Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 oktober 2000. - Industrie des poudres sphériques tegen Raad van de Europese Unie, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Péchiney électrométallurgie en Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie. - Hogere voorziening - Antidumping - Verordening (EEG) nr. 2423/88 - Metallisch calcium - Ontvankelijkheid - Heropening van antidumpingprocedure na nietigverklaring van verordening tot instelling van antidumpingrecht - Rechten van de verdediging. - Zaak C-458/98 P.
Jurisprudentie 2000 bladzijde I-08147
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Hogere voorziening - Middelen - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Middel dat niet betrekking heeft op gehele redenering van Gerecht - Geen invloed
('s Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2. Hogere voorziening - Middelen - Middel dat voor het eerst wordt aangevoerd in hogere voorziening - Niet-ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 51)
3. Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Werking - Verplichting uitvoeringsmaatregelen vast te stellen - Omvang - Nietigverklaring van verordening tot instelling van antidumpingrechten - Hervatting van onderzoek - Referentieperiode
[EG-Verdrag, art. 174 en 176 (thans art. 231 EG en 233 EG); verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 7, lid 1, sub c, en 13]
1. Uit artikel 51, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, in samenhang met artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening de betwiste elementen van het arrest van het Gerecht, alsmede de argumenten rechtens tot staving van de vordering tot vernietiging van dat arrest, nauwkeurig moet weergeven.
Het feit dat een verzoekschrift in hogere voorziening of het middel in hogere voorziening niet betrekking heeft op alle redenen waarom het Gerecht ten aanzien van een vraag een bepaald standpunt heeft ingenomen, brengt niet mee dat dat middel niet-ontvankelijk is.
( cf. punten 65-67 )
2. Zou het een partij worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dan zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om de beoordeling door het Gerecht van de voor hem bepleite middelen te onderzoeken.
( cf. punt 74 )
3. Volgens de artikelen 174 en 176 van het Verdrag (thans artikelen 231 EG en 233 EG) is de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht, gehouden de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.
Om zich te voegen naar een nietigverklaringsarrest en hieraan volledige uitvoering te geven, moeten de instellingen niet alleen het dictum van het arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden in die zin dat zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers de rechtsoverwegingen die aangeven, welke bepaling precies als onwettig wordt beschouwd en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid, en waarmee de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig verklaarde handeling rekening moet houden.
De procedure ter vervanging van een dergelijke handeling mag dus weer worden opgenomen op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan.
Wanneer een verordening tot instelling van een definitief antidumpingrecht nietig is verklaard op grond van omstandigheden betreffende de vaststelling van de tijdens de antidumpingprocedure berokkende schade die geen betrekking en geen invloed hebben op de inleiding van de procedure, kan de Commissie het vraagstuk van de vaststelling van de schade nader onderzoeken in het kader van de nog steeds lopende antidumpingprocedure.
Wat de keuze van de referentieperiode betreft, heeft de in artikel 7, lid 1, sub c, van de antidumpingbasisverordening nr. 2423/88 genoemde periode een indicatief karakter en is zij niet dwingend. Verder beschikken de instellingen over een ruime discretionaire bevoegdheid betreffende de keuze van de in het kader van een antidumpingprocedure voor de vaststelling van de schade in aanmerking te nemen periode. Ten slotte blijkt uit de systematiek van de basisverordening dat de schade moet worden vastgesteld naar de situatie op het tijdstip waarop eventueel tot beschermende maatregelen wordt besloten. De instelling van antidumpingrechten is immers geen sanctie voor eerder gedrag, maar een beschermende maatregel om zich te weren tegen de oneerlijke mededinging die het gevolg is van de dumpingpraktijken. Daarom kunnen antidumpingrechten in de regel volgens artikel 13 van de antidumpingbasisverordening niet met terugwerkende kracht worden ingesteld of verhoogd.
Teneinde antidumpingrechten te kunnen vaststellen die geschikt zijn om de bedrijfstak van de Gemeenschap te beschermen tegen dumping, moet het onderzoek dus op grond van zo recent mogelijke informatie worden verricht. Het bestaan van voldoende bewijs van dumping en van daaruit voortvloeiende schade is steeds een vereiste voor de opening van een onderzoek in de zin van artikel 7 van de antidumpingbasisverordening nr. 2423/88, zowel bij de inleiding van een antidumpingprocedure als bij een nieuw onderzoek van een verordening tot instelling van antidumpingrechten. Dit geldt ook voor de heropening van een onderzoek in het kader van een nog lopende antidumpingprocedure naar aanleiding van een arrest waarbij een verordening tot instelling van antidumpingrechten nietig is verklaard.
( cf. punten 80-82, 84-85, 88-92, 94 )
4. De gemeenschapsinstellingen moeten bij het vervullen van hun informatieplicht met de nodige zorgvuldigheid te werk gaan door te proberen om, voorzover de inachtneming van de vertrouwelijkheid dat toelaat, de betrokken ondernemingen de voor de behartiging van hun belangen dienstige gegevens mee te delen in een - eventueel ambtshalve - door de instellingen te bepalen passende vorm. In ieder geval moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de beweerde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van de door haar gestelde dumping en van daaruit voortvloeiende schade.
( cf. punt 99 )
In zaak C-458/98 P,
Industrie des poudres sphériques, gevestigd te Annemasse (Frankrijk), vertegenwoordigd door C. Momège, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Route d'Esch 398,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer - uitgebreid) van 15 oktober 1998, Industrie des poudres sphériques/Raad (T-2/95, Jurispr. blz. II-3939), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur S. Marquardt, als gemachtigde, bijgestaan door P. Bentley, Barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder in eerste aanleg,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan en X. Lewis, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
Péchiney électrométallurgie, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk),
en
Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door O. d'Ormesson en O. Prost, advocaten te Parijs,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, A. La Pergola, P. Jann en H. Ragnemalm (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: R. Grass
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 maart 2000,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 december 1998, heeft Industrie des poudres sphériques, voorheen Extramet Industrie genaamd (hierna: IPS"), krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 15 oktober 1998, Industrie des poudres sphériques/Raad (T-2/95, Jurispr. blz. II-3939; hierna: bestreden arrest"), waarbij haar beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2557/94 van de Raad van 19 oktober 1994 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (PB L 270, blz. 27; hierna: bestreden verordening") is verworpen.
Het rechtskader
2 Ingevolge verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 209, blz. 1; hierna: basisverordening"), bestaat de antidumpingprocedure uit verschillende fasen, waaronder die van het onderzoek.
3 Artikel 7 van de basisverordening heeft als opschrift: Aanvang van de procedure en daaropvolgend onderzoek".
4 Artikel 7, lid 1, van de basisverordening luidt:
Wanneer na overleg blijkt dat er voldoende bewijsmateriaal is om de opening van een procedure te rechtvaardigen, moet de Commissie onmiddellijk:
a) de aanvang van een procedure in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen aankondigen; deze aankondiging vermeldt het betrokken product en de betrokken landen en bevat een samenvatting van de ontvangen gegevens alsmede de mededeling dat alle gegevens betreffende de zaak aan de Commissie dienen te worden toegezonden; zij vermeldt tevens de termijn waarbinnen de belanghebbende partijen hun standpunt schriftelijk bekend kunnen maken en kunnen verzoeken om door de Commissie overeenkomstig het bepaalde in lid 5 te worden gehoord;
b) de exporteurs en importeurs waarvan de Commissie weet dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land en de klagers hiervan in kennis stellen;
c) op communautair niveau een aanvang maken met het onderzoek, in samenwerking met de lidstaten; dit onderzoek heeft zowel betrekking op dumping of subsidiëring als op de daaruit voortvloeiende schade, en vindt plaats overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 tot en met 8; het onderzoek naar dumping of subsidiëring bestrijkt gewoonlijk een onmiddellijk aan de inleiding van de procedure voorafgaande periode van niet minder dan zes maanden."
5 Artikel 7, lid 4, van de basisverordening luidt:
a) De klager en de importeurs en exporteurs waarvan bekend is dat zij betrokken zijn, alsmede de vertegenwoordigers van het uitvoerende land, worden in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van alle gegevens die de bij het onderzoek betrokken partijen aan de Commissie hebben verstrekt, met uitzondering van de door de autoriteiten van de Gemeenschap of van haar lidstaten opgestelde interne documenten, voor zover deze gegevens voor de behartiging van hun belangen van betekenis zijn, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 8 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. Zij richten daartoe een schriftelijk verzoek tot de Commissie met opgave van de gewenste gegevens.
b) De exporteurs en importeurs van het product waarop het onderzoek betrekking heeft en, in geval van subsidiëring, de vertegenwoordigers van het land van oorsprong, kunnen verzoeken op de hoogte te worden gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen instelling van definitieve rechten of definitieve inning van de door een voorlopig recht gewaarborgde bedragen aan te bevelen.
c) i) Verzoeken om gegevens op grond van het bepaalde onder b:
aa) moeten schriftelijk bij de Commissie worden ingediend;
(...)
(...)"
6 Lid 4, sub a, van artikel 13 (Algemene bepalingen betreffende rechten") van de basisverordening luidt:
Antidumpingrechten en compenserende rechten kunnen niet met terugwerkende kracht worden ingesteld of verhoogd. (...)"
De feiten en de procedure voor het Gerecht
7 IPS is gespecialiseerd in de productie van fijn verdeeld metallisch calcium in de vorm van reactief-metaalgranulaat, uit primair metallisch calcium. Primair metallisch calcium wordt vervaardigd in vijf landen: Frankrijk (door Péchiney électrométallurgie; hierna: PEM"), China, Rusland, Canada en de Verenigde Staten van Amerika.
8 Ter dekking van haar behoeften aan primair metallisch calcium heeft IPS zich in eerste instantie gewend tot de communautaire producent PEM. Zij voerde daarnaast primair metallisch calcium in uit China en de Sovjet-Unie.
9 Nadat de Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie (hierna: Chambre syndicale") in 1987 namens PEM een klacht had ingediend, leidde de Commissie een antidumpingprocedure in krachtens verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 201, blz. 1).
10 Bij verordening (EEG) nr. 707/89 van 17 maart 1989 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van calciummetaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit de Sovjet-Unie (PB L 78, blz. 10), stelde de Commissie daarop op de betrokken invoer een voorlopig antidumpingrecht van 10,7 % in.
11 Na een verlenging van het voorlopig antidumpingrecht stelde de Raad bij verordening (EEG) nr. 2808/89 van 18 september 1989 een definitief antidumpingrecht in op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie, ten belope van respectievelijk 21,8 en 22 %, met definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 271, blz. 1).
12 Op 27 november 1989 stelde IPS bij het Hof beroep in tot nietigverklaring van deze verordening.
13 Het Hof verklaarde het beroep ontvankelijk bij arrest van 16 mei 1991, Extramet Industrie/Raad (C-358/89, Jurispr. blz. I-2501; hierna: arrest Extramet I").
14 Bij arrest van 11 juni 1992, Extramet Industrie/Raad (C-358/89, Jurispr. blz. I-3813; hierna: arrest Extramet II"), verklaarde het Hof de verordening nietig, omdat de gemeenschapsinstellingen niet daadwerkelijk hadden onderzocht of de communautaire producent van het in de verordening bedoelde product, te weten PEM, door zijn verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de geleden schade, en omdat zij ook niet hadden aangetoond, dat de vastgestelde schade niet uit de door IPS aangevoerde omstandigheden voortvloeide, zodat zij dus de schade niet naar behoren hadden vastgesteld.
15 Na het arrest Extramet II heeft PEM in een schrijven van 1 juli 1992 bij de Commissie gepleit voor heropening van het onderzoek; hieraan was gehecht een technische nota over de schade van de communautaire bedrijfstak (hierna: nota van 1 juli 1992 over de schade").
16 Van mening dat het een hervatting de jure" van het onderzoek betrof, heeft de Commissie IPS bij brief van 17 juli 1992 verzocht haar standpunt kenbaar te maken over de schade van de communautaire bedrijfstak. Zij wees er daarbij op, dat ook aan PEM een standpuntbepaling ter zake was gevraagd.
17 Bij brief van 14 augustus 1992 heeft IPS het standpunt van de Commissie, dat het juridisch mogelijk was het onderzoek te hervatten, bestreden en om een formele voor beroep vatbare beschikking verzocht.
18 Bij brief van 21 augustus 1992 heeft zij dit laatste verzoek herhaald.
19 Op 14 oktober 1992 heeft de Commissie IPS de nota van 1 juli 1992 over de schade toegezonden.
20 Op 14 november 1992 heeft de Commissie een bericht over de antidumpingprocedure betreffende de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit China en Rusland gepubliceerd (PB C 298, blz. 3; hierna: bericht over de antidumpingprocedure").
21 Bij brief van 18 november 1992 heeft de Commissie IPS op de hoogte gebracht van dit bericht en haar verzocht binnen 30 dagen een aantal vragenlijsten te retourneren. Zij wees erop, dat de nieuwe onderzoeksperiode liep van 1 juli 1991 tot en met 31 oktober 1992.
22 Bij brief van 23 december 1992 heeft IPS de Commissie haar standpunt medegedeeld betreffende de nota van 1 juli 1992 over de schade.
23 Bij brief van 29 juli 1993 heeft de Commissie IPS gevraagd, haar alle feiten mede te delen die van belang konden zijn voor haar oordeelsvorming, met name ten aanzien van het vraagstuk van de schade. Bij brief van 12 augustus 1993 heeft IPS geantwoord, ter zake geen nieuwe informatie te kunnen verschaffen, aangezien de situatie sinds haar brief van 23 december 1992 niet of nauwelijks was gewijzigd.
24 Op 21 april 1994 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 892/94 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (PB L 104, blz. 5; hierna: voorlopige verordening") vastgesteld.
25 Bij schrijven van 31 mei 1994 heeft IPS een groot aantal bezwaren tegen de voorlopige verordening kenbaar gemaakt. De Commissie heeft hierop geantwoord bij brief van 14 juni 1994.
26 Op 11 augustus 1994 heeft de Commissie IPS de belangrijkste feiten en overwegingen medegedeeld op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Rusland voor te stellen.
27 Op voorstel van de Commissie heeft de Raad op 19 oktober 1994 de bestreden verordening vastgesteld.
28 Op 9 januari 1995 stelde IPS bij het Gerecht beroep in tot nietigverklaring van de bestreden verordening of, subsidiair, tot verklaring dat zij niet op IPS van toepassing was. Verder vorderde IPS verwijzing van de Raad in de kosten.
29 De Raad concludeerde tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van IPS in de kosten. De Commissie, PEM en de Chambre syndicale, interveniënten aan de zijde van de Raad, vorderden verwerping van het beroep en verwijzing van IPS in de kosten, met inbegrip van de kosten van de interventie van PEM en de Chambre syndicale.
Het bestreden arrest
De ontvankelijkheid
30 Voor het Gerecht stelden de Raad en de Commissie, dat het beroep van IPS niet-ontvankelijk was.
31 De Commissie betoogde, dat de omstandigheden die volgens het arrest Extramet I een bijzondere situatie vormden waardoor IPS ten opzichte van iedere andere ondernemer werd gekarakteriseerd, in deze zaak ontbraken. De omstandigheid waardoor haar situatie verschilde van die van onafhankelijke importeurs in andere zaken, namelijk dat zij moeilijkheden ondervond om zich te bevoorraden bij PEM, de enige producent in de Gemeenschap, deed zich hier immers niet voor.
32 Het Gerecht wees erop, dat het Hof in het arrest Extramet I het beroep niet uitsluitend ontvankelijk had verklaard op grond van de moeilijkheden van IPS om zich bij de enige producent in de Gemeenschap te bevoorraden. In werkelijkheid heeft het verschillende omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn oordeel, dat zij zich in een bijzondere positie bevond waardoor zij ten opzichte van ieder ander ondernemer werd gekarakteriseerd (punt 52).
33 Van oordeel, dat die omstandigheden nog steeds actueel waren, verklaarde het Gerecht het beroep ontvankelijk omdat IPS door de bestreden verordening rechtstreeks en individueel werd geraakt (punt 54).
Ten gronde
34 Tot staving van haar beroep bij het Gerecht voerde IPS zeven middelen aan: ten eerste schending van artikelen 5 en 7, lid 9, van de basisverordening, miskenning van het gezag van gewijsde en van de voorwaarden voor regularisatie van bestuurshandelingen; ten tweede: schending van de artikelen 7 en 8 van de basisverordening alsmede schending van de rechten van de verdediging; ten derde: schending van de artikelen 4, lid 4, en 2, lid 12, van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling van de gelijksoortigheid van de producten; ten vierde: schending van artikel 4 van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling van de schade van de communautaire bedrijfstak; ten vijfde: schending van artikel 12 van de basisverordening en kennelijke beoordelingsfout; ten zesde: schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG), en ten zevende: misbruik van bevoegdheid.
Het eerste middel
35 Het eerste middel van IPS bestond uit drie onderdelen. In de eerste plaats zou de hervatting van het onderzoek juridische grondslag missen, aangezien ter zake niets is geregeld in de basisverordening. In de tweede plaats zou hervatting van het onderzoek indruisen tegen het gezag van gewijsde daar zij, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, leidt tot regularisering van een door het Hof nietig verklaarde procedure. In de derde plaats zou in casu niet zijn voldaan aan de voorwaarden voor een hervatting van het onderzoek, dat wil zeggen voor een regularisatie, ook al zou regularisatie op zich gemeenschapsrechtelijk geoorloofd zijn.
36 Het Gerecht overwoog, dat het feit dat de basisverordening geen specifieke bepalingen bevat over de rechtsgevolgen van een nietigverklaringsarrest, niet aldus kan worden uitgelegd, dat de instellingen zowel het onderzoek als de procedure in het kader waarvan de nietig verklaarde definitieve maatregelen zijn vastgesteld, niet zouden mogen hervatten. Ingevolge artikel 176 EG-Verdrag (thans artikel 233 EG) dient de betrokken instelling immers op passende wijze uitvoering te geven aan een nietigverklaringsarrest. De nietigverklaring van een handeling die een uit meerdere fasen bestaande administratieve procedure afsluit, leidt derhalve niet noodzakelijkerwijs tot nietigverklaring van de gehele procedure die aan de bestreden handeling is voorafgegaan, ongeacht de gronden, van materiële of formele aard, waarop het nietigverklaringsarrest berust (punt 91).
37 Het Gerecht beklemtoonde, dat verordening nr. 2808/89 in het arrest Extramet II nietig is verklaard, omdat de instellingen van de Gemeenschap de schade niet naar behoren hadden vastgesteld. De door het Hof geconstateerde onwettigheid had derhalve geen betrekking op de voorbereidingshandelingen voor het onderzoek en in het bijzonder niet op de opening van de procedure krachtens artikel 7, lid 1, van de basisverordening (punt 94). Volgens het Gerecht kon de Commissie dan ook rechtmatig de procedure hervatten en zich baseren op alle handelingen die niet door de nietigverklaring waren getroffen. Aangezien de Commissie evenwel tot een nieuw onderzoek met betrekking tot een andere referentieperiode had besloten, rees de vraag of de voorwaarden van de basisverordening in casu in acht waren genomen (punt 95).
38 Het Gerecht merkte op, dat blijkens artikel 7, lid 1, van de basisverordening het bestaan van omstandigheden die bewijs opleveren van dumpingpraktijken die schade toebrengen aan de communautaire bedrijfstak, de noodzakelijke en toereikende materiële voorwaarde voor een optreden van de Gemeenschap tegen de dumping is (punt 97) en dat de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wat betreft de keuze van de voor de vaststelling van de schade in aanmerking te nemen periode (punt 96).
39 Het Gerecht stelde vast, dat er in casu geen redenen waren voor de Commissie om aan te nemen, dat de dumpingpraktijken waren gestaakt of dat de communautaire bedrijfstak geen schade meer leed. Integendeel, zij had van PEM een nota ontvangen waarin voor heropening van het onderzoek werd gepleit, alsmede de nota van 1 juli 1992 over de schade (punt 98). De Commissie had de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door te besluiten de reeds in 1989 geopende procedure voort te zetten en een nieuw onderzoek in te stellen op basis van een andere referentieperiode (punt 99). Het Gerecht concludeerde bijgevolg, dat het eerste middel van IPS niet gegrond was (punt 100).
40 Het Gerecht voegde daaraan toe, dat de rechten die ingevolge de opening van de procedure in 1989 aan IPS toekwamen, niet waren aangetast door de keuze van een andere onderzoeksperiode (punt 101).
Het tweede middel en de volgende middelen
41 Ook het tweede middel van IPS, inzake schending van de artikelen 7 en 8 van de basisverordening en van de rechten van de verdediging, omvatte drie onderdelen.
42 Het eerste klaagde over schending van de rechten van de verdediging: de nota van 1 juli 1992 over de schade was rekwirante eerst op 14 oktober 1992 medegedeeld.
43 Het Gerecht stelde vast, dat IPS had erkend, dat kennis van de nota van 1 juli 1992 over de schade niet noodzakelijk was en haar niet heeft belet haar standpunt kenbaar te maken betreffende de vraag, of de Commissie het onderzoek wel mocht hervatten (punt 110), en dat IPS in ieder geval vanaf 14 oktober 1992 in staat is geweest haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de materiële voorwaarden voor hervatting van het onderzoek (punt 111). Dat de nota van 1 juli 1992 over de schade pas op 14 oktober 1992 was toegezonden, leverde derhalve geen schending op van de procedurele rechten van IPS (punt 112).
44 Verder stelde het Gerecht vast, dat bij gebreke van een verzoek van IPS, krachtens artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening, om toezending van de nota van 1 juli 1992 over de schade, de Commissie niet verplicht was, de inhoud daarvan aan IPS ter kennis te brengen (punt 113).
45 In het tweede onderdeel van het tweede middel, inzake schending van artikel 7, lid 4, en van artikel 8 van de basisverordening, verweet IPS de Commissie dat zij haar bepaalde stukken van PEM niet had verstrekt, met name een nota van 5 augustus 1993 over de technische werkzaamheden in de fabriek van PEM te La Roche-de-Rame (hierna: technische nota van 5 augustus 1993").
46 Het Gerecht wees erop, dat de Commissie, wat de technische nota van 5 augustus 1993 betreft, niet had voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot het verlenen van toegang tot het dossier (punt 142), maar dat IPS vóór de vaststelling van de bestreden verordening opmerkingen over die nota had kunnen indienen, zij het niet met betrekking tot drie vertrouwelijke gedeelten die niet aan IPS ter beschikking waren gesteld, ook niet in de vorm van een samenvatting. IPS trok evenwel niet de verklaring van de Commissie in twijfel, dat geen niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan had kunnen worden opgesteld. Hoe dan ook had IPS niet gesteld, dat zij als gevolg van het ontbreken van deze drie delen haar standpunt over de technische nota van 5 augustus 1993 niet kenbaar had kunnen maken (punten 143 en 144). Bijgevolg werd het tweede onderdeel van het middel afgewezen.
47 Het Gerecht verwierp ook het derde onderdeel van het tweede middel, alsmede de andere door IPS aangevoerde middelen. Daar het beroep in zijn geheel werd verworpen, werd IPS in de kosten verwezen.
De hogere voorziening
48 IPS concludeert dat het het Hof behage, het bestreden arrest te vernietigen, zelf de zaak af te doen, en de Raad, de Commissie en alle interveniënten te verwijzen in de kosten van het kort geding en de procedure in de hoofdzaak voor het Gerecht, alsmede in de kosten van de onderhavige procedure.
49 IPS stelt in de eerste plaats, dat het Gerecht artikel 174 EG-Verdrag (thans artikel 231 EG) en artikel 176 van het Verdrag, alsook de basisverordening heeft geschonden, door vast te stellen dat de Commissie de procedure mocht hervatten op basis van een andere referentieperiode. Verder heeft het Gerecht haars inziens bij de toepassing van artikel 176 van het Verdrag het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel geschonden.
50 In de tweede plaats heeft het Gerecht volgens IPS het grondbeginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en met name artikel 7, lid 4, van de basisverordening geschonden, door aan te nemen dat de onregelmatigheden tijdens de administratieve procedure geen afbreuk hebben gedaan aan de rechten van de verdediging van IPS. Zij stelt in het bijzonder, dat haar procedurele rechten zijn geschonden door de te late toezending van de nota van 1 juli 1992 over de schade en de technische nota van 5 augustus 1993.
51 De Raad verzoekt het Hof, de hogere voorziening af te wijzen en IPS in de kosten van de onderhavige procedure te verwijzen.
52 De Commissie concludeert bij wege van tegenvordering, dat het het Hof behage, het bestreden arrest te vernietigen en het beroep van IPS bij het Gerecht niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de Commissie het Hof om de hogere voorziening af te wijzen. De Commissie verzoekt het Hof, rekwirante in elk geval in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid van het beroep van IPS bij het Gerecht
53 De Commissie stelt bij wege van tegenvordering, dat het beroep van IPS bij het Gerecht niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. In het deel van het bestreden arrest inzake de ontvankelijkheid is bij de toepassing van het arrest Extramet I uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting. Het is bovendien tegenstrijdig of onvoldoende gemotiveerd.
54 Volgens de Commissie is de vaststelling in punt 53 van het bestreden arrest, dat de Commissie niet [bestrijdt], dat PEM niet in staat is een standaardkwaliteit primair metallisch calcium met de door verzoekster gewenste specificaties te leveren en dat verzoekster dus wel degelijk nog steeds moeilijkheden ondervindt om zich bij PEM te bevoorraden", in strijd met andere, meer gedetailleerde feitelijke vaststellingen over de gelijksoortigheid van de producten en de wil van PEM om aan IPS te leveren in de punten 219, 235, 249 tot en met 256 en 308 van het arrest.
55 De vaststellingen van het Gerecht in het bestreden arrest met betrekking tot de grond van de zaak stemmen volgens haar namelijk geheel overeen met de redenen waarom de Commissie de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft opgeworpen. Volgens de Commissie kon IPS zich in werkelijkheid, de kwestie van de prijs daargelaten, net als andere ondernemingen bij PEM bevoorraden. Daar niets IPS van die andere ondernemingen onderscheidt, had het beroep bij het Gerecht bij een juiste toepassing van het arrest Extramet I niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
56 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de vaststelling in punt 53 van het bestreden arrest, dat IPS nog steeds moeilijkheden ondervond om zich bij PEM te bevoorraden, niet in tegenspraak is met de door de Commissie genoemde andere onderdelen van het arrest. De vaststelling in punt 53 wordt namelijk bevestigd door de punten 249 tot en met 256 van het bestreden arrest, waaruit blijkt, dat PEM er niet was in geslaagd, aan de technische behoeften van IPS met betrekking tot het betrokken product te voldoen. De Commissie heeft dus niet aangetoond, dat punt 53 van het bestreden arrest in strijd is met de andere onderdelen van dat arrest.
57 Verder zij eraan herinnerd, dat zowel in het bestreden arrest als in het arrest Extramet I het beroep niet uitsluitend ontvankelijk is verklaard op grond van de moeilijkheden van rekwirante om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, maar op grond van verschillende omstandigheden waardoor IPS zich in een bijzondere positie bevond welke haar met betrekking tot de betrokken handeling ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseerde.
58 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat het Gerecht met de ontvankelijkverklaring van het beroep een fout heeft begaan.
59 De tegenvordering van de Commissie moet dan ook worden afgewezen.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
60 Volgens de Commissie is het eerste middel in hogere voorziening niet-ontvankelijk, daar het slechts stelt dat in de punten 91, 95, 97 en 99 van het bestreden arrest van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan, terwijl in die punten niet alle redenen worden vermeld waarom het Gerecht het eerste middel tot nietigverklaring heeft afgewezen. In punt 101 van het bestreden arrest staat immers nog een reden, namelijk het feit dat de procedure die de Commissie met de hervatting van het onderzoek heeft gevolgd, IPS alle procedurele waarborgen heeft geboden die zij zou hebben gehad indien de Commissie na een nieuwe klacht van PEM een nieuw onderzoek had geopend. Uit de hogere voorziening blijkt volgens haar niet duidelijk genoeg, dat zij ook betrekking heeft op punt 101 van het bestreden arrest, noch op welke grond tegen dat punt hogere voorziening is ingesteld.
61 Na de repliek van IPS betreffende dit punt stelt de Commissie, dat het argument van rekwirante, dat het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest de feiten verkeerd heeft voorgesteld, voor het eerst in repliek is aangevoerd. Dat argument is daarom volgens haar niet-ontvankelijk, aangezien in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen.
62 Verder stelt de Commissie, dat het argument dat IPS in het kader van het eerste middel aanvoert, als zou het Gerecht bij de toepassing van artikel 176 van het Verdrag het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel hebben geschonden, in feite een nieuw middel is dat in hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
63 Met betrekking tot het tweede middel stelt de Commissie, dat het deel van het middel dat klaagt over schending van artikel 7, lid 4, van de basisverordening, doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat de te late toezending van de nota van 1 juli 1992 over de schade geen afbreuk heeft gedaan aan de procedurele rechten van IPS, niet-ontvankelijk is, omdat het verzoekschrift van IPS bij het Gerecht met betrekking tot de toezending van die nota dat artikel niet vermeldde.
64 Wat de technische nota van 5 augustus 1993 betreft, wil IPS volgens de Commissie de feitelijke vraag opwerpen of PEM bereid was aan IPS te leveren. Deze vraag is door het Gerecht beantwoord en is in hogere voorziening niet-ontvankelijk.
65 Allereerst moet worden opgemerkt, dat volgens artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG de hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen en gebaseerd moet zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht. In artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering wordt gepreciseerd, dat het verzoekschrift in hogere voorziening de aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet bevatten.
66 Uit die twee bepalingen volgt, dat een verzoekschrift in hogere voorziening nauwkeurig de elementen van het arrest van het Gerecht moet aangeven waartegen bezwaar wordt gemaakt, alsmede de argumenten rechtens tot staving van het verzoek tot vernietiging van dat arrest.
67 Vastgesteld moet worden, dat het feit dat een verzoekschrift in hogere voorziening of het middel in hogere voorziening niet betrekking heeft op alle redenen waarom het Gerecht ten aanzien van een vraag een bepaald standpunt heeft ingenomen, niet meebrengt dat dat middel niet-ontvankelijk is.
68 Het argument van de Commissie dat het eerste middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het niet met de vereiste duidelijkheid op punt 101 van het bestreden arrest betrekking heeft, moet om die reden alleen al worden afgewezen.
69 Verder zij erop gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie opmerkt, IPS punt 101 van het bestreden arrest met de vereiste duidelijkheid vermeldt, aangezien in het eerste middel in hogere voorziening onder verwijzing naar de redenering in de punten 87 tot en met 102 van het bestreden arrest het standpunt wordt ingenomen dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden, en in punt 98 van het verzoekschrift in hogere voorziening kritiek wordt geleverd op de vaststelling van het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest, dat de keuze van een andere onderzoeksperiode de rechten van IPS niet heeft aangetast.
70 Inzake het argument van IPS, dat het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest de feiten verkeerd heeft weergegeven, moet met de Commissie worden vastgesteld, dat ingevolge artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
71 Dienaangaande volstaat de opmerking, dat de in de repliek van IPS gestelde verkeerde weergave van de feiten door het Gerecht niet is gesteund op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan is gebleken tussen de instelling van de hogere voorziening en de indiening van de repliek. Het eerste middel is dus niet-ontvankelijk voor zover daarin wordt gesteld, dat het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest de feiten verkeerd heeft weergegeven.
72 Wat de gestelde niet-ontvankelijkheid van het betoog van IPS inzake het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel betreft, moet het volgende worden vastgesteld.
73 Weliswaar heeft IPS voor het Gerecht bezwaren geuit tegen de keuze van een andere onderzoeksperiode, doch zij heeft niet gesteld dat die keuze indruiste tegen het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel. Hoewel in het verzoekschrift in hogere voorziening wordt gesteld, dat het Gerecht die beginselen heeft geschonden bij de uitlegging van artikel 176 van het Verdrag, wordt daarin - zoals de Commissie heeft opgemerkt - enkel en alleen gelaakt, dat door de bestreden verordening die beginselen zijn geschonden.
74 Zou het een partij worden toegestaan om een middel dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof aan te voeren, dan zou haar in feite worden toegestaan om bij het Hof, waarvan de bevoegdheid inzake hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus enkel bevoegd om de beoordeling door het Gerecht van de voor hem bepleite middelen te onderzoeken (zie, in die zin, arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C-136/92 P, Jurispr. blz. I-1981, punt 59, en 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, Jurispr. blz. I-3111, punt 62).
75 Het eerste middel is dus eveneens niet-ontvankelijk voor zover daarin wordt gesteld, dat het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden.
76 Met betrekking tot het tweede middel zij erop gewezen, dat ofschoon IPS in haar betoog voor het Gerecht artikel 7, lid 4, van de basisverordening niet uitdrukkelijk heeft vermeld in verband met de toezending van de nota van 1 juli 1992 over de schade, het Gerecht dat betoog aldus heeft uitgelegd, dat het op die bepaling betrekking had.
77 Aangaande de technische nota van 5 augustus 1993 volstaat de vaststelling, dat IPS een schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht heeft gesteld - namelijk schending van de rechten van de verdediging - die in hogere voorziening ontvankelijk is.
78 Derhalve moet worden vastgesteld, dat het eerste middel van IPS ontvankelijk is, met uitzondering van de argumenten betreffende de gestelde schending van het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel en de gestelde verkeerde weergave van de feiten door het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest, en dat het tweede middel in hogere voorziening in zijn geheel ontvankelijk is.
Het eerste middel
79 Met haar eerste middel stelt IPS, dat het Gerecht de artikelen 174 en 176 van het Verdrag en de basisverordening heeft geschonden, door aan te nemen dat de Commissie in weerwil van het arrest Extramet II het onderzoek op basis van een andere referentieperiode te heropenen zonder dat zij een nieuwe antidumpingprocedure behoefde in te leiden.
80 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens de artikelen 174 en 176 van het Verdrag de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht, gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.
81 Om zich te voegen naar een nietigverklaringsarrest en hieraan volledige uitvoering te geven, moeten de instellingen niet alleen het dictum van het arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden, daar zij onontbeerlijk zijn om de nauwkeurige betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers de rechtsoverwegingen die aangeven, welke bepaling precies als onwettig wordt beschouwd en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid, en waarmee de betrokken instelling bij de vervanging van de nietig verklaarde handeling rekening moet houden (arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 193/86, 99/86 en 215/86, Jurispr. blz. 2181, punt 27).
82 De procedure ter vervanging van een dergelijke handeling mag dus weer worden opgenomen op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (arrest van 12 november 1998, Spanje/Commissie, C-415/96, Jurispr. blz. I-6993, punt 31).
83 In het arrest Extramet II heeft het Hof verordening nr. 2808/89 nietig verklaard, nadat het in punt 19 van dat arrest had vastgesteld, dat de gemeenschapsinstellingen de schade voor de productie in de Gemeenschap niet naar behoren hadden vastgesteld. Het Hof preciseerde, dat niet was gebleken dat de gemeenschapsinstellingen daadwerkelijk hadden onderzocht of PEM door haar verkoopweigering niet zelf tot de geleden schade had bijgedragen, en hadden aangetoond, dat de vastgestelde schade niet uit de door Extramet aangevoerde omstandigheden voortvloeide.
84 De nietigverklaring van verordening nr. 2808/89 was dus gebaseerd op omstandigheden die zich hadden voorgedaan tijdens de antidumpingprocedure, meer bepaald tijdens het onderzoek. Die omstandigheden hadden geen betrekking en geen invloed op de inleiding van de procedure.
85 Derhalve moet worden geconcludeerd dat de Commissie, zonder het dictum of de motivering van het arrest Extramet II te schenden, het vraagstuk van de vaststelling van de schade nader kon onderzoeken in het kader van de nog steeds lopende antidumpingprocedure.
86 De vraag rijst evenwel, of de Commissie de voorschriften van de basisverordening inzake de antidumpingprocedure heeft nageleefd, met name door een onderzoek te voeren op basis van een andere referentieperiode dan die welke voor het oorspronkelijke onderzoek was gekozen.
87 IPS stelt inzonderheid, dat de keuze van een andere referentieperiode in strijd is met artikel 7, lid 1, sub c, van de basisverordening, waarin is bepaald dat het onderzoek naar dumping gewoonlijk een onmiddellijk aan de inleiding van de procedure voorafgaande periode van niet minder dan zes maanden bestrijkt.
88 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat de in artikel 7, lid 1, sub c, van de basisverordening genoemde periode een indicatief karakter heeft en niet dwingend is (zie, mutatis mutandis, arrest van 12 mei 1989, Continentale Produkten-Gesellschaft Erhardt-Renken, 246/87, Jurispr. blz. 1151, punt 8).
89 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat de instellingen over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken betreffende de keuze van de in het kader van een antidumpingprocedure voor de vaststelling van de schade in aanmerking te nemen periode (zie, met name, arrest van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punt 86).
90 Ten slotte zij opgemerkt, dat uit de systematiek van de basisverordening blijkt, dat de schade moet worden vastgesteld naar de situatie op het tijdstip, waarop eventueel tot beschermende maatregelen wordt besloten (arrest van 28 november 1989, Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad, C-121/86, Jurispr. blz. 3919, punt 35).
91 De instelling van antidumpingrechten is immers geen sanctie voor eerder gedrag, maar een beschermende maatregel om zich te weren tegen de oneerlijke mededinging die het gevolg is van de dumpingpraktijken. Daarom kunnen antidumpingrechten in de regel volgens artikel 13 van de basisverordening niet met terugwerkende kracht worden ingesteld of verhoogd.
92 Teneinde antidumpingrechten te kunnen vaststellen die geschikt zijn om de bedrijfstak van de Gemeenschap te beschermen tegen dumping, moet het onderzoek dus op grond van zo recent mogelijke informatie worden verricht.
93 In casu lijkt de keuze van de Commissie voor een referentieperiode van 1 juli 1991 tot en met 31 oktober 1992, voorafgaande aan de publicatie van het bericht over de antidumpingprocedure op 14 november 1992, dus gerechtvaardigd en in overeenstemming met de doelstellingen van de basisverordening.
94 Met betrekking tot die keuze moet er evenwel aan worden herinnerd, dat het bestaan van voldoende bewijs van dumping en daaruit voortvloeiende schade steeds een vereiste is voor de opening van een onderzoek in de zin van artikel 7 van de basisverordening, zowel bij de inleiding van een antidumpingprocedure als bij een nieuw onderzoek van een verordening tot instelling van antidumpingrechten (arrest van 10 februari 1998, Commissie/NTN en Koyo Seiko, C-245/95 P, Jurispr. blz. I-401, punt 38). Dit geldt ook voor de heropening van een onderzoek in het kader van een nog lopende antidumpingprocedure naar aanleiding van een arrest waarbij een verordening tot instelling van antidumpingrechten nietig is verklaard.
95 In dat verband moet worden gepreciseerd, dat het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, dat PEM na het arrest Extramet II de gegevens in de klacht van juli 1987 heeft aangevuld met gegevens over de periode van 1987 tot december 1991, dat wil zeggen de meest recente periode waarover cijfers beschikbaar waren, en op basis daarvan een gedetailleerde analyse heeft gemaakt van de verschillende factoren op basis waarvan antidumpingmaatregelen worden vastgesteld, te weten de normale waarde, de uitvoerprijs, de prijsvergelijking, de dumpingmarge en de schade.
96 Bijgevolg moet worden geconcludeerd, dat het Gerecht de artikelen 174 en 176 van het Verdrag en de basisverordening niet heeft geschonden toen het in punt 99 van het bestreden arrest vaststelde, dat gelet op het feit dat de ingeleide procedure niet door het arrest Extramet II nietig was verklaard en dat de dumpingpraktijken aanhielden, de Commissie de reeds in 1989 geopende procedure kon voortzetten op basis van een andere referentieperiode.
Het tweede middel
97 Volgens IPS heeft het Gerecht het grondbeginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en inzonderheid artikel 7, lid 4, van de basisverordening geschonden, door te aanvaarden, dat de onregelmatigheden tijdens de procedure geen afbreuk hadden gedaan aan de rechten van de verdediging van IPS.
98 IPS stelt met name, dat haar rechten van de verdediging zijn geschonden door de te late toezending van de nota van 1 juli 1992 over de schade. Verder stelt IPS, dat de technische nota van 5 augustus 1993 haar pas is toegezonden op 21 mei 1994, meer dan een maand na de vaststelling van de voorlopige verordening.
99 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de gemeenschapsinstellingen bij het vervullen van hun informatieplicht met de nodige zorgvuldigheid te werk moeten gaan door te proberen om, voor zover de inachtneming van de vertrouwelijkheid dat toelaat, de betrokken ondernemingen de voor de behartiging van hun belangen dienstige gegevens mee te delen in een - eventueel ambtshalve - door de instellingen te bepalen passende vorm. In ieder geval moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de beweerde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar beweerde bestaan van dumping en van de daaruit voortvloeiende schade (arrest van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad, C-49/88, Jurispr. blz. I-3187, punt 17).
100 Wat in de eerste plaats de nota van 1 juli 1992 over de schade betreft, zij erop gewezen dat die één maand voor de publicatie van het bericht over de antidumpingprocedure op 14 november 1992 aan IPS is toegezonden. Zoals het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, is IPS dus in staat geweest haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de materiële voorwaarden voor hervatting van de procedure. Het Gerecht heeft in punt 112 van het bestreden arrest dan ook terecht geconcludeerd, dat de rechten van de verdediging van IPS op dat punt niet waren geschonden.
101 Verder heeft het Gerecht in punt 142 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie, wat de technische nota van 5 augustus 1993 betreft, niet had voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot het verlenen van toegang tot het dossier, en met name dat die nota pas op 21 mei 1994, na de vaststelling van de voorlopige verordening, door PEM aan IPS was toegezonden.
102 Daar IPS in staat is geweest tijdig voor de vaststelling van de bestreden verordening haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot het bestaan en de relevantie van de feiten in de technische nota van 5 augustus 1993, en niet is aangetoond dat de te late toezending afbreuk heeft gedaan aan het verweer van IPS, moet worden vastgesteld, dat het Gerecht in de punten 143 en 144 van het bestreden arrest terecht heeft geconcludeerd, dat de procedurele rechten van IPS op dat punt niet waren geschonden.
103 Ten slotte is niet aangetoond, dat andere onregelmatigheden met betrekking tot de toegang tot het dossier afbreuk hebben gedaan aan de rechten van de verdediging van IPS.
104 Derhalve moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.
105 Mitsdien moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
106 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
107 Aangezien de Raad heeft geconcludeerd tot verwijzing van IPS in de kosten en deze laatste in het ongelijk is gesteld, dient zij in haar eigen kosten te worden verwezen alsook in die van de Raad. PEM en de Chambre syndicale, die geen veroordeling in de kosten hebben gevorderd, zullen hun eigen kosten dragen. De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Industrie des poudres sphériques in de kosten.
3) Verstaat dat Péchiney électrométallurgie, Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hun eigen kosten zullen dragen.