European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

Serie L


2024/385

19.1.2024

BESLUIT (GBVB) 2024/385 VAN DE RAAD

van 19 januari 2024

tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad steunen, faciliteren of mogelijk maken

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 21 september 2001 heeft de Europese Raad verklaard dat terrorisme een werkelijke uitdaging is voor de wereld en voor Europa en heeft hij besloten dat de strijd tegen het terrorisme een prioritaire doelstelling van de Europese Unie zal zijn. De Europese Raad heeft op 19 oktober 2001 verklaard vastbesloten te zijn het terrorisme in al zijn verschijningsvormen wereldwijd te bestrijden en zich te blijven inzetten om de coalitie van de internationale gemeenschap ter bestrijding van het terrorisme in al zijn vormen te versterken.

(2)

Op 27 december 2001 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB (1) vastgesteld, waarmee uitvoering wordt gegeven aan Resolutie 1373(2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die brede strategieën bevat om het terrorisme, en in het bijzonder de financiering ervan, te bestrijden. Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB voorziet in de bevriezing van de tegoeden en andere financiële activa of economische middelen van de in de bijlage daarbij vermelde personen, groepen en entiteiten, en bepaalt dat tegoeden, financiële activa of economische middelen of financiële of andere daarmee verband houdende diensten niet direct of indirect ter beschikking mogen worden gesteld van de in die bijlage vermelde personen, groepen en entiteiten.

(3)

Sinds 27 december 2001 zijn Hamas-Izz al-Din al-Qassem (terroristische vleugel van Hamas) en de Palestijnse Islamitische Jihad (“PIJ”) als terroristische groeperingen opgenomen in de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. De Raad heeft op 12 september 2003 Gemeenschappelijk Standpunt 2003/651/GBVB (2) vastgesteld, waarbij de bijlage bij Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB werd geactualiseerd en Hamas-Izz al-Din al-Qassem (terroristische vleugel van Hamas) werd vervangen door Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem) (“Hamas”) in de lijst van groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden.

(4)

De plaatsing van Hamas en PIJ op de lijst is herhaaldelijk getoetst op grond van artikel 1, lid 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB, en de beperkende maatregelen die op hen van toepassing zijn, blijven van kracht.

(5)

De Unie verstrekt financiële bijstand voor ontwikkeling, met inbegrip van steunprogramma’s, aan de Palestijnse bevolking, de Palestijnse Autoriteit en de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten. De Commissie heeft een evaluatie uitgevoerd van haar lopende financiële bijstand, waaruit is gebleken dat de bestaande controles en waarborgen van de Commissie goed werken en dat er geen geldmiddelen van de Unie worden gebruikt ter financiering, direct of indirect, van terroristische organisaties.

(6)

Op 7 oktober 2023 legde de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid namens de Europese Unie een verklaring af over de aanvallen op Israël, waarin hij de meervoudige en willekeurige aanvallen in Israël door Hamas in de krachtigste bewoordingen veroordeelde en het verlies van mensenlevens ten zeerste betreurde.

(7)

In zijn conclusies van 26 en 27 oktober 2023 veroordeelde de Europese Raad Hamas nogmaals in de krachtigste bewoordingen om zijn meedogenloze en willekeurige terroristische aanslagen in heel Israël.

(8)

Hamas en PIJ vormen een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid, mede omdat zij de stabiliteit en veiligheid van Israël binnen zijn internationaal erkende grenzen ondermijnen of bedreigen, zoals bedoeld in de conclusies van de Raad van 10 december 2012 over het vredesproces in het Midden-Oosten. De gewelddadige acties door Hamas en PIJ vormen ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en van het recht inzake de mensenrechten.

(9)

Gezien de ernst van de recente aanvallen op Israël en de noodzaak om handelingen die de internationale vrede en veiligheid bedreigen, tegen te gaan, is het passend om beperkende maatregelen vast te stellen tegen degenen die gewelddadige acties door Hamas en PIJ steunen, faciliteren of mogelijk maken, overeenkomstig de criteria van dit besluit. Dergelijke beperkende maatregelen vallen onder de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie, zoals uiteengezet in artikel 21, lid 2, punten b) en c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

(10)

Om uitvoering te geven aan bepaalde maatregelen, is verder optreden van de Unie vereist,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de inreis in of de doorreis door hun grondgebied te beletten van natuurlijke personen die:

a)

Hamas, de Palestijnse Islamitische Jihad (“PIJ”), een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan materieel of financieel ondersteunen;

b)

deelnemen aan het financieren van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of aan het financieren van handelingen of activiteiten van, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van hen;

c)

deelnemen aan het plannen, voorbereiden of mogelijk maken van gewelddadige acties door, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

d)

wapens en daarmee verband houdend materieel aan Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan leveren, verkopen of overdragen;

e)

acties die de stabiliteit of veiligheid van Israël ondermijnen, materieel of financieel ondersteunen of uitvoeren, samen met, uit naam van, of voor rekening van of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

f)

betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht of van het recht inzake de mensenrechten, uit naam van of voor rekening van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep, een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

g)

aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van ernstige gewelddaden door, samen met, uit naam van, voor rekening van, of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

h)

steun verlenen aan natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij de in punten a) tot en met g) genoemde activiteiten,

zoals deze zijn opgenomen in de lijst in de bijlage.

2.   Lid 1 verplicht een lidstaat niet om eigen onderdanen de toegang tot zijn grondgebied te weigeren.

3.   Lid 1 laat de gevallen onverlet waarin lidstaten krachtens het internationale recht gebonden zijn, namelijk:

a)

als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

b)

als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door, of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties;

c)

krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent; of

d)

krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

4.   Lid 3 is ook van toepassing op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

5.   De Raad wordt naar behoren geïnformeerd in elk van de gevallen waarin een lidstaat krachtens leden 3 of 4 een vrijstelling verleent.

6.   De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden of met het oog op het bijwonen van intergouvernementele vergaderingen, door de Unie geïnitieerde of georganiseerde vergaderingen, of door een lidstaat die fungerend voorzitter is van de OVSE georganiseerde vergaderingen, wanneer daar een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de beleidsdoelen van de beperkende maatregelen rechtstreeks worden bevorderd.

7.   De lidstaten kunnen ook vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen indien binnenkomst of doorreis noodzakelijk is in verband met een gerechtelijke procedure.

8.   Een lidstaat die de in de leden 6 of 7 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn verleend, tenzij een of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling schriftelijk bezwaar maken. Indien één of meer leden van de Raad bezwaar maken, kan de Raad, met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.

9.   Wanneer een lidstaat krachtens de leden 3, 4, 6, 7 of 8 machtiging verleent tot inreis in of doorreis door zijn grondgebied van de in de bijlage vermelde natuurlijke personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de rechtstreeks daarbij betrokken natuurlijke personen.

Artikel 2

1.   Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die direct of indirect in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen die:

a)

Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan materieel of financieel ondersteunen;

b)

deelnemen aan het financieren van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan, of aan het financieren van handelingen of activiteiten van, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van hen;

c)

deelnemen aan het plannen, voorbereiden of mogelijk maken van gewelddadige acties door, samen met, uit naam van, voor rekening van of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

d)

wapens en daarmee verband houdend materieel aan Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan leveren, verkopen of overdragen;

e)

acties die de stabiliteit of veiligheid van Israël ondermijnen, materieel of financieel ondersteunen of uitvoeren, samen met, uit naam van, of voor rekening van, of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

f)

betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen of het plegen van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht of van het recht inzake de mensenrechten, voor rekening van of uit naam van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

g)

aanzetten of publiek ophitsen tot het plegen van ernstige gewelddaden door, samen met, uit naam van, voor rekening van, of ter ondersteuning van Hamas, PIJ, een andere, daarmee geaffilieerde groep of een cel, afdeling, splintergroepering of afsplitsing daarvan;

h)

steun verlenen aan natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij de in punten a) tot en met g) genoemde activiteiten;

zoals opgenomen in de lijst in de bijlage, worden bevroren.

2.   Tegoeden, andere financiële activa of economische middelen worden direct noch indirect aan of ten behoeve van de in bijlage vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen ter beschikking gesteld.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder de voorwaarden die zij passend achten, toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

a)

noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage genoemde personen en de gezinsleden die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

b)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

c)

uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het routinematige aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

d)

noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de betrokken bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat een specifieke toestemming moet worden verleend; of

e)

gestort worden op of betaald worden van een rekening van een diplomatieke of consulaire missie, of een internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationaal recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke of consulaire missie of de internationale organisatie.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van dit lid verleende toestemming, binnen twee weken na de verlening van dergelijke toestemming.

4.   In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de tegoeden of economische middelen zijn voorwerp van een arbitrale beslissing die is gegeven vóór de datum waarop de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de groep, de entiteit of het lichaam bedoeld in lid 1 is opgenomen in de lijst in de bijlage, of een in de Unie gegeven rechterlijke of administratieve beslissing, of een in de betrokken lidstaat uitvoerbare rechterlijke beslissing, en die van voor of na die datum of die datum zelf dateert;

b)

de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend gebruikt om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijke beslissing zijn gewaarborgd of geldig zijn verklaard, binnen de grenzen gesteld door de toepasselijke wet- en regelgeving betreffende de rechten van titularissen van dergelijke vorderingen;

c)

de beslissing komt niet ten goede aan een in de lijst in de bijlage opgenomen natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam; en

d)

de erkenning van de beslissing is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van dit lid verleende toestemming, binnen twee weken na de verlening van dergelijke toestemming.

5.   Lid 1 belet niet dat een op de lijst in de bijlage vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam een betaling verricht die verschuldigd is uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór deze natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam op de lijst werd geplaatst, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet rechtstreeks of onrechtstreeks wordt ontvangen door een in lid 1 bedoelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam.

6.   Lid 2 is niet van toepassing op het overmaken op bevroren rekeningen van:

a)

rente of andere inkomsten op die rekeningen, mits dergelijke rente of andere inkomsten onderworpen blijven aan de in lid 1 bedoelde maatregelen;

b)

betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen op deze rekeningen van toepassing werden, mits dergelijke betalingen onderworpen blijven aan de in lid 1 bedoelde maatregelen; of

c)

betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van rechterlijke, administratieve of arbitrale beslissingen die in de Unie zijn gegeven of in de betrokken lidstaat uitvoerbaar zijn, mits dergelijke betalingen onderworpen blijven aan de in lid 1 bedoelde maatregelen.

7.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de verstrekking, verwerking of betaling van tegoeden, andere financiële activa of economische middelen of op de verstrekking van goederen of diensten die noodzakelijk zijn voor de tijdige verstrekking van humanitaire bijstand of ter ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften wanneer dergelijke bijstand en andere activiteiten worden uitgevoerd door:

a)

de Verenigde Naties, met inbegrip van hun programma’s, fondsen en andere entiteiten en organen, alsmede hun gespecialiseerde agentschappen en aanverwante organisaties;

b)

internationale organisaties;

c)

humanitaire organisaties met de status van waarnemer bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en leden van die humanitaire organisaties;

d)

bilateraal of multilateraal gefinancierde niet-gouvernementele organisaties die deelnemen aan de humanitaire responsplannen van de Verenigde Naties, de responsplannen voor vluchtelingen, andere oproepen van de Verenigde Naties of humanitaire clusters die worden gecoördineerd door het Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden van de Verenigde Naties;

e)

organisaties en agentschappen waaraan de Unie het certificaat van humanitair partnerschap heeft afgegeven of die door een lidstaat zijn gecertificeerd of erkend overeenkomstig nationale procedures;

f)

gespecialiseerde agentschappen van de lidstaten; of

g)

de werknemers, begunstigden, ondergeschikte organen of uitvoerende partners van de in de punten a) tot en met f) genoemde entiteiten terwijl en voor zover zij in die hoedanigheid handelen.

8.   Onverminderd lid 7 en in afwijking van de leden 1 en 2, kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, onder voorwaarden die zij passend achten, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de verstrekking van deze tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor de tijdige verstrekking van humanitaire bijstand of voor de ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften.

9.   Indien de bevoegde autoriteit binnen vijf werkdagen na ontvangst van een verzoek om toestemming uit hoofde van lid 8, geen negatief besluit heeft genomen, geen verzoek om informatie heeft ingediend of niet heeft laten weten dat ze meer tijd nodig heeft, wordt die vergunning geacht te zijn verleend.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van dit artikel verleende toestemming, binnen vier weken na verlening van de toestemming.

Artikel 3

1.   De Raad stelt met eenparigheid van stemmen op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de “hoge vertegenwoordiger”) de lijst in de bijlage vast en wijzigt deze.

2.   De Raad stelt de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam in kennis van het besluit op grond van lid 1, met inbegrip van de motivering, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door middel van de bekendmaking van een kennisgeving, zodat die natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam daarover opmerkingen kan indienen.

3.   Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad het besluit op grond van lid 1 en brengt hij de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of lichaam daarvan op de hoogte.

Artikel 4

1.   In de bijlage worden de redenen voor opneming van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen in de lijst vermeld.

2.   De bijlage bevat de informatie, indien deze beschikbaar is, die nodig is om de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen te identificeren. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit: namen en aliassen; geboortedatum en geboorteplaats; nationaliteit; paspoort- en identiteitskaartnummers; geslacht; adres, indien bekend; en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen kan dergelijke informatie bestaan uit: namen; plaats en datum van registratie; registratienummer; en plaats van vestiging.

Artikel 5

1.   De Raad en de hoge vertegenwoordiger verwerken voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van dit besluit persoonsgegevens, met name:

a)

wat betreft de Raad, bij het opstellen en wijzigen van de bijlage;

b)

wat betreft de hoge vertegenwoordiger, bij het opstellen van wijzigingen van de bijlage.

2.   De Raad en de hoge vertegenwoordiger mogen in voorkomend geval relevante gegevens verwerken die betrekking hebben op strafbare feiten die zijn gepleegd door natuurlijke personen op de lijst, op strafrechtelijke veroordelingen van die personen of veiligheidsmaatregelen betreffende die personen, doch uitsluitend voor zover deze verwerking noodzakelijk is voor het opstellen van de bijlage.

3.   Voor de toepassing van dit besluit worden de Raad en de hoge vertegenwoordiger aangewezen als “verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (3), opdat de betrokken natuurlijke personen hun rechten uit hoofde van die verordening kunnen uitoefenen.

Artikel 6

1.   Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van dit besluit zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:

a)

in de bijlage genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen;

b)

elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, elke groep, elke entiteit of elk lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten of lichamen.

2.   In procedures waartoe een vordering aanleiding geeft, wordt het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, geleverd door de eisende natuurlijke persoon of rechtspersoon, groep, entiteit of het eisende lichaam.

3.   Dit artikel geldt onverminderd het recht van de natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen die in lid 1 worden genoemd, op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen in overeenstemming met dit besluit.

Artikel 7

Het is verboden bewust of opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben dat de verbodsbepalingen van dit besluit worden omzeild.

Artikel 8

Opdat de in dit besluit opgenomen maatregelen een maximaal effect hebben, moedigt de Unie derde landen aan beperkende maatregelen te treffen, die vergelijkbaar zijn met die waarin dit besluit voorziet.

Artikel 9

Dit besluit is van toepassing tot en met 20 januari 2025.

Dit besluit wordt voortdurend geëvalueerd. Het wordt verlengd of gewijzigd, naargelang het geval, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.

De in artikel 2, leden 7, 8 en 9, vermelde uitzonderingen met betrekking tot artikel 2, leden 1 en 2, worden op gezette tijden en ten minste om de twaalf maanden of na een ingrijpende verandering in de omstandigheden, op dringend verzoek van een lidstaat, de hoge vertegenwoordiger of de Commissie, geëvalueerd.

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2024.

Voor de Raad

De voorzitter

H. LAHBIB


(1)  Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB van 27 december 2001betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93).

(2)  Gemeenschappelijk standpunt 2003/651/GBVB van de Raad van 12 September 2003 inzake de actualisering van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en houdende intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/482/GBVB (PB L 229 van 13.9.2003 blz. 42).

(3)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).


BIJLAGE

Lijst van natuurlijke personen of rechtspersonen, groepen, entiteiten en lichamen bedoeld in de artikelen 1 en 2

A.   Natuurlijke personen

 

Naam

Identificatiegegevens

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

1.

Abdelbasit Elhassan Mohamed Khair HAMZA

Geboortedatum: 28.8.1955

Geboorteplaats: Sudan

Nationaliteit: Soedanees

Paspoortnummer: 10100159792 (Sudan)

Geslacht: man

Abdelbasit Elhassan Mohamed Khair Hamza is een in Sudan gevestigde financier van Hamas die ondernemingen in de beleggingsportefeuille van Hamas beheert. Abdelbasit Elhassan Mohamed Khair Hamza heeft via een netwerk van ondernemingen, waaronder met name Al Rowad Real Estate Development en Al Zawaya Group for Development and Investment gezorgd voor financiële middelen voor Hamas. Derhalve neemt Abdelbasit Elhassan Mohamed Khair Hamza deel aan de financiering van Hamas.

19.1.2024

2.

Nabil Khaled Halil CHOUMAN

Geboortedatum: 1954

Geboorteplaats: Libanon

Nationaliteit: Libanees

Geslacht: man

Functie: Oprichter en aandeelhouder van de Chouman (Shuman) Group/Shuman for Currency Exchange SARL

Nabil Khaled Halil Chouman is eigenaar van Shuman for Currency Exchange SARL, gevestigd in Beiroet, Libanon, dat is gebruikt om geld wit te wassen en naar Hamas over te maken, onder meer vanuit Iran. Naar schatting zijn tientallen miljoenen USD via Shuman for Currency Exchange SARL aan Hamas overgemaakt. Derhalve neemt Nabil Khaled Halil Chouman deel aan de financiering van Hamas.

19.1.2024

3.

Khaled CHOUMAN

alias

Khaled SHUMAN

Geboortedatum: 2.4.1987

Geboorteplaats: Libanon

Geslacht: man

Nationaliteit: Libanees

Functie: Geldwisselaar bij de Chouman (Shuman) Group/Shuman for Currency Exchange SARL

Khaled Chouman werkt als geldwisselaar voor Shuman for Currency Exchange SARL, een bedrijf dat eigendom is van zijn vader en gevestigd is in Beiroet, Libanon. Het bedrijf is gebruikt om geld wit te wassen en naar Hamas over te maken, onder meer vanuit Iran. Naar schatting zijn tientallen miljoenen USD via Shuman for Currency Exchange SARL aan Hamas overgemaakt. Derhalve neemt Khaled Chouman deel aan de financiering van Hamas.

19.1.2024

4.

Rida Ali KHAMIS

(رضا علي خميس)

alias

Reda Ali KHAMIS

Geboortedatum: 2.9.1967

Nationaliteit: Libanees

Paspoort- of ID-nummer: 3194104 (Libanon)

Geslacht: man

Functie: zakenpartner van de Chouman (Shuman) Group/Shuman for Currency Exchange SARL

Rida Al Khamis is betrokken bij geldwissel die het witwassen en overmaken van geld aan Hamas mogelijk maken, met name via de ondernemingen Shuman for Currency Exchange SARL en Al-Wasata SARL. Derhalve neemt Rida Ali Khamis deel aan de financiering van Hamas.

19.1.2024

5.

Musa Muhammad Salim DUDIN

(موسى دودين;

موسى محمد سالم دودين)

alias

Mousa DOUDIN;

Mousa DUDIN;

Musa DUDIN;

Musa Muhammad Salim DODIN;

Musa Muhammad Salim DOUDIN;

Mussa DODIN;

Mussa DUDIN

Geboortedatum: 12.6.1972

Geboorteplaats: Dura, Hebron

Nationaliteit: Palestijns

Geslacht: man

Functie: Lid van het politiek bureau van Hamas

Muhammad Salim Dudin is een hooggeplaatste medewerker van Hamas en lid van het politiek bureau van Hamas. In die hoedanigheid heeft hij namens de organisatie vaak publieke verklaringen afgelegd. Bovendien is hij als lid van het investeringsbureau van Hamas betrokken bij de financieringsoperaties voor de organisatie. Derhalve neemt Muhammad Salim Dudin deel aan de financiering van Hamas.

19.1.2024

6.

Aiman Ahmad AL-DUWAIK

alias

Aiman Ahmad R AL-DUWAIK; Aiman Ahmad Rashed AL-DUWAIK; Ayman AL-DUWAIK

Geboortedatum: 24.9.1962

Nationaliteit: Jordaans

Geslacht: man

Functie: CEO van Sidar Company, CEO van Anda Turk

Aiman Ahmad Al-Duwaik is een in Algerije gevestigde financier van Hamas die bijdraagt aan het beheer van de buitenlandse beleggingsportefeuille van de organisatie. Hij is met name CEO en aandeelhouder van het Algerijnse bedrijf Sidar, CEO van het Turkse bedrijf Anda Turk, aandeelhouder van het in Sudan gevestigde bedrijf Al Rowad Real Estate Development, en lid van de raad van bestuur van bouwonderneming Uzmanlar Co. Die bedrijven maken deel uit van het internationale financieringsnetwerk van Hamas. Derhalve neemt Aiman Ahmad Al-Duwaik deel aan de financiering van Hamas.

19.1.2024


ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2024/385/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)