61999J0033

Arrest van het Hof van 20 maart 2001. - Hassan Fahmi en M. Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado tegen Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Arrondissementsrechtbank te Amsterdam - Nederland. - Artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko - Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 - Sociale zekerheid - Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 - Artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 39 EG en 43 EG) - Vrij verkeer van personen - Non-discriminatie - Rechthebbenden op invaliditeitspensioen die niet meer in bevoegde lidstaat wonen - Wijziging van wetgeving inzake studiefinanciering. - Zaak C-33/99.

Jurisprudentie 2001 bladzijde I-02415


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


1. Internationale overeenkomsten Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko Sociale zekerheid Gelijke behandeling Geleidelijke afschaffing van kinderbijslag Toelaatbaarheid Voorwaarde

[EG-Verdrag, art. 48 (thans, na wijziging, art. 39 EG); Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko; verordeningen nrs. 1612/68 en 1408/71 van de Raad]

2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers Gezinsbijslagen Rechthebbenden op pensioen of rente Uitkeringen door lidstaat verschuldigd aan in andere lidstaat wonende rechthebbende Beperking tot kinderbijslag in zin van artikel 1, sub u-ii, van verordening nr. 1408/71

(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 1, sub u-ii, 3, lid 1, en 77)

3. Vrij verkeer van personen Werknemers Gelijke behandeling Sociale voordelen Werknemer die beroepsactiviteit in lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en naar land van herkomst is teruggekeerd Recht op studiefinanciering voor zijn kinderen onder dezelfde voorwaarden als die welke in lidstaat van ontvangst voor eigen onderdanen gelden Geen

[EG-Verdrag, art. 48 (thans, na wijziging, art. 39 EG); verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 7, lid 2]

4. Internationale overeenkomsten Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko Marokkaanse werknemers werkzaam in lidstaat Sociale zekerheid Kinderen van Marokkaans werknemer die niet in Gemeenschap wonen Recht zich met betrekking tot studiefinanciering van kinderen op non-discriminatiebeginsel te beroepen Geen

(Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko, art. 41)

Samenvatting


1. Noch de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko, noch artikel 48 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) en evenmin de verordeningen nrs. 1408/71 en 1612/68 kunnen aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat de kinderbijslag voor studerenden tussen 18 en 27 jaar geleidelijk afschaft, voorzover die afschaffing plaatsvindt zonder discriminatie op grond van nationaliteit.

( cf. punt 30, dictum 1 )

2. Noch het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit noch enige andere bepaling van deze verordening kan aldus worden uitgelegd dat een rechthebbende op pensioen die niet in de lidstaat woont die dit pensioen moet uitkeren, jegens die lidstaat aanspraak heeft op andere uitkeringen voor ten laste komende kinderen dan de kinderbijslag in de zin van artikel 1, sub u-ii, van deze verordening, zoals studiefinanciering. Artikel 77 van dezelfde verordening, dat als specifiek doel heeft de voorwaarden te preciseren waaronder een rechthebbende op pensioen aanspraak kan maken op kinderbijslag jegens de lidstaat krachtens de wetgeving waarvan hem pensioen wordt toegekend, beperkt de werkingssfeer van deze bepaling uitdrukkelijk tot kinderbijslag.

( cf. punten 34-36, dictum 2 )

3. Een onderdaan van een lidstaat die het door artikel 48 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) gewaarborgde recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend en vervolgens zijn beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en is teruggekeerd naar zijn land van herkomst waar ook zijn kinderen wonen, kan zich noch op dat artikel 48 noch op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 beroepen teneinde van de lidstaat waar hij werkzaam is geweest, studiefinanciering voor zijn kinderen te verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als door deze staat op zijn eigen onderdanen worden toegepast.

( cf. punt 51, dictum 3 )

4. Artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de ten laste komende kinderen van een Marokkaanse werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen, noch deze werknemer noch zijn kinderen zich met betrekking tot studiefinanciering kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid.

( cf. punt 58, dictum 4 )

Partijen


In zaak C-33/99,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam (Nederland), in het aldaar aanhangig geding tussen

Hassan Fahmi,

M. Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado

en

Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1), artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1), artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), en de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 39 EG en 43 EG),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE,

samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. Gulmann, A. La Pergola (rapporteur), M. Wathelet en V. Skouris, kamerpresidenten, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet, P. Jann, L. Sevón, R. Schintgen en F. Macken, rechters,

advocaat-generaal: S. Alber,

griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur,

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

H. Fahmi, vertegenwoordigd door H. M. van Dam, advocaat,

M. Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado, vertegenwoordigd door C. A. J. de Roy van Zuydewijn, advocaat,

het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door G. J. Vonk als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra als gemachtigde,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. López-Monís Gallego als gemachtigde,

de Franse regering, vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger en C. Bergeot als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door W. Okresek als gemachtigde,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. V. Magrill, als gemachtigde, bijgestaan door D. Rose, barrister,

de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. J. Kuijper en P. Hillenkamp als gemachtigden,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van H. Fahmi, vertegenwoordigd door H. M. van Dam; M. Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado, vertegenwoordigd door C. A. J. de Roy van Zuydewijn; het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door G. J. Vonk; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. van Bakel als gemachtigde; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door D. Santiago Ortiz Vaamonde als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. V. Magrill, bijgestaan door D. Rose, en de Commissie, vertegenwoordigd door C. van der Hauwaert als gemachtigde, ter terechtzitting van 6 juni 2000,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 2000,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij uitspraak van 28 januari 1999, ingekomen ter griffie van het Hof op 8 februari daaraanvolgend, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1; hierna: Samenwerkingsovereenkomst"), artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB L 136, blz. 1; hierna: verordening nr. 1408/71"), artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), en de artikelen 48 en 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, de artikelen 39 EG en 43 EG).

2 De eerste twee vragen, die betrekking hebben op de uitlegging van artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst, zijn gerezen in een geding tussen H. Fahmi, van Marokkaanse nationaliteit, en het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB") over de weigering van kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 1996.

3 De derde en de vierde vraag, die betrekking hebben op de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 1408/71, artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1612/68 en de artikelen 48 en 52 van het Verdrag, zijn gerezen in een geding tussen M. Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado, van Spaanse nationaliteit, en de SVB over de weigering van kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 1996 en het eerste kwartaal van 1997.

Het toepasselijke recht

Het gemeenschapsrecht

4 Artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst bepaalt:

1. Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn.

[...]

3. Deze werknemers komen in aanmerking voor gezinsbijslagen voor de leden van hun gezin die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn.

4. Deze werknemers mogen ouderdoms- en overlevingspensioenen en -renten, pensioenen en renten wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten en invaliditeitspensioenen en -renten ingevolge arbeidsongevallen of beroepsziekten, vrij overmaken naar Marokko tegen die koers die geldt krachtens de wetgeving van de lidstaat of de lidstaten die de desbetreffende bedragen moeten betalen.

[...]"

5 Artikel 1 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:

Voor de toepassing van deze verordening:

[...]

u) i) worden onder ,gezinsbijslagen verstaan, alle verstrekkingen of uitkeringen ter bestrijding van de gezinslasten in het kader van een in artikel 4, lid 1, sub h, bedoelde wettelijke regeling, met uitzondering van de in bijlage II vermelde bijzondere uitkeringen bij geboorte;

ii) wordt onder ,kinderbijslag verstaan de periodieke uitkeringen welke uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend."

6 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:

Personen die op het grondgebied van één der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening."

7 Artikel 77 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift Bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen", luidt als volgt:

1. Voor de toepassing van dit artikel worden onder ,bijslagen verstaan zowel kinderbijslag voor rechthebbenden op pensioen of rente wegens ouderdom, invaliditeit, arbeidsongeval of beroepsziekte, als verhogingen of aanvullingen van deze pensioenen of renten voor kinderen van deze rechthebbenden, met uitzondering evenwel van de aanvullingen welke ingevolge de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten worden toegekend.

2. Ongeacht op het grondgebied van welke lidstaat de rechthebbende op een pensioen of rente dan wel de kinderen wonen, worden de bijslagen toegekend volgens onderstaande regels:

a) aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één enkele lidstaat, overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is;

[...]"

8 Artikel 7, leden 1 en 2, van verordening nr. 1612/68 bepaalt:

1. Een werknemer die onderdaan is van een lidstaat mag op het grondgebied van andere lidstaten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling.

2. Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers."

De nationale regelgeving

9 Vóór 1 oktober 1986 had de verzekerde krachtens de Algemene Kinderbijslagwet van 19 december 1962 (hierna: AKW") recht op kinderbijslag onder de voorwaarden genoemd in artikel 7, lid 1, AKW. Deze bepaling luidde als volgt:

De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor zijn eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, die hij verzorgt dan wel onderhoudt, mits die kinderen:

[...]

c) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn, wier voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, en die in belangrijke mate op zijn kosten worden onderhouden."

10 Met ingang van 1 oktober 1986 is artikel 7, lid 1, AKW gewijzigd bij de Wet op de studiefinanciering van 24 april 1986 (hierna: WSF"). De leeftijdsgrens van 27 jaar voor het recht op kinderbijslag werd daarbij gesteld op 18 jaar. Doel van de WSF was om studerenden tussen 18 en 27 jaar een eigen recht op studiefinanciering te verlenen. Deze nieuwe wijze van financiering berustte op onder meer de volgende uitgangspunten: handhaving van de financiële onafhankelijkheid van de studerende ten opzichte van zijn ouders, gelijke behandeling van studenten van verschillende onderwijsniveaus en versterking van de rechtspositie van de studerende.

11 Het nieuwe artikel 7, lid 1, AKW kent de verzekerde recht op kinderbijslag toe:

[...] voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat

a. jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, of

b. jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden".

12 Het nieuwe AKW-regime is niet onmiddellijk in volle omvang in werking getreden. Voor kinderen geboren vóór 1 oktober 1986 bevatte aanvankelijk de WSF en later hoofdstuk IV van de AKW een overgangsregeling, die inhield dat voor studerende kinderen van 18 tot 27 jaar recht op kinderbijslag bleef bestaan.

13 Deze overgangsregeling is met ingang van 1 januari 1996 gewijzigd bij wet van 21 december 1995. Op grond van de nieuwe overgangsregeling bleef het recht op kinderbijslag krachtens de AKW bestaan voor het studerende kind van 18 jaar en ouder, zolang het kind dezelfde opleiding voortzette als die het op 1 oktober 1995 volgde.

14 Volgens artikel 7 WSF geldt deze wet en de daarin geregelde financiering voor:

a) studerenden die de Nederlandse nationaliteit bezitten;

b) studerenden die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten maar wel in Nederland wonen, ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomsten met andere mogendheden dan wel een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, wordt bepaald dat zij op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander worden gelijkgesteld;

[...]".

15 De studiefinanciering van de WSF bestaat uit een basisbeurs, waarvan de hoogte niet afhankelijk is van het ouderlijk inkomen en die gelijk is voor alle studerenden aan een bepaald onderwijstype, en een aanvullende financiering, waarvan de hoogte wel afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

16 In het algemeen bestaat enkel recht op studiefinanciering voor opleidingen die aan een Nederlandse instelling worden gevolgd. Niettemin kunnen bepaalde buitenlandse instellingen voor de toepassing van de WSF worden gelijkgesteld met Nederlandse instellingen.

De geschillen in het hoofdgeding

17 Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado hebben ieder in Nederland in loondienst gewerkt. Na arbeidsongeschikt te zijn geworden, keerden zij met behoud van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering terug naar Marokko respectievelijk Spanje. Uit hoofde van deze uitkering hadden zij recht op kinderbijslag ingevolge de AKW voor het te hunnen laste komende kind.

18 De SVB weigerde evenwel Fahmi voor het vierde kwartaal van 1996 en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado voor hetzelfde kwartaal en het eerste kwartaal van 1997 kinderbijslag toe te kennen. Deze weigeringen berustten op de overweging, dat de betrokken kinderen de leeftijd van 18 jaar hadden bereikt en niet meer aan de voorwaarden van de sinds 1 januari 1996 geldende overgangsregeling voldeden. De zoon van Fahmi en de dochter van Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado hebben namelijk hun middelbareschoolopleiding in Marokko respectievelijk Spanje afgerond in het schooljaar 1995/1996 en zijn aldaar in het schooljaar 1996/1997 aan een hogere opleiding begonnen.

19 Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado hebben bezwaar gemaakt tegen de weigeringsbesluiten van de SVB. De SVB heeft de bezwaarschriften bij besluiten van 26 maart respectievelijk 7 mei 1997 ongegrond verklaard. Daarop hebben Fahmi en Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam.

20 De Arrondissementsrechtbank is van oordeel, dat door de wijziging van de AKW bij gelegenheid van de invoering van de WSF en het in de WSF ten aanzien van studerenden gestelde nationaliteits- en woonplaatsvereiste een onderscheid naar nationaliteit is gemaakt. Dit onderscheid raakt ook de AKW-verzekerden zelf, omdat enerzijds niet-Nederlandse kinderen van AKW-verzekerden in overwegende mate niet-Nederlandse ouders hebben en anderzijds in het buitenland studerende kinderen van AKW-verzekerden veel vaker ouders hebben die zelf ook buiten Nederland wonen. Volgens de verwijzende rechter kan dit onderscheid niet worden gerechtvaardigd door de doelstellingen van het studiefinancieringsstelsel van de WSF.

21 Van oordeel dat de bij hem aanhangige gedingen uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk maken, heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

in de zaak Fahmi:

1) a) Moet artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko zo worden uitgelegd, dat Marokkaanse werknemers op het daarin neergelegde discriminatieverbod een beroep kunnen doen, indien zij niet meer wonen op het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap?

b) Zo ja, staat artikel 41, lid 3, van de Samenwerkingsovereenkomst er dan aan in de weg dat Marokkaanse werknemers wier kinderen buiten de Gemeenschap wonen, op artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst een beroep doen?

2) Indien een werknemer zoals verzoeker in het hoofdgeding een beroep kan doen op het in artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst neergelegde discriminatieverbod, brengt dit verbod dan mee dat het ongeoorloofd is het recht op kinderbijslag af te schaffen, als in verband met die afschaffing dit recht voor Nederlandse of in Nederland wonende AKW-verzekerden veel vaker dan voor werknemers zoals verzoeker wordt vervangen door een andere aanspraak op een overheidsbijdrage in (onder meer) de kosten van levensonderhoud van studerende kinderen van 18 jaar en ouder?"

in de zaak van Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado:

1) a) Is met artikel 3 van verordening nr. 1408/71 of enige andere bepaling van die verordening onverenigbaar dat het recht op kinderbijslag voor studerende kinderen, ouder dan 18 jaar, wordt afgeschaft als voor de daarvoor in de plaats komende aanspraak in beginsel slechts studerenden met de Nederlandse nationaliteit en in Nederland studerenden in aanmerking komen?

b) Moet artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1612/68 zo worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is de afschaffing van het recht op kinderbijslag voor studerende kinderen, ouder dan 18 jaar, als voor de daarvoor in de plaats komende aanspraak in beginsel slechts studerenden met de Nederlandse nationaliteit en in Nederland studerenden in aanmerking komen?

2) Moet artikel 48 of artikel 52 van het EEG-Verdrag zo worden uitgelegd dat de beperking van de aanspraken op een overheidsbijdrage in het levensonderhoud van studerende kinderen van 18 jaar en ouder voor naar Nederland migrerende niet-Nederlandse onderdanen van een lidstaat of hun kinderen ertoe leidt dat een zodanige belemmering van het vrij verkeer van werknemers, onderscheidenlijk het recht op vrije vestiging optreedt dat voornoemde beperking daarmee niet verenigbaar is?"

Voorwerp en ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

22 In wezen komen de prejudiciële vragen erop neer, of de verschillende door de verwijzende rechter genoemde bepalingen van gemeenschapsrecht aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen de afschaffing van het recht op kinderbijslag, zoals dat door de AKW wordt gewaarborgd, voor studerenden tussen 18 en 27 jaar en vervanging door een eigen recht op studiefinanciering voor laatstgenoemden, waarop in het algemeen slechts aanspraak kan worden gemaakt door studerenden die de nationaliteit van de betrokken lidstaat bezitten of daar woonachtig zijn en een studie volgen aan een in die lidstaat gevestigde onderwijsinstelling, wanneer deze wijziging tot gevolg heeft dat personen in de situatie van verzoekers in het hoofdgeding het recht op de door de oude regeling gewaarborgde uitkering verliezen, zonder dat hun kinderen een recht op studiefinanciering kunnen ontlenen aan de nieuwe regeling.

23 De verwijzende rechter lijkt aldus te suggereren, dat de verenigbaarheid van de AKW en de WSF met het gemeenschapsrecht niet voor elke wet afzonderlijk dient te worden onderzocht, maar dat dit dubbele wetgevingsproces gedeeltelijke afschaffing van een bestaande regeling en invoering van een nieuwe regeling ter vervanging van de oude in zijn geheel dient te worden getoetst aan de eisen van het gemeenschapsrecht.

24 Vastgesteld moet echter worden, dat bij gebreke van bijzondere omstandigheden het enkele feit dat de twee betrokken wetswijzigingen deel uitmaken van een algemene herziening van het nationale stelsel van studiefinanciering, niet voldoende grond kan zijn om de twee regelingen in hun onderling verband aan het gemeenschapsrecht te toetsen.

25 De lidstaten zijn immers nog steeds vrij in de inrichting van hun stelsels van sociale zekerheid, met name met betrekking tot de voorwaarden waaronder recht op uitkeringen bestaat, mits zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid het gemeenschapsrecht eerbiedigen (zie, met name, arresten van 28 juni 1978, Kenny, 1/78, Jurispr. blz. 1489, punt 16; 24 april 1980, Coonan, 110/79, Jurispr. blz. 1445, punt 12, en 28 april 1998, Decker, C-120/95, Jurispr. blz. I-1831, punten 21-23).

26 De door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap en de Samenwerkingsovereenkomst moeten derhalve voor elk van de twee nationale regelingen afzonderlijk worden uitgelegd.

27 Wat de AKW betreft moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 27 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de geleidelijke afschaffing van de kinderbijslag waarin deze wet voor studerenden tussen 18 en 27 jaar ongeacht nationaliteit voorziet, als zodanig geen inbreuk maakt op de door de verwijzende rechter aangehaalde regels inzake het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap of op de Samenwerkingsovereenkomst.

28 Met betrekking tot de eventuele onbevoegdheid van de verwijzende rechter om uitspraak over de WSF te doen, of het feit dat het bij hem ingestelde beroep uitsluitend is gebaseerd op de AKW, alsmede de door de Commissie en de Nederlandse regering ter zake geuite twijfel moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie, onder meer, arrest van 15 juni 2000, Sehrer, C-302/98, Jurispr. blz. I-4585, punt 20).

29 In casu blijkt geenszins, dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging, omdat zij veeleer betrekking heeft op de WSF dan op de AKW, kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van de bij hem aanhangige gedingen dan wel zonder effect op de afloop ervan zou blijven. Er bestaat derhalve geen grond voor afwijzing van zijn verzoeken (zie, in deze zin met name, arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf, C-355/97, Jurispr. blz. I-4977, punt 22, en 5 december 2000, Guimont, C-448/98, Jurispr. blz. I-10663, punt 22).

30 Gelet op het voorgaande moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat noch de Samenwerkingsovereenkomst, noch artikel 48 van het Verdrag en evenmin de verordeningen nrs. 1408/71 en 1612/68 aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten, dat een lidstaat de kinderbijslag voor studerenden tussen 18 en 27 jaar geleidelijk afschaft, voorzover die afschaffing, zoals het geval is bij de in het hoofdgeding omstreden regeling, plaatsvindt zonder discriminatie op grond van nationaliteit.

31 Wat het studiefinancieringsstelsel van de WSF betreft, moeten de prejudiciële vragen afzonderlijk worden onderzocht al naar gelang zij betrekking hebben op een situatie als die van Fahmi dan wel een situatie als die van Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado.

De prejudiciële vragen in de zaak Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado

De eerste vraag, sub a

32 Met zijn eerste vraag, sub a, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 3 van verordening nr. 1408/71 of enige andere bepaling van deze verordening aldus moet worden uitgelegd, dat deze verordening zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die het recht op studiefinanciering beperkt tot studerenden met de nationaliteit van de betrokken lidstaat en studerenden die daarmee zijn gelijkgesteld op grond van hun woonplaats in de lidstaat die dat financieringsstelsel heeft ingevoerd, waarbij voor beide categorieën studerenden in beginsel bovendien geldt dat onderwijs moet worden gevolgd aan een instelling in die lidstaat, wanneer deze voorwaarden ertoe leiden dat de kinderen van een persoon in een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding worden uitgesloten van die financiering.

33 Voor de beantwoording van deze aldus opnieuw geformuleerde vraag is in de eerste plaats van belang, dat volgens een eerder arrest van het Hof artikel 77 van verordening nr. 1408/71 een rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van een enkele lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat woont, enkel recht geeft op kinderbijslag, met uitsluiting van andere gezinsbijslagen (zie arrest van 27 september 1988, Lenoir, 313/86, Jurispr. blz. 5391, punten 10 en 11).

34 In de tweede plaats is van belang, dat voormeld artikel 77 als specifiek doel heeft de voorwaarden te preciseren waaronder een rechthebbende op pensioen aanspraak kan maken op kinderbijslag jegens de lidstaat krachtens de wetgeving waarvan hem pensioen wordt toegekend, en dat de werkingssfeer van deze bepaling uitdrukkelijk is beperkt tot kinderbijslag. Derhalve kan noch het in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit noch enige andere bepaling van deze verordening aldus worden uitgelegd, dat een rechthebbende op pensioen die niet in de lidstaat woont die dit pensioen moet uitkeren, jegens die lidstaat aanspraak heeft op andere uitkeringen voor ten laste komende kinderen dan de kinderbijslag.

35 Bijgevolg behoeft in casu niet te worden onderzocht, of de door de WSF ingevoerde studiefinanciering kan worden aangemerkt als gezinsbijslag in de zin van artikel 1, sub u-i, van verordening nr. 1408/71. De vaststelling volstaat, dat de bedoelde financiering niet kan worden aangemerkt als kinderbijslag in de zin van verordening nr. 1408/71, omdat deze kwalificatie blijkens de bewoordingen van artikel 1, sub u-ii, van deze verordening is voorbehouden aan uitkeringen die uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel van hun leeftijd worden toegekend.

36 Derhalve moet de eerste vraag, sub a, aldus worden beantwoord, dat een rechthebbende op pensioen, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een enkele lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat woont, zich niet kan beroepen op artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 of op enige andere bepaling van deze verordening teneinde van de lidstaat krachtens de wetgeving waarvan hij zijn pensioen ontvangt, een studiefinanciering als voorzien in de WSF te verkrijgen.

De eerste vraag, sub b, en de tweede vraag

37 Met zijn eerste vraag, sub b, en zijn tweede vraag, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1612/68 en de artikelen 48 en 52 van het Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de toepassing van een nationale regeling die het recht op studiefinanciering beperkt tot studerenden met de nationaliteit van de betrokken lidstaat en studerenden die daarmee zijn gelijkgesteld op grond van hun woonplaats in de lidstaat die dat financieringsstelsel heeft ingevoerd, waarbij voor beide categorieën studerenden in beginsel bovendien geldt dat onderwijs moet worden gevolgd aan een instelling in die lidstaat, wanneer deze voorwaarden ertoe leiden dat de kinderen van een persoon in een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding worden uitgesloten van die financiering.

38 Voor de beantwoording van de aldus opnieuw geformuleerde vragen is om te beginnen van belang, dat artikel 52 van het Verdrag geen toepassing kan vinden in een geschil zoals dat bij de verwijzende rechter is aangebracht, omdat Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado het door deze bepaling gegarandeerde recht van vrije vestiging niet heeft uitgeoefend. Aangezien dit onderdeel van de vraag kennelijk geen verband houdt met het voorwerp van het geschil in het hoofdgeding en niet van belang is voor de beslechting ervan, kan beantwoording ervan achterwege blijven.

39 Wat artikel 48 van het Verdrag en verordening nr. 1612/68 aangaat, moet eerst worden onderzocht, of het geschil in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze bepalingen valt, en, in het bijzonder, of Esmoris Cerdeiro-Pinedo Amado migrerend werknemer in de zin van deze bepalingen is.

40 Inderdaad heeft verzoekster in het hoofdgeding het in artikel 48 van het Verdrag neergelegde recht uitgeoefend, zodat zij gedurende de periode dat zij in Nederland in loondienst werkte, onder de werkingssfeer van deze bepaling alsook van die van verordening nr. 1612/68 viel.

41 In casu is echter de vraag aan de orde, of deze bepalingen zo kunnen worden uitgelegd, dat daarop een beroep kan worden gedaan door een werknemer die zijn beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en is teruggekeerd naar zijn lidstaat van herkomst, teneinde een nationale regeling als de WSF opzij te zetten.

42 In zoverre heeft het Hof reeds geoordeeld, dat wanneer de arbeidsverhouding is geëindigd, de betrokkene in beginsel zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 48 van het Verdrag verliest. Dit neemt echter niet weg, dat die hoedanigheid bepaalde effecten kan hebben na het einde van de arbeidsverhouding (arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala, C-85/96, Jurispr. blz. I-2691, punt 32).

43 In het geval van een migrerend werknemer als verzoekster in het hoofdgeding, die niet langer actief is en is teruggekeerd naar zijn lidstaat van herkomst waar ook zijn kinderen wonen, kan niet worden gesteld, dat de in punt 37 van dit arrest genoemde voorwaarden van de WSF voor toekenning van studiefinanciering van dien aard zijn, dat zij het recht van vrij verkeer dat deze werknemer krachtens artikel 48 van het Verdrag geniet, belemmeren.

