61989C0096

Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 6 november 1990. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. - NIET-NAKOMING - TOELATING TOT HET VRIJE VERKEER TEGEN VERLAAGDE HEFFING VAN EEN ZONDER UITVOERCERTIFICAAT UIT THAILAND UITGEVOERDE PARTIJ MANIOK - VERZUIM OM EIGEN MIDDELEN VAST TE STELLEN EN TER BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE TE STELLEN. - ZAAK C-96/89.

Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02461


Conclusie van de advocaat generaal


++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. Met het onderhavige beroep wegens niet-nakoming verzoekt de Commissie het Hof vast te stellen, dat het Koninkrijk der Nederlanden zijn verplichtingen niet is nagekomen, door een partij maniok die zonder uitvoercertificaat uit Thailand was uitgevoerd, tot het vrije verkeer toe te laten tegen de verlaagde heffing van 6 % ad valorem, voorzien in de samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en het Koninkrijk Thailand (1) (hierna: de samenwerkingsovereenkomst), en door te weigeren het bedrag overeenkomend met de landbouwheffing tegen het volle tarief, als eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen en ter beschikking te stellen.

2. Het Hof dient zich na het arrest Krohn (2) dus opnieuw uit te spreken over de bij de verordeningen van de Commissie nrs. 2029/82 van 22 juli 1982 (3) en 3383/82 van 16 december 1982 (4) vastgestelde uitvoeringsbepalingen betreffende de contingenteringsregeling inzake de uitvoer van Thaise maniok naar de Gemeenschap. De vaststellingen die het Hof in voormeld arrest deed, maken duidelijk waarom het in de onderhavige zaak gaat.

"Ingevolge artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst wordt de invoer van maniok tegen het preferentiële tarief van 6 % ad valorem in de Gemeenschap voor de geldigheidsuur van deze overeenkomst (januari 1982 - december 1986) beperkt tot de daarin vastgestelde contingenten. De eerbiediging van deze contingenten wordt gewaarborgd door een dubbel controlestelsel waarbij, volgens artikel 5 van de overeenkomst, de Thaise autoriteiten slechts binnen de grenzen van de vastgestelde contingenten uitvoercertificaten mogen afgeven en de gemeenschapsautoriteiten slechts invoercertificaten die recht geven op het preferentiële tarief, mogen afgeven na overlegging van een uitvoercertificaat." (5)

"Vóór de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst en van verordening nr. 2029/82 (...) geschiedde de invoer van maniok uit Thailand zonder verwijzing naar uitvoercertificaten uitsluitend op grond van invoercertificaten, die door de autoriteiten van de Lid-Staten werden afgegeven overeenkomstig verordening nr. 3183/80 van de Commissie van 3 december 1980, houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten (PB 1980, L 338, blz. 1)." (6)

"Hoewel de in de eerste maanden van 1982, vóór de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst afgegeven invoercertificaten op communautair vlak niet centraal werden geboekt, moest de eerbiediging van het in de samenwerkingsovereenkomst voor het gehele jaar 1982 vastgestelde contingent niettemin worden gewaarborgd, en wel door de Thaise autoriteiten. Deze hadden namelijk sinds 1 januari 1982 systematisch uitvoercertificaten afgegeven voor iedere partij maniok die de havens van Thailand verliet naar een plaats van bestemming in de Gemeenschap, en de desbetreffende hoeveelheden geboekt. Zij moesten de afgifte van deze certificaten beëindigen, zodra het voor 1982 vastgelegde contingent was bereikt." (7)

"Bij de inwerkingtreding van de samenwerkingsovereenkomst was een bepaald aantal voordien afgegeven invoercertificaten nog geldig, zodat de importeurs die in het bezit waren van een dergelijk certificaat, de desbetreffende hoeveelheden na de inwerkingtreding van de overeenkomst mochten invoeren, zonder dat zij de door de Thaise autoriteiten afgegeven uitvoercertificaten behoefden over te leggen. Sommige handelaren konden dus in de verleiding komen om te proberen deze uitvoercertificaten te bewaren en de certificaten waarvan de geldigheidsduur nog niet was verstreken, nogmaals te gebruiken om onder de bij verordening nr. 2029/82 ingevoerde regeling nieuwe invoercertificaten aan te vragen. Er bestond dus het risico dat een enkel uitvoercertificaat zou worden gebruikt om twee maal de daarin aangegeven hoeveelheid maniok in de EEG in te voeren." (8)

3. Om dat tegen te gaan, heeft de Commissie verordening nr. 499/83 van 2 maart 1983 (9) vastgesteld, waarbij de verordeningen nrs. 2029/82 en 3383/82 in die zin zijn gewijzigd, dat vanaf 21 maart 1983 het invoercertificaat de naam van het schip moet vermelden dat de op het Thaise uitvoercertificaat vermelde maniok vervoert, alsook het nummer en de datum van dat uitvoercertificaat. Voorts kan het invoercertificaat "slechts tot staving van de aangifte ten invoer tot verbruik worden aanvaard, wanneer blijkt met name uit een kopie van het cognossement, voorgelegd door de belanghebbende, dat:

- de produkten waarvoor de toelating tot het vrije verkeer wordt gevraagd naar de Gemeenschap zijn vervoerd met het schip dat vermeld is op het invoercertificaat;

- de datum van inlading in Thailand van de produkten op voornoemd schip voorafgaat aan de datum van het Thailandse certificaat voor uitvoer."

Volledigheidshalve wil ik erop wijzen, dat het Hof in het arrest Krohn heeft vastgesteld, dat de Commissie vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 499/83 bevoegd was

"om op grond van artikel 7 van verordening nr. 2029/82 (...) in twijfelgevallen te controleren, of de maniok waarvoor een invoercertificaat werd aangevraagd, inderdaad dezelfde was als die waarvoor het overgelegde uitvoercertificaat was verstrekt."

Het Hof merkte daarbij op, dat

"uit het in bijlage bij de verordening opgenomen model van het uitvoercertificaat ((blijkt)) dat daarin de naam van het schip moet worden vermeld, waarmee de maniok waarop het certificaat betrekking heeft, wordt vervoerd; dit gegeven stelt de Commissie in staat, deze controle te verrichten." (10)

4. De Commissie kan de nationale autoriteiten dus verplichten, de afgifte van invoercertificaten ook bij overlegging van uitvoercertificaten te weigeren, wanneer zij vermoedt dat laatstbedoelde certificaten betrekking hebben op reeds ingevoerde maniok.

5. Aan het onderhavige beroep wegens niet-nakoming liggen de volgende feiten ten grondslag. Op 31 januari 1983 zond de Commissie de bevoegde autoriteiten van alle Lid-Staten een telexbericht, waarin zij gewag maakte van inlichtingen van de Thaise autoriteiten, volgens welke het schip Equinox Thailand half januari had verlaten met als bestemming de Gemeenschap, met een partij maniok waarvoor geen uitvoercertificaat was afgegeven. In het telexbericht was vermeld, dat die partij maniok niet tot het vrije verkeer mocht worden toegelaten, ook niet op basis van invoercertificaten, daar deze niet tegen overlegging van Thaise uitvoercertificaten konden zijn afgegeven. In een tweede telexbericht van 6 mei 1983, dat alleen aan de Nederlandse autoriteiten was gericht, deelde de Commissie mee, dat haar ter ore was gekomen dat het schip Equinox voor rekening van de onderneming Krohn 50 000 ton maniok zonder uitvoercertificaat had gelost. Dat telexbericht is onbeantwoord gebleven.

6. Daarentegen antwoordden de Nederlandse autoriteiten wel op de aanmaningsbrief van de Commissie van 6 juni 1983. In hun antwoord preciseerden zij, dat 62 523 ton maniok tot het vrije verkeer was toegelaten tegen overlegging van invoercertificaten die vóór 21 maart 1983 in de Bondsrepubliek Duitsland waren afgegeven door de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: BALM). Op deze invoercertificaten was de naam van het schip dat de maniok had vervoerd, niet vermeld.

7. De Commissie trok een en ander na en kwam tot de bevinding, dat de betrokken invoercertificaten door de BALM waren afgegeven tegen overlegging van uitvoercertificaten waarop de namen van andere schepen dan de Equinox waren vermeld. Nadat zij de Nederlandse autoriteiten bij brieven van 2 augustus 1983 en 1 februari 1984 daaromtrent om uitleg had gevraagd, verzocht zij hen bij brief van 9 februari 1984 over te gaan tot navordering van de niet geheven landbouwheffingen over de betrokken maniok. Toen de Nederlandse autoriteiten dat op 8 mei 1984 weigerden, zond de Commissie hun op 25 juli 1985 een schriftelijke ingebrekestelling en bracht zij op 29 januari 1988 een met redenen omkleed advies uit.

8. De tot staving van het beroep aangevoerde middelen (11) zijn enerzijds ontleend aan schending van verordening (EEG) nr. 2744/75 van de Raad (12), waarbij de landbouwheffing tegen het volle tarief is ingevoerd, van de samenwerkingsovereenkomst en van de verordeningen nrs. 604/83 (13), 2029/82 en 3383/82, en anderzijds aan schending van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2891/77 van de Raad (14) betreffende de eigen middelen van de Gemeenschappen.

9. Alvorens deze twee middelen te onderzoeken, wil ik echter eerst aandacht besteden aan de opmerking van de Nederlandse regering, dat het beroep te laat is ingesteld. Het is evenwel niet duidelijk, of het daarbij om een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid gaat. Immers, tussen de brief van de Commissie van 1 februari 1984 en de indiening van het verzoekschrift op 16 augustus 1989 ligt ruim vijf jaar. De Commissie repliceert, dat zij, alvorens de onderhavige niet-nakomingsprocedure voort te zetten, heeft gewacht op de uitspraak in de zaak Krohn. De Nederlandse regering brengt daartegen in, dat, aangenomen al dat het arrest Krohn van enig belang zou zijn voor het onderhavige beroep, het met redenen omkleed advies pas één jaar na de uitspraak van dat arrest is uitgebracht en het beroep eveneens pas één jaar na het antwoord op dat advies is ingesteld. (15)

10. Die tegenwerping snijdt geen hout. Het Hof heeft al eens korte metten gemaakt met een dergelijk argument. In een arrest Commissie/België, waarin die Lid-Staat verwees naar 's Hofs rechtspraak betreffende artikel 93 (16) en stelde, dat de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag binnen een redelijke termijn moet worden ingeleid, herinnerde het Hof eraan, dat artikel 93 uitdrukkelijk afwijkt van artikel 169, waaraan het toevoegde dat

"artikel 169 EEG-Verdrag toepassing ((dient)) te vinden; daarbij hoeft de Commissie niet een bepaalde termijn in acht te nemen. De Commissie heeft verklaard dat zij in casu, met gebruikmaking van de haar door artikel 169 EEG-Verdrag toegekende beoordelingsbevoegdheid, van oordeel was, met het onderzoek naar de toelaatbaarheid van de bestreden Belgische maatregelen te moeten wachten totdat de richtlijn in alle Lid-Staten in werking was getreden. Daarmee heeft zij die beoordelingsvrijheid niet aangewend op een wijze die in strijd is met het Verdrag." (17)

11. Indien de Commissie aan een termijn was gebonden om tegen een niet-nakoming op te treden, zou dat overigens een ernstige beperking zijn van de beoordelingsbevoegdheid die zij volgens 's Hofs rechtspraak heeft ter zake van het al dan niet inleiden van een procedure op grond van artikel 169 EEG-Verdrag. De "opportuniteit van de vervolging" en de beroepstermijn zijn hier nauw met elkaar verbonden.

12. Ter terechtzitting heeft de Nederlandse regering betoogd, dat het Hof, wanneer het de niet-nakoming in zijn arrest zou vaststellen, ten aanzien van de financiële gevolgen daarvan rekening moet houden met die lange periode. Dienaangaande wil ik erop wijzen, dat bij het Hof niet een beroep wegens aansprakelijkheid is ingesteld, in welk geval het Hof in voorkomend geval de door Nederland verschuldigde bedragen zou kunnen vaststellen, maar een beroep wegens niet-nakoming. Het Hof dient dus enkel het voorwerp van de niet-nakoming te preciseren, maar het kan niet de bevoegdheden uitoefenen die het in het kader van een beroep in volle omvang heeft.

13. Thans wil ik het eerste middel onderzoeken, dat is gebaseerd op artikel 5 EEG-Verdrag en artikel 7, lid 1, van elk van de verordeningen nrs. 2029/82 en 3383/82. (18) Laatstgenoemd artikel bepaalt met name, dat "indien de voorwaarden voor afgifte van het ((invoer-))certificaat niet in acht zijn genomen, de Commissie, na overleg met de autoriteiten van Thailand, eventueel passende maatregelen kan nemen".

14. Op dit punt betoogt de Commissie, dat een van die "passende maatregelen" kon zijn, dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten een telexbericht werd gezonden waarin hun werd verboden de lading van het schip Equinox tot het vrije verkeer toe te laten, ook al werden invoercertificaten overgelegd. (19) De Commissie erkent, dat de invoercertificaten vóór 21 maart 1983 - de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 499/83 - niet naar de overeenkomstige uitvoercertificaten verwezen. Volgens de Commissie dienden de nationale autoriteiten evenwel de identiteit van de betrokken maniok na te gaan door aan de instantie die de invoercertificaten had afgegeven, een kopie te vragen van het cognossement of van de Thaise uitvoercertificaten.

15. Volgens de Nederlandse regering heeft artikel 7, lid 1, van elk der verordeningen nrs. 2029/82 en 3383/82 betrekking op de afgifte van invoercertificaten en niet op de toelating tot het vrije verkeer van de goederen. De Commissie had zich maar moeten verzetten tegen de afgifte van de invoercertificaten door de BALM; nu zij dat niet heeft gedaan, kan zij niet doen alsof de samenwerkingsovereenkomst een derde controle zou opleggen, die de nationale autoriteiten zouden moeten verrichten op het ogenblik waarop de goederen tot het vrije verkeer worden toegelaten. (20)

16. Hoe moet artikel 7, lid 1, van elk der verordeningen nrs. 2029/82 en 3383/82 worden uitgelegd? De Nederlandse regering is van mening, dat de Commissie de haar bij die bepalingen toegekende bevoegdheid vóór de afgifte van het invoercertificaat moet uitoefenen. Mijns inziens wordt dat tegengesproken door de letter zelf van de betrokken tekst. Immers, de tweede alinea van het artikel begint met de zinsnede: "Indien de voorwaarden voor afgifte van het certificaat niet in acht zijn genomen (...)", hetgeen volgens mij erop wijst, dat het gaat om het geval waarin het invoercertificaat is afgegeven en de Commissie nadien verneemt dat niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan.

17. Artikel 7, lid 1, tweede alinea, kan overigens enkel het geval betreffen waarin de invoercertificaten reeds zijn afgegeven, daar de Commissie op grond van de eerste alinea bevoegd is, zich bij telexbericht tegen de afgifte van die certificaten te verzetten indien niet aan de in de samenwerkingsovereenkomst gestelde voorwaarden is voldaan. Wanneer men de mening van de Nederlandse regering volgt, lijkt die tweede alinea geen zin te hebben.

18. Overigens, zo de betrokken bepaling de Commissie machtigt, bij wege van "passende maatregelen" de bevoegde autoriteiten te verbieden, door invoercertificaten gedekte partijen tot het vrije verkeer toe te laten, dan kan dat volgens de tekst zelf enkel gebeuren indien de voorwaarden voor afgifte van het certificaat niet in acht zijn genomen.

19. Welke zijn die voorwaarden? Mijns inziens gaat het om de verplichtingen van artikel 6, lid 1, en artikel 6, lid 3, van de twee voornoemde verordeningen, namelijk de verplichting om uit het Koninkrijk Thailand in te voeren, en de verplichting om geen grotere hoeveelheid tot het vrije verkeer toe te laten dan die welke op het invoercertificaat is vermeld.

20. De vraag rijst evenwel, of men, gelet op de bewoordingen van artikel 7, lid 1, eerste alinea, van voormelde verordeningen, tot de voorwaarden voor afgifte van het certificaat niet tevens de voorwaarden moet rekenen die bij de samenwerkingsovereenkomst zijn vastgesteld, en met name

"de in artikelen 1 en 5 van de samenwerkingsovereenkomst gestelde bepaling, dat de uitvoer van maniok uit Thailand naar de EEG de overeengekomen hoeveelheden niet mag overschrijden." (21)

Immers, in het arrest Krohn heeft het Hof erkend, dat de Commissie haar bevoegdheid ex artikel 7, lid 1, eerste alinea, om zich tegen de afgifte van invoercertificaten te verzetten, mag uitoefenen om nadere inlichtingen te vragen en na te gaan of de aangevraagde certificaten niet tot overschrijding van het contingent kunnen leiden. Het valt moeilijk in te zien, waarom de Commissie de bevoegdheden die zij op grond van de tweede alinea van hetzelfde artikel heeft, niet met hetzelfde doel zou mogen uitoefenen, en waarom zij dus niet na de afgifte van de invoercertificaten alle passende maatregelen zou mogen nemen.

21. Ook de aanbeveling aan de nationale autoriteiten om slechts goederen tegen het verlaagde tarief tot het vrije verkeer toe te laten na overlegging van de overeenkomstige uitvoercertificaten, zodat zij kunnen nagaan of de ingevoerde maniok dezelfde is als die waarvoor die certificaten zijn afgegeven, moet tot die maatregelen kunnen worden gerekend. Daar de door artikel 7, lid 1, tweede alinea, aan de Commissie toegekende bevoegdheid wordt uitgeoefend wanneer de invoercertificaten reeds zijn afgegeven, kan de Commissie uiteraard niets anders doen dan de controle verrichten op het ogenblik waarop de goederen tot het vrije verkeer worden toegelaten. Wanneer zij op dat moment niet meer zou mogen optreden, zou voormelde bepaling een dode letter blijven en geen enkel nuttig effect kunnen hebben.

22. In geen geval gaat het erom om, zoals de Nederlandse regering stelt, fouten van de Commissie of van de BALM te herstellen. Immers, het eerste telexbericht dateert van 31 januari 1983 en vermeldt dat de Thaise autoriteiten de Commissie hebben meegedeeld, dat het schip Equinox half januari 1983 was vertrokken met een partij maniok waarvoor geen uitvoercertificaten waren afgegeven. De Commissie kan deze informatie dus eerst in de tweede helft van januari 1983 hebben ontvangen. Sommige van de door de BALM afgegeven invoercertificaten dateren echter van 6, 11, 19 en 27 januari. Het is derhalve niet zeker, of de Commissie bij de BALM nog tussenbeide kon komen en deze instantie kon vragen geen invoercertificaten af te geven. Voorts vermeldde de Commissie in haar telexbericht van 6 mei 1983 aan de Nederlandse autoriteiten, dat zij voor de betrokken hoeveelheden geen enkele aanvraag om invoercertificaten overeenkomstig artikel 9 van de verordeningen nrs. 2029/82 en 3383/82 had ontvangen. Het is dus waarschijnlijk, dat de door de BALM afgegeven invoercertificaten betrekking hadden op andere partijen maniok, en het valt moeilijk in te zien, hoe de Commissie zich tegen de afgifte ervan kon verzetten, nu zij niet wist dat die certificaten later voor een nieuwe partij maniok zouden worden gebruikt. Haar bleef dus niets anders over dan gebruik te maken van haar bevoegdheden krachtens artikel 7, lid 1, tweede alinea.

23. Evenmin gaat het erom, een derde systematische controle in te voeren. De "passende maatregelen" zijn niet meer dan maatregelen ad hoc, die, zoals in casu, een bepaalde partij betreffen, gelijk blijkt uit de bewoordingen van de bepaling, waar het enkelvoud wordt gebruikt: "de afgifte van het certificaat". In de meeste gevallen zullen die maatregelen ten doel hebben, de gevolgen op te heffen van onregelmatigheden die zijn vastgesteld bij hetzij door de Thaise autoriteiten, hetzij door de nationale of communautaire autoriteiten verrichte controles.

24. Ook artikel 5 EEG-Verdrag verduidelijkt het bepaalde in artikel 7, lid 1, tweede alinea. Wegens de op de nationale autoriteiten rustende samenwerkingsverplichting hadden de Nederlandse autoriteiten, al was het maar telefonisch, contact moeten opnemen met de BALM, om de namen van de in de uitvoercertificaten bedoelde schepen te achterhalen. Dat zou ook daarom een normale zaak zijn geweest, omdat de Nederlandse autoriteiten toen al bekend moesten zijn met de bijzondere moeilijkheden waarmee de Gemeenschap te maken had. Immers, verordening nr. 499/83, die met name de verplichting oplegt om de naam van het schip op het invoercertificaat te vermelden, dateert van 2 maart 1983. De goederen kunnen echter eerst na 18 maart 1983 - de datum van het laatste door het betrokken bedrijf overgelegde invoercertificaat (22) - tot het vrije verkeer zijn toegelaten. Ofschoon verordening nr. 499/83 pas op 21 maart 1983 in werking is getreden, waren de bevoegde Nederlandse autoriteiten stellig op de hoogte van de redenen waarom die verordening was vastgesteld, en van haar bepalingen.

25. Volledigheidshalve wil ik nog zeggen, dat mijns inziens de afgifte van het invoercertificaat in de onderhavige omstandigheden geen gewettigd vertrouwen bij de betrokken ondernemer kon opwekken, daar volgens vaste rechtspraak van het Hof op het beginsel van het gewettigd vertrouwen

"geen beroep ((kan)) worden gedaan door een onderneming die zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijke schending van de geldende regeling." (23)

26. Bijgevolg meen ik, dat de Commissie de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten uit hoofde van bedoelde "passende maatregelen" mocht verbieden, de lading van het schip Equinox tegen overlegging van invoercertificaten tot het vrije verkeer toe te laten, tenzij zij de identiteit van de betrokken maniok zouden controleren door overlegging te verlangen van de overeenkomstige uitvoercertificaten.

27. Het Koninkrijk der Nederlanden is dus zijn communautaire verplichtingen niet nagekomen door bij de BALM niet na te gaan of er voor de betrokken partij uitvoercertificaten bestonden, en door, in weerwil van het telexbericht van de Commissie, ongeveer 60 000 ton maniok waarvoor geen uitvoercertificaat was afgegeven, tot het vrije verkeer toe te laten.

28. De Nederlandse regering voert aan, dat zij onderzoek heeft gedaan naar de aanleghavens en de vaarroute van de Equinox. Uit dat onderzoek zou zijn gebleken, dat de Equinox in afwachting van uitvoercertificaten in een Thaise haven was blijven liggen.

29. Die controle lijkt mij evenwel onvoldoende. In werkelijkheid is het zo, dat de Equinox wel uitvoercertificaten heeft ontvangen voor een gedeelte van zijn lading, maar dat geen uitvoercertificaten zijn afgegeven voor de in geding zijnde 60 000 ton maniok. Voor deze hoeveelheid - dat mag toch niet worden vergeten - zijn door de BALM invoercertificaten afgegeven tegen overlegging van uitvoercertificaten waarop andere schepen waren vermeld. Het door de Nederlandse regering verrichte onderzoek was dus geen correcte uitvoering van de "passende maatregelen" die de Commissie op grond van artikel 7, lid 1, tweede alinea, van de verordeningen nrs. 2029/82 en 3383/82 had genomen. Mijns inziens is dat een voldoende reden voor het Hof om de niet-nakoming vast te stellen. Het subsidiaire middel van de Commissie (24), dat gebaseerd is op de weigering van de Nederlandse autoriteiten over te gaan tot navordering van de niet geïnde heffingen, behoeft daarom niet te worden onderzocht.

30. Het tweede middel is ontleend aan het feit dat de Nederlandse regering heeft nagelaten, het bedrag overeenkomend met het verschil tussen de heffing tegen het volle tarief en de heffing tegen het verlaagde tarief als eigen middelen vast te stellen en uiterlijk op 29 juni 1984 ter beschikking te stellen van de Commissie, zoals deze in haar brief van 18 april 1984 had gevraagd.

31. Uit de schriftelijke opmerkingen blijkt een eerste meningsverschil, dat wellicht minder groot is dan op het eerste gezicht lijkt. Immers, als eerste argument voert de Nederlandse regering aan, dat de Commissie niet bevoegd is de eigen middelen vast te stellen; alleen de Lid-Staten zijn daartoe bevoegd. De Commissie antwoordt daarop - mijns inziens terecht -, dat krachtens artikel 1 van verordening nr. 2891/77 inderdaad de Lid-Staten de eigen middelen moeten vaststellen, doch dat uit de bepalingen van die verordening blijkt, dat de Lid-Staten verplicht zijn de bedragen van de schuldvorderingen als eigen middelen vast te stellen zodra die schuldvorderingen opeisbaar zijn geworden. Het lijdt geen twijfel, dat de Commissie niet bevoegd is zelf de eigen middelen vast te stellen; waar het om gaat, is of een Lid-Staat verplicht is door hem betwiste schuldvorderingen als eigen middelen vast te stellen.

32. Mijns inziens moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Het is onaanvaardbaar dat een Lid-Staat, enkel door te ontkennen schuldeiser van een bepaald bedrag te zijn, zou kunnen beletten dat eigen middelen ter beschikking van de communautaire autoriteiten komen. Met betrekking tot verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2/71 van de Raad van 2 januari 1971 (25) heeft het Hof destijds verklaard, dat de maandelijkse opneming in de communautaire boekhouding als te innen ontvangsten en de verplichting om moratoire interessen te betalen in geval van vertraging bij het boeken, noodzakelijkerwijze meebrengen, dat de Commissie gerechtigd is te verlangen dat aanvullende controles worden verricht en dat zij in voorkomend geval daarbij wordt betrokken "vanaf het tijdstip waarop de vaststelling had moeten plaatsvinden". (26) Alleen indien de Lid-Staat, ondanks zijn eventuele twijfels, verplicht is de eigen middelen vast te stellen, is het te begrijpen dat de Commissie dat recht heeft. Stelt de betrokken Lid-Staat de eigen middelen niet vast, dan handelt hij als het ware "voor eigen risico", in die zin dat hij in dat geval de in artikel 11 van verordening nr. 2891/77 voorziene moratoire interessen moet betalen.

33. Ook op dit laatste punt verschillen partijen van mening. Volgens de Nederlandse regering zijn moratoire interessen ingevolge artikel 11 slechts verschuldigd wanneer een Lid-Staat, na de eigen middelen overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de verordening te hebben vastgesteld, nalaat deze uiterlijk op de twintigste dag na die waarin het recht is vastgesteld (27), te boeken op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist is geopend. Moratoire interessen zouden daarentegen niet verschuldigd zijn wanneer een Lid-Staat heeft geweigerd de eigen middelen vast te stellen en ze dus uiteraard niet heeft geboekt.

34. Het Hof heeft die opvatting reeds verworpen. In een arrest Commissie/Bondsrepubliek Duitsland, waarin deze Lid-Staat aanvoerde

"dat artikel 11 van voornoemde verordening nr. 2891/77 alleen een verplichting tot betaling van rente oplegt in geval een Lid-Staat de hem in artikel 10, lid 1, van deze verordening gestelde termijn overschrijdt, waarbinnen hij de heffingen na hun vaststelling op de rekening van de Commissie moet boeken, maar niet in het geval van vertraging bij de voorafgaande vaststelling van bedoelde heffingen" (28),

overwoog het Hof,

"dat blijkens de tekst zelf van voornoemd artikel 11 van verordening nr. 2891/77 moratoire interessen verschuldigd zijn voor 'elke vertraging' bij het boeken op de rekening van de Commissie. Hieruit volgt dat, onverschillig om welke reden de boeking op de rekening van de Commissie met vertraging is geschied, de moratoire interessen opeisbaar zijn, zonder dat behoeft te worden onderscheiden naar gelang deze te late boeking het gevolg is van niet-inachtneming van de uiterste datum die is gesteld voor de vaststelling van de heffingen, of van een overschrijding van de in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2891/77 gestelde termijn". (29)

35. In het geval waarop dat arrest betrekking had, waren de Lid-Staten ingevolge een verordening van de Commissie verplicht, de verschuldigde rechten vóór een bepaalde datum vast te stellen, maar die omstandigheid betekent mijns inziens niet, dat de redenering van het Hof in dat arrest ook hier niet kan worden gevolgd. Ook al bestaat er in casu geen eigenlijke termijn voor de vaststelling van de rechten, uit artikel 2 van verordening nr. 2891/77 volgt, dat het recht moet worden vastgesteld "zodra de overeenkomstige vordering door de bevoegde dienst of instelling van de Lid-Staat deugdelijk is geconstateerd". Dat was trouwens het standpunt van het Hof in een recent arrest Commissie/Italië. (30) In zijn conclusie in voormelde zaak Commissie/Bondsrepubliek Duitsland wees advocaat-generaal Mancini er overigens op, dat

"de vaststelling niet de handeling ((is)) waardoor het recht op de middelen ontstaat, maar alleen het feit waardoor de op de Lid-Staat rustende verplichting ontstaat om deze middelen ter beschikking van de Commissie te stellen. Ware dit niet zo en hing het ontstaan van het recht af van de vaststelling door de Lid-Staten, dan zou deze laatste in de praktijk een fiscale bevoegdheid worden teruggegeven die hun is ontnomen." (31)

36. Derhalve is het door de Nederlandse regering aangevoerde argument irrelevant en moet ook het tweede middel gegrond worden verklaard.

37. Nog één punt: krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2891/77 hadden de betrokken rechten reeds in april 1983 moeten zijn vastgesteld en hadden de overeenkomstige bedragen uiterlijk op 20 juni 1983 op de rekening van de Commissie moeten zijn geboekt. De Commissie verzoekt het Hof evenwel, de niet-nakoming vast te stellen voor zover het Koninkrijk der Nederlanden heeft geweigerd het betrokken bedrag als eigen middelen vast te stellen, vermeerderd met interessen vanaf 29 juni 1984, de datum waarop zij om terbeschikkingstelling van het bedrag had gevraagd. Het Hof zal derhalve de niet-nakoming slechts behoeven vast te stellen binnen de in het verzoekschrift getrokken grenzen.

38. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging te verklaren, dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen

- door in april 1983 een partij maniok die zonder uitvoercertificaat uit Thailand was uitgevoerd, tegen de verlaagde heffing van 6 % ad valorem tot het vrije verkeer toe te laten,

- door te weigeren het bedrag dat het ten onrechte niet over die partij heeft geïnd (19 765 281,39 HFL), als eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen en dit bedrag, vermeerderd met de in artikel 11 van verordening nr. 2891/77 voorziene interessen vanaf 29 juni 1984, ter beschikking van de Commissie te stellen.

Voorts geef ik in overweging de verwerende Lid-Staat te verwijzen in de kosten van de procedure.

(*) Oorspronkelijke taal: Frans.

(1) Inzake de produktie en de commercialisatie van en het handelsverkeer in maniok, door de Raad namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 82/495/EEG van 19 juli 1982 (PB 1982, L 219, blz. 52).

(2) Arrest van 15 januari 1987, zaak 175/84, Jurispr. 1987, blz. 97.

(3) Houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling die geldt voor produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit Thailand en geëxporteerd door dat land in 1982 (PB 1982, L 218, blz. 8).

(4) Houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling die geldt voor produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit Thailand en geëxporteerd door dat land in 1983 (PB 1982, L 356, blz. 8).

(5) Zaak 175/84, reeds aangehaald, rechtsoverweging 5.

(6) Ibid., rechtsoverweging 6.

(7) Ibid., rechtsoverweging 7.

(8) Ibid., rechtsoverweging 16.

(9) Tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2029/82 en (EEG) nr. 3382/83 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling die geldt voor produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief van oorsprong uit Thailand en geëxporteerd door dat land in 1982 en in 1983 (PB 1983, L 56, blz. 12).

(10) Zaak 175/84, reeds aangehaald, rechtsoverweging 17.

(11) Blz. 8 en 13 van het verzoekschrift.

(12) Verordening van 29 oktober 1975 betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten (PB 1975, L 281, blz. 65).

(13) Verordening van de Raad van 14 maart 1983 betreffende de invoerregeling die voor de jaren 1983 tot en met 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief en houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1983, L 72, blz. 3).

(14) Verordening van 19 december 1977 houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB 1977, L 336, blz. 1).

(15) Blz. 5 van het verweerschrift.

(16) Arrest van 11 december 1973, zaak 120/73, Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1471.

(17) Arrest van 10 april 1984, zaak 324/82, Jurispr. 1984, blz. 1861, rechtsoverweging 12, cursivering van mij.

(18) Zie het verzoekschrift, punten 6.2 en 6.3, blz. 11.

(19) Blz. 12 van het verzoekschrift.

(20) Blz. 8 van het verweerschrift; blz. 5 van de dupliek.

(21) Zaak 175/84, reeds aangehaald, rechtsoverweging 15.

(22) Zie het verweerschrift, blz. 4.

(23) Arrest van 12 december 1985, zaak 67/84, Sideradria, Jurispr. 1985, blz. 3983, rechtsoverweging 21.

(24) Punt 7 van het verzoekschrift.

(25) Houdende toepassing van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB 1971, L 3, blz. 1).

(26) Arrest van 10 januari 1980, zaak 267/78, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 31, rechtsoverweging 15.

(27) Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2891/77.

(28) Arrest van 20 maart 1986, zaak 303/84, Jurispr. 1986, blz. 1171, rechtsoverweging 16.

(29) Ibid., rechtsoverweging 17, cursivering van mij.

(30) Arrest van 22 februari 1989, zaak 54/87, Jurispr. 1989, blz. 385, zie rechtsoverweging 12.

(31) Conclusie in zaak 303/84, Jurispr. 1986, blz. 1176.