61998J0452

Arrest van het Hof van 22 november 2001. - Nederlandse Antillen tegen Raad van de Europese Unie. - Associatieregeling van landen en gebieden overzee - Invoer van rijst van oorsprong uit landen en gebieden overzee - Vrijwaringsmaatregelen - Verordening (EG) nr. 1036/97 - Beroep tot nietigverklaring - Niet-ontvankelijkheid. - Zaak C-452/98.

Jurisprudentie 2001 bladzijde I-08973


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening van Raad tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van invoer van rijst van oorsprong uit landen en gebieden overzee - Beroep ingesteld door Nederlandse Antillen - Niet-ontvankelijkheid

[EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea (thans, na wijziging, art. 230, vierde alinea, EG); verordening nr. 1036/97 van de Raad]

Samenvatting


$$Willen natuurlijke of rechtspersonen kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt door een handeling van algemene strekking van een gemeenschapsinstelling, dan moeten zij in hun rechtspositie worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een geadresseerde.

De Nederlandse Antillen worden niet individueel geraakt door verordening nr. 1036/97 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee (LGO).

Om te beginnen kan het algemene belang dat een LGO, als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, op zich niet volstaan om het als door de bepalingen van verordening nr. 1036/97 in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) geraakt - noch a fortiori individueel geraakt - te beschouwen.

Daarbij komt, dat ook al behoorde de Raad ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1036/97, voorzover de omstandigheden dit toelieten, rekening te houden met de negatieve gevolgen die deze verordening kon hebben voor de economie van de betrokken LGO en de belanghebbende ondernemingen, dit de Nederlandse Antillen geenszins ontslaat van de noodzaak om aan te tonen dat zij door die verordening worden geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert. Dat de Nederlandse Antillen veruit de meeste rijst van oorsprong uit de LGO naar de Gemeenschap uitvoerden, onderscheidt hen niet van elke andere LGO. Zelfs indien het juist zou zijn dat de bij verordening nr. 1036/97 vastgestelde vrijwaringsmaatregelen grote sociaal-economische gevolgen voor de Nederlandse Antillen konden hebben, dan nog hadden de overige LGO met soortgelijke gevolgen te maken. De economische activiteit van bewerking van rijst uit derde landen in de LGO, is een handelsactiviteit die op elk willekeurig moment door elke willekeurige marktdeelnemer in elke willekeurige LGO kan worden uitgeoefend. Deze economische activiteit karakteriseert de Nederlandse Antillen dus niet ten opzichte van elke andere LGO.

( cf. punten 60, 64, 72-74, 76 )

Partijen


In zaak C-452/98,

Nederlandse Antillen, vertegenwoordigd door P. V. F. Bos en M. M. Slotboom, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Torrent, J. Huber en G. Houttuin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerder,

ondersteund door

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door R. Silva de Lapuerta als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

door

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza als gemachtigde, bijgestaan door F. Quadri, avvocatessa dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

en door

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper en T. van Rijn als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënten,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1036/97 van de Raad van 2 juni 1997 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee (PB L 151, blz. 8),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. Jann en F. Macken (rapporteur), kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola, J.-P. Puissochet, L. Sevón, M. Wathelet, R. Schintgen en V. Skouris, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 7 november 2000, waarbij de Nederlandse Antillen waren vertegenwoordigd door P. V. F. Bos en M. M. Slotboom, de Raad door G. Houttuin, het Koninkrijk Spanje door N. Díaz Abad als gemachtigde, de Italiaanse Republiek door F. Quadri en de Commissie door T. van Rijn,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 maart 2001,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 juni 1997 en ingeschreven onder nummer T-179/97, hebben de Nederlandse Antillen krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) verzocht om nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1036/97 van de Raad van 2 juni 1997 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee (PB L 151, blz. 8).

2 Bij beschikkingen van 5 augustus en 15 december 1997 zijn het Koninkrijk Spanje, de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in zaak T-179/97 toegelaten als interveniënten aan de zijde van de Raad van de Europese Unie.

3 De Nederlandse Antillen hadden reeds bij op 23 mei 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, ingeschreven onder nummer T-163/97, tegen de Raad en de Commissie beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 764/97 van de Commissie van 23 april 1997 tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de landen en gebieden overzee (PB L 112, blz. 3) en tot vergoeding van de schade die zij zouden hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van deze verordening en van verordening nr. 1036/97.

4 Bij beschikking van 6 augustus 1997 zijn de zaken T-163/97 en T-179/97 op verzoek van de Raad gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

5 Bij op 20 augustus 1997 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift, ingeschreven onder nummer C-301/97, heeft het Koninkrijk der Nederlanden eveneens verzocht om nietigverklaring van verordening nr. 1036/97.

6 Aangezien de beroepen in de zaken T-179/97 en C-301/97 beide strekken tot nietigverklaring van verordening nr. 1036/97, zijn partijen gehoord over een eventuele ongedaanmaking van de voeging van de zaken T-163/97 en T-179/97 en over een eventuele schorsing van de behandeling of een verwijzing van de zaken naar het Hof.

7 Bij beschikking van 16 november 1998 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 47, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de artikelen 50 en 80 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de voeging van de zaken T-163/97 en T-179/97 ongedaan gemaakt, de behandeling van zaak T-163/97 geschorst tot het Hof arrest heeft gewezen in zaak C-301/97, en zaak T-179/97 naar het Hof verwezen.

Rechtskader

EG-Verdrag

8 Volgens artikel 3, sub r, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 3, lid 1, sub s, EG) omvat het optreden van de Gemeenschap de associatie van landen en gebieden overzee (hierna: LGO"), teneinde het handelsverkeer uit te breiden en in gezamenlijke inspanning de economische en sociale ontwikkeling te bevorderen.

9 Volgens artikel 227, lid 3, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 299, lid 3, EG) vormen de LGO genoemd in bijlage IV bij het EG-Verdrag (thans, na wijziging, bijlage II EG), het onderwerp van de associatieregeling omschreven in het Vierde deel van dit Verdrag. De Nederlandse Antillen worden in die bijlage genoemd.

10 Artikel 228, lid 7, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 300, lid 7, EG) bepaalt dat de akkoorden gesloten onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden verbindend zijn voor de instellingen van de Gemeenschap en voor de lidstaten.

11 Het Vierde deel van het EG-Verdrag, De Associatie van de landen en gebieden overzee", omvat met name de artikelen 131 (thans, na wijziging, artikel 182 EG), 132 (thans artikel 183 EG), 133 (thans, na wijziging, artikel 184 EG), 134 (thans artikel 185 EG) en 136 (thans, na wijziging, artikel 187 EG).

12 Volgens artikel 131, tweede en derde alinea, van het Verdrag heeft de associatie van de LGO met de Europese Gemeenschap tot doel, de economische en sociale ontwikkeling van de LGO te bevorderen en nauwe economische betrekkingen tussen hen en de Gemeenschap in haar geheel tot stand te brengen. Overeenkomstig de in de preambule van het EG-Verdrag neergelegde beginselen moet de associatie in de eerste plaats de mogelijkheid scheppen de belangen en de voorspoed van de inwoners van de LGO te bevorderen, teneinde hen te brengen tot de economische, sociale en culturele ontwikkeling die zij verwachten.

13 Artikel 132, sub 1, EG-Verdrag bepaalt dat de lidstaten op hun handelsverkeer met de LGO de regeling toepassen die zij krachtens het Verdrag tegenover elkaar zijn aangegaan.

14 Volgens artikel 133, lid 1, van het Verdrag delen de goederen van oorsprong uit de LGO bij hun invoer in de lidstaten in de algehele afschaffing van douanerechten die overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag geleidelijk tussen de lidstaten plaatsvindt.

15 Artikel 134 van het Verdrag bepaalt dat indien het peil van de rechten, toepasselijk op goederen van herkomst uit een derde land, bij invoer in een LGO van dien aard is dat, als gevolg van de toepassing van de bepalingen van artikel 133, lid 1, van het Verdrag het handelsverkeer zich ten nadele van een van de lidstaten kan verleggen, deze staat de Commissie kan verzoeken, aan de overige lidstaten de maatregelen voor te stellen die noodzakelijk zijn om deze toestand te verhelpen.

16 Volgens artikel 136 van het Verdrag stelt de Raad op basis van de in het kader van de associatie van de LGO met de Gemeenschap bereikte resultaten en van de in het Verdrag neergelegde beginselen met eenparigheid van stemmen de bepalingen vast betreffende de wijze van toepassing en de procedure van de associatie van de LGO met de Gemeenschap.

Besluit 91/482/EEG

17 Op grond van artikel 136 van het Verdrag heeft de Raad op 25 juli 1991 besluit 91/482/EEG vastgesteld, betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (PB L 263, blz. 1; hierna: LGO-besluit").

18 Volgens artikel 101, lid 1, van het LGO-besluit mogen producten van oorsprong uit de LGO met vrijdom van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap worden ingevoerd.

19 Artikel 102 van het LGO-besluit bepaalt dat de Gemeenschap bij de invoer van producten van oorsprong uit de LGO geen kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toepast.

20 Artikel 6, lid 2, van bijlage II bij het LGO-besluit bepaalt, dat wanneer geheel en al in de Gemeenschap of in de ACS-staten (staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan) verkregen producten in de LGO worden be- of verwerkt, zij worden geacht geheel en al in de LGO te zijn verkregen.

21 In afwijking van de regel van artikel 101, lid 1, kunnen op grond van artikel 109, lid 1, van het LGO-besluit de vereiste vrijwaringsmaatregelen worden genomen door de Commissie indien de toepassing van dit besluit in een sector van economische activiteit van de Gemeenschap of van een of meer lidstaten ernstige verstoringen teweegbrengt, of hun externe financiële stabiliteit in gevaar brengt, of indien moeilijkheden rijzen die in een sector van activiteit van de Gemeenschap of in een regio ervan tot een verslechtering dreigen te leiden".

22 Volgens artikel 109, lid 2, van het LGO-besluit moeten voor de toepassing van lid 1 bij voorrang die maatregelen worden gekozen die in de werking van de associatie en van de Gemeenschap zo weinig mogelijk verstoringen teweegbrengen. Deze maatregelen mogen geen grotere draagwijdte hebben dan strikt noodzakelijk is om de aan het licht getreden moeilijkheden te verhelpen.

23 Overeenkomstig artikel 1, leden 5 en 7, van bijlage IV bij het LGO-besluit kan elke lidstaat de beslissing van de Commissie tot vaststelling van vrijwaringsmaatregelen binnen tien werkdagen nadat die beslissing is meegedeeld, aan de Raad voorleggen. In dat geval kan de Raad binnen 21 werkdagen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andere beslissing nemen.

De Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994

24 Artikel XIX, lid 1, sub a, van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994, opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: WTO"), die namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1), bepaalt:

Indien, ten gevolge van onvoorziene ontwikkelingen en op grond van de door een verdragsluitende partij krachtens deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, met inbegrip van tariefconcessies, een product op het grondgebied van die verdragsluitende partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden, dat ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan binnenlandse producenten op dat grondgebied van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende producten, staat het die verdragsluitende partij vrij, ten aanzien van zulk een product en voorzover en zolang zulks nodig mocht zijn, de verplichting geheel of gedeeltelijk op te schorten of de concessie in te trekken of te wijzigen, zulks teneinde een dergelijk nadeel te voorkomen of te verhelpen."

De Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen

25 Artikel 7, lid 5, van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, die eveneens is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst, luidt: De invoer van een product die onderworpen is geweest aan een na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst genomen vrijwaringsmaatregel mag niet opnieuw aan een vrijwaringsmaatregel worden onderworpen gedurende een periode gelijk aan [de] vorige toepassingsperiode van [een] dergelijke maatregel met dien verstande dat de periode van niet-toepassing ten minste twee jaar moet bedragen."

Verordening nr. 764/97

26 Naar aanleiding van het verzoek van de Italiaanse regering om verlenging van de bij verordening (EG) nr. 304/97 van de Raad van 17 februari 1997 (PB L 51, blz. 1) vastgestelde vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van rijst van oorsprong uit de LGO, heeft de Commissie krachtens artikel 109 van het LGO-besluit verordening nr. 764/97 vastgesteld.

27 Artikel 1 van deze verordening opende een tariefcontingent voor de invoer - vrij van douanerechten - van rijst van GN-code 1006 van oorsprong uit de LGO, te weten 10 000 ton van oorsprong uit Montserrat en de eilanden Turks en Caicos, en 59 610 ton van oorsprong uit andere LGO.

28 Blijkens artikel 7, tweede alinea, was verordening nr. 764/97 van toepassing van 1 mei tot en met 30 september 1997.

29 De Spaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben daarop verordening nr. 764/97 aan de Raad voorgelegd overeenkomstig artikel 1, lid 5, van bijlage IV bij het LGO-besluit en verzocht om verhoging van het aan Montserrat en de eilanden Turks en Caicos toegekende contingent.

Verordening nr. 1036/97

30 Op 2 juni 1997 heeft de Raad verordening nr. 1036/97 vastgesteld, waarbij verordening nr. 764/97 werd ingetrokken (artikel 7).

31 Het belangrijkste verschil tussen de verordening van de Raad en die van de Commissie betreft de verdeling van het contingent tussen de LGO en de geldingsduur.

32 Artikel 1 van verordening nr. 1036/97 bepaalt:

Van rijst van GN-code 1006 van oorsprong uit de LGO mogen in de periode van 1 mei tot en met 30 november 1997, vrij van douanerechten, de volgende hoeveelheden, uitgedrukt in equivalent gedopte rijst, in de Gemeenschap worden ingevoerd:

a) 13 430 ton van oorsprong uit Montserrat en de eilanden Turks en Caicos,

en

b) 56 180 ton van oorsprong uit andere LGO."

33 Verordening nr. 1036/97, die in werking is getreden op 10 juni 1997, de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, was van toepassing van 1 mei tot en met 30 november 1997.

De communautaire rijstmarkt

34 Er wordt onderscheid gemaakt tussen rijst van het type Japonica en rijst van het type Indica.

35 De rijstproducerende landen in de Gemeenschap zijn hoofdzakelijk Frankrijk, Spanje en Italië. Ongeveer 80 % van de in de Gemeenschap geproduceerde rijst is Japonica-rijst en 20 % Indica-rijst. Japonica-rijst wordt voornamelijk in de zuidelijke lidstaten en Indica-rijst voornamelijk in de noordelijke lidstaten geconsumeerd.

36 In de Gemeenschap bestaat een productieoverschot bij Japonica-rijst, zodat deze rijst over het geheel genomen wordt uitgevoerd. De Gemeenschap verbouwt daarentegen niet voldoende Indica-rijst om in haar eigen behoeften te voorzien, en deze rijst wordt over het geheel genomen ingevoerd.

37 Voor de consumptie moet de rijst worden bewerkt. Na het oogsten wordt de rijst gedopt en vervolgens in een aantal stadia geslepen.

38 In het algemeen worden vier bewerkingsstadia onderscheiden:

- padie: de rijst zoals hij van het land komt, nog ongeschikt voor consumptie;

- gedopte rijst (ook wel bruine rijst genoemd): rijst waarvan het kaf is verwijderd, die kan worden geconsumeerd, maar eveneens geschikt is voor verdere bewerking;

- halfwitte rijst (ook wel deels geslepen rijst genoemd): rijst waarvan een deel van het vlies is verwijderd, een halffabrikaat dat in het algemeen voor bewerking en niet voor consumptie wordt verkocht;

- witte rijst (ook wel geslepen rijst genoemd): volledig bewerkte rijst, waarvan het kaf en het vlies zijn verwijderd.

39 De Gemeenschap produceert enkel witte rijst, terwijl de Nederlandse Antillen enkel halfwitte rijst produceren. De halfwitte rijst uit de Nederlandse Antillen moet dus voor consumptie in de Gemeenschap nog een laatste bewerking ondergaan.

40 Een zestal op de Nederlandse Antillen gevestigde ondernemingen bewerken aldaar gedopte rijst uit Suriname en Guyana tot halfwitte rijst.

41 Deze bewerkingshandeling is volgens de voorschriften van bijlage II bij het LGO-besluit toereikend om die rijst het karakter van rijst van oorsprong uit de LGO te verlenen.

Het beroep

42 Verzoekster concludeert tot nietigverklaring van verordening nr. 1036/97, met verwijzing van de Raad in de kosten.

43 Ter ondersteuning van haar beroep voert zij acht middelen aan: misbruik van bevoegdheid; schending van het rechtszekerheidsbeginsel; schending van artikel 133, lid 1, van het Verdrag; schending van de artikelen 132, sub 1, en 134 van het Verdrag junctis artikel 102 van het LGO-besluit en artikel 4 van besluit 64/349/EEG van de Raad van 25 februari 1964 inzake de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Economische Gemeenschap (PB 1964, 93, blz. 1472); schending van artikel 7, lid 5, van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen alsmede van artikel 228, lid 7, van het Verdrag; schending van artikel 109, lid 1, van het LGO-besluit; schending van artikel 109, lid 2, van het LGO-besluit, en ten slotte schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG).

44 De Raad, ondersteund door de Commissie, het Koninkrijk Spanje en de Italiaanse Republiek, concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair ongegrondverklaring van het beroep, met verwijzing van verzoekster in de kosten.

De ontvankelijkheid van de interventie van het Koninkrijk Spanje

45 Verzoekster stelt vooraf dat het Hof geen rekening mag houden met de opmerkingen van het Koninkrijk Spanje in zijn memorie in interventie, omdat er tussen de Nederlandse Antillen en die lidstaat geen gemeenschapsrechtelijke betrekkingen bestaan. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft het verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje namelijk enkel voor zijn grondgebied in Europa bekrachtigd.

46 Anders dan verzoekster meent, is de interventie van het Koninkrijk Spanje ontvankelijk. Op grond van artikel 37, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG zijn de lidstaten immers gerechtigd zich in elk voor het Hof aanhangig rechtsgeding te voegen. Ook al heeft het Koninkrijk der Nederlanden het verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje enkel voor zijn grondgebied in Europa bekrachtigd, dit belet het Koninkrijk Spanje niet dit recht, dat het in zijn hoedanigheid van lidstaat bezit, uit te oefenen.

De ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring

47 Verzoekster stelt, dat de Nederlandse Antillen krachtens het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden één van de drie gebieden zijn die het Koninkrijk der Nederlanden vormen, en hun eigen belangen zelfstandig behartigen. Die belangen worden niet altijd volledig door het Koninkrijk der Nederlanden waargenomen. De Nederlandse Antillen hebben een eigen bevoegdheid op economisch gebied en moeten dan ook in staat zijn hun eigen economie zelfstandig te beschermen door de gemeenschapsrechter te verzoeken verordening nr. 1036/97 nietig te verklaren. Overigens heeft de Nederlandse regering in haar in bijlage VIII bij het LGO-besluit opgenomen verklaring gewezen op de zelfstandige bevoegdheid van de Nederlandse Antillen binnen het Koninkrijk om in rechte op te treden tegen maatregelen die worden genomen op grond van dit besluit. Verzoekster leidt daaruit af, dat zij als LGO genoemd in het Vierde deel van en in bijlage IV bij het EG-Verdrag niet hoeft aan te tonen dat zij door verordening nr. 1036/97 rechtstreeks en individueel wordt geraakt.

48 Voorts stelt zij, evenals het Europees Parlement het recht te hebben om beroep tot nietigverklaring in te stellen, wanneer dat beroep is gericht op bescherming van de haar door het Verdrag toegekende prerogatieven.

49 Zij verzoekt het Hof derhalve te beslissen of zij onder overeenkomstige toepassing van artikel 173, tweede en derde alinea, van het Verdrag beroep kan instellen, wanneer dit is gericht op bescherming van haar prerogatieven, zoals in casu.

50 Noch artikel 173, tweede alinea (zie in die zin beschikkingen van 21 maart 1997, Waals Gewest/Commissie, C-95/97, Jurispr. blz. I-1787, punt 6, en 1 oktober 1997, Regione Toscana/Commissie, C-180/97, Jurispr. blz. I-5245, punt 6), noch artikel 173, derde alinea, leent zich evenwel voor overeenkomstige toepassing. Bijgevolg kan alleen op grond van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag worden beoordeeld, of verzoekster bevoegd is om in rechte op te treden.

51 Verzoekster bezit naar Nederlands recht rechtspersoonlijkheid, zodat zij in beginsel beroep tot nietigverklaring kan instellen op grond van die bepaling, krachtens welke iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep kan instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.

52 Aangezien verordening nr. 1036/97 geen tot verzoekster gerichte beschikking in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag is, moet worden nagegaan, of zij een handeling van algemene strekking is dan wel moet worden beschouwd als een beschikking die in de vorm van een verordening is genomen. Om vast te stellen of een handeling al dan niet van algemene strekking is, dient de aard ervan te worden beoordeeld en de rechtsgevolgen die zij beoogt teweeg te brengen of daadwerkelijk teweegbrengt (arrest van 6 oktober 1982, Alusuisse Italia/Raad en Commissie, 307/81, Jurispr. blz. 3463, punt 8).

53 In casu heeft de Raad bij verordening nr. 1036/97 maatregelen van algemene strekking getroffen, die zonder onderscheid van toepassing waren op importen van rijst van oorsprong uit alle LGO.

54 Bijgevolg is verordening nr. 1036/97 naar haar aard van algemene strekking en geen beschikking in de zin van artikel 189 EG-Verdrag (thans artikel 249 EG).

55 Evenwel moet worden onderzocht of verzoekster, ondanks de algemene strekking van die verordening, niettemin kan worden geacht daardoor rechtstreeks en individueel te worden geraakt. De algemene strekking van een handeling sluit immers niet uit, dat zij bepaalde natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks en individueel kan raken (zie arrest van 18 mei 1994, Codorníu/Raad, C-309/89, Jurispr. blz. I-1853, punt 19).

56 Verzoekster is van mening, dat zij door verordening nr. 1036/97 rechtstreeks en individueel wordt geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.

57 Wat de vraag betreft, of zij individueel wordt geraakt, stelt zij dat zij onmiskenbaar individueel wordt geraakt door een maatregel die het handelsverkeer in rijst vanuit de LGO naar de Gemeenschap beperkt. De LGO, waarvan zij deel uitmaakt, zijn in bijlage IV bij het Verdrag en in bijlage I bij het LGO-besluit als besloten groep" genoemd. Voorts behoorden de gevolgen die de voorgenomen vrijwaringsmaatregelen konden hebben voor de economie van de Nederlandse Antillen, overeenkomstig artikel 109 van het LGO-besluit in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van die maatregelen. Ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1036/97 wist de Raad, dat zij van alle LGO relatief gezien veruit de meeste rijst naar de Gemeenschap exporteerde.

58 Wat de vraag betreft, of zij door verordening nr. 1036/97 rechtstreeks wordt geraakt, wijst verzoekster erop dat die maatregel de lidstaten geen enkele beoordelingsvrijheid laat bij de uitvoering ervan. Voorts brengt hij ernstige beperkingen mee voor een belangrijke economische sector van de Nederlandse Antillen, te weten die van de rijstverwerking, die in 1996 0,9 % van hun bruto nationaal product vertegenwoordigde.

59 Ter terechtzitting heeft verzoekster bovendien gesteld, dat het Gerecht in het arrest van 10 februari 2000, Nederlandse Antillen/Commissie (T-32/98 en T-41/98, Jurispr. blz. II-201) in soortgelijke omstandigheden het door haar op grond van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag ingestelde beroep tot nietigverklaring ontvankelijk heeft verklaard.

60 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat natuurlijke of rechtspersonen, willen zij kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt, in hun rechtspositie moeten worden getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de geadresseerde (zie, onder meer, arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, blz. 232, en 2 april 1998, Greenpeace Council e.a./Commissie, C-321/95 P, Jurispr. blz. I-1651, punt 7).

61 Wat in de eerste plaats haar bijzondere hoedanigheden ten opzichte van de overige LGO betreft, wijst verzoekster erop dat verordening nr. 1036/97 aanzienlijke beperkingen oplegt aan een belangrijke sector van haar economie.

62 De vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen treft weliswaar de rijstverwerkende sector, doch deze sector vertegenwoordigde volgens verzoeksters eigen gegevens in 1996 slechts 0,9 % van haar bruto nationaal product.

63 In die omstandigheden is niet aangetoond dat verordening nr. 1036/97 ernstige gevolgen meebrengt voor een belangrijke sector van de economie van de Nederlandse Antillen in tegenstelling tot iedere andere LGO en evenmin dat verzoekster door de betrokken vrijwaringsmaatregelen wordt getroffen uit hoofde van hoedanigheden die haar onderscheiden van andere LGO waarop verordening nr. 1036/97 eveneens van toepassing was.

64 Hoe dan ook kan het algemene belang dat een LGO, als bevoegde entiteit voor de economische en sociale vraagstukken op zijn grondgebied, kan hebben bij de verkrijging van een voor de economische welvaart van dit grondgebied gunstig resultaat, op zich niet volstaan om het als door de bepalingen van verordening nr. 1036/97 in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag geraakt of zelfs individueel geraakt te beschouwen.

65 Verzoekster heeft dus niet het bewijs geleverd, dat zij uit hoofde van bijzondere hoedanigheden door verordening nr. 1036/97 individueel wordt geraakt.

66 Wat in de tweede plaats de vraag betreft, of zij zich in een feitelijke situatie bevindt die haar ten opzichte van iedere andere LGO karakteriseert en haar derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een geadresseerde, stelt zij dat zij veruit de meeste rijst van oorsprong uit de LGO naar de Gemeenschap uitvoerde, dat de Raad ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1036/97 van deze bijzondere situatie op de hoogte was en hiermee rekening had moeten houden bij de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen vrijwaringsmaatregelen voor de economie van de Nederlandse Antillen.

67 Het Hof heeft reeds aanvaard, dat het feit dat de Raad of de Commissie op grond van specifieke bepalingen verplicht is rekening te houden met de gevolgen die de handeling die zij voornemens zijn vast te stellen, heeft voor de situatie van bepaalde particulieren, deze laatsten kan individualiseren (zie in die zin arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 28 en 31, en 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769, punt 25).

68 Wanneer de Commissie voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen op grond van artikel 109, lid 1, van het LGO-besluit, moet zij zich, voorzover de omstandigheden van het geval dit toelaten, op de hoogte stellen van de negatieve gevolgen die haar beslissing kan hebben voor de economie van de betrokken LGO en de belanghebbende ondernemingen (zie arrest Antillean Rice Mills e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 25).

69 Aangezien verordening nr. 1036/97 is vastgesteld overeenkomstig artikel 1, leden 5 tot en met 7, van bijlage IV bij het LGO-besluit, was eveneens de Raad verplicht rekening te houden met de gevolgen die de voorgenomen vrijwaringsmaatregelen zouden kunnen hebben voor de betrokken LGO en de belanghebbende ondernemingen.

70 Blijkens voornoemd arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie is het bestaan van die verplichting evenwel onvoldoende bewijs, dat die LGO en die ondernemingen door deze maatregelen individueel worden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.

71 In punt 28 van dat arrest heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat de Commissie zich op de hoogte diende te stellen van de negatieve gevolgen die haar beslissing kon hebben voor de economie van de betrokken lidstaat en de belanghebbende ondernemingen, doch het heeft niet op die enkele grond aanvaard dat alle belanghebbende ondernemingen individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. Het heeft integendeel overwogen, dat enkel de ondernemingen die waren betrokken bij reeds afgesloten overeenkomsten waarvan de uitvoering, die was voorzien tijdens de geldigheidsduur van de litigieuze beschikking, geheel of gedeeltelijk was verhinderd door die beschikking, individueel werden geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag (zie arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 28, 31 en 32).

72 Ook al behoorde de Raad ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1036/97, voorzover de omstandigheden dit toelieten, rekening te houden met de negatieve gevolgen die deze verordening kon hebben voor de economie van de betrokken LGO en de belanghebbende ondernemingen, dit ontslaat verzoekster dus geenszins van de noodzaak om aan te tonen dat zij door die verordening wordt geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert.

73 Dat verzoekster veruit de meeste rijst van oorsprong uit de LGO naar de Gemeenschap uitvoerde, onderscheidt haar niet van elke andere LGO. Zelfs indien het juist zou zijn dat de bij verordening nr. 1036/97 vastgestelde vrijwaringsmaatregelen grote sociaal-economische gevolgen voor de Nederlandse Antillen konden hebben, dan nog hadden de overige LGO met soortgelijke gevolgen te maken.

74 De economische activiteit waarom het in casu gaat, namelijk de bewerking van rijst uit derde landen in de LGO, is een handelsactiviteit die op elk willekeurig moment door elke willekeurige marktdeelnemer in elke willekeurige LGO kan worden uitgeoefend. Ook in andere LGO dan de Nederlandse Antillen zijn fabrieken voor de bewerking van rijst, te weten in Montserrat en op de eilanden Turks en Caicos. Deze economische activiteit karakteriseert de Nederlandse Antillen dus niet ten opzichte van elke andere LGO.

75 Gelet op het voorgaande heeft verzoekster niet aangetoond dat zij in haar rechtspositie wordt getroffen uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert en derhalve individualiseert.

76 Aangezien zij niet heeft aangetoond dat zij door verordening nr. 1036/97 individueel wordt geraakt, behoeft niet te worden onderzocht of zij door die verordening rechtstreeks wordt geraakt.

77 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

78 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van dat Reglement zullen het Koninkrijk Spanje, de Italiaanse Republiek en de Commissie, interveniënten, hun eigen kosten dragen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

2) Verwijst de Nederlandse Antillen in de kosten.

3) Verstaat dat het Koninkrijk Spanje, de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hun eigen kosten zullen dragen.