ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 167

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

66e jaargang
30 juni 2023


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en Verordening (EU) 2022/2473 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard ( 1 )

1

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

30.6.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 167/1


VERORDENING (EU) 2023/1315 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2023

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en Verordening (EU) 2022/2473 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 4,

Gezien Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (1), en met name artikel 1, lid 1, punten a) en b),

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Transparantie van staatssteun is van essentieel belang voor de correcte toepassing van de Verdragsregels en leidt tot betere naleving van de regels, sterkere verantwoordingsplicht, peerreview en uiteindelijk tot een doelmatigere besteding van overheidsmiddelen. Gezien het belang van transparantie en met name om de bekendmakingsdrempels in Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (2) in overeenstemming te brengen met de nieuwe drempels in alle recentelijk herziene richtsnoeren en kaderregelingen van de Commissie inzake staatssteun, moet de drempel waarboven de in bijlage III van die Verordening genoemde informatie over individuele steunverlening moeten worden bekendgemaakt op 100 000 EUR worden vastgesteld. Die drempel moet 10 000 EUR zijn voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie en in de visserij- en aquacultuursector maar die niet onder deel 2 bis van Verordening (EU) nr. 651/2014 vallen, en moet 500 000 EUR zijn voor steun die overeenkomstig deel 16 van Verordening (EU) nr. 651/2014 is vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten. Voor individuele steun welke die drempels overschrijdt, moet de in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 651/2014 bedoelde informatie worden gepubliceerd binnen zes maanden na de datum waarop de steun is toegekend. Voor steun welke die drempels niet overschrijdt, kan de bekendmaking van de in artikel 9, lid 1, punten a) en b), genoemde informatie op een later tijdstip plaatsvinden.

(2)

Met het oog op voorspelbaarheid en rechtszekerheid voor de uitvoering van de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen van Verordening (EU) nr. 651/2014, met name voor staatssteunmaatregelen ter ondersteuning van de groene en digitale transitie, is het passend de toepassingsperiode van Verordening (EU) nr. 651/2014 met drie jaar te verlengen tot en met 31 december 2026.

(3)

In voorkomend geval dienen in het kader van de huidige wijziging in de delen van Verordening (EU) nr. 651/2014 die specifiek worden herziende aanmeldingsdrempels en steunbedragen te worden gewijzigd op basis van een beoordeling van marktontwikkelingen en van de besluitvormingspraktijken van de Commissie. In het licht van de lange toepassingsperiode van die Verordening sinds de vaststelling ervan in 2014, in combinatie met de huidige hoge inflatieniveaus, is het passend de aanmeldingsdrempels en de maximale steunbedragen ook te verhogen in de delen van Verordening (EU) nr. 651/2014 die niet specifiek worden herzien. In dat verband is de Commissie van mening dat een algemene verhoging met 10 % van de aanmeldingsdrempels en steunbedragen voor de overige delen van Verordening (EU) nr. 651/2014 passend is en derhalve niet zal leiden tot verstoring van de mededinging die in strijd is met het gemeenschappelijk belang.

(4)

Na de vaststelling van de herziene richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen voor de periode vanaf 1 januari 2022 (3) dienen de bepalingen met betrekking tot regionale steun in Verordening (EU) nr. 651/2014 te worden aangepast om coherentie te verzekeren tussen de verschillende reeksen voorschriften die op dezelfde doelstellingen gericht zijn. Ook hoofdstuk III, deel 1, van Verordening (EU) nr. 651/2014 dient te worden aangepast om rekening te houden met veranderingen op de markt en met het oog op de doelstellingen van de Europese Green Deal (4) en de doelstellingen van de Europese klimaatwet die zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (5). Exploitatiesteun om ontvolking te voorkomen en te verminderen dient te worden uitgebreid tot dunbevolkte gebieden zodat het eenvoudiger wordt om gebieden die voor demografische uitdagingen staan, beter te ondersteunen. Ter facilitering van de toepassing van Verordening (EU) nr. 651/2014 op gesteunde projecten van minder dan 50 miljoen EUR die worden uitgevoerd door kleine en middelgrote ondernemingen (“kmo’s”), moeten de aanmeldingsdrempels dienovereenkomstig worden aangepast en verduidelijkt.

(5)

In overeenstemming met de doelstellingen van de kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa (6) kan staatssteun voor consultancy voor kmo’s worden verleend in de vorm van vouchers, bijvoorbeeld ter bevordering van consultancy over vergroening. Voorts kunnen de lidstaten bij het verlenen van staatssteun besluiten vereenvoudigde regels op kmo’s toe te passen om de administratieve lasten te verminderen en de deelneming van kmo’s aan concurrerende biedprocedures te vergemakkelijken.

(6)

Volgens de mededeling over het vormgeven van de digitale toekomst van Europa (7) en de mededeling over een Europese datastrategie (8) moet ervoor worden gezorgd dat digitale oplossingen Europa helpen zijn eigen weg te gaan naar een digitale transformatie die ten goede komt aan mensen doordat zij de Europese waarden respecteert. In de nieuwe industriestrategie voor Europa (9) wordt uiteengezet dat Europa onderzoek en technologieën nodig heeft, alsook een sterke eengemaakte markt die belemmeringen wegneemt en de bureaucratie vermindert. Erkend wordt dat meer investeren in onderzoek, innovatie, de uitrol van de laatste technologie en hedendaagse infrastructuur de ontwikkeling van nieuwe productieprocessen dichterbij brengt en voor nieuwe banen zorgt. In dat verband omvatten onderzoeksprojecten en innovatieondersteuningsdiensten ook de ontwikkeling of verbetering van digitale producten, processen of diensten, ongeacht domein, technologie, bedrijfstak of sector (met inbegrip van, doch niet beperkt tot digitale bedrijfstakken, digitale infrastructuren en technologieën, zoals supercomputers, kwantumtechnologie, blockchaintechnologie, artificiële intelligentie, cyberbeveiliging, big data en cloudtechnologie).

(7)

Om de uitvoering te versnellen van bepaalde innovatieve projecten in verband met projecten waarbij verschillende lidstaten betrokken zijn, is het passend hogere aanmeldingsdrempels en steunintensiteiten in te voeren voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die grensoverschrijdende voordelen opleveren wat betreft doeltreffende samenwerking en kennisverspreiding.

(8)

In het licht van de invoering van specifieke groepsvrijstellingen voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (‘community-led local development’ of ‘CLLD’), die in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling worden aangeduid als plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader, en projecten van operationele groepen van het Europees Partnerschap voor Innovatie voor productiviteit en duurzaamheid in de landbouw (EIP) in Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie (10), is het passend om enerzijds het toepassingsgebied van de huidige groepsvrijstelling voor CLLD-projecten in het kader van Verordening (EU) nr. 651/2014 uit te breiden tot andere projecten dan die welke onder Leader vallen en, anderzijds, de groepsvrijstelling voor EIP-projecten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 651/2014 te schrappen.

(9)

Het is passend om in het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 verenigbaarheidsvoorwaarden in te voeren voor steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, aardgas of warmte. Dergelijke maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht wanneer zij kunnen worden aangemerkt als overheidsingrijpen in de prijsstelling. Dergelijke maatregelen mogen niet discrimineren tussen leveranciers of tussen micro-ondernemingen en dienen te leiden tot een retailprijs die boven de kostprijs ligt, op een niveau waarbij daadwerkelijke mededinging tussen retailers mogelijk is.

(10)

Om de gevolgen van de stijging van energieprijzen in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten, stelt Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad (11) de lidstaten bij wijze van uitzondering in staat om op tijdelijke basis overheidsinterventies in de prijsstelling voor de levering van elektriciteit aan kmo’s toe te passen, met inbegrip van verplichtingen om onder de kostprijs te leveren. Daarom is het ook passend om in het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 verenigbaarheidsvoorwaarden in te voeren voor steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas, om de gevolgen van prijsstijgingen in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten. Dergelijke maatregelen mogen niet discrimineren tussen kmo’s of leveranciers en mogen hun geen onredelijke kosten opleggen. Leveranciers moeten derhalve worden gecompenseerd voor de kosten van levering tegen gereguleerde prijzen wanneer het overheidsingrijpen vereist dat zij onder de kostprijs leveren. Om te voorkomen dat dergelijke maatregelen de vraag naar elektriciteit, aardgas, of warmte uit aardgas of elektriciteit doen toenemen, mogen de gereguleerde prijzen slechts betrekking hebben op een beperkte hoeveelheid verbruik en mogen zij niet leiden tot een gemiddelde prijs van de leveringen die lager is dan de prijzen vóór de agressie tegen Oekraïne.

(11)

Steun voor het bouwen of upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur biedt vooral een oplossing voor marktfalen dat het gevolg is van imperfecte en asymmetrische informatie of van coördinatiefalen. Anders dan onderzoeksinfrastructuur wordt test- en experimenteerinfrastructuur in hoofdzaak gebruikt voor economische activiteiten en, meer bepaald, voor het leveren van diensten aan ondernemingen. Voor het bouwen of upgraden van de hoogst ontwikkelde test- en experimenteerinfrastructuur zijn hoge initiële investeringskosten nodig, die, in combinatie met een onzeker klantenbestand, de toegang tot particuliere financiering moeilijk kunnen maken. Toegang tot door de overheid gefinancierde test- en experimenteerinfrastructuur moet op transparante en niet-discriminerende wijze en op marktvoorwaarden aan meerdere gebruikers worden toegekend. Om gebruikers gemakkelijker toegang te geven tot test- en experimenteerinfrastructuur, kunnen de gebruikersvergoedingen daarvoor worden verlaagd overeenkomstig andere bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 of Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie (12). Indien die voorwaarden niet in acht worden genomen, kan de maatregel staatssteun voor de gebruikers van de infrastructuur inhouden. In dergelijke omstandigheden dient steun voor de gebruikers of voor het bouwen of upgraden alleen van de aanmeldingsverplichting te worden vrijgesteld indien de steun aan de gebruikers wordt toegekend met inachtneming van de toepasselijke staatssteunvoorschriften. Ook kunnen meerdere partijen eigenaar zijn van een bepaalde test- en experimenteerinfrastructuur en die exploiteren, en kunnen overheidsentiteiten en ondernemingen de infrastructuur ook in samenwerkingsverband gebruiken. Test- en experimenteerinfrastructuur staat ook bekend als technologische infrastructuur.

(12)

Steun voor innovatieclusters wil een oplossing bieden voor marktfalen in verband met coördinatieproblemen die de ontwikkeling van clusters in de weg staan of die de wisselwerking en kennisstromen binnen clusters beperken. Staatssteun kan ofwel investeringen in open en gedeelde infrastructuur voor innovatieclusters ondersteunen, ofwel het opereren van clusters ondersteunen, om zo de samenwerking, netwerking en kennisverwerving te versterken. Exploitatiesteun voor innovatieclusters dient echter alleen voor een beperkte periode van maximaal tien jaar te worden toegestaan. Om toegang tot de voorzieningen van een innovatiecluster of deelname aan de activiteiten van een innovatiecluster te vergemakkelijken, kan tegen verlaagde tarieven toegang worden verleend overeenkomstig andere bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 of Verordening (EU) nr. 1407/2013.

(13)

Steun voor innovatieactiviteiten is vooral toegespitst op marktfalen in verband met positieve externaliteiten (kennisspillover), coördinatieproblemen en, in mindere mate, informatieasymmetrie. In het geval van kmo’s kan dat soort innovatiesteun worden toegekend voor het verkrijgen, valideren en verdedigen van octrooien en andere immateriële activa, voor het uitlenen van hooggekwalificeerd personeel en voor het inkopen van diensten inzake innovatieadvies en innovatieondersteuning, die bijvoorbeeld worden verleend door organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, door onderzoeksinfrastructuur, door test- en experimenteerinfrastructuur of door innovatieclusters.

(14)

Backhaulnetwerken zijn een voorwaarde voor de uitrol van zowel vaste als mobiele toegangsnetwerken in gebieden waar dergelijke infrastructuur ontbreekt of waar in de nabije toekomst waarschijnlijk geen dergelijke infrastructuur zal worden ontwikkeld. Staatssteun ter ondersteuning van de uitrol van bepaalde hoogwaardige backhaulnetwerken die zowel vaste als mobiele netwerken ten goede komen, dient als verenigbaar met de interne markt te worden beschouwd en onder bepaalde voorwaarden van de aanmeldingsverplichting te worden vrijgesteld, teneinde de digitale kloof in gebieden met marktfalen te helpen overbruggen en daarbij de risico’s op verstoring van de mededinging en verdringing van particuliere investeringen te beperken.

