Zaak C-137/00
The Queen
tegen
The Competition Commission, voorheen The Monopolies and Mergers Commission, e.a.,
ex parte Milk Marque Ltd en National Farmers' Union
[verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Crown Office), om een prejudiciële beslissing]
«Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Artikelen 32 EG – 38 EG – Verordening (EEG) nr. 804/68 – Gemeenschappelijke ordening der markten in sector melk en zuivelproducten – Richtprijs voor melk – Verordening nr. 26 – Toepassing van bepaalde mededingingsregels op productie van en handel in landbouwproducten – Mogelijkheid voor lidstaten om nationale mededingingsregels toe te passen op melkproducenten die zich in coöperaties hebben
georganiseerd en machtspositie bezitten op markt»
|
| Conclusie van advocaat-generaal C. Stix-Hackl van 17 september 2002 |
|
I - 0000 |
|
|
|
|
|
|
| Arrest van het Hof van 9 september 2003 |
|
I - 0000 |
|
|
|
|
|
Samenvatting van het arrest
- 1..
- Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Melk en zuivelproducten – Toepassing van nationaal mededingingsrecht op coöperatie van melkproducenten met sterke positie op nationale markt – Bevoegdheid van nationale autoriteiten – Grenzen
(Art. 32 EG─38 EG; verordeningen van de Raad nr. 26 en nr. 804/68, art. 3, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1587/97)
- 2..
- Landbouw – Gemeenschappelijke ordening der markten – Melk en zuivelproducten – Richtprijs voor melk – Inaanmerkingneming van deze prijs door bevoegde nationale mededingingsautoriteiten om macht van onderneming op markt te onderzoeken – Toelaatbaarheid
(Art. 33, lid 1, EG; verordening nr. 804/68 van de Raad, art. 3, leden 1 en 2, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1587/96)
- 3..
- Vrij verkeer van goederen – Kwantitatieve beperkingen – Maatregelen van gelijke werking – Verbod voor zuivelcoöperatie met sterke positie op markt om voor eigen rekening verwerkingscontracten te sluiten – Toepassing van nationaal mededingingsrecht – Toelaatbaarheid
(Art. 28 EG en 29 EG)
- 4..
- Gemeenschapsrecht – Beginselen – Gelijke behandeling – Discriminatie op grond van nationaliteit – Verbod voor zuivelcoöperatie met sterke positie op markt die deze positie in strijd met openbaar belang gebruikt, om voor
eigen rekening verwerkingscontracten te sluiten – Toelaatbaarheid
(Art. 12 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG)
- 1.
De artikelen 32 EG tot en met 38 EG alsmede verordening nr. 26 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging
op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten en verordening nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening
der markten in de sector melk en zuivelproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1587/96, moeten aldus worden uitgelegd
dat de nationale autoriteiten op het door de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten beheerste gebied
in beginsel bevoegd blijven om hun nationale mededingingsrecht toe te passen op een coöperatie van melkproducenten met een
sterke positie op de nationale markt. Wanneer de nationale mededingingsautoriteit optreedt op het door de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten
beheerste gebied, moet zij zich onthouden van elke maatregel die van deze gemeenschappelijke ordening afwijkt of daarop inbreuk
maakt. In het bijzonder mogen de maatregelen die de nationale mededingingsautoriteit op het door de gemeenschappelijke marktordening
voor melk en zuivelproducten beheerste gebied heeft genomen, geen gevolgen hebben die de werking verstoren van de mechanismen
waarin deze gemeenschappelijke ordening voorziet. De omstandigheid alleen dat de door een zuivelcoöperatie toegepaste prijzen
vóór het ingrijpen van de nationale mededingingsautoriteit reeds lager waren dan de richtprijs voor melk, volstaat evenwel
niet om de maatregelen die deze autoriteit krachtens het nationale mededingingsrecht jegens deze coöperatie heeft genomen,
als onrechtmatig te beschouwen uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht. Enerzijds vormt een dergelijke richtprijs immers
een beleidsdoelstelling op gemeenschapsniveau en garandeert hij de producenten van de lidstaten niet dat zij een inkomen in
overeenstemming met de richtprijs zullen hebben. Anderzijds, aangezien de handhaving van een daadwerkelijke mededinging een
van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening in de sector melk en zuivelproducten is, kan artikel 3, lid 1,
van verordening nr. 804/68, volgens hetwelk jaarlijks voor de Gemeenschap een richtprijs wordt vastgesteld, niet aldus worden
uitgelegd dat de melkproducenten gerechtigd zijn met alle middelen, waaronder eventueel onrechtmatige en mededingingsverstorende
middelen, te proberen een inkomen in overeenstemming met de richtprijs te verkrijgen. Bovendien mogen deze maatregelen geen afbreuk doen aan de in artikel 33, lid 1, EG omschreven doelstellingen van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid. In dit verband moet de nationale mededingingsautoriteit in voorkomend geval de verschillende in artikel 33
EG genoemde doelstellingen bij eventuele tegenstrijdigheid met elkaar verzoenen zonder aan een ervan een zo groot belang te
hechten dat de verwezenlijking van de andere onmogelijk wordt. cf. punten 63, 67, 80, 87-89, 91, 94, dictum 1
- 2.
De functie van de richtprijs voor melk, bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke
ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1587/96, verzet zich er niet
tegen dat de nationale mededingingsautoriteit aan de hand van deze richtprijs de macht van een landbouwonderneming op de markt
onderzoekt door de schommelingen van de reële prijzen daarmee te vergelijken. Uit lid 2 van dit artikel, gelezen tegen de achtergrond van artikel 33, lid 1, EG, blijkt immers dat de richtprijs tot wezenlijke
functie heeft, op gemeenschapsniveau het wenselijke punt van evenwicht te bepalen tussen enerzijds de doelstelling, de landbouwbevolking
een redelijke levensstandaard te verzekeren, en anderzijds de doelstelling, redelijke prijzen bij de levering aan de verbruikers
te verzekeren. Vaststaat dat het gebruik van de richtprijs door de nationale mededingingsautoriteit als referentiepunt in
het kader van het onderzoek van de macht van een landbouwonderneming op de nationale markt de wezenlijke functie ervan volledig
onverlet laat. Er is overigens geen enkele bepaling van primair of afgeleid gemeenschapsrecht die een dergelijk gebruik van
de richtprijs verbiedt. cf. punten 99-102, dictum 2
- 3.
De verdragsregels inzake het vrij verkeer van goederen verzetten er zich niet tegen dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat
in het kader van de toepassing van hun nationale mededingingsrecht een zuivelcoöperatie met een sterke positie op de markt
verbieden, voor eigen rekening contracten voor de verwerking van de door haar leden geproduceerde melk te sluiten, waaronder
contracten met in andere lidstaten gevestigde ondernemingen. Enerzijds strekt artikel 28 EG er namelijk toe, elke regeling of maatregel van de lidstaten te verbieden die de intracommunautaire
handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Een lidstaat is evenwel gerechtigd maatregelen
te nemen om te voorkomen dat bepaalde van zijn onderdanen de door het Verdrag geboden faciliteiten gebruiken om zich onrechtmatig
aan de toepassing van hun nationale wetgeving te onttrekken. Aangezien restrictieve maatregelen met betrekking tot goederen
die uitsluitend met het oog op wederinvoer zijn uitgevoerd om een nationale wettelijke regeling te ontduiken, geen maatregelen
van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen in de zin van artikel 28 EG zijn, moet hetzelfde gelden bij uitvoer
van goederen gevolgd door wederinvoer ervan om te ontsnappen aan de toepassing van krachtens het nationale mededingingsrecht
vastgestelde maatregelen, zoals het verbod voor een coöperatie van melkproducenten met een sterke positie op de markt om voor
eigen rekening contracten voor de verwerking van melk te sluiten. Anderzijds heeft artikel 29 EG betrekking op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaand goederenverkeer
tot doel of gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat
leiden, waardoor aan de nationale productie of aan de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat een bijzonder voordeel
wordt verzekerd. Dit is evenwel niet het geval met maatregelen, zoals dit verbod ─ dat onder het nationale mededingingsbeleid
valt ─, die strekken tot beperking van de mededingingsverstorende gedragingen van één enkele landbouwcoöperatie en zonder
onderscheid van toepassing zijn op de verwerkingscontracten met in een lidstaat gevestigde ondernemingen en op die met in
andere lidstaten gevestigde ondernemingen. cf. punten 113-116, 118-120, dictum 3
- 4.
De artikelen 12 EG en 34, lid 2, tweede alinea, EG verzetten zich niet tegen de vaststelling van maatregelen zoals het verbod
om voor eigen rekening contracten voor de verwerking van melk te sluiten dat is opgelegd aan een zuivelcoöperatie met een
sterke positie op de markt, die deze positie in strijd met het algemeen belang gebruikt, waaraan niet afdoet dat in andere
lidstaten grote verticaal geïntegreerde zuivelcoöperaties werkzaam mogen zijn. Enerzijds verbiedt artikel 12 EG alle lidstaten immers hun nationale mededingingsrecht verschillend toe te passen naar gelang
van de nationaliteit van de betrokkenen, maar dat neemt niet weg dat het geen betrekking heeft op eventuele verschillen in
behandeling die voor de aan de rechtsmacht van de Gemeenschap onderworpen personen en ondernemingen kunnen voortvloeien uit
verschillen tussen de wettelijke regelingen van de verschillende lidstaten, mits deze regelingen op grond van objectieve criteria
en ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen gelden voor al degenen op wie zij van toepassing zijn. Het feit alleen dat
er in andere lidstaten verticaal geïntegreerde coöperaties zijn, betekent niet dat de vaststelling dat deze maatregelen een
discriminatie op grond van nationaliteit oplevert. Anderzijds is artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG, dat elke discriminatie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
verbiedt, slechts de specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat verlangt dat vergelijkbare situaties
niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijk verschil in behandeling objectief
gerechtvaardigd is. cf. punten 124-126, 128, dictum 4