ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 10 MAART 1992. - SANYO ELECTRIC CO LTD TEGEN RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - ANTI-DUMPINGRECHT OP FOTOKOPIEERAPPARATEN VOOR GEWOON PAPIER VAN OORSPRONG UIT JAPAN. - ZAAK C-177/87.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-01535
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Betrokken bedrijfstak van Gemeenschap - Produktie van soortgelijk produkt - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Geen duidelijke afbakening van segmenten voor indeling binnen assortiment van betrokken produkten - Geen beoordelingsfout
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 12, en 4, lid 4)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Betrokken bedrijfstak van Gemeenschap - Uitsluiting van bepaalde producenten wegens hun betrekkingen met ondernemingen die dumpingprijzen toepassen - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Voorwaarden voor uitoefening
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 4, lid 5)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Invloed van invoer met dumping - Raming ten opzichte van produktie van soortgelijk produkt in Gemeenschap - Criteria
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 4, lid 4)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordeling van belangen van Gemeenschap door instellingen - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 12, lid 1)
1. De instellingen hebben geen beoordelingsfout begaan door bij de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade aan te nemen, dat "de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap" in de zin van artikel 4, lid 4, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 de produktie van alle fotokopieerapparaten in alle segmenten te zamen was, met uitzondering van apparaten die niet in de Gemeenschap werden geproduceerd. Immers, uit de marktonderzoeken waarop de instellingen zich hebben gebaseerd, blijkt, dat de segmenten voor de indeling van de fotokopieerapparaten niet duidelijk zijn afgebakend: enerzijds kunnen bepaalde fotokopieerapparaten wegens hun kenmerken en technische specificaties in verschillende segmenten worden ondergebracht en anderzijds bestaat er concurrentie zowel tussen apparaten van aangrenzende segmenten als tussen apparaten van niet-aangrenzende segmenten.
2. Uit artikel 4, lid 5, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 volgt, dat het aan de instellingen staat, in de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid te onderzoeken, of zij bij de vaststelling van het bestaan van schade producenten die verbonden zijn met de exporteurs of de importeurs of die zelf importeurs zijn van het gedumpte produkt, moeten uitsluiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten, onder toezicht van het Hof.
3. De instellingen zijn in het kader van de vaststelling van het bestaan van schade niet verplicht, rekening te houden met de winsten of de verliezen die de communautaire producenten maakten op hun activiteiten in de fotokopieerapparatensector in zijn geheel. Ingevolge artikel 4, lid 4, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 moet het effect van de invoer met dumping immers worden geraamd ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap.
4. Voor de beantwoording van de vraag of, in geval van schade ten gevolge van dumping, de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden vereisen, moeten ingewikkelde economische situaties worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van een dergelijke beoordeling moet beperkt blijven tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
In zaak C-177/87,
Sanyo Electric Co. Ltd, te Osaka (Japan), vertegenwoordigd door I. S. Forrester, advocaat bij de Schotse balie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J.-C. Wolter, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H.-J. Lambers, directeur van de juridische dienst, en E. Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en M. Schuette, advocaten respectievelijk te Hamburg en te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Temple Lang, juridisch adviseur, en E. White, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
en door
Committee of European Copier Manufacturers (CECOM), te Keulen, vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Harles, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
interveniënten,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12), althans voor zover deze betrekking heeft op verzoekster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn, F. Grévisse, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1990,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juni 1987, heeft Sanyo Electric Co. Ltd (hierna: "Sanyo"), gevestigd te Osaka, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12; hierna: "de bestreden verordening"), althans voor zover deze betrekking heeft op verzoekster.
2 Sanyo vervaardigt fotokopieerapparaten voor gewoon papier (plain paper copiers, hierna: "PPC' s") die zij naar de Gemeenschap exporteert. In juli 1985 diende het Committee of European Copier Manufacturers (CECOM) bij de Commissie een klacht in, waarin Sanyo en andere Japanse producenten ervan werden beschuldigd hun produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen.
3 De door de Commissie ingeleide dumpingprocedure op basis van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1) resulteerde in verordening (EEG) nr. 2640/86 van de Commissie van 21 augustus 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1986, L 239, blz. 5). Het voorlopig anti-dumpingrecht op de door Sanyo vervaardigde en uitgevoerde PPC' s bedroeg 15,8 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie bij de bestreden verordening een definitief anti-dumpingrecht van 20% vast.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 In de inleiding van haar verzoekschrift heeft Sanyo bezwaren geuit tegen de wijze waarop de Commissie het bestaan van dumping heeft vastgesteld. Zij preciseerde evenwel, dat zij haar beroep beperkte tot de problematiek van de beoordeling van de schade en de belangen van de Gemeenschap, daar de geschilpunten betreffende de berekening van de uitvoerprijs en van de normale waarde en de vergelijking van deze twee elementen reeds in de verzoekschriften van de andere betrokken exporteurs aan de orde werden gesteld. Sanyo voert dan ook verscheidene middelen aan waarin wordt geklaagd over onjuiste beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade, onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap en onjuiste berekening van het anti-dumpingrecht.
Onjuiste vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade
A - Onjuiste beoordeling van de gelijksoortigheid van de PPC' s
6 De instellingen zijn tot de conclusie gekomen, dat alle PPC' s - althans die welke in aangrenzende segmenten vallen -, van de personal copiers tot segment 5 van de Dataquest-indeling, als soortgelijke produkten zijn aan te merken; de apparaten van segment 6, die niet in Gemeenschap werden geproduceerd, zijn van de procedure uitgesloten (paragraaf 31 van de bestreden verordening).
7 Volgens de PPC-indelingen van Info-Markt en Dataquest, die de instellingen in de onderhavige zaak als uitgangspunt hebben genomen, bestaat de PPC-markt uit verschillende segmenten, die aan de hand van de technische specificaties en prestaties van de betrokken apparaten zijn te onderscheiden. In paragraaf 31 van de bestreden verordening is evenwel vermeld, dat de Japanse producenten tijdens de referentieperiode alleen PPC' s van het segment van de personal copiers en van de segmenten 1 tot en met 4 exporteerden.
8 Sanyo betoogt, dat de instellingen ten onrechte de segmentering van de PPC-markt hebben genegeerd en alle apparaten als soortgelijke produkten in de zin van artikel 2, lid 12, van verordening nr. 2176/84 hebben beschouwd. Ten einde aan te tonen dat PPC' s van aangrenzende segmenten niet gelijksoortig zijn, merkt Sanyo op, dat de koper van een PPC van segment 1 geen personal copier zou kopen, omdat de kostprijs per fotokopie en het relatieve nut ervan afneemt naarmate het aantal kopieën toeneemt.
9 Voorts stelt Sanyo, dat de PPC' s van de zogenoemde niet-aangrenzende segmenten helemaal niet gelijksoortig zijn. In dit verband verwijst zij naar beschikking 88/88/EEG van de Commissie van 22 december 1987 inzake de joint venture Canon/Olivetti (PB 1988, L 52, blz. 51), volgens welke er drie onderscheiden PPC-markten bestaan, namelijk de lage-snelheidscategorie (personal copiers tot en met segment 2 van de Dataquest-indeling), de middelsnelle categorie (segmenten 3 en 4) en de hoge-snelheidscategorie (segmenten 4 tot en met 6). Zij voegt daaraan toe, dat deze door de Commissie wel aanvaarde segmentering van de markt het gevolg is van de concurrentie tussen PPC' s van een zelfde segment, die veel sterker is dan de concurrentie tussen PPC' s van verschillende segmenten.
10 Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2176/84 wordt "schade slechts vastgesteld indien de invoer met dumping of subsidiëring door het effect van de dumping of de subsidiëring schade veroorzaakt, dat wil zeggen aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen of een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak meebrengt". Artikel 4, lid 4, bepaalt: "Het effect van de invoer met dumping of subsidiëring wordt geraamd ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap (...)" Bovendien bepaalt artikel 2, lid 12, van verordening nr. 2176/84, dat "onder 'soortgelijk produkt' (wordt) verstaan een produkt dat gelijk, dat wil zeggen in alle opzichten gelijksoortig is aan het betrokken produkt, of, bij het ontbreken van een dergelijk produkt, een ander produkt dat kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken produkt grote overeenkomst vertonen".
11 Op basis van het marktonderzoek van Info-Markt en Dataquest concludeerden de instellingen, dat weliswaar niet alle PPC' s soortgelijke produkten zijn, doch dat dit wel het geval is met de PPC' s in aangrenzende segmenten, van de personal copiers tot de fotokopieerapparaten van segment 5 van de Dataquest-indeling. Uit het dossier blijkt, dat in vorenbedoeld marktonderzoek de segmenten als zodanig niet duidelijk zijn afgebakend: enerzijds kunnen bepaalde PPC' s wegens sommige van hun kenmerken en technische specificaties in verschillende segmenten worden ondergebracht en anderzijds bestaat er concurrentie zowel tussen PPC' s van aangrenzende segmenten als tussen PPC' s die in de verschillende hierboven vermelde segmenten zijn ingedeeld.
12 De verschillen - onder meer wat betreft snelheid en capaciteit - tussen PPC' s die in een of meer segmenten vallen, zijn onvoldoende om te concluderen dat die PPC' s niet een identieke functie hebben of niet aan dezelfde behoeften voldoen. Bovendien, zoals in paragraaf 30, derde alinea, van de bestreden verordening wordt gezegd, bevestigt het feit dat de beslissing van de kopers kan worden beïnvloed door factoren die in het bijzonder verband houden met de keuze tussen centraliseren of decentraliseren van hun kopieerfaciliteiten, dat tussen apparaten van verschillende categorieën concurrentie bestaat.
13 Gezien de overlappingen tussen de verschillende voormelde segmenten, is de kopieersnelheid niet bruikbaar als onderscheidingscriterium voor de PPC' s. Uit het dossier blijkt immers, dat bij voorbeeld PPC' s met een capaciteit van 40 tot 45 kopieën per minuut zowel tot segment 3 (31 tot 45 kopieën) als tot segment 4 (40 tot 75 kopieën) kunnen behoren. Hetzelfde geldt voor personal copiers, die tot 12 kopieën per minuut kunnen maken, terwijl kopieerapparaten van de segmenten 1a en 1b tot 20 respectievelijk 15 tot 20 kopieën per minuut kunnen maken.
14 Met betrekking tot Sanyo' s argument betreffende de definitie van de betrokken markten in voormelde beschikking 88/88, moet met de Commissie worden erkend, dat deze definitie een zekere substitueerbaarheid tussen PPC' s van de drie betrokken segmenten niet uitsluit en evenmin, dat deze substitueerbaarheid geringer kan zijn dan die tussen PPC' s die tot hetzelfde segment behoren. Hieruit volgt, dat de in die beschikking gedefinieerde segmenten, evenals die in de Dataquest- en Info-marktclassificaties, niet aan afzonderlijke markten beantwoorden.
15 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat Sanyo niet heeft aangetoond dat de instellingen een beoordelingsfout hebben gemaakt door aan te nemen dat in casu "de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap" in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 2176/84 de produktie van alle PPC' s in alle segmenten te zamen was.
16 Mitsdien moet het middel betreffende de onjuiste beoordeling van de gelijksoortigheid van de PPC' s worden afgewezen.
B - Onjuiste definitie van de "bedrijfstak van de Gemeenschap"
17 Sanyo betoogt, dat gelet op de omvangrijke invoer vanuit Japan door Rank Xerox, Océ en Olivetti, de instellingen deze ondernemingen niet als behorend tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" in de zin van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 2176/84 hadden mogen beschouwen, waarmee zij afweken van het standpunt dat zij in een aantal eerdere zaken hadden ingenomen. Geen enkele communautaire producent kan haars inziens stellen, schade te hebben geleden door de invoer van kleine fotokopieerappaaten uit Japan. In ieder geval was de Europese produktie op dit gebied gering of non-existent.