(15)

Naar aanleiding van de vaststelling van de herziene richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (13) voor de periode vanaf 2022, dienend de bepalingen in Verordening (EU) nr. 651/2014 die toegang van kmo’s tot financiering betreffen, op de herziene richtsnoeren te worden afgestemd om coherentie te verzekeren. Kmo’s vormen de ruggengraat van de economieën van de lidstaten, zowel wat werkgelegenheid als economische dynamiek en groei betreft, en spelen bijgevolg ook een centrale rol in de economische ontwikkeling en de veerkracht van de Unie als geheel. Zij leveren innovatieve oplossingen voor uitdagingen als klimaatverandering, efficiënt gebruik van hulpbronnen en sociale cohesie en dragen bij tot de verspreiding van die innovatie ter ondersteuning van de groene en digitale transitie en ter versterking van de veerkracht of de technologische soevereiniteit van de Unie. Om te kunnen groeien en hun volledige potentieel te kunnen ontplooien, hebben kmo’s echter toegang tot financiering nodig. Daarom acht de Commissie het wenselijk de totstandkoming van een efficiënte risicofinancieringsmarkt te stimuleren, zodat kmo’s in elke fase van hun ontwikkeling toegang hebben tot de nodige financiering. Zolang een dergelijke markt nog niet volledig tot stand is gebracht, wordt met steun om kmo’s en start-ups toegang tot financiering te geven opgetreden tegen marktfalen of andere relevante obstakels die hen beletten de financiering aan te trekken die zij nodig hebben om zich ten volle te ontwikkelen. Kmo’s, vooral jonge kmo’s en kmo’s die in een nieuwe of hoogtechnologische sector actief zijn, zijn vaak niet in staat om tegenover investeerders aan te tonen dat zij kredietwaardig zijn. Uit de in 2019 en 2020 uitgevoerde evaluatie (14) van de desbetreffende voorschriften is gebleken dat dat marktfalen en andere relevante obstakels zich blijven voordoen, een situatie die waarschijnlijk is verergerd door de COVID-19-pandemie en de gevolgen van de huidige politieke en economische situatie in Europa vanwege de Russische militaire agressie tegen Oekraïne. Om de uitrol van dat soort steun verder te vergemakkelijken teneinde de groeivooruitzichten van kmo’s en de algemene veerkracht van de economie van de Unie te waarborgen alsook meer duidelijkheid te verschaffen, dienen de structuur en het toepassingsgebied van de bepalingen inzake risicofinanciering te worden herzien. Projecten die steun uit het innovatiefonds kunnen ontvangen, kunnen in aanmerking komen voor een soepelere toegang tot financiering voor “innovatieve ondernemingen”.

(16)

Naar aanleiding van de vaststelling van de richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie (15), die sinds 27 januari 2022 van toepassing zijn, dienen de bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 met betrekking tot steun op het gebied van milieubescherming, waaronder klimaatbescherming, en energie te worden aangepast om coherentie te verzekeren tussen de verschillende reeksen voorschriften die dezelfde doelstellingen hebben. Het toepassingsgebied van hoofdstuk III, deel 7, van Verordening (EU) nr. 651/2014 dient te worden aangepast om rekening te houden met veranderingen op de markt en de doelstellingen van de Europese Green Deal en de Europese klimaatwet, alsook met de maatregelen in het REPowerEU-plan van de Commissie (16) om de gevolgen van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne aan te pakken en eventuele negatieve gevolgen voor de versnelde groene transitie te beperken, met inbegrip van de bepalingen die in 2021 zijn ingevoerd om Verordening (EU) nr. 651/2014 te wijzigen (17). Bij het uitwerken van hun staatssteunmaatregelen kunnen de lidstaten steun op grond van verschillende bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 combineren, mits aan alle desbetreffende voorwaarden, met inbegrip van die inzake cumulatie, is voldaan.

(17)

Investeringssteun ter ondersteuning van de aanschaf of leasing van emissievrije of schone vervoermiddelen of retrofitting van vervoermiddelen, waardoor die als emissievrije of schone vervoermiddelen kunnen kwalificeren, draagt bij aan de verschuiving richting emissievrije mobiliteit en aan het behalen van de ambitieuze doelstellingen van de Europese Green Deal, in hoofdzaak de reductie van broeikasgasemissies in de vervoerssector. In het licht van de ervaring die de Commissie heeft opgedaan met staatssteunmaatregelen ten behoeve van schone mobiliteit, dienen specifieke verenigbaarheidsvoorwaarden te worden ingevoerd zodat de steun evenredig is en de mededinging niet buitensporig verstoort door vraag weg te sturen van schonere alternatieven. Het toepassingsgebied van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 met betrekking tot investeringssteun voor infrastructuur voor elektrisch laden en voor het tanken van waterstof, dient te worden uitgebreid tot infrastructuur voor het tanken van waterstof die niet hernieuwbaar is, op voorwaarde dat er een duidelijk traject naar decarbonisatie van de geleverde waterstof bestaat. Voorts dient steun voor oplaad- en tankinfrastructuur ook beschikbaar te zijn voor infrastructuur die niet publiek toegankelijk is.

(18)

Het is passend om het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 aan te passen door specifieke verenigbaarheidsvoorwaarden in te voeren voor steun voor waterstof in alle sectoren, overeenkomstig de doelstellingen van de waterstofstrategie voor een klimaatneutraal Europa (18), en voor de opslag ervan.

(19)

De bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 betreffende exploitatiesteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen dient overeenkomstig Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (19) te worden uitgebreid naar hernieuwbare-energiegemeenschappen . Wat investeringssteun betreft, dienen hernieuwbare-energiegemeenschappen, samen met verschillende soorten ondernemingen, te vallen onder het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014. In dit verband kunnen hernieuwbare-energiegemeenschappen en energiegemeenschappen van burgers zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 944/2019 van het Europees Parlement en de Raad (20) in aanmerking komen als kmo’s voor zover zij voldoen aan de vereisten van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 651/2014.

(20)

Het is passend om het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 aan te passen door verenigbaarheidsvoorwaarden in te voeren voor investeringssteun ten behoeve van de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen, de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en nature-based solutions voor klimaatadaptatie en -mitigatie, in lijn met de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie voor 2030 (21), de doelstellingen van de Europese klimaatwet, de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (22) en de mededeling over duurzame koolstofcycli (23). Die voorwaarden moeten worden toegevoegd aan de bestaande bepalingen betreffende steun voor de sanering van verontreinigde terreinen. Investeringssteun op die domeinen moet dus, onder bepaalde voorwaarden, als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd en worden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag. Met name moet erop worden toegezien dat het beginsel “de vervuiler betaalt” in acht wordt genomen, hetgeen inhoudt dat de kosten van het bestrijden van de vervuiling moeten worden gedragen door de vervuiler die de vervuiling heeft veroorzaakt.

(21)

De bepalingen van Verordening (EU) nr. 651/2014 betreffende investeringssteun ten behoeve van recycling en hergebruik van afval moeten worden aangepast en uitgebreid om rekening te houden met ontwikkelingen op de markt en om, overeenkomstig het actieplan voor een circulaire economie (24), de verschuiving tot uiting te brengen naar maatregelen ter bevordering van hulpbronnenefficiëntie en ter ondersteuning van de transitie naar een circulaire economie. De vervanging van primaire grondstoffen of feedstock door secundaire (hergebruikte of gerecyclede) of teruggewonnen grondstoffen of feedstock zal de druk op de natuurlijke hulpbronnen verminderen, duurzame groei en banen creëren en de veerkracht versterken.

(22)

Het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 dient te worden aangepast door verenigbaarheidsvoorwaarden in te voeren voor steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen of -heffingen. Belastingen of parafiscale heffingen inzake het milieu worden geheven om de kosten van milieuschadelijk gedrag te doen toenemen — en zodoende dit soort gedrag te ontmoedigen en het niveau van milieubescherming te verhogen. Indien belastingen of parafiscaleheffingen inzake het milieu niet kunnen worden gehandhaafd zonder de economische activiteiten van bepaalde ondernemingen in gevaar te brengen, kan het verlenen van een gunstigere behandeling aan sommige ondernemingen het mogelijk maken een hoger algemeen niveau van bijdrage aan de milieubelastingen of -heffingen te bereiken. Onder bepaalde omstandigheden kunnen kortingen op belastingen of parafiscale heffingen inzake het milieu dan ook indirect bijdragen aan een hoger niveau van milieubescherming.

(23)

Het is passend om voor steun in de vorm van verlagingen en vrijstellingen van milieubelastingen in alle economische sectoren dezelfde voorwaarden toe te passen, tenzij bijzondere regels van toepassing zijn. Daarom dient door de lidstaten uit hoofde van artikel 15, lid 1, punt f), en artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2003/96/EG (25) vastgestelde steun in de vorm van belastingverlagingen voor de binnenvisserij en de visteelt, vanaf 1 juli 2023 binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 te vallen, aangezien Verordening (EU) nr. 2022/2473 van de Commissie (26) niet langer op hen van toepassing zal zijn.

(24)

Wat betreft investeringssteun voor stadsverwarmings- en/of stadskoelingssystemen dienen de verenigbaarheidsvoorwaarden van artikel 46 van Verordening (EU) nr. 651/2014 betreffende investeringssteun voor stadsverwarmings- en/of stadskoelingssystemen op basis van fossiele brandstoffen, en met name aardgas, alsmede investeringen in of upgrades van distributienetwerken te worden aangepast om rekening te houden met de doelstellingen van de Europese Green Deal en de Europese klimaatwet, en met name het investeringsplan voor een duurzaam Europa (27).

(25)

Wat investeringen in energie-infrastructuur betreft, moet het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 651/2014 groepsvrijstellingen omvatten voor het ondersteunen van investeringen die buiten steungebieden plaatsvinden. Voorts moeten de verenigbaarheidsvoorwaarden van die verordening voor steun aan investeringen in energie-infrastructuur worden aangepast voor aardgas om rekening te houden met de doelstellingen van de Europese Green Deal en om te verzekeren dat de klimaatdoelen voor 2030 en 2050 worden geëerbiedigd.

(26)

De specifieke kenmerken van financiering van projecten in de defensie-industrie, waar de vraag nagenoeg uitsluitend afkomstig is van de lidstaten, die ook de zeggenschap hebben over alle aankopen van defensiegerelateerde producten en technologieën, met inbegrip van de uitvoer, maken dat de werking van de defensiesector uniek is en niet onderworpen is aan de gebruikelijke regels en bedrijfsmodellen van traditionelere markten. Gezien de specifieke kenmerken van de sector en de regels van het krachtens Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad (28) opgerichte Europees Defensiefonds en het krachtens Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad (29) opgezette industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie, waarbij maximale financieringspercentages niet zijn vastgesteld om de totale overheidsfinanciering te beperken, maar wel om cofinanciering van de lidstaten aan te trekken, dienen de financiële bijdragen van de lidstaten aan die gecofinancierde projecten onder bepaalde voorwaarden als verenigbaar met de interne markt te worden beschouwd en van de aanmeldingsverplichting te worden vrijgesteld. Een dergelijke cofinanciering kan met name verenigbaar worden verklaard buiten de mogelijkheden van de algemene bepalingen inzake steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, op voorwaarde dat de begunstigden een marktprijs betalen voor elk gebruik van de intellectuele-eigendomsrechten of prototypes die uit het project voortvloeien voor niet-defensietoepassingen. In dat soort situaties hoeft bovendien geen nieuwe beoordeling te worden gemaakt van de voorwaarden om in aanmerking te komen die, voorafgaand aan de selectie van een onderzoeks- en ontwikkelingsproject reeds op transnationaal niveau door de Commissie, bijgestaan door onafhankelijke deskundigen, zijn beoordeeld overeenkomstig de regels van het Europees Defensiefonds of het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie. Ten slotte dient artikel 8 van Verordening (EU) nr. 651/2014 te worden gewijzigd om combinaties van centraal beheerde Uniefinanciering en staatssteun ten belope van maximaal de totale projectkosten mogelijk te maken.

(27)

Verordeningen (EU) nr. 651/2014 en (EU) 2022/2473 dienen daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 651/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 2 wordt punt a) vervangen door:

“a)

regelingen op grond van deel 1 (met uitzondering van artikel 15), deel 2 (met uitzondering van de artikelen 19 quater en 19 quinquies), de delen 3 en 4, deel 7 (met uitzondering van artikel 44) en deel 10 van hoofdstuk III van deze verordening, indien het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun per lidstaat meer dan 150 miljoen EUR bedraagt, vanaf zes maanden na de inwerkingtreding ervan, evenals steun in de vorm van financiële producten krachtens deel 16 van hoofdstuk III, indien het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun per lidstaat meer dan 200 miljoen EUR bedraagt, vanaf zes maanden na de inwerkingtreding ervan. Voor steun krachtens deel 16 van hoofdstuk III van deze verordening worden alleen bijdragen van een lidstaat aan het lidstaatcompartiment van de EU-garantie als bedoeld in artikel 9, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad (*1) die voor een specifiek financieel product bestemd zijn in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag of het gemiddelde jaarlijkse budget aan staatssteun van die lidstaat in verband met het financiële product meer dan 200 miljoen EUR bedraagt. De Commissie kan besluiten dat deze verordening voor een langere periode op elk van die steunregelingen van toepassing blijft nadat zij het door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemelde evaluatieplan heeft beoordeeld, binnen twintig werkdagen na de inwerkingtreding van de regeling. Als de Commissie de toepassing van deze verordening ten aanzien van die regelingen reeds met meer dan de aanvankelijke zes maanden heeft verlengd, kunnen de lidstaten besluiten die regelingen te verlengen tot het einde van de toepassingsperiode van deze verordening, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat een evaluatieverslag heeft ingediend in overeenstemming met het door de Commissie goedgekeurde evaluatieplan;

(*1)  Verordening (EU) 2021/523 van het Europees Parlement en de Raad van 24 maart 2021 tot vaststelling van het InvestEU-programma en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/1017 (PB L 107 van 26.3.2021, blz. 30).”;"

(b)

in lid 3 worden de punten a) en b) vervangen door:

“a)

steun verleend in de visserij- en aquacultuursector, binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*2), met uitzondering van:

opleidingssteun;

steun voor de toegang van kmo’s tot financiering;

steun op het gebied van onderzoek en ontwikkeling;

innovatiesteun voor kmo’s;

steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap;

regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden;

regelingen voor regionale exploitatiesteun;

steun voor projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD);

steun aan projecten voor Europese territoriale samenwerking;

vanaf 1 juli 2023, steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen op grond van artikel 15, lid 1, punt f), en artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad (*3);

steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten, met uitzondering van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie (*4) genoemde acties;

steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte als bedoeld in artikel 19 quater;

steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas of elektriciteit om de gevolgen van prijsstijgingen na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten, als bedoeld in artikel 19 quinquies;

b)

steun toegekend in de sector van de primaire landbouwproductie, met uitzondering van regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden, regelingen inzake regionale exploitatiesteun, consultancysteun voor kmo’s, risicofinancieringssteun, steun voor onderzoek en ontwikkeling, innovatiesteun voor kmo’s, milieusteun, opleidingssteun, steun ten behoeve van kwetsbare werknemers en werknemers met een handicap, steun voor projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD), steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking, steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten, steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, aardgas of warmte, als bedoeld in artikel 19 quater, en steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte uit aardgas of elektriciteit om de gevolgen van prijsstijgingen na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten, als bedoeld in artikel 19 quinquies;

(*2)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1)."

(*3)  Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51)."

(*4)  Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, (PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45).”;"

(c)

het volgende lid 6 wordt toegevoegd:

“6.   Hoofdstuk III, deel 7 van deze verordening is niet van toepassing op staatssteunmaatregelen ten behoeve van de productie van kernenergie.”

;

2)

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in punt 18 worden de punten a) en b) vervangen door:

“a)

in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo die voldoet aan de voorwaarde van artikel 21, lid 3, punt b), en in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dat is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming) een negatieve gecumuleerde uitkomst oplevert die groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal. Voor de toepassing van deze bepaling worden met “vennootschap met beperkte aansprakelijkheid” met name de rechtsvormen van ondernemingen bedoeld die zijn vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (*5), en omvat “aandelenkapitaal” ook het eventuele agio;

b)

in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat of, wanneer het erom gaat in aanmerking te komen voor risicofinancieringssteun, een kmo die voldoet aan de voorwaarde van artikel 21, lid 3, punt b), en in aanmerking komt voor risicofinancieringsinvesteringen na een boekenonderzoek door de geselecteerde financiële intermediair): wanneer meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, door de gecumuleerde verliezen is verdwenen. Voor de toepassing van deze bepaling worden met “een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming” met name de in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld;

(*5)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).”;"

(b)

punt 20 wordt vervangen door:

“20.

“bijgesteld steunbedrag”: het maximaal toelaatbare steunbedrag voor een groot investeringsproject berekend volgens deze formule:

bijgesteld steunbedrag = R × (A + 0,50 × B + 0 × C),

waarbij R de maximale steunintensiteit is die voor het betrokken gebied van toepassing is, onder uitsluiting van de verhoogde steunintensiteit voor kmo’s; A het gedeelte van de in aanmerking komende kosten tot 55 miljoen EUR is; B het gedeelte van de in aanmerking komende kosten tussen 55 miljoen EUR en 110 miljoen EUR is, en C het gedeelte van de in aanmerking komende kosten boven 110 miljoen EUR;”;

(c)

punt 27 wordt vervangen door:

“27.

“steungebieden”: gebieden die zijn aangewezen op een op grond van artikel 107, lid 3, punten a) en c), van het Verdrag goedgekeurde regionale-steunkaart en die van kracht is op het tijdstip van de toekenning van de steun;”;

(d)

punt 32 wordt vervangen door:

“32.

“nettotoename van het aantal werknemers”: een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging ten opzichte van het gemiddelde over een bepaalde periode, na aftrek van het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen van de in die periode verdwenen arbeidsplaatsen. Het aantal personen dat voltijds, deeltijds of als seizoenarbeider in dienst is, wordt in fracties van hun jaararbeidseenheden (JAE’s) uitgedrukt;”;

(e)

punt 34 wordt vervangen door:

“34.

“financieel intermediair”: een financiële instelling, ongeacht de vorm en eigendomsstructuur ervan, waaronder dakfondsen, particuliere investeringsfondsen, overheidsinvesteringsfondsen, banken, microfinancieringsinstellingen en onderlinge waarborgmaatschappijen;”;

(f)

de volgende punten 39 bis en 39 ter worden ingevoegd:

“39 bis.

“op arm’s length”: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure, wordt geacht te voldoen aan het arm’s length-beginsel;

39

ter. “schriftelijk”: elk document in schriftelijke vorm, met inbegrip van elektronische documenten, op voorwaarde dat die elektronische documenten overeenkomstig de toepasselijke administratieve procedures en wetgeving in de betrokken lidstaat als gelijkwaardig worden erkend;”;

(g)

punt 40 wordt geschrapt;

(h)

de punten 42 en 43 worden vervangen door:

“42.

“regionale exploitatiesteun”: steun om de lopende uitgaven van een onderneming te verminderen, daaronder begrepen kostencategorieën zoals personeelskosten, kosten voor materialen, uitbestede diensten, communicatie, energie, onderhoud, huur, administratie, evenwel met uitsluiting van afschrijvingslasten en de financieringskosten voor een investering die investeringssteun heeft ontvangen;

43.

“ijzer- en staalindustrie”: de productie van één of meer van de volgende producten:

a)

ruwijzer en ferrolegeringen:

 

ruwijzer voor vervaardiging van staal, gieterij-ijzer en andere ruwijzersoorten, spiegelijzer en ferromangaan carburé, niet inbegrepen de andere ferrolegeringen;

b)

ruwe producten en halffabricaten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

 

vloeibaar staal al dan niet gegoten tot blokken, waaronder smeedblokken; bloemen, knuppels, plakken; plaatstrippen; warmgewalst breedband op rollen, behalve de productie van gegoten staal voor staalgietwerk, zoals die van kleine en middelgrote zelfstandige gieterijen;

c)

warmgewalste walserijproducten van ijzer, van gewoon staal of van speciaal staal:

 

rails, dwarsliggers, onderlegplaten, klemplaten, balken, zware profielen en staven van 80 mm en meer, damwandstaal, staven en profielen van minder dan 80 mm en plaatstaal van minder dan 150 mm breedte, walsdraad, rond en vierkant staafmateriaal voor buizen, warmgewalst bandstaal en warmgewalste strippen (daaronder begrepen buizenstrip), platen met een dikte van 3 mm en meer, universaalstaal van 150 mm en meer, met uitzondering van draadproducten, blanke staven en ijzergietwerk;

d)

koudgewalste eindproducten:

 

blik, verlode plaat, zwarte plaat, gegalvaniseerde platen, andere platen met bekleed oppervlak, koudgewalste plaat, op rollen en in platen, dynamo- en transformatorplaat, band bestemd voor het maken van blik;

e)

buizen:

 

stalen buizen (naadloos of gelast) met een diameter van meer dan 406,4 mm, van ijzer of staal;”;

(i)

het volgende punt 43 bis wordt ingevoegd:

“43 bis.

“bruinkool”: minderwaardige “C”-kolen (of ortholigniet) en minderwaardige “B”-kolen (of metaligniet) zoals gedefinieerd in het internationale codificatiesysteem voor kolen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;”;

(j)

punt 44 wordt geschrapt;

(k)

punt 45 wordt vervangen door:

“45.

“vervoersector”: passagiersvervoer met het vliegtuig, over zee, over de weg, per spoor of over de binnenwateren, of beroepsgoederenvervoer. Meer bepaald worden onder “vervoersector” de volgende activiteiten in de zin van de statistische classificatie van economische activiteiten (NACE Rev. 2), vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (*6), verstaan:

a)

NACE 49: Vervoer te land en vervoer via pijpleidingen, met uitzondering van NACE 49.32 Exploitatie van taxi’s, 49.39 Exploitatie van kabelbanen, kabelspoorwegen, stoeltjesliften enz., indien ze geen deel uitmaken van het stedelijk en voorstedelijk vervoer, 49.42 Verhuisbedrijven en 49.5 Vervoer via pijpleidingen;

b)

NACE 50: Vervoer over water;

c)

NACE 51: Luchtvaart, met uitzondering van NACE 51.22 Ruimtevaart;

(*6)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).”;"

(l)

het volgende punt 47 bis wordt ingevoegd:

“47 bis.

“voltooiing van de investering”: het moment waarop de investering door de nationale autoriteiten wordt beschouwd als voltooid of, bij ontstentenis daarvan, drie jaar na de aanvang van de werkzaamheden;”;

(m)

de punten 49, 50 en 51 worden vervangen door:

“49.

“initiële investering”: een van de volgende:

a)

een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met een of meer van de volgende elementen:

de oprichting van een nieuwe vestiging;

de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande vestiging;

de diversificatie van de productie van een vestiging naar producten die voordien niet in de vestiging werden geproduceerd; of

een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van het product of de producten of van het totale aanbod van de dienst of diensten waarop de investering in de vestiging betrekking heeft;

b)

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming kwalificeert niet als initiële investering.

Een vervangingsinvestering vormt bijgevolg geen initiële investering;

50.

“dezelfde of vergelijkbare activiteit”: een activiteit die behoort tot dezelfde klasse (viercijferige code) van de statistische classificatie van economische activiteiten (NACE Rev. 2);

51.

“initiële investering die leidt tot een nieuwe economische activiteit”:

a)

een investering in materiële en immateriële activa die verband houdt met een of beide van deze elementen:

de oprichting van een nieuwe vestiging;

de diversificatie van de activiteit van een vestiging, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die voordien in die vestiging werd uitgeoefend; of

b)

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen, op voorwaarde dat de met de overgenomen activa uit te oefenen nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar met de activiteit die in die vestiging werd uitgeoefend vóór de overname ervan.

De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming kwalificeert niet als initiële investering die leidt tot een nieuwe economische activiteit;”;

(n)

de punten 72 en 73 worden vervangen door:

“72.

“onafhankelijke particuliere investeerder”: een particuliere en onafhankelijke investeerder, zoals in dit punt gedefinieerd. Onder “particuliere” investeerders worden verstaan investeerders die, ongeacht hun eigendomsstructuur, een louter commercieel belang nastreven, hun eigen middelen gebruiken en het volledige risico dragen met betrekking tot hun investering, en die met name het volgende omvatten: kredietinstellingen die voor eigen rekening en uit eigen middelen investeren, particuliere fondsen en stichtingen, family offices en business angels, zakelijke investeerders, verzekeringsondernemingen, pensioenfondsen, academische instellingen en natuurlijke personen die al dan niet een economische activiteit verrichten. De Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds, een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is of een rechtspersoon die op professionele basis financiële activiteiten uitoefent en van een lidstaat of een entiteit van een lidstaat op centraal, regionaal of lokaal niveau de opdracht heeft gekregen ontwikkelings- of stimuleringsactiviteiten uit te voeren (nationale stimuleringsbank of een andere stimuleringsinstelling), worden voor de toepassing van deze definitie niet als particuliere investeerders beschouwd. Onder “onafhankelijke” investeerder wordt verstaan een investeerder die geen aandeelhouder is van de in aanmerking komende onderneming waarin hij investeert. In het kader van vervolginvesteringen blijft een investeerder “onafhankelijk” indien hij in een eerdere investeringsronde als een onafhankelijke investeerder werd beschouwd. Bij de oprichting van een nieuwe onderneming worden alle particuliere investeerders, daaronder begrepen de oprichters, van die nieuwe onderneming als onafhankelijk van die onderneming beschouwd;

73.

“natuurlijk persoon” (voor de toepassing van de artikelen 21 bis en 23): een persoon niet zijnde een rechtspersoon en die geen onderneming is voor de toepassing van artikel 107, lid 1, van het Verdrag;”;

(o)

punt 79 wordt vervangen door:

“79.

“met het beheer belaste entiteit”: de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds, een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is of een rechtspersoon die op professionele basis financiële activiteiten uitoefent en van een lidstaat of een entiteit van een lidstaat op centraal, regionaal of lokaal niveau de opdracht heeft gekregen ontwikkelings- of stimuleringsactiviteiten uit te voeren (een stimuleringsbank of een andere stimuleringsinstelling). Deze met het beheer belaste entiteit kan worden geselecteerd of rechtstreeks worden aangesteld overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (*7) of overeenkomstig artikel 38, lid 4, punt b), iii), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*8) of artikel 59, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (*9), naargelang het geval;

(*7)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65)."

(*8)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320)."

(*9)  Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 159).”;"

(p)

punt 80 wordt vervangen door:

“80.

“innovatieve onderneming”: een onderneming die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

zij kan aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden;

b)

haar kosten voor onderzoek en ontwikkeling bedragen ten minste 10 % van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de steun of, in het geval van een start-up zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant;

c)

in de drie jaar voorafgaand aan de toekenning van de steun: i) heeft zij van de Europese Innovatieraad een excellentiekeurmerk gekregen overeenkomstig het Horizon 2020-werkprogramma 2018-2020 dat is vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit C(2017) 7124 van de Commissie (*10), of overeenkomstig artikel 2, punt 23, en artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad (*11); of ii) heeft zij een investering ontvangen van het Fonds van de Europese Innovatieraad, zoals een investering in het kader van het in artikel 48, lid 7, van Verordening (EU) 2021/695 genoemde Accelerator-programma;

d)

in de drie jaar voorafgaand aan de toekenning van de steun: i) heeft zij deelgenomen aan een actie van het ruimtevaartinitiatief “Cassini” van de Commissie (zoals Cassini Business Accelerator of Cassini Matchmaking) (*12); of ii) heeft zij een investering ontvangen uit de Cassini Seed and Growth Funding Facility, of de InnovFin Space Equity Pilot; of iii) heeft zij een Cassini Prize gekregen; of iv) heeft zij financiering overeenkomstig Verordening (EU) 2021/695 op het gebied van ruimteonderzoek ontvangen resulterend in de oprichting van een start-up; of v) heeft zij financiering ontvangen als begunstigde van een actie inzake onderzoek en ontwikkeling in het kader van het Europees Defensiefonds overeenkomstig Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad (*13); of vi) heeft zij financiering ontvangen in het kader van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1092 van het Parlement en de Raad (*14);

(*10)  Uitvoeringsbesluit C(2017) 7124 van de Commissie van 27 oktober 2017 betreffende de vaststelling van het werkprogramma voor 2018-2020 in het kader van het specifieke programma tot uitvoering van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en betreffende de financiering van het werkprogramma voor 2018."

(*11)  Verordening (EU) 2021/695 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van Horizon Europa — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, tot vaststelling van de regels voor deelname en verspreiding en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1290/2013 en (EU) nr. 1291/2013 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 1)."

(*12)  Het Cassini-initiatief, dat voor de eerste maal in de kmo-strategie voor een duurzaam en digitaal Europa (COM(2020) 103 final van 10.3.2020) werd aangekondigd, is een verzameling concrete maatregelen die onder meer tot doel hebben kmo’s uit de ruimtevaartsector vlottere toegang tot risicokapitaal te bieden om hun expansie te financieren."

(*13)  Verordening (EU) 2021/697 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het Europees Defensiefonds en tot intrekking van Verordening (EU) 2018/1092 (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 149)."

(*14)  Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de Unie (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 30).”;"

(q)

punt 81 wordt vervangen door:

“81.

“alternatief handelsplatform”: een multilaterale handelsfaciliteit (MTF) zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 22, van Richtlijn 2014/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (*15), waarbij ten minste 50 % van de financiële instrumenten die tot de handel zijn toegelaten, door kmo’s zijn uitgegeven;

(*15)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).”;"

(r)

de punten 85 en 86 worden vervangen door:

“85.

“industrieel onderzoek”: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren, daaronder begrepen digitale producten, processen of diensten, ongeacht domein, technologie, bedrijfstak of sector (met inbegrip van, doch niet beperkt tot digitale bedrijfstakken en technologieën, zoals supercomputers, kwantumtechnologie, blockchaintechnologie, artificiële intelligentie, cyberbeveiliging, big data en cloudtechnologie).

Industrieel onderzoek omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie;

86.

“experimentele ontwikkeling”: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten, daaronder begrepen digitale producten, processen of diensten, ongeacht domein, technologie, bedrijfstak of sector (met inbegrip van, doch niet beperkt tot digitale bedrijfstakken en technologieën, zoals supercomputers, kwantumtechnologie, blockchaintechnologie, artificiële intelligentie, cyberbeveiliging, big data en cloudtechnologie). Dit kan bijvoorbeeld ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, planning en documentering van nieuwe producten, procedés of diensten.

Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden.

Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;”;

(s)

punt 89 wordt geschrapt;

(t)

het volgende punt 90 bis wordt ingevoegd:

“90 bis.

“Niet-defensietoepassingen” in de zin van artikel 25 sexies verwijst naar toepassing in andere dan defensiegerelateerde producten die zijn vermeld in de bijlage bij Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (*16).

(*16)  Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1).”;"

(u)

punt 92 wordt vervangen door:

“92.

“innovatieclusters”: structuren of georganiseerde groeperingen van onafhankelijke partijen (zoals innovatieve start-ups, kleine, middelgrote en grote ondernemingen, maar ook organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur, digitale innovatiehubs, niet-commerciële organisaties en andere verwante economische spelers) die zijn opgezet om innovatieve activiteiten en nieuwe vormen van samenwerking te stimuleren, zoals door digitale middelen, door het delen en/of bevorderen van het delen van faciliteiten en het uitwisselen van kennis en deskundigheid, en door daadwerkelijk bij te dragen aan kennisoverdracht, netwerking, informatieverspreiding en samenwerking tussen de ondernemingen en andere organisaties binnen het cluster. Digitale innovatiehubs (daaronder begrepen Europese digitale innovatiehubs die worden gefinancierd in het kader van het bij Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad (*17) ingestelde centraal beheerde programma Digitaal Europa) zijn entiteiten die tot doel hebben de brede toepassing door het bedrijfsleven (met name kmo’s) en organisaties uit de publieke sector van digitale technologieën — zoals artificiële intelligentie, cloud-, edge- en high-performance computing en cyberbeveiliging — te stimuleren. Digitale innovatiehubs kunnen op zichzelf kwalificeren als een innovatiecluster in de zin van deze verordening.

(*17)  Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot vaststelling van het programma Digitaal Europa, en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PB L 166 van 11.5.2021, blz. 1).”;"

(v)

de punten 94 tot en met 97 worden vervangen door:

“94.

“innovatieadviesdiensten”: consulting, bijstand of opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming of exploitatie van immateriële activa of het gebruik van normen en regels waarin deze zijn vastgelegd, alsmede consulting, bijstand of opleiding over de invoering of het gebruik van innovatieve technologieën en oplossingen (daaronder begrepen digitale technologieën en oplossingen);

95.

“innovatieondersteuningsdiensten”: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, cloud- en gegevensopslagdiensten, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testing, experimentering en certificatie of andere daarmee samenhangende diensten, daaronder begrepen diensten verricht door organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, onderzoeksinfrastructuur, en test- en experimenteerinfrastructuur of innovatieclusters, met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere of technologisch geavanceerde producten, procedés of diensten, daaronder begrepen de invoering van innovatieve technologieën en oplossingen (daaronder begrepen digitale technologieën en oplossingen);

96.

“organisatie-innovatie”: de toepassing van een nieuwe organisatiemethode op het niveau van de onderneming (op groepsniveau in de betrokken industriesector in de EER), in de organisatie op de werkvloer of in de externe betrekkingen van een onderneming, bijvoorbeeld door gebruikmaking van nieuwe of innovatieve digitale technologieën. Van deze definitie uitgesloten zijn veranderingen die zijn gebaseerd op organisatiemethoden die reeds in gebruik zijn in de onderneming, veranderingen in de managementstrategie, fusies en acquisities, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg zijn van prijswijzigingen voor productiefactoren, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke, seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten;

97.

“procesinnovatie”: de toepassing van een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode, daaronder begrepen aanzienlijke veranderingen in technieken, uitrusting of software, op het niveau van de onderneming (op groepsniveau in de betrokken industriesector in de EER), bijvoorbeeld door gebruikmaking van nieuwe of innovatieve digitale technologieën of oplossingen. Van deze definitie uitgesloten zijn geringe veranderingen of verbeteringen, verhogingen van de productie- of dienstverleningscapaciteit door de toevoeging van productie- of logistieke systemen die sterk gelijken op die welke reeds in gebruik zijn, het niet meer gebruiken van een procedé, eenvoudige vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, veranderingen die louter het gevolg van prijswijzigingen voor productiefactoren zijn, aanpassingen op maat, lokalisatie, gebruikelijke seizoens- en andere cyclische veranderingen, het verhandelen van nieuwe of sterk verbeterde producten;”;

(w)

het volgende punt 98 bis wordt ingevoegd:

“98 bis.

“test- en experimenteerinfrastructuur”: faciliteiten, uitrusting, capaciteiten en hulpmiddelen, zoals proefbanken, proeflijnen, demonstratie-installaties, testfaciliteiten of levende laboratoria, en aanverwante ondersteunende diensten die voornamelijk worden gebruikt door ondernemingen, met name kmo’s, die steun vragen voor tests en experimenten met het oog op de ontwikkeling van nieuwe of verbeterde producten, procedés en diensten en voor het testen en opschalen van technologieën om vooruitgang te boeken via industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling. Toegang tot door de overheid gefinancierde test- en experimenteerinfrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en moet op transparante en niet-discriminerende wijze en op marktvoorwaarden worden toegekend. Test- en experimenteerinfrastructuur staat ook bekend als technologische infrastructuur (*18);

(*18)  Zie werkdocument van de diensten van de Commissie, “Technology Infrastructures”, SWD(2019) 158 final van 8.4.2019.”;"

(x)

de punten 101 en 102 worden vervangen door:

“101.

“milieubescherming”: elke maatregel of activiteit die is gericht op beperking of preventie van verontreiniging, negatieve milieueffecten of andere aantastingen van de natuurlijke omgeving (met inbegrip van lucht, water en bodem), ecosystemen of natuurlijke hulpbronnen door menselijk toedoen — onder meer met het oog op klimaatmitigatie —, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, op bescherming en herstel van de biodiversiteit dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en andere technieken om broeikasgasemissies en andere verontreinigende stoffen te reduceren, alsmede om over te stappen naar circulaire economische modellen om het gebruik van grondstoffen te reduceren en efficiëntiewinsten te verhogen. Dit begrip omvat ook maatregelen om het adaptieve vermogen te versterken en de kwetsbaarheid voor klimaateffecten zoveel mogelijk te beperken;

102.

“Unienorm”:

a)

een bindende Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, met uitsluiting van op Unieniveau vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen; of

b)

de verplichting om gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT), zoals gedefinieerd in Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (*19), en om ervoor te zorgen dat de emissieniveaus niet hoger liggen dan die welke bij toepassing van de BBT zouden worden bereikt; wanneer de met de BBT samenhangende emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU of op grond van andere toepasselijke richtlijnen zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze verordening; wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waarvoor de BBT voor de betrokken onderneming het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn;

(*19)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).”;"

(y)

de punten 102 bis, 102 ter en 102 quater worden vervangen door:

“102bis.

“oplaadinfrastructuur: vaste of mobiele infrastructuur die vervoermiddelen, mobiel terminalmaterieel of mobiel grondafhandelingsmaterieel van elektriciteit voorziet;

102 ter.

“tankinfrastructuur: vaste of mobiele infrastructuur die vervoermiddelen, mobiel terminalmaterieel of mobiel grondafhandelingsmaterieel van waterstof voorziet;

102 quater.

“hernieuwbare waterstof”: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de in Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (*20) uiteengezette methoden voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong;

(*20)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).”;"

(z)

de volgende punten 102 quinquies tot en met 102 undecies worden ingevoegd:

“102 quinquies.

“hernieuwbare elektriciteit”: uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

102 sexies.

“slim opladen”: een laadbeurt waarbij de intensiteit van de aan de batterij geleverde elektriciteit in realtime wordt aangepast op basis van via elektronische communicatie ontvangen informatie;

102 septies.

schoon vervoermiddel”:

a)

met betrekking tot lichte bedrijfsvoertuigen: een schoon voertuig zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 4, a), van Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad (*21);

b)

met betrekking tot zware bedrijfsvoertuigen:

tot en met 31 december 2025 een emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 12, van Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad (*22);

tot en met 31 december 2025 een schoon voertuig zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 4, b), van Richtlijn 2009/33/EG dat niet onder Verordening (EU) 2019/1242 valt;

c)

met betrekking tot binnenschepen:

een binnenschip voor passagiersvervoer dat een hybride of dualfuelmotor heeft die voor zijn normale functioneren ten minste 50 % van zijn energie haalt uit brandstof met CO2-vrije directe (uitlaat)emissies of uit plug-in-power;

een binnenschip voor goederenvervoer dat directe CO2-(uitlaat)emissies per tonkilometer (g CO2/ton km) heeft die, berekend (of, in het geval van nieuwe vaartuigen, geraamd) met de Energy Efficiency Operational Indicator (EEOI) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), 50 % lager liggen dan de gemiddelde referentiewaarde voor CO2-emissies zoals vastgelegd voor zware bedrijfsvoertuigen (subgroep voertuigen 5-LH) overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/1242;

d)

met betrekking tot zeeschepen:

een zee- en kustvaartuig voor passagiersvervoer, goederenvervoer, nautische of andere dienstverlening dat i) een hybride of dualfuelmotor heeft die voor zijn normale functioneren ten minste 25 % van zijn energie haalt uit brandstof met CO2-vrije directe (uitlaat)emissies of uit plug-in-power, of dat ii) een Energy Efficiency Design Index (EEDI) van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) heeft bereikt die 10 % lager ligt dan de op 1 april 2022 van toepassing zijnde EEDI-vereisten, en dat in staat is te functioneren op brandstoffen met CO2-vrije directe (uitlaat)emissies of op brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen;

een zee- en kustvaarttuig voor goederenvervoer dat uitsluitend wordt ingezet om kust- en kortevaartdiensten uit te voeren die bedoeld zijn om voor momenteel over land vervoerde goederen de modal shift naar vervoer over zee mogelijk te maken en met directe CO2-(uitlaat)emissies, berekend met de EEDI, die 50 % lager liggen dan de voor zware bedrijfsvoertuigen (subgroep voertuigen 5-LH) vastgelegde gemiddelde referentiewaarde voor CO2-emissies zoals gepubliceerd overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) 2019/1242;

e)

met betrekking tot rollend spoorwegmaterieel: rollend materieel met CO2-vrije directe (uitlaat)emissies wanneer dit wordt ingezet op een lijn met de vereiste infrastructuur en een conventionele motor gebruikt indien dergelijke infrastructuur niet beschikbaar is (bimodaal);

102 octies.

“emissievrij vervoermiddel”:

a)

met betrekking tot twee- en driewielige voertuigen en vierwielers: een voertuig dat onder Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*23) valt, met CO2-uitlaatemissies gelijk aan 0, berekend overeenkomstig de in artikel 24 van en bijlage V bij die verordening vastgestelde voorwaarden;

b)

met betrekking tot lichte bedrijfsvoertuigen: een voertuig van categorie M1, M2 of N1 zonder CO2-uitlaatemissies, zoals bepaald overeenkomstig de vereisten van Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (*24);

c)

met betrekking tot zware bedrijfsvoertuigen: een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 5, van Richtlijn 2009/33/EG;

d)

met betrekking tot binnenschepen: een binnenschip voor passagiers- of goederenvervoer met CO2-vrije directe (uitlaat-/uitlaatsysteem)emissies;

e)

met betrekking tot zeeschepen: een zee- en kustvaartuig voor passagiers- of goederenvervoer, voor nautische of andere dienstverlening met CO2-vrije directe (uitlaat)emissies;

f)

met betrekking tot rollend spoorwegmaterieel: rollend materieel met CO2-vrije directe (uitlaat)emissies;

102 nonies.

“vervoermiddel”: een van de volgende:

a)

een wegvoertuig van categorie M1, M2, N1, M3, N2, N3 of L;

b)

een binnenschip of een zee- en kustvaarttuig voor passagiers- of goederenvervoer;

c)

rollend materieel;

d)

een luchtvaartuig;

102 decies.

“mobiel grondafhandelingsmaterieel”: mobiel materieel dat wordt gebruikt bij diensten ten behoeve van lucht- of zeevervoer;

102 undecies.

“mobiel terminalmaterieel”: mobiel materieel dat wordt gebruikt voor het laden, lossen en overslaan van goederen en wissellaadbakken (ILU’s), en voor het verplaatsen van vracht binnen een terminalzone;

(*21)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone wegvoertuigen ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5)."

(*22)  Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 202)."

(*23)  Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52)."

(*24)  Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).”;"

(aa)

punt 103 wordt vervangen door:

“103.

“energie-efficiëntie”: energie-efficiëntie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (*25);

(*25)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).”;"

(bb)

punt 103 bis wordt vervangen door:

“103 bis.

“primaire energie”: energie uit hernieuwbare en niet-hernieuwbare bronnen die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan;”;

(cc)

punt 103 ter wordt geschrapt;

(dd)

punt 103 quinquies wordt vervangen door:

“103 quinquies.

“gereedheid voor slimme toepassingen” (smart-readiness): het vermogen van gebouwen of gebouwunits om hun werking aan te passen aan de behoeften van de gebruiker, met inbegrip van het optimaliseren van de energie-efficiëntie en de algemene prestaties, en hun werking aan te passen aan signalen van het net;”;

(ee)

punt 103 quinquies wordt vervangen door:

“103 quinquies.

“kleine midcaponderneming”: een andere onderneming dan een kmo, met niet meer dan 499 werknemers, berekend overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6 van bijlage I, waarvan de jaaromzet 100 miljoen EUR niet overschrijdt of het jaarlijkse balanstotaal 86 miljoen EUR niet overschrijdt; entiteiten worden als één onderneming beschouwd wanneer aan een van de in artikel 3, lid 3, van bijlage I genoemde voorwaarden is voldaan; Voor de toepassing van artikel 56 sexies, lid 10, en artikel 56 septies, wordt met “kleine midcaponderneming een andere onderneming van een kmo met niet meer dan 499 werknemers bedoeld;”;

(ff)

het volgende punt 103 septies wordt ingevoegd:

“103 septies.

“energiebesparingen”: energiebesparingen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2012/27/EU;”;

(gg)

punt 105 wordt vervangen door:

“105.

“energie-efficiëntiefonds” of “EEF”: een bijzonder investeringsvehikel dat is opgezet om te investeren in energie-efficiëntieprojecten ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen. Energie-efficiëntiefondsen worden beheerd door een manager van een energie-efficiëntiefonds;”;

(hh)

punt 108 wordt vervangen door:

“108.

“warmtekrachtkoppeling” of “wkk”: warmtekrachtkoppeling zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 30, van Richtlijn 2012/27/EU;”;

(ii)

de volgende punten 108 bis en 108 ter worden ingevoegd:

“108 bis.

“warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energiebronnen”: warmtekrachtkoppeling die 100 % hernieuwbare energiebronnen gebruikt als input voor de productie van warmte en stroom;

108 ter.

“warmtepomp”: een machine, toestel of installatie dat/die warmte uit de natuurlijke omgeving, zoals de lucht, het water of de bodem overdraagt aan gebouwen of industriële installaties door de natuurlijke warmtestroming om te keren van een lagere naar een hogere temperatuur. Bij omkeerbare warmtepompen kan de warmtestroming ook van het gebouw naar de natuurlijke omgeving plaatsvinden;”;

(jj)

punt 109 wordt vervangen door:

“109.

“energie uit hernieuwbare bronnen” of “hernieuwbare energie”: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook op conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor “achter de meter” aangesloten accumulatiesystemen (geïnstalleerd samen met of als uitbreiding van de hernieuwbare installatie), doch niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;”;

(kk)

het volgende punt 109 bis wordt ingevoegd:

“109 bis.

“hernieuwbare-energiegemeenschappen”: hernieuwbare-energiegemeenschappen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 16, van Richtlijn (EU) 2018/2001;”;

(ll)

De punten 110 tot en met 113 worden geschrapt;

(mm)

punt 114 wordt vervangen door:

“114.

“innovatieve technologie”: een ten opzichte van de huidige stand van de techniek nieuwe en recentelijk bewezen technologie, die een risico op technologische of industriële mislukking inhoudt en geen optimalisatie of opschaling is van een bestaande technologie;”;

(nn)

de volgende leden 114 bis en 114 ter worden ingevoegd:

“114 bis.

“demonstratieproject”: een demonstratieproject zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (*26);

114 ter.

“contract ter verrekening van verschillen”: een steuninstrument dat de begunstigde recht geeft op een betaling die gelijk is aan het verschil tussen (een) vaste uitoefenprijs/-prijzen en een referentieprijs — zoals een marktprijs, per eenheid output;

(*26)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).”;"

(oo)

de punten 115 en 116 worden vervangen door:

“115.

“balancering” voor elektriciteit: balancering zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) 2019/943;

116.

“standaardbalanceringstaken”: niet-discriminerende technologieneutrale balanceringstaken waarvan producenten overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 2019/943 niet kunnen worden vrijgesteld;”;

(pp)

het volgende punt 116 bis wordt ingevoegd:

“116 bis.

“balanceringsverantwoordelijke”: een balanceringsverantwoordelijke zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 14, van Verordening (EU) 2019/943;”;

(qq)

punt 117 wordt vervangen door:

“117.

“biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 24, van Richtlijn (EU) 2018/2001;”;

(rr)

de volgende punten 117 bis tot en met 117 quinquies worden ingevoegd:

“117 bis.

“biobrandstoffen”: biobrandstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 33, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

117 ter.

“biogas”: biogas zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 28), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

117 quater.

“vloeibare biomassa”: vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 32, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

117 quinquies.

“biomassabrandstoffen”: biomassabrandstoffen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 27, van Richtlijn (EU) 2018/2001;”;

(ss)

de punten 118 en 119 worden vervangen door:

“118.

“financieringskloof”: de nettomeerkosten worden vastgesteld als het verschil tussen de economische opbrengsten en kosten (inclusief investeringen en exploitatie) van het gesteunde project en die van het alternatieve project dat de begunstigde van de steun zonder steun geloofwaardig zou uitvoeren. Om de financieringskloof te bepalen, moet de lidstaat voor het feitelijke scenario en voor een geloofwaardig nulscenario alle belangrijke kosten en opbrengsten, de voor het disconteren van toekomstige kasstromen geraamde gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (“WACC”) van de begunstigden, alsmede de netto contante waarde (“NPV”) voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario, over de levensduur van het project kwantificeren. De typische nettomeerkosten kunnen worden geraamd als het verschil tussen de NPV voor het feitelijke scenario en voor het nulscenario over de levensduur van het referentieproject.

119.

“milieubelasting of -heffing”: een belasting of een heffing die wordt toegepast op een bijzondere heffingsgrondslag of op producten of diensten die een duidelijk negatief milieueffect hebben, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen of producenten en verbruikers kunnen worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn;”;

(tt)

punt 121 wordt geschrapt;

(uu)

de volgende punten 121 bis tot en met 121 quinquies worden ingevoegd:

“121 bis.

“sanering”: milieubeheersmaatregelen, zoals de verwijdering of detoxificatie van contaminanten of overtollige nutriënten uit bodem en water, met als doel bronnen van aantasting te verwijderen;

121 ter.

“rehabilitatie”: milieubeheersmaatregelen om op aangetaste locaties een niveau van ecosysteemfunctioneren terug te brengen, met als doel hernieuwde en doorlopende verrichting van ecosysteemdiensten — in plaats van de biodiversiteit en integriteit van een bepaald natuurlijk of semi-natuurlijk referentie-ecosysteem;

121 quater.

“ecosysteem”: ecosysteem zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 13, van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (*27);

121 quinquies.

“biodiversiteit”: biodiversiteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 15, van Richtlijn (EU) 2020/852;

(*27)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).”;"

(vv)

de volgende punten 123 bis tot en met 123 quinquies worden ingevoegd:

“123 bis.

“verontreinigende stof”: verontreinigende stof zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Verordening (EU) 2020/852;

123 ter.

“verontreiniging”: verontreiniging zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Richtlijn 2010/75/EU;

123 quater.

“nature-based solution”: een maatregel om natuurlijke of veranderde terrestrische, zoetwater-, kust- en mariene ecosystemen te beschermen, in stand te houden, te herstellen, duurzaam te gebruiken en te beheren, die een doeltreffend en adaptief antwoord biedt voor sociale, economische en ecologische uitdagingen en tegelijkertijd het menselijk welzijn, de ecosysteemdiensten, de veerkracht en de biodiversiteit ten goede komt;

123 quinquies.

“herstel”: het proces waarbij het herstel van een ecosysteem wordt ondersteund als een middel om de biodiversiteit in stand te houden en de veerkracht van een ecosysteem, met name tegen klimaatverandering, te vergroten. Het herstel van ecosystemen omvat maatregelen om de toestand van een ecosysteem te verbeteren en een ecosysteem waar die toestand was verloren gegaan, opnieuw te creëren of te herstellen en om de veerkracht van een ecosysteem en de aanpassing ervan aan de klimaatverandering te verbeteren;”;

(ww)

punt 124 wordt vervangen door:

“124.

“energie-efficiënte stadsverwarming en -koeling”: efficiënte stadsverwarming en -koeling zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU;”;

(xx)

de volgende punten 124 bis en 124 ter worden ingevoegd:

“124 bis.

“stadsverwarming” en “stadskoeling”: stadsverwarming of stadskoeling zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 19, van Richtlijn 2010/31/EU;

124 ter.

“stadsverwarmings- en stadskoelingssystemen”: installaties voor warmte- en/of koudeopwekking en het netwerk voor de opslag en distributie van warmte of koude, bestaande uit zowel primaire transmissienetwerken als secundaire pijpleidingnetwerken voor de levering van warmte of koude aan consumenten. Wanneer hier sprake is van “stadsverwarming”, moet dit worden begrepen als stadsverwarmings- en/of stadskoelingssystemen, al naar gelang de netwerken samen of apart warmte of koude leveren;”;

(yy)

de punten 126, 127 en 128 worden vervangen door:

“126.

“hergebruik”: hergebruik zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 13, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (*28);

127.

“voorbereiding voor hergebruik”: voorbereiding voor hergebruik zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 16, van Richtlijn 2008/98/EG;

128.

“recycling”: recycling zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 17, van Richtlijn 2008/98/EG;

(*28)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).”;"

(zz)

de volgende punten 128 bis tot en met 128 decies worden ingevoegd:

“128 bis.

“hulpbronnenefficiëntie”: verminderen van de hoeveelheid input die noodzakelijk is om een eenheid output te produceren, of het vervangen van primaire input door secundaire input;

128 ter.

“afval”: afval zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG;

128 quater.

“afvalwarmte”: afvalwarmte zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn (EU) 2018/2001;

128 quinquies.

“verwerking”: verwerking zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 14, van Richtlijn 2008/98/EG, alsmede verwerking van andere producten, materialen of stoffen;

128 sexies.

“nuttige toepassing”: nuttige toepassing zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 15, van Richtlijn 2008/98/EG, alsmede nuttige toepassing van andere producten, materialen of stoffen;

128 septies.

“verwijdering”: verwijdering zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 19, van Richtlijn 2008/98/EG;

128 octies.

“andere producten, materialen of stoffen”: andere materialen, producten en stoffen dan afvalstoffen, met inbegrip van bijproducten als bedoeld in artikel 5 van Richtlijn 2008/98/EG, land- en bosbouwresiduen, afvalwater, regenwater en afstromend water, mineralen, nutriënten, restgassen van productieprocessen, en overtollige producten, onderdelen en materialen;

128 nonies.

“overtollige producten, onderdelen en materialen”: producten, onderdelen of materialen die niet noodzakelijk of nuttig meer zijn voor de houder ervan, maar die wel geschikt zijn voor hergebruik;

128 decies.

“gescheiden inzameling”: gescheiden inzameling zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van Richtlijn 2008/98/EG;”;

(aaa)

punt 129 wordt geschrapt;

(bbb)

punt 130 wordt vervangen door:

“130.

“energie-infrastructuur”: fysieke uitrusting of faciliteit die gelegen is binnen de Unie of die de Unie verbindt met één of meer derde landen, en die onder de volgende categorieën valt:

a)

elektriciteit:

i)

transmissie- en distributiesystemen, waarbij onder “transmissie” wordt verstaan het transport van elektriciteit zowel onshore als offshore langs het extra-hoogspannings- en hoogspanningsstelsel van systemen, met het oog op de belevering van eindafnemers of distributiemaatschappijen, de levering zelf niet inbegrepen, terwijl onder “distributie” wordt verstaan het transport van elektriciteit zowel onshore als offshore langs hoog-, midden- en laagspanningsdistributiesystemen met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;

ii)

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn om de in punt i) genoemde systemen veilig, betrouwbaar en efficiënt te laten functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitoring- en toezichtsystemen op alle spanningsniveaus en onderstations;

iii)

volledig geïntegreerde netwerkcomponenten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 51, van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (*29);

iv)

slimme elektriciteitsnetten, d.w.z. systemen en componenten die informatie- en communicatietechnologie integreren, via operationele digitale platforms, toezichtsystemen en sensortechnologieën, zowel op transmissie- als op distributieniveau, gericht op een veiliger, efficiënter en intelligenter elektriciteitstransmissie- en distributienetwerk, verhoogde capaciteit om nieuwe vormen van opwekking, opslag en verbruik te integreren en nieuwe bedrijfsmodellen en marktstructuren te vergemakkelijken;

v)

offshore elektriciteitsnetten, d.w.z. alle uitrusting of installaties van infrastructuur voor elektriciteitstransmissie of -distributie zoals gedefinieerd in punt i), met dubbele functionaliteit: interconnectie en transmissie of distributie van de van offshoreproductielocaties afkomstige offshore hernieuwbare elektriciteit naar twee of meer landen. Dit omvat ook slimme netwerken en alle aangrenzende offshore-uitrusting of -installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie, met inbegrip van beschermings-, monitoring- en toezichtsystemen, en noodzakelijke onderstations indien deze ook zorgen voor technologie-interoperabiliteit en onder meer interfacecompatibiliteit tussen verschillende technologieën;

b)

gas (aardgas, biogas — met inbegrip van biomethaan — en/of hernieuwbaar gas van niet-biologische oorsprong):

i)

transmissie- en distributiepijpleidingen voor het transport van gas die deel uitmaken van een netwerk, met uitsluiting van hogedrukpijpleidingen die worden gebruikt voor de upstreamdistributie van aardgas;

ii)

ondergrondse opslagvoorzieningen verbonden met de in punt i) bedoelde pijpleidingen voor de hogedruktransmissie of -distributie van gas;

iii)

faciliteiten voor de ontvangst, opslag en hervergassing of decompressie van vloeibaar of gecomprimeerd gas;

iv)

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie van het net of om een bidirectionele capaciteit mogelijk te maken, daaronder begrepen compressorstations;

v)

slimme gasnetten, d.w.z. alle volgende uitrusting of installaties om de integratie van hernieuwbare en koolstofarme gassen (met inbegrip van waterstof of gassen van niet-biologische oorsprong) in het netwerk mogelijk te maken en te vergemakkelijken: digitale systemen en componenten die informatie- en communicatietechnologie, toezichtsystemen en sensortechnologie integreren om de interactieve en intelligente monitoring, meting, kwaliteitscontrole en beheer van gasproductie, -transport, -distributie en -verbruik binnen een gasnetwerk mogelijk te maken. Bovendien kunnen slimme netten ook uitrusting omvatten om reverse flows vanaf het distributieniveau naar het transmissieniveau en daarmee verband houdende noodzakelijke upgrades van het bestaande netwerk mogelijk te maken;

c)

waterstof:

i)

transmissiepijpleidingen voor het hogedruktransport van waterstof, alsmede distributiepijpleidingen voor de lokale distributie van waterstof, die op transparante en niet-discriminerende basis toegang bieden aan meerdere netwerkgebruikers;

ii)

opslagvoorzieningen, d.w.z. faciliteiten die worden gebruikt voor de opslag van waterstof met een hoge zuiverheidsgraad, met inbegrip van het deel van een waterstofterminal dat voor opslag wordt gebruikt maar met uitsluiting van het deel dat voor productieactiviteiten wordt gebruikt, en met inbegrip van faciliteiten die uitsluitend bestemd zijn voor exploitanten van een waterstofnetwerk bij de uitoefening van hun functies. Opslagvoorzieningen voor waterstof omvatten ondergrondse opslagvoorzieningen die verbonden zijn met de in punt i) bedoelde hogedrukwaterstofpijpleidingen;

iii)

faciliteiten voor dispatching, ontvangst, opslag en hervergassing of decompressie van vloeibaar gemaakte waterstof of in andere chemische stoffen ingebedde waterstof met als doel waterstof te injecteren in het voor gas dan wel specifiek voor waterstof bestemde netwerk;

iv)

terminals, d.w.z. installaties die worden gebruikt voor de omzetting van vloeibaar waterstof in gasvormig waterstof voor injectie in het waterstofnetwerk. Terminals omvatten ondersteunende uitrusting en tijdelijke opslag die nodig zijn voor het omzettingsproces en de daaropvolgende injectie in het waterstofnetwerk, maar omvatten geen delen van de waterstofterminal die voor opslag worden gebruikt;

v)

interconnectoren, d.w.z. een waterstofnetwerk (of een deel daarvan) dat een grens tussen lidstaten, of tussen een lidstaat en een derde land, overschrijdt of overspant tot aan het grondgebied van de lidstaten of de territoriale zee van die lidstaat;

vi)

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn voor een veilige, betrouwbare en efficiënte exploitatie van het waterstofnet of om bidirectionele capaciteit mogelijk te maken, met inbegrip van compressorstations;

In de punten i) tot en met vi) genoemde activa kunnen nieuw gebouwde activa zijn, activa die zijn omgebouwd van aardgas naar waterstof (“herbestemd”), of een combinatie van beide. In de punten i) tot en met vi) genoemde activa waarvoor derdentoegang geldt, kwalificeren als energie-infrastructuur;

d)

kooldioxide:

i)

pijpleidingen niet zijnde upstream-pijpleidingnetwerken gebruikt voor het transport van kooldioxide uit meer dan één bron, d.w.z. industriële installaties (waaronder elektriciteitscentrales) die kooldioxidegas produceren bij verbranding of andere chemische reacties waarbij koolstofverbindingen van al dan niet fossiele aard betrokken zijn, met het oog op de permanente geologische opslag van kooldioxide uit hoofde van artikel 3 van Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad (*30) of voor het gebruik van kooldioxide als feedstock of om de opbrengst van biologische processen te verhogen;

ii)

faciliteiten voor het vloeibaar maken en voor de bufferopslag van kooldioxide met het oog op het transport of de opslag ervan. Dit omvat niet de infrastructuur binnen een geologische formatie die wordt gebruikt voor de permanente geologische opslag van kooldioxide uit hoofde van artikel 3 van Richtlijn 2009/31/EG en de daarmee samenhangende bovengrondse faciliteiten en injectiefaciliteiten;

iii)

alle uitrusting of installaties die van essentieel belang zijn om het systeem in kwestie behoorlijk, veilig en efficiënt te laten functioneren, met inbegrip van beschermings-, monitoring- en toezichtsystemen. Dit kunnen speciale mobiele activa voor het transport en de opslag van kooldioxide zijn, mits die mobiele activa voldoen aan de definitie van een schoon vervoermiddel;

In de punten i), ii), iii) en iv) genoemde activa waarvoor derdentoegang geldt, kwalificeren als energie-infrastructuur;

e)

infrastructuur gebruikt voor de transmissie of distributie van thermische energie in de vorm van stoom, warm water of gekoelde vloeistoffen van meerdere producenten of gebruikers, gebaseerd op het gebruik van hernieuwbare energie of van restwarmte van industriële toepassingen;

f)

projecten van gemeenschappelijk belang zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*31) en projecten van wederzijds belang als bedoeld in artikel 171 van het Verdrag;

g)

andere categorieën infrastructuur waarbij het gaat om infrastructuur waarmee producenten en gebruikers van hernieuwbare of koolstofvrije energie fysiek of draadloos kunnen worden verbonden vanaf meerdere entry- en exitpunten en die openstaan voor toegang door derden die niet behoren tot de ondernemingen die eigenaar zijn van de infrastructuur of deze beheren;

In de punten a) tot en met g) genoemde activa die zijn gebouwd voor één vooraf geïdentificeerde gebruiker of een kleine groep vooraf geïdentificeerde gebruikers en op hun behoeften zijn toegesneden (“specifieke infrastructuur”), kwalificeren niet als energie-infrastructuur;

(*29)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125)."

(*30)  Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG, 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)."

(*31)  Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).”;"

(ccc)

de volgende punten 130 bis tot en met 130 quinquies worden ingevoegd:

“130 bis.

“distributiesysteembeheerder” (DSO): distributiesysteembeheerder zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 29, van Richtlijn (EU) 2019/944;

130 ter.

“transmissiesysteembeheerder” (TSO): transmissiesysteembeheerder zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 35, van Richtlijn (EU) 2019/944;

130 quater.

“elektriciteitsopslag”: uitstel van het eindgebruik van elektriciteit tot een later tijdstip dan het tijdstip waarop deze elektriciteit is opgewekt, of de omzetting van elektrische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, de opslag van die energie en de latere omzetting van die energie in elektrische energie;

130 quinquies.

“thermische opslag”: uitstel van het eindgebruik van thermische energie tot een later tijdstip dan het tijdstip waarop deze is opgewekt, of de omzetting van elektrische of thermische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, de opslag van die energie en, indien van toepassing, de latere omzetting of heromzetting van die energie in thermische energie voor eindgebruik (d.w.z. verwarming of koeling);”;

(ddd)

punt 131 wordt vervangen door:

“131.

“wetgeving inzake de interne energiemarkt”: Richtlijn (EU) 2019/944, Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad (*32), Verordening (EU) 2019/943 en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*33);

(*32)  Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94)."

(*33)  Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36).”;"

(eee)

de volgende punten 131 bis en 131 ter worden ingevoegd:

“131 bis.

“CO2-afvang en -opslag” (CCS): een set van technologieën die het mogelijk maken om door industriële installaties en tijdens processen uitgestoten kooldioxide (CO2) af te vangen, of rechtstreeks uit de omgevingslucht af te vangen, naar een opslaglocatie te transporteren en in geschikte ondergrondse geologische formaties te injecteren met het oog op permanente opslag;

131 ter.

“CO2-afvang en -gebruik” (CCU): een set van technologieën die het mogelijk maken om door industriële installaties en tijdens processen uitgestoten CO2 af te vangen, of rechtstreeks uit de omgevingslucht af te vangen, en naar een locatie te transporteren waar CO2 wordt verbruikt of gebruikt met het oog op het volledige gebruik ervan;”;

(fff)

punt 134 wordt geschrapt;

(ggg)

punt 137 wordt vervangen door:

“137.

“breedbandinfrastructuur”: een breedbandnetwerk zonder actieve componenten dat bestaat uit de fysieke infrastructuur van het netwerk, met inbegrip van buizen, palen, masten, torens, dark fibre, kasten en kabels (waaronder dark fibre en koperkabels);";

(hhh)

de volgende punten 137 bis, 137 ter en 137 quater worden ingevoegd:

“137 bis.

“backhaulnetwerk”: het gedeelte van een breedbandnetwerk dat het toegangsnetwerk verbindt met het backbonenetwerk en dat geen rechtstreekse toegang aan eindgebruikers biedt. Het is het gedeelte van het netwerk waar het verkeer van eindgebruikers wordt samengevoegd;

137 ter.

“backbonenetwerk”: het kernnetwerk dat backhaulnetwerken uit verschillende gebieden of regio’s onderling verbindt;

137 quater.

“toegangsnetwerk”: het segment van een breedbandnetwerk dat het backhaulnetwerk verbindt met de locatie of apparaten van de eindgebruiker;”;

(iii)

punt 139 wordt vervangen door:

“139.

“wholesaletoegang”: toegang waarmee een exploitant de faciliteiten van een andere exploitant kan gebruiken. De wholesaletoegang omvat, op basis van de huidige technologische ontwikkelingen, ten minste de volgende toegangsproducten: i) voor FTTx-netwerken: toegang tot de breedbandinfrastructuur, ontbundeling en bitstroomtoegang; ii) voor kabelnetwerken: toegang tot de breedbandinfrastructuur en toegang tot actieve diensten; iii) voor vaste draadloze netwerken: toegang tot de breedbandinfrastructuur en toegang tot actieve diensten; iv) voor mobiele netwerken: toegang tot de breedbandinfrastructuur en toegang tot actieve diensten (ten minste roaming); v) voor satellietplatforms: toegang tot actieve diensten; vi) voor backhaulnetwerken: toegang tot de breedbandinfrastructuur en toegang tot actieve diensten.”;

(jjj)

punt 139 bis wordt vervangen door:

“139 bis.

“aansluitbaar pand”: een pand van een eindgebruiker waaraan een aanbieder op verzoek van de eindgebruiker en binnen vier weken vanaf de datum van het verzoek breedbanddiensten kan leveren (ongeacht of dit pand reeds op het netwerk is aangesloten). De prijs die in rekening wordt gebracht voor het leveren van breedbanddiensten aan het pand van de eindgebruiker, mag in dit geval niet hoger liggen dan de normale aansluitkosten, wat betekent dat er geen extra of uitzonderlijke kosten mogen zijn in vergelijking met de normale commerciële praktijk en dat de prijs in ieder geval niet hoger mag liggen dan de gebruikelijke prijs in de betrokken lidstaat. Deze prijs moet worden vastgesteld door de bevoegde nationale overheidsinstantie;”;

(kkk)

de volgende punten 139 quinquies, 139 sexies en 139 septies worden ingevoegd:

“139 quinquies.

“piektijd”: de tijd van de dag met een typische duur van één uur waarin de netwerkbelasting gewoonlijk het hoogst is;

139 sexies.

“piektijdomstandigheden”: de omstandigheden waarmee het netwerk naar verwachting te maken zal krijgen tijdens de piektijd;

139 septies.

“relevante tijdshorizon”: de tijdshorizon die wordt gebruikt voor het verifiëren van geplande particuliere investeringen en die overeenkomt met de termijn die door de lidstaat wordt geraamd voor de uitrol van het geplande door de staat gefinancierde netwerk, beginnend op het moment van publicatie van de openbare raadpleging over het geplande overheidsoptreden en eindigend op het moment dat het netwerk in werking treedt (d.w.z. de start van de verlening van wholesale- of retaildiensten op het door de staat gefinancierde netwerk). De relevante tijdshorizon mag niet korter zijn dan twee jaar;”;

(lll)

punt 157 wordt vervangen door:

“157.

“haveninfrastructuur”: infrastructuur en faciliteiten voor het verrichten van vervoergerelateerde havendiensten, zoals ligplaatsen die voor het afmeren van schepen worden gebruikt, kademuren, aanlegsteigers en drijvende pontons in getijdegebieden, dokken, gedempte gronden en landaanwinningen, infrastructuur voor de inzameling van scheepsafval en ladingresiduen en oplaad- en tankinfrastructuur in havens die vervoermiddelen, mobiel terminalmaterieel en mobiel grondafhandelingsmaterieel voorzien van elektriciteit, waterstof, ammoniak en methanol;”;

(mmm)

punt 161 wordt geschrapt.

3)

in artikel 4 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

(a)

de punten a) tot en met e) worden vervangen door:

“(a)

voor regionale investeringssteun: voor een investering met 110 miljoen EUR of meer in aanmerking komende kosten zijn de steunbedragen per onderneming per investeringsproject als volgt:

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 10 %: 8,25 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 15 %: 12,38 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 20 %: 16,5 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 25 %: 20,63 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 30 %: 24,75 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 35 %: 28,88 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 40 %: 33 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 50 %: 41,25 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 60 %: 49,5 miljoen EUR;

in zaken met een maximale regionale steunintensiteit van 70 %: 57,75 miljoen EUR;

(b)

voor regionale stadsontwikkelingssteun: 22 miljoen EUR, zoals vastgesteld in artikel 16, lid 3;

(c)

investeringssteun voor kmo’s: 8,25 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

(d)

voor kmo-steun ten behoeve van advisering: 2,2 miljoen EUR per onderneming per project.

(e)

voor kmo-steun ten behoeve van deelneming aan beurzen: 2,2 miljoen EUR per onderneming per jaar;”;

(b)

de volgende punten e bis) en e ter) worden ingevoegd:

“e bis)

voor steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte als bedoeld in artikel 19 quater: 200 000 EUR per begunstigde per kalenderjaar. Voor micro-ondernemingen die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten, bedraagt dit maximum 25 000 EUR per begunstigde per kalenderjaar en voor micro-ondernemingen die actief zijn in de visserij- en aquacultuursector, 30 000 EUR per begunstigde per kalenderjaar;

e ter)

voor steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas of elektriciteit om de gevolgen van prijsstijgingen na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten, als bedoeld in artikel 19 quinquies: 2 miljoen EUR per begunstigde per kalenderjaar. Voor kmo’s die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten bedraagt dit maximum 250 000 EUR per begunstigde per kalenderjaar en voor kmo’s die actief zijn in de visserij- en aquacultuursector 300 000 EUR per begunstigde per kalenderjaar. Steun aan ondernemingen die actief zijn in de verwerking en de afzet van landbouwproducten is afhankelijk van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven;”;

(c)

de punten f) tot en met s bis) worden vervangen door:

“f)

voor steun aan ondernemingen die aan projecten voor Europese territoriale samenwerking deelnemen: voor steun uit hoofde van artikel 20: 2,2 miljoen EUR per onderneming per project; voor steun uit hoofde van artikel 20 bis: de in artikel 20 bis, lid 2, vastgestelde bedragen per onderneming, per project;

g)

voor risicofinancieringssteun: 16,5 miljoen EUR voor elke in aanmerking komende onderneming zoals vastgelegd in artikel 21, lid 8, en artikel 21 bis, lid 2;

h)

voor starterssteun: de per onderneming in artikel 22, leden 3, 4, 5 en 7 vastgestelde bedragen;

i)

voor steun voor onderzoek en ontwikkeling:

i)

indien het project overwegend fundamenteel onderzoek is: 55 miljoen EUR per onderneming per project. Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie “fundamenteel onderzoek” vallen;

ii)

indien het project overwegend industrieel onderzoek is: 35 miljoen EUR per onderneming per project. Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie “industrieel onderzoek” vallen of binnen de beide categorieën “industrieel onderzoek” en “fundamenteel onderzoek” samen;

iii)

indien het project overwegend “experimentele ontwikkeling” is: 25 miljoen EUR per onderneming per project. Dat is het geval wanneer meer dan de helft van de in aanmerking komende kosten van het project wordt gemaakt voor activiteiten die binnen de categorie “experimentele ontwikkeling” vallen;

iv)

indien het project een Eureka-project is, wordt uitgevoerd in het kader van een gemeenschappelijke onderneming opgericht op grond van artikel 185 of artikel 187 van het Verdrag, of voldoet aan de voorwaarden als vastgesteld in artikel 25, lid 6, punt d), worden de in de punten i), ii) en iii) genoemde bedragen verdubbeld;

v)

indien de steun aan onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten wordt toegekend in de vorm van terugbetaalbare voorschotten die, bij gebreke van een geaccepteerde methode om het bruto-subsidie-equivalent ervan te berekenen, worden uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, en de maatregel erin voorziet dat, ingeval van een succesvolle uitkomst van het project als omschreven op basis van een redelijke en prudente hypothese, de voorschotten zullen worden terugbetaald, vermeerderd met een rente die ten minste gelijk is aan de op het tijdstip van de steunverlening toepasselijke disconteringsvoet, kunnen de in de punten i) tot en met iv) bedoelde bedragen worden verhoogd met 50 %;

vi)

voor steun voor technische haalbaarheidsstudies ter voorbereiding van onderzoeksactiviteiten: 8,25 miljoen EUR per studie;

vii)

voor steun aan kmo’s ten behoeve van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die het kwaliteitslabel “Excellentiekeur” hebben gekregen en die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 25 bis: het in artikel 25 bis bedoelde bedrag;

viii)

voor steun aan Marie Skłodowska-Curieacties en ERC-Proof of concept-acties die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 25 ter: de in artikel 25 ter bedoelde bedragen;

ix)

indien het steun betreft welke is vervat in gecofinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 25 quater: de in artikel 25 quater bedoelde bedragen;

x)

indien het steun betreft voor teamvormingsacties: de in artikel 25 quinquies bedoelde bedragen;

xi)

voor steun in het kader van de cofinanciering van projecten die door het Europees Defensiefonds of het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie uit hoofde van artikel 25 sexies worden gesteund: 80 miljoen EUR per onderneming per project;

j)

voor investeringssteun voor lokale onderzoeksinfrastructuur: 35 miljoen EUR per infrastructuur;

j bis)

voor investeringssteun voor test- en experimenteerinfrastructuur: 25 miljoen EUR per infrastructuur;

k)

voor steun voor innovatieclusters: 10 miljoen EUR per cluster;

l)

innovatiesteun voor kmo’s: 10 miljoen EUR per onderneming per project.