44 Wat verordening nr. 1612/68 aangaat, moet om te beginnen worden opgemerkt, dat artikel 7, lid 1, daarvan betrekking heeft op de tewerkstellings- en arbeidsvoorwaarden, met name op het gebied van beloning, ontslag en herintreding in het beroep of hernieuwde tewerkstelling, zodat deze bepaling als zodanig geen toepassing kan vinden in het geschil in het hoofdgeding.

45 Daarentegen staat vast, dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, dat elke discriminatie tussen nationale en migrerende werknemers bij de toekenning van sociale voordelen verbiedt, wel toepassing kan vinden, omdat de door de WSF ingevoerde studiefinanciering een sociaal voordeel is (zie arresten van 26 februari 1992, Bernini, C-3/90, Jurispr. blz. I-1071, punt 23, en 8 juni 1999, Meeusen, C-337/97, Jurispr. blz. I-3289). De prejudiciële vraag moet derhalve worden geacht te verwijzen naar laatstgenoemde bepaling in plaats van naar artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1612/68.

46 Niettemin kan een dergelijke bepaling niet aldus worden uitgelegd, dat zij het behoud van een sociaal voordeel als de studiefinanciering van de WSF garandeert aan migrerende werknemers die hun beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst hebben gestaakt en naar hun lidstaat van herkomst zijn teruggekeerd.

47 Blijkens met name de context alsook de doelstellingen van deze bepaling kan de non-discriminatoire toegang tot de sociale voordelen van de lidstaat van ontvangst die zij garandeert, in het algemeen en behoudens bijzondere omstandigheden (zie vooral arrest van 27 november 1997, Meints, C-57/96, Jurispr. blz. I-6689, dat een uitkering betrof waarvan de toekenning afhing van een kort tevoren geëindigde arbeidsverhouding en die onlosmakelijk was verbonden met de objectieve hoedanigheid van werknemer van de begunstigden) niet worden uitgebreid tot werknemers die de uitoefening van hun beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst hebben gestaakt en hebben besloten terug te keren naar hun lidstaat van herkomst.

48 Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 staat namelijk in titel II, Verrichten van arbeid en gelijkheid van behandeling".

49 Voorts moet eraan worden herinnerd, dat verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 142, blz. 24) in artikel 7 uitdrukkelijk bepaalt, dat het recht op gelijkheid van behandeling, erkend in verordening nr. 1612/68, wordt gehandhaafd ten behoeve van migrerende werknemers die de uitoefening van hun beroepsactiviteit hebben gestaakt, wanneer deze besluiten in de lidstaat van ontvangst te verblijven.

50 Wat de doelstellingen van de bedoelde bepaling betreft, moet in het bijzonder worden gewezen op de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1612/68 volgens welke het recht van het vrije verkeer, om volgens objectieve maatstaven van waardigheid en vrijheid te kunnen worden uitgeoefend, vereist dat [...] de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst".

51 Gelet op het voorgaande en bij gebreke van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de hierboven geformuleerde regel zouden kunnen rechtvaardigen, moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat een onderdaan van een lidstaat die het door artikel 48 van het Verdrag gewaarborgde recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend en vervolgens zijn beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en naar zijn land van herkomst is teruggekeerd waar ook zijn kinderen wonen, zich noch op voormeld artikel 48 noch op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 kan beroepen teneinde van de lidstaat waar hij werkzaam is geweest, studiefinanciering voor zijn kinderen te verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als door deze staat op zijn eigen onderdanen worden toegepast.

De prejudiciële vragen in de zaak Fahmi

De eerste vraag

52 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat een Marokkaanse werknemer die zijn beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en naar zijn land van herkomst is teruggekeerd, dan wel zijn ten laste komende kinderen die zelf buiten de Gemeenschap wonen, zich met betrekking tot een studiefinanciering als die van de WSF kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid.

53 Anders dan Fahmi menen de Commissie, de Nederlandse en de Oostenrijkse regering alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat een Marokkaanse werknemer die zijn beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en naar zijn land van herkomst is teruggekeerd, waar hij zijn woonplaats heeft, zich niet langer kan beroepen op artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst, dat elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen Marokkaanse werknemers en eigen onderdanen van de betrokken lidstaat op het gebied van de sociale zekerheid verbiedt.

54 De Commissie en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn bovendien van mening, dat de studiefinanciering van de WSF niet tot de sociale zekerheid behoort, zodat artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst niet van toepassing is op het geschil in het hoofdgeding.

55 De Nederlandse, de Oostenrijkse en de Franse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsook de Commissie betogen voorts, dat zowel uit artikel 41, lid 3, van de Samenwerkingsovereenkomst, dat het recht van de Marokkaanse werknemer op gezinsbijslagen beperkt tot diens kinderen die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn, als uit artikel 41, lid 4, van deze overeenkomst, dat slechts met betrekking tot de daarin opgesomde pensioenen en renten in de mogelijkheid voorziet om buiten de Gemeenschap een uitkering te genieten, blijkt, dat Marokkaanse werknemers die buiten de Gemeenschap wonen, geen aanspraak op gezinsbijslagen kunnen ontlenen aan de Samenwerkingsovereenkomst voor de leden van hun gezin die zelf ook buiten de Gemeenschap wonen.

56 Blijkens de rechtspraak van het Hof beoogt de Samenwerkingsovereenkomst de sociale positie van Marokkaanse werknemers en van de gezinsleden die in de lidstaat van ontvangst bij hen wonen, te versterken (arrest van 11 november 1999, Mesbah, C-179/98, Jurispr. blz. I-7955, punt 36) en is het in artikel 41, lid 1, van deze overeenkomst neergelegde discriminatieverbod, in het bijzonder wat gezinsbijslagen betreft, slechts verzekerd binnen de grenzen van de voorwaarden bepaald in het derde lid van deze bepaling (arrest van 31 januari 1991, Kziber, C-18/90, Jurispr. blz. I-199, punt 18).

57 In casu volstaat derhalve de vaststelling zonder dat behoeft te worden onderzocht welke juridische kwalificatie in het licht van de Samenwerkingsovereenkomst precies moet worden toegekend aan uitkeringen als die krachtens de WSF dat gezien zowel de formulering van artikel 41, leden 1 en 3, van deze overeenkomst als de geest van deze bepaling een Marokkaanse werknemer noch zijn kinderen zich met betrekking tot uitkeringen als in het hoofdgeding aan de orde zijn, kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod, wanneer de kinderen van deze werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen.

58 Het antwoord op de eerste vraag luidt derhalve, dat artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer de ten laste komende kinderen van een Marokkaanse werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen, noch deze werknemer noch zijn kinderen zich met betrekking tot een studiefinanciering als die van de WSF kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid.

De tweede vraag

59 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

60 De kosten door de Nederlandse, de Spaanse, de Franse en de Oostenrijkse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij uitspraak van 28 januari 1999 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Noch de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, noch artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG), en evenmin de verordeningen (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1247/92 van de Raad van 30 april 1992, en 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, kunnen in dier voege worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten, dat een lidstaat de kinderbijslag voor studerenden tussen 18 en 27 jaar geleidelijk afschaft, voorzover die afschaffing, zoals het geval is bij de in het hoofdgeding omstreden regeling, plaatsvindt zonder discriminatie op grond van nationaliteit.

2) Een rechthebbende op pensioen, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een enkele lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat woont, kan zich niet beroepen op artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1247/92, of op enige andere bepaling van deze verordening teneinde van de lidstaat krachtens de wetgeving waarvan hij zijn pensioen ontvangt, een studiefinanciering te verkrijgen als voorzien in de Wet op de studiefinanciering.

3) Een onderdaan van een lidstaat die het door artikel 48 van het Verdrag gegarandeerde recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend en vervolgens zijn beroepsactiviteit in de lidstaat van ontvangst heeft gestaakt en naar zijn land van herkomst is teruggekeerd waar ook zijn kinderen wonen, kan zich noch op artikel 48 van het Verdrag noch op artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 beroepen teneinde van de lidstaat waar hij werkzaam is geweest, studiefinanciering voor zijn kinderen te verkrijgen onder dezelfde voorwaarden als door deze staat op zijn eigen onderdanen worden toegepast.

4) Artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer de ten laste komende kinderen van een Marokkaanse werknemer niet binnen de Gemeenschap wonen, noch deze werknemer noch zijn kinderen zich met betrekking tot een studiefinanciering als die van de Wet op de studiefinanciering kunnen beroepen op het in deze bepaling neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid.