Zaak C‑420/04 P
Georgios Gouvras
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Tewerkstelling – Detachering in belang van dienst – Wijziging met terugwerkende kracht van standplaats en van daaraan verbonden financiële rechten – Terugvordering van onverschuldigd betaalde”
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 14 juli 2005
Samenvatting van de beschikking
1. Hogere voorziening – Middelen – Onjuiste beoordeling van feiten – Niet-ontvankelijkheid – Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs – Uitgesloten, behoudens geval van onjuiste opvatting
(Art. 225, lid 1, EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea)
2. Ambtenaren – Terugvordering van onverschuldigd betaalde – Voorwaarden – Overduidelijke onregelmatigheid van betaling – Ambtenaar die in belang van dienst in land van herkomst is gedetacheerd – Betaling van ontheemdingstoelage en recht op aanpassingscoëfficiënt van vroegere standplaats
(Ambtenarenstatuut, art. 38, sub d, en 85; bijlage VII, art. 4)
3. Hogere voorziening – Middelen – Ontvankelijkheid – Voorwaarden
(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
1. Volgens artikel 225, lid 1, EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure waardoor de belangen van de verzoekende partij zijn geschaad, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behalve wanneer de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert – behalve wanneer het Gerecht de voorgelegde bewijsstukken verkeerd heeft opgevat – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof.
(cf. punten 48‑49)
2. Het beginsel dat de totale bezoldiging van de in het belang van de dienst gedetacheerde ambtenaar gelijk moet blijven, mag er niet toe leiden dat de administratie hem vergoedingen en voordelen toekent waarop hij geen recht heeft. Derhalve moeten de bedragen die door de administratie zijn betaald omdat geen rekening is gehouden met de wijziging van zijn standplaats, worden geacht aan de betrokkene onverschuldigd te zijn betaald in de zin van artikel 85 van het Statuut, omdat als standplaats van een gedetacheerde ambtenaar de plaats had moeten worden aangemerkt waar hij de in het kader van zijn detachering uit te oefenen functies uitoefent.
Wat meer bepaald de ontheemdingstoelage betreft, kan een ervaren normaal zorgvuldige ambtenaar van hogere rang, ook al is de instelling aanvankelijk niet duidelijk geweest en heeft zij verscheidene maanden nodig gehad om zich uit te spreken over de rechten van de gedetacheerde ambtenaar, niet onkundig zijn van het feit dat de betaling van de ontheemdingstoelage gekoppeld is aan een ontheemding in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut, waarvan geen sprake is in het geval van een ambtenaar die voor de uitoefening van functies in zijn land van herkomst wordt gedetacheerd.
De gedetacheerde ambtenaar kan door de bepalingen van het Statuut niet worden gesterkt in de idee dat hij recht heeft op het behoud van zijn standplaats en van alle vergoedingen die hij daar ontving. Ten eerste bevat het Statuut geen uitdrukkelijke bepalingen over de vaststelling van de standplaats van de ambtenaar in geval van detachering en ten tweede verbindt het uitdrukkelijk bepaalde voorwaarden aan de betaling van de betrokken vergoedingen.
(cf. punten 57, 59-60)
3. Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven.
(cf. punt 65)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)
14 juli 2005 (*)
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Tewerkstelling – Detachering in belang van dienst – Wijziging met terugwerkende kracht van standplaats en van daaraan verbonden financiële rechten – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde”
In zaak C‑420/04 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 29 september 2004,
Georgios Gouvras, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, woonachtig te Bereldange (Luxemburg), vertegenwoordigd door J.‑N. Louis, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall en L. Lozano Palacios als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, kamerpresident (rapporteur), J.‑P. Puissochet en S. von Bahr, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 G. Gouvras verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 2004, Gouvras/Commissie (T‑180/02 en T‑113/03, JurAmbt. blz. IA‑225 en II‑987; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van zijn beroepen tot nietigverklaring van, in de eerste plaats, het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 augustus 2001, waarbij met terugwerkende kracht tot 1 november 2000 en voor de gehele duur van zijn detachering in het belang van de dienst Athene is aangemerkt als zijn standplaats en de onverschuldigd betaalde bedragen dientengevolge zijn teruggevorderd (hierna: „besluit van 14 augustus 2001”), en, in de tweede plaats, het besluit van dezelfde instelling van 30 april 2002, waarbij het gedeelte van zijn bezoldiging dat gedurende zijn detachering naar Luxemburg kon worden overgemaakt, is beperkt tot 35 %.
Het rechtskader
2 Artikel 37, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) definieert detachering in het belang van de dienst als volgt:
„Detachering is de stand van de ambtenaar in vaste dienst die, bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag:
a) in het belang van de dienst:
is aangewezen voor het tijdelijk vervullen van een ambt buiten zijn instelling [...].”
3 In artikel 38 van het Statuut zijn de op dit soort detachering toepasselijke regels nader vastgesteld:
„Detachering in het belang van de dienst is aan de volgende regels onderworpen:
a) het besluit wordt, nadat de betrokkene is gehoord, door het tot aanstelling bevoegde gezag genomen;
b) de duur wordt vastgesteld door het tot aanstelling bevoegde gezag;
c) na elk tijdvak van zes maanden kan de betrokkene verzoeken de detachering te doen eindigen;
d) indien de totale bezoldiging van het ambt dat hij tijdens de detachering vervult, lager is dan die welke hem op grond van zijn rang en salaristrap bij zijn oorspronkelijke instelling toekomt, heeft de krachtens artikel 37, sub a, eerste streepje, gedetacheerde ambtenaar recht op een aanvullend salaris ten bedrage van dit verschil; tevens heeft hij recht op vergoeding van alle extra kosten welke voor hem uit de detachering voortvloeien;
[...]
f) de gedetacheerde ambtenaar behoudt zijn ambt en zijn rechten met betrekking tot plaatsing in een hogere salaristrap, en blijft in aanmerking komen voor bevordering;
g) na afloop van de detachering treedt de ambtenaar onmiddellijk weer in het vroeger door hem beklede ambt.”
4 Artikel 85 van het Statuut regelt de terugvordering van het onverschuldigd betaalde:
„Een onverschuldigd betaald bedrag wordt teruggevorderd, indien de bevoordeelde kennis droeg van de onregelmatigheid van de betaling of indien deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat de bevoordeelde daarvan kennis had moeten dragen.”
5 De standplaats gedurende de detachering is relevant voor de toepassing van de artikelen 4, 5 en 10 van bijlage VII bij het Statuut, die respectievelijk de ontheemdingstoelage, de inrichtingsvergoeding en de dagvergoeding regelen.
6 Artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut luidt:
„1. Een ontheemdingstoelage van 16 % van de som van het basissalaris, de kostwinnerstoelage en de kindertoelage waarop de ambtenaar recht heeft, wordt toegekend aan:
a) de ambtenaar:
– die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en
– die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie;
b) de ambtenaar die de nationaliteit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, bezit of heeft bezeten, maar die gedurende een periode van tien jaar, eindigende op het ogenblik van zijn indiensttreding, regelmatig woonachtig is geweest buiten het grondgebied in Europa van die staat, en wel om een andere reden dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie.”
7 Artikel 5 van bijlage VII bij het Statuut bepaalt:
„1. De ambtenaar in vaste dienst die voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, of die aantoont verplicht te zijn geweest van woonplaats te veranderen teneinde de in artikel 20 van het Statuut vermelde verplichtingen na te komen, heeft recht op een inrichtingsvergoeding ten bedrage van twee maanden basissalaris indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage en van één maand basissalaris indien dit niet het geval is.
[...]
Op de inrichtingsvergoeding is de voor de standplaats van de ambtenaar vastgestelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing.
2. De inrichtingsvergoeding wordt eveneens uitbetaald aan de ambtenaar die in een andere standplaats wordt tewerkgesteld en daardoor genoodzaakt is van woonplaats te veranderen teneinde de in artikel 20 van het Statuut vermelde verplichting na te komen.
3. [...]
De inrichtingsvergoeding wordt uitbetaald na overlegging van bewijsstukken waaruit blijkt dat de ambtenaar zich, met zijn gezin indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, in zijn standplaats heeft gevestigd.
4. De ambtenaar die recht heeft op de kostwinnerstoelage en zich zonder zijn gezin in zijn standplaats vestigt, ontvangt slechts de helft van de vergoeding waarop hij anders recht zou hebben gehad; de andere helft wordt hem uitbetaald bij vestiging van zijn gezin in zijn standplaats indien deze vestiging geschiedt binnen de in artikel 9, lid 3, [van bijlage VII bij het Statuut] gestelde termijnen. Heeft deze vestiging niet plaatsgevonden en wordt de ambtenaar tewerkgesteld in de plaats waar zijn gezin verblijft, dan heeft hij uit dien hoofde geen recht op een inrichtingsvergoeding.
[...]”
8 Artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut bepaalt:
„1. De ambtenaar die aantoont dat hij genoodzaakt is van woonplaats te veranderen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut, heeft gedurende een in lid 2 bepaalde periode recht op een dagvergoeding [...].
2. [...]
In geen geval wordt de dagvergoeding toegekend na de datum waarop de ambtenaar zijn verhuizing heeft volbracht teneinde te voldoen aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut.
[...]”
9 Artikel 17 van bijlage VII bij het Statuut luidt als volgt:
„1. De aan de ambtenaar verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent.
2. Onder de voorwaarden van een regeling die, na advies van het comité voor het Statuut, in gemeenschappelijk overleg door de instellingen van de Gemeenschappen wordt vastgesteld, kan de ambtenaar:
a) door bemiddeling van de instelling waartoe hij behoort, regelmatig een deel van zijn inkomsten laten overmaken, indien dit niet het bedrag van de ontheemdingstoelage of de buitenlandtoelage overschrijdt [...];
b) boven het in de aanhef van sub a aangegeven maximum regelmatig gelden [...] laten overmaken, voorzover deze bestemd zijn voor de bestrijding van uitgaven die in het bijzonder verband houden met regelmatig terugkerende en met bewijzen gestaafde lasten die de ambtenaar buiten het land waar de zetel van zijn instelling is gevestigd of waar hij zijn functie uitoefent, draagt;
c) bij hoge uitzondering en in deugdelijk gemotiveerde gevallen worden toegestaan de bedragen waarover hij in de sub a bedoelde valuta’s zou willen beschikken, buiten bovengenoemde regelmatige overmakingen te doen overmaken.
3. De in lid 2 bedoelde overmakingen geschieden op basis van de in artikel 63, tweede alinea, van het Statuut bedoelde wisselkoersen; op de over te maken bedragen wordt de coëfficiënt toegepast die verkregen wordt door deling van de aanpassingscoëfficiënt voor het land in welks valuta de overmaking geschiedt door de aanpassingscoëfficiënt die is vastgesteld voor het land waarin de ambtenaar zijn standplaats heeft.”