m)

steun voor proces- en organisatie-innovatie: 12,5 miljoen EUR per onderneming per project.

n)

voor opleidingssteun: 3 miljoen EUR per opleidingsproject;

o)

voor steun voor de indienstneming van kwetsbare werknemers: 5,5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

p)

steun in de vorm van loonsubsidies ten behoeve van de tewerkstelling van werknemers met een handicap: 11 miljoen EUR per onderneming per jaar;

q)

voor steun ter compensatie van de bijkomende kosten voor de tewerkstelling van werknemers met een handicap: 11 miljoen EUR per onderneming per jaar;

r)

voor de compensatie van de kosten voor de begeleiding van kwetsbare werknemers: 5,5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

s)

voor investeringssteun voor milieubescherming, tenzij anders vermeld: 30 miljoen EUR per onderneming per investeringsproject;

s bis)

voor steun voor in artikel 36, lid 4, bedoelde specifieke infrastructuur en opslag: 25 miljoen EUR per project;”;

(d)

de volgende punten s ter tot en met s septies worden ingevoegd:

“s ter)

voor investeringssteun ten behoeve van in artikel 36 bis, leden 1 en 2, bedoelde oplaad- of tankinfrastructuur: 30 miljoen EUR per onderneming per project en, in het geval van regelingen, een gemiddeld jaarlijks budget van 300 miljoen EUR;

s quater)

voor investeringssteun ten behoeve van de in artikel 38 bis, lid 7, en artikel 39, lid 2 bis, bedoelde gecombineerde verbeteringen van de energie- en milieuprestaties van gebouwen: 30 miljoen EUR per onderneming per project;

s quinquies)

voor steun voor het faciliteren van energieprestatiecontracten als bedoeld in artikel 38 ter: 30 miljoen EUR van de totale nominale uitstaande financiering per begunstigde;

s sexies)

voor investeringssteun ten behoeve van energie-efficiëntieprojecten in gebouwen in de vorm van financiële instrumenten: de in artikel 39, lid 5, genoemde bedragen;

s septies)

voor steun in vorm van de in artikel 44 bis bedoelde kortingen op milieubelastingen of -heffingen: 50 miljoen EUR per regeling per jaar;”;

(e)

de punten t) en u) worden geschrapt;

(f)

de punten v) tot en met y) worden vervangen door:

“v)

voor exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, als bedoeld in artikel 42, en voor exploitatiesteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en hernieuwbare waterstof in kleine projecten en hernieuwbare-energiegemeenschappen, als bedoeld in artikel 43: 30 miljoen EUR per onderneming per project; de som van de steunmiddelen van alle onder artikel 42 vallende regelingen en de som van de steunmiddelen van alle onder artikel 43 vallende regelingen mogen respectievelijk niet meer dan 300 miljoen EUR per jaar bedragen;

w)

voor steun ten behoeve van stadsverwarmings- of stadskoelingssystemen, als bedoeld in artikel 46: 50 miljoen EUR per onderneming per project;

x)

voor steun ten behoeve van energie-infrastructuur, als bedoeld in artikel 48: 70 miljoen EUR per onderneming per project;

y)

voor steun ten behoeve van de uitrol van vaste breedbandnetwerken toegekend in de vorm van een subsidie: 100 miljoen EUR van de totale kosten per project; voor steun ten behoeve van vaste breedbandnetwerken toegekend in de vorm van een financieel instrument waarvan het nominale bedrag van de totale financiering dat aan elke eindbegunstigde per project wordt toegekend, 150 miljoen EUR niet mag overschrijden;”;

(g)

het volgende punt y quinquies) wordt ingevoegd:

“y quinquies)

voor steun ten behoeve van de uitrol van backhaulnetwerken toegekend in de vorm van een subsidie: 100 miljoen EUR van de totale kosten per project; voor steun ten behoeve van de uitrol van backhaulnetwerken toegekend in de vorm van een financieel instrument waarvan het nominale bedrag van de totale financiering dat aan elke eindbegunstigde per project wordt toegekend, 150 miljoen EUR niet mag overschrijden;”;

(h)

de punten z) tot en met cc) worden vervangen door:

“z)

voor investeringssteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: 165 miljoen EUR per project; voor exploitatiesteun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed: 82,5 miljoen EUR per onderneming per jaar;

aa)

voor steunregelingen voor audiovisuele werken: 55 miljoen EUR per regeling per jaar;

bb)

voor steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur: 33 miljoen EUR of de totale kosten indien deze meer dan 110 miljoen EUR per project bedragen; exploitatiesteun voor sportinfrastructuur: 2,2 miljoen EUR per infrastructuurvoorziening per jaar;

cc)

voor investeringssteun voor lokale infrastructuurvoorzieningen: 11 miljoen EUR of de totale kosten indien die meer dan 22 miljoen EUR bedragen voor dezelfde infrastructuurvoorziening;”;

(i)

de punten ee) en ff) worden vervangen door:

“ee)

voor steun voor zeehavens: 143 miljoen EUR aan in aanmerking komende kosten per project (of 165 miljoen EUR per project in een zeehaven opgenomen in het werkplan van een kernnetwerkcorridor als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*34)); wat baggeren betreft, wordt een project omschreven als alle baggerwerkzaamheden uitgevoerd binnen één kalenderjaar;

ff)

voor steun voor binnenhavens: 44 miljoen EUR in aanmerking komende kosten per project (of 55 miljoen EUR per project in een binnenhaven opgenomen in het werkplan van een kernnetwerkcorridor als bedoeld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013); wat baggeren betreft, wordt een project omschreven als alle baggerwerkzaamheden uitgevoerd binnen één kalenderjaar;

(*34)  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).”;"

(j)

punt hh) wordt vervangen door:

“hh)

voor steun ten behoeve van kmo’s voor kosten gemaakt door de deelname aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD): voor steun uit hoofde van artikel 19 bis: 2 miljoen EUR per onderneming per project; voor steun uit hoofde van artikel 19 ter: de in artikel 19 ter, lid 2, vastgestelde bedragen per project.”;

4)

artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 2 wordt punt f) vervangen door:

“f)

steun in de vorm van risicofinancieringsmaatregelen indien de voorwaarden van artikel 21 en artikel 21 bis vervuld;”;

(b)

in lid 2 wordt het volgende punt g bis) ingevoegd:

“g bis)

kmo-steun in de vorm van verlaagde toegangsvergoedingen of kosteloze toegang tot innovatieadviesdiensten en innovatieondersteuningsdiensten, zoals gedefinieerd in, respectievelijk, artikel 2, punt 94, en artikel 2, punt 95, die door bijvoorbeeld organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of innovatieclusters worden aangeboden op basis van een steunregeling, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

het in de vorm van verlaagde vergoedingen of kosteloze toegang verkregen voordeel is kwantificeerbaar en aantoonbaar;

ii)

de volledige of gedeeltelijke tariefkortingen voor diensten en de regels waarop kmo’s een aanvraag kunnen indienen, worden geselecteerd en kortingen krijgen toegekend, worden publiek beschikbaar gesteld (via websites of andere geschikte middelen) voordat de dienstverrichter de kortingen begint aan te bieden;

iii)

de dienstverrichter houdt de steunbedragen bij die elke kmo in de vorm van tariefkortingen heeft gekregen, om zeker te zijn dat de in artikel 28, leden 3 en 4, bepaalde plafonds in acht worden genomen. Die gegevens worden bijgehouden gedurende tien jaar vanaf de datum waarop de laatste steun door de dienstverrichter is toegekend;”;

(c)

in lid 2 wordt punt l) vervangen door:

“l)

steun vervat in door het InvestEU-fonds ondersteunde financiële producten, indien de voorwaarden van hoofdstuk III, deel 16, zijn vervuld;”;

(d)

in lid 2 worden de volgende punten m) en n) toegevoegd:

“m)

steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte, indien de voorwaarden van artikel 19 quater zijn vervuld;

n)

steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas of elektriciteit om de gevolgen van prijsstijgingen na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten, indien de voorwaarden van artikel 19 quinquies zijn vervuld.”;

5)

artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 5 wordt punt b) vervangen door:

“b)

steun om kmo’s toegang tot financiering te geven, indien de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 21, 21 bis en 22 zijn vervuld”;

(b)

in lid 5 wordt punt l) vervangen door:

“l)

steun voor kmo’s die deelnemen aan of baat hebben bij CLLD-projecten, indien de desbetreffende voorwaarden van de artikelen 19 bis of 19 ter zijn vervuld;”;

(c)

aan lid 5 worden de volgende punten m) tot en met q) toegevoegd:

“m)

steun voor het herstel van milieuschade en de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen indien de sanerings- of rehabilitatiekosten hoger uitvallen dan de stijging van de waarde van de gronden of het vastgoed en de voorwaarden van artikel 45 zijn vervuld;

n)

steun voor de bescherming van de biodiversiteit en de uitvoering van nature-based solutions voor klimaatadaptatie en -mitigatie indien de voorwaarden van artikel 45 zijn vervuld;

o)

steun ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen uit hoofde van de artikelen 41, 42 en 43 wanneer de steun automatisch wordt toegekend in overeenstemming met objectieve en niet-discriminerende criteria en zonder dat de lidstaat nog enige beoordelingsbevoegdheid uitoefent en de maatregel is goedgekeurd en in werking is getreden voordat de werkzaamheden aan het gesteunde project of de gesteunde activiteit zijn aangevangen;

p)

steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, indien de voorwaarden van artikel 19 quater zijn vervuld;

q)

steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas of elektriciteit om de gevolgen van prijsstijgingen na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten, indien de voorwaarden van artikel 19 quinquies zijn vervuld;”;

6)

in artikel 7 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Bij de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten zijn alle bedragen die worden gebruikt, de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Bij de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten wordt echter geen rekening gehouden met de belasting over de toegevoegde waarde die wordt geheven over in aanmerking komende kosten, of uitgaven die krachtens de toepasselijke nationale belastingwetgeving terugvorderbaar zijn. De in aanmerking komende kosten worden gestaafd met bewijsstukken, die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn. De bedragen van de in aanmerking komende kosten kunnen worden berekend in overeenstemming met vereenvoudigde kostenopties, mits de concrete actie ten minste gedeeltelijk wordt gefinancierd via een Uniefonds dat de mogelijkheid biedt gebruik te maken van die vereenvoudigde kostenopties en mits de kostencategorie volgens de desbetreffende vrijstellingsbepaling in aanmerking komt. In dat geval zijn de vereenvoudigde kostenopties waarin de desbetreffende voorschriften met betrekking tot het Uniefonds voorzien, van toepassing. Daarnaast kunnen voor projecten die worden uitgevoerd in overeenstemming met herstel- en veerkrachtplannen zoals goedgekeurd door de Raad krachtens Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad (*35), de bedragen van de in aanmerking komende kosten ook worden berekend in overeenstemming met vereenvoudigde kostenopties, mits de in Verordening (EU) nr. 1303/2013 of Verordening (EU) 2021/1060 beschreven vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt. Bovendien kunnen voor steun op grond van de artikelen 25 bis en 25 ter de indirecte kosten worden berekend overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in lid 3 van respectievelijk artikel 25 bis en artikel 25 ter.

(*35)  Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (PB L 57 van 18.2.2021, blz. 17).”;"

7)

artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Wanneer centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat, wordt gecumuleerd met staatssteun, wordt alleen met deze laatste rekening gehouden om te bepalen of aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten in acht worden genomen, mits het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, het in de toepasselijke regels van het Unierecht vastgestelde gunstigste financieringspercentage niet overschrijdt. In afwijking hiervan kan de totale overheidsfinanciering voor projecten die door het Europese Defensiