INT/917
Eénloketsysteem voor de douane
ADVIES
Europees Economisch en Sociaal Comité
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013
[COM(2020) 673 final – 2020/306 (COD)]
Rapporteur: Athanasios IOANNIDIS
|
|
|
|
Raadplegingen
|
Europees Parlement, 11/11/2020
Raad, 13/11/2020
|
|
|
|
|
Rechtsgrondslag
|
Artikelen 3, 114 en 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
|
|
|
|
|
Bevoegde afdeling
|
Interne Markt, Productie en Consumptie
|
|
Goedkeuring door de afdeling
|
02/03/2021
|
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering
|
24/3/2021
|
|
Zitting nr.
|
559
|
|
Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)
|
268/0/3
|
1.Conclusies en aanbevelingen
1.1Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie tot vaststelling van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 952/2013. Het voorstel beoogt de versnipperde interoperabiliteit tussen de douane- en de bevoegde partnerautoriteiten bij het beheer van de procedures voor de in- en uitklaring van goederen aan te pakken.
1.2Volgens het EESC strookt het voorstel met de visie en de strategische doelstellingen van de Unie, zowel met betrekking tot het actieplan om de douane-unie te versterken en te moderniseren, als tot de mededeling over de ontwikkeling van de EU-douane-unie en haar governance.
1.3Het EESC meent dat het voorstel aansluit bij het strategisch plan van het directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie (DG TAXUD) 2016-2020 en het Europees actieplan inzake e-overheid 2016-2020, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 19 april 2016, dat tot doel heeft de efficiëntie van overheidsdiensten te verbeteren door bestaande digitale belemmeringen weg te nemen, de administratieve lasten te verminderen en de kwaliteit van de interactie tussen nationale overheidsdiensten te verbeteren.
1.4Opgemerkt zij dat met de invoering van de éénloketomgeving de handel in goederen het nieuwe digitale tijdperk zal betreden dankzij vereenvoudiging en automatisering, de handel in de EU in het algemeen zal toenemen, de Unie concurrerender wordt en de douane zal moderniseren, terwijl de resultaten voor de betrokken actoren —de douaneautoriteiten van de lidstaten, bevoegde partnerautoriteiten, marktdeelnemers, burgers— veelomvattend zullen zijn.
1.5Het Europese éénloketsysteem en de nationale systemen dienen niet alleen een digitale toegangspoort voor procedures voor gegevensverzameling en informatie-uitwisseling te zijn. Naarmate informatiesystemen en -procedures zich ontwikkelen, moet het in de toekomst mogelijk zijn, zoals de lidstaten en de Raad overeen zijn gekomen, om over te gaan tot complexere geautomatiseerde computerprocedures, zoals het geval zal zijn voor de hoeveelheden goederen. Zo krijgt de handelaar een compleet overzicht van zijn transactie, die dus als slim kan worden aangeduid.
1.6De integratie van niet-douanegerelateerde Unieformaliteiten in EU-CSW-CERTEX vergt volgens het EESC de implementatie van nieuwe informatietechnologie-infrastructuur om verbindingen te leggen tussen de nationale éénloketomgevingen voor de douane en niet-douanegerelateerde Uniesystemen. De uit te wisselen gegevens moeten specifiek worden bepaald.
1.7Het EESC stelt voor dat de Commissie bijzondere aandacht besteedt aan de cyberbeveiliging van systemen en loketten door strenge normen vast te stellen voor beveiligingssystemen die bescherming bieden tegen aanvallen die de handel in goederen in de EU kunnen schaden en verwoestende economische gevolgen kunnen hebben.
1.8Om het éénloketprogramma voor de douane doeltreffend uit te voeren en vertragingen te voorkomen, moet bijzondere aandacht worden besteed aan lidstaten die niet hebben deelgenomen aan het proefproject “EU-éénloketsysteem voor de douane met betrekking tot het gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst” (EU-CSW-CVED) van 2015 en dus geen geharmoniseerde nationale éénloketomgevingen voor douane hebben ontwikkeld die zijn afgestemd op het Europese éénloketsysteem.
1.9Een soortgelijk probleem doet zich voor bij verschillende lidstaten die op nationaal niveau hun eigen éénloketinitiatieven hebben ontwikkeld: zij blijven geïsoleerd en worden gekenmerkt door verschillende modaliteiten die zijn gebaseerd op het niveau van de bestaande IT-architectuur voor de douane, prioriteiten en kostenstructuren.
1.10Daarom beveelt het EESC aan om een nauwkeuriger tijdschema vast te stellen met doelstellingen en maatregelen die de lidstaten moeten nemen om hun nationale éénloketomgevingen voor douane af te stemmen op het Europese éénloketsysteem.
1.11Het EESC beseft dat het systeem complex is en coördinatie vergt, zowel binnen als tussen de lidstaten om een en ander uit te voeren. Het beveelt aan om een nauwkeuriger tijdschema vast te stellen voor het toezicht op en de verslaglegging over de werking en de ontwikkeling van het systeem, met doelstellingen en maatregelen die de lidstaten en nationale belanghebbenden moeten nemen om het uit te voeren.
1.12Het zou goed zijn als het programma binnen het toepassingsgebied ervan bijdraagt aan de eerbiediging van de grondrechten en de bescherming van gegevens.
1.13Het is van cruciaal belang dat het personeel dat betrokken is bij IT-operaties, de nationale éénloketomgevingen en het Europese éénloketsysteem voor de douane wordt voorbereid en opgeleid. Daarom moet het bestaande project voorzien in programma’s voor opleiding en verbetering van vaardigheden voor werknemers, alsmede in financiering uit nationale en/of communautaire middelen.
2.Achtergrond/Inleiding
2.1In 2008 hebben de lidstaten en de Commissie de toezegging gedaan om een elektronische douaneomgeving in de EU te stimuleren door te trachten een kader van éénloketdiensten te bewerkstelligen. In de Verklaring van Venetië van 2014 is een progressief actieplan voorgesteld voor de invoering van éénloketdiensten in de EU voor de douane en de ontwikkeling van het rechtskader ervan. Dit werd herhaald in de mededeling van de Commissie uit 2016 over de ontwikkeling van de EU-douane-unie en haar governance, waarin het streven van de Commissie naar een werkbare oplossing voor de ontwikkeling en invoering van een éénloketomgeving op EU-niveau voor de douane werd aangekondigd. Deze aanpak werd ondersteund door de conclusies van de Raad Ecofin van 23 mei 2017.
2.2De Commissie is in 2015 een proefproject gestart: het EU-éénloketsysteem voor de douane met betrekking tot het gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst (EU-CSW-CVED). Het project werd geleid door het DG TAXUD en het DG SANTE. Doel ervan was de geautomatiseerde verificatie door de douane mogelijk te maken van drie niet-douanegerelateerde wettelijke formaliteiten die bij de douaneaangifte als nalevingsbewijs werden ingediend. De douanediensten van vijf lidstaten namen aanvankelijk op vrijwillige basis deel aan dit proefproject. Met de opvolger van het project, het EU-douane-éénloketsysteem voor de uitwisseling van certificaten (EU-CSW-CERTEX), is het toepassingsgebied van de wettelijke vereisten uitgebreid en zijn er nieuwe functionaliteiten, zoals kwantiteitsbeheer, ingevoerd. Het aantal deelnemende lidstaten is van vijf tot negen gestegen en het project beslaat nu meer beleidsterreinen.
2.3Door de COVID-19-pandemie is het meer dan ooit van belang om een sterker kader voor de douane-unie te realiseren en de vervulling van douaneformaliteiten en niet-douanegerelateerde EU-formaliteiten verder te vergemakkelijken om het economisch herstel te ondersteunen. Te dien einde biedt de toegenomen digitalisering van wettelijke douaneformaliteiten en niet-douanegerelateerde Unieformaliteiten die van toepassing zijn op de internationale handel de lidstaten nieuwe mogelijkheden om de digitale samenwerking te verbeteren.
3.Het Commissievoorstel in het kort
3.1De internationale handel van de Unie is zowel aan douanewetgeving als aan niet-douanegerelateerde Uniewetgeving onderworpen. De autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor niet-douanegerelateerde wettelijke Unieformaliteiten (“bevoegde partnerautoriteiten”) en douaneautoriteiten werken vaak elk op hun eigen eilandje, wat leidt tot complexe en omslachtige rapportageverplichtingen voor handelaren en inefficiënte processen voor het in- en uitklaren van goederen, die fouten en fraude in de hand werken. Om de versnipperde interoperabiliteit tussen de douane- en bevoegde partnerautoriteiten bij het beheer van de processen voor het in- en uitklaren van goederen aan te pakken en de maatregelen op dit gebied te coördineren, zijn de Commissie en de lidstaten in de loop van de tijd een aantal verbintenissen aangegaan om voor het in- en uitklaren van goederen éénloketinitiatieven te ontwikkelen.
3.2Het Commissievoorstel betreft de vaststelling van een éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane die via het douane-éénloketsysteem van de Europese Unie voor de uitwisseling van certificaten voorziet in een geïntegreerde reeks interoperabele elektronische diensten op nationaal en op Unieniveau, om de interactie en uitwisseling van informatie tussen de nationale éénloketomgevingen voor de douane en de in de bijlage bij het voorstel bedoelde niet-douanegerelateerde Uniesystemen te ondersteunen.
4.Algemene opmerkingen
4.1Het voorstel voor een verordening is de eerste en essentiële stap op weg naar verbeterde samenwerking tussen de douaneautoriteiten door middel van één enkele elektronische applicatie. Dit is een alomvattend voorstel waarin de resultaten, maatregelen en acties voor de werking van de éénloketomgeving van de Europese Unie voor de douane op grote schaal worden geanalyseerd.
4.2De invoering van het éénloketsysteem stelt bedrijven en handelaren in staat gegevens, hetzij begeleidende documenten, hetzij niet-douanegerelateerde Unieformaliteiten, elektronisch aan een elektronisch venster (nationaal venster) van elke lidstaat te verstrekken, waarbij het risico op duplicatie wordt beperkt en op tijds- en transactiekosten wordt bespaard. Dankzij het éénloketsysteem kunnen de douane en andere betrokken autoriteiten de verstrekte gegevens verzamelen op basis van een geharmoniseerde aanpak van de procedures voor de in- en uitklaring van goederen. Tegelijkertijd krijgt de EU een volledig beeld van de producten die haar grenzen binnenkomen en verlaten, en kan zij de hoeveelheden goederen controleren in de context van quota en fraudebestrijding.
4.3Zoals vermeld in het voorstel voor een verordening van de Europese Commissie is de financiering voor de uitvoering van het programma afkomstig van communautaire en nationale middelen. De kosten in verband met de ontwikkeling, voltooiing en werking van het éénloketsysteem van de EU voor CSW-CERTEX komen ten laste van de Unie, terwijl de kosten in verband met de ontwikkeling, voltooiing en werking van hun nationale éénloketomgeving voor douane en de aansluiting ervan op het CSW-CERTEX-systeem van de EU ten laste komen van de begroting van de lidstaten. Aangezien de COVID-19-pandemie in alle lidstaten tot een financiële crisis heeft geleid, vraagt het EESC zich af hoe de Europese Commissie ervoor kan zorgen dat de lidstaten aan deze eis voldoen en in hun nationale begrotingen de voor de uitvoering van het programma geraamde middelen opnemen.
4.4Voor de harmonisatie en uitvoering van dit voorstel dienen de lidstaten het systeem verplicht uit te voeren. Het welslagen van het éénloketsysteem voor de douane hangt af van de gelijktijdige naleving, harmonisatie en uitvoering door alle lidstaten. Het risico bestaat echter dat sommige lidstaten het onderhavige systeem niet binnen het geraamde tijdschema zullen uitvoeren vanwege gebrek aan middelen (voortvloeiend uit de financiële crisis na COVID-19) en andere beleidsprioriteiten. Dit zal tal van problemen voor het douane- en handelsbeleid van de Unie opleveren, maar zeker ook voor de lidstaten. Het EESC vraagt de Europese Commissie of er sancties worden opgelegd als bepaalde lidstaten de maatregelen niet uitvoeren of als het vastgestelde tijdschema wordt overschreden.
4.5Het éénloketsysteem moet gelijke tred houden met de modernisering van de douane en douaneautoriteiten. Het zou zeer nuttig zijn om een onderzoeksstudie uit te voeren die de huidige situatie aan de toegangspoorten van de lidstaten beschrijft en een beoordeling maakt van de vereiste investeringen om de diensten te verbeteren zodat zij het éénloketsysteem kunnen ondersteunen. Tegelijk zou er ook een indicatieve datum kunnen worden vastgesteld voor de voltooiing van het nationale deel van het éénloketsysteem.
4.6De Commissie vermeldt in haar voorstel voor een verordening dat elke lidstaat een autoriteit dient aan te wijzen als nationale coördinator voor de uitvoering en coördinatie van maatregelen in verband met het éénloketsysteem. Het EESC vraagt zich af of de aanwijzing van de nationale coördinator onder de exclusieve bevoegdheid van elke lidstaat valt, dan wel of de Europese Commissie een aanbeveling zal doen.
4.7Ten aanzien van de waarborging van gegevensbescherming meent het EESC dat bij aanvullende maatregelen ter bescherming van de verzamelde gegevens en bij alle douaneaangiften rekening moet worden gehouden met de volgende punten:
-welke overheidsinstantie is verantwoordelijk voor het waarborgen van de vertrouwelijkheid en hoe wordt op elk niveau het tolerantieniveau expliciet vastgesteld?
-de waarborgen die aan handelaren zullen worden verstrekt in het éénloketsysteem en de details van de verstrekte garanties.
5.Specifieke opmerkingen
5.1Volgens het EESC kunnen dit voorstel voor een verordening en het punt waarin naar subsidiariteit wordt verwezen, gezien worden als bijdrage van dit instrument, namelijk de invoering van één loket, aan het Europese bbp en de verbetering van het concurrentievermogen.
5.2Daarnaast acht het EESC het noodzakelijk om voor elke lidstaat een effectbeoordeling uit te voeren waarin de voordelen van uitvoering van dit beleid naar voren komen om de lidstaten ervan te overtuigen het onmiddellijk ten uitvoer te leggen. Tegelijkertijd verzoekt het EESC de Europese Commissie om te rapporteren over de impact van het proefproject met het éénloketsysteem voor de douane in elke lidstaat die aan het proefproject deelnam.
5.3Op grond van de effectbeoordeling die in het voorstel voor een verordening is geanalyseerd, acht het EESC het pakket opties 1+6+8(ii) de juiste keuze.
5.4Het EESC benadrukt dat de Europese Commissie uniforme technische specificaties moet vaststellen voor de werking van de nationale éénloketomgeving, zoals omschreven in artikel 2 van het voorstel voor een verordening.
5.5Opgemerkt zij dat de Europese Commissie uniforme technische specificaties moet vaststellen voor de werking van de nationale éénloketomgeving, zoals omschreven in artikel 8, om storingen in de douaneaangiften te voorkomen. Het EESC acht het nuttig om één enkel model uit te werken.
5.6Het éénloketsysteem voor de douane heeft alleen kans van slagen als de nationale omgevingen goed functioneren met goed opgeleid personeel. Aangezien het aantal douaneambtenaren afhankelijk van de lidstaat uiteenloopt van 7 tot 70 per 100 000 inwoners, beveelt het EESC aan om minimumnormen voor de werking van het systeem en het vereiste aantal personeelsleden toe te voegen.
5.7Het EESC stelt voor “onverminderd de bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de bepalingen van artikel 6 van deze verordening” toe te voegen aan het eerste artikel van het voorstel voor een verordening.
5.8Het EESC merkt op dat, zowel vanuit juridisch als inhoudelijk oogpunt, in artikel 3 kan worden verwezen naar de tegenstrijdigheid die ontstaat, aangezien het artikel verwijst naar het éénloketsysteem van de EU, maar tegelijk niet-douanesystemen van de Unie omvat. Er zou hiervoor een afzonderlijke alinea kunnen worden toegevoegd (naast de nodige aanpassingen aan de verwijzingen).
5.9Het EESC zou graag willen weten of het werkprogramma van de Commissie aan de verordening zal voorafgaan, dan wel of het na de inwerkingtreding ervan zal volgen. Als de inwerkingtreding voorafgaat, binnen welk tijdsbestek moet het actieplan dan worden goedgekeurd?
5.10De verwijzing naar de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 21, lid 3, eerste zin, de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, in te trekken, is veel te vaag. Het EESC wil verder weten of de intrekking betrekking heeft op één of alle categorieën van de in artikel 5, lid 4, artikel 10, lid 3, en artikel 13, lid 4, vermelde opties.—— Voorts is het onduidelijk of het gaat om één handeling van deze categorieën of de mogelijkheid om handelingen vast te stellen voor één van deze categorieën in het algemeen. Het EESC wijst erop dat de medewetgevers bij de informatieverstrekking onderling moeten overleggen.
Brussel, 24 maart 2021.
Christa SCHWENG
Voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité
_____________