TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING
Verordening (EU) 2017/1131 inzake geldmarktfondsen (money market funds, MMF's) of de MMF-verordening is op 14 juni 2017 bekendgemaakt. Zij heeft ten doel de integriteit en stabiliteit van de interne markt te bewaren. Met de verordening wordt beoogd de veerkracht van MMF's te vergroten en de eventuele besmetting van andere financiële instellingen te beperken. In heel de EU zijn eenvormige regels en toezichtpraktijken noodzakelijk om ervoor te zorgen dat MMF's aan terugbetalingsverzoeken van beleggers kunnen voldoen, alsmede om de financiële stabiliteit te bevorderen.
De MMF-verordening bevat drie bevoegdheidsoverdrachten op grond waarvan de Commissie sommige bepalingen van die verordening nader kan preciseren en kan wijzigen. Al deze bevoegdheidsoverdrachten hebben hetzelfde doel: ervoor zorgen dat MMF's in passende in aanmerking komende activa beleggen. Deze verordening heeft bijgevolg betrekking op de MMF-beleggingsvereisten en garandeert de samenhang tussen deze vereisten door degenen die eraan onderworpen zijn, een overzicht ervan te geven en één enkel toegangspunt ertoe te bieden.
Bij artikel 11, lid 4, van de MMF-verordening wordt aan de Commissie de bevoegdheid overgedragen een kruisverwijzing op te nemen naar de criteria om te bepalen wat eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (simple, transparent and standardised, STS) securitisaties en door activa gedekt commercial paper (asset-backed commercial papers, ABCP's) zijn in de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402 (Verordening STS-securitisatie). Toen de MMF-verordening werd vastgesteld, was de Verordening STS-securitisatie immers nog niet in definitieve vorm gegoten. Aan de Commissie werd bijgevolg de bevoegdheid overgedragen in de MMF-verordening een kruisverwijzing naar de vastgestelde en bekendgemaakte tekst van de Verordening STS-securitisatie op te nemen.
Overeenkomstig artikel 15, lid 7, van de MMF-verordening wordt aan de Commissie de bevoegdheid overgedragen de kwantitatieve en kwalitatieve liquiditeitsvereisten te omschrijven die van toepassing zijn op in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten verkregen zekerheden.
Bij artikel 22 van de MMF-verordening wordt aan de Commissie de bevoegdheid overgedragen een nadere omschrijving te geven van de kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode die wordt gehanteerd voor de activa waarin de betrokken MMF-beheerder voornemens is te beleggen.
2.RAADPLEGINGEN VOORAFGAAND AAN DE VASTSTELLING VAN DE HANDELING
Op 20 januari 2017 hebben de diensten van de Commissie de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, ESMA) formeel verzocht om een technisch advies uit te brengen over mogelijke gedelegeerde en uitvoeringshandelingen met betrekking tot de MMF-verordening. Op 24 mei 2017 heeft de ESMA een aanvang gemaakt met een openbare raadpleging over haar ontwerp van technisch advies uit hoofde van de MMF-verordening. Deze raadpleging liep tot 7 augustus 2017. Zij heeft 18 reacties ontvangen van vermogensbeheerders (en verenigingen daarvan), vertegenwoordigers van beleggers, een overheidsinstantie en een vereniging van professionele beleggers. Deze gedelegeerde verordening is gebaseerd op het technisch advies van de ESMA. De diensten van de Commissie hebben talrijke bijeenkomsten met diverse belanghebbenden georganiseerd om dit advies te bespreken. De belanghebbenden hebben geen specifieke opmerkingen meer gemaakt en de Commissie heeft geen significante wijzigingen meer aangebracht, waardoor verder overleg overbodig werd geacht.
3.JURIDISCHE ELEMENTEN VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING
Het recht om een gedelegeerde verordening vast te stellen is neergelegd in artikel 11, lid 4, artikel 15, lid 7, en artikel 22 van de MMF-verordening. Dit initiatief heeft betrekking op de werking van de interne markt.
De grensoverschrijdende effecten van het eventueel in gebreke blijven van één of meerdere MMF's zouden zich in alle EU-lidstaten en landen buiten de EU doen gevoelen. Het is daarom van vitaal belang dat een dergelijk type beleggingsfonds in activa van hoge kwaliteit belegt. In MMF's wordt veelal belegd door grote zakelijke en institutionele beleggers die hun overschot aan kasmiddelen tijdelijk in dergelijke instrumenten beleggen. Liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen van MMF's zouden snel overslaan op andere marktdeelnemers en de reële economie. Het is derhalve van cruciaal belang voor de stabiliteit van de financiële markten en voor de bescherming van de beleggers dat basisvereisten voor de solvabiliteit van de uitgevende instantie van financiële instrumenten en voor de kwaliteit van de instrumenten worden vastgesteld.
Een individueel optredende lidstaat is niet in staat om de convergentie bij de vaststelling van kwaliteitsnormen te verzekeren. Dit vereist daarentegen een gezamenlijke en geharmoniseerde EU-aanpak. Dat geldt bijzonderlijk voor problemen die uit gebrekkige regelgeving voortvloeien. Met dit initiatief wordt beoogd een reeks minimumregels op EU-niveau vast te stellen. Teneinde een evenwichtige en evenredige aanpak te waarborgen, zal MMF-beheerders evenwel voldoende vrijheid worden gelaten om de kwaliteit van de activa waarin zal worden belegd, naar behoren te controleren. Daar de doelstellingen van de MMF-verordening, namelijk garanderen dat eenvormige prudentiële, governance- en transparantievoorschriften van toepassing zijn op alle MMF's overal in de EU, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de EU kunnen worden verwezenlijkt, kan de EU overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen.
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE
van 10.4.2018
tot wijziging en aanvulling van Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (STS) securitisaties en door activa gedekt commercial paper (ABCP's), vereisten voor in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten verkregen activa en kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2017/1131 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake geldmarktfondsen, en met name artikel 11, lid 4, artikel 15, lid 7, en artikel 22,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Krachtens artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1131 mogen geldmarktfondsen (money market funds, MMF's) in securitisaties en door activa gedekt commercial paper (asset-backed commercial papers, ABCP's) beleggen. Er is voorzien in een specifieke stimuleringsmaatregel om in eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (simple, transparent and standardised, STS) securitisaties of ABCP's te beleggen. Aangezien Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad reeds vereisten voor STS-securitisaties en -ABCP's bevat, moet Verordening (EU) 2017/1131 worden gewijzigd om daarin een kruisverwijzing op te nemen naar de bepalingen van Verordening (EU) 2017/2402 die deze vereisten bevatten.
(2)Omgekeerde retrocessieovereenkomsten stellen MMF's in staat conform het bepaalde in Verordening (EU) 2017/1131 uitvoering te geven aan hun beleggingsstrategie en doelstellingen. Genoemde verordening schrijft voor dat de tegenpartij bij een omgekeerde retrocessieovereenkomst kredietwaardig moet zijn en dat de als zekerheid verkregen activa liquide genoeg en van voldoende kwaliteit moeten zijn opdat MMF's hun doelstellingen kunnen verwezenlijken en hun verplichtingen kunnen nakomen indien deze activa moeten worden geliquideerd. De voor omgekeerde retrocessieovereenkomsten gehanteerde standaardovereenkomsten kunnen het tegenpartijrisico helpen beheren. Bepaalde clausules kunnen er echter toe leiden dat de onderliggende activa van omgekeerde retrocessieovereenkomsten onbeschikbaar zijn voor MMF-beheerders en bijgevolg illiquide zijn. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat MMF-beheerders over de activa kunnen beschikken in geval van wanbetaling of voortijdige beëindiging van omgekeerde retrocessieovereenkomsten, en dat de tegenpartij geen beperkingen aan de verkoop van de activa stelt door te eisen dat hij vooraf daarvan in kennis moet worden gesteld of daarvoor zijn toestemming moet geven.
(3)MMF-beheerders mogen er niet toe worden verplicht een specifieke aanpassing op de waarde van een activum (een reductiefactor of haircut) toe te passen als de tegenpartij bij een omgekeerde retrocessieovereenkomst aan prudentiële regels uit hoofde van het Unierecht onderworpen is. Om te garanderen dat de in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten verstrekte zekerheden van hoge kwaliteit zijn, moeten MMF-beheerders additionele vereisten toepassen wanneer de tegenpartij bij een overeenkomst niet door het Unierecht wordt gereglementeerd of als gelijkwaardig wordt erkend. Teneinde de consistentie van het Unierecht als geheel te waarborgen, moeten de minimumvereisten voor haircuts identiek zijn aan de overeenkomstige vereisten die in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad zijn vastgelegd.
(4)Indien de marktomstandigheden zulks vereisen, moeten MMF-beheerders een grotere haircut kunnen toepassen dan de minimumhaircut van Verordening (EU) nr. 575/2013 ingeval zij zulks noodzakelijk achten om ervoor te zorgen dat de in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten verkregen zekerheden voldoende liquide zijn. Zij dienen ook de omvang van de verlangde haircut te monitoren en te herzien om een passend liquiditeitsniveau te waarborgen, met name wanneer de in artikel 224, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde omvang van de haircut wordt herzien of wanneer er zich een verandering heeft voorgedaan in de resterende looptijd van de activa of in andere met de levensvatbaarheid van de tegenpartij verband houdende factoren.
(5)De in artikel 19, lid 3, bedoelde kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden moeten prudent genoeg zijn om te waarborgen dat alle aan kredietkwaliteitsbeoordelingen ten grondslag liggende kwalitatieve en kwantitatieve criteria betrouwbaar en afdoende zijn om de kredietkwaliteit van voor belegging in aanmerking komende instrumenten naar behoren te kunnen beoordelen. Daarnaast moet erop worden toegezien dat de macro-economische en micro-economische factoren die MMF-beheerders bij een kredietkwaliteitsbeoordeling in aanmerking nemen, dienstig zijn voor het bepalen van de kredietkwaliteit van een uitgevende instantie of van een voor belegging in aanmerking komend instrument.
(6)Teneinde te garanderen dat de instrumenten waarin MMF-beheerders voornemens zijn te beleggen van voldoende kwaliteit zijn, moeten de MMF-beheerders een kredietkwaliteitsbeoordeling uitvoeren telkens als zij voornemens zijn een belegging te verrichten. Om omzeiling te vermijden van het vereiste van Verordening (EU) 2017/1131 dat MMF-beheerders enkel mogen beleggen in instrumenten die een gunstige kredietkwaliteitsbeoordeling hebben gekregen, moeten MMF-beheerders, alvorens de eigenlijke kredietkwaliteitsbeoordeling uit te voeren, in het kader van hun kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode duidelijk aangeven welke criteria moeten zijn vervuld voor een gunstige beoordeling van voor belegging door een MMF in aanmerking komende instrumenten.
(7)De voor kredietkwaliteitsbeoordelingen gehanteerde methode en criteria moeten consistent zijn, behalve indien er een objectieve reden bestaat om van de methode of de criteria af te wijken. De criteria en de methode moeten worden ontwikkeld voor herhaald gebruik en niet uitsluitend voor een bepaald geval op een specifiek tijdstip. Een consistent gebruik van de criteria en de methode zou het gemakkelijker maken de kredietkwaliteitsbeoordeling te monitoren.
(8)Teneinde zoals voorgeschreven bij artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1131 de correcte kwantificatie van het kredietrisico van de uitgevende instantie en het relatieve insolventierisico van de uitgevende instantie en van het instrument te verzekeren, moeten MMF-beheerders gebruikmaken van de desbetreffende kwantitatieve criteria die op de markt beschikbaar zijn. Het mag hun echter niet worden belet van additionele factoren gebruik te maken indien zulks dienstig is.
(9)De kredietkwaliteitsbeoordeling van de uitgevende instantie is één van de belangrijkste beoordelingen die moet worden verricht, omdat een dergelijke beoordeling een eerste garantie van de kwaliteit van de activa verschaft. Voor zover mogelijk moeten MMF-beheerders derhalve rekening houden met alle factoren die relevant zijn voor de beoordeling van de kwalitatieve en kwantitatieve kredietrisicocriteria voor een uitgevende instantie van een instrument.
(10)In uitzonderlijke omstandigheden, en met name in gespannen marktomstandigheden, moeten MMF-beheerders beleggingsbeslissingen kunnen nemen waarbij de uitkomst van een kredietkwaliteitsbeoordeling wordt genegeerd indien deze beleggingsbeslissingen in het belang zijn van beleggers, op voorwaarde dat deze beslissingen gerechtvaardigd zijn en naar behoren zijn gedocumenteerd.
(11)Daar de kwaliteit van instrumenten kan variëren in de tijd, mag een kredietkwaliteitsbeoordeling geen eenmalige beoordeling zijn, maar moet zij daarentegen continu worden uitgevoerd. Voorts moet zij worden herzien, met name wanneer er zich een materiële verandering in de zin van artikel 19, lid 4, onder d), van Verordening (EU) 2017/1131 in de macro-economische of micro-economische omgeving heeft voorgedaan die gevolgen kan hebben voor de bestaande kredietkwaliteitsbeoordeling van het instrument.
(12)MMF-beheerders mogen niet werktuiglijk en overmatig op externe kredietratings vertrouwen. De verlaging door een ratingbureau van de rating of ratingoutlook die voor een uitgevende instelling of een instrument is afgegeven, mag bijgevolg enkel als een materiële verandering worden aangemerkt als deze verlaging is beoordeeld en met andere criteria is meegewogen. Om die reden moeten beheerders nog altijd verplicht zijn hun eigen beoordeling te verrichten, ook al heeft er een dergelijke verlaging plaatsgevonden.
(13)De in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten verstrekte zekerheden moeten van hoge kwaliteit zijn en mogen geen hoge correlatie met de prestatie van de tegenpartij vertonen. De kredietkwaliteitsbeoordeling ervan moet bijgevolg gunstig zijn. Daar er geen reden is om een onderscheid te maken tussen de beoordelingen die MMF-beheerders uitvoeren wanneer zij rechtstreeks in in aanmerking komende activa beleggen en de beoordelingen die zij uitvoeren wanneer zij een activum als zekerheid verkrijgen, moet de kredietkwaliteitsbeoordeling in beide gevallen op dezelfde criteria zijn gebaseerd.
(14)Verordening (EU) 2017/1131 bevat drie bevoegdheidsoverdrachten op grond waarvan de Commissie sommige bepalingen van die verordening nader kan preciseren en kan wijzigen. Deze bevoegdheidsoverdrachten hebben als gemeenschappelijk doel ervoor te zorgen dat MMF's in passende in aanmerking komende activa beleggen. Teneinde de samenhang en de consistentie van deze vereisten te garanderen en degenen die eraan onderworpen zijn, een overzicht ervan te geven en één enkel toegangspunt ertoe te bieden, moeten deze vereisten in één enkele verordening worden samengebracht.
(15)De toepassingsdatum van deze gedelegeerde verordening moet worden afgestemd op de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2017/1131 om ervoor te zorgen dat alle voorschriften en vereisten vanaf dezelfde datum op MMF's van toepassing zijn. De toepassingsdatum van de wijzigingsbepaling waarbij een kruisverwijzing naar de criteria voor STS-securitisaties en -ABCP's wordt opgenomen, moet samenvallen met de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2017/2402,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Hoofdstuk 1
Criteria voor het bepalen van eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (STS) securitisaties of door activa gedekt commercial paper (ABCP's)
(Artikel 15, lid 7, van Verordening (EU) 2017/1131)
Artikel 1
Wijziging van Verordening (EU) 2017/1131
In artikel 11, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1131 wordt punt c) vervangen door:
"c)
een eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde (simple, transparent and standardised, STS) securitisatie, zoals bepaald overeenkomstig de criteria en voorwaarden van de artikelen 20, 21 en 22 van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad*, of een STS-ABCP, zoals bepaald overeenkomstig de criteria en voorwaarden van de artikelen 24, 25 en 26 van genoemde verordening.
__________________________________________________________________
*
Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35)."
Hoofdstuk 2
Kwantitatieve en kwalitatieve kredietkwaliteitsvereisten voor in het kader van omgekeerde retrocessieovereenkomsten verkregen activa
(Artikel 15, lid 7, van Verordening (EU) 2017/1131)
Artikel 2
Kwantitatieve en kwalitatieve liquiditeitsvereisten voor de in artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde activa
1.Omgekeerde retrocessieovereenkomsten als bedoeld in artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1131 voldoen aan gevestigde marktnormen en de voorwaarden ervan stellen MMF-beheerders in staat hun rechten volledig te doen gelden in geval van wanbetaling van de tegenpartij bij dergelijke overeenkomsten of de voortijdige beëindiging ervan, en zij verlenen MMF-beheerders tevens het onbeperkte recht om alle als zekerheid verkregen activa te verkopen.
2.Op de in artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde activa wordt een reductiefactor of haircut toegepast die gelijk is aan de in de tabellen 1 en 2 van artikel 224, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde volatiliteitsaanpassingen voor een gegeven resterende looptijd met betrekking tot een liquidatieperiode van vijf dagen en de hoogste beoordeling wat de kredietkwaliteitscategorie betreft.
3.Indien nodig passen MMF-beheerders bovenop de in lid 2 bedoelde haircut een additionele haircut toe. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is een dergelijke additionele haircut toe te passen, houden zij rekening met alle volgende factoren:
(a)de kredietkwaliteitsbeoordeling van de tegenpartij bij de omgekeerde retrocessieovereenkomst;
(b)de margerisicoperiode (margin period of risk) als omschreven in artikel 272, punt 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
(c)de kredietkwaliteitsbeoordeling van de uitgevende instantie of van het activum dat als zekerheid wordt gebruikt;
(d)de resterende looptijd van de activa die als zekerheid worden gebruikt;
(e)de volatiliteit van de prijs van de activa die als zekerheid worden gebruikt.
4.Voor de toepassing van lid 3 voorzien MMF-beheerders in een duidelijk haircutbeleid dat is toegesneden op elk in artikel 15, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoeld activum dat als zekerheid is verkregen. Dat beleid wordt gedocumenteerd en ligt ten grondslag aan elke beslissing om een specifieke haircut op de waarde van een activum toe te passen.
5.MMF-beheerders herzien op gezette tijden de in lid 2 bedoelde haircut, rekening houdend met veranderingen in de resterende looptijd van de activa die als zekerheid zijn gebruikt. Zij herzien tevens de in lid 3 bedoelde additionele haircut telkens als de in dat lid genoemde factoren een verandering ondergaan.
6.De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing als de tegenpartij bij de omgekeerde retrocessieovereenkomst:
(a)een kredietinstelling is waarop overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad toezicht wordt uitgeoefend, dan wel een kredietinstelling waaraan in een derde land vergunning is verleend, mits het prudentiële toezicht- en regelgevingsstelsel daarvan gelijkwaardig is aan dat van de Unie;
(b)een beleggingsonderneming is waarop overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad toezicht wordt uitgeoefend, dan wel een beleggingsonderneming van een derde land, mits het prudentiële toezicht- en regelgevingsstelsel daarvan gelijkwaardig is aan dat van de Unie;
(c)een verzekeringsonderneming is waarop overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad toezicht wordt uitgeoefend, dan wel een verzekeringsonderneming van een derde land, mits het prudentiële toezicht- en regelgevingsstelsel daarvan gelijkwaardig is aan dat van de Unie;
(d)een centrale tegenpartij is waaraan overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad vergunning is verleend;
(e)de Europese Centrale Bank is;
(f)een nationale centrale bank is;
(g)een centrale bank van een derde land is, mits het prudentiële toezicht- en regelgevingsstelsel van dat land overeenkomstig artikel 114, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als gelijkwaardig aan dat van de Unie is aangemerkt.
Hoofdstuk 3
Criteria voor kredietkwaliteitsbeoordelingen
(Artikel 22 van Verordening (EU) 2017/1131)
Artikel 3
Criteria voor de validatie van de in artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden
1.MMF-beheerders valideren de in artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden op voorwaarde dat deze aan alle volgende criteria voldoen:
(a)de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden worden op systematische wijze toegepast ten aanzien van verschillende uitgevende instanties en instrumenten;
(b)de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden worden door een voldoende aantal relevante kwalitatieve en kwantitatieve criteria onderbouwd;
(c)de kwalitatieve en kwantitatieve inputs van de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden zijn betrouwbaar en er wordt van gegevensreeksen van passende omvang gebruikgemaakt;
(d)de interne kredietkwaliteitsbeoordelingen die de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden in het verleden hebben opgeleverd, zijn naar behoren door de MMF-beheerders in kwestie getoetst om uit te maken of de kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden een geschikte indicator van de kredietkwaliteit vormen;
(e)de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden omvatten controles en procedures voor de ontwikkeling en goedkeuring ervan, die passend bezwaar mogelijk maken;
(f)de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden bevatten factoren die MMF-beheerders relevant achten voor de bepaling van de kredietkwaliteit van een uitgevende instantie of een instrument;
(g)voor de opstelling van alle kredietkwaliteitsbeoordelingen wordt in het kader van de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden systematisch van essentiële kredietkwaliteitsaannamen en onderbouwende criteria gebruikgemaakt, tenzij er een objectieve reden bestaat om van dit vereiste af te wijken;
(h)de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden omvatten procedures om ervoor te zorgen dat de onder b), c) en g) bedoelde criteria ter onderbouwing van de relevante factoren van de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden van betrouwbare kwaliteit zijn en relevant zijn voor de beoordeelde uitgevende instantie of het beoordeelde instrument.
2.In het kader van het validatieproces van de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden toetsen MMF-beheerders de gevoeligheid van de methoden voor veranderingen in hun onderliggende kredietkwaliteitsaannamen en -criteria.
3.MMF-beheerders beschikken over procedures die garanderen dat alle anomalieën of tekortkomingen die in het kader van de in artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde backtests aan het licht komen, worden benoemd en afdoende worden verholpen.
4.De in artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden:
(a)worden gebruikt zolang er geen objectieve redenen zijn om te concluderen dat de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden moeten worden gewijzigd of niet meer mogen worden toegepast;
(b)bieden de mogelijkheid om bevindingen van lopende monitoring of toetsing onmiddellijk daarin te integreren, met name wanneer veranderingen in structurele macro-economische of financiële marktomstandigheden van invloed zouden kunnen zijn op een kredietkwaliteitsbeoordeling die met behulp van deze interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethoden is opgesteld;
(c)maken een vergelijking van interne kredietkwaliteitsbeoordelingen uit het verleden mogelijk.
5.De in artikel 19, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode wordt onmiddellijk verbeterd indien een toetsing, met inbegrip van een validatie, uitwijst dat de methode in kwestie niet geschikt is om een systematische kredietkwaliteitsbeoordeling te verzekeren.
6.In het kader van de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsprocedure wordt van tevoren gespecificeerd in welke situaties de interne kredietkwaliteitsbeoordeling geacht wordt gunstig te zijn.
Artikel 4
Criteria voor de kwantificatie van het kredietrisico en het relatieve insolventierisico van de uitgevende instantie en van het instrument, als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1131
1.De criteria voor de kwantificatie van het kredietrisico van een uitgevende instantie en het relatieve insolventierisico van de uitgevende instantie en van het instrument, als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1131, luiden als volgt:
(a)informatie over obligatiekoersen, met inbegrip van creditspreads en de koersen van vergelijkbare vastrentende instrumenten en aanverwante effecten;
(b)koersen van geldmarktinstrumenten die gerelateerd zijn aan de uitgevende instantie, het instrument of de bedrijfstak;
(c)informatie over koersen van kredietverzuimswaps, met inbegrip van spreads van kredietverzuimswaps voor vergelijkbare instrumenten;
(d)wanbetalingsstatistieken met betrekking tot de uitgevende instantie, het instrument of de bedrijfstak;
(e)financiële indices die betrekking hebben op de geografische locatie, de bedrijfstak of de activaklasse van de uitgevende instantie of het instrument;
(f)financiële informatie in verband met de uitgevende instantie, met inbegrip van rentabiliteitsratio's, de rentedekkingsratio, hefboommaatstaven en de prijszetting van nieuwe emissies, met vermelding van het bestaan van effecten van een lagere rangorde.
2.Indien zulks nodig en dienstig is, passen MMF-beheerders bovenop de in lid 1 bedoelde criteria additionele criteria toe.
Artikel 5
Criteria voor de vaststelling van kwalitatieve indicatoren voor de uitgevende instantie van het instrument, als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2017/1131
1.De criteria voor de vaststelling van kwalitatieve indicatoren voor de uitgevende instantie van het instrument, als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2017/1131, luiden als volgt:
(a)een analyse van alle onderliggende activa, die voor securitisatieblootstellingen onder meer ook betrekking heeft op het kredietrisico van de uitgevende instantie en het kredietrisico van de onderliggende activa;
(b)een analyse van alle structurele aspecten van de relevante instrumenten van een uitgevende instantie, die voor gestructureerde financieringsinstrumenten onder meer ook een analyse van het inherente operationele en tegenpartijrisico van het gestructureerde financieringsinstrument omvat;
(c)een analyse van de relevante markt(en), die onder meer betrekking heeft op de omzet op en de liquiditeit van deze markt(en);
(d)een landenanalyse, die onder meer betrekking heeft op de omvang van expliciete en voorwaardelijke verplichtingen en de omvang van de deviezenreserves in vergelijking met de verplichtingen in vreemde valuta's;
(e)een analyse van het aan de uitgevende instantie verbonden governancerisico, die onder meer betrekking heeft op fraudegevallen, geldboeten wegens wangedrag, geschillen, herziene financiële overzichten, buitengewone posten, personeelsverloop bij managers, debiteurenconcentratie en kwaliteit van de controle;
(f)effectengerelateerd onderzoek met betrekking tot de uitgevende instantie of de marktsector;
(g)in voorkomend geval, een analyse van de kredietratings of ratingoutlook die voor de uitgevende instantie van een instrument zijn afgegeven door een ratingbureau dat bij de ESMA is geregistreerd en door de MFF-beheerder is geselecteerd indien dit aansluit bij de specifieke beleggingsportefeuille van het MMF.
2.Indien zulks nodig en dienstig is, passen MMF-beheerders bovenop de in lid 1 bedoelde criteria additionele criteria toe.
Artikel 6
Criteria voor de vaststelling van kwalitatieve kredietrisico-indicatoren voor de uitgevende instantie van het instrument, als bedoeld in artikel 20, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2017/1131
Voor zover zulks mogelijk is, beoordelen MFF-beheerders de volgende kwalitatieve kredietrisicocriteria voor een uitgevende instantie van een instrument:
(a)de financiële situatie van de uitgevende instantie of, in voorkomend geval, van de garantiegever;
(b)de liquiditeitsbronnen van de uitgevende instantie of, in voorkomend geval, van de garantiegever;
(c)het vermogen van de uitgevende instantie om op toekomstige marktbrede of specifiek op de uitgevende instantie betrekking hebbende gebeurtenissen te reageren, met inbegrip van het vermogen om in een zeer ongunstige situatie schulden terug te betalen;
(d)de veerkracht van de bedrijfstak van de uitgevende instantie binnen de economie ten aanzien van economische trends en de concurrentiepositie van de uitgevende instantie binnen haar bedrijfstak.
Artikel 7
Negeren van uitkomsten van kredietkwaliteitsbeoordelingen
1.MMF-beheerders mogen de uitkomst van een interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode slechts in uitzonderlijke omstandigheden (zoals onder meer in gespannen marktomstandigheden) negeren en ingeval daar een objectieve reden toe is. MMF-beheerders die de uitkomst van een interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode negeren, documenteren deze beslissing.
2.In het kader van het in lid 1 bedoelde documentatieproces identificeren MMF-beheerders de persoon die voor de beslissing verantwoordelijk is en specificeren zij de objectieve reden waarom die beslissing is genomen.
Artikel 8
Materiële verandering in de zin van artikel 19, lid 4, onder d), van Verordening (EU) 2017/1131
1.Er is sprake van een materiële verandering in de zin van artikel 19, lid 4, onder d), van Verordening (EU) 2017/1131 telkens als:
(a)er zich een materiële verandering voordoet in het volgende:
i)
informatie over obligatiekoersen, met inbegrip van creditspreads en de koersen van vergelijkbare vastrentende instrumenten en aanverwante effecten;
ii)
informatie over koersen van kredietverzuimswaps, met inbegrip van spreads van kredietverzuimswaps voor vergelijkbare instrumenten;
iii)
wanbetalingsstatistieken met betrekking tot de uitgevende instantie of het instrument;
iv)
financiële indices die betrekking hebben op de geografische locatie, de bedrijfstak of de activaklasse van de uitgevende instantie of het instrument;
v)
de analyse van de onderliggende activa, met name voor gestructureerde instrumenten;
vi)
de analyse van de relevante markt(en), met inbegrip van de omzet en liquiditeit ervan;
vii)
de analyse van de structurele aspecten van de relevante instrumenten;
viii)
effectengerelateerd onderzoek;
ix)
de financiële situatie van de uitgevende instantie;
x)
de liquiditeitsbronnen van de uitgevende instantie;
xi)
het vermogen van de uitgevende instantie om op toekomstige marktbrede of specifiek op de uitgevende instantie betrekking hebbende gebeurtenissen te reageren, met inbegrip van het vermogen om in een zeer ongunstige situatie schulden terug te betalen;
xii)
de veerkracht van de bedrijfstak van de uitgevende instantie binnen de economie ten aanzien van economische trends en de concurrentiepositie van de uitgevende instantie binnen haar bedrijfstak;
xiii)
de analyse van de kredietratings of ratingoutlook die voor de uitgevende instantie of een instrument ervan zijn afgegeven door een ratingbureau dat door de MFF-beheerder is geselecteerd omdat dit aansluit bij de specifieke beleggingsportefeuille van het MMF;
(b)de kredietrating van een geldmarktinstrument, securitisatie of ABCP wordt verlaagd tot onder de twee hoogste kortetermijnratings van enig ratingbureau waarop Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van toepassing is en dat overeenkomstig genoemde verordening is gecertificeerd.
2.MMF-beheerders beoordelen de materiële verandering in de in lid 1, onder a), genoemde criteria door risicofactoren en de resultaten van de in artikel 28 van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde stresstestscenario's te onderzoeken.
3.Voor de toepassing van lid 1, onder b), stellen MMF-beheerders een interne procedure vast voor het selecteren van de ratingbureaus die aansluiten bij de specifieke beleggingsportefeuille van het betrokken MMF en voor het bepalen van de frequentie waarmee het MMF de ratings van die bureaus controleert.
4.MMF-beheerders houden rekening met een in lid 1, onder b), bedoelde ratingverlaging en verrichten daarop hun eigen beoordeling volgens hun interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode.
5.De herziening van de interne kredietkwaliteitsbeoordelingsmethode is een materiële verandering in de zin van artikel 19, lid 4, onder d), van Verordening (EU) 2017/1131, behalve indien MMF-beheerders kunnen aantonen dat de verandering niet van materiële aard is.
Artikel 9
Kwantitatieve en kwalitatieve kredietkwaliteitsvereisten voor in artikel 15, lid 6, onder a), van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde activa
MMF-beheerders passen de artikelen 3 tot en met 8 van deze verordening toe bij de beoordeling van de kredietkwaliteit van de in artikel 15, lid 6, onder a), van Verordening (EU) 2017/1131 bedoelde liquide overdraagbare effecten of geldmarktinstrumenten.
Artikel 10
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 21 juli 2018, met uitzondering van artikel 1 dat met ingang van 1 januari 2019 van toepassing is.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10.4.2018
Voor de Commissie
De Voorzitter
Jean-Claude JUNCKER