ARREST VAN HET HOF VAN 27 NOVEMBER 1990. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - VERPLICHTING TOT HET VERSTREKKEN VAN INLICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE VISSERIJ. - ZAAK 209/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04313
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Lid-Staten - Verplichtingen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, artikel 169 )
2 . Beroep wegens niet-nakoming - Recht van beroep van Commissie - Discretionaire uitoefening
( EEG-Verdrag, artikel 169 )
3 . Beroep wegens niet-nakoming - Beoordeling van gegrondheid door Hof - Geen nadelige gevolgen van gestelde niet-nakoming - Irrelevant
( EEG-Verdrag, artikel 169 )
1 . Een Lid-Staat kan zich, ter rechtvaardiging van de niet-eerbiediging van verplichtingen en termijnen die in gemeenschapsnormen besloten liggen, niet op nationale situaties beroepen .
2 . Op grond van artikel 169 EEG-Verdrag kan de Commissie, telkens wanneer zij van oordeel is dat een Lid-Staat inbreuk heeft gemaakt op een van zijn communautaire verplichtingen, een niet-nakomingsprocedure inleiden, zonder dat zij onderscheid behoeft te maken naar gelang van de aard of het belang van de inbreuk . Het gebruik van dit artikel is niet beperkt tot situaties die zijn ontstaan door onenigheid tussen de Commissie en de autoriteiten van de nalatige Lid-Staat over de aan de gemeenschapsregels te geven uitlegging .
3 . Het niet voldoen door een Lid-Staat aan een door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichting vormt op zich reeds een niet-nakoming en het feit dat dit geen nadelige gevolgen heeft gehad, is niet van belang voor de beoordeling van de gegrondheid van een beroep krachtens artikel 169 EEG-Verdrag .
In zaak C-209/88,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door F . Favara, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, 5, rue Marie-Adélaïde,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door geen mededeling te doen van bepaalde gegevens inzake de markt van visserijprodukten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens een aantal bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 3796/81 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten en de uitvoeringsverordeningen ( EEG ) nr . 3191/82, ( EEG ) nr . 1501/83, ( EEG ) nr . 3598/83 en ( EEG ) nr . 3599/83 van de Commissie,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, C . N . Kakouris, R . Joliet, F . A . Schockweiler en P . J . G . Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 september 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 oktober 1990,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 1988, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de Commissie geen mededeling te doen van bepaalde gegevens inzake de markt van visserijprodukten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, lid 4, 11, lid 1, 15, lid 2, 17, lid 2, en 21, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten ( PB 1981, L 379, blz . 1 ), artikel 2 van verordening ( EEG ) nr . 3191/82 van de Commissie van 29 november 1982 houdende nadere voorschriften voor de toepassing van het stelsel van referentieprijzen voor visserijprodukten ( PB 1982, L 338, blz . 13 ), artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1501/83 van de Commissie van 9 juni 1983 betreffende de afzet van bepaalde visserijprodukten waarvoor maatregelen tot regulering van de markt zijn getroffen ( PB 1983, L 152, blz . 22 ), de artikelen 1, 3 en 4 van verordening ( EEG ) nr . 3598/83 van de Commissie van 20 december 1983 betreffende de mededeling van de geconstateerde prijzen en de vaststelling van de lijst van voor visserijprodukten representatieve markten en havens ( PB 1983, L 357, blz . 17 ) en artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 3599/83 van de Commissie van 20 december 1983 betreffende de mededeling van de gegevens betreffende de door de producentenorganisaties toegepaste ophoudprijzen voor visserijprodukten ( PB 1983, L 357, blz . 22 ).
2 De Commissie voert tegen de Italiaanse Republiek zes grieven aan .
3 De eerste grief betreft artikel 21, lid 3, van verordening nr . 3796/81 en artikel 2, lid 2, van verordening nr . 3191/82 . Artikel 21, lid 3, van verordening nr . 3796/81 verplicht de Lid-Staten, de Commissie de prijzen franco-grens van visserijprodukten mee te delen . Artikel 2 van verordening nr . 3191/82 bepaalt, dat deze mededelingen voor elke marktdag onverwijld per telexbericht aan de Commissie moeten worden gezonden .
4 De tweede grief heeft betrekking op artikel 11, lid 1, van verordening nr . 3796/81 en op artikel 1 van verordening nr . 3598/83 . Met het oog op de vaststelling van de oriëntatieprijs van de in bijlage I, sub A en D, bedoelde produkten, moeten de Lid-Staten ingevolge artikel 11, lid 1, van verordening nr . 3796/81 de Commissie de prijzen meedelen, die op de representatieve groothandelsmarkten of in de representatieve havens worden geconstateerd . Volgens artikel 1 van verordening nr . 3598/83 moeten deze mededelingen de gemiddelde prijs van de marktdag omvatten en twee keer per maand worden toegezonden .
5 De derde grief heeft betrekking op artikel 15, lid 2, van verordening nr . 3796/81 en op artikel 3 van verordening nr . 3598/83 . Ten einde de Commissie in staat te stellen de oriëntatieprijs vast te stellen voor elk der in bijlage II genoemde produkten of groepen van produkten verplicht artikel 15, lid 2, van verordening nr . 3796/81 de Lid-Staten, de Commissie de prijzen mee te delen die op de representatieve groothandelsmarkten of in de representatieve havens voor deze produkten worden geconstateerd . Artikel 3 van verordening nr . 3598/83 bepaalt, dat deze mededelingen betrekking moeten hebben op de gemiddelde prijs, berekend voor een bepaalde periode van twee weken en dat zij moeten worden toegezonden op de eerste werkdag van de week volgende op die waarvoor de gegevens zijn verzameld .
6 In de vierde plaats verwijt de Commissie de Italiaanse Republiek, dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 17, lid 2, van verordening nr . 3796/81 en uit artikel 4 van verordening nr . 3598/83 . Ten behoeve van de vaststelling van de communautaire produktieprijs van de in bijlage III bedoelde produkten bepaalt artikel 17, lid 2, van verordening nr . 3796/81, dat de Lid-Staten de prijzen moeten meedelen die voor deze produkten op de representatieve groothandelsmarkten of in de representatieve havens worden geconstateerd . Volgens artikel 4 van verordening nr . 3598/83 moeten deze mededelingen de gemiddelde maandelijkse prijs omvatten en uiterlijk aan het einde van de eerste week volgend op de betrokken maand aan de Commissie worden gezonden .
7 In de vijfde plaats verwijt de Commissie de Italiaanse Republiek, dat zij de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 9, lid 4, van verordening nr . 3796/81 en artikel 3 van verordening nr . 3599/83 . Volgens artikel 9, lid 4, van verordening nr . 3796/81 van de Raad moeten de producentenorganisaties de lijst van produkten waarvoor zij ophoudprijzen willen gaan toepassen, het peil van deze prijzen en de geldigheidsduur ervan aan de nationale overheid meedelen, die deze gegevens op haar beurt aan de Commissie moet zenden . Artikel 3 van verordening nr . 3599/83 voegt hieraan toe, dat de Lid-Staten de Commissie maandelijks, uiterlijk aan het einde van de zesde week volgend op de betrokken maand, de hoeveelheden moeten meedelen die uit de markt zijn genomen tegen de communautaire ophoudprijs, dan wel tegen de autonome ophoudprijs .
8 De zesde grief betreft artikel 4 van verordening nr . 1501/83 . Op grond van deze bepaling zijn de Lid-Staten verplicht, de Commissie elke zes maanden een overzicht te zenden van de gemiddelde prijzen voor de afzet van de uit de markt genomen produkten en van de onbruikbaar gemaakte hoeveelheden .
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
10 De Italiaanse regering erkent, dat zij haar verplichtingen niet is nagekomen . Zij stelt evenwel, dat zij bij de uitvoering van deze regeling praktische problemen heeft ondervonden die te maken hebben met de structuur van de overheidsdienst en nalatigheden van de producenten . De genoemde, zeer rigide bepalingen bleken moeilijk te kunnen worden toegepast in Italië, waar het opzetten van een kostbare infrastructuur vanwege het geringe belang van de visserijsector niet viel te verdedigen .
11 In dit verband volstaat het eraan te herinneren, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een Lid-Staat zich, ter rechtvaardiging van de niet-eerbiediging van verplichtingen en termijnen die uit het gemeenschapsrecht volgen, niet ten exceptieve op nationale toestanden kan beroepen ( zie met name het arrest van 3 oktober 1984, zaak 254/83, Commissie/Italië, Jurispr . 1984, blz . 3395 ).
12 Ook betoogt de Italiaanse regering, dat de haar verweten inbreuken, die uitsluitend een gevolg zijn van organisatorische problemen bij de administratie en nalatigheden van particulieren, niet van dien aard zijn dat zij een niet-nakoming in de zin van artikel 169 EEG-Verdrag opleveren . Zuiver formeel bezien, zouden deze inbreuken bovendien geen enkele concrete schade aan de goede werking van de markt voor visserijprodukten hebben toegebracht .
13 Op grond van artikel 169 EEG-Verdrag kan de Commissie, telkens wanneer zij van oordeel is dat een Lid-Staat inbreuk heeft gemaakt op een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen, een niet-nakomingsprocedure inleiden, zonder dat zij onderscheid behoeft te maken naar gelang van de aard of het belang van de inbreuk .
14 Met betrekking tot het argument van de Italiaanse regering, dat door de niet-nakoming van de verplichting om de prijzen mee te delen geen schade is ontstaan, dient allereerst te worden vastgesteld, dat deze bewering door de Commissie wordt betwist . Volgens haar heeft het ontbreken van statistische gegevens de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening voor visserijprodukten namelijk wel verstoord, zowel met betrekking tot de vaststelling van de oriëntatieprijzen als met betrekking tot de toepassing van de vrijwaringsclausule in gevallen waarin Italië hierom zelf had verzocht . Ook al zou vaststaan dat er geen schade is geleden, het niet voldoen aan een door het gemeenschapsrecht opgelegde verplichting vormt op zich reeds een niet-nakoming en het argument dat deze niet-naleving geen nadelige gevolgen heeft gehad, is niet van belang ( zie het arrest van 11 april 1978, zaak 95/77, Commissie/Nederland, Jurispr . 1978, blz . 863 ).
15 Ter terechtzitting heeft de Italiaanse regering nog betoogd, dat er in de huidige situatie, die niet is ontstaan door onenigheid tussen de Italiaanse regering en de Commissie over de aan de genoemde bepalingen te geven uitlegging, geen aanleiding kon zijn voor een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 169 EEG-Verdrag .
16 In het systeem van artikel 169 EEG-Verdrag beschikt de Commissie over een discretionaire bevoegdheid om een beroep wegens niet-nakoming in te stellen en staat het niet aan het Hof de uitoefening van deze bevoegdheid te toetsen .
17 Er moet derhalve worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door geen mededeling te doen van bepaalde gegevens inzake de markt van visserijprodukten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, lid 4, 11, lid 1, 15, lid 2, 17, lid 2, 21, lid 3, van verordening nr . 3796/81, alsmede artikel 2 van verordening nr . 3191/82, artikel 4 van verordening nr . 1501/83, de artikelen 1, 3 en 4 van verordening nr . 3598/83 en artikel 3 van verordening nr . 3599/83 .
Kosten
18 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door geen mededeling te doen van bepaalde gegevens inzake de markt van visserijprodukten, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, lid 4, 11, lid 1, 15, lid 2, 17, lid 2, en 21, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten, artikel 2 van verordening ( EEG ) nr . 3191/82 van de Commissie van 29 november 1982 houdende nadere voorschriften voor de toepassing van het stelsel van referentieprijzen voor visserijprodukten, artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1501/83 van de Commissie van 9 juni 1983 betreffende de afzet van bepaalde visserijprodukten waarvoor maatregelen tot regulering van de markt zijn getroffen, de artikelen 1, 3 en 4 van verordening ( EEG ) nr . 3598/83 van de Commissie van 20 december 1983 betreffende de mededeling van de geconstateerde prijzen en de vaststelling van de lijst van voor visserijprodukten representatieve markten en havens, en van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 3599/83 van de Commissie van 20 december 1983 betreffende de mededeling van de gegevens betreffende de door de producentenorganisaties toegepaste ophoudprijzen voor visserijprodukten .
2 ) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure .