dat naar verwachting zou worden aangenomen aan het eind van het tweede kwartaal van 2006. Op 8 mei 2006 hebben de Franse autoriteiten de Commissie geïnformeerd dat het wetsontwerp op 23 maart 2006 door de Senaat was goedgekeurd en op 24 maart 2006 naar de Nationale Vergadering (Assemblée nationale) was gezonden. Van mening dat de Franse Republiek nog steeds geen uitvoering hadden gegeven aan het arrest in zaak C-419/03, heeft de Commissie op 28 februari 2007 het onderhavige beroep ingesteld. |
IV — Procedure voor het Hof en ontwikkelingen gedurende de onderhavige procedure
|
18. |
In haar verzoekschrift concludeert de Commissie dat het het Hof behage:
|
|
19. |
De Franse regering concludeert dat het het Hof behage: „vast te stellen dat de Franse Republiek de in het arrest van 15 juli 2004 vastgestelde inbreuk heeft beëindigd, en bijgevolg de vorderingen van de Commissie, dat de Franse Republiek wordt gelast om een dwangsom en een forfaitaire som te betalen, af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten. Mocht het Hof echter van oordeel zijn dat de Franse Republiek een forfaitaire som moet betalen, dan verzoekt deze lidstaat het Hof de omstandigheden van het onderhavige geval in aanmerking te nemen, die het Hof ertoe zouden moeten brengen om een veel lager bedrag vast te stellen dan door de Commissie wordt gevorderd.” |
|
20. |
Bij beschikking van de president van het Hof van 27 september 2007 is de Tsjechische Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Franse Republiek. De Tsjechische Republiek heeft in de onderhavige procedure geen schriftelijke of mondelinge opmerkingen ingediend. |
|
21. |
Bij brief van 20 maart 2007 hebben de Franse autoriteiten de Commissie geïnformeerd dat er op die datum drie besluiten en drie beschikkingen in het Publicatieblad (Journal officiel) van de Franse Republiek waren bekendgemaakt teneinde richtlijn 2001/18 om te zetten. De betrokken besluiten en beschikkingen zijn bijgevoegd bij het verweerschrift van de Franse Republiek in de onderhavige procedure. |
|
22. |
In haar verweerschrift en ter terechtzitting heeft de Franse regering erkend dat zij op het tijdstip van nederlegging van het verzoekschrift in de onderhavige procedure, nog niet alle maatregelen had getroffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest in zaak C-419/03. |
|
23. |
In repliek heeft de Commissie gesteld dat, ondanks de omzetting van veel bepalingen van richtlijn 2001/18 bij de in punt 21 hierboven vermelde besluiten en beschikkingen, de artikelen 8, lid 2, 17, leden 1, 2 en 9, 19 en 23 van deze richtlijn nog moeten worden omgezet. De Commissie concludeert derhalve in repliek dat het het Hof behage:
|
|
24. |
Ter terechtzitting van 12 maart 2008, waar de Commissie en de Franse regering mondelinge opmerkingen hebben gemaakt, heeft de Commissie gesteld dat artikel 17, leden 1, 2 en 9, van richtlijn 2001/18 door de Franse Republiek naar behoren was omgezet. |
V — Niet-nakoming
|
25. |
Volgens vaste rechtspraak is de referentiedatum voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een niet-nakoming van verplichtingen krachtens artikel 228 EG, de datum waarop de in het ingevolge deze bepaling uitgebrachte met redenen omkleed advies gestelde termijn is verstreken. ( 7 ) In de onderhavige zaak staat vast dat de Franse Republiek, op de datum waarop de termijn van het haar op 19 december 2005 gezonden met redenen omkleed advies is verstreken, nog niet alle maatregelen had getroffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof in zaak C-419/03. |
|
26. |
In het licht van het bovenstaande ben ik van mening dat de Franse Republiek, door na te laten alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de uitvoering van het arrest in zaak C-419/03 te waarborgen, de krachtens artikel 228, lid 1, EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. |
VI — Financiële sancties
A — Inleidende opmerkingen
|
27. |
Aangezien de Commissie onder meer verzoekt de Franse Republiek een dwangsom op te leggen, moet worden vastgesteld of de niet-nakoming heeft voortgeduurd tot het onderzoek van de feiten door het Hof. ( 8 ) Het is derhalve noodzakelijk om te onderzoeken of de Franse Republiek heeft volhard in haar nalatigheid om artikel 8, lid 2, artikel 19 en artikel 23 van richtlijn 2001/18 om te zetten. |
B — Mate van verzuim bij de uitvoering van het arrest in zaak C-419/03
1. Argumenten van partijen
|
28. |
De Commissie voert aan dat de Franse autoriteiten, gedurende de precontentieuze procedure in de onderhavige zaak, hebben gesteld dat sommige bepalingen van richtlijn 2001/18 eerder bij wet dan bij bestuursrechtelijke maatregel moesten worden omgezet. De Commissie voert eveneens aan dat de artikelen L.531-1 tot en met L.537-1 van de wet de op GGO’s toepasselijke regeling vaststellen en wel degelijk zijn opgenomen in het wetgevend gedeelte van de wet. De Commissie is van mening dat de Franse regering heeft nagelaten, in haar verweerschrift aan te geven waarom het vervolgens mogelijk was om richtlijn 2001/18 bij bestuursrechtelijke maatregel om te zetten in plaats van bij wet, en stelt dat de Franse regering deze wijziging in benadering moet rechtvaardigen. |
|
29. |
De Commissie betoogt dat de Franse autoriteiten hebben nagelaten artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 naar behoren om te zetten. Zij voert aan dat artikel L.535-2 van de wet, dat niet is gewijzigd en los van enige uitvoeringsmaatregel, met inbegrip van met name artikel 16 van besluit nr. 2007-358, in werking treedt, aan de bevoegde instantie veel ruimere bevoegdheden tot interventie verleent dan artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18. Waar artikel L.535-2 van de wet de bevoegde instantie de bevoegdheid verleent om de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 bedoelde maatregelen vast te stellen, kunnen deze maatregelen in de eerste plaats worden vastgesteld zonder het publiek daarover te informeren, en in de tweede plaats op basis van een eenvoudige nieuwe evaluatie van de risico’s, in plaats van op basis van informatie die significante gevolgen kan hebben aangaande de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu, zoals artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 bepaalt. |
|
30. |
De Commissie voert aan dat de Franse autoriteiten hebben verzuimd om artikel 19 van richtlijn 2001/18, dat de voorwaarden vaststelt waaronder GGO’s in de gehele Gemeenschap kunnen worden gebruikt, volledig en naar behoren om te zetten. Volgens haar verwijst artikel L.533-6 van de wet specifiek naar toestemmingen die door de andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 90/220 zijn verleend, en verzuimt het derhalve toestemmingen in aanmerking te nemen die door andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 2001/18 zijn verleend. |
|
31. |
De Commissie is van mening dat de Franse autoriteiten hebben nagelaten om de vrijwaringsclausule van artikel 23 van richtlijn 2001/18, die een lidstaat in staat stelt om onder bepaalde voorwaarden tijdelijk het gebruik en/of de verkoop van GGO’s op zijn grondgebied te beperken of te verbieden, naar behoren om te zetten. Zij benadrukt het feit dat, om een beroep te kunnen doen op de vrijwaringsclausule van artikel 23 van richtlijn 2001/18, er na de datum van de toestemming nieuwe of nadere informatie beschikbaar moet zijn, of nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis die een herbeoordeling van de bestaande informatie vereist. De Commissie voert aan dat de overeenkomstige Franse wettelijke bepalingen een veel ruimere reikwijdte hebben dan artikel 23 van richtlijn 2001/18. Aldus staat artikel L.533-6 van de wet, dat betrekking heeft op door andere lidstaten verleende toestemmingen, toe het gebruik of het in de handel brengen van producten te beperken of te verbieden op basis van „gegronde redenen”. Artikel L.535-2 van de wet, dat betrekking heeft op door de bevoegde Franse instantie verleende toestemmingen, staat de bevoegde instantie toe in „elk geval waar een nieuwe evaluatie van de door de aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen veroorzaakte risico’s voor de volksgezondheid of het milieu dat rechtvaardigt”, een toestemming te schorsen, wijzigingen van de voorwaarden voor de toestemming tot doelbewuste introductie op te leggen, een toestemming in te trekken of, onder andere, de vernietiging van GGO’s te gelasten. Bovendien staat artikel 16 van besluit nr. 2007-359 een nieuwe evaluatie van de milieurisico’s toe, wanneer er geen nieuwe of nadere informatie en geen nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis beschikbaar is. |
|
32. |
De Franse regering voert aan dat, overeenkomstig artikel 34, lid 1, van richtlijn 2001/18 en artikel 249 EG, de keuze om een richtlijn om te zetten door de vaststelling van wetgeving of bestuursrechtelijke maatregelen, een zaak is van de nationale rechtsorde van elke lidstaat. Volgens haar was de Conseil constitutionnel van oordeel dat een wet die bepalingen van bestuursrechtelijke aard bevat, niet in strijd is met de Grondwet. Bovendien zijn besluit nr. 2007-358 en besluit nr. 2007-359 vastgesteld na — en in overeenstemming met — een advies van de Conseil d’État. |
|
33. |
De Franse regering is van mening dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 naar behoren is omgezet door artikel 16 van besluit nr. 2007-358, dat overeenkomstig artikel L.537-1 van de wet de voorwaarden vaststelt waaronder artikel L.535-2 van de wet moet worden toegepast. Artikel 16 van besluit nr. 2007-358 bepaalt, in overeenstemming met de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 vastgestelde voorwaarden, dat indien de bevoegde instantie over nieuwe informatie beschikt die significante gevolgen zou kunnen hebben aangaande de risico’s voor de volksgezondheid en het milieu, deze instantie de risico’s opnieuw zal evalueren en de nieuwe informatie voor het publiek beschikbaar zal stellen. In dergelijke omstandigheden kan de betrokken instantie, overeenkomstig artikel L.535-2 van de wet, de voorwaarden voor de introductie wijzigen, of deze opschorten dan wel beëindigen, en het publiek daarover informeren. |
|
34. |
De Franse regering stelt dat artikel 19 van richtlijn 2001/18 naar behoren is omgezet. Ofschoon artikel L.533-6 van de wet betrekking heeft op de erkenning van toestemmingen die door andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 90/220 zijn verleend, moet dat artikel aldus worden uitgelegd dat het eveneens betrekking heeft op richtlijn 2001/18, aangezien artikel 36 van richtlijn 2001/18 bepaalt dat verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn 90/220 moeten worden gelezen als verwijzingen naar richtlijn 2001/18. Bovendien moet de nationale rechter krachtens de Franse rechtspraak, wanneer een bestuursrechtelijke handeling verwijst naar een ingetrokken wet die is vervangen door een wet met hetzelfde voorwerp, de verwijzing naar de eerste wet vervangen door een verwijzing naar de tweede. Daarenboven zijn bestuursorganen, ingevolge de rechtspraak van de Conseil d’État, verplicht om nationale wetgeving overeenkomstig communautaire richtlijnen uit te leggen. De Franse regering stelt eveneens dat een aantal door andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 2001/18 verleende toestemmingen, in Frankrijk zijn erkend. |
|
35. |
De Franse regering is ook van mening dat artikel 23 van richtlijn 2001/18 naar behoren is omgezet. Zij beweert dat er, anders dan de Commissie stelt, in de Franse wetgeving geen twee vrijwaringsclausules bestaan. Zij betoogt dat artikel L.533-6 van de wet de bevoegde instantie enkel de bevoegdheid toekent om een door een andere lidstaat verleende toestemming te schorsen, terwijl artikel L.535-2 de voorwaarden vaststelt waaronder een dergelijke schorsing mag worden opgelegd met betrekking tot door de Franse instanties overeenkomstig artikel L.533-5 van de wet dan wel door andere lidstaten verleende toestemmingen. Bovendien is de Franse regering van mening dat de Commissie ten onrechte meent dat artikel L.535-2 van de wet een te ruime reikwijdte heeft. Hoewel artikel L.535-2 niet vereist dat er een nieuwe evaluatie plaats moet vinden op grond van nieuwe of nadere informatie of op grond van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis, is de Franse regering van mening dat bij het ontbreken van dergelijke informatie het resultaat van de nieuwe evaluatie niet kan verschillen van de oorspronkelijke evaluatie, op grond waarvan toestemming was verleend. Met betrekking tot artikel 16 van besluit nr. 2007-359 is de Franse regering van mening, dat deze bepaling de bij artikel 23 van richtlijn 2001/18 opgelegde verplichting inhoudt om de Commissie en de andere lidstaten in kennis te stellen van de genomen maatregelen en de motivering van dat besluit, met bijvoeging van de nieuwe milieurisicobeoordeling waarin vermeld is of en hoe de voorwaarden van de toestemming moeten worden aangepast dan wel of de toestemming moet worden ingetrokken, en waar nodig de nieuwe of bijkomende informatie waarop het besluit gebaseerd is. |
2. Beoordeling
|
36. |
Volgens vaste rechtspraak kan een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen. ( 9 ) Ik ben derhalve van mening dat de door de Franse regering in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen aangevoerde argumenten omtrent de ondervonden interne problemen bij de vaststelling van wetgeving inzake GGO’s niet kunnen worden aanvaard ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van het gemeenschapsrecht, en met name van de onjuiste omzetting van richtlijn 2001/18 en de niet-uitvoering van het arrest van het Hof in zaak C-419/03. |
|
37. |
In haar opmerkingen stelt de Commissie dat de Franse regering duidelijk moet maken waarom zij van mening is dat de vaststelling van bestuursrechtelijke maatregelen een toereikende omzetting van richtlijn 2001/18 vormt, aangezien zij eerder van mening was dat deze richtlijn zou moeten worden omgezet bij zowel wet als bij bestuursrechtelijke maatregel. |
|
38. |
Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van een richtlijn worden uitgevoerd met een onbetwistbare dwingende kracht en met de vereiste specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid. ( 10 ) De bepalingen ter omzetting van een richtlijn moeten derhalve een wettelijke situatie scheppen die voldoende duidelijk, nauwkeurig en transparant is, zodat particulieren al hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en ze zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden. ( 11 ) |
|
39. |
Bovendien is het volgens vaste rechtspraak aan de Commissie om in het kader van een procedure krachtens artikel 228 EG, het Hof de gegevens te verschaffen die noodzakelijk zijn om te bepalen, in hoeverre een lidstaat een niet-nakomingsarrest heeft uitgevoerd. ( 12 ) Daarenboven is het, wanneer de Commissie voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd waaruit blijkt dat de niet-nakoming voortduurt, aan de betrokken lidstaat om de aangevoerde gegevens en de gevolgen daarvan substantieel en in detail te betwisten. ( 13 ) |
|
40. |
Naar mijn mening zijn de algemene opmerkingen van de Commissie met betrekking tot de keuze van het door de Franse autoriteiten gebruikte wettelijk instrument om richtlijn 2001/18 om te zetten, op zichzelf niet voldoende om vast te stellen dat deze omzetting overeenkomstig de in punt 38 uiteengezette rechtspraak ondeugdelijk was en dat de Franse Republiek derhalve het arrest van het Hof in zaak C-419/03 niet heeft uitgevoerd. Bovendien ben ik niet van mening dat de Commissie in de loop van de onderhavige procedure voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd, buiten de gestelde gewijzigde benadering van de Franse regering met betrekking tot de keuze van het wettelijk instrument ter omzetting van richtlijn 2001/18, om van deze regering een gedetailleerde rechtvaardiging te eisen omtrent de vraag waarom de vaststelling van bestuursrechtelijke maatregelen, eerder dan wetgeving, volstaat ter omzetting van richtlijn 2001/18. Het lijkt mij derhalve noodzakelijk, de door de Commissie aangevoerde stellingen te onderzoeken omtrent de ontoereikende omzetting naar Frans recht van specifieke bepalingen van richtlijn 2001/18. |
|
41. |
Met betrekking tot de gestelde nalatigheid van de Franse autoriteiten om artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 naar behoren om te zetten, ben ik van mening dat de Commissie heeft aangetoond dat artikel L.535-2 van de wet, dat ongetwijfeld een ruimere reikwijdte heeft dan artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18, niet duidelijk wordt beperkt door de restrictievere bewoordingen van artikel 16 van besluit nr. 2007-358. |
|
42. |
Hoewel artikel L.537-1 van de wet bepaalt dat maatregelen voor de toepassing van, onder andere, het hoofdstuk van de wet dat artikel L.535-2 bevat, worden vastgesteld bij besluit, en artikel 16 van besluit nr. 2007-358 in feite veel van de bewoordingen van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 herhaalt en inderdaad specifiek verwijst naar artikel L.535-2 van de wet, ben ik er, bij lezing van de betrokken bepalingen en in het licht van de argumenten van partijen, niet van overtuigd dat artikel 16 van besluit nr. 2007-358 artikel L.535-2 van de wet noodzakelijkerwijs inperkt en dat artikel L.535-2 van de wet derhalve niet volledig en onafhankelijk van de bewoordingen van artikel 16 van besluit nr. 2007-358 kan worden toegepast. Ondanks de restrictieve bewoordingen van artikel 16 van besluit nr. 2007-358, ben ik derhalve niet van mening dat artikel 8, lid 2, van richtlijn 2001/18 is uitgevoerd met voldoende duidelijkheid, zekerheid en dwingende kracht. |
|
43. |
Ik ben eveneens van mening dat de Franse Republiek heeft verzuimd om artikel 19 van richtlijn 2001/18 naar behoren om te zetten, aangezien de Franse wet door andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 2001/18 verleende toestemmingen niet uitdrukkelijk erkent. Het ontbreken van een specifieke bepaling die dergelijke toestemmingen erkent, brengt wat zo een erkenning betreft naar mijn mening enige rechtsonzekerheid met zich. Het feit dat artikel L.533-6 van de wet betrekking heeft op de erkenning van overeenkomstig richtlijn 90/220 verleende toestemmingen en dat artikel 36 van richtlijn 2001/18 bepaalt dat verwijzingen naar richtlijn 90/220 moeten worden gelezen als verwijzingen naar richtlijn 2001/18, volstaat niet om het ontbreken te helen van een specifieke bepaling van Frans recht met betrekking tot de erkenning van overeenkomstig richtlijn 2001/18 verleende toestemmingen. Daarenboven heeft de Franse regering naar mijn mening niet aangetoond dat volgens de Franse rechtspraak een verwijzing in nationale wetgeving of een bestuursrechtelijke tekst naar een richtlijn, die vervolgens is ingetrokken en vervangen door een andere richtlijn met hetzelfde voorwerp, zal worden vervangen door een verwijzing naar de laatstgenoemde richtlijn. Bovendien is het feit dat, volgens de Franse rechtspraak, administratieve bestuursorganen verplicht zijn om nationale wetgeving overeenkomstig communautaire richtlijnen uit te leggen ( 14 ), en dat door andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 2001/18 verleende vergunningen in feite in Frankrijk zijn erkend, niet voldoende om de rechtsonzekerheid met betrekking tot de erkenning van de betrokken toestemmingen weg te nemen, bij gebreke van een specifieke nationale bepaling daarover. |
|
44. |
Wat artikel 23 van richtlijn 2001/18 betreft, ben ik van mening dat de Franse Republiek heeft verzuimd om de eerste alinea van artikel 23, lid 1, op de juiste wijze om te zetten. ( 15 ) Krachtens de eerste alinea van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2001/18 kan een lidstaat enkel vrijwaringsmaatregelen vaststellen aangaande een GGO als product of in een product, waarvoor overeenkomstig richtlijn 2001/18 naar behoren een kennisgeving is ingediend en schriftelijk toestemming is verleend, wanneer de lidstaat op grond van na de datum van de toestemming beschikbaar gekomen nieuwe of nadere informatie of op grond van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis duidelijke redenen heeft om aan te nemen dat het GGO als product of in een product, gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens of het milieu. Ik ben echter met de Commissie van mening dat uit de lezing van artikel L.535-2 van de wet duidelijk blijkt dat overeenkomstig dat artikel onder veel minder stringente omstandigheden door de nationale bevoegde instanties vrijwaringsmaatregelen kunnen worden vastgesteld, namelijk wanneer een nieuwe evaluatie van de risico’s voor de gezondheid van de mens of het milieu die worden veroorzaakt door de aanwezigheid van GGO’s, dat rechtvaardigt. Ik ben dus niet overtuigd door de stelling van de Franse regering, dat een dergelijke nieuwe evaluatie in feite enkel kan plaatsvinden op grond van nieuwe of nadere informatie of op grond van nieuwe of nadere wetenschappelijke kennis. |
|
45. |
Ik ben derhalve van mening dat op de datum van de terechtzitting in de onderhavige procedure, de Franse Republiek had verzuimd om artikel 8, lid 2, artikel 19 en de eerste alinea van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2001/18 naar behoren om te zetten en bijgevolg om het arrest van het Hof in zaak C-419/03 volledig uit te voeren. |
C — Dwangsom
1. Argumenten van partijen
|
46. |
De Commissie geeft, op basis van de berekeningsmethode die is vastgesteld in haar mededeling over de uitvoering van artikel 228 EG-Verdrag [SEC(2005) 1658; hierna: „mededeling van 2005”], in haar verzoekschrift het Hof in overweging om de Franse Republiek per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-419/03 een dwangsom van 366744 EUR op te leggen, vanaf de datum van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot de dag waarop het arrest in zaak C-419/03 volledig zal zijn uitgevoerd. Het bedrag van deze dwangsom wordt berekend door een forfaitair basisbedrag van 600 EUR te vermenigvuldigen met een coëfficiënt 10 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 20) voor de ernst van de inbreuk, een coëfficiënt 2,8 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 3) die overeenkomt met de 28 maanden die zijn verstreken tussen de uitspraak van het arrest in zaak C-419/03 en 12 december 2006, de datum waarop de Commissie haar beslissing om een dwangsom op te leggen, heeft vastgesteld, en een coëfficiënt 21,83 die is berekend op basis van het Franse bruto binnenlands product en het aantal stemmen waarover deze lidstaat beschikt in de Raad van de Europese Unie, voor de financiële draagkracht van deze lidstaat. |
|
47. |
De Commissie is van mening dat richtlijn 2001/18 een wezenlijk onderdeel vormt van het communautaire rechtskader inzake de doelbewuste introductie en het in de handel brengen van GGO’s. Richtlijn 2001/18 beoogt de veilige en gecontroleerde ontwikkeling van de biotechnologie binnen de Gemeenschap te waarborgen, het vrije verkeer van GGO’s waarvoor overeenkomstig deze richtlijn toestemming is verleend, te garanderen en de volksgezondheid en het milieu te beschermen. Aan deze doelstellingen is afbreuk gedaan door de nalatigheid van de Franse Republiek om delen van deze richtlijn om te zetten. De Commissie is van mening dat de nalatigheid particuliere en publieke belangen treft en tot buiten de nationale grenzen gevolgen heeft. De Commissie is derhalve van mening dat de nalatigheid om delen van richtlijn 2001/18 om te zetten, tot ernstige rechtsonzekerheid op het gebied van GGO’s leidt en de belangen van producenten van GGO’s en het biotechnologisch onderzoek met betrekking tot GGO’s schaadt. Deze onzekerheid kan de Gemeenschap ook hinderen bij de internationale betrekkingen. |
|
48. |
De Franse regering is van mening dat richtlijn 2001/18 volledig is omgezet door de vaststelling van de maatregelen waarnaar in punt 21 is verwezen en dat het niet nodig is om een dwangsom op te leggen. |
2. Beoordeling
|
49. |
Wanneer het Hof oordeelt dat de Franse Republiek het arrest in zaak C-419/03 niet heeft uitgevoerd, kan het krachtens de derde alinea van artikel 228, lid 2, EG en in het licht van zijn arrest Commissie/Frankrijk (C-304/02) aan deze lidstaat een forfaitaire som of een dwangsom opleggen. Het is aan het Hof om per geval aan de hand van de omstandigheden van de zaak te beoordelen welke financiële sancties moeten worden opgelegd. ( 16 ) Wat dat betreft, kunnen de voorstellen van de Commissie met betrekking tot de financiële sancties het Hof niet binden en vormen zij louter een nuttige referentiebasis. Evenzo is de mededeling van 2005 niet bindend voor het Hof, maar draagt zij ertoe bij dat de doorzichtigheid, de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van het optreden van deze instelling wordt gewaarborgd. ( 17 ) |
|
50. |
De dwangsom moet aldus worden vastgesteld dat zij enerzijds in overeenstemming is met de omstandigheden en anderzijds evenredig is aan de vastgestelde inbreuk en aan de draagkracht van de betrokken lidstaat. Daarenboven zijn de basiscriteria die moeten worden gehanteerd om te verzekeren dat de dwangsom een dwingend karakter heeft met het oog op de eenvormige en effectieve toepassing van het gemeenschapsrecht, in beginsel de ernst van de inbreuk, de duur ervan en de financiële draagkracht van de lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de gevolgen van het niet-uitvoeren van het arrest voor de particuliere en de publieke belangen en met de spoed waarmee de betrokken lidstaat ertoe moet worden aangezet, zijn verplichtingen na te komen. ( 18 ) |
|
51. |
Met betrekking tot de ernst van de inbreuk in de onderhavige procedure, heeft de Commissie in haar verzoekschrift aanvankelijk een coëfficiënt 10 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 20) voorgesteld, op grond dat zij van mening was dat de Franse Republiek had nagelaten een groot aantal bepalingen van richtlijn 2001/18 volledig om te zetten. ( 19 ) Ik merk echter op, dat op de dag van de terechtzitting in deze procedure, de Commissie haar vordering enkel in verband met drie bepalingen van richtlijn 2001/18 heeft gehandhaafd. Het aanvankelijke voorstel van de Commissie met betrekking tot de ernst van de inbreuk in deze procedure, is naar mijn mening derhalve van beperkt belang en nut. |
|
52. |
Bij de beoordeling van de ernst van een inbreuk betreffende de nalatigheid om een richtlijn om te zetten, ben ik van mening dat het Hof niet alleen het algemene belang van de betrokken richtlijn binnen de rechtsorde van de Gemeenschap moet onderzoeken, maar ook bijzondere aandacht moet schenken aan de inhoud en het relatieve belang van de specifieke bepalingen van de richtlijn, die de lidstaat heeft nagelaten om te zetten. |
|
53. |
Overeenkomstig de vierde overweging van de considerans van richtlijn 2001/18, kunnen levende organismen die bij wijze van experiment of om commerciële redenen in het milieu worden geïntroduceerd, zich in het milieu voortplanten en nationale grenzen overschrijden. De gevolgen van zo een introductie in het milieu kunnen bovendien onomkeerbaar zijn. Richtlijn 2001/18 beoogt derhalve de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu en de zekerstelling van de veilige ontwikkeling van industriële producten waarbij GGO’s worden gebruikt, door het vaststellen van een alomvattend en doorzichtig wetgevingskader. ( 20 ) Daarenboven beoogt richtlijn 2001/18 de bescherming van de volksgezondheid en het milieu en de eerbiediging van de voorschriften van het aan het Verdrag inzake biodiversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid. ( 21 ) |
|
54. |
In repliek heeft de Commissie gesteld dat artikel 19 van richtlijn 2001/18, betreffende de communautaire dimensie van een overeenkomstig deze richtlijn verleende toestemming voor het in de handel brengen van een GGO als product of in een product, en artikel 23 van richtlijn 2001/18, dat een vrijwaringsclausule vaststelt, de „steunpilaren” van deze richtlijn vormen. Naar mijn mening wordt deze stelling onder andere bevestigd door de bewoordingen van de artikelen 19 en 23 van richtlijn 2001/18 en de zesenvijftigste overweging van de considerans van deze richtlijn. Artikel 19 van richtlijn 2001/18 voorziet in de wederzijdse erkenning in de gehele Gemeenschap van GGO’s als product of in een product, waarvoor overeenkomstig deze richtlijn toestemming is verleend, en artikel 23, met het opschrift „vrijwaringsclausule”, regelt en harmoniseert zeer nauwkeurig onder welke voorwaarden een lidstaat het gebruik en/of de verkoop van dat GGO als product of in een product op zijn grondgebied tijdelijk mag beperken of verbieden. De nalatigheid van de Franse Republiek om artikel 19 en de eerste alinea van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2001/18 naar behoren om te zetten, veroorzaakt naar mijn mening in die lidstaat aanzienlijke rechtsonzekerheid met betrekking tot fundamentele onderdelen van de bepalingen inzake het in de handel brengen en de beperking van GGO’s waarvoor overeenkomstig deze richtlijn toestemming is verleend, waardoor het vrije verkeer ervan in gevaar wordt gebracht. De rechtsonzekerheid die is veroorzaakt door de nalatigheid van de Franse Republiek om deze sleutelbepalingen van richtlijn 2001/18 om te zetten, is naar mijn mening bijzonder schadelijk, gelet op de onbetwistbare wetenschappelijke onzekerheid die GGO’s omgeeft. Ik ben van mening dat het door de Franse Republiek aangevoerde feit, dat deze lidstaat onder andere een van de leidende producenten van GGO’s binnen de Gemeenschap zou zijn of de door andere lidstaten overeenkomstig richtlijn 2001/18 verleende toestemmingen zou hebben erkend, de rechtsonzekerheid die is ontstaan door haar nalatigheid om richtlijn 2001/18 volledig om te zetten, niet heelt of wegneemt. |
|
55. |
Ik ben derhalve van mening dat een coëfficiënt 6 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 20) de ernst weergeeft van de nalatigheid van de Franse Republiek om artikel 8, lid 2, artikel 19 en de eerste alinea van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2001/18 om te zetten. |
|
56. |
Wat de coëfficiënt voor de duur van de inbreuk betreft, ben ik van mening dat het voorstel van de Commissie, dat die op 2,8 (op een gegradueerde schaal van 1 tot 3) moet worden vastgesteld op grond van een vertraging van 28 maanden, niet door het Hof moet worden overgenomen. Uit de documenten voor het Hof blijkt dat de door de Commissie voorgestelde coëfficiënt is berekend op basis van de tijd die is verstreken tussen de dag van de uitspraak van het arrest in zaak C-419/03 en 12 december 2006, de dag waarop de Commissie haar beslissing om een dwangsom voor te stellen, heeft genomen. Ik herinner er echter aan dat volgens de rechtspraak van het Hof, de duur van een inbreuk moet worden bepaald aan de hand van de tijd die is verlopen tussen de dag van de uitspraak van de eerste zaak, houdende vaststelling van een schending op basis van artikel 226 EG, en het tijdstip waarop het Hof de feiten beoordeelt in de daaropvolgende procedure krachtens artikel 228 EG. ( 22 ) |
|
57. |
Het is bovendien duidelijk dat de Commissie haar voorstel van een coëfficiënt van 2,8 heeft gebaseerd op punt 17 van de mededeling van 2005, dat bepaalt: „Naargelang van de duur van de inbreuk wordt op het forfaitaire basisbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van minimaal 1 tot maximaal 3 toegepast à raison van 0,10 per maand te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest op grond van artikel 226 [EG].” Ik ben van mening dat de betrokken bepaling van de mededeling van 2005 incoherent is en bijgevolg onuitvoerbaar, omdat zij voor de coëfficiënt voor de duur van de inbreuk een limiet of een plafond van 3 lijkt vast te stellen, ondanks het feit dat een inbreuk langer dan 30 maanden kan duren. Ik wil eveneens opmerken dat het Hof in het arrest Commissie/Frankrijk (C-177/04) heeft gesteld dat het niet is gebonden aan de in die zaak door de Commissie voorgestelde schaal van 1 tot 3. ( 23 ) |
|
58. |
In de onderhavige zaak zijn bijna vier jaar verlopen tussen het wijzen van het arrest in zaak C-419/03 op 15 juli 2004 en de terechtzitting op 12 maart 2008 in de onderhavige procedure. ( 24 ) Ik ben derhalve van mening dat, in het licht van de eerdere praktijk van het Hof, een coëfficiënt van 3 passender is om rekening te houden met de duur van de inbreuk in de onderhavige procedure. Ik merk dienaangaande op dat in het arrest Commissie/Frankrijk (C-177/04) een coëfficiënt van 3 voor de duur van de inbreuk is vastgesteld, voor een identieke vertraging van bijna vier jaar om communautaire wetgeving om te zetten. ( 25 ) Bovendien heeft het Hof in het arrest Commissie/Spanje erkend dat technische redenen die het moeilijk maken om het eerdere arrest van het Hof krachtens artikel 226 EG op korte termijn uit te voeren, in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van de coëfficiënt voor de duur van een inbreuk. ( 26 ) Naar mijn mening waren de interne problemen die de Franse Republiek heeft ondervonden bij de omzetting van richtlijn 2001/18, eerder van politieke dan van technische aard, zodat zij buiten beschouwing kunnen blijven bij de vaststelling van de coëfficiënt voor de duur van de inbreuk. |
|
59. |
Het voorstel van de Commissie om een basisbedrag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt op grond van het bruto binnenlands product van de betrokken lidstaat en het aantal stemmen waarover deze in de Raad beschikt, vormt in beginsel een passende wijze om de financiële draagkracht van deze lidstaat tot uitdrukking te brengen en tegelijk een redelijke differentiatie tussen de lidstaten te bereiken. ( 27 ) Ik acht het ook passend om in de onderhavige procedure de coëfficiënten voor de duur en de ernst van de inbreuk en voor de financiële draagkracht van de lidstaat, met een basisbedrag van 600 EUR te vermenigvuldigen, zoals is voorgesteld door de Commissie. ( 28 ) |
|
60. |
Gelet op al het voorgaande resulteert de vermenigvuldiging van het basisbedrag van 600 EUR met coëfficiënten, van 6 voor de ernst van de inbreuk, 3 voor de duur van deze inbreuk en 21,83 voor de financiële draagkracht van de Franse Republiek, in de onderhavige zaak in een totaalbedrag van 235764 EUR per dag vertraging. In een zaak zoals de onderhavige, betreffende de uitvoering van een arrest van het Hof die een wetswijziging impliceert, moet naar mijn mening worden gekozen voor een dwangsom op dagbasis. ( 29 ) |
D — Forfaitaire som
1. Argumenten van partijen
|
61. |
De Commissie stelt voor, dat het Hof in de onderhavige zaak aan de Franse Republiek de betaling van een forfaitaire som oplegt. In het geval dat een lidstaat verzuimt een krachtens artikel 226 EG gewezen arrest van het Hof uit te voeren, heeft de Commissie het voornemen, in procedures krachtens artikel 228 EG het Hof stelselmatig voor te stellen de betaling van een forfaitaire som op te leggen. ( 30 ) De Commissie neemt zich ook voor, een forfaitaire som voor te stellen ondanks het feit dat het eerdere arrest krachtens artikel 226 EG, is uitgevoerd in de loop van de procedure krachtens artikel 228 EG voor het Hof. |
|
62. |
De Commissie is van mening dat, overeenkomstig het arrest van het Hof in zaak C-304/02, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 7), financiële sancties niet enkel beogen een lidstaat ertoe te brengen een krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uit te voeren, maar eveneens een preventief of ontmoedigend doel hebben. Het doel van de oplegging van een forfaitaire som is het bestraffen van het eerdere gedrag van een lidstaat die verzuimt om een krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uit te voeren, teneinde lidstaten te ontmoedigen zich in de toekomst op dezelfde wijze gedragen. De forfaitaire som moet derhalve worden betaald, ongeacht of de lidstaat het krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uitvoert in de loop van de procedure krachtens artikel 228 EG dan wel onmiddellijk nadat in deze procedure arrest is gewezen. |
|
63. |
De Commissie is van mening dat haar eerdere praktijk om krachtens artikel 228 EG enkel de oplegging van een dwangsom voor te stellen, tot gevolg had dat de late uitvoering van het eerder krachtens artikel 226 EG gewezen arrest, die plaatsvond voordat in de daaropvolgende procedure krachtens artikel 228 EG arrest werd gewezen, niet werd bestraft en derhalve niet doeltreffend werd ontmoedigd. Zij is van mening dat elk langdurig verzuim om een arrest van het Hof uit te voeren, het legaliteits- en het rechtszekerheidsbeginsel ernstig ondermijnt, in een Gemeenschap die is gebaseerd op het recht. Zij stelt dat het gewicht van krachtens artikel 226 EG gewezen arresten ernstig wordt ondermijnd door de vertragingstactieken die door bepaalde lidstaten stelselmatig worden gehanteerd. Wat de Franse Republiek betreft, heeft de Commissie, in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof, erop gewezen dat tussen december 1996 en oktober 2005 krachtens artikel 228 EG 50 aanmaningsbrieven (op een totaal van 296 — 16,89 %) en 25 met redenen omklede adviezen (op een totaal van 125 — 20 %) aan de Franse Republiek zijn gezonden. In dezelfde periode heeft de Commissie zesmaal (op een totaal van 21 — 28,57 %) een procedure krachtens artikel 228 EG tegen de Franse Republiek ingesteld. De Commissie is derhalve van mening dat de oplegging van een forfaitaire som noodzakelijk is teneinde dergelijke vertragingstactieken te ontmoedigen en recidive door de lidstaten te voorkomen. |
|
64. |
De Commissie is, op basis van haar mededeling van 2005, van mening dat de forfaitaire som in de onderhavige procedure moet worden berekend door het basisbedrag van 200 EUR te vermenigvuldigen met de coëfficiënten 10 (voor de ernst van de inbreuk) en 21,83 (voor de financiële draagkracht), wat resulteert in een bedrag van 43660 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-419/03, te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het arrest in zaak C-419/03 tot de dag waarop het arrest in zaak C-419/03 volledig is uitgevoerd of de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige procedure. De Commissie betoogt voorts dat de Franse Republiek in de onderhavige zaak heeft verzuimd om mee te werken tijdens de precontentieuze procedure en zelfs haar eigen tijdschema voor de omzetting van richtlijn 2001/18, door deze lidstaat opgesteld nadat het met redenen omkleed advies in deze zaak is uitgebracht, niet is nagekomen. De Commissie benadrukt eveneens dat de Franse Republiek heel lang heeft gewacht om richtlijn 2001/18 om te zetten, een omzetting die op 17 oktober 2002 had moeten zijn voltooid. In feite waren er vier jaar na deze datum, met uitzondering van besluit nr. 2005-51 dat enkel van marginale betekenis is, door de Franse Republiek nog geen maatregelen vastgesteld teneinde het arrest van het Hof in zaak C-419/03 uit te voeren. Zij stelt dat er op dit gevoelige gebied aanzienlijke rechtsonzekerheid is voortgevloeid uit de niet-uitvoering door de Franse Republiek. Zij benadrukt eveneens het belang van richtlijn 2001/18, die beoogt de volksgezondheid en het milieu te beschermen en de ontwikkeling van biotechnologie en het vrije verkeer van GGO’s te bevorderen. Bovendien stelt de Commissie dat de Franse Republiek bij een aantal eerdere gelegenheden heeft nagelaten om communautaire wetgeving inzake GGO’s volledig om te zetten. Dienaangaande betoogt de Commissie dat in de zaken C-296/01 ( 31 ) en C-429/01 ( 32 ) het Hof heeft geoordeeld dat de Franse Republiek had verzuimd om sommige bepalingen van respectievelijk richtlijn 90/220 en richtlijn 90/219/EEG ( 33 ) om te zetten. Bovendien heeft de Commissie vervolgens tegen de Franse Republiek een procedure krachtens artikel 228 EG ingeleid wegens haar verzuim om het arrest in zaak C-429/01 uit te voeren. De betrokken procedure, die is ingeschreven als zaak C-79/06, is later door de Commissie ingetrokken, nadat de Franse Republiek het arrest van het Hof in zaak C-429/01 had uitgevoerd. ( 34 ) |
|
65. |
In repliek stelt de Commissie dat, teneinde rekening te houden met de gedeeltelijke uitvoering van het arrest van het Hof in zaak C-419/03 op 21 maart 2007 ( 35 ), het Hof het bedrag van de door de Commissie voorgestelde forfaitaire som moet verminderen vanaf deze datum tot de dag waarop het arrest in zaak C-419/03 volledig is uitgevoerd ( 36 ) of tot de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige procedure. ( 37 ) |
|
66. |
De Franse Republiek stelt dat, gelet op het feit dat zij het arrest van het Hof in zaak C-419/03 heeft uitgevoerd, het verzoek van de Commissie om in de onderhavige procedure de betaling van een forfaitaire som op te leggen, zinloos is. Waar de Commissie in de mededeling van 2005 heeft aangegeven dat zij het voornemen had om in procedures krachtens artikel 228 EG, in de eerste plaats, stelselmatig de betaling van een forfaitaire som te vorderen en, in de tweede plaats, een dergelijke procedure niet in te trekken, ook al heeft een lidstaat de inbreuk beëindigd voordat het arrest is gewezen, is de Franse Republiek van mening dat deze benadering in strijd is met artikel 228 EG en de rechtspraak van het Hof daarover. De Franse Republiek stelt dat, overeenkomstig het arrest in zaak C-304/02, Commissie/Frankrijk, het doel van de procedure van artikel 228, lid 2, EG is om in gebreke blijvende lidstaten aan te sporen het krachtens artikel 226 EG gewezen arrest zo spoedig mogelijk uit te voeren en aldus een doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. De sancties waarin artikel 228 EG voorziet, zijn niet bedoeld om vergelijkbare inbreuken te voorkomen. |
|
67. |
Volgens de Franse Republiek is in de onderhavige zaak in elk geval niet voldaan aan de voorwaarden voor de oplegging van deze forfaitaire som. Zij stelt dat de omstandigheden in zaak C-304/02, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 7), tot op heden de enige zaak waarin het Hof de betaling van een forfaitaire som heeft opgelegd, niet kunnen worden vergeleken met die in de onderhavige zaak, aangezien de inbreuk in zaak C-304/02 11 jaar heeft geduurd en de visbestanden van de Gemeenschap bedreigde. De Franse Republiek onderstreept wat dat betreft, dat er minder dan drie jaar zijn verstreken tussen het arrest in zaak C-419/03 en het indienen van het verzoekschrift in de onderhavige zaak, een vertraging die vergelijkbaar is met of minder is dan de vertraging in de zaken C-387/97, Commissie/Griekenland (aangehaald in voetnoot 17), C-278/01, Commissie/Spanje (aangehaald in voetnoot 26), C-177/04, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 16), en C-119/04, Commissie/Italië (aangehaald in voetnoot 7), waarin het Hof geen forfaitaire som heeft opgelegd. Wat de ernst van de inbreuk betreft, stelt de Franse Republiek dat in zaak C-419/03 niet is geoordeeld dat zij heeft verzuimd om richtlijn 2001/18 in haar geheel om te zetten, maar enkel de bepalingen die verder gaan dan die van richtlijn 90/220. Bovendien heeft de Franse Republiek de litigieuze inbreuk in maart 2007 beëindigd, een maand na de inleiding van de procedure in de onderhavige zaak. |
|
68. |
De Franse Republiek betoogt subsidiair dat het bedrag van de door de Commissie voorgestelde forfaitaire som buitensporig is. De door de Commissie voorgestelde coëfficiënt van 10 voor de ernst van de inbreuk is buitensporig omdat de inbreuk in de onderhavige zaak zeer beperkte gevolgen had. De Franse Republiek stelt dienaangaande dat in Europa de meeste verzoeken om toestemming betrekking hebben op genetisch gemodificeerd voedsel. Genetisch gemodificeerd voedsel voor menselijke consumptie valt echter niet onder richtlijn 2001/18 en deze richtlijn had enkel betrekking op genetisch gemodificeerd voedsel voor consumptie door dieren tot 18 april 2004. De Franse Republiek stelt daarenboven dat, ondanks haar verzuim om sommige bepalingen van richtlijn 2001/18 om te zetten, de Franse autoriteiten een toestemmingsprocedure hebben ingericht die in werkelijkheid voldeed aan deze richtlijn, door in 2005 twee gidsen inzake genetisch gemodificeerde planten vast te stellen, waarin de door het ministerie van Landbouw gevolgde onderzoeksprocedure, de vereisten voor een verzoek om toestemming en de raadpleging van het publiek werden uiteengezet. De Franse Republiek is eveneens van mening dat de Commissie geen beroep kan doen op de omstandigheden in zaak C-79/06 (zie voetnoot 34). De Commissie heeft haar verzoekschrift in deze zaak ingetrokken, aangezien de Franse Republiek het eerdere arrest van het Hof in zaak C-429/01 had uitgevoerd. |
2. Beoordeling
|
69. |
De door partijen in de onderhavige zaak aangevoerde argumenten met betrekking tot het opleggen van een forfaitaire som krachtens artikel 228 EG, stellen niet ter discussie dat het Hof de mogelijkheid heeft om zowel een dwangsom als een forfaitaire som op te leggen in een procedure krachtens artikel 228 EG, aangezien deze mogelijkheid specifiek door het Hof is erkend en daadwerkelijk is gebruikt in zaak C-304/02, Commissie/Frankrijk. ( 38 ) |
|
70. |
In zaak C-304/02 heeft het Hof geoordeeld dat de sancties waarin artikel 228 EG voorziet, hetzelfde doel dienen, namelijk om een in gebreke gebleven lidstaat ertoe te brengen een niet-nakomingsarrest uit te voeren, en daarmee de effectieve toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Bovendien is het aan het Hof om naargelang van de mate van overreding en ontmoediging die is vereist, de financiële sancties te bepalen die passend zijn om ervoor te zorgen dat het arrest in de eerdere procedure krachtens artikel 226 EG, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, en te voorkomen dat dergelijke inbreuken op het gemeenschapsrecht zich vaker voordoen. ( 39 ) |
|
71. |
De sancties van artikel 228 EG dienen naar mijn mening dus niet enkel als middel om arresten krachtens artikel 226 EG ten uitvoer te brengen, maar eveneens als algemene preventieve maatregelen. ( 40 ) |
|
72. |
Niettegenstaande het feit dat de sancties waarin artikel 228 EG voorziet, hetzelfde doel dienen, heeft het Hof in zaak C-304/02 eveneens gesteld dat de dwangsom en de forfaitaire som elk hun eigen functie hebben. ( 41 ) Zo heeft het Hof geoordeeld dat de oplegging van een dwangsom in het bijzonder geschikt lijkt om een lidstaat ertoe te brengen, zo snel mogelijk een einde te maken aan een niet-nakoming die zonder die maatregel wellicht zou blijven voortduren, terwijl de oplegging van een forfaitaire som veeleer berust op de beoordeling van de consequenties van de niet-nakoming van de verplichtingen van de betrokken lidstaat voor de particuliere en de openbare belangen, met name wanneer de niet-nakoming is blijven voortbestaan lang na het arrest waarin zij oorspronkelijk is vastgesteld. ( 42 ) |
|
73. |
Bovendien heeft het Hof, ondanks het gemeenschappelijke doel van de sancties waarin artikel 228 EG voorziet, slechts in één zaak, zaak C-304/02, Commissie/Frankrijk, een forfaitaire som opgelegd, sinds het op 4 juli 2000 het eerste arrest krachtens artikel 228 EG heeft gewezen in de zaak Commissie/Griekenland. ( 43 ) Naar mijn mening blijkt uit de praktijk van het Hof gedurende bijna acht jaar, dat de oplegging van zowel een dwangsom als een forfaitaire som in een bepaalde procedure krachtens artikel 228 EG, niet per se noodzakelijk is om de naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren. |
|
74. |
Ik ben derhalve van mening dat de stelselmatige oplegging van een forfaitaire som, zoals wordt voorgestaan door de Commissie, niet enkel in haar schriftelijke opmerkingen in de onderhavige zaak, maar eveneens in de mededeling van 2005, onevenredig kan zijn in het licht van de omstandigheden van een bepaalde zaak en bijgevolg moet worden verworpen. Het Hof zou derhalve zijn vaste praktijk moeten volgen en de sancties waarin artikel 228 EG voorziet, zorgvuldig en selectief, waar nodig, opleggen om schendingen van het gemeenschapsrecht doeltreffend te bestrijden. |
|
75. |
Wat dat betreft, en in het licht van de rechtspraak, ben ik van mening dat het Hof, door in een specifieke zaak een dwangsom op te leggen, het voortdurende, en bijgevolg toekomstige, verzuim van een lidstaat om een bepaald arrest krachtens artikel 226 EG uit te voeren, tracht te ontmoedigen vanaf de dag van het arrest in de procedure krachtens artikel 228 EG. ( 44 ) |
|
76. |
Wanneer het Hof een forfaitaire som oplegt, tracht het volgens mij een lidstaat te straffen voor zijn eerdere gedrag, namelijk het verzuim om een bepaald, krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uit te voeren, wanneer dat gedrag wordt gekenmerkt door bijkomende verzwarende omstandigheden, die het verzuim van de lidstaat om dat arrest onmiddellijk en volledig uit te voeren, verergeren. Naar mijn mening is de oplegging van een forfaitaire som derhalve enkel gerechtvaardigd in zaken waar dergelijke bijkomende verzwarende omstandigheden overtuigend zijn vastgesteld. Hoewel die bijkomende verzwarende omstandigheden niet vooraf uitputtend kunnen worden geïnventariseerd, omvatten zij naar mijn mening de nalatigheid van een lidstaat om te goeder trouw met de Commissie samen te werken teneinde de inbreuk snel te beëindigen. Daarenboven kan de oplegging van een forfaitaire som zijn gerechtvaardigd, wanneer de openbare en particuliere belangen door de inbreuk van een lidstaat op onaanvaardbare wijze worden geraakt. ( 45 ) Wanneer een inbreuk zwaarwegende communautaire belangen treft of een fundamenteel beginsel van de Gemeenschap in gevaar brengt, kunnen dergelijke bijkomende verzwarende omstandigheden bovendien gemakkelijker door het Hof worden vastgesteld en kan bijgevolg een forfaitaire som worden opgelegd. |
|
77. |
Ik ben van mening dat het Hof zijn beoordeling van de vraag of de oplegging van een forfaitaire som gerechtvaardigd is, in principe moet beperken tot de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak. Volgens mij mag het Hof, wanneer het overweegt om aan een lidstaat een forfaitaire som op te leggen, enkel dan andere inbreuken van die lidstaat in aanmerking nemen, wanneer de Commissie door het overleggen van overtuigend bewijsmateriaal aantoont dat er sprake is van een structureel of stelselmatig verzuim van de betrokken lidstaat om krachtens artikel 226 EG gewezen arresten uit te voeren. Wat dat betreft, ben ik van mening dat het op zichzelf niet volstaat dat de Commissie enkel statistische gegevens overlegt met betrekking tot het verzuim van een lidstaat om krachtens artikel 226 EG gewezen arresten uit te voeren. |
|
78. |
Gelet op het feit dat de forfaitaire som volgens mij is bedoeld om een lidstaat te bestraffen wegens zijn verzuim om een krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uit te voeren, welk verzuim wordt gekenmerkt door bijkomende verzwarende omstandigheden, ben ik van mening dat het bedrag van de sanctie deze specifieke omstandigheden moet weerspiegelen. Ik ben derhalve van mening dat de door de Commissie in de onderhavige procedure en natuurlijk in de mededeling van 2005 ( 46 ) voorgestelde berekeningsmethode voor de forfaitaire som, die onder andere is gebaseerd op dezelfde coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk als bij de dwangsom en het aantal dagen dat een inbreuk voortduurt, dergelijke specifieke omstandigheden niet weerspiegelt. |
|
79. |
Wat betreft de gerechtvaardigdheid van het opleggen van een forfaitaire som in de onderhavige procedure, zou ik ter inleiding willen opmerken dat ik, in het licht van de in de punten 36 tot en met 45 uiteengezette argumentatie, van mening ben dat de Franse Republiek ten tijde van de terechtzitting in de onderhavige zaak het arrest van het Hof in zaak C-419/03 niet volledig had uitgevoerd. Volgens mij zijn de argumenten van partijen in deze procedure, omtrent de vraag of de uitvoering van het arrest in zaak C-419/03 door de Franse Republiek in de loop van het geding de oplegging van een forfaitaire som zinloos zou maken, derhalve niet relevant. |
|
80. |
Aangezien de oplegging van een forfaitaire som een eenmalige sanctie is, bedoeld ter bestraffing van gedrag van een lidstaat ( 47 ) dat mijns inziens geruime tijd vóór de inleiding van de procedure van artikel 228 EG is gelegen, is het feit dat de lidstaat het krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uitvoert vóór het onderzoek van de feiten door het Hof in de procedure krachtens artikel 228 EG, in elk geval niet relevant. Het Hof kan in een procedure krachtens artikel 228 EG in dergelijke omstandigheden een forfaitaire som als sanctie opleggen, wanneer de Commissie bewijst dat de lidstaat heeft verzuimd het krachtens artikel 226 gewezen arrest uit te voeren binnen de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn voor zover er sprake is van bijkomende verzwarende omstandigheden die deze sanctie rechtvaardigen, zoals ik in de punten 76 tot en met 78 heb betoogd. |
|
81. |
Ik ben van mening dat de Commissie in de onderhavige zaak het bestaan van bijkomende verzwarende omstandigheden die de oplegging van een forfaitaire som als sanctie zouden rechtvaardigen, niet heeft bewezen. |
|
82. |
Wat het verwijt van de Commissie betreft, dat de Franse Republiek heeft nagelaten om met haar samen te werken of „vertragingstactieken” heeft toegepast tijdens de precontentieuze procedure in de onderhavige zaak, ben ik van mening dat de Commissie er niet in is geslaagd om duidelijk bewijsmateriaal voor een dergelijk gedrag over te leggen. Het is evident dat de Franse Republiek heeft verzuimd het arrest van het Hof in zaak C-419/03 binnen een redelijke termijn uit te voeren, een betreurenswaardig feit. ( 48 ) In het licht van de correspondentie tussen partijen, die is weergegeven in de punten 15 tot en met 17, ben ik echter van mening dat de Franse Republiek tijdens de precontentieuze procedure in de onderhavige zaak op een aanvaardbare wijze heeft geantwoord op de verzoeken om informatie van de Commissie en dat zij heeft aangetoond dat zij concrete stappen, zij het te laat en uiteindelijk onvoldoende, ondernam om het arrest van het Hof in zaak C-419/03 uit te voeren. |
|
83. |
Wat de vraag betreft of door de nalatigheid van de Franse Republiek om richtlijn 2001/18 volledig om te zetten, de openbare en particuliere belangen zodanig zijn geraakt dat de oplegging van een forfaitaire som is gerechtvaardigd, ben ik van mening dat de Commissie heeft bewezen dat deze nalatigheid een sfeer van rechtsonzekerheid heeft geschapen op een gebied waar reeds een aanzienlijke wetenschappelijke onzekerheid heerst. ( 49 ) Met uitzondering van haar verwijt in verband met de procedure voor de administratieve rechter te Clermont-Ferrand ( 50 ), ben ik nochtans niet van mening dat de Commissie voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd om aan te tonen dat de nalatigheid van de Franse Republiek om richtlijn 2001/18 volledig om te zetten of om het arrest in zaak C-419/03 uit voeren, de openbare en particuliere belangen dermate ernstig hebben geraakt dat de oplegging van een forfaitaire som gerechtvaardigd is. De Franse Republiek heeft in de onderhavige procedure, door de Commissie onweersproken, gesteld dat haar verzuim om richtlijn 2001/18 volledig om te zetten, het biotechnologisch onderzoek naar GGO’s niet heeft belemmerd. Daarenboven heeft zij aangevoerd dat het in 2003, 2005 en 2006 meer verzoeken om toestemming voor de doelbewuste introductie van GGO’s voor experimentele doeleinden overeenkomstig deel B van deze richtlijn heeft ingeschreven dan alle andere lidstaten, met uitzondering van Spanje, en dat Frankrijk tussen 2004 en 2006 de op een na grootste producent voor commerciële doeleinden van GGO’s was in Europa. Bovendien heeft de Franse Republiek, opnieuw onweersproken, gesteld dat, anders dan de Commissie beweert, haar verzuim om richtlijn 2001/18 om te zetten, de internationale betrekkingen van de Gemeenschap op het gebied van GGO’s niet heeft gehinderd, aangezien de onvolledige omzetting van deze richtlijn bij internationale onderhandelingen nooit aan de orde is gesteld. |
|
84. |
Daarenboven ben ik van mening dat, bij gebrek aan enig ander bewijs dan de in punt 63 weergegeven statistische gegevens en de in punt 64 genoemde procedure die door de Commissie tegen de Franse Republiek is ingeleid wegens de nalatigheid om wetgeving inzake GGO’s volledig om te zetten, de Commissie in de onderhavige zaak niet heeft bewezen dat er sprake is van een zodanige niet-nakoming van de krachtens artikel 228, lid 1, EG op de Franse Republiek rustende verplichtingen, dat die bestraft zou moeten worden met een forfaitaire som of dat de oplegging van deze sanctie om preventieve redenen noodzakelijk is. |
|
85. |
Ik ben derhalve van mening dat de Franse Republiek niet moet worden veroordeeld tot betaling van een forfaitaire som. |
VII — Kosten
|
86. |
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dat is gevorderd. Daar de Commissie een kostenveroordeling heeft gevorderd en de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, ben ik van mening dat laatstgenoemde in de kosten moet worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Tsjechische Republiek haar eigen kosten. |
VIII — Conclusie
|
87. |
In het licht van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Niet gepubliceerd in de Jurisprudentie (PB 2004, C 228, blz. 15).
( 3 ) PB L 106, blz. 1.
( 4 ) PB L 117, blz. 15.
( 5 ) Zie artikel 1 van richtlijn 2001/18.
( 6 ) De Commissie is van mening dat de in punt 21 hierboven vermelde drie besluiten en drie beschikkingen op 21 maart 2007 van kracht zijn geworden.
( 7 ) Zie arresten van 12 juli 2005, Commissie/Frankrijk (C-304/02, Jurispr. blz. I-6263, punt 30); 18 juli 2006, Commissie/Italië (C-119/04, Jurispr. blz. I-6885, punt 27); 18 juli 2007, Commissie/Duitsland (C-503/04, Jurispr. blz. I-6153, punt 19), en 10 januari 2008, Commissie/Portugal (C-70/06, Jurispr. blz. I-1, punt 18).
( 8 ) Zie in die zin arrest Commissie/Frankrijk, aangehaald in voetnoot 7, punt 31.
( 9 ) Arresten van 26 juni 2001, Commissie/Italië (C-212/99, Jurispr. blz. I-4923, punt 34), en 9 september 2004, Commissie/Spanje (C-195/02, Jurispr. blz. I-7857, punt 82).
( 10 ) Zie in die zin, onder andere, arrest van 18 oktober 2001, Commissie/Ierland (C-354/99, Jurispr. blz. I-7657, punt 27).
( 11 ) Zie, onder andere, arrest van 28 februari 1991, Commissie/Duitsland (C-131/88, Jurispr. blz. I-825, punt 6).
( 12 ) Arrest van 4 juli 2000, Commissie/Griekenland (C-387/97, Jurispr. blz. I-5047, punt 73).
( 13 ) Arrest Commissie/Frankrijk, aangehaald in voetnoot 7, punt 56.
( 14 ) Ik merk op, dat deze bewering geenszins door de Franse regering in de onderhavige zaak is gedaan. De Commissie heeft in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen, zonder door de Franse regering te zijn tegengesproken, gewezen op een vonnis van 4 mei 2006 van de administratieve rechter van Clermont-Ferrand, waarin deze rechter, in plaats van het nationale recht overeenkomstig richtlijn 2001/18 uit te leggen, bepaalde krachtens de Franse wet verleende toestemmingen heeft vernietigd, omdat de nationale bepalingen op grond waarvan de toestemmingen waren verleend, in strijd waren met de bewoordingen van richtlijn 2001/18. Het Hof is geïnformeerd dat het vonnis momenteel voorwerp is van een beroepsprocedure. Bovendien heeft de Franse regering in haar opmerkingen benadrukt dat het betrokken vonnis een op zichzelf staand incident was.
( 15 ) Ik ben van mening dat artikel 16 van besluit nr. 2007-359 de tweede en derde alinea van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2001/18 in Frans recht omzet.
( 16 ) Arrest Commissie/Frankrijk (C-304/02, aangehaald in voetnoot 7, punt 86); arrest van 14 maart 2006, Commissie/Frankrijk (C-177/04, Jurispr. blz. I-2461, punt 58), en arrest Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7, punt 31).
( 17 ) Zie in die zin arrest Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7, punt 34).
( 18 ) Zie arrest Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7, punten 38 en 39).
( 19 ) Artikelen 3, lid 1, 6, leden 2 en 4, 7, 8, lid 2, 9, 13, leden 2 en 6, 14, lid 1, 15, lid 2, 16, 17, 18, 19, 20, 23, 26 en 35, en bijlagen II-VII.
( 20 ) Waarin het publiek wordt geraadpleegd omtrent de doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu. Zie artikel 2 en zevende en tiende overweging van de considerans van richtlijn 2001/18.
( 21 ) Zie vijfde en dertiende overweging van de considerans van richtlijn 2001/18.
( 22 ) Zie arrest Commissie/Frankrijk (C-177/04, aangehaald in voetnoot 16, punt 71).
( 23 ) Zie punt 71, waarin het Hof heeft gesteld dat zijn „beoordelingsbevoegdheid […] bovendien niet [wordt] beperkt door de door de Commissie voorgestelde schaal van 1 tot 3” (zaak aangehaald in voetnoot 16).
( 24 ) Bovendien zijn, ondanks de gedeeltelijke uitvoering door de Franse Republiek van het arrest in zaak C-419/03, die zelf na een aanzienlijke vertraging heeft plaatsgevonden en pas nadat het verzoekschrift in de onderhavige zaak was ingediend, bijna drie jaar verlopen tussen het wijzen van dat arrest op 15 juli 2004 en de publicatie van de in punt 21 hierboven genoemde maatregelen op 20 maart 2007.
( 25 ) Zie punten 73 en 74 (zaak aangehaald in voetnoot 16).
( 26 ) Zie arrest van 25 november 2003, Commissie/Spanje (C-278/01, Jurispr. blz. I-14141, punten 53 en 54).
( 27 ) Zie arresten Commissie/Spanje (aangehaald in voetnoot 26, punt 59) en Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7, punt 48).
( 28 ) Zie arrest Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7, punt 50), waarin het Hof het gebruik van het basisbedrag van 600 EUR, zoals vastgesteld bij de mededeling van 2005, heeft goedgekeurd.
( 29 ) Zie in die zin arresten Commissie/Frankrijk (C-177/04, aangehaald in voetnoot 16, punt 77) en Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7, punt 52).
( 30 ) Zie eveneens de toelichting in punt 10 van de mededeling van 2005.
( 31 ) Arrest van 20 november 2003, Commissie/Frankrijk (Jurispr. blz. I-13909).
( 32 ) Arrest van 27 november 2003, Commissie/Frankrijk (Jurispr. blz. I-14355).
( 33 ) Richtlijn van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PB L 117, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 94/51/EG van de Commissie van 7 november 1994 betreffende aanpassing aan de technische vooruitgang van richtlijn 90/219/EEG (PB L 297, blz. 29).
( 34 ) Zie beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 7 februari 2007, (PB 2007, C 82, blz. 27).
( 35 ) Door de vaststelling van de in punt 21 hierboven genoemde maatregelen, die volgens de Commissie op 21 maart 2007 van kracht zijn geworden.
( 36 ) Indien dit gebeurt vóór de uitspraak van het arrest in de onderhavige procedure.
( 37 ) Indien het arrest in zaak C-419/03 op dat ogenblik niet volledig is uitgevoerd.
( 38 ) Zie punt 82 waar het Hof heeft gesteld dat het niet is uitgesloten, beide typen sancties van artikel 228, lid 2, EG toe te passen.
( 39 ) Zie in die zin punten 80, 91 en 97. Het Hof heeft volstrekt duidelijk gemaakt dat de sancties waarin artikel 228 EG voorziet, niet tot doel hebben om een schade te vergoeden die door een lidstaat is veroorzaakt. Zie punt 91.
( 40 ) Uit het arrest van het Hof in zaak C-304/02 blijkt dat, hoewel de sancties krachtens artikel 228 EG een enkel algemeen leidend doel hebben, namelijk te waarborgen dat het gemeenschapsrecht volledig wordt nageleefd, deze sancties dat doel op twee manieren trachten te bereiken. Door voldoende economische druk uit te oefenen op een bepaalde lidstaat in een bepaalde zaak, trachten de sancties krachtens artikel 228 EG deze lidstaat ertoe te brengen een einde te maken aan een specifiek verzuim om een krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uit te voeren, en daarbij op een meer algemeen niveau andere lidstaten in de toekomst te ontmoedigen of te weerhouden om dergelijke inbreuken te plegen.
( 41 ) Zie in die zin punt 84.
( 42 ) Zie in die zin punt 81.
( 43 ) Het Hof heeft in de arresten Commissie/Griekenland (aangehaald in voetnoot 12), Commissie/Spanje (aangehaald in voetnoot 26), Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 16) en Commissie/Portugal (aangehaald in voetnoot 7) geen forfaitaire som opgelegd aan de in gebreke blijvende lidstaten, ondanks het feit dat deze lidstaten ten tijde van het onderzoek van de feiten door het Hof in de procedure krachtens artikel 228 EG, hadden verzuimd om de eerdere arresten krachtens artikel 226 EG uit te voeren. Deze consequente praktijk van het Hof onderstreept naar mijn mening het autonome karakter van de sancties waarin artikel 228, lid 2, EG voorziet. Volgens mij is het opleggen van een forfaitaire som aan een lidstaat derhalve niet afhankelijk van het hem opleggen van een dwangsom.
( 44 ) Daarbij alle lidstaten ontmoedigend de krachtens het EG Verdrag op hen rustende verplichtingen niet na te komen. Het is het vooruitzicht van een procedure krachtens artikel 228 EG en, onder andere, de mogelijke oplegging van een dwangsom, dat de lidstaten ervan weerhoudt hun verplichtingen te schenden.
( 45 ) Wat dat betreft, ben ik van mening dat het Hof in zaak C-304/02, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 7), aan de Franse Republiek een forfaitaire som heeft opgelegd omdat de inbreuk in die zaak gedurende een zeer lange periode heeft voortgeduurd en de publieke en particuliere belangen inzake visbestanden gedurende die periode aanzienlijk zijn geraakt. Bovendien blijkt uit de feiten van die zaak dat de Franse Republiek heeft nagelaten om met de Commissie samen te werken bij de beëindiging van de inbreuk.
( 46 ) Zie punten 17-24 van de mededeling van 2005. Ik wijs erop dat de mededeling van 2005 eveneens voorziet in een minimum forfaitaire som, die in het geval van de Franse Republiek 10915000 EUR bedraagt.
( 47 ) Wanneer een verzuim om een krachtens artikel 226 EG gewezen arrest uit te voeren, wordt gekenmerkt door bijkomende verzwarende omstandigheden.
( 48 ) Bovendien mag niet worden vergeten dat het feit dat de Commissie zowel een procedure krachtens artikel 228 EG als een procedure krachtens artikel 226 EG moet inleiden, een verspilling van gemeenschapsgelden vormt.
( 49 ) Zie punt 54 hierboven.
( 50 ) Zie voetnoot 14 hierboven.