TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (“de kwikverordening”) 1 is het specifieke rechtsinstrument van het Unie dat het gebruik van kwik en kwikverbindingen (hierna “kwik” genoemd) regelt.

De kwikverordening heeft tot doel de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen antropogene emissies en lozingen van kwik en heeft betrekking op de gehele levenscyclus van kwik, van de primaire kwikmijnbouw tot de definitieve verwijdering van kwikafval. Die verordening is ontwikkeld en vastgesteld als een middel om het uiteindelijke doel van het EU-beleid inzake kwik na te streven en uit te voeren, namelijk het geleidelijk uitfaseren van het gebruik van kwik en het voorkomen dat de EU kwik aan de wereldmarkt toevoegt. Dit doel werd duidelijk omschreven in de EU-strategie voor kwik van 2005 2 , zoals herzien in 2010 3 , waarin de EU werd opgeroepen maatregelen te nemen om onder meer het gebruik van kwik te beperken door vraag en aanbod terug te dringen en oplossingen te vinden voor wat op lange termijn gebeurt met kwikoverschotten en maatschappelijke reservoirs van kwik, ook in opslag. Daarom wordt met de kwikverordening ingegaan op de noodzaak om het gebruik van kwik te verminderen en, voor zover er haalbare kwikvrije alternatieven bestaan, uit te bannen door de vraag- en aanbodzijde aan te pakken.

Wat de vraag naar kwik betreft, wordt met de kwikverordening beoogd deze te verminderen door i) de productie, invoer en uitvoer van een aanzienlijke reeks kwikhoudende producten te verbieden (artikel 5 en bijlage II), ii) productieprocessen waarbij kwik als katalysator of als elektrode wordt gebruikt te verbieden (artikel 7, leden 1 en 2, en bijlage III), iii) de ontwikkeling, het gebruik en het in de handel brengen van nieuwe kwikhoudende producten en kwikhoudende productieprocessen afhankelijk te stellen van strikte voorwaarden en voorafgaande toestemming (artikel 8), iv) het gebruik van kwik in ambachtelijke en kleinschalige goudwinning te verbieden (artikel 9) en v) het gebruik van tandheelkundig amalgaam voor kwetsbare bevolkingsgroepen geleidelijk af te schaffen (artikel 10, lid 2).

Wat het aanbod van kwik betreft, zorgt de kwikverordening ervoor dat de EU er niet toe bijdraagt dat er meer kwik aan de wereldmarkt wordt toegevoegd door de uitvoer van kwik te verbieden (artikel 3), en heeft de verordening als doel het kwikaanbod op de EU-markt te verminderen door een groot deel van het kwikafval voor definitieve verwijdering te bestemmen. In de kwikverordening is met name bepaald dat kwik uit vier grote bronnen (de chlooralkali-industrie, de reiniging van aardgas, de winning en metallurgische bereiding van non-ferrometalen en onttrekking uit cinnabererts in de Unie), in pure vorm of in mengsels, als afval wordt beschouwd dat bestemd is voor definitieve verwijdering (artikel 11). Dat kwik moet dus niet alleen als afval worden beschouwd, maar dergelijk afval moet ook zonder enige vorm van hergebruik, recycling of terugwinning worden verwijderd.

Aangezien kwik het enige zware metaal in vloeibare vorm is, bepaalt artikel 13, lid 3, van de kwikverordening dat kwikafval met het oog op de definitieve verwijdering eerst moet worden omgezet en, indien het bestemd is om in een bovengrondse inrichting te worden verwijderd, moet worden verhard.

Ten tijde van de ontwikkeling en vaststelling van de kwikverordening werd onderkend dat tussen de aanzienlijke hoeveelheid kwikafval van relevante grote bronnen die bestemd is voor definitieve verwijdering (meer dan 6 000 ton 4 ) en de beperkte beschikbare capaciteit in de Unie voor omzetting en verharding nog een verschil te overbruggen was. Daarom waren de medewetgevers het erover eens dat de tijdelijke opslag van vloeibaar kwikafval op stortplaatsen in afwachting van deze behandeling, moet worden toegestaan. Aangezien artikel 5, lid 3, punt a), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (“de stortplaatsrichtlijn”) 5 het storten van vloeibare afvalstoffen verbiedt, is bij artikel 13, lid 1, van de kwikverordening bepaald dat een dergelijke afwijking voor deze tijdelijke opslag slechts tot en met 31 december 2022 is toegestaan. Bovendien moet een dergelijke tijdelijke opslag plaatsvinden in speciaal daarvoor bestemde en uitgeruste bovengrondse inrichtingen en alleen als is voldaan aan de relevante milieubeschermingseisen van de bijlagen bij deze richtlijn. Gezien de uitdaging voor de betrokken exploitanten en de lidstaten om ervoor te zorgen dat al het betrokken kwikafval tegen eind 2022 wordt omgezet en verhard, zijn de medewetgevers ook overeengekomen de Commissie te machtigen gedelegeerde handelingen vast te stellen om de toegestane periode voor de tijdelijke opslag van dergelijk afval te verlengen, mocht dat nodig zijn. Dienovereenkomstig bepaalt artikel 13, lid 2, van de kwikverordening dat de Commissie dergelijke handelingen kan vaststellen om deze termijn met maximaal drie jaar te verlengen.

In het licht hiervan en op basis van door de lidstaten verstrekte informatie over de hoeveelheid kwikafval in tijdelijke opslag in afwachting van omzetting en/of verharding vóór definitieve verwijdering, wordt met deze gedelegeerde handeling beoogd de toegestane periode voor de tijdelijke opslag van kwikafval in vloeibare vorm op stortplaatsen te verlengen tot en met 31 december 2025. Een dergelijke handeling zou ervoor blijven zorgen dat dergelijk afval tijdelijk wordt opgeslagen onder milieuveilige stortplaatsomstandigheden en op basis van een solide rechtsgrondslag.

2.RAADPLEGING VOORAFGAAND AAN DE AANNEMING VAN DE HANDELING

Om te bepalen of het nodig was om toestemming te verlenen voor de tijdelijke opslag, na 31 december 2022, van vloeibaar kwikafval op stortplaatsen in afwachting van verdere behandeling met het oog op definitieve verwijdering, heeft de Commissie de lidstaten bij brief van 12 april 2022 geraadpleegd 6 . Daarbij werd de lidstaten gevraagd of zij nog voorraden relevant kwikafval in tijdelijke opslag hadden en, zo ja, hoeveel, en om aan te geven wanneer dat afval omgezet en verhard zal zijn.

Uit deze raadpleging is gebleken dat meer dan 2 300 ton kwikafval in vloeibare vorm nog steeds tijdelijk op stortplaatsen in de EU is opgeslagen, dat niet al dit afval op 31 december 2022 zal zijn omgezet en verhard en dat de afwijking derhalve met drie jaar moet worden verlengd.

Ook de deskundigengroep inzake kwik, die als informele deskundigengroep van de Commissie is opgericht om onder meer te helpen bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, is geraadpleegd. Deskundigen van verscheidene lidstaten (ES, HU, SI, CZ, NL) antwoordden en steunden het voorstel van de Commissie. Voorts is een openbare raadpleging gestart op de portaalsite “Geef uw mening” van de Commissie, die niet tot relevante feedback heeft geleid.

3.JURIDISCHE ELEMENTEN VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

De gedelegeerde handeling heeft tot doel de periode te verlengen waarin de tijdelijke opslag van kwikafval in vloeibare vorm op stortplaatsen is toegestaan in afwijking van artikel 5, lid 3, punt a), van de stortplaatsrichtlijn. Hoewel artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de kwikverordening een dergelijke opslag tot en met 31 december 2022 toestaat, staat de gedelegeerde handeling toe dat deze opslag plaatsvindt tot en met 31 december 2025, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de kwikverordening.

Dienovereenkomstig voorziet artikel 1 van deze gedelegeerde handeling in de schrapping van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de kwikverordening en in de vervanging daarvan door de volgende nieuwe tweede alinea:

“De in de eerste alinea bedoelde afwijking is niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2026.”.

 

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE

van 23.9.2022

tot wijziging van Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de tijdelijke opslag van kwikafval in vloeibare vorm

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 7 , en met name artikel 13, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)In artikel 11 van Verordening (EU) 2017/852 is bepaald dat kwik en kwikverbindingen, in pure vorm of in mengsels en afkomstig uit vier grote bronnen die in dat artikel worden genoemd, moeten worden beschouwd als voor definitieve verwijdering bestemd afval in de zin van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad 8 .

(2)In artikel 13, lid 3, van Verordening (EU) 2017/852 is bepaald dat kwikafval, met inbegrip van door de vier betrokken grote bronnen geproduceerd afval, vóór de definitieve verwijdering bepaalde behandelingen moet ondergaan, namelijk omzetting of, indien bedoeld om te worden verwijderd in bovengrondse inrichtingen, omzetting en verharding.

(3)Artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/852 staat, in afwijking van artikel 5, lid 3, punt a), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad 9 , toe dat kwikafval in vloeibare vorm in afwachting van omzetting en verharding tijdelijk wordt opgeslagen op daartoe bestemde en uitgeruste stortplaatsen tot en met 31 december 2022, overeenkomstig de voorschriften inzake de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid van Richtlijn 1999/31/EG.

(4)Uit de informatie die de lidstaten in mei 2022 hebben verstrekt, blijkt dat meer dan 2 000 ton vloeibaar kwikafval nog tijdelijk in de Unie is opgeslagen en dat de omzetting en verharding van dat afval meer tijd vergen. De verlenging van de termijn voor een dergelijke opslag tot en met 31 december 2025 wordt noodzakelijk geacht om ervoor te zorgen dat de tijdelijke opslag op stortplaatsen blijft plaatsvinden overeenkomstig de toepasselijke voorschriften van Richtlijn 1999/31/EG.

(5)Verordening (EU) 2017/852 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) 2017/852 wordt de tweede alinea vervangen door:

“De in de eerste alinea bedoelde afwijking is niet langer van toepassing met ingang van 1 januari 2026.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23.9.2022

   De voorzitter
   Ursula VON DER LEYEN

   Voor de Commissie

   De voorzitter
   Ursula VON DER LEYEN

(1)    PB L 137 van 24.5.2017, blz. 1.
(2)

   Mededeling van de Commissie — Strategie van de Gemeenschap voor kwik, COM (2005) 20 definitief, 28.1.2005.

(3)    Mededeling van de Commissie betreffende de herziening van de strategie van de Gemeenschap voor kwik, COM (2010) 723 definitief, 7.12.2010.
(4)    Een groot deel van dit kwikafval was het gevolg van de verplichte ontmanteling van chlooralkali-installaties overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2013/732/EU van de Commissie van 9 december 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van chlooralkali (PB L 332 van 11.12.2013, blz. 34).
(5)    PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.
(6)    ARES (2022) 2979416.    
(7)    PB L 137 van 24.5.2017, blz. 1.
(8)    Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
(9)    Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).