61989J0356

ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 20 JUNI 1991. - ROGER STANTON NEWTON TEGEN CHIEF ADJUDICATION OFFICER. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: SOCIAL SECURITY COMMISSIONER - VERENIGD KONINKRIJK. - SOCIALE ZEKERHEID VAN MIGRERENDE WERKNEMERS - MATERIELE WERKINGSSFEER VAN VERORDENING (EEG) NR. 1408/71 - WOONPLAATSCLAUSULE. - ZAAK C-356/89.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03017


Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


++++

1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gemeenschapsregeling - Materiële werkingssfeer - Toelage voor lichamelijke handicap die voortbewegingsvermogen beperkt - Daaronder begrepen als prestatie bij invaliditeit indien uitgekeerd aan persoon die als werknemer of zelfstandige aan wettelijke regeling van uitkerende Lid-Staat onderworpen is geweest

(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 1, sub b)

2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Uitkeringen - Bepalingen inzake woonplaats - Opheffing - Intrekking van recht op prestatie bij invaliditeit wegens woonplaats van rechthebbende in andere Lid-Staat - Ontoelaatbaarheid

(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 4, lid 1, sub b, en 10, lid 1)

Samenvatting


1. Ten aanzien van personen die als werknemer of zelfstandige onderworpen zijn geweest aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, moet een in de wettelijke regeling van die Lid-Staat voorziene toelage die op basis van objectieve criteria wordt toegekend aan personen die een lichamelijke handicap hebben die hun voortbewegingsvermogen beperkt, en waarop de betrokkenen een wettelijk beschermd recht hebben, worden gelijkgesteld met een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71.

2. Wanneer een toelage voor gehandicapten een prestatie bij invaliditeit is in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71, verzet artikel 10 van die verordening zich ertegen, dat die toelage wordt ingetrokken op de enkele grond dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

Partijen


In zaak C-356/89,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 77 EEG-Verdrag van de Social Security Commissioner, in het aldaar aanhangig geding tussen

R. S. Newton

en

Chief Adjudication Officer,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 4 en 10 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, T. F. O' Higgins, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,

advocaat-generaal: M. Darmon

griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur

gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:

- R. S. Newton, vertegenwoordigd door V. Chapman, solicitor, bijgestaan door M. Rowland, barrister,

- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door R. M. Caudwell van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door D. Pannick, barrister,

- de Belgische regering, vertegenwoordigd door R. Delizee, staatssecretaris van Volksgezondheid en Gehandicaptenbeleid, als gemachtigde,

- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van R. S. Newton, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie, ter terechtzitting van 16 januari 1991,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 1991,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest


1 Bij beschikking van 23 oktober 1989, ingekomen bij het Hof op 27 november daaraanvolgend, heeft de Social Security Commissioner het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 4 en 10 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).

2 De vragen zijn gerezen in een geding tussen Roger Stanton Newton en de Chief Adjudication Officer naar aanleiding van de weigering van laatstgenoemde om aan Newton de mobiliteitstoelage ("mobility allowance") te blijven toekennen; dit is een uitkering voor gehandicapten waarin de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk voorziet.

3 Newton, die onderdaan is van het Verenigd Koninkrijk, werkte als zelfstandige in Frankrijk toen hij op 12 december 1980 het slachtoffer werd van een verkeersongeluk. Sinds dit ongeluk is hij volledig verlamd.

4 Newton keerde terug naar het Verenigd Koninkrijk, waar hij op 4 maart 1981 een mobiliteitstoelage aanvroeg.

5 Op grond van Section 37 A, lid 1, van de Social Security Act 1975 juncto Regulation 2, lid 1, van de Mobility Allowance Regulations 1975 wordt de mobiliteitstoelage toegekend aan een ieder die een lichamelijke handicap heeft waardoor hij niet of nauwelijks kan lopen, mits hij bepaalde tijd zijn verblijfplaats in Groot-Brittannië heeft gehad, daar nog steeds verblijft en er zijn normale woonplaats heeft. De mobiliteitstoelage is een vaste wekelijkse uitkering in geld, die niet afhangt van de draagkracht van de betrokkene.

6 Newton kreeg een mobiliteitstoelage. Op 4 april 1984 vestigde hij zich blijvend in Frankrijk. Daarop deelde de Chief Adjudication Officer hem mee, dat hij geen recht meer had op de mobiliteitstoelage omdat hij niet langer voldeed aan de in de nationale wettelijke regeling gestelde vereisten inzake woonplaats en verblijf in Groot-Brittannië.

7 Van deze beslissing ging Newton in beroep. Voor de Social Security Commissioner stelde hij met name, dat de mobiliteitstoelage een prestatie bij invaliditeit was als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71 en dat deze uitkering hem ingevolge artikel 10, lid 1, van die verordening niet kon worden ontnomen op grond dat hij zijn woonplaats naar Frankrijk had overgebracht.

8 De Social Security Commissioner heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof gevraagd om een uitspraak over de volgende vragen:

"Indien een werknemer of zelfstandige uitsluitend krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk recht heeft verkregen op de mobiliteitstoelage bedoeld in Section 37 A van de Social Security Act 1975, maar geen recht heeft op enige andere uitkering krachtens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk,

a) is dan de mobiliteitstoelage een prestatie in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad, die niet door artikel 4, lid 4, van de werkingssfeer van die verordening wordt uitgesloten, en

b) zo ja, behoudt de betrokkene ingevolge artikel 10 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad recht op de mobiliteitstoelage wanneer hij in een andere Lid-Staat woont?"

9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de nationale wettelijke regeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

De eerste vraag

10 Allereerst moet worden opgemerkt, dat het Hof in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet bevoegd is, de regels van het gemeenschapsrecht op een bepaald geval toe te passen en bijgevolg een bepaling van nationaal recht aan die regels te toetsen. Het kan de nationale rechter wel aan de hand van de gegevens uit het dossier de gegevens over de uitlegging van het gemeenschapsrecht verschaffen die voor hem van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van de gevolgen van die bepaling.

11 Verordening nr. 1408/71 is ingevolge artikel 4, lid 1, sub b, van toepassing op alle wettelijke regelingen van sociale zekerheid die betrekking hebben op prestaties bij invaliditeit, met inbegrip van die tot instandhouding of verbetering van de verdiencapaciteit. Verordening nr. 1408/71 is echter ingevolge artikel 4, lid 4, niet van toepassing op medische en sociale bijstand.

12 Het Hof heeft reeds meerdere malen overwogen, dat het weliswaar voor de toepassing van de gemeenschapsregeling inzake sociale zekerheid wenselijk kan zijn een duidelijk onderscheid te maken tussen de wettelijke regelingen die respectievelijk onder sociale zekerheid en onder bijstand vallen, maar dat toch de mogelijkheid niet mag worden uitgesloten, dat een nationale wettelijke regeling uit hoofde van haar personele werkingssfeer, doelstellingen en wijze van toepassing gelijktijdig verwant is met beide categorieën (zie onder meer het arrest van 24 februari 1987, gevoegde zaken 379/85, 380/85, 381/85 en 93/86, Giletti, Jurispr. 1987, blz. 955, r.o. 9).

13 Hoewel een wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde in bepaalde opzichten verwant is aan sociale bijstand, onder meer doordat toekenning van de erin voorziene prestatie plaatsvindt los van enige vervulling van tijdvakken van beroepswerkzaamheden, aansluiting of bijdragebetaling, benadert zij niettemin onder bepaalde omstandigheden de sociale zekerheid.

14 Gezien de ruime omschrijving van de kring der personen die aanspraak hebben op de betrokken prestatie, heeft deze wettelijke regeling in feite een tweeledige functie. Enerzijds beoogt zij gehandicapten die volledig buiten het stelsel van sociale zekerheid vallen, een minimuminkomen te verzekeren, en anderzijds verschaft zij een aanvullend inkomen aan degenen die sociale-zekerheidsuitkeringen ontvangen en een lichamelijke handicap hebben die hun voortbewegingsvermogen beperkt.

15 Ten aanzien van een werknemer of zelfstandige die reeds op grond van vroegere beroepswerkzaamheden valt onder het stelsel van sociale zekerheid van de staat waarvan een dergelijke wettelijke regeling wordt ingeroepen, moet die regeling derhalve worden geacht te behoren tot het gebied van de sociale zekerheid in de zin van artikel 51 EEG-Verdrag en de ter uitvoering van deze bepaling vastgestelde regelingen, terwijl dit ten aanzien van andere categorieën rechthebbenden wellicht niet het geval is.

16 Inzonderheid kan een wettelijke regeling van een Lid-Staat als in het hoofdgeding aan de orde, niet worden geacht te behoren tot het gebied van de sociale zekerheid in de zin van artikel 51 EEG-Verdrag en verordening nr. 1408/71 ten aanzien van personen die als werknemer of zelfstandige uitsluitend aan de wetgeving van andere Lid-Staten onderworpen zijn geweest.

17 Indien een dergelijke regeling ten aanzien van die personen wel zou worden geacht te behoren tot het gebied van de sociale zekerheid in de zin van artikel 51 EEG-Verdrag en verordening nr. 1408/71, zou het systeem van de nationale wettelijke regelingen waarmee de Lid-Staten uiting geven aan hun begaanheid met het lot van gehandicapten die op hun grondgebied wonen, ernstig uit zijn evenwicht geraken.

18 Verordening nr. 1408/71 heeft geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid opgezet, maar geeft regels voor de cooerdinatie van de verschillende nationale sociale-zekerheidsstelsels ter verzekering van het vrije verkeer van werknemers. De bepalingen van deze verordening moeten derhalve aldus worden uitgelegd, dat de verwezenlijking van dit doel gewaarborgd is, maar niet in dier voege dat het systeem dat door nationale wettelijke regelingen als de onderhavige is opgezet, volledig wordt verstoord.

19 Op de eerste vraag van de nationale rechter moet bijgevolg worden geantwoord, dat ten aanzien van personen die als werknemer of zelfstandige onderworpen zijn geweest aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, een in de wettelijke regeling van die Lid-Staat voorziene toelage die op basis van objectieve criteria wordt toegekend aan personen die een lichamelijke handicap hebben die hun voortbewegingsvermogen beperkt, en waarop de betrokkenen een wettelijk beschermd recht hebben, moet worden gelijkgesteld met een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71.

De tweede vraag

20 Artikel 10, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71 bepaalt het volgende:

"Tenzij in deze verordening anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit (...) verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is."

21 Verordening nr. 1408/71 bevat geen enkele bepaling op grond waarvan uitkeringen bij invaliditeit zouden kunnen worden ingetrokken op grond dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat de uitkering verschuldigd is.

22 De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, dat de woonplaatsvereisten die in de nationale wettelijke regeling worden gesteld voor de betaling van de betrokken toelage, voorwaarden zijn voor de verkrijging van een aanspraak op de toelage, waaraan moet zijn voldaan voor elke dag waarvoor de toelage wordt aangevraagd. Zij stelt dat het bij de opheffing van de woonplaatsvereisten in artikel 10, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1408/71 niet gaat om voorwaarden inzake de woonplaats die worden gesteld voor de verkrijging van aanspraak op een prestatie.

23 Dienaangaande kan worden volstaan met een verwijzing naar het arrest van 24 februari 1987 (Giletti, reeds aangehaald), waarin het Hof overwoog, dat het ontstaan noch de handhaving van de in artikel 10 van verordening nr. 1408/71 bedoelde uitkeringen kan worden geweigerd op de enkele grond, dat de betrokkene niet woont op het grondgebied van de Lid-Staat waar zich het orgaan bevindt dat de uitkering verschuldigd is.

24 Op de tweede vraag van de nationale rechter moet derhalve worden geantwoord, dat wanneer een toelage voor gehandicapten een prestatie bij invaliditeit is in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71, artikel 10 van die verordening zich ertegen verzet, dat die toelage wordt ingetrokken op de enkele grond dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

Beslissing inzake de kosten


Kosten

25 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de regering van het Koninkrijk België en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door de Social Security Commissioner bij beschikking van 23 oktober 1989 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1. Ten aanzien van personen die als werknemer of zelfstandige onderworpen zijn geweest aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat, moet een in de wettelijke regeling van die Lid-Staat voorziene toelage die op basis van objectieve criteria wordt toegekend aan personen die een lichamelijke handicap hebben die hun voortbewegingsvermogen beperkt, en waarop de betrokkenen een wettelijk beschermd recht hebben, worden gelijkgesteld met een prestatie bij invaliditeit in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983.

2. Wanneer een toelage voor gehandicapten een prestatie bij invaliditeit is in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr. 1408/71, verzet artikel 10 van die verordening zich ertegen, dat die toelage wordt ingetrokken op de enkele grond dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.