Europees Economisch en Sociaal Comité
REX/503
Associatieovereenkomst EU-Mercosur
ADVIES
Afdeling Externe Betrekkingen
Naar een Associatieovereenkomst EU-Mercosur
(Initiatiefadvies)
Rapporteur: Josep PUXEU ROCAMORA
Corapporteur: Mário SOARES
|
Administrateur
|
Lucía MÉNDEZ DEL RÍO CABRA
|
|
Datum document
|
18/05/2018
|
|
Raadpleging
|
…, DD/MM/YYYY
|
|
Rechtsgrondslag
|
Artikel ... van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
|
|
|
|
|
Besluit van de voltallige vergadering
|
15/02/2018
|
|
Rechtsgrondslag
|
Art. 29, lid 2, rvo
|
|
|
Initiatiefadvies
|
|
|
|
|
Bevoegde afdeling
|
Externe Betrekkingen
|
|
Goedkeuring door de afdeling
|
26/04/2018
|
|
Goedkeuring door de voltallige vergadering
|
DD/MM/YYYY
|
|
Zitting nr.
|
…
|
|
Stemuitslag
(voor/tegen/onthoudingen)
|
98/0/4…
|
1.Conclusies en aanbevelingen
1.1Het EESC is van mening dat een succesvolle afronding van de onderhandelingen over een associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur, die reeds te lang hebben geduurd, voor beide partijen zeer nuttig zou zijn. In de eerste plaats voor de EU zelf, die belangrijke voordelen zou trekken uit het sluiten van een associatieverdrag, met name op middellange en lange termijn, te beginnen met het verkrijgen van toegang tot een markt van bijna 300 miljoen consumenten. Bovendien zou de Mercosur zo zijn economieën kunnen diversifiëren, meerwaarde bieden aan zijn export en toegang krijgen tot een markt van 500 miljoen mensen. De te sluiten associatieovereenkomst moet vooral het resultaat zijn van een participatieve en transparante dialoog.
1.2Het huidige internationale panorama, met burgers die er steeds minder vertrouwen in hebben dat iedereen van de globalisering zal profiteren, het toenemende handelsprotectionisme in de vorm van nieuwe tariefbarrières en de bij sommige partijen levende voorkeur voor bilaterale in plaats van multilaterale onderhandelingen, zou een stimulans moeten zijn voor het sluiten van een overeenkomst waar door hoofdrolspelers op beide continenten met klem om wordt gevraagd. De brexit is een belangrijk gegeven waarmee rekening moet worden gehouden in de onderhandelingen.
1.3Het EESC verwelkomt het verslag van het Europees Parlement over een nieuw kader voor de betrekkingen tussen de EU en Latijns-Amerika, evenals het evaluatieverslag van de EDEO over de strategische betrekkingen met Latijns-Amerika in het kader van zijn integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Deze initiatieven, die het strategische belang van de EU voor Latijns-Amerika onderstrepen en aantonen dat de betrekkingen tussen beide regio's niet beperkt mogen blijven tot de handel, vallen in de tijd samen met andere, door het maatschappelijk middenveld, academische instellingen of denktanks ontwikkelde initiatieven.
1.4Het EESC stelt zich op het standpunt dat alleen een evenwichtige overeenkomst die op de middellange en lange termijn beide partijen ten goede komt en die geen enkele sector (zoals de landbouw of de industrie), regio of specifiek land benadeelt, een haalbare kaart is. De sluiting van een slechte associatieovereenkomst moet worden vermeden. Rekening houdend met alles wat betrekking heeft op de samenwerking en politieke dialoog (twee van de drie essentiële pijlers van de associatieovereenkomst), vraagt het EESC de onderhandelingspartijen de politieke wil te tonen die nodig is om de overeenkomst te sluiten, en zich maximaal in te spannen om de meningsverschillen die momenteel de handelsdimensie negatief beïnvloeden te overbruggen. Hierbij moet worden erkend dat bepaalde punten op de onderhandelingsagenda gevoelig liggen. Het EESC is van mening dat de partijen in dit verband de bestaande verschillen moeten erkennen, gemaakte afspraken moeten monitoren, flankerende en compenserende maatregelen moeten nemen, uitzonderingen moeten vastleggen, plannen moeten opstellen om de sterkst getroffen sectoren te ondersteunen, investeringen en innovatiebeleid moeten bevorderen en compensatie-, overgangs- en aanpassingsclausules moeten opstellen. Bovendien zouden de flankerende maatregelen onder meer alle beleidsgebieden van de EU moeten omspannen.
1.5Voor het EESC zouden de diepgaande veranderingen ten gevolge van de digitalisering aan beide zijden van de Atlantische Oceaan een belangrijke katalysator kunnen vormen voor de sluiting van een voor beide partijen betere associatieovereenkomst. In de sectoren die zouden kunnen profiteren van de sluiting van een associatieovereenkomst zou moeten worden ingezet op versterking van de op dit moment nog zeer zwak ontwikkelde waardeketens tussen de EU en Mercosur. Ook zou de associatieovereenkomst relevant zijn voor alles wat verband houdt met de aanleg van infrastructuur, met name interconnectie, de ontwikkeling van hernieuwbare energie en, heel in het bijzonder, de telecommunicatiesector – op basis van de ingebruikneming van 5G in zowel de EU als Latijns-Amerika.
1.6Hoe dan ook dringt het EESC er bij de onderhandelingspartners, en met name bij de EU, op aan om voor ogen te houden dat het niet sluiten van een overeenkomst of het sluiten van een overeenkomst die niet evenwichtig is voor beide partijen, hoge politieke en economische kosten met zich mee zou brengen en een gemiste kans zou betekenen. Het hoeft geen betoog dat de kosten van het niet sluiten van een overeenkomst niet alleen voor de Mercosur-landen, maar voor heel Latijns-Amerika hoog zullen zijn, in het bijzonder voor de landen van de Alliantie van de Stille Oceaan, die vanuit Europees gezichtspunt een centrale rol speelt in het integratieproces van de Latijns-Amerikaanse regio.
1.7In de ogen van het EESC is het van cruciaal belang dat er een ambitieuze overeenkomst wordt gesloten die alle aspecten van de betrekkingen tussen de EU en Mercosur bestrijkt. De recentelijk gesloten vrijhandelsovereenkomsten met Canada en Japan zouden daarbij als referentiepunten moeten dienen. In dit verband is het van belang dat concrete obstakels voor het bedrijfsleven worden weggenomen door middel van harmonisering van de regelgeving en dat ook wordt gekeken naar de impact op niet-handelsgerelateerde belemmeringen.
1.8De associatieovereenkomst moet ook een sociale, arbeids- en milieudimensie omvatten die integraal tot uiting komt. Deze dimensie zou moeten waarborgen dat de economische betrekkingen worden afgestemd op de in de overeenkomst opgenomen sociale en milieudoelstellingen en dat ze geen afbreuk doen aan de normen en garanties die ten grondslag liggen aan duurzame ontwikkeling. Daarnaast zou het belang van voedselveiligheid moeten worden beklemtoond.
1.9Het EESC is van mening dat de associatieovereenkomst dient te fungeren als een actief instrument voor de bevordering van de sociale dialoog en naleving van de basisverdragen van de WTO, met name die welke betrekking hebben op fatsoenlijk werk, en van de IAO-verklaring van 1998 inzake de fundamentele beginselen en rechten op het werk. In dit verband vraagt het EESC om de opneming van een uitgebreider hoofdstuk over sociale en arbeidsaspecten in de overeenkomst teneinde de problemen in de wereld van de arbeid aan te pakken en de dialoog tussen werkgevers en werknemers aan te moedigen, hetgeen bevorderlijk zou zijn voor de sociale cohesie. In dat hoofdstuk zouden de documenten inzake arbeidsrechten die de partijen reeds hebben vastgesteld, dat wil zeggen het Handvest van de grondrechten van de EU en de verklaring over de rechten van werknemers (Declaración socio-laboral) van Mercosur, moeten worden erkend. Op deze wijze zal de associatieovereenkomst waarborgen dat schending van arbeidsrechten en arbeidsrechtelijke beginselen niet door de partijen of in de internationale handel als legitiem comparatief voordeel kan worden gebruikt. Hiertoe zouden in de overeenkomst mechanismen moeten worden opgenomen om de naleving te waarborgen.
1.10Het EESC wenst dat zowel het sociaaleconomisch adviesforum van Mercosur (FCES) als het EESC zelf, als vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van de beide regio's, worden betrokken bij de onderhandelingen, bij de beoordeling van de effecten van de associatieovereenkomst en het formuleren van daaruit voortvloeiende voorstellen (voor het EESC is het absoluut noodzakelijk dat de impact van een mogelijke associatieovereenkomst vooraf wordt bestudeerd en dat mechanismen in het leven worden geroepen om achteraf na te gaan of de afspraken worden nageleefd en hoe deze zich ontwikkelen) en bij de vaststelling van een specifiek hoofdstuk over sociale, arbeids- en milieuaangelegenheden.
1.11Het EESC verzoekt eveneens om de oprichting van een gemengd monitoringcomité van het maatschappelijk middenveld, waaraan zou worden deelgenomen door het EESC en het FCES. Dit comité moet:
·een raadgevend karakter hebben;
·zo worden samengesteld dat de drie belangensectoren die in beide organen aanwezig zijn, op gelijke voet en op evenwichtige wijze worden vertegenwoordigd;
·zich uitspreken over alle onderwerpen die door de associatieovereenkomst worden bestreken (inclusief, derhalve, een hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling);
·worden erkend als rechtstreekse gesprekspartner van de overige gezamenlijke organen van de associatieovereenkomst, en
·door die organen worden geraadpleegd, zich op eigen initiatief uitspreken, een eigen reglement van orde opstellen en door de eigen politieke autoriteiten worden gefinancierd op een wijze die toereikend is om zijn functies te kunnen uitoefenen.
1.12Het EESC vindt het onnodig en weinig doeltreffend dat het maatschappelijk middenveld dubbel wordt vertegenwoordigt, namelijk in de algemene sfeer van de associatieovereenkomst en in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling. In dit opzicht is het EESC van mening dat de associatieovereenkomst één geheel is en als zodanig gevolgen heeft voor alle landen van beide partijen. Het EESC dringt erop aan dat de onderhandelaars lessen trekken uit de verworven ervaringen met eerdere associatieovereenkomsten, waarbij beide partijen interne adviesgroepen voor het maatschappelijk middenveld oprichtten zonder dat er in het kader van de overeenkomsten een mogelijkheid bestond om een dialoog aan te gaan. De beperkingen van dit model, die inmiddels duidelijk zijn geworden, tonen aan dat het geen zin heeft dat het maatschappelijk middenveld in elk Mercosur-land via interne adviesgroepen afzonderlijk indirect wordt betrokken bij de associatieovereenkomst. Temeer daar beide partijen raadgevende instanties hebben die onafhankelijk, evenwichtig en representatief zijn en goed in staat zijn hun mandaat in het kader van de associatieovereenkomst te vervullen.
2.Inleiding
2.1Mercosur beslaat een oppervlakte van 12 800 000 km2 en heeft 293 miljoen inwoners, met een bevolkingsdichtheid van 22,9 inwoners per km2. Met een bbp van 2 biljoen USD is Mercosur de zesde economie van de wereld. Bovendien heeft Mercosur twee volwaardige leden van de G20: Argentinië en Brazilië. Het Argentijnse voorzitterschap van de G20 in 2018 geeft een idee van de toenemende relevantie van de regio.
2.2Na de ondertekening van de interregionale kaderovereenkomst in december 1995 besloten de EU en Mercosur onderhandelingen over een associatieovereenkomst te openen. Gezien de moeilijkheden tussen de partijen (onenigheid over productiemodellen in de landbouw en de gevolgen daarvan voor de markt en de manier waarop wordt aangekeken tegen protectionisme in de industrie en de dienstensector van Mercosur) werden de onderhandelingen in 2004 opgeschort, hoofdzakelijk vanwege de verwachtingen van beide partijen over de Ronde van Doha. Op de top tussen Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en de Europese Unie van 2010 werd besloten de onderhandelingen te hervatten. De vooruitzichten om nog voor het eind van het jaar een overeenkomst te sluiten waren bemoedigend, maar vanwege de in essentie politieke betekenis die de regeringen van Mercosur aan regionale integratie en hun betrekkingen met de EU gaven, belandden de onderhandelingen opnieuw in een impasse, waarna ze na een wijziging van standpunt van de Braziliaanse regering in 2013 weer vlot werden getrokken.
2.3Met het oog op de opkomst van diverse bedreigingen voor de representatieve democratie en de volledige eerbiediging van de vrijheden aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, stelt het EESC dat de associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur de waarden, beginselen en nationale en internationale democratische politieke kaders op daadkrachtige wijze moet bevorderen.
2.4Gezien de onzekere gevolgen die de onderhandelingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU zouden kunnen hebben voor de associatieovereenkomst, is het EESC van mening dat deze kwesties op dynamische wijze moeten worden behandeld, rekening houdend met de meest waarschijnlijke toekomstige repercussies.
3.De strategische componenten van de associatieovereenkomst EU-Mercosur
3.1De sluiting van een associatieovereenkomst met Mercosur zou onderdeel moeten zijn van een Europees buitenlands beleid voor Latijns-Amerika dat uitgaat van het bijzondere karakter van de biregionale relatie, die sterk verschilt van die met andere regio's. Ofschoon er ook belangrijke verschillen bestaan (fragmentatie van de regio), zou het versterken van de betrekkingen met Latijns-Amerika gunstig zijn voor de EU, zoals het versterken van de betrekkingen met de EU gunstig zou zijn voor Latijns-Amerika.
3.2Het is noodzakelijk dat er een duidelijke politieke wil aan de dag wordt gelegd, om er in de eerste plaats voor te zorgen dat de associatieovereenkomst niet alleen een vrijhandelsakkoord is, maar ook een meer algemene strategische overeenkomst waarmee wordt beoogd voor alle economische en maatschappelijke spelers van beide partijen op lange termijn voordelen te scheppen met betrekking tot ontwikkeling, veiligheid, migratie en milieu-uitdagingen, en, in de tweede plaats, gebruik te maken van alle bestaande mechanismen om de aanwezige verschillen tussen beide regio's te beoordelen, de negatieve effecten van liberalisering voor bepaalde sectoren te beperken, de ongelijke mate van integratie binnen Mercosur te corrigeren en maatschappelijke participatie en transparantie te identificeren als sleutelfactoren in de betrekkingen tussen beide regio's.
3.3De associatieovereenkomst biedt een goede gelegenheid om de verwezenlijking van meer algemene strategische doelstellingen van wederzijds belang dichterbij te brengen. De overeenkomst zou een instrument zijn voor het spelen van een grotere politieke en economische rol op het internationale toneel in een tijdsgewricht waarin de economische en politieke macht verschuift van het gebied rond de Atlantische Oceaan naar dat rond de Stille Oceaan. Afgezien van de overeenkomsten binnen de Latijns-Amerikaanse Integratieassociatie (Aladi) heeft Mercosur geen vrijhandelsovereenkomsten gesloten, noch met de VS, noch met de grote Aziatische machten. Dat is een van de verschillen met de Alliantie van de Stille Oceaan. Buiten Latijns-Amerika heeft Mercosur verschillende typen overeenkomsten gesloten met Zuid-Afrika, India, Pakistan, Turkije en Marokko, en vrijhandelsovereenkomsten met Egypte, de Palestijnse autoriteit en Israël. Van haar kant heeft de EU meer dan vijftig handelsovereenkomsten met diverse landen in de wereld. In Latijns-Amerika en het Caribisch gebied is dat met Mexico, Chili, Midden-Amerika, Peru, Colombia, Ecuador en het Cariforum. Met een associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur zou, kortom, een biregionaal handelsblok ontstaan dat groot gewicht in de schaal kan leggen op het nieuwe wereldtoneel.
3.3.1De protectionistische koers, die inmiddels wereldwijd zichtbaar is, heeft grote gevolgen voor de wereldeconomie. Een associatieovereenkomst tussen Mercosur en de EU zou de Atlantische regio kunnen versterken en een signaal kunnen afgeven dat er een alternatieve weg bestaat voor de handelsbetrekkingen en om de vooruitgang van naties en regio's te stimuleren. Deze nieuwe generatie vrijhandelsovereenkomsten waarin rekening wordt gehouden met de zorgen van burgers die hun baan, inkomen en zekerheid dreigen te verliezen, is het beste antwoord op zowel het toenemende protectionisme als het risico van een handelsbeleid dat burgers onbeschermd laat.
3.3.2Hoewel Mercosur geen overeenkomst met China heeft, is de aanwezigheid van dit land in de regio de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Argentinië en Brazilië zijn twee essentiële elementen voor de ontplooiing van China, zoals niet alleen blijkt uit de handelscijfers, maar ook uit de toename van de directe buitenlandse investeringen en de financiële steun voor de aanleg van infrastructuur.
3.3.3De EU zou in Mercosur, via de associatieovereenkomst, een strategische bondgenoot kunnen vinden bij de verwezenlijking van haar doel om milieubescherming wereldwijd te bevorderen. Milieu is tegenwoordig een van de grootste punten van zorg van landen, burgers en multilaterale fora. De EU speelt een voortrekkersrol op het gebied van milieubeleid en groene technologie. Voor Mercosur vormen natuurlijke hulpbronnen een van zijn grootste troeven, maar de regio is ook een van de gebieden die het meest hebben te vrezen van de klimaatverandering. In dit kader is het nuttig bijzondere aandacht te besteden aan de evaluatie van intensieve landbouw- en veeteeltpraktijken die niet duurzaam zijn, en deze op middellange termijn af te schaffen.
3.3.4Om deze laatste doelstelling voldoende te kunnen ondersteunen, zou de associatieovereenkomst een krachtig onderdeel over "energie, milieu, klimaatverandering, wetenschap en technologie en innovatie" moeten omvatten. Deze thema's zouden prioritair moeten worden behandeld in het hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking.
3.4Ook is het belangrijk om rekening te houden met de lessen die kunnen worden getrokken uit bestaande allianties met andere landen in de regio. Dit zal een stevig fundament leggen voor de totstandbrenging van een omgeving waarin investeringen, zowel Europese als lokale, op duurzame wijze het volledige potentieel van de regio kunnen ontwikkelen als motor van welvaart, werkgelegenheid en welzijn.
4.Gevoelige aspecten van de onderhandelingen
4.1De voordelen van een associatieovereenkomst ten spijt verlopen de onderhandelingen tussen de EU en Mercosur moeizaam, waarbij de volgende vijf knelpunten kunnen worden onderscheiden: i) de complexiteit van de onderhandelingsagenda met betrekking tot de handels-, industriële en dienstbepalingen van de overeenkomst; ii) de potentiële onevenwichtigheden tussen beide partijen op landbouwgebied; iii) de structurele tekortkomingen van de integratie binnen Mercosur, die de vrije handel beperken; iv) de sociale en milieudimensie van de overeenkomst; en v) de ongelijke politieke wil van de partijen om tot een akkoord te komen en de eveneens ongelijke bereidheid om alle mogelijke compensatiemechanismen, zowel in het kader van de overeenkomst als daarbuiten, in overweging te nemen. Al deze kwesties worden in dit document op niet-uitputtende wijze en op basis van de tot nu toe beschikbare informatie onder de loep genomen.
4.1.1Wat de handel betreft zijn de moeilijkheden na langdurige onderhandelingen wel geïdentificeerd. Vanuit Europees perspectief concentreren deze zich in de agrovoedingssector van Mercosur. Met name bestaat er vrees voor negatieve gevolgen in sectoren als suiker, rundvlees, varkensvlees en kip, en groente en fruit. Ook zijn er zorgen over protectionisme op het gebied van industrieproducten (auto's en chemische producten, zoals ethanol) en bepaalde verwerkte landbouwproducten (waaronder wijn), het risico dat herkomstbenamingen onvoldoende worden beschermd, de relatief lage normen inzake voedselveiligheid en milieubescherming in de landen van Mercosur en het gebrek aan transparantie bij de plaatsing van overheidsopdrachten.
4.1.2Voor de EU is het handhaven van de consumentenbeschermings- en productienormen van fundamenteel belang. Op het gebied van voedselveiligheid, milieubescherming en dierenwelzijn (waaronder voedermethoden) moet er duidelijk sprake zijn van wederkerigheid. De toepassing en de eerbiediging van de normen voor het gebruik van fyto- en zoösanitaire producten moeten in de associatieovereenkomst ondubbelzinnig worden vastgelegd. Ook moeten doeltreffende en met elkaar vergelijkbare controlesystemen in productieprocessen, en binnen de veehouderijsector in het vervoer en de slacht, worden ingevoerd voor alle handel tussen de partijen. In dit verband is het hoofdstuk over beschermde geografische aanduidingen van levensbelang voor de bescherming van een gemeenschappelijk Europees erfgoed dat in de loop der tijd is opgebouwd, alsmede voor de bestrijding van namaak en fraude.
4.1.3Aan quota onderworpen productiesectoren, zoals suiker, ethanol en rundvlees, moeten permanent en op homologe wijze worden gemonitord om compensatiemaatregelen te kunnen nemen in geval van betekenisvolle veranderingen en om te voorkomen dat lokale productie verloren gaat. Wat groente en fruit betreft zal, indien wordt afgezien van de bescherming van het invoerprijsmechanisme, een waarnemingspost moeten worden opgericht om de werking van de markt te volgen met het oog op de bescherming van belangen aan beide zijden; daarvoor zal een beroep moeten worden gedaan op werkgroepen voor de uitwisseling van prognoses en gebeurtenissen die de markt kunnen verstoren.
4.2Vanuit het perspectief van Mercosur ligt het accent op de landbouw. De Europese zorgen zouden deels kunnen worden weggenomen wanneer er overeenstemming wordt bereikt over een redelijke naleving van dezelfde normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, dierenwelzijn, enz., voor Europese producten en importproducten uit Mercosur. De associatieovereenkomst zou de voedselafhankelijkheid van geen van de partijen mogen vergroten en moet de nodige instrumenten omvatten om niet-duurzame landbouwmodellen te vermijden, steeds rekening houdend met de belangen van de consument.
4.3Met betrekking tot industrieproducten, waar de handelsbelemmeringen kleiner zijn, lijkt het bereiken van overeenstemming gemakkelijker haalbaar, zoals die bijvoorbeeld ook is bereikt in het akkoord tussen de EU en Zuid-Korea over de auto-industrie. Tot slot zouden voor andere onderwerpen, zoals intellectuele eigendom, die voor sommige Mercosur-landen, waaronder Brazilië, bijzonder gevoelig liggen, aanpassings- of overgangsbepalingen kunnen worden vastgesteld op basis van WTO-regels. Het EESC stelt in dit verband voor om een programma inzake industriële eigendom te ontwerpen dat de overdracht van technologie bevordert en ertoe strekt dat er een octrooistelsel voor de EU en Mercosur kan worden opgezet, dat in een later stadium zou kunnen worden uitgebreid tot heel Latijns-Amerika.
4.4De structurele zwakheden van Mercosur kunnen de totstandbrenging van een associatieovereenkomst bemoeilijken. Daarbij springen met name de beperkingen die worden opgelegd door de schaarse interconnectie-infrastructuur en het lage niveau van integratie van de regionale waardeketens, op een grondgebied dat drie keer zo groot is als dat van de EU, in het oog. Deze beperkingen omvatten een laag niveau van intraregionale handel en een overheersende rol van extraregionale handel, een onvoltooide douane-unie, beperkte coördinatie van macro-economisch beleid en zwakke regionale instituties. Een voorbeeld hiervan is het niet-bestaan van een supranationale rechterlijke instantie waarvan de uitspraken verplicht moeten worden opgevolgd door de regeringen en het weinig doeltreffende systeem voor de minnelijke beslechting van geschillen binnen Mercosur.
4.4.1Hoewel er in 2010 een nieuwe gemeenschappelijke douanecode voor Mercosur is vastgesteld, is deze nog niet in werking getreden, met als gevolg dat het gemeenschappelijke externe douanerecht nog steeds wordt toegepast. Mercosur is meer een vrijhandelszone dan een douane-unie.
4.5De voordelen van de huidige onderhandelingen met een Mercosur van vier (Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay) moeten van Europese zijde enorm worden gewaardeerd. De potentiële uitbreiding van het blok met nieuwe leden zou de onderhandelingen verder bemoeilijken.
4.6Het EESC is voorstander van de oprichting van een multilateraal tribunaal voor het beslechten van geschillen met betrekking tot investeringen en zou graag zien dat de landen van Mercosur, evenals de geassocieerde landen, zich bij een dergelijk initiatief zouden aansluiten om zo een grotere rechtszekerheid te garanderen, zowel voor Latijns-Amerikaanse als voor Europese investeerders. Eveneens is het EESC van mening dat een mogelijk toekomstig lidmaatschap van de OESO afhankelijk moet worden gesteld van de effectieve uitvoering en naleving van de afspraken met de EU en het creëren van een klimaat van rechtszekerheid en volledige eerbiediging van de wet met betrekking tot alle economische en maatschappelijke spelers van beide zijden van de Atlantische Oceaan.
5.De mogelijkheden en kansen van de associatieovereenkomst
5.1De associatieovereenkomst waar de EU en Mercosur over onderhandelen gaat veel verder dan een vrijhandelsakkoord, waarbij het verschil wordt gemaakt door twee extra componenten: politieke dialoog en samenwerking. Gezien de huidige bedreigingen van het multilateralisme, de terugkeer van protectionisme en op de loer liggende handelsoorlogen, is dit voor de EU het juiste moment om haar strategische belangen in en betrekkingen met Latijns-Amerika in het algemeen en Mercosur in het bijzonder te versterken en de kansen die zich voordoen te grijpen.
5.2De sluiting van een associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur, rekening houdend met de omvang van het grondgebied, de bevolking en de huidige handelsrelatie ter waarde van meer dan 84 miljard EUR per jaar, zal de rol van de twee blokken op het internationale toneel versterken, een grote ruimte van economische integratie scheppen, met gunstige gevolgen voor beide partijen, en positieve externaliteiten creëren, ook voor de rest van Latijns-Amerika. Om die reden is de sluiting van een associatieovereenkomst met Mercosur een win-winsituatie.
5.3De EU is de grootste economie ter wereld en Mercosur staat op zesde plaats. De Mercosur-landen zijn hun economieën aan het diversifiëren, met een grote rol voor de agrovoedingssector, maar ook met een groeiende industriële basis die kan steunen op aanzienlijke energiebronnen en technologische middelen. Deze diversificatie-inspanningen, en met name het vergroten van de toegevoegde waarde van exporten, vormen een uitgelezen kans voor Europese bedrijven, vooral op het gebied van technologie en diensten.
5.4In de periode 2012-2016 wist alleen Paraguay zijn groeitempo vast te houden (8,4 %), terwijl Argentinië (1,4 %) en Uruguay (2,9 %) de groei zagen afnemen. In Brazilië was er sprake van een krimp met 1,4 %. In Argentinië en Brazilië is echter reeds herstel zichtbaar en de vooruitzichten voor de middellange termijn worden weer bemoedigender.
5.5De bestaande rechtszekerheid in de vier landen van Mercosur is een gegeven om rekening mee te houden, ook al kan en moet deze worden verbeterd. Corruptie is voor beide partijen inmiddels een reden voor groeiende maatschappelijke bezorgdheid.
5.6Het kwalitatieve en kwantitatieve belang van de regionale markt loopt sterk uiteen, afhankelijk van de omvang van de lidstaten van Mercosur. In relatieve zin kan worden geconstateerd dat de kleinere Mercosur-landen meer deelnemen aan de handel met de EU. In 2015 was de EU goed voor meer dan 40 % van de buitenlandse handel van Paraguay, rond 30 % van de buitenlandse handel van Uruguay en bijna een kwart van de buitenlandse handel van Argentinië, maar minder dan 10 % van de buitenlandse handel van Brazilië. Deze cijfers gelden in ongeveer gelijke mate voor zowel de invoer als de uitvoer.
5.7Directe buitenlandse investeringen vormen een sterk onderdeel van de aanwezigheid van de EU in Mercosur. De Europese directe buitenlandse investeringen zijn hoger dan die van de EU in China, India en Rusland samen. Ondanks de toename van de Chinese uitvoer naar en de invoer uit de regio, heeft de Europese handel met Mercosur een groot groeipotentieel. De overmatige afhankelijkheid van Mercosur van de uitvoer van grondstoffen naar China is echter een relevante factor.
5.8De aanwezigheid van Europese kleine en middelgrote ondernemingen in de landen van Mercosur is de afgelopen jaren toegenomen en we zien nu ook dat kmo's uit Mercosur beginnen toe te treden tot de Europese markt. De associatieovereenkomst tussen de EU en Mercosur zou Europese kmo's een uitstekende kans bieden om hun aanwezigheid en activiteiten in de regio uit te breiden.
5.8.1De EU exporteert voornamelijk producten van de maakindustrie, kapitaalgoederen, vervoersmaterieel en chemische producten en importeert vooral voedingsmiddelen en energie. Een evenwichtige associatieovereenkomst waarvan zowel werkgevers als werknemers en de hele samenleving de vruchten plukken staat voor een enorm welvaartscreërend potentieel, vooral als de overeenkomst ruimten zou scheppen voor investeringen in met name nieuwe activiteiten op basis van intensief gebruik van kennis en kwaliteitsvolle banen, de oprichting van kmo's zou bevorderen door middel van de schepping van werkgelegenheid in netwerken, en de innovatie en democratisering van nieuwe technologieën zou stimuleren en op die manier zou bijdragen aan het bereiken van een kritische massa, met name op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT). Zowel de investeringen in technologie als de stijging van de biregionale handel zouden, indien hiervoor de juiste omstandigheden worden geschapen, positief kunnen bijdragen aan de werkgelegenheid.
5.8.2Anderzijds zijn er specifieke factoren die niet alleen economische kansen bieden, maar ook een belangrijke bijdrage leveren aan duurzame ontwikkeling: de aanleg van inclusieve en milieuvriendelijke infrastructuur die toegang biedt tot basisdiensten in een nieuw kader van stedelijke ontwikkeling en die de territoriale cohesie vergroot, het aanjagen van investeringen in civiele bouwwerken en technologieën die de klimaatverandering beperken en een grotere toepassing van duurzame energie, gebruikmakend van diverse hernieuwbare, niet-conventionele bronnen en van de ervaringen van Europese ondernemingen op dit gebied teneinde een groene economie tot stand te brengen.
5.8.3Bovendien zou een goede associatieovereenkomst het economisch en sociaal welzijn in beide regio’s ten goede komen als hiervoor de juiste omstandigheden worden geschapen, hetgeen zonder twijfel een positief effect zou hebben op de werkgelegenheid, bijvoorbeeld door middel van:
-nieuwe bedrijfskansen voor ondernemingen in niet-traditionele sectoren, zoals nieuwe technologieën, de groene economie en sociale netwerken;
-uitbreiding van de traditionele markten in de telecommunicatiesector, de auto-industrie, de farmaceutische industrie, de elektriciteitssector en het bankwezen;
-het aanboren van nieuwe markten voor kmo's;
-de grotere beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen en voedingsmiddelen, met behoud van biodiversiteit en milieuduurzaamheid; en
-het stimuleren van de sociale en op democratie en solidariteit gebaseerde economie als een manier om de sociaaleconomische structuur te verbeteren en de schaduweconomie te bestrijden.
5.9Een associatieovereenkomst met Mercosur zou de EU de kans bieden om de economische en geopolitieke banden met een strategische partner aan te halen. Als de associatieovereenkomst op korte termijn zou worden gesloten, zou deze biregionale overeenkomst de eerste met deze reikwijdte zijn die Mercosur sluit, waardoor de EU internationale concurrenten, zoals de VS, China en ook India, Rusland en Zuid-Korea, achter zich zou laten. Ook zou de associatieovereenkomst het strategisch partnerschap (waar handel geen deel van uit maakt) met Brazilië, een in geopolitiek opzicht bijzonder belangrijk land, verder verdiepen. Deze associatieovereenkomst zou leiden tot een grotere Europese aanwezigheid in Latijns-Amerika, een regio met grote energie-, voedsel- en waterreserves, drie hulpbronnen die in de 21e eeuw van cruciaal belang zijn en zullen blijven. Een associatieovereenkomst zou de economische en geopolitieke banden tussen de gebieden rond de Atlantische en de Stille Oceaan kunnen versterken.
5.10Voor Mercosur zou een associatieovereenkomst met de EU ook vanuit strategisch oogpunt gunstig zijn. Enerzijds zou de sluiting van een associatieovereenkomst de relatieve positie van Mercosur in de regio versterkten en een toenadering tot de Alliantie van de Stille Oceaan in de hand werken, en anderzijds zou dit de internationale onderhandelingspositie van Mercosur verbeteren en mogelijk een aantal onevenwichtigheden in de financiële en handelsbetrekkingen met andere internationale spelers van Mercosur (en Latijns-Amerika in zijn geheel) corrigeren. Mercosur zou profiteren van de overdracht van technologie en wetenschappelijke kennis en uitwisselingen in het kader van onderwijs en een belangrijke bondgenoot in de multilaterale arena krijgen met betrekking tot onderwerpen die het handelsblok sterk aangaan, zoals klimaatverandering, duurzame ontwikkeling en de strijd tegen mondiale bedreigingen.
5.11Het EESC is ingenomen met de politieke wil die de partijen tonen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en moedigt hen aan effectief gebruik te maken van de bestaande financiële instrumenten om deze samenwerking op de volgende gebieden te verdiepen:
·onderwijs, opleiding en uitwisselingen op universitair niveau: Erasmus EU-Mercosur;
·samenwerking op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie tussen universiteiten, openbare onderzoekscentra en bedrijven; prioriteit toekennen aan technologieoverdrachten;
·projecten op het gebied van duurzame ontwikkeling en duurzaam ondernemen en
·sociale cohesie: bestrijding van armoede en ongelijkheid.
6.De associatieovereenkomst en het maatschappelijk middenveld
6.1Het EESC is van mening dat het biregionale karakter van de inhoud van de associatieovereenkomst een fundamenteel en kenmerkend onderdeel van deze onderhandelingen vormt, en een referentiepunt voor de politieke en economische betrekkingen in een wereld die steeds verder globaliseert. Overtuigd van de waarde van de dialoog met het maatschappelijk middenveld van de wederpartijen in het buitenlands beleid van de EU, werkt het EESC al meer dan twintig jaar samen met organisaties van Mercosur, zowel bij het volgen van de onderhandelingen als bij het in stand houden van een permanente en gestructureerde dialoog die het onderlinge begrip vergemakkelijkt en een kritische, maar constructieve bijdrage levert aan de betrekkingen tussen beide regio's.
6.2De balans die het EESC opmaakt van de betrekkingen tussen de EU en Mercosur is zonder meer positief. Deze betrekkingen, die ver teruggaan in de tijd en zijn gebaseerd op diepe historische, culturele en taalkundige banden, beogen de biregionale integratie te verdiepen, samen het hoofd te bieden aan de gemeenschappelijke uitdagingen die voortvloeien uit de globalisering, en sociale cohesie en economische ontwikkeling hand in hand te laten gaan. Het maatschappelijk middenveld aan beide zijden van de oceaan heeft een robuust netwerk van onderlinge betrekkingen ontwikkeld, dat heeft bijgedragen tot een betere coördinatie binnen elke sector (werkgevers, vakbonden, de tertiaire sector).
6.3Deze inspanningen hebben de afgelopen jaren algemene erkenning gekregen, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in het feit dat de Europese onderhandelaars het eens zijn over de noodzaak om in elke overeenkomst bepalingen inzake de deelname van het maatschappelijk middenveld op te nemen, gekoppeld aan het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Het EESC is ingenomen met deze ontwikkeling, maar betreurt dat het maatschappelijk middenveld in de op dit moment geldende akkoorden een beperkte rol toebedeeld heeft gekregen. Elke partij (en elk land dat partij is aan niet-Europese zijde, wanneer het een regio betreft) heeft namelijk interne adviesgroepen opgericht, zonder dat de akkoorden formeel voorzien in de mogelijkheid dat deze interne adviesgroepen samenwerken. Nog ernstiger is dat de oprichting van interne adviesgroepen in de landen van de andere partij volledig afhangt van de goede wil van hun overheden, hetgeen heeft geleid tot een gebrek aan evenwicht tussen sectoren, een gebrek aan vertegenwoordiging, gebrekkige onafhankelijkheid van de overheden en een gebrek aan interesse bij de overheden die deze groepen moeten oprichten, als zij dit al niet geheel weigeren te doen.
6.3.1Het EESC wijst de mogelijkheid van de hand dat de onderhandelingen voor de associatieovereenkomst met Mercosur wederom uitmonden in een participatieregeling die is gebaseerd op een model van interne adviesgroepen.
6.4Het EESC herinnert er nogmaals aan dat Mercosur, net als de EU zelf, beschikt over een orgaan voor participatie en raadpleging van het maatschappelijk middenveld: het sociaaleconomisch adviesforum van Mercosur (FCES). Het FCES vertegenwoordigt op evenredige wijze de economische sector, de werkgelegenheidssector en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld. De leden van het forum komen regelmatig bijeen en presenteren gezamenlijke standpunten aan de politieke autoriteiten van de regio. Het EESC heeft het FCES vanaf de oprichting ervan gesteund om aan te tonen hoe belangrijk het is dat deze instantie, die een essentieel element vormt voor de sociaaleconomische integratie van de regio, wordt versterkt.
6.5Het EESC bekrachtigt opnieuw de beginselen van transparantie en participatie, zowel in de onderhandelingen over als in de verdere ontwikkeling van de associatieovereenkomst, omdat deze beginselen bijdragen tot het kweken van vertrouwen in de instituties en de legitimatie en toe-eigening door maatschappelijke organisaties van onderhandelingen die hen direct aangaan. Het betreurt derhalve het gebrek aan transparantie in deze onderhandelingen, waarbij niet het voorbeeldmodel wordt gevolgd dat eerder werd vastgesteld voor de onderhandelingen van een vrijhandelsovereenkomst met de VS, en vraagt dat alle partijen die deelnemen aan de onderhandelingen, met name wanneer die partijen banden hebben met Mercosur, het maatschappelijk middenveld systematisch degelijke en relevante informatie verstrekken.
6.6In overeenstemming met de gemeenschappelijke standpunten van het EESC en het FCES – en conform de voorovereenkomsten die tijdens de vorige onderhandelingen in 2004 waren bereikt en die later op basis van consensus werden goedgekeurd, en waarin werd vastgesteld dat beide instellingen een gezamenlijk mandaat zouden krijgen binnen de associatieovereenkomst – verzoekt het EESC om de instelling van een gemengd monitoringcomité van het maatschappelijk middenveld binnen de associatieovereenkomst. Een dergelijk gemengd monitoringcomité moet:
·een samenstelling hebben waarin het EESC en het FCES op gelijke voet zijn vertegenwoordigd;
·de drie sectoren (economische, arbeids- en andere organisaties) op evenwichtige wijze vertegenwoordigen;
·raadgevende functies van prescriptieve aard hebben die alle onderwerpen van de associatieovereenkomst bestrijken, waaronder het hoofdstuk over handel en de opvolging van aspecten die verband houden met duurzame ontwikkeling;
·van de partijen tijdig geactualiseerde informatie ontvangen over de gevolgen van de associatieovereenkomst;
·een verplichte gesprekspartner voor de andere gezamenlijke organen van de associatieovereenkomst zijn (associatieraad, associatiecomité, gemengd parlementair orgaan, raad voor handel en duurzame ontwikkeling);
·door die organen worden geraadpleegd, maar zich ook op eigen initiatief uitspreken;
·een eigen reglement van orde opstellen; en
·door de eigen politieke autoriteiten worden gefinancierd op een wijze die toereikend is om zijn functies te kunnen uitoefenen.
6.7Het bestaan van een gemengd monitoringcomité met deze kenmerken zou het gemakkelijker maken om oplossingen te vinden voor geschillen die na de sluiting van de overeenkomst zouden kunnen ontstaan en voor eventuele blokkades. In concreto, en daarbij het voorbeeld van reeds bestaande organen in soortgelijke overeenkomsten volgend, zou het gemengd monitoringcomité de effecten van de associatieovereenkomst op de eerbiediging van de mensenrechten en op arbeids-, sociale en milieurechten moeten monitoren (en daarbij moeten controleren of er bijvoorbeeld geen sociale dumping of dumping van afvalstoffen in het milieu plaatsvindt om handelsvoordelen te behalen), evenals de strikte naleving door de partijen van de internationale overeenkomsten en verdragen die ze hebben ondertekend. Door hun aard zijn de organisaties van het maatschappelijk middenveld die in het gemengd monitoringcomité zullen zijn vertegenwoordigd de meest aangewezen actoren om te verifiëren dat de associatieovereenkomst voordelig is voor alle partijen en om een bemiddelende of faciliterende rol te spelen in de communicatie met de betrokken sectoren. Daarom moet het gemengd monitoringcomité de informatie over concrete zaken (evenals zijn aanbevelingen) kunnen toezenden aan de gezamenlijke organen van de associatieovereenkomst, die verplicht zijn daarop te reageren.
6.8Het EESC acht het noodzakelijk om in de associatieovereenkomst een sociale dimensie in te bouwen die verder gaat dan alleen maar handel en die als algemene doelstelling heeft om de sociale cohesie te vergroten. Daarbij gaat het met name om de effecten van de overeenkomst op de werkgelegenheid, de bescherming van de belangen van de lokale bevolking en de meest achtergestelde bevolkingsgroepen, de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de bescherming van het milieu, de rechten van immigranten en werknemers in het algemeen, de bescherming van consumenten en de stimulering van de sociale economie. In dit verband zouden de partijen zich moeten committeren aan de toepassing van de basisverdragen van de IAO, zodat schending van de fundamentele beginselen en rechten op het werk niet als legitiem comparatief voordeel kan worden ingeroepen of gebruikt in de internationale handel. Ook zou de opneming van een hoofdstuk over sociale en arbeidsaspecten in de overeenkomst, teneinde de problemen in de wereld van de arbeid aan te pakken en de dialoog tussen werkgevers en werknemers te bevorderen, een instrument kunnen zijn voor het scheppen van kwaliteitsvolle werkgelegenheid, het verbeteren van de sociale voorwaarden van werknemers en het op significante wijze bijdragen aan een betere verdeling van welvaart.
Brussel, 26 april 2018
Dilyana Slavova
Voorzitter van de afdeling Externe Betrekkingen
_____________