18 Wat Rank Xerox betreft, merkt Sanyo op, dat deze onderneming 50 % van de aandelen in Fuji Xerox bezit, een Japanse onderneming die haar grote hoeveelheden kant en klare PPC' s met de merknaam Rank Xerox, "kits" en onderdelen heeft verkocht, en daarnaast technische bijstand en hulp bij de produktontwikkeling heeft geleverd. Doordat Rank Xerox onder die omstandigheden PPC' s bij Fuji Xerox inkocht, kon zij én winst maken én de overdrachtsprijs van de betrokken apparaten beïnvloeden. Indien Rank Xerox dus tot de communautaire producenten wordt gerekend, dan kan dat niet anders dan een onjuiste beoordeling van de gestelde schade opleveren.
19 In het arrest van 14 maart 1990 (zaak C-156/87, Gestetner Holdings, Jurispr. 1990, blz. I-781, r.o. 57) heeft het Hof op hetzelfde, aldaar door Gestetner aangevoerde argument geantwoord, dat de instellingen met betrekking tot de uit Japan ingevoerde en door Fuji Xerox geleverde PPC' s van oordeel waren, dat Rank Xerox niet had aangetoond, dat zij tot aankoop van de apparaten was overgegaan om redenen van zelfbescherming. Volgens de voorhanden inlichtingen ging het om een beleidsbeslissing binnen de Xerox-groep. Zowel ten opzichte van het gehele gamma PPC' s dat Rank Xerox in de Gemeenschap produceert als ten opzichte van de gehele gemeenschappelijke markt was de omvang van deze invoer echter zeer klein (1 %), en de wederverkoopprijzen waren gelijk aan die van de overeenkomstige door Rank Xerox geproduceerde apparaten.
20 Voorts komt Sanyo op tegen het feit, dat de produktie van Rank Xerox tot de communautaire produktie is gerekend, terwijl haar activiteiten in werkelijkheid voor een gedeelte bestonden in de assemblage of de fabricage van produkten in de Gemeenschap op basis van uit Japan afkomstige onderdelen en materialen. Haars inziens biedt artikel 13, lid 10, dat in verordening nr. 2176/84 is ingelast bij verordening (EEG) nr. 1761/87 van 22 juni 1987 (PB 1987, L 167, blz. 9), de zogenoemde "schroevedraaier"-verordening, de mogelijkheid om in een dergelijk geval anti-dumpingrechten in te stellen. Door enkel in Japan gevestigde ondernemingen onder deze bepaling te brengen, en ondernemingen die in de Gemeenschap zijn gevestigd en dezelfde "schroevedraaier"-activiteiten verrichten tot de communautaire producenten te rekenen, behandelen de instellingen soortgelijke situaties op verschillende wijze.
21 Dat argument kan niet worden aanvaard. Artikel 13, lid 10, is immers na de vaststelling van de bestreden verordening in verordening nr. 2176/84 ingevoegd en betreft de instelling van anti-dumpingrechten op produkten die in de Gemeenschap worden geassembleerd of geproduceerd op basis van onderdelen of materialen die afkomstig zijn uit het betrokken land of de betrokken landen van uitvoer; het betreft niet de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
22 Wat Océ en Olivetti betreft, die eveneens PPC' s uit Japan invoeren, doch deze betrekken bij producenten waarmee zij geen banden hebben, betoogt Sanyo, dat hun invoer 35 tot 40 % van hun verkoop en verhuur van apparaten in de Gemeenschap uitmaakte en dat zij dus eveneens van de bedrijfstak van de Gemeenschap moesten worden uitgesloten.
23 Dit argument faalt. In het arrest van 14 maart 1990 (zaak C-156/87, reeds aangehaald, r.o. 47) stelde het Hof immers vast, dat Olivetti en Océ PPC' s uit Japan invoerden om hun afnemers een volledig assortiment modellen te kunnen bieden. Die PPC' s, van de segmenten 1 en 2, werden verkocht tegen hogere prijzen dan die waartegen ze door de leveranciers ervan waren verkocht, en vertegenwoordigden tussen 35 en 40 % van de verkopen en verhuur van de op de markt gebrachte nieuwe apparaten in de periode tussen 1981 en juli 1985. De pogingen van die twee ondernemingen om aldus een volledig assortiment modellen te ontwikkelen en op de markt te brengen, zijn evenwel ten gevolge van de door de Japanse invoer veroorzaakte lage marktprijzen mislukt.
24 Ook Sanyo' s argument betreffende de eerdere praktijk van de instellingen faalt. In hetzelfde arrest Gestetner (r.o. 43) besliste het Hof immers, dat het bij de toepassing van artikel 4 van verordening nr. 2176/84 aan de instellingen staat, in de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid, om te onderzoeken of zij producenten die verbonden zijn met de exporteurs of de importeurs of die zelf importeurs zijn van het gedumpte produkt, moeten uitsluiten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap". Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten.
25 Blijkens de stukken en de behandeling ter terechtzitting ging het in alle door verzoekster genoemde gevallen waarin een communautaire producent werd uitgesloten van of gerekend tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap", om uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid.
26 Wat ten slotte Sanyo' s argument betreft, dat de communautaire produktie van kleine fotokopieerapparaten gering of non-existent was, volstaat de constatering, dat de instellingen in het onderhavige geval terecht alle PPC' s van aangrenzende segmenten, van de personal copier tot de apparaten van segment 5 van de Dataquest-indeling, als soortgelijke produkten hebben beschouwd en dat dus de communautaire produktie op alleen het gebied van de kleine fotokopieerapparaten niet in aanmerking kon worden genomen voor het definiëren van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
27 Gelet op het voorgaande is het middel betreffende de onjuiste definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap ongegrond en moet dus worden afgewezen.
C - Onjuiste beoordeling van de schadefactoren
28 Sanyo betwist de analyse van de diverse factoren, die de instellingen ter vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade hebben uitgevoerd, alsmede het bestaan zelf van de op die manier vastgestelde schade. Die schade was niet het gevolg van de betrokken invoer, maar van het beleid van de communautaire ondernemingen en van de inferieure prestaties van hun apparaten in vergelijking met de Japanse PPC' s.
29 In dit verband moet worden gewezen op de bepalingen van verordening nr. 2176/84 die de schadebeoordeling regelen, met name artikel 4, lid 1. Volgens deze bepaling is er slechts sprake van schade, indien de invoer met dumping door het effect van de dumping aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen, en mag schade veroorzaakt door andere factoren niet worden toegeschreven aan de invoer met dumping.
30 Artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2176/84 somt de factoren op aan de hand waarvan de schade moet worden onderzocht, namelijk: a) de omvang van de gedumpte invoer, b) de prijzen van die invoer, en c) de invloed ervan op de betrokken bedrijfstak. In dezelfde bepaling is evenwel gepreciseerd, dat één enkele of zelfs verscheidene van deze factoren niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend zijn voor de beoordeling.
31 De instellingen handelen dus in de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid, wanneer zij voormelde factoren onderzoeken en daarbij rekening houden met die van de in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2176/84 opgesomde beoordelingselementen, die zij in elk afzonderlijk geval relevant achten. In het onderhavige geval hebben de instellingen de in artikel 4, lid 2, genoemde elementen nauwkeurig onderzocht.
32 Over de omvang van de Japanse invoer moet worden opgemerkt, dat de verkoop en de verhuur van nieuwe apparaten van communautaire oorsprong tussen 1981 en 1984 weliswaar met 74 % is gestegen, maar dat het marktaandeel van de communautaire producenten is gedaald, van 21 % in 1981 tot 11 % tijdens de referentieperiode, terwijl in dezelfde periode het marktaandeel van de Japanse producenten in de Gemeenschap is gestegen van 70 tot 78 %. De instellingen mochten derhalve aannemen, dat de Japanse invoer, die tussen 1981 en 1984 met meer dan 120 % is gestegen, een gunstigere ontwikkeling van de verkoop en de verhuur van PPC' s voor de communautaire producenten heeft belet.
33 Wat de prijsonderbieding bij de ingevoerde produkten betreft, kan worden volstaan met de opmerking, dat in weerwil van de extra mogelijkheden die de Japanse PPC' s boden ten opzichte van vergelijkbare PPC' s van communautaire oorsprong, hun prijzen op hetzelfde niveau lagen of zelfs lager waren dan de prijzen van de PPC' s van de communautaire producenten (paragrafen 44, 47 en 49 van de bestreden verordening).
34 Met betrekking tot de invloed van de invoer tegen lage prijzen op de bedrijfstak van de Gemeenschap moet worden opgemerkt, dat niet alleen het marktaandeel van de communautaire producenten aanzienlijk is gedaald, zoals hierboven gezegd, maar dat eveneens de rentabiliteit van de betrokken communautaire producenten in de loop van de referentieperiode is afgenomen.
35 In zoverrre moet worden benadrukt, dat de instellingen, anders dan Sanyo stelt, niet verplicht waren rekening te houden met de winsten of de verliezen die de communautaire producenten maakten op hun activiteiten in de fotokopieerapparatensector in zijn geheel. Ingevolge artikel 4, lid 4, van verordening nr. 2176/84 moet het effect van de invoer met dumping immers worden geraamd ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap. De Raad heeft het effect van de Japanse invoer op de rentabiliteit van de communautaire producenten derhalve terecht geraamd ten opzichte van de communautaire produktie zoals deze hierboven is omschreven.
36 Voorts betoogt Sanyo, dat de ontwikkeling van de Europese markt voor fotokopieerapparaten aantoont, dat de instellingen ten onrechte aan de betrokken invoer schade hebben toegeschreven die door andere factoren was veroorzaakt, met name de beslissing van de communautaire producenten om wegens de kosten en de technologische problemen die de ontwikkeling van kleine fotokopieerapparaten had meegebracht, dergelijke apparaten niet te produceren.
37 Dit argument faalt. Wat Rank Xerox betreft, stelt de Raad in paragraaf 85 van de bestreden verordening, dat de moeilijkheden die deze onderneming bij de ontwikkeling van een nieuw model ondervond, in 1982/1983 waren opgelost en dat daadwerkelijk een nieuw model op de markt is gebracht. De Raad maakte dus geen beoordelingsfout, toen hij oordeelde dat dergelijke moeilijkheden niet van invloed waren op de schade die Rank Xerox in andere opzichten ten gevolge van de invoer uit Japan leed.
38 Met betrekking tot Océ en Olivetti zij eraan herinnerd dat, zoals hiervoor (r.o. 23) gezegd, de pogingen van die twee producenten om een volledig assortiment modellen te ontwikkelen en op de markt te brengen, ten gevolge van de door de Japanse invoer veroorzaakte lage marktprijzen zijn mislukt.
39 Wat ten slotte het argument betreffende de superioriteit van de Japanse PPC' s, het gamma van hun apparaten, hun kwaliteit en hun betrouwbaarheid betreft, moet worden vastgesteld, dat hiervoor geen bewijs is overgelegd.
40 Gelet op het voorgaande moet het middel betreffende de onjuiste beoordeling van de schadefactoren worden afgewezen.
Onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap
41 Sanyo betoogt, dat de belangen van de Gemeenschap onjuist zijn beoordeeld, doordat Rank Xerox, Océ en Olivetti, die afhankelijk waren en profiteerden van de Japanse invoer, tot de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn gerekend, en doordat de instellingen hun belangen niet hebben vergeleken met die van OEM-importeurs zoals Gestetner, Agfa-Gevaert en andere. In dit verband stelt zij, dat Rank Xerox, Océ en Olivetti, samen met Tetras, slechts 3 % van de communautaire markt voor kleine fotokopieerapparaten in handen hadden, terwijl bovenbedoelde OEM-importeurs, met een zeer groot aantal werknemers, zeer actief waren op het gebied van de kleine fotokopieerapparaten.
42 Sanyo is van mening, dat gelet op de zeer kleine Europese produktie en het zeer beperkte scala produkten dat op het gebied van de kleine fotokopieerapparaten werd aangeboden, de instellingen de vraag, of de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden vereisten, onjuist hebben beoordeeld, aangezien zij bij de beslissing om producenten van minieme hoeveelheden produkten te beschermen, geen rekening hebben gehouden met de gevolgen die dit zou hebben.
43 In het arrest van 14 maart 1990 (zaak C-156/87, reeds aangehaald, r.o. 63) oordeelde het Hof, dat voor de beantwoording van de vraag, of de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden vereisen, ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld en dat het Hof zich bij de toetsing van een dergelijke beoordeling dient te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
44 Volgens de instellingen is het twijfelachtig, of zonder anti-dumpingrechten een onafhankelijke communautaire PPC-produktie zou kunnen voortbestaan, die nochtans nodig is voor het behoud en de ontwikkeling van de voor de fabricage van reprografische apparatuur vereiste technieken alsmede voor de instandhouding van een groot aantal arbeidsplaatsen. Deze vrees berustte vooral op de overname door een Japanse fabrikant van de onderneming van één van de communautaire producenten tijdens het onderzoek. Derhalve achtten de instellingen de noodzaak tot bescherming van de communautaire industrie van groter gewicht dan de bescherming van de korte-termijn belangen van de consumenten, zoals is vermeld in paragraaf 99 van de bestreden verordening, en dan de bescherming van de importeurs.
45 Aangezien de instellingen bij de beoordeling van de belangen van de Gemeenschap geen kennelijke vergissing hebben begaan, moet het middel betreffende de onjuiste beoordeling van die belangen worden afgewezen.
Onjuiste berekening van het anti-dumpingrecht
46 Ten slotte betoogt Sanyo, dat de instellingen door het definitieve anti-dumpingrecht op 20 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap vast te stellen, artikel 13, lid 3, van verordening nr. 2176/84 hebben geschonden, dat bepaalt dat die rechten niet hoger mogen zijn dan nodig is om de schade op te heffen.
47 Sanyo stelt om te beginnen, dat de Commissie ten onrechte heeft gemeend, dat een winstmarge van 12 % noodzakelijk was om een redelijke winst of opbrengst uit de verkoop van fotokopieerapparaten te garanderen. Deze marge is haars inziens kennelijk excessief, daar de winstmarge op kleine fotokopieerapparaten steeds kleiner is dan op alle verkoopactiviteiten in verband met PPC' s te zamen. Voorts is het recht berekend met als doel, de prijsonderbieding op te heffen, die echter om de reeds uiteengezette redenen niet bestond. Ten slotte is Sanyo van mening, dat de in paragraaf 107 van de bestreden verordening gegeven beschrijving van de wijze waarop het recht is berekend, onduidelijk is.
48 Over het argument dat de winstmarge van 12 % overtrokken zou zijn, moet worden opgemerkt, dat dit percentage blijkens paragraaf 103 van de bestreden verordening is gekozen ten einde de gezamenlijke producenten van de Gemeenschap in staat te stellen een redelijke opbrengst te behalen, evenredig aan het risico van de ontwikkeling van nieuwe produkten. De instellingen waren in dit verband van mening, dat het niet passend was, rekening te houden met de winst op toebehoren of op andere activiteiten betreffende de fotokopieerapparaten.
49 Uit de stukken noch uit de behandeling ter terechtzitting blijkt, dat de instellingen hun beoordelingsbevoegdheid op incorrecte wijze hebben uitgeoefend. Bovendien heeft Sanyo niet aangetoond, welke consequenties een lagere winstmarge voor kleine fotokopieerapparaten zou hebben gehad voor het bedrag van het ingestelde anti-dumpingrecht.
50 Het argument, dat de met het anti-dumpingrecht op te heffen prijsonderbieding niet bestond, kan niet worden aanvaard. Immers, zoals vermeld in paragraaf 110 van de bestreden verordening, hebben de Japanse exporteurs zich onmiskenbaar aan een bepaalde vorm van prijsonderbieding schuldig gemaakt (r.o. 33). Daar het echter onmogelijk was de prijsonderbieding te kwantificeren, is in de berekening van het anti-dumpingrecht geen factor opgenomen die daarmee rekening hield.
51 Wat ten slotte de beschrijving van de berekeningswijze van het recht betreft, kan worden volstaan met de vaststelling, dat de berekeningen van de instellingen in paragraaf 107 van de bestreden verordening omstandig zijn beschreven en dat Sanyo niet heeft uitgelegd, waarom zij onbegrijpelijk waren.
52 Gelet op het voorgaande moet het middel betreffende de onjuiste berekening van het anti-dumpingrecht worden afgewezen; mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
53 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van interveniënte CECOM, die in die zin heeft geconcludeerd. Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Commissie haar eigen kosten.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte CECOM.