Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 28 oktober 1999. - Arbeitsgemeinschaft Deutscher Rundfunkanstalten (ARD) tegen PRO Sieben Media AG, in aanwezigheid van: SAT 1 Satellitenfernsehen GmbH, Kabel 1, K 1 Fernsehen GmbH. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Oberlandesgericht Stuttgart - Duitsland. - Televisieomroepactiviteiten - Beperking van reclamezendtijd. - Zaak C-6/98.
Jurisprudentie 1999 bladzijde I-07599
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1 Vrij verrichten van diensten - Televisieomroepactiviteiten - Richtlijn 89/552 - Televisiereclame - Toegelaten aantal reclameonderbrekingen tijdens uitzending van audiovisuele producties - Berekening - Inaanmerkingneming van reclametijd
(Richtlijn 89/552 van de Raad, art. 11, lid 3)
2 Vrij verrichten van diensten - Televisieomroepactiviteiten - Richtlijn 89/552 - Bevoegdheid van lidstaten om af te wijken van voorschriften inzake reclame - Toegelaten aantal reclameonderbrekingen tijdens uitzending van audiovisuele producties - Berekening met uitsluiting van reclametijd - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
[EG-Verdrag, art. 5 en 85 (thans art. 10 EG en 81 EG) en art. 6 en 30 (thans, na wijziging, art. 12 EG en 28 EG); richtlijn 89/552 van de Raad, art. 3, lid 1, en 11, lid 3]
1 Een bepaling die inzake dienstverrichtingen een activiteit die de uitoefening van een fundamentele vrijheid betreft, zoals de vrije uitzending van televisieprogramma's, beperkt, dient deze beperking in duidelijke termen te formuleren. Daaruit volgt, dat een bepaling van richtlijn 89/552 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, deze de uitzending en verdeling van televisiediensten beperkt zonder dat de gemeenschapswetgever deze beperking in duidelijke en ondubbelzinnige termen heeft geformuleerd, restrictief dient te worden uitgelegd.
Nu artikel 11, lid 3, van de richtlijn dubbelzinnig is geformuleerd en voorziet in een beperking wat de mogelijkheid betreft om de uitzending van televisieprogramma's te onderbreken voor reclame, moet deze beperking zo strikt mogelijk worden uitgelegd. Vaststaat, dat het brutobeginsel, volgens hetwelk de reclametijd moet worden meegerekend in de periode waarvan wordt uitgegaan bij de berekening van het toegelaten aantal onderbrekingen, een groter aantal reclameonderbrekingen mogelijk maakt dan het nettobeginsel, volgens hetwelk alleen de duur van de film in aanmerking komt. Hieruit volgt, dat artikel 11, lid 3, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het het brutobeginsel voorschrijft, zodat voor de berekening van het tijdvak van 45 minuten op basis waarvan het aantal reclameonderbrekingen wordt vastgesteld die kunnen worden ingevoegd in de uitzending van audiovisuele producties, zoals bioscoopfilms en televisiefilms, de reclametijd in dit tijdvak moet worden meegerekend.
2 De bepalingen van de artikelen 11, lid 3, en 3, lid 1, van richtlijn 89/552 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, staan de lidstaten toe voor de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties het nettobeginsel te hanteren voor reclame die in de uitzendingen kan worden ingevoegd, en dus voor te schrijven dat voor de berekening van het tijdvak van 45 minuten op basis waarvan het aantal reclameonderbrekingen wordt vastgesteld die kunnen worden ingevoegd in de uitzending van audiovisuele producties, zoals bioscoopfilms en televisiefilms, de reclametijd niet wordt meegerekend, mits deze voorschriften verenigbaar zijn met de andere relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht.
De artikelen 5 van het Verdrag (thans artikel 10 EG), 6, 30 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 12 EG en 28 EG) en 85 van het Verdrag (thans artikel 81 EG) alsmede het algemeen beginsel van gelijkheid van behandeling zijn niet van toepassing op een nationale regeling die de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft voor televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen, en artikel 59 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) verzet zich er niet tegen, dat een lidstaat onder verwijzing naar artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552 de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft.
In zaak C-6/98,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans 234 EG) van het Oberlandesgericht Stuttgart (Duitsland), in het aldaar aanhangige geding tussen
Arbeitsgemeinschaft Deutscher Rundfunkanstalten (ARD)
en
PRO Sieben Media AG,
in aanwezigheid van:
SAT 1 Satellitenfernsehen GmbH,
Kabel 1, K 1 Fernsehen GmbH,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PB L 202, blz. 60),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Arbeitsgemeinschaft Deutscher Rundfunkanstalten (ARD), vertegenwoordigd door W. Keßler, advocaat te Stuttgart,
- PRO Sieben Media AG, vertegenwoordigd door H.-J. Rabe, advocaat te Brussel,
- Kabel 1, K 1 Fernsehen GmbH, vertegenwoordigd door T. Jestaedt, advocaat te Brussel,
- de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door N. Schmit, directeur internationale economische betrekkingen en samenwerking bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. G. Lammers, plaatsvervangend juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, en P. Borges, jurist bij dat directoraat-generaal, als gemachtigden,
- de Zweedse regering, vertegenwoordigd door E. Brattgård, departementsråd bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door D. Cooper van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door R. Thompson, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Arbeitsgemeinschaft Deutscher Rundfunkanstalten (ARD), vertegenwoordigd door W. Keßler; PRO Sieben Media AG, vertegenwoordigd door H.-J. Rabe; Kabel 1, K 1 Fernsehen GmbH, vertegenwoordigd door T. Jestaedt; de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Maitrepierre, chargé de mission bij het directoraat juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door F. Quadri, avvocato dello Stato; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. Eadie, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door J. Sack, ter terechtzitting van 22 april 1999,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 juni 1999,
het navolgende
Arrest
1 Bij beschikking van 17 december 1997, bij het Hof ingekomen op 12 januari 1998, heeft het Oberlandesgericht Stuttgart krachtens artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (PB L 202, blz. 60).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen Arbeitsgemeinschaft Deutscher Rundfunkanstalten (hierna: "ARD") en PRO Sieben Media AG (hierna: "PRO Sieben"), ondersteund door SAT 1 Satellitenfernsehen GmbH en Kabel 1, K 1 Fernsehen GmbH (hierna: "SAT 1 en Kabel 1").
3 ARD bestaat uit elf publiekrechtelijke omroeporganisaties van de deelstaten, die tezamen de televisieprogramma's van de ARD verzorgen. PRO Sieben en SAT 1 en Kabel 1 zijn particuliere televisieomroeporganisaties.
Juridische context
Richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36
4 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552 luidt:
"1. Het staat de lidstaten vrij, van de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties naleving van strengere of meer gedetailleerde voorschriften te eisen op de gebieden die onder deze richtlijn vallen."
5 Volgens artikel 11, lid 1, van richtlijn 89/552, moet reclame in beginsel tussen de uitzendingen worden ingevoegd; zij kan evenwel ook tijdens de uitzendingen aldus worden ingevoegd "dat de integriteit en de waarde van de uitzendingen niet worden geschaad, rekening houdende met de natuurlijke pauzes in en de duur en de aard van het programma, en er geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de houders van rechten".
6 Artikel 11, lid 2, van richtlijn 89/552 bepaalt, dat bij uit zelfstandige onderdelen samengestelde uitzendingen, zoals bij sportuitzendingen, alleen tussen de zelfstandige onderdelen of tijdens de pauzes reclame mag worden ingevoegd.
7 Artikel 11, lid 3, van deze richtlijn bepaalt:
"3. De uitzending van audiovisuele producties zoals bioscoop- en televisiefilms (met uitzondering van series, feuilletons, lichte amusementsprogramma's en documentaires) mag één keer per tijdvak van 45 minuten worden onderbroken mits de geprogrammeerde duur ervan meer dan 45 minuten bedraagt. Indien de geprogrammeerde duur ervan ten minste 20 minuten langer is dan twee of meer volledige tijdvakken van 45 minuten, mag er nog één keer worden onderbroken."
8 Artikel 20 van richtlijn 89/552 bepaalt:
"Onverminderd artikel 3 mogen de lidstaten, onder eerbiediging van het gemeenschapsrecht, andere voorwaarden vaststellen dan die welke zijn neergelegd in artikel 11, leden 2 tot en met 5, artikel 18 en artikel 18 bis, wat betreft uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor het nationale grondgebied en die niet direct of indirect in een of meer andere lidstaten door het publiek kunnen worden ontvangen."
Het Europees televisieverdrag
9 Artikel 14, lid 3, van het Europees verdrag van 5 mei 1989 over grensoverschrijdende televisie (hierna: "televisieverdrag") luidt in de authentieke Engelse en Franse versie als volgt:
Engelse versie
"3. The transmission of audiovisual works such as feature films and films made for television (excluding series, serials, light entertainment programme and documentaries), provided their duration is more than forty-five minutes, may be interrupted once for each complete period of forty-five minutes. A further interruption is allowed if their duration is at least twenty minutes longer than two or more complete periods of forty-five minutes."
Franse versie
"3. La transmission d'oeuvres audiovisuelles, telles que les longs métrages cinématographiques et les films conçus pour la télévision (à l'exclusion des séries, des feuilletons, des émissions de divertissement et des documentaires), à condition que leur durée soit supérieure à quarante-cinq minutes, peut être interrompue une fois par tranche de quarante-cinq minutes. Une autre interruption est autorisée si leur durée est supérieure d'au moins vingt minutes à deux ou plusieurs tranches complètes de quarante-cinq minutes."
Het Duitse recht
10 De Duitse Grondwet kent de wetgevende bevoegdheid inzake radio- en televisieuitzendingen toe aan de deelstaten. Volgens het Staatsvertrag über den Rundfunk im vereinigten Deutschland (staatsverdrag betreffende de omroepactiviteiten in het verenigde Duitsland; hierna: "Rundfunkstaatsvertrag") van 31 augustus 1991 kunnen de publiekrechtelijke omroeporganisaties maximum 20 minuten reclame per werkdag uitzenden tijdens hun televisieprogramma's. Bij de particuliere televisieomroeporganisaties mag slechts 20 % van de dagelijkse zendtijd voor reclame worden gebruikt; 15 % mag worden gebruikt voor reclamespots.
11 § 26, lid 4, van het Rundfunkstaatsvertrag bepaalt:
"In afwijking van lid 3, tweede volzin, mogen producties zoals bioscoop- en televisiefilms, met uitzondering van series, feuilletons, lichte amusementsprogramma's en documentaires, mits zij langer dan 45 minuten duren, slechts één keer per volledig tijdvak van 45 minuten worden onderbroken. Wanneer de uitzendingen ten minste 20 minuten langer duren dan twee of meer volledige tijdvakken van 45 minuten, mag er nog één keer worden onderbroken."
12 Deze bepaling is overgenomen in § 44, lid 4, van het Dritte Staatsvertrag zur Änderung rundfunkrechtlicher Staatsverträge (derde staatsverdrag tot wijziging van de staatsverdragen betreffende de omroeprechten), dat in werking is getreden op 1 januari 1997.
13 Bij brief van 7 april 1992 heeft de Duitse regering de Commissie op de hoogte gebracht van de omzetting van richtlijn 89/552, en haar de tekst van het Rundfunkstaatsvertrag van 1991 doen toekomen.
Feiten en prejudiciële vragen
14 Blijkens het dossier is in het hoofdgeding de berekening aan de orde van het aantal reclameonderbrekingen dat ingevolge § 26, lid 4, van het Rundfunkstaatsvertrag mag worden ingevoegd in door particuliere televisieomroeporganisaties uitgezonden bioscoopfilms. In dit verband staan twee interpretaties tegenover elkaar, namelijk het bruto- en het nettobeginsel.
15 Volgens het brutobeginsel, dat wordt verdedigd door PRO Sieben en door SAT 1 en Kabel 1, moet de reclametijd worden meegerekend in de periode waarvan wordt uitgegaan bij de berekening van het toegelaten aantal onderbrekingen. Volgens het nettobeginsel, waar ARD van uitgaat, geldt alleen de duur van de film. Vaststaat, dat in bepaalde omstandigheden de toepassing van het brutobeginsel tot een groter aantal reclameonderbrekingen leidt dan het nettobeginsel.
16 Bij vonnis van 10 oktober 1996 heeft het Landgericht Stuttgart PRO Sieben gelast niet langer reclameonderbrekingen in te voegen in uitzendingen zoals bioscoopfilms of televisiefilms die afgezien van reclameonderbrekingen (nettobeginsel) niet langer duren dan 45 minuten, of niet meer dan eenmaal per volledige periode van 45 minuten reclame in te voegen in langere televisieuitzendingen, berekend volgens het nettobeginsel. Een extra onderbreking is bovendien toegelaten indien de uitzending, berekend volgens het nettobeginsel, ten minste 20 minuten langer duurt dan twee volledige tijdvakken van 45 minuten.
17 PRO Sieben heeft in hoger beroep van deze uitspraak voor het Oberlandesgericht het standpunt ingenomen dat, zelfs indien krachtens de Duitse wetgeving het nettobeginsel moest worden toegepast, dit beginsel in strijd is met richtlijn 89/552 en het primair gemeenschapsrecht.
18 Hoewel de verwijzende rechter zich aansloot bij de door het Landgericht Stuttgart gegeven interpretatie van het nationale recht, was hij van oordeel dat de beslechting van het geding afhing van de uitlegging van richtlijn 89/552.
19 Gelet op deze omstandigheden heeft het Oberlandesgericht Stuttgart besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
"1) Is in artikel 11, lid 3, van richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 tot wijziging van richtlijn 89/552/EEG, respectievelijk in het identiek geformuleerde artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, het bruto- dan wel het nettobeginsel neergelegd?
2) Zo § 44, lid 4, Dritter Staatsvertrag zur Änderung rundfunkrechtlicher Staatsverträge het nettobeginsel voorschrijft, verdraagt zulks zich met artikel 11, lid 3, juncto artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552/EEG en met het primaire gemeenschapsrecht (artikelen 5, 6, 30 e.v., 59 e.v., 85 e.v. EG-Verdrag en het algemene gelijkheidsbeginsel)?"
De eerste vraag
20 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, is gebaseerd op het bruto- dan wel op het nettobeginsel.
21 Volgens de ARD, de Franse, de Nederlandse en de Portugese regering, doelt artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, op het nettobeginsel. Daarentegen plaatsen PRO Sieben, ondersteund door SAT 1 en Kabel 1 alsmede de Italiaanse en de Luxemburgse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, zich op het standpunt dat deze bepaling op het brutobeginsel doelt.
22 Tot staving van hun respectievelijke interpretaties, voeren de partijen in het hoofdgeding, de regeringen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, alsmede de Commissie, argumenten aan die zij ontlenen aan de tekst van artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552 in de Duitse, de Engelse en de Franse versie, aan artikel 14, lid 3, van het televisieverdrag, aan de opzet en de strekking van richtlijn 89/552, en aan de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn en van richtlijn 97/36.
23 In de eerste plaats zij erop gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 18 tot en met 25 van zijn conclusie opmerkt, de argumenten die zijn ontleend aan de tekst van artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, geen duidelijke aanwijzingen verschaffen met betrekking tot de vraag of deze bepaling het bruto- dan wel het nettobeginsel voorschrijft.
24 Wat vervolgens artikel 14, lid 3, van het televisieverdrag betreft, waarvan de tekst identiek is aan die van artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, met dien verstande dat het in eerstbedoelde bepaling gaat over de "duur" en in de tweede over de "geprogrammeerde duur", kan worden volstaan met vast te stellen dat, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie opmerkt, de interpretaties die van dit verschil kunnen worden gegeven, met elkaar in tegenstrijd zijn.
25 Om de in de punten 31 tot en met 36 van de conclusie van de advocaat-generaal uiteengezette redenen, kunnen aan de verklaring van de Raad en de Commissie in de notulen van de Raad van 3 oktober 1989, of aan het voorstel van het Europees Parlement van 14 februari 1996 betreffende richtlijn 97/36 geen beslissende argumenten worden ontleend voor de beantwoording van de vraag of artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, het bruto- dan wel het nettobeginsel voorschrijft.
26 Vastgesteld moet dus worden, dat artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, dubbelzinnig is geformuleerd.
27 In die omstandigheden moet eraan worden herinnerd, dat wanneer de tekst van een bepaling van gemeenschapsrecht, in de verschillende taalversies, beschouwd in het licht van de voorgeschiedenis van de bepaling en van de voorbereidende stukken, waarop partijen hun in de loop der procedure voor het Hof aangevoerde argumenten hebben doen steunen, teveel tegenstrijdige en dubbelzinnige elementen bevat om een antwoord te verschaffen, voor de uitlegging van deze bepaling te rade moet worden gegaan met de context waarin zij voorkomt en het door de betreffende regeling gestelde doel (zie arrest van 7 februari 1979, Nederland/Commissie, 11/76, Jurispr. blz. 245, punt 6).
28 Gelijk het Hof in zijn arresten van 9 februari 1995, Leclerc-Siplec (C-412/93, Jurispr. blz. I-179, punt 28), en 9 juli 1997, De Agostini en TV-Shop (C-34/95-C-36/95, Jurispr. blz. I-3843, punt 3), heeft vastgesteld, heeft richtlijn 89/552, die krachtens de artikelen 57, lid 2, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 47, lid 2, EG) en 66 EG-Verdrag (thans artikel 55 EG) is vastgesteld, primair tot doel, de vrije uitzending van televisieprogramma's te verzekeren.
29 Vervolgens zij erop gewezen, dat een bepaling die inzake dienstverrichtingen een beperking stelt aan een activiteit die de uitoefening van een fundamentele vrijheid betreft, zoals de vrije uitzending van televisieprogramma's, deze beperking in duidelijke termen dient te formuleren.
30 Wanneer dus een bepaling van richtlijn 89/552 een beperking stelt aan de uitzending en verdeling van televisiediensten, zonder dat de gemeenschapswetgever deze beperking in duidelijke en ondubbelzinnige termen heeft geformuleerd, dient zij beperkend te worden uitgelegd.
31 Waar artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, in een beperking voorziet wat de mogelijkheid betreft om de uitzending van televisieprogramma's te onderbreken voor reclame, moet deze beperking in de meest strikte betekenis worden uitgelegd.
32 Welnu, vaststaat dat het brutobeginsel een groter aantal reclameonderbrekingen mogelijk maakt dan het nettobeginsel.
33 Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, aldus moet worden uitgelegd, dat het het brutobeginsel voorschrijft, zodat voor de berekening van het tijdvak van 45 minuten op basis waarvan het aantal reclameonderbrekingen wordt vastgesteld die kunnen worden ingevoegd in de uitzending van audiovisuele producties, zoals bioscoopfilms en televisiefilms, de reclametijd in dit tijdvak moet worden meegerekend.
De tweede vraag
Het eerste onderdeel van de tweede vraag
34 Met het eerste onderdeel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de bepalingen van artikel 11, lid 3, in samenhang met die van artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36, de lidstaten de mogelijkheid laten om het nettobeginsel toe te passen.
35 Volgens PRO Sieben volgt zowel uit de opzet als het doel van richtlijn 89/552, dat artikel 3, lid 1, van deze richtlijn strikt moet worden uitgelegd. Zij voert met name aan, dat de in deze bepaling neergelegde mogelijkheid voor de lidstaten om strengere of meer gedetailleerde voorschriften op te leggen, niet kan gelden voor artikel 11 van richtlijn 89/552.
36 Zij preciseert in dit verband, dat wat televisiereclame betreft die volgens artikel 11, lid 1, tijdens de uitzendingen kan worden ingevoegd onder de voorwaarden van artikel 11, leden 2 tot en met 5, de lidstaten geen andere voorwaarden dan die van artikel 20 van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, kunnen voorschrijven. Volgens PRO Sieben kan de afwijking waarin laatstgenoemde bepaling voorziet, evenwel niet de toepassing van het nettobeginsel rechtvaardigen, nu deze bepaling alleen geldt voor uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor het nationale grondgebied en die niet direct of indirect in een of meer andere lidstaten kunnen worden ontvangen.
37 Vooreerst moet worden vastgesteld, dat reeds uit de tekst van artikel 20 van richtlijn 89/552 volgt, dat deze bepaling "onverminderd artikel 3" van de richtlijn geldt.
38 Vervolgens zij erop gewezen, dat de door PRO Sieben verdedigde zienswijze erop neerkomt, dat artikel 3, lid 1, als algemene bepaling voor een wezenlijk deel van de door richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, geregelde materie, zonder voorwerp wordt.
39 Welnu, uit de considerans noch uit het doel van richtlijn 89/552 kan worden afgeleid dat artikel 20 aldus moet worden uitgelegd, dat het de lidstaten de hun bij artikel 3, lid 1, toegekende mogelijkheid ontneemt.
40 De zevenentwintigste overweging van de considerans van richtlijn 89/552 verwijst namelijk in algemene termen, en zonder dat sprake is van een beperking tot de in artikel 20 omschreven omstandigheden, naar de mogelijkheid voor de lidstaten om meer gedetailleerde en strengere voorschriften uit te vaardigen dan de minimumnormen en de criteria waaraan de reclame ingevolge bedoelde richtlijn moet voldoen.
41 Daarentegen wordt de mogelijkheid waarin artikel 20 van richtlijn 89/552 voor de lidstaten voorziet, vermeld in de achtentwintigste overweging van de considerans van de richtlijn, waarin het gaat over de mogelijkheid voor de lidstaten om andere voorwaarden vast te stellen voor het opnemen van reclame en het stellen van andere limieten aan de hoeveelheid reclame, teneinde deze specifieke uitzendingen te vergemakkelijken, voor zover het gaat om uitzendingen die uitsluitend zijn bestemd voor het nationale grondgebied en niet rechtstreeks of indirect kunnen worden ontvangen in een of meer andere lidstaten.
42 Ten slotte komt de verwezenlijking van de doelstelling van richtlijn 89/552, die erin bestaat de vrije uitzending te verzekeren van televisieprogramma's die aan de minimumnormen van de richtlijn voldoen, geenszins in het gedrang wanneer de lidstaten inzake reclame strengere voorschriften vaststellen.
43 Het antwoord dient derhalve te luiden, dat de bepalingen van artikel 11, lid 3, in samenhang met die van artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, de lidstaten toelaten voor de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties het nettobeginsel te hanteren voor reclame die in de uitzendingen kan worden ingevoegd, en dus voor te schrijven dat voor de berekening van het betrokken tijdvak de reclametijd niet wordt meegerekend, mits althans deze voorschriften verenigbaar zijn met de andere relevante bepalingen van gemeenschapsrecht.
Het tweede onderdeel van de tweede vraag
44 Met het tweede onderdeel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de artikelen 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG), 6, 30, 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 12 EG, 28 EG en 49 EG) en 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG), alsmede het algemeen beginsel van gelijkheid van behandeling, zich ertegen verzetten dat een lidstaat onder verwijzing naar artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552 de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft.
Artikel 30 van het Verdrag
45 Er zij aan herinnerd, dat volgens het Hof een wettelijke regeling die televisiereclame in een bepaalde sector verbiedt, betrekking heeft op verkoopmodaliteiten, doordat zij een bepaalde vorm van verkoopbevordering voor een bepaalde vorm van verhandeling van producten verbiedt (arrest Leclerc-Siplec, reeds aangehaald, punt 22).
46 Welnu, de reclamebeperking die in het hoofdgeding aan de orde is, was van een soortgelijke aard, maar minder verstrekkend, en betreft dus eveneens de verkoopmodaliteiten.
47 In het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097, punt 16), heeft het Hof verklaard, dat nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, niet onder artikel 30 van het Verdrag vallen, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten.
48 Welnu, een regeling inzake televisiereclame als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet kennelijk aan deze twee voorwaarden.
Artikel 59 van het Verdrag
49 Wat de verenigbaarheid met artikel 59 van het Verdrag betreft van een op het nettobeginsel gebaseerde nationale regeling, die een lidstaat kan voorschrijven ingevolge de mogelijkheid waarin artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, voorziet, moet worden opgemerkt dat een dergelijke regeling een beperking stelt aan de mogelijkheid voor de in de staat van uitzending gevestigde televisieomroeporganisaties om reclame uit te zenden voor rekening van in andere lidstaten gevestigde adverteerders, en dus een beperking inhoudt van de vrijheid van dienstverrichting.
50 Er zij evenwel op gewezen, dat de bescherming van de consument tegen te veel commerciële reclame of, in het kader van een cultuurbeleid, de handhaving van een zekere kwaliteit van de programma's, dwingende redenen van algemeen belang zijn die beperkingen van de vrijheid van dienstverrichting kunnen rechtvaardigen (zie inzonderheid arrest van 25 juli 1991, Collectieve Antennevoorziening Gouda, C-288/89, Jurispr. blz. I-4007, punt 27).
51 Wat de evenredigheid van de betrokken beperking betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de aan dienstverrichters opgelegde eisen geschikt moeten zijn ter bereiking van het ermee beoogde doel en niet verder mogen gaan dan daartoe noodzakelijk is (zie inzonderheid arrest Collectieve Antennevoorziening Gouda, reeds aangehaald, punt 15, en arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments, C-384/93, Jurispr. blz. I-1141, punt 45).
52 Niets in het dossier wijst erop, dat in de hoofdzaak aan deze voorwaarden niet zou zijn voldaan.
De artikelen 5, 6 en 85 van het Verdrag en het beginsel van gelijkheid van behandeling
53 Zoals de advocaat-generaal in de punten 83 tot en met 85 van zijn conclusie opmerkt, zijn de artikelen 5, 6 en 85 van het Verdrag alsmede het gelijkheidsbeginsel niet relevant in de door de verwijzende rechter uiteengezette situatie.
54 Uit een en ander volgt, dat de artikelen 5, 6, 30 en 85 van het Verdrag alsmede het algemeen beginsel van gelijkheid van behandeling niet van toepassing zijn op een nationale regeling die de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft voor televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen. Artikel 59 van het Verdrag verzet zich er niet tegen dat een lidstaat onder verwijzing naar artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552 de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft.
Kosten
55 De kosten door de Franse, de Italiaanse, de Luxemburgse, de Nederlandse, de Portugese en de Zweedse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede door de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Oberlandesgericht Stuttgart bij beschikking van 17 december 1997 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 11, lid 3, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997, moet aldus worden uitgelegd, dat het het brutobeginsel voorschrijft, zodat voor de berekening van het tijdvak van 45 minuten op basis waarvan het aantal reclameonderbrekingen wordt vastgesteld die kunnen worden ingevoegd in de uitzending van audiovisuele producties, zoals bioscoopfilms en televisiefilms, de reclametijd in dit tijdvak moet worden meegerekend.
2) De bepalingen van artikel 11, lid 3, in samenhang met die van artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552, zoals gewijzigd, laten de lidstaten toe voor de onder hun bevoegdheid vallende televisieomroeporganisaties het nettobeginsel te hanteren voor reclame die in de uitzendingen kan worden ingevoegd, en dus voor te schrijven dat voor de berekening van het betrokken tijdvak de reclametijd niet wordt meegerekend, mits althans deze voorschriften verenigbaar zijn met de andere relevante bepalingen van gemeenschapsrecht.
De artikelen 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG), 6, 30 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikelen 12 EG en 28 EG) en 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) alsmede het algemeen beginsel van gelijkheid van behandeling zijn niet van toepassing op een nationale regeling die de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft voor televisieomroeporganisaties die onder de bevoegdheid van de betrokken lidstaat vallen.
Artikel 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) verzet zich er niet tegen, dat een lidstaat onder verwijzing naar artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/552 de toepassing van het nettobeginsel voorschrijft.