NL

SOC/676

Een terrorismebestrijdingsagenda voor de EU

ADVIES

Europees Economisch en Sociaal Comité
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s
betreffende de EU-strategie voor de veiligheidsunie[COM(2020) 605 final]

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een terrorismebestrijdingsagenda voor de EU: anticiperen, voorkomen, beschermen en reageren

[COM(2020) 795 final]

Rapporteur: Ákos TOPOLÁNSZKY

Raadpleging

Europese Commissie, 24/02/2021

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

26/05/2021

Goedkeuring door de voltallige vergadering

09/06/2021

Zitting nr.

561

Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)

234/1/3



1.Conclusies en aanbevelingen

1.1Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) staat achter dit in het kader van de EU-strategie voor de veiligheidsunie 1 voorgestelde strategische programma om de burgers van de Unie te beschermen tegen de risico’s van terrorisme en is het ermee eens dat er een krachtig en ambitieus terrorismebestrijdingsbeleid nodig is.

1.2Tegelijkertijd onderstreept het dat de verwezenlijking van die doelstelling moet berusten op de erkenning en volledige eerbiediging van de rechtsgrondslagen van het internationale en het Europese recht, die onze pluralistische samenleving, onze gemeenschappelijke waarden en onze Europese manier van leven verdedigen en beschermen.

1.3Het EESC is van mening dat het nieuwe programma belangrijk is en heel gelegen komt; het is het in essentie eens met de opzet ervan en met de nadruk die is gelegd op het begrip veerkracht.

1.4Het onderstreept dat gebruik moet worden gemaakt van moderne technologische hulpmiddelen, maar dat eveneens moet worden gegarandeerd dat die hulpmiddelen uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig de rechtsstaat en de grondrechten.

1.5Het Comité beklemtoont dat met het programma naar zijn mening een samenhangend actiekader wordt geschetst, dat hoofdzakelijk bestemd is voor instellingen en instanties die belast zijn met de specifieke en essentiële taak de terroristische dreiging te voorkomen en te bestrijden, maar dat vertegenwoordigers van plaatselijke gemeenschappen, verenigingen van burgers en slachtoffers, organisaties van het maatschappelijk middenveld en vakbonden, geloofsgemeenschappen, de academische wereld en particuliere partners in het onderhavige document niet naar behoren worden betrokken bij de oplossing van dit probleem.

1.6Het EESC is van mening dat vooral moet worden geprobeerd om risico’s en spanningen te voorkomen en weg te nemen, eerder dan de ongewenste gevolgen ervan achteraf aan te pakken, met de hoge specifieke maatschappelijke kosten van dien.

1.7Het wijst op het belang van onderzoek en evaluatie van de dreiging om te voorkomen dat instrumenten worden ingevoerd die de grondrechten op niet-gerechtvaardigde wijze kunnen schaden.

1.8Het vestigt de aandacht op de rol van de lidstaten en op het feit dat zij synergieën tot stand moeten brengen bij de continue uitvoering van het programma.

1.9Om een doeltreffende respons op terrorisme te garanderen, is het van cruciaal belang om zich niet alleen te beperken tot louter politieke reacties, maar om inzicht te krijgen in de individuele en maatschappelijke oorzaken van terrorisme via wetenschappelijke kennis.

1.10Wat preventie betreft, vestigt het EESC de aandacht op het belang van actieve participatie van het maatschappelijk middenveld en zijn organisaties en van de sociale partners, waar tot nu toe onvoldoende gebruik van is gemaakt. In dat opzicht is het van mening dat het een bijzonder interessante investering in de veiligheid kan zijn om de overeengekomen acties, de risicobeperkingsprogramma’s en de op het niveau van de gemeenschappen opgestarte verzoeningsprocessen te benutten.

1.11Het EESC is ervan overtuigd dat terrorisme voortdurend en doeltreffend moet worden bestreden, weliswaar zonder afbreuk te doen aan de Europese waarden en de democratische rechten van de burgers. Indien die waarden en rechten aanzienlijk zouden worden ingeperkt, zou men immers kunnen stellen dat de terroristen in hun opzet zijn geslaagd.

1.12De bescherming van de openbare ruimte moet worden opgezet en uitgevoerd met deelname van particuliere actoren en vertegenwoordigers van de plaatselijke gemeenschappen, om tot een consensus te komen. Er moet een permanente dialoog met de religieuze verantwoordelijken worden opgezet, aangezien religies een grote bijdrage kunnen leveren aan het beperken van de radicalisering, bepaalde vormen van dreiging en de spanningen die terrorisme veroorzaakt binnen de gemeenschap.

1.13Het Comité onderstreept dat het EU-recht algemene en ongedifferentieerde gegevensbewaring verbiedt en dat een dergelijke gegevensbewaring slechts kan worden toegestaan indien er strikte, duidelijk in de regelgeving afgebakende waarborgen worden geboden en er een voortdurende controle is op het ondersteunende systeem.

1.14Bij de toepassing van het programma voor het traceren van terrorismefinanciering (TFTP) 2 moeten de waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de EU-burgers voortdurend worden geëvalueerd.

2.Inleidende opmerkingen 3

2.1Het EESC is ingenomen met en steunt het in het kader van de EU-strategie voor de veiligheidsunie 4 voorgestelde strategische programma voor een doeltreffend en gecoördineerd optreden middels mondiale instrumenten om de veiligheid van de EU-burgers te beschermen tegen de risico’s van terrorisme.

2.2Het EESC is het ermee eens dat een krachtig en ambitieus terrorismebestrijdingsbeleid nodig is, maar onderstreept dat dat beleid gestoeld moet zijn op een risicoanalyse op basis van feiten en op een grondige beoordeling van het effect van reeds toegepaste maatregelen in de EU.

2.3Het EESC zet zich ten volle in voor de universele waarden van eerbiediging van het menselijk leven en de menselijke waardigheid, zoals verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het EESC schaart zich eveneens achter de stelling dat democratie, de rechtsstaat, respect voor de grondrechten, met name het recht op privacy, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en respect voor diversiteit de fundamenten van onze Unie vormen en derhalve een gemeenschappelijke aanpak vereisen, waarmee we onze pluralistische samenleving, onze gemeenschappelijke waarden en onze Europese manier van leven beschermen en ondersteunen. Die fundamentele waarden moeten voortdurend en systematisch in aanmerking worden genomen bij het ontwerp en de uitvoering van de in de mededeling geplande maatregelen.

2.4Volgens het EESC komt dit nieuwe, belangrijke programma bijzonder gelegen; de opzet ervan, die het mogelijk maakt om te anticiperen, te voorkomen, te beschermen en te reageren, en het horizontale karakter van de internationale samenwerking verschaffen een passend kader en een passende benadering voor de uitvoering van een mondiaal responsplan. Het EESC acht het eveneens dienstig dat in de mededeling bijzondere nadruk wordt gelegd op verschillende aspecten, en meer specifiek op het belang van veerkracht. Veerkracht vergt een bredere participatie van de samenleving, en dus van het maatschappelijk middenveld en de burgergemeenschappen, in de processen om veiligheid tot stand te brengen en te waarborgen.

2.5Ook moet worden gewezen op de nadruk die is gelegd op het gebruik van moderne technologische hulpmiddelen, waarmee terroristische activiteiten en activiteiten die terrorisme ondersteunen duidelijk doeltreffender kunnen worden bestreden. Toch is het van essentieel belang om het gebruik van die nieuwe instrumenten — met name de instrumenten die het mogelijk maken om big data te verzamelen en te analyseren — en van oudere instrumenten duidelijk af te bakenen overeenkomstig het Unierecht en om het gebruik en de bewaring van de verzamelde gegevens te reguleren en erop toe te zien dat de regels voortdurend worden geëerbiedigd.

2.6Het Comité onderstreept dat met het programma naar zijn mening een samenhangend actiekader wordt geschetst, dat hoofdzakelijk bestemd is voor instellingen en instanties die belast zijn met de specifieke en essentiële taak de terroristische dreiging te voorkomen en te bestrijden, maar dat vertegenwoordigers van plaatselijke gemeenschappen, verenigingen van burgers en slachtoffers, organisaties van het maatschappelijk middenveld en vakbonden, geloofsgemeenschappen, de academische wereld en particuliere partners in het onderhavige document niet naar behoren worden betrokken bij de oplossing van dit probleem. De onderliggende oorzaken van de terroristische dreiging kunnen niet kunnen worden weggenomen zonder de inspanningen van maatschappelijke actoren op het plaatselijke niveau om tot onderling afgestemde overeenkomsten te komen die breed kunnen worden gedragen, om zo het risico te beperken.

2.7Het EESC is van mening dat vooral moet worden geprobeerd om risico’s en spanningen te voorkomen en weg te nemen, eerder dan de ongewenste gevolgen ervan achteraf aan te pakken, met de hoge specifieke maatschappelijke kosten van dien. Het Comité acht het eveneens belangrijk dat de uitvoering van het programma niet berust op maatschappelijke opvattingen of politieke reacties, maar altijd gebaseerd is op de realiteit van het terrorisme en op de werkelijke dreiging die ervan uitgaat, en dat de maatregelen om terrorisme te bestrijden op basis daarvan worden uitgewerkt. Ook de beleidsmaatregelen moeten uit dat oogpunt worden ontworpen.

2.8Het EESC vestigt de aandacht op het feit dat de EU radicalisering slechts op doeltreffende wijze zal kunnen bestrijden als zij erin slaagt om ook de uitsluiting aan te pakken waarvan zowel haar eigen autochtone minderheden (waaronder de Roma) als recent op haar grondgebied aangekomen minderheden het slachtoffer zijn.

2.9Om de sociale insluiting niet te ondermijnen en te waarborgen dat de aangedragen oplossingen evenredig zijn, moet erop worden toegezien dat de kloof tussen de perceptie van de terroristische dreiging in de samenleving en de werkelijke omvang ervan niet te groot wordt, zoals in sommige lidstaten het geval is. Het onderzoek naar en de evaluatie van de dreiging zijn dus belangrijk om te voorkomen dat instrumenten worden ingevoerd die de grondrechten op niet-gerechtvaardigde wijze kunnen schaden. Het veiligheidsbeleid mag slechts worden aangepast in het licht van een grondig onderzoek van de feiten met betrekking tot de vastgestelde reële bedreigingen en risico’s.

2.10Het EESC is tevens van mening dat het feit dat in het programma sterk wordt ingezet op de strijd tegen radicalisering een belangrijk positief element is in de strijd tegen terrorisme. Naast het aanpakken van radicale inhoud online, acht het Comité het op dit gebied echter ook bijzonder belangrijk om inzicht te krijgen in de mechanismen van radicalisering en deradicalisering, om de aard en het verloop van radicalisering te bestuderen en om op basis daarvan radicalisering te voorkomen. Vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en burgergemeenschappen kunnen in dat opzicht een sleutelrol spelen.

2.11Het EESC is ervan overtuigd dat terrorisme voortdurend en doeltreffend moet worden bestreden, weliswaar zonder afbreuk te doen aan de Europese waarden en de democratische rechten van de burgers. Indien die waarden en rechten aanzienlijk zouden worden ingeperkt, zou men immers kunnen stellen dat de terroristen in hun opzet zijn geslaagd.

2.12Zelfs bij de best opgezette, meest alomvattende programma’s is het welslagen in grote mate afhankelijk van de bereidheid tot onderlinge samenwerking van de lidstaten die deelnemen aan de uitvoering van het programma, en van hun veerkracht en van de politieke beslissingen die worden genomen om die programma’s te ondersteunen. De politieke wil daartoe is van cruciaal belang.

2.13Het EESC is van mening dat de lancering van het programma gepaard had moeten gaan met een grondige evaluatie van de situatie, waarbij de processen werden vastgesteld waarop het programma een passend antwoord had moeten bieden, evenals de resultaten die waren bereikt met de tot dan toe geleverde inspanningen

3.Inhoudelijke aspecten

3.1Anticiperen

3.1.1Het is van essentieel belang dat het gebruik van artificiële intelligentie (AI) in het kader van de vroegtijdige opsporing van terrorisme en de bestrijding van terrorisme in het algemeen transparant en verifieerbaar is, dat alleen de inhoud en de personen worden geviseerd waarop de strijd tegen terrorisme betrekking heeft en dat de zeven essentiële vereisten van de AI-strategie worden geëerbiedigd 5 .

3.1.2Wat de bescherming van de openbare ruimte betreft, is het programma terecht toegespitst op het gebruik van nieuwe technologieën. Het EESC betreurt evenwel dat de paraatheid voor aanslagen met als ram gebruikte voertuigen slechts impliciet aan bod komt in het document, hoewel dergelijke aanslagen de afgelopen jaren bijzonder frequent waren. Een aantal zogenaamde strategische terroristische aanslagen (een groot aantal slachtoffers, veel media-aandacht en een aanzienlijk angsteffect) is op die manier gepleegd.

3.1.3Om een doeltreffende respons op terrorisme te garanderen, is het van cruciaal belang om via wetenschappelijke kennis inzicht te krijgen in de individuele en maatschappelijke oorzaken van terrorisme. Volgens het EESC moet er dan ook bijzondere aandacht worden geschonken aan deze kwestie, aangezien de aldus vergaarde kennis de menselijke en materiële schade daadwerkelijk kan beperken.

3.2Voorkomen

3.2.1Wat preventie betreft, wijst het EESC met name op het feit dat dit een gebied van terrorismebestrijding is waarop het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol kan spelen — en reeds speelt —, die relevant is gelet op de inhoud, gaande van het versterken van het veiligheidsgevoel in de samenleving over de ondersteuning en de follow-up van de operationele praktijken van de instellingen die terrorisme bestrijden tot het opsporen, voorkomen en bestrijden van radicalisering. Het kader en de inhoud van de samenwerkingsverbanden die op alle niveaus van de samenleving kunnen worden bevorderd, moeten in het programma dus veel grondiger worden onderzocht. Er is reeds gebleken dat de samenwerking tussen personen of op het niveau van groepen en gemeenschappen duurzame effecten kan hebben op het beperken van de risico’s en het bevorderen van een duurzame integratie. In het programma moet sterker de nadruk worden gelegd op een dergelijke proactieve aanpak in plaats van een louter reactieve aanpak.

3.2.2In het onderhavige programma wordt terecht veel belang gehecht aan de strijd tegen het promoten van extremistische ideologieën op het internet. In dat verband wordt verwezen naar de livestreaming van terroristische daden door de terroristen. Er wordt echter niets gezegd over een veel vaker voorkomend fenomeen — waarvan preventie volgens het Comité essentieel is —, te weten de uitzending van terroristische aanslagen op sociale media door getuigen van die aanslagen.

3.2.3In het programma wordt de maatschappelijke rol van bijzonder grote onlineplatforms erkend en worden eveneens verplichtingen voor die platforms vastgesteld. In dat verband zou het nuttig zijn om, naast de elementen die in het onderhavige document reeds zijn genoemd, ook regelmatig de systemische risico’s te beoordelen in verband met de grondrechten, sociale breuken en de manipulatietechnieken die aan de basis liggen van radicalisering.

Ook moeten de risico’s voor de industrie, de economie en de handel, voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld voortdurend worden geëvalueerd en moet hun rol als partners bij het voorkomen van terrorisme worden versterkt via hun overkoepelende organisaties.

3.2.4Wat preventie betreft, zij erop gewezen dat naast haatzaaiende uitlatingen ook de verspreiding van verkeerde informatie en van complottheorieën een prominente rol speelt in radicalisering. Dit fenomeen tegengaan is dus van essentieel belang voor het succes van de terrorismebestrijding.

3.2.5Het EESC onderstreept het belang van strategische communicatie, niet alleen na een aanslag, maar ook als preventie-instrument; dit houdt in dat de boodschap van het maatschappelijk middenveld in de strategische communicatie moet worden verwerkt, om de aantrekkingskracht van terrorisme te verminderen en alternatieven te bieden.

3.2.6De collectieve inzet en de veerkracht van steden en gemeenten kunnen op doeltreffende wijze bijdragen aan het beschermen van de gemeenschap. Wat preventie betreft, is het EESC van mening dat het een bijzonder interessante investering in de veiligheid kan zijn om de overeengekomen acties, de risicobeperkingsprogramma’s en de op het niveau van de gemeenschappen opgestarte verzoeningsprocessen te benutten. Als spanningen worden aangepakt, opgelost en op termijn zelfs volledig worden weggenomen, zal het mogelijk niet meer nodig zijn om in te grijpen in risicosituaties, wat aanzienlijke middelen zou vrijmaken en ook de sociale insluiting ten goede zou komen. Daartoe is het van belang om de oorzaken en de aard van terrorisme te begrijpen en moeten de interventies voortdurend worden gevolgd.

3.2.7Onze steden moeten betere toegang krijgen tot financiering, begeleiding en opleiding om de huidige uitdagingen aan te pakken en hun veerkracht te vergroten. Het EESC schaart zich volledig achter de steun van de Commissie voor de activiteiten van de lokale preventiecoördinatoren via het EU-netwerk voor voorlichting over radicalisering. Het is van mening dat het initiatief “EU-steden tegen radicalisering” en de strategische dialoog tussen steden van essentieel belang zijn. Het Comité is van mening dat er eveneens een permanente dialoog tot stand moet worden gebracht in stedelijke agglomeraties, door in passende fora daartoe te voorzien.

3.2.8Aangezien werkelijke en veronderstelde sociale uitsluiting, discriminatie en marginalisering mensen gevoeliger kunnen maken voor radicale propaganda en een aanvullende bedreiging kunnen vormen voor de sociale samenhang, moet de Europese Commissie sterker optreden tegen racisme. Er moet derhalve een passend sociaal beleid worden gevoerd om de risico’s te beperken en het vertrouwen te versterken, aangezien terroristische daden ook kunnen worden uitgelegd als extreme uitingen van sociale spanningen en wantrouwen.

3.2.9Het Comité is van mening dat meer aandacht moet worden geschonken aan het onderzoeken, erkennen en op doeltreffende wijze voorkomen van radicaliseringsprocessen in penitentiaire instellingen dan tot nu toe het geval was. Het EESC hoopt dat de ondersteunende programma’s die zijn uitgevoerd op basis van evaluaties tijdens de vorige programmeringsperiode in deze context zullen worden bestendigd en is voorstander van een dergelijke bestendiging. Er moet met doordachte strategieën worden gegarandeerd dat gevangenissen geen broeihaarden van radicalisering worden, maar in de mate van het mogelijke juist plaatsen worden waar radicalisering wordt aangepakt.

3.3Beschermen

3.3.1In het hoofdstuk “Terroristen de middelen ontnemen om aan te vallen” wordt niet ingegaan op de geplande maatregelen ter voorkoming van aanslagen met voertuigen die als ram worden gebruikt. Gelet op de frequentie van dergelijke aanslagen de afgelopen jaren, moet dit probleem absoluut worden meegenomen in het programma.

3.3.2Voorts zou het Comité graag zien dat verdere maatregelen worden genomen om te voorkomen dat huurvoertuigen en deelauto’s worden ingezet voor terreuraanslagen, en dat op het gebied van stadsplanning doeltreffende methoden worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat dergelijke voertuigen geen schade kunnen aanrichten.

3.3.3De bescherming van de openbare ruimte moet worden opgezet en uitgevoerd met deelname van particuliere actoren en vertegenwoordigers van de plaatselijke gemeenschappen, om tot een consensus te komen, waarbij ernaar moet worden gestreefd het vrije gebruik van de openbare ruimte zo weinig mogelijk te beperken. Het EESC acht het noodzakelijk om minimumnormen vast te stellen voor de bescherming van bijzonder druk bezochte plekken met een symbolische waarde.

3.3.4Er moet een permanente dialoog met de religieuze verantwoordelijken worden opgezet, aangezien religies een grote bijdrage kunnen leveren aan het beperken van de radicalisering, bepaalde vormen van dreiging en de spanningen die terrorisme veroorzaakt binnen de gemeenschap. Die aanpak moet worden aangevuld met een interreligieuze dialoog en, indien nodig, met verzoeningsprocessen.

3.4Reageren

3.4.1Gelet op het bijzonder gespecialiseerde karakter van de respons op terrorisme, wijst het EESC met name op de noodzaak en het belang van een regelmatige mededeling van de resultaten.

3.4.2Het Comité onderstreept dat het EU-recht algemene en ongedifferentieerde gegevensbewaring verbiedt en dat een dergelijke gegevensbewaring slechts kan worden toegestaan indien er strikte, duidelijk in de regelgeving afgebakende waarborgen worden geboden en er een voortdurende controle is op het ondersteunende systeem.

3.4.3De activiteiten van het expertisecentrum van de EU voor slachtoffers van terrorisme, dat in deze fase nog een proefproject is, moeten worden voortgezet en uitgebreid om de gevolgen van terrorismebestrijding voor het maatschappelijk middenveld en de grondrechten te evalueren. Ook de mechanismen voor slachtofferhulp in de lidstaten moeten opnieuw worden bestudeerd en worden versterkt in het kader van de eerste strategie van de Europese Unie inzake de rechten van slachtoffers (2020-2025) 6 . De goede werking van de nationale contactpunten voor terrorismeslachtoffers 7 is eveneens van essentieel belang.

3.4.4Er worden heel wat inlichtingen verzameld in het kader van het programma voor het traceren van terrorismefinanciering (TFTP) 8 . In dat verband is het nodig om de waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de EU-burgers voortdurend te evalueren, in het bijzonder wanneer de inlichtingen worden gebruikt door derden (bijvoorbeeld in het kader van de samenwerking tussen de EU en de Verenigde Staten). Hetzelfde geldt voor de cyberbeveiliging, de verwerking van versleutelde gegevens tijdens onderzoeken, het beheer van elektronisch bewijsmateriaal (eEDES) en digitale onderzoeken in samenwerking met internationale partners. Hoe dan ook moeten de belangen van de burgers op het gebied van rechterlijke bescherming steeds vooropstaan.

Brussel, 9 juni 2021.

Christa SCHWENG
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

_____________

(1)     COM(2020) 605 final .
(2)     PB L 195 van 27.7.2010, blz. 5 .
(3)    Aangezien het Comité de inhoud van het programma steunt en gelet op het technische karakter van het programma, heeft dit advies hoofdzakelijk betrekking op de aspecten die verband houden met het maatschappelijk middenveld, de rechtsstaat en de grondrechten, die centraal staan in het mandaat van het EESC.
(4)     COM(2020) 605 final .
(5)     COM(2020) 65 final .
(6)     COM(2020) 258 final .
(7)    Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 4 juni 2018 over terreurslachtoffers (9719/18).
(8)     PB L 195 van 27.7.2010, blz. 5 .