10 Artikel 1 van de Regeling inzake de overmaking van een deel van de inkomsten van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Gemeenschappelijke regeling”), die op 1 januari 1980 in werking is getreden met terugwerkende kracht tot 1 april 1979, bepaalt:
„Op grond van artikel 17, lid 2, sub a, van bijlage VII van het Statuut kan de ambtenaar, op zijn verzoek en door bemiddeling van de instelling, regelmatig een deel van zijn inkomsten laten overmaken dat niet groter is dan het bedrag van de ontheemdingstoelage of de buitenlandtoelage, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt die op de bezoldiging van de ambtenaar in zijn standplaats van toepassing is.”
11 Artikel 2 van de Gemeenschappelijke regeling bepaalt:
„Op grond van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Statuut kan de ambtenaar bovendien, op zijn verzoek en door bemiddeling van de instelling, regelmatig een deel van zijn inkomsten laten overmaken dat het in artikel 1 bedoelde bedrag te bovengaat, voorzover de overmakingen bestemd zijn voor de bestrijding van uitgaven die verband houden met regelmatig terugkerende en met bewijzen gestaafde lasten buiten het land van tewerkstelling.
Als uitgaven die dergelijke overmakingen rechtvaardigen worden beschouwd:
– na overlegging van een verklaring van de school of de universiteit, studiekosten van kinderen waarvoor het recht op kindertoelage bestaat [...]
[...]
– na overlegging van de notariële akte en de hypotheekakte, rente en aflossing van een hypotheek [...].”
12 Artikel 3 van de Gemeenschappelijke regeling luidt:
„Het totaal van de regelmatige overmakingen als omschreven in de artikelen 1 en 2 mag niet meer bedragen dan 35 % van de netto-maandbezoldiging.”
13 Artikel 5 van de Gemeenschappelijke regeling luidt:
„Overeenkomstig artikel 17, lid 2, sub c, van bijlage VII van het Statuut kan het tot aanstelling bevoegde gezag, bij hoge uitzondering en in deugdelijk gemotiveerde gevallen, de ambtenaar toestaan door bemiddeling van de instelling de bedragen waarover hij in één van de in artikel 17, lid 2, sub a, van bijlage XII van het Statuut bedoelde valuta’s zou willen beschikken, te doen overmaken. Deze toestemming wordt verleend na onderzoek van de aangevoerde motivering.”
14 Tot slot bepaalt artikel 6, vierde alinea, van de Gemeenschappelijke regeling:
„De instelling gaat regelmatig na of nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden voor de machtiging tot overmaking: zij staakt de overmakingen wanneer zij constateert dat zulks niet meer het geval is.”
15 De interne richtlijn van de Commissie van 30 juli 1993, houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de Gemeenschappelijke regeling, die is gepubliceerd in Mededelingen van de Administratie nr. 815 van 11 augustus 1993, bepaalt:
„1. Onder de in artikel 2 van de [Gemeenschappelijke regeling] vastgestelde voorwaarden kan de ambtenaar regelmatig een deel van zijn inkomsten laten overmaken dat het in artikel 1 bedoelde bedrag te boven gaat.
– Deze overmakingen moeten bestemd zijn voor de in artikel 2 van de [Gemeenschappelijke regeling] bedoelde uitgaven.
[...]
3. Het systeem van overmakingen door bemiddeling van de instelling mag uitsluitend worden toegepast wanneer het gaat om lasten en daarmee verband houdende uitgaven buiten het land van tewerkstelling van de ambtenaar en de bedragen worden overgemaakt naar het land in de valuta waarvan de overmaking geschiedt.
[...]”
De feiten
16 De aan het geding ten grondslag liggende feiten, zoals zij blijken uit het bestreden arrest, worden daarin als volgt beschreven:
„15 Verzoeker is op 1 juni 1982 aangesteld als ambtenaar op proef bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen en te Luxemburg tewerkgesteld als administrateur van de rang A 6.
16 Bij besluit van 25 februari 1983 is hij met ingang van 1 maart daaraanvolgend in vaste dienst aangesteld, vervolgens is hij in 1987 bevorderd tot de rang A 5, in 1991 tot de rang A 4 en uiteindelijk op 1 maart 1999 tot de rang A 3 als hoofd van een administratieve eenheid.
17 Na de algehele reorganisatie van de diensten van de Commissie is hij op 1 oktober 1999 benoemd tot hoofd van de administratieve eenheid Analyses van de volksgezondheid, beleidsontwikkeling en bevordering van de gezondheid op de andere beleidsgebieden van het directoraat Volksgezondheid van het directoraat-generaal (DG) Gezondheid en consumentenbescherming.
18 In overeenstemming met alle betrokken partijen heeft zijn DG het DG Personeelszaken en administratie op 6 oktober 2000 verzocht om verzoeker overeenkomstig de artikelen 37, sub a, eerste streepje, en 38 van het Statuut in het belang van de dienst te detacheren bij het Griekse ministerie van Gezondheid.
19 Daartoe is hij bij besluit van 27 oktober daaraanvolgend tewerkgesteld als raadadviseur ad personam bij de directeur van het directoraat Volksgezondheid van het DG Gezondheid en consumentenbescherming. Dit besluit is op 1 november daaraanvolgend in werking getreden.
20 De Commissie heeft vervolgens verzoeker gedetacheerd in het belang van de dienst bij besluit van 21 november 2000, dat luidt als volgt:
‚Artikel 1
Krachtens de artikelen 37, [sub] a, eerste streepje, en 38 van het Statuut is besloten Georgios Gouvras (pers[oneels]nummer 04295), ambtenaar van de rang A 3 in het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming, in het belang van de dienst te detacheren bij het [Griekse] ministerie [...] van Gezondheid.
Artikel 2
Georgios Gouvras wordt van 1 november 2000 tot en met 31 oktober 2001 gedetacheerd in het belang van de dienst.’
21 Gezien de tijdelijke aard van de detachering van verzoeker is zijn gezin in Luxemburg gebleven, aangezien zijn kinderen daar studeerden en zijn echtgenote, eveneens ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, daar tewerkgesteld bleef.
22 De Commissie is de bezoldiging van verzoeker in Luxemburg blijven doorbetalen, met inbegrip van de ontheemdingstoelage, waarop de aanpassingscoëfficiënt 100 werd toegepast. Vaststaat dat verzoeker gedurende de periode van zijn detachering geen enkele bezoldiging heeft ontvangen van de Griekse overheid.
23 Bij e-mailbericht van 23 juli 2001 heeft verzoeker voor zichzelf en zijn kinderen gevraagd om betaling van de vaste jaarlijkse vergoeding voor de reiskosten van zijn standplaats naar zijn plaats van herkomst.
24 Bij nota van 26 juli daaraanvolgend heeft Martine Reicherts, directeur van het directoraat Administratie en beheer personeel Luxemburg en Ispra van het DG Personeelszaken en administratie van de Commissie, het hoofd van de administratieve eenheid Statuut van het directoraat Rechten en verplichtingen; sociale acties en sociaal beleid van hetzelfde DG, Adrian Barnett, verzocht om haar ‚mee te delen welke plaats moet worden aangemerkt als de standplaats van Gouvras, dit eventueel na overleg met de juridische dienst, gelet op [...] de rechtspraak op dit terrein (arrest [Gerecht] van 28 februari 1996, Do Paco Quesado/Commissie, T‑15/95, [JurAmbt. blz. I‑A‑57 en II‑171], in het bijzonder de punten 26 [‑] 30)’.
25 In deze nota heeft Reicherts vastgesteld:
‚Aangezien in het detacheringsbesluit de standplaats van de betrokkene niet wordt aangeduid, is mijn dienst bij betalingen en de vergoeding van onkosten aan de betrokkene geconfronteerd geweest met problemen, waarover briefwisseling is gevoerd tussen [de administratieve eenheid Personeelszaken Luxemburg van het directoraat Administratie en beheer personeel Luxemburg en Ispra van het directoraat-generaal Personeelszaken en administratie en de administratieve eenheid Beheer van de individuele rechten van het directoraat Rechten en verplichtingen; sociale acties en sociaal beleid van datzelfde directoraat-generaal] en die aan de orde zijn gesteld tijdens een bijeenkomst in Brussel, zonder dat overigens tot een definitief standpunt is gekomen.’
26 Na antwoord van Barnett te hebben gekregen, heeft Reicherts op 14 augustus 2001 de volgende brief [...] aan verzoeker gestuurd:
‚Op uw verzoek [...] heeft de administratieve eenheid [...] Personeel Luxemburg de administratieve eenheid Statuut opnieuw gevraagd om opheldering over de toepassing van de regels op uw situatie. Ik voeg de briefwisseling die naar aanleiding daarvan heeft plaatsgevonden, als bijlage bij.
Uit dit antwoord van 31 juli 2001 blijkt dat:
– u overeenkomstig artikel 38 van het Statuut het recht heeft om tegen overlegging van bewijsstukken te vragen om vergoeding van alle kosten die u vanwege uw detachering maakt;
– alle inkomsten die u eventueel van het [Griekse] ministerie [...] van Gezondheid, waarbij u bent gedetacheerd, hebt verkregen, van uw salaris moeten worden afgetrokken;
– aangezien u gedetacheerd bent in Athene [Griekenland], die stad met ingang van 1 november 2000 als uw standplaats moet worden aangemerkt;
– uw recht op de ontheemdingstoelage en de jaarlijkse reiskostenvergoeding bijgevolg vanaf die datum vervalt;
– op uw bezoldiging de aanpassingscoëfficiënt van Griekenland moet worden toegepast;
– uw bezoldiging in Griekenland moet worden uitbetaald;
[...]
Om ervoor te zorgen dat geen onderbrekingen optreden in de betaling van uw salaris, zal dit voor [de maand] september 2001 op basis van de hierboven vermelde rechten worden vastgesteld en worden gestort op uw bankrekening in Luxemburg. Het salarisbureau zal u aan het begin van de maand september 2001 het exacte bedrag meedelen dat op uw toekomstige salaris zal moeten worden ingehouden, en zal te uwer beschikking staan om precies vast te stellen hoe dit bedrag zal worden teruggevorderd. In dit stadium kan het totale terug te vorderen bedrag, zuiver ter indicatie en zonder de terugvordering van de jaarlijkse reiskosten mee te rekenen, worden geschat op EUR 31 000.’
27 Verzoeker heeft per fax van 11 september 2001 kennis genomen van deze brief en heeft daarop op 14 september geantwoord met een uitvoerige brief, waarin hij verzoekt om herziening van dit besluit en om verscheidene andere inlichtingen. In deze brief heeft verzoeker tevens melding gemaakt van zijn problemen om precieze informatie te verkrijgen over de voorwaarden van zijn detachering en heeft hij de verschillende personen genoemd die hij over dit onderwerp heeft geraadpleegd, namelijk J. Lavaud van de administratieve eenheid Statutair personeel en gedetacheerde nationale deskundigen van het directoraat Personeelsbeleid van het DG Personeelszaken en administratie van de Commissie, Perez-Silvan van de administratieve eenheid Beheer van de individuele rechten van het directoraat Rechten en verplichtingen; sociale acties en sociaal beleid van ditzelfde DG en D. Janssens, hoofd van de administratieve eenheid Personeel, begroting en overige middelen van het directoraat Algemene zaken van het DG waar verzoeker is tewerkgesteld. Hij voegde hieraan toe dat hij sinds zijn vertrek geen enkel bericht van de diensten van de Commissie over de voorwaarden van zijn detachering had ontvangen, waarin hem erop werd gewezen dat hijzelf hiervan het financiële risico droeg en dat eventueel onverschuldigd betaalde bedragen zouden worden teruggevorderd.
28 Reicherts heeft daarop geantwoord bij nota van 2 oktober 2001 (hierna: ‚besluit van 2 oktober 2001’), waarin zij verzoeker wijst op de mogelijkheid om, indien hij dat wenst, het besluit betreffende de herziening van zijn financiële rechten aan te vechten door een klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Statuut in te dienen.
29 Op 10 oktober daaraanvolgend heeft F. Augendre van de administratieve eenheid Personeelszaken Luxemburg van het directoraat Administratie en beheer personeel Luxemburg en Ispra, dat deel uitmaakt van het DG Personeelszaken en administratie van de Commissie aan verzoeker een nota gestuurd, waarbij hem werd meegedeeld dat de herberekening van zijn bezoldiging gedurende zijn detachering ingevolge het besluit van 14 augustus 2001, overeenkomstig artikel 85 van het Statuut resulteerde in een inhouding van 1 342,30 EUR voor de maand november 2001 en 1 342,16 EUR voor de maanden december 2001 tot november 2003, dat wil zeggen in 24 maandelijkse inhoudingen in totaal.
30 Op 22 oktober 2001 heeft verzoeker bij het tot aanstelling bevoegde gezag (hierna: ‚TABG’) een klacht ingediend, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 14 augustus 2001, het besluit van 2 oktober 2001 en van alle salarisafrekeningen waarmee het eerste van deze besluiten is uitgevoerd.
31 Bij e-mailbericht van 31 oktober 2001 is verzoeker op de hoogte gebracht van het besluit van David Byrne, het op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming bevoegde lid van de Commissie, om hem diezelfde dag naar Luxemburg terug te roepen wegens de problemen waaraan de Commissie het hoofd moest bieden op het gebied van het bioterrorisme.
32 Bij besluit van 11 december 2001 heeft de Commissie met terugwerkende kracht tot 1 november 2001 de detachering in het belang van de dienst van verzoeker bij het Griekse ministerie van Gezondheid beëindigd en hem ‚wedertewerkgesteld’ als raadadviseur ad personam bij de directeur van het directoraat Volksgezondheid van het DG Gezondheid en consumentenbescherming. Dit besluit is ingetrokken en vervangen door het besluit van de Commissie van 6 februari 2002, waarbij verzoeker is ‚herplaatst’ in zijn functie van raadadviseur ad personam van dezelfde directeur.
33 De klacht van verzoeker is door het TABG afgewezen bij besluit van 22 februari, waarvan hij op 1 maart daaraanvolgend de ontvangst heeft bevestigd.
34 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 juni 2002, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van 14 augustus 2001 (zaak T‑180/02).
35 Na het besluit van de Commissie om Athene aan te merken als zijn standplaats heeft verzoeker op 28 januari 2002 verzocht om overmaking van het gedeelte van zijn bezoldiging dat nodig was ter bestrijding van de regelmatig terugkerende en met bewijzen gestaafde lasten die hij volgens zijn zeggen had in Luxemburg, zijn gebruikelijke standplaats en zijn voornaamste woonplaats.
36 Op 8 maart daaraanvolgend heeft verzoeker een tweede verzoek ingediend, waarin hij vroeg om toekenning van de inrichtingsvergoeding en de dagvergoeding, overeenkomstig de artikelen 5 en 10 van bijlage VII bij het Statuut, op grond van zijn indiensttreding te Athene op 1 november 2000 en te Luxemburg op 1 november 2001.
37 Bij besluiten van 30 april 2002 (hierna: ‚besluiten van 30 april 2002’) heeft de administratie in de eerste plaats zijn verzoek om uit hoofde van artikel 17, lid 2, sub c, van bijlage VII bij het Statuut voor de periode van november 2000 tot en met oktober 2001 een gedeelte van zijn nettobezoldiging van Griekenland naar Luxemburg over te maken toegewezen, maar beperkt tot 35 % van deze bezoldiging, en in de tweede plaats verzoeker in kennis gesteld van de afwijzing van zijn verzoek om betaling van de inrichtingsvergoeding en de dagvergoeding.”
Het beroep voor het Gerecht en het bestreden arrest
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 juni 2002, heeft Gouvras een eerste beroep ingesteld, dat was gericht tegen het besluit van 14 augustus 2001 (zaak T‑180/02). De Commissie heeft geconcludeerd tot verwerping van dit beroep.
18 Rekwirant heeft een tweede beroep ingesteld, gericht tegen de besluiten van 30 april 2002 (zaak T‑113/03). De Commissie heeft ook tot verwerping van dit beroep geconcludeerd.
19 Tot staving van zijn beroep tegen het besluit van 14 augustus 2001 voerde rekwirant drie middelen aan.
20 Met zijn eerste middel betoogde hij dat de Commissie de artikelen 37, eerste alinea, sub a, eerste streepje, en 38, sub a, van het Statuut heeft geschonden doordat zij ten eerste de verplichting, hem vóór zijn detachering te horen, niet is nagekomen en ten tweede met terugwerkende kracht Athene als zijn standplaats heeft aangemerkt.
21 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 70 tot en met 86 van het bestreden arrest ten eerste vastgesteld dat de administratie het recht had om van rekwirant, gelet op zijn rang, een grote kennis van de administratieve en statutaire procedures te verwachten, en ten tweede, dat de standplaats van een ambtenaar in beginsel daar is gelegen waar hij zijn werkzaamheden uitoefent, en dat de Commissie, door rekwirant te detacheren bij het Griekse ministerie van Gezondheid, impliciet Athene heeft aangemerkt als zijn standplaats.
22 Het Gerecht heeft derhalve in punt 87 van het bestreden arrest geconcludeerd dat de Commissie terecht Athene heeft aangemerkt als de standplaats van rekwirant, en diens eerste tot staving van zijn eerste beroep aangevoerde middel dan ook afgewezen.
23 Met zijn tweede middel stelde rekwirant dat de Commissie artikel 85 van het Statuut heeft geschonden en dat zij haar besluit willekeurig heeft vastgesteld, in strijd met het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de zorgplicht, omdat zij hem niet op tijd betrouwbare informatie heeft verschaft op grond waarvan hij kon nagaan of hij, gelet op zijn financiële verplichtingen, akkoord kon gaan met zijn detachering in Athene en met een aanmerkelijk lagere bezoldiging vanwege de toepassing van de voor Griekenland geldende aanpassingscoëfficiënt en het schrappen van de ontheemdingstoelage.
24 Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest eraan herinnerd dat voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen artikel 85 van het Statuut de voorwaarde stelt dat de betaling onregelmatig was en de bevoordeelde daarvan kennis droeg of dat het onregelmatige karakter van de betaling zo voor de hand lag dat hij daarvan kennis had moeten dragen.
25 Wat in de eerste plaats de kennis van rekwirant van de onregelmatigheid van de betaling betreft, gelet op het feit dat Athene als zijn standplaats had moeten worden aangemerkt, heeft het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest vastgesteld dat Gouvras de bedragen die hem zijn betaald doordat Luxemburg als zijn standplaats was aangemerkt, ten onrechte heeft ontvangen.
26 In punt 109 van het bestreden arrest preciseert het Gerecht evenwel dat deze bedragen enkel kunnen worden teruggevorderd indien de door de administratie begane vergissing zo voor de hand lag dat rekwirant daarvan kennis had moeten dragen. In punt 111 van ditzelfde arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat de Commissie weliswaar niet duidelijk is geweest en verscheidene maanden nodig heeft gehad om zich over de rechten van Gouvras uit te spreken, met name wat de ontheemdingstoelage betreft, maar dat vastgesteld moet worden dat een normaal zorgvuldige ambtenaar, met de ervaring en van de rang van rekwirant, niet onkundig kon zijn van het feit dat de betaling van deze toelage gekoppeld is aan een ontheemding in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut.
27 Wat in de tweede plaats de gestelde willekeurigheid van het besluit van 14 augustus 2001 betreft, heeft het Gerecht in de punten 117 tot en met 119 van het bestreden arrest vastgesteld, dat dit middel moest worden afgewezen aangezien niet werd aangegeven welke verplichting juist zou zijn geschonden.
28 Wat in de derde plaats de schending door de Commissie van haar zorgplicht betreft, heeft het Gerecht in de punten 120 tot en met 125 van het bestreden arrest overwogen dat deze plicht niet was geschonden, aangezien rekwirant had toegegeven te zijn ingelicht over de gevolgen van zijn detachering in het belang van de dienst voor zijn administratieve situatie.
29 In de vierde plaats heeft het Gerecht met betrekking tot de schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen in de punten 126 tot en met 133 van genoemd arrest vastgesteld dat dit argument moest worden verworpen, met name wegens het ontbreken van specifieke toezeggingen door de Commissie aan rekwirant over de voorwaarden van zijn detachering.
30 Het tweede door rekwirant tot staving van zijn eerste beroep aangevoerde middel is derhalve als ongegrond afgewezen.
31 Met zijn derde middel voerde rekwirant schending van de artikelen 5 en 10 van bijlage VII bij het Statuut aan, waarbij hij betoogde dat de Commissie hem zowel het recht op de inrichtingsvergoeding als het recht op de dagvergoeding had ontzegd.
32 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 142 tot en met 144 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie rekwirant in haar besluit van 14 augustus 2001 deze vergoedingen niet heeft geweigerd. Het Gerecht heeft daaruit dan ook de conclusie getrokken dat dit middel moest worden afgewezen.
33 Het beroep van Gouvras tegen dit besluit is derhalve in zijn geheel verworpen.
34 In zijn tweede beroep, dat tegen de besluiten van 30 april 2002 was gericht, voerde Gouvras twee middelen aan om de wettigheid daarvan te betwisten.
35 Met zijn eerste middel betoogde hij dat de artikelen 5 en 10 van bijlage VII bij het Statuut zijn geschonden, op grond dat hem bij zijn tewerkstelling in Athene de inrichtingsvergoeding en de dagvergoeding en bij zijn wedertewerkstelling in Luxemburg de inrichtingsvergoeding zijn geweigerd.
36 Wat in de eerste plaats de toekenning aan rekwirant van de inrichtingsvergoeding bij zijn detachering naar Athene betreft, heeft het Gerecht in de punten 156 tot en met 159 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwirant terecht verzocht om nietigverklaring van het besluit van 30 april 2002, waarbij hem deze vergoeding is geweigerd.
37 Wat in de tweede plaats de toekenning aan rekwirant van de inrichtingsvergoeding bij zijn terugkeer naar Luxemburg betreft, heeft het Gerecht in de punten 160 en 161 van het bestreden arrest overwogen dat de Commissie op goede gronden krachtens artikel 5, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut heeft geweigerd deze vergoeding toe te kennen.
38 Wat in de derde plaats de dagvergoeding betreft, heeft het Gerecht in de punten 162 tot en met 166 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie hem deze terecht heeft geweigerd, omdat deze vergoeding anders in strijd met de doelstelling van artikel 10 van bijlage VII bij het Statuut zou zijn betaald. Noch zijn woning te Athene noch zijn woning te Luxemburg kon immers als voorlopig worden beschouwd.
39 Het Gerecht was derhalve van oordeel dat het eerste door rekwirant tot staving van zijn tweede beroep aangevoerde middel gedeeltelijk moest worden aanvaard, aangezien de Commissie bij zijn tewerkstelling in Athene ten onrechte had geweigerd hem de inrichtingsvergoeding toe te kennen.
40 Met zijn tweede middel betoogde rekwirant dat de Commissie artikel 38, sub d, van het Statuut en artikel 17 van bijlage VII bij het Statuut heeft geschonden, door het gedeelte van zijn bezoldiging dat hij mocht overmaken naar een andere lidstaat dan die waarin hij zijn werkzaamheden uitoefende, te beperken tot 35 %.
41 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 194 tot en met 211 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie artikel 38, sub d, van het Statuut correct heeft toegepast, aangezien rekwirant gedurende zijn detachering in Athene een bezoldiging ontving die overeenstemde met de rang en de salaristrap die hij had in de instelling waar hij vandaan kwam. Deze bepaling houdt immers geenszins in dat de betrokkene gedurende zijn tewerkstelling te Athene de gehele bezoldiging moest ontvangen die hem in Luxemburg werd betaald. Het Gerecht heeft eveneens vastgesteld dat het niet onevenredig was om de overmaking van de nettobezoldiging van rekwirant te beperken tot 35 %, aangezien hij geen bewijs had geleverd van uitzonderlijke lasten op grond waarvan de administratie een overmaking van meer dan het genoemde percentage had kunnen toestaan.
42 Het Gerecht heeft het tweede door Gouvras tot staving van zijn tweede beroep aangevoerde middel derhalve afgewezen.
43 Bijgevolg heeft het Gerecht het besluit van 30 april 2002, waarbij is geweigerd rekwirant ter gelegenheid van zijn detachering te Athene de inrichtingsvergoeding toe te kennen, nietig verklaard en het tweede beroep voor het overige verworpen.
De hogere voorziening
De conclusies van partijen
44 In zijn hogere voorziening concludeert Gouvras dat het het Hof behage:
– primair, het bestreden arrest te vernietigen voorzover daarin
– zijn in zaak T‑180/02 ingestelde vordering tot nietigverklaring van het besluit van 14 augustus 2001 en
– zijn in zaak T‑113/03 ingestelde vordering tot nietigverklaring van het besluit van 30 april 2002, waarbij het gedeelte van zijn bezoldiging dat gedurende zijn detachering naar Luxemburg kon worden overgemaakt, is beperkt tot 35 %,
zijn afgewezen;
– hem vervolgens bij wege van nieuwe uitspraak toe te staan zijn middelen en vorderingen aan te passen;
– subsidiair, het besluit van 14 augustus 2001 in zijn geheel nietig te verklaren, en het besluit van 30 april 2002 nietig te verklaren voorzover het gedeelte van zijn bezoldiging dat gedurende zijn detachering naar Luxemburg, zijn gebruikelijke standplaats, kon worden overgemaakt, is beperkt tot 35 %,
– de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.
45 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– de hogere voorziening niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;
– rekwirant te verwijzen in de kosten.
Ten gronde
46 Het Hof kan, wanneer de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering de hogere voorziening op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, afwijzen bij met redenen omklede beschikking.
De middelen betreffende het besluit van 14 augustus 2001
Het eerste middel
47 Met dit eerste middel betoogt rekwirant dat het Gerecht het recht heeft geschonden door niet na te gaan of de Commissie, alvorens te besluiten tot zijn detachering in het belang van de dienst, hem werkelijk had ingelicht over alle gevolgen ervan, niet alleen voor zijn administratieve maar ook voor zijn financiële situatie, met name wat het recht op de ontheemdingstoelage, de jaarlijkse reiskostenvergoeding en de toepassing op zijn bezoldiging van de voor Griekenland geldende aanpassingscoëfficiënt betreft. Onder deze omstandigheden heeft hij niet de gelegenheid gehad om zijn belangen effectief te verdedigen en om na afloop van zes maanden te verzoeken om de detachering te doen eindigen. Gouvras is dan ook van mening dat de artikelen 37, eerste alinea, sub a, eerste streepje, en 38 van het Statuut zijn geschonden.
48 Volgens artikel 225, lid 1, EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie is de hogere voorziening beperkt tot rechtsvragen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure waardoor de belangen van de verzoekende partij zijn geschaad, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht (zie met name arrest van 16 maart 2000, Parlement/Bieber, C‑284/98 P, Jurispr. blz. I‑1527, punt 30, en beschikking van 10 mei 2001, FNAB e.a./Raad, C‑345/00 P, Jurispr. blz. I‑3811, punt 28).
49 Bovendien is het vaste rechtspraak dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behalve wanneer de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert – behalve wanneer het Gerecht de voorgelegde bewijsstukken verkeerd heeft opgevat – geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (zie arresten van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C‑53/92 P, Jurispr. blz. I‑667, punt 42, en 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie, C‑280/99 P–C‑282/99 P, Jurispr. blz. I‑4717, punt 78).
50 Dus alleen ingeval rekwirant betoogt dat het Gerecht vaststellingen heeft gedaan waarvan de feitelijke onjuistheid voortvloeit uit de processtukken, of de voorgelegde bewijsstukken verkeerd heeft opgevat, zouden middelen inzake de vaststelling van de feiten of de beoordeling daarvan door deze rechterlijke instantie ontvankelijk zijn.
51 In het onderhavige geval tracht Gouvras evenwel met zijn eerste middel het Hof te bewegen tot een toetsing van het feitelijke oordeel van het Gerecht, dat rekwirant is gehoord en voldoende is ingelicht voordat het besluit tot detachering is genomen, zonder dat hij voor het overige aantoont dat het Gerecht de bewijsstukken verkeerd heeft opgevat.
52 Dit middel moet derhalve als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Het tweede middel
53 Met zijn tweede middel beweert Gouvras allereerst dat het Gerecht het recht heeft geschonden door aan te nemen dat de administratie een onregelmatigheid had begaan door tussen 1 november 2000 en 14 augustus 2001 salarisafrekeningen op te stellen waarin de ontheemdingstoelage was opgenomen en de aanpassingscoëfficiënt voor Luxemburg was toegepast.
54 Bovendien heeft het Gerecht volgens rekwirant het gemeenschapsrecht geschonden, door vast te stellen dat hij kennis droeg van de onregelmatigheid van de betalingen of dat deze onregelmatigheid zo voor de hand lag dat hij daarvan kennis had moeten dragen. Hij betwist het standpunt van het Gerecht dat een normaal zorgvuldige ambtenaar, met de ervaring en van de rang van rekwirant, niet onkundig kon zijn van de onregelmatigheid van de litigieuze betalingen.
55 Rekwirant betwist dus de opvatting van het Gerecht over de juridische kwalificatie van de feiten en legt het Hof daarmee een rechtsvraag ter toetsing voor.
56 Hieruit volgt dat het tweede tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middel ontvankelijk is.
De gegrondheid van de twee onderdelen van het middel
57 Wat allereerst de onregelmatigheid van de betaling van de bezoldiging betreft, volstaat de opmerking dat het Gerecht in de punten 104 tot en met 108 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld, dat het beginsel dat de totale bezoldiging van de ambtenaar gelijk moet blijven, er niet toe mag leiden dat de administratie hem vergoedingen en voordelen toekent waarop hij geen recht heeft. Derhalve moeten de bedragen die aan rekwirant zijn betaald omdat Luxemburg als zijn standplaats was aangemerkt, worden geacht onverschuldigd te zijn betaald, omdat Athene als zijn standplaats had moeten worden aangemerkt.
58 Wat vervolgens de vraag betreft of de bevoordeelde kennis had van de onregelmatigheid van de betaling, heeft het Gerecht in de punten 109 tot en met 116 van het bestreden arrest tevens terecht vastgesteld, dat de Commissie de procedure tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen correct heeft toegepast.
59 Zoals het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is de Commissie weliswaar niet duidelijk geweest en heeft zij verscheidene maanden nodig gehad om zich uit te spreken over de rechten van rekwirant, maar moet worden vastgesteld dat een normaal zorgvuldige ambtenaar, met de ervaring en van de rang van rekwirant, niet onkundig kon zijn van het feit dat de betaling van de ontheemdingstoelage gekoppeld is aan een ontheemding in de zin van artikel 4 van bijlage VII bij het Statuut.
60 Zoals het Gerecht tot slot in punt 115 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, kon rekwirant ten slotte, anders dan hijzelf stelt, door de bepalingen van het Statuut niet worden gesterkt in de idee dat hij recht had op het behoud van Luxemburg als zijn standplaats en van alle vergoedingen die hij daar ontving. Ten eerste bevat het Statuut geen uitdrukkelijke bepalingen over de vaststelling van de standplaats van de ambtenaar in geval van detachering en ten tweede verbindt het uitdrukkelijk bepaalde voorwaarden aan de betaling van de betrokken vergoedingen.
61 Het Gerecht heeft derhalve terecht aangenomen dat de Commissie de procedure tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen correct heeft toegepast.
62 Het tweede middel moet dus als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Het enige middel betreffende het besluit van 30 april 2002
63 Met dit enige middel betoogt rekwirant dat het Gerecht het recht heeft geschonden door te overwegen dat de beperking in het besluit van 30 april 2002 van het gedeelte van zijn bezoldiging dat gedurende zijn detachering naar Luxemburg kon worden overgemaakt, tot 35 %, niet in strijd was met artikel 38, sub d, van het Statuut.
64 In zijn hogere voorziening beperkt rekwirant zich tot de overweging dat zijn verzoek niet is bedoeld om hem in een financieel gunstigere situatie te brengen dan met zijn detachering overeenstemt, maar uitsluitend tot doel heeft te voorkomen dat hij daardoor financieel aanzienlijk wordt benadeeld. Hij heeft ter ondersteuning van deze stelling echter geen enkel argument naar voren gebracht.
65 Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie met name arresten van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C‑352/98 P, Jurispr. blz. I‑5291, punt 34; 8 januari 2002, Frankrijk/Monsanto en Commissie, C‑248/99 P, Jurispr. blz. I‑1, punt 68, en beschikking van 11 november 2003, Martinez/Parlement, C‑488/01 P, Jurispr. blz. I‑13355, punt 40).
66 In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de hogere voorziening niet aangeeft waarom de rechtsgrond waarop het Gerecht zich in punt 120 van het bestreden arrest heeft gebaseerd, onjuist zou zijn, en het enige tegen het besluit van 30 april 2002 aangevoerde middel moet dan ook als niet-ontvankelijk worden afgewezen.
67 Al was het verzoek ontvankelijk, dan nog zou het ongegrond zijn, omdat het ingeroepen artikel in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien de niet-betaling van statutaire uitkeringen niet onder het begrip „kosten” valt.
Kosten
68 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven de door de instellingen gemaakte kosten in beroepen van ambtenaren te hunnen laste. Ingevolge artikel 122, tweede alinea, van dit Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing, indien de hogere voorziening door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling is ingesteld tegen deze instelling. Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Zesde kamer),
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Gouvras wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.