Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer van 9 november 2000. - G. van de Water tegen Staatssecretaris van Financiën. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hoge Raad der Nederlanden - Nederland. - Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Accijns - Richtlijn 92/12/EEG - Verschuldigdheid van accijns - Uitslag tot verbruik van accijnsproducten - Begrip - Enkel voorhanden hebben van accijnsproduct. - Zaak C-325/99.
Jurisprudentie 2001 bladzijde I-02729
I Inleiding
1. De Hoge Raad der Nederlanden heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (hierna: richtlijn").
2. De Hoge Raad wenst met name te vernemen, of het enkele voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsproducten kan worden aangemerkt als uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn, met als gevolg dat de belasting verschuldigd en opeisbaar wordt.
3. Met de door de Hoge Raad geformuleerde vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de uitlegging van het in genoemde bepaling van de richtlijn gebezigde begrip uitslag tot verbruik" en over het voorhanden hebben van accijnsproducten wanneer de accijns nog niet is geheven en geïnd.
II De feiten
4. G. van de Water, verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker"), kocht van een derde een bepaalde hoeveelheid alcohol teneinde er jenever van te bereiden. Hij verrichtte deze werkzaamheden met behulp van drie anderen in een door hem gehuurde loods in het Zuid-Hollandse Barendrecht.
5. Op 8 september 1995 hielden de bevoegde autoriteiten in aanwezigheid van verzoeker een huiszoeking in die loods, waarbij zij tanks met alcohol met een alcoholgehalte van 96,2° alsmede met jenever gevulde jerrycans en flessen aantroffen.
6. De beambten die de huiszoeking verrichtten, concludeerden dat de betrokken producten onveraccijnsd waren, aangezien zij niet waren gedekt door douanedocumenten of documenten waaruit bleek dat zij onder een schorsingsregeling vielen, noch voor de loods een vergunning was verleend om als belastingentrepot te dienen.
7. Dientengevolge kreeg verzoeker een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd met betrekking tot, enerzijds, de vervaardiging van de door hem bereide jenever en, anderzijds, het voorhanden hebben of bezitten van de alcoholgrondstof die hij wilde gebruiken om nog meer jenever te bereiden. Zijn bezwaar tegen die aanslag werd door de belastinginspecteur afgewezen.
III Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
8. Verzoeker stelde beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat hem bij arrest van 6 februari 1998 gedeeltelijk in het gelijk stelde. Zoals uit het verwijzingsarrest blijkt, stelde het Gerechtshof zich namelijk op het standpunt, dat het door verzoeker voorhanden hebben van de alcoholgrondstof niet aan accijns was onderworpen, aangezien verzoeker die grondstof niet aan een schorsingsregeling had onttrokken in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn.
9. Daarop stelde verzoeker beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. In het kader van die procedure werd door partijen niet over de mogelijke gevolgen van de richtlijn voor het geschil gesproken, maar deze kwestie werd door de Hoge Raad ambtshalve aan de orde gesteld.
10. Naar het oordeel van de Hoge Raad kan het enkele voorhanden hebben van een accijnsproduct waarover nog niet overeenkomstig de bepalingen van de wet accijns is geheven, niet worden aangemerkt als uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn. Aangezien dit standpunt echter voor discussie vatbaar is, heeft de Hoge Raad besloten het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
Kan als uitslag tot verbruik van accijnsproducten, als bedoeld in artikel 6, lid 1, van de richtlijn, mede aangemerkt worden het enkele voorhanden hebben van een accijnsproduct in de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn, indien en voorzover dit niet reeds overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen en nationale wetgeving in de heffing van de accijns is betrokken?"
IV Het rechtskader
A De gemeenschapsregeling
11. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt:
Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende producten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen:
minerale oliën[],
alcohol en alcoholhoudende dranken[],
tabaksfabrikaten.[]
[...]"
12. Volgens artikel 5, lid 1, worden [d]e in artikel 3, lid 1, genoemde producten [...] aan accijns onderworpen bij de productie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap [...] of bij de invoer ervan in dit grondgebied".
13. Artikel 6 bepaalt:
1. De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik[] [...].
Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:
a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling;
b) iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze producten buiten een schorsingsregeling;
c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst.
[...]"
In artikel 9 heet het:
1. Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8[], wordt de accijns verschuldigd wanneer de in een lidstaat tot verbruik uitgeslagen producten in een andere lidstaat voor commerciële doeleinden voorhanden[] worden gehouden.
[...]"
14. Artikel 11, lid 2, ten slotte bepaalt: Wanneer de accijns niet voldaan is, vinden de productie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsproducten plaats in een belastingentrepot."
B De Nederlandse wetgeving
15. In Nederland is de accijns geregeld in de Wet op de accijns (hierna: accijnswet") van 31 oktober 1991, welke in werking is getreden op 1 januari 1992. Met het oog op de omzetting van de richtlijn in Nederlands recht werd de accijnswet grondig gewijzigd bij wet van 24 december 1992, welke in werking is getreden op 1 januari 1993.
16. Artikel 1, lid 1, van de accijnswet noemt de goederen die aan accijns zijn onderworpen; behalve wijn en bier zijn dat onder meer tussenproducten en overige alcoholhoudende producten.
17. Volgens artikel 1, lid 2, van de accijnswet wordt de accijns verschuldigd bij de uitslag van accijnsgoederen. Onder uitslag wordt verstaan het brengen van een accijnsgoed buiten een accijnsgoederenplaats, dat wil zeggen iedere plaats in Nederland waar op grond van de bepalingen van de accijnswet accijnsgoederen onder schorsing van accijns mogen worden vervaardigd, mogen worden verwerkt, voorhanden mogen zijn, mogen worden ontvangen en mogen worden verzonden (artikel 2, lid 1, juncto artikel 1a, sub d).
18. Als uitslag wordt evenwel mede aangemerkt de vervaardiging van een accijnsgoed buiten een accijnsgoederenplaats, alsmede het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van de accijnswet in de heffing is betrokken (artikel 2f juncto artikel 5, lid 1). In die gevallen wordt de accijns geheven van degene die zich schuldig heeft gemaakt aan het onregelmatig vervaardigen dan wel voorhanden hebben van een accijnsgoed, en wel op het tijdstip van de vervaardiging dan wel de aanvang van het voorhanden hebben (artikelen 51a, sub f, en 52a, sub d).
V De procedure voor het Hof
19. De Nederlandse regering en de Commissie hebben binnen de daartoe in artikel 20 van 's Hofs Statuut-EG bepaalde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend.
20. Aangezien geen der partijen heeft verzocht in zijn mondelinge opmerkingen te worden gehoord, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 4, van zijn Reglement voor de procesvoering besloten de mondelinge behandeling achterwege te laten.
VI De bijzonderheden van het debat voor de Hoge Raad
21. Zoals ik al zei, stelde het Gerechtshof te 's-Gravenhage verzoeker gedeeltelijk in het gelijk. Het concludeerde, dat de door verzoeker bereide jenever overeenkomstig het bepaalde in artikel 2f van de accijnswet accijnsplichtig was, en verklaarde derhalve diens bezwaar ongegrond voorzover dit gericht was tegen de aanslag inzake de vervaardiging van jenever. Daarentegen gaf het verzoeker gelijk waar het de alcoholgrondstof betrof, aangezien het van mening was, dat ter zake van het door hem voorhanden hebben van die grondstof geen accijns verschuldigd was.
22. In deze context heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het spreekt voor zich, dat hij het arrest van het Gerechtshof vernietigd wenst te zien voorzover daarbij de aanslag inzake de bereiding van jenever op basis van alcohol met een alcoholgehalte van 96,2° is gehandhaafd, en dat hij met zijn cassatieberoep absoluut niet het oordeel van het Gerechtshof betreffende het voorhanden hebben van de alcoholgrondstof ter discussie wil stellen. Hij heeft deze kwestie in de procedure voor de Hoge Raad niet aan de orde gesteld, en aangezien geen van de andere partijen bij het geschil beroep heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof, viel dit probleem in beginsel buiten het bestek van het processuele debat in cassatie. De Hoge Raad heeft de kwestie echter ambtshalve aan de orde gesteld, en wel omdat de mogelijkheid bestond, dat het Gerechtshof het op dit punt bij het verkeerde eind had en dat moest worden geconcludeerd, dat ook ter zake van het voorhanden hebben van de alcoholgrondstof accijns verschuldigd was.
23. Ik weet niet en dit is iets wat het Hof ook niet behoeft te weten , wat de draagwijdte van een dergelijke uitspraak kan zijn. Het is mij onbekend, of met een dergelijke uitspraak het arrest van het Gerechtshof kan worden vernietigd en de aanslag inzake het voorhanden hebben van de alcoholgrondstof alsnog rechtsgeldig kan worden verklaard wat zou leiden tot een reformatio in peius , dan wel of een dergelijke uitspraak een louter declaratoir karakter heeft en enkel waarde heeft voor de toekomst, dat wil zeggen aangeeft hoe in het vervolg in vergelijkbare gevallen moet worden beslist, zonder dat zulks gevolgen heeft voor de specifieke rechtssituatie waarom het in het arrest van het Gerechtshof gaat.
24. Hoe dit ook zij, voor de beantwoording van de thans aan het Hof voorgelegde vraag doet het niet ter zake, wat de draagwijdte is van een uitspraak van de Hoge Raad over dit punt. Deze vraag moet worden beantwoord op basis van het Nederlandse procesrecht, waar het Hof zich buiten houdt. Ik heb dit punt echter willen signaleren met het oog op een betere voorlichting van het Hof, dat, om de vraag van de nationale rechter te kunnen beantwoorden, een volledig beeld dient te hebben van alle elementen, zowel feitelijk als rechtens, van de zaak.
VII Analyse van de prejudiciële vraag
A Het algemene systeem van de richtlijn
25. Accijnzen zijn indirecte belastingen op het verbruik, die, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen verklaart, een tweeledig doel hebben: in de eerste plaats fungeren zij als inkomstenbron voor de staatshuishouding, en in de tweede plaats en dit is zeker zo belangrijk moeten zij het gebruik van bepaalde producten ontmoedigen. Dit tweeledige doel komt tot uitdrukking in de richtlijn en is ook opgemerkt door het Hof, dat in het arrest Commissie/Frankrijk heeft verklaard, dat de richtlijn beoogt de lidstaten de mogelijkheid te bieden, andere indirecte belastingen in te voeren waarmee een specifiek, dat wil zeggen niet louter begrotingstechnisch, doel wordt nagestreefd.
26. De richtlijn heeft echter een nog veel ruimer doel: zij wil een bijdrage leveren aan de totstandbrenging van de interne markt door middel van het vrije verkeer van accijnsgoederen. Daartoe schrijft zij de onderlinge aanpassing van de wettelijke regelingen van de lidstaten op het gebied van accijnzen voor, teneinde te garanderen dat de verschuldigdheid van de accijns in alle lidstaten gelijk is geregeld".
27. Anderzijds moet aan de totstandbrenging en de werking van die interne markt, voorzover deze het vrije verkeer van accijnsgoederen impliceren, gestalte worden gegeven zonder dat daardoor de inning van de accijns door de lidstaten in gevaar komt. Een precies evenwicht is vereist, waarbij elk van de genoemde doeleinden kan worden bereikt zonder dat het andere doel tekort wordt gedaan.
28. Tegen deze achtergrond heeft de gemeenschapswetgever een systeem ontworpen waarin, zonder dat wordt afgezien van het vrije verkeer van goederen, de heffing van de op die goederen rustende accijnzen wordt gewaarborgd: 1) door middel van de invoering van gemeenschappelijke regels inzake de verschuldigdheid van de belasting (gelijkheid van belastbaar feit en uniformiteit van verschuldigdheid van de belasting); en 2) door voor het intracommunautaire verkeer van accijnsgoederen bepaalde vereisten te stellen en waarborgen te eisen, waardoor, zonder dat dit verkeer wordt aangetast, binnen het communautaire grondgebied de producten kunnen worden geïdentificeerd en gelokaliseerd, waarvoor de accijns, ofschoon het belastbare feit zich reeds heeft voorgedaan, nog niet verschuldigd is geworden.
29. Nadat is aangegeven, voor welke goederen de richtlijn zal gelden en communautaire bepalingen kunnen worden vastgesteld (minerale oliën, alcohol en alcoholhoudende dranken, en tabaksfabrikaten), wordt in de richtlijn als belastbaar feit de productie van die goederen op het grondgebied van de Gemeenschap, of de invoer ervan in dit grondgebied vermeld. Dit kan ook niet anders, want, wil het systeem doeltreffend zijn, dan moet het accijnsproduct of -goed aan accijns worden onderworpen op het moment waarop het op de gemeenschapsmarkt verschijnt, hetzij doordat het al daar wordt ingevoerd, hetzij doordat het aldaar wordt geproduceerd of bereid.
30. Aangezien de accijns een belasting op het verbruik is, dient de heffing ervan zo dicht mogelijk bij de eindverbruiker plaats te vinden. Dit is de reden waarom artikel 6, lid 1, van de richtlijn bepaalt, dat de accijns verschuldigd wordt bij de uitslag tot verbruik of bij de situaties die daarmee worden gelijkgesteld. Het is volgens de gemeenschapswetgever essentieel, dat dit in alle lidstaten het geval is.
31. Het belastbare feit bestaat dus in de productie van de accijnsgoederen op of de invoer van die goederen in het grondgebied van de Gemeenschap, terwijl de accijns verschuldigd wordt bij de uitslag tot verbruik. Tussen deze twee tijdstippen ligt in de regel enige tijd, en, wat nog belangrijker is, als gevolg van het intracommunautaire verkeer van de producten kan de lidstaat waarin de belasting verschuldigd wordt, variëren.
32. Een dergelijk systeem onderstelt, dat tussen het moment waarop een product aan de belasting wordt onderworpen en dat waarop de belasting verschuldigd wordt, geen onderbreking zit, wat wordt bereikt door middel van een bijzondere rechtsfiguur: de zogeheten schorsingsregeling.
B De schorsingsregeling en het intracommunautaire verkeer van accijnsproducten
33. In artikel 4, sub c, van de richtlijn wordt de schorsingsregeling gedefinieerd als de belastingregeling die geldt voor de productie, de verwerking, het voorhanden hebben en het verkeer van producten onder schorsing van accijns". Deze regeling is van toepassing op de producten waarvoor, ofschoon het belastbare feit (de invoer, de productie) zich reeds heeft voorgedaan, de belasting nog niet verschuldigd is geworden. In deze situatie is de belasting, ongeacht de handeling die met betrekking tot de accijnsgoederen wordt verricht, niet opeisbaar.
34. Om de doeltreffendheid van de schorsingsregeling te waarborgen, is een strikt controlesysteem noodzakelijk, teneinde vluchten" te vermijden. Anders gezegd: teneinde de inning van de belastingschuld op termijn te waarborgen, [moet] toezicht [...] kunnen worden uitgeoefend in de productiebedrijven en opslagbedrijven".
35. Daarom is bepaald, dat de productie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsproducten onder schorsing van accijns enkel mogen plaatsvinden in een belastingentrepot waarvoor een vergunning is afgegeven door de lidstaat waar dit entrepot gelegen is, terwijl de eigenaar van het entrepot, erkend entrepothouder" genoemd, aan enkele welomschreven verplichtingen dient te voldoen en aan strikte controles is onderworpen, teneinde te waarborgen dat de belastingschuld te zijner tijd door de belastingplichtige zal worden voldaan.
36. Het intracommunautaire verkeer van accijnsproducten onder schorsing van accijns kan, behoudens uitzonderingen, enkel geschieden tussen belastingentrepots. Hoe dan ook gaan de producten vergezeld van een door de afzender opgesteld document waarin de overgebrachte goederen moeten worden geïdentificeerd, en, zo nodig, van een ander document waarin wordt verklaard, dat de accijns in de lidstaat van bestemming is betaald of dat enige andere methode is gevolgd om de inning van die accijns in genoemde staat te waarborgen. De controle wordt nog versterkt door de invoering van een op de marktdeelnemers van elke lidstaat rustende algemene verplichting, hun belastingautoriteiten door middel van bovengenoemd document op de hoogte te stellen van de partijen die zijn verzonden en ontvangen.
37. Tussen het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet en dat waarop de belasting verschuldigd wordt, bevinden de accijnsproducten zich dus als het ware in een schutsluis": zij mogen binnen het grondgebied van de Gemeenschap worden bereid, worden verwerkt, voorhanden zijn en worden vervoerd zonder dat de accijns terstond verschuldigd is.
38. Deze beschutting is niet meer toegankelijk, wanneer de belasting opeisbaar wordt, hetzij omdat buiten de schorsingsregeling om wordt gehandeld, hetzij omdat tijdens het intracommunautaire verkeer van accijnsgoederen onregelmatigheden of overtredingen zijn begaan. Immers, indien de activiteiten die de accijnsplicht doen ontstaan (de invoer en de productie), buiten de schorsingsregeling plaatsvinden, of indien die regeling wordt verlaten op een ander moment dan dat van de uitslag tot verbruik, stelt de gemeenschapswetgever die situaties gelijk met uitslag tot verbruik en dus met situaties waarbij de accijns verschuldigd wordt, zulks teneinde te vermijden dat accijnsgoederen aan de belastingheffing ontkomen.
39. Ten slotte wordt de schorsingsregeling gezuiverd op het moment waarop de accijns op enigerleiwijze verschuldigd wordt: bij de uitslag tot verbruik in strikte zin, in een situatie die wordt gelijkgesteld met uitslag tot verbruik, of indien tijdens het intracommunautaire verkeer van de goederen onregelmatigheden of overtredingen zijn begaan. Op dat moment gaat de sluis" open, aangezien er dan geen belang meer bestaat bij toezicht op de producten, gelet op het feit dat de fiscale bepalingen zijn gerespecteerd.
C Het buiten de schorsingsregeling voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsproducten
40. De gemeenschapswetgever wil voorkomen, dat onveraccijnsde producten zich buiten de schorsingsregeling op het grondgebied van de Gemeenschap bevinden. Daarom heeft het loutere voorhanden hebben van een product in een dergelijke situatie in het systeem van de richtlijn tot gevolg, dat de accijns verschuldigd wordt.
41. Immers, zoals wij hebben gezien, mogen onder die fiscale regeling de handelingen met betrekking tot de accijnsproducten enkel plaatsvinden in een belastingentrepot, en kan het verkeer van die producten enkel geschieden tussen dergelijke entrepots. Een goed kan buiten de betrokken regeling voorhanden worden gehouden, wanneer de belasting verschuldigd is geworden en vervolgens is geheven en geïnd. Indien een goed zich daarentegen niet in een belastingentrepot of tussen belastingentrepots bevindt en dus buiten de schorsingsregeling is gebleven zonder dat eerst de verschuldigde accijns is voldaan, komt dit doordat dat goed op onregelmatige wijze aan die regeling is onttrokken dan wel nooit onder die regeling is geplaatst, omdat het buiten het bij de richtlijn ingevoerde systeem om is ingevoerd of geproduceerd. Dit zijn nu precies de situaties die in artikel 6, lid 1, van de richtlijn worden gelijkgesteld met uitslag tot verbruik.
42. Naar mijn mening staat dan ook niets in de richtlijn eraan in de weg, dat het buiten de schorsingsregeling voorhanden hebben van een accijnsproduct waarover nog geen accijns is betaald, als zodanig reeds als uitslag tot verbruik wordt beschouwd. Dit is precies het geval dat wordt bedoeld in artikel 2f van de accijnswet, dat, zoals gezegd, als uitslag tot verbruik mede aanmerkt het voorhanden hebben van accijnsproducten waarover nog geen accijns is betaald overeenkomstig de bepalingen" van de wet, dat wil zeggen overeenkomstig de wettelijke voorschriften inzake de vervaardiging van, de invoer van en het beschikken over die producten.
43. Er zijn stellig situaties van enkel voorhanden hebben" die niet als uitslag tot verbruik kunnen worden aangemerkt en dus niet tot verschuldigdheid van de accijns kunnen leiden, maar het gaat dan steeds om gevallen waarin accijnsproducten voorhanden worden gehouden binnen dat verzegelde en gesloten circuit van de schorsingsregeling. Volgens de in de richtlijn gegeven definitie van erkend entrepothouder is dit namelijk de persoon die gemachtigd is om accijnsproducten onder schorsing van accijns in een belastingentrepot te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden" (artikel 4, sub a). In de definitie van belastingentrepot wordt gesproken van iedere plaats waar de erkende entrepothouder [...] accijnsproducten onder schorsing van accijns [...] voorhanden heeft [...]" (artikel 4, sub b), zodat dit de enige ruimte is waar, [w]anneer de accijns niet voldaan is, [...] het voorhanden hebben van accijnsproducten [...]" kan plaatsvinden (artikel 11, lid 2). Ten slotte wordt de schorsingsregeling gedefinieerd als de belastingregeling die geldt voor de productie, de verwerking, het voorhanden hebben en het verkeer van producten onder schorsing van accijns".
44. Dit zijn dus allemaal situaties waarin accijnsproducten waarover nog geen accijns is betaald, voorhanden worden gehouden, zij het onder schorsing van accijns, dat wil zeggen in een belastingentrepot of in het kader van verkeer tussen belastingentrepots. Wanneer een accijnsproduct waarover nog geen accijns is betaald, buiten een belastingentrepot voorhanden wordt gehouden de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is , betekent dit, dat het product tevoren aan de schorsingsregeling is onttrokken of nooit onder die regeling is geplaatst, zodat er sprake is van een van de in artikel 6, lid 1, van de richtlijn bedoelde situaties.
45. De Commissie merkt in haar schriftelijke opmerkingen op, dat de Hoge Raad het kennelijk als problematisch ervaart, dat de aanslag inzake het voorhanden hebben van de alcoholgrondstof werd opgelegd aan verzoeker en niet aan de persoon die de grondstof aan verzoeker had verkocht, aangezien dit uiteindelijk degene was die de grondstof op onregelmatige wijze aan de schorsingsregeling had onttrokken. Dit besluit dat de Nederlandse belastingautoriteiten op basis van de accijnswet hebben genomen, wordt echter in de aan het Hof voorgelegde vraag niet aan de orde gesteld en kan dus door het Hof buiten beschouwing worden gelaten.
46. Naar mijn mening behoeft voor de beantwoording van de door de Hoge Raad opgeworpen vraag niet te worden bepaald, wie verplicht is de accijns te betalen.
47. In dit verband mag niet uit het oog worden verloren, dat, zoals het Hof in het arrest Commissie/Frankrijk (reeds aangehaald) heeft verklaard, met de richtlijn slechts een gedeeltelijke harmonisatie heeft plaatsgevonden, voorzover deze zich beperkt tot indeling van de producten, regulering van het verkeer ervan en omschrijving van de voorwaarden voor de verschuldigdheid van de accijns.
48. De richtlijn bepaalt namelijk, welke producten in het kader van het gemeenschapsrecht onderworpen zijn aan accijns, geeft aan wanneer het belastbare feit zich voordoet, en stelt het tijdstip vast waarop de accijns verschuldigd wordt. Zij bepaalt ook, in welke staat de accijns moet worden geheven en, voor enkele gevallen (waaronder niet het geval van verzoeker), door wie de accijns verschuldigd is.
49. De gemeenschapswetgever heeft gewild, dat de overige voorwaarden voor verschuldigdheid, het toe te passen accijnstarief en de heffings- en invorderingsprocedure die zijn welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de betrokken lidstaat. Het is dus aan elke lidstaat om die voorwaarden, tarieven en procedures vast te stellen, uiteraard met inachtneming van de criteria die zijn geformuleerd in de richtlijnen betreffende de onderlinge aanpassing van tarieven en belastingstructuren.
50. De Hoge Raad wil uiteindelijk te weten komen, of het door verzoeker voorhanden hebben van de alcoholgrondstof het in artikel 2f van de accijnswet geregelde geval kan worden aangemerkt als uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn. Niet meer en niet minder. Wanneer deze vraag eenmaal is beantwoord, en indien dit antwoord bevestigend luidt, is het aan de Hoge Raad om aan de hand van een selectie en uitlegging van de op het aan hem voorgelegde geval toepasselijke rechtsregels uit te maken, wie tot betaling van de accijns moet worden aangesproken (met andere woorden, of verzoeker die belasting verschuldigd is).
51. Naar mijn mening kan het Hof zich niet uitspreken over een vraag die hem niet door de nationale rechter is voorgelegd en die niet noodzakelijk is met het oog op de beantwoording van de vraag die hem werkelijk is gesteld.
VIII Conclusie
52. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de vraag van de Hoge Raad te beantwoorden als volgt:
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, staat er niet aan in de weg, dat als uitslag tot verbruik wordt aangemerkt het enkele voorhanden hebben van producten die overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die richtlijn aan accijns zijn onderworpen, wanneer die producten niet onder een schorsingsregeling zijn geplaatst en daarover nog niet overeenkomstig de toepasselijke gemeenschaps- en nationale bepalingen accijns is betaald."