ADVIES

Europees Economisch en Sociaal Comité

Voorstel voor een eigenmiddelenbesluit

_____________

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – De volgende generatie eigen middelen voor de EU-begroting

[COM(2021) 566 final]

Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027

[COM(2021) 569 final – 2021/0429 (APP)]

Voorstel voor een besluit van de Raad tot wijziging van Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

[COM(2021) 570 final – 2021/0430 (CNS)]

ECO/561

Rapporteur: Philip VON BROCKDORFF

Corapporteur: Antonio GARCÍA DEL RIEGO

NL

Raadpleging

Europese Commissie, 01/03/2022

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

06/05/2022

Goedkeuring door de voltallige vergadering

18/05/2022

Zitting nr.

569

Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)

144/2/7

1.Conclusies en aanbevelingen

1.1Het EESC stelt vast dat er consensus bestaat over de noodzaak om nieuwe eigen middelen toe te voegen in verband met het aflossen van de schuld die voortvloeit uit leningen in het kader van het NextGenerationEU-initiatief. Dit mag er echter niet toe leiden dat de budgetten van andere EU-programma’s en -instrumenten in gevaar komen of dat de middelenbijdrage op basis van het bruto nationaal inkomen (bni) substantieel toeneemt. De Commissievoorstellen zoals uiteengezet in de mededeling worden noodzakelijk geacht, maar de Commissie zou er volgens het EESC wel voor moeten zorgen dat bij de opzet van het nieuwe systeem wordt uitgegaan van billijkheid en rechtvaardigheid, efficiëntie, transparantie, eenvoud en stabiliteit, met de nadruk op het concurrentievermogen en solidair optreden waar nodig. In het bijzonder acht het EESC het van cruciaal belang huishoudens en bedrijven waar nodig te steunen, en beveelt het krachtig aan meer gerichte effectbeoordelingen uit te voeren, per land en voor specifieke sectoren, om eventuele negatieve gevolgen voor huishoudens en voor het algehele concurrentievermogen van de EU-economie vast te stellen.

1.2De eigen middelen op basis van het emissiehandelssysteem (ETS) zijn een essentieel instrument om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, maar de Commissie dient wel te waarborgen dat dit op een niet-ontwrichtende, kosteneffectieve manier gebeurt. Voorts neemt het EESC er kennis van dat het ETS tot de maritieme sector wordt uitgebreid, dat de luchtvaartemissierechten geleidelijk worden verhoogd en dat het wegvervoer en gebouwen in het systeem worden opgenomen. Het EESC acht het plausibel dat een beperkt deel van de ETS-inkomsten naar de EU-begroting kan vloeien. Het gaat hier immers om een pan-Europees klimaatinstrument dat tot de klimaatneutraliteitsdoelstellingen bijdraagt en de interne markt versterkt. In dit verband moeten er genoeg inkomsten zijn ter ondersteuning van sectoren die verplicht zijn verdere maatregelen te nemen om de klimaatverandering aan te pakken. Daarnaast wijst het EESC er nogmaals op dat het beginsel “de vervuiler betaalt” in alle landen moet gelden.

1.3Aangezien het EU-ETS en het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM) met elkaar samenhangen, vindt het EESC dat zij in dezelfde geest moeten worden benaderd. Terwijl het EU-ETS koolstoflekkage kan veroorzaken, kan een CBAM dergelijke lekkage tegengaan door een prijs te zetten op het broeikasgasemissiegehalte van ingevoerde producten. Het EESC waarschuwt echter voor het opzetten van een CBAM-systeem dat de Europese maakindustrie en andere bedrijven in een nadelige concurrentiepositie brengt.

1.4Verder is het EESC van mening dat voorspelbaarheid en transparantie als criteria moeten worden gevrijwaard, aangezien de inkomsten uit het EU-ETS en het CBAM aan schommelingen onderhevig kunnen zijn.

1.5De Commissie stelt ook een derde categorie eigen middelen voor, waarbij de lidstaten een nationale bijdrage aan de EU-begroting zouden leveren op basis van een aandeel van de resterende winsten van multinationale ondernemingen dat aan de EU-lidstaten zal worden toegewezen. Het EESC beschouwt dit als een passende grondslag voor de eigen middelen van de EU, die voldoet aan de billijkheidscriteria, omdat er zo voor gezorgd wordt dat de betrokken ondernemingen een deel van hun resterende winsten betalen, ongeacht waar zij actief zijn en winst maken. Het EESC vindt echter wel dat er in het internationale belastingstelsel sprake moet zijn van een gelijk speelveld, zodat EU-bedrijven geen concurrentienadeel ondervinden. De EU moet de nieuwe regels op hetzelfde moment ten uitvoer leggen als haar voornaamste handelspartners en concurrenten. Bovendien moeten de nieuwe regels in overeenstemming met geharmoniseerde definities en normen worden toegepast. Het EESC wijst ook op de volatiliteit van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting en op de moeilijkheden om toekomstige inkomsten uit deze eigen bron in te schatten, en benadrukt dat de definitieve uitvoeringsdetails van de overeenkomst nog besproken worden. In die zin acht het EESC het voorbarig om deze nieuwe middelen als permanente EU-middelen te beschouwen, vooral omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de EU-lidstaten een deel van de belastingopbrengsten aan derde jurisdicties moeten afdragen.

1.6Het EESC waarschuwt dat belastinghervormingen en/of compenserende mechanismen op nationaal niveau nodig kunnen zijn om eventuele extra belastingdruk op huishoudens en bedrijven te neutraliseren.

1.7Om een nieuw stelsel van eigen middelen goed op te zetten en vlot te implementeren is het EESC tot slot van mening dat er behoefte is aan zowel een sterke politieke bereidheid om de EU-integratie te verdiepen als een duidelijk stappenplan voor de toekomst van Europa. Dit is nog belangrijker in het licht van de oorlog in Oekraïne, en daarom moet het Commissievoorstel wellicht op een gegeven moment worden herzien. Het EESC is vastbesloten om de onzekere ontwikkeling van de menselijke en materiële gevolgen van deze verschrikkelijke invasie voortdurend te evalueren en in het oog te houden, zodat te zijner tijd kan worden beoordeeld wat de beste aanpak is.

2.Achtergrond

2.1De Europese Commissie stelt voor om de volgende generatie eigen middelen voor de EU-begroting te creëren door drie nieuwe bronnen van inkomsten aan te boren: de eerste op basis van inkomsten uit het herziene ETS, de tweede op basis van de middelen die worden gegenereerd door het voorgestelde EU-CBAM, en de derde op basis van een aandeel van de resterende winsten van multinationale ondernemingen dat aan de EU-lidstaten zal worden toegewezen krachtens de recente voorlopige overeenkomst van de OESO/G20 over een nieuwe toewijzing van belastingrechten (“eerste pijler”), waaraan nog de laatste hand moet worden gelegd. Van 2026 tot 2030 zullen deze nieuwe bronnen van inkomsten de EU-begroting naar schatting in totaal wel zo’n 17 miljard euro per jaar opleveren.

2.2De nieuwe eigen middelen zullen helpen het geld terug te betalen dat de EU heeft aangetrokken om de subsidiecomponent van NextGenerationEU (NGEU) te financieren. Meer bepaald is het de bedoeling dat het nieuwe ETS bijdraagt tot de financiering van het Sociaal Klimaatfonds (SCF), zoals is aangegeven in het kader van het “Fit for 55”-pakket. De bekostiging van het Sociaal Klimaatfonds is een belangrijke doelstelling van het voorstel. Dit fonds zou moeten helpen om voor een sociaal rechtvaardige transitie te zorgen en om kwetsbare huishoudens, vervoergebruikers en micro-ondernemingen te ondersteunen bij de financiering van investeringen in energie-efficiëntie, nieuwe verwarmings- en koelsystemen en schonere mobiliteit, alsook, waar nodig, tijdelijke directe inkomenssteun.

2.3Met het “Fit for 55”-pakket van juli 2021 wordt beoogd om de netto-uitstoot van broeikasgassen in de EU tegen 2030 met minstens 55 % terug te dringen ten opzichte van 1990. Het doel is klimaatneutraliteit in 2050. Met dit pakket wordt het ETS herzien. Het herziene ETS zal voortaan ook van toepassing zijn op de maritieme sector, een toename van de veiling van luchtvaartemissierechten mogelijk maken en een nieuw systeem voor gebouwen en het wegvervoer invoeren.

2.4Bedoeling is dat het nieuwe ETS zal bijdragen tot een vlotte transitie naar een koolstofarme economie waarin aandacht is voor de meest kwetsbaren in de samenleving. Momenteel worden de meeste inkomsten uit de veiling van emissierechten naar de nationale begrotingen overgeheveld. Met de voorgestelde nieuwe regeling zou 25 % van de inkomsten uit de EU-emissiehandel naar de EU-begroting vloeien, en de geraamde inkomsten voor de EU-begroting zouden in de periode 2026-2030 gemiddeld ongeveer 12,5 miljard euro per jaar bedragen.

2.5De Commissie stelt ook een CBAM voor om het risico op koolstoflekken naar de EU te verminderen door op ingevoerde goederen een koolstofprijs te zetten die overeenstemt met wat zou zijn betaald als de goederen in de EU waren geproduceerd. Dit mechanisme zal van toepassing zijn op een gerichte selectie van sectoren en wordt door de Commissie volledig in overeenstemming met de WTO-regels geacht. Overeenkomstig het voorstel zal de geleidelijke invoering van het CBAM samenvallen met de geleidelijke afschaffing van de ETS-herverdelingsregeling, die hoe dan ook altijd als tijdelijk was bedoeld. Op goederen die worden ingevoerd in de EU zou een heffing moeten worden betaald die hun “koolstofgehalte” weerspiegelt, d.w.z. de CO2-emissies die bij het produceren ervan zijn gegenereerd (de totale prijs op deze CO2-emissies is dezelfde als de EU-koolstofprijs). Anderzijds zal er op goederen die naar andere landen worden uitgevoerd geen korting (die het verschil weergeeft tussen de koolstofprijs die voor hun productie in Europa is betaald en de koolstofprijs op de markt van bestemming) van toepassing zijn. Om dit te compenseren zal het innovatiefonds (IF), met inkomsten uit de veiling van 450 miljoen ETS-rechten in de periode 2020-2030, het Europese bedrijfsleven helpen om zich aan te passen aan het koolstofarm maken van de economie. Voor 2020-2030 zou het fonds zo’n 10 miljard euro groot kunnen zijn, afhankelijk van de koolstofprijs. Het IF is een belangrijk financieringsinstrument om de EU-verbintenissen voor de hele economie in het kader van de Overeenkomst van Parijs na te komen en het strategische streven van de Europese Commissie naar een klimaatneutraal Europa tegen 2050 te ondersteunen, zoals ook erkend wordt in het investeringsplan van de Europese Green Deal.

2.6De Commissie stelt voor om 75 % van de inkomsten uit het CBAM toe te wijzen aan de EU-begroting, waarbij de inkomsten in de periode 2026-2030 worden geraamd op gemiddeld zo’n 1 miljard euro per jaar.

2.7De derde bron van inkomsten die wordt voorgesteld, zou worden gegenereerd door een deel van de “resterende winsten” van ‘s werelds grootste multinationale ondernemingen te belasten, zoals in 2021 is overeengekomen door de leden van het inclusieve OESO/G20-kader inzake grondslaguitholling en winstverschuiving; de details van deze overeenkomst moeten nog worden afgerond. Het betreft een tweepijleroplossing om fiscale transfers van het ene naar het andere land aan te pakken, de internationale belastingregels consistenter te maken en ervoor te zorgen dat winsten worden belast waar de economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gecreëerd. De Commissie stelt een eigenmiddelenbron voor ter grootte van 15 % van het aandeel van de resterende winsten van binnen het toepassingsgebied vallende ondernemingen dat aan de EU-lidstaten wordt toegewezen. De toewijzing van belastinginkomsten aan derde landen wordt echter niet in aanmerking genomen.

2.8De volgende stap is dat de Commissie een voorstel voor een EU-richtlijn indient zodra de details van de inclusieve OESO/G20-kaderovereenkomst over de eerste pijler zijn uitgewerkt. Dit proces moet een aanvulling vormen op de richtlijn in het kader van de tweede pijler, waarvoor de Commissie onlangs een apart voorstel heeft goedgekeurd. 1 In afwachting van de afronding van de overeenkomst worden de inkomsten voor de EU-begroting geraamd op 2,5 à 4 miljard euro per jaar.

2.9Om de voorgestelde nieuwe eigen middelen in de EU-begroting te kunnen opnemen, zal de EU twee belangrijke stukken wetgeving moeten wijzigen. Ten eerste stelt de Commissie voor het eigenmiddelenbesluit te wijzigen om de drie voorgestelde nieuwe middelen aan de bestaande middelen toe te voegen. Ten tweede stelt de Commissie ook een specifieke wijziging voor van de verordening betreffende de huidige langetermijnbegroting van de EU voor de periode 2021-2027, ook bekend als de verordening betreffende het meerjarig financieel kader (MFK). Door deze wijziging wordt het juridisch mogelijk om al tijdens het huidige MFK te beginnen met de terugbetaling van NextGenerationEU-leningen. Tegelijkertijd wordt voorgesteld de desbetreffende MFK-uitgavenplafonds voor de jaren 2025-2027 te verhogen om de extra uitgaven voor het Sociaal Klimaatfonds in aanmerking te nemen.

2.10Het eigenmiddelenbesluit moet met eenparigheid van stemmen door de Raad worden goedgekeurd, na raadpleging van het Europees Parlement. Het besluit kan in werking treden zodra het door alle EU-landen overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen is goedgekeurd. De MFK-verordening moet met eenparigheid van stemmen door de Raad worden aangenomen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

3.Algemene opmerkingen

3.1Voor de terugbetaling van het geld dat door de EU is bijeengebracht ter financiering van de subsidiecomponent van NextGenerationEU en het Sociaal Klimaatfonds, is een financieel model van eigen middelen nodig. Dat staat buiten kijf. De toepassing van dit financiële model blijft echter een hele opgave. Het EESC merkt ook op dat het Commissievoorstel vaste vorm geeft aan een serie regels op basis waarvan aanvullende nationale bijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting zullen worden toegewezen. In geval van een tekort zou het huidige systeem van toewijzing op basis van het bni toegepast blijven worden. Het EESC wijst er echter op dat de Commissie in 2023 een nieuwe reeks eigen middelen zal voorstellen.

3.2Hoe dan ook is het EESC van mening dat het thans voorgestelde systeem het huidige systeem voor het innen van inkomsten weerspiegelt en zeer sterk afhankelijk zal blijven van bijdragen van de lidstaten. Niettemin erkent het EESC dat een uitbreiding van het eigenmiddelenmodel de middelen zou verschaffen om doeltreffender op economische schokken te reageren en de financiering van initiatieven voor duurzame groei en economisch herstel te ondersteunen.

3.3Al met al zou het eigenmiddelenmodel ook de begrotingscapaciteit van de Economische en Monetaire Unie vergroten, waardoor de economische convergentie kan toenemen en kan worden bijgedragen tot het verzachten van asymmetrische macro-economische schokken. Gebruikmaking van eigen middelen zou de beleidseffectiviteit verder versterken doordat financiering nauw gekoppeld wordt aan de EU-doelstellingen op het gebied van bijvoorbeeld klimaatverandering en economische duurzaamheid. Waar het gaat om de keuze van de vormen van eigen middelen is het EESC het ermee eens dat er een verband moet zijn tussen de beleidsdoelstellingen en de financieringsbronnen van de EU.

3.4Het EESC erkent dat het vaststellen van eigen middelen een moeilijke opgave is en dat de opties die op tafel liggen hun eigen specifieke nadelen kunnen hebben (met name op het vlak van toereikendheid, stabiliteit en doeltreffendheid). Daarom is er, zoals de Commissie voorstelt, een systeem nodig waarin verschillende eigen middelen worden gecombineerd om bijvoorbeeld schommelingen in de instroom van eigen middelen tot een minimum te beperken. Een mix van eigen middelen helpt tevens om de financiële lasten eerlijker over de lidstaten te spreiden.

3.5Het EESC is ook van mening dat een efficiënt beheer van de eigen middelen van cruciaal belang is. Dit moet echter in alle stadia gepaard gaan met efficiëntie en doeltreffendheid aan de uitgavenzijde. Met name geldt dit voor de uitgaven in het kader van het Sociaal Klimaatfonds 2 , dat bedoeld is om de negatieve sociale gevolgen van de hogere koolstofprijzen in het vervoer en de verwarmingssystemen van gebouwen te verzachten. Het EESC heeft al eerder aangegeven bezorgd te zijn in dit verband, met name over de kosten van een systeem voor de handel in emissierechten voor gebouwen en vervoer, die de gewenste voordelen kunnen overtreffen en tot ongecontroleerde prijspieken kunnen leiden. Het EESC heeft er ook op gewezen dat het een enorme uitdaging is om een doeltreffend en billijk compensatiemechanisme uit te werken in een EU die bestaat uit 27 lidstaten met vaak zeer uiteenlopende sociaal-economische en klimatologische omstandigheden.

3.6Het EESC stelt vast dat de lidstaten de inkomsten uit emissierechtenveilingen tot nu toe hebben gebruikt om klimaatactie te ondernemen en om investeringen in sectoren waar emissierechten worden verhandeld aan te zwengelen en zo de uitstootvermindering te versnellen. Nu ETS-inkomsten deels zullen worden gebruikt om de subsidiecomponent van NextGenerationEU terug te betalen, waarschuwt het EESC voor mogelijke financiële beperkingen waardoor het lastiger kan worden om de Europese economie en de Europese burgers verder te steunen tijdens het transitieproces dat tot koolstofneutraliteit moet leiden.

3.7Het EESC is ingenomen met het IF en de doelstelling ervan om bedrijven te helpen investeren in schone energie en schone industrie. Het is echter de vraag of het met dit fonds zal lukken om de concurrentiepositie van de EU-industrie in stand te houden en te versterken.

3.8Het EESC stemt grosso modo in met de drie nieuwe inkomstenbronnen die de Commissie voorstelt, maar waarschuwt voor de gevolgen die de extra inkomsten kunnen hebben voor huishoudens en bedrijven. Het kan dan ook nodig zijn om eventuele extra belastingdruk te koppelen aan een belastinghervorming of compenserende mechanismen op nationaal niveau. Daarnaast waarschuwt het EESC voor de impact van de hogere energieprijzen op huishoudens en bedrijven, veroorzaakt door de oorlog in Oekraïne. Deze extra kosten en de sociale en economische effecten ervan zouden het Commissievoorstel weleens een stok in de wielen kunnen steken. Dit is nog belangrijker in het licht van de oorlog in Oekraïne, en daarom moet het Commissievoorstel wellicht op een gegeven moment worden herzien. Het EESC is dan ook vastbesloten om de onzekere ontwikkeling van de menselijke en materiële gevolgen van deze verschrikkelijke invasie voortdurend te evalueren en in het oog te houden, zodat te zijner tijd kan worden beoordeeld wat de beste aanpak is.

4.Specifieke opmerkingen

4.1Het EESC onderschrijft dat er financieringsbronnen nodig zijn om NextGenerationEU daadwerkelijk terug te betalen, maar deze financieringsbronnen moeten wel stabiel, sociaal rechtvaardig en bedrijfsvriendelijk zijn. Stabiliteit is een absolute vereiste, net als eenvoud en zekerheid. Meer in het bijzonder moet ervoor worden gezorgd dat de ingevoerde systemen, met name het ETS en het CBAM, bestand zijn tegen economische schokken. Ook moeten extra lasten voor huishoudens en bedrijven worden vermeden; het EESC behoudt zich voor om zich later uit te spreken over de mogelijke gevolgen van de financieringsbronnen voor zowel huishoudens als bedrijven. In dit verband beveelt het EESC aan meer gerichte effectbeoordelingen uit te voeren, per land en voor specifieke sectoren, om eventuele negatieve gevolgen voor huishoudens en voor het algehele concurrentievermogen van het bedrijfsleven in de EU vast te stellen. Ook is het belangrijk dat de in het kader van NextGenerationEU uitgekeerde middelen geëvalueerd worden.

4.2Het EESC is het ermee eens dat de lidstaten naar aanleiding van de OESO-belastinghervorming een deel van hun resterende belastinginkomsten aan de Commissie overdragen als eigen middelen, maar een dergelijke overdracht mag niet leiden tot nieuwe lasten voor huishoudens of bedrijven. Het EESC raadt aan om deze overdracht waar nodig te koppelen aan een hervorming van belastingen op andere niveaus, zodat huishoudens en bedrijven niet met extra lasten worden opgezadeld.

4.3De internationale voorlopige OESO-overeenkomst inzake vennootschapsbelasting vormt een belangrijke doorbraak in het streven om ervoor te zorgen dat wereldwijd opererende ondernemingen daar worden belast waar de economische activiteiten plaatsvinden en waarde wordt gecreëerd. Naar het oordeel van het EESC kunnen de nieuwe regels ook voor stabiliteit en samenhang in het internationale belastingstelsel zorgen. Wij zijn evenwel van mening dat in het internationale belastingstelsel te allen tijde een gelijk speelveld moet worden gehandhaafd. De EU moet de nieuwe regels op hetzelfde moment ten uitvoer leggen als haar voornaamste handelspartners en concurrenten. Bovendien moeten de nieuwe regels in overeenstemming met geharmoniseerde definities en normen worden toegepast. Het EESC wijst ook op de volatiliteit van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting en op de moeilijkheden om toekomstige inkomsten uit deze eigen bron in te schatten, en benadrukt dat de definitieve uitvoeringsdetails van de overeenkomst nog besproken worden. In die zin acht het EESC het voorbarig om deze nieuwe middelen als permanente EU-middelen te beschouwen, vooral omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de EU-lidstaten een deel van de belastingopbrengsten aan derde jurisdicties moeten afdragen.

4.4Het is volgens het EESC gedurfd om de ETS-opbrengsten niet langer als een in wezen nationale bron aan te merken, maar als een eigen bron, zoals wordt voorgesteld. Het EESC vreest echter dat dit voorstel niet aanzet tot een drastische vermindering van de vervuiling door ervoor te zorgen dat de vervuilers betalen. Bovendien is het EESC van mening dat het beginsel “de vervuiler betaalt” in alle lidstaten op dezelfde wijze moet worden toegepast. De uitdaging hierbij blijft hoe dergelijke inkomsten op een voor de gemeenschap gunstige manier kunnen worden geherinvesteerd. Ook zou het effect van dit voorstel op sectoren als de vastgoedmarkt per land of regio moeten worden beoordeeld, omdat planologische voorschriften vaak verschillen en de kosten van energie-efficiëntie tot hogere vastgoedprijzen kunnen leiden. Het EESC is ingenomen met het tijdelijke solidariteitscorrectiemechanisme, dat ertoe bijdraagt dat alle lidstaten een faire bijdrage aan de eigen middelen leveren, waarbij er een boven- en een ondergrens zal gelden op grond van het bruto nationale inkomen. Dit zal voorkomen dat sommige lidstaten tijdens de overgangsperiode naar een duurzamere economie onevenredig veel aan de EU-begroting bijdragen in verhouding tot de omvang van hun economie. Anderzijds dreigt het Sociaal Klimaatfonds in gevaar te komen als de ETS-regeling slechts gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd, en is er volgens het EESC een risico dat de lidstaten een excuus krijgen om Europa de schuld te geven van impopulaire maatregelen.

4.5Het EESC is ook van mening dat de voorgestelde nieuwe eigen middelen de beleidsdoelstellingen van de EU moeten ondersteunen, met name op het gebied van de eengemaakte markt, concurrentievermogen en duurzame groei, en tegelijkertijd moeten resulteren in een verbetering van het welzijn van de EU-burgers.

4.6Een ander belangrijk aandachtspunt is dat de financiële lasten van de voorstellen eerlijk over de lidstaten moeten worden verdeeld. Het EESC wijst op de structurele verschillen tussen de lidstaten, waardoor de impact van elk voorstel op de lidstaten varieert. Het EESC kan zich vinden in de manier waarop de middelen van het Sociaal Klimaatfonds nationaal zullen worden toegewezen op basis van de relatieve welvaart van het land en de regio. Het is echter absoluut noodzakelijk dat de voorstellen in de hele EU op eerlijke wijze geïmplementeerd worden. Even belangrijk is dat de berekening en de overdracht van en het toezicht op de nieuwe eigen middelen niet tot buitensporige administratieve lasten voor de Europese Commissie, EU-instellingen of nationale overheden leiden.

Brussel, 18 mei 2022.

Christa SCHWENG
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

_____________

(1)    Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing van multinationale groepen in de Unie, COM(2021) 823 final .
(2)     PB C 152 van 6.4.2022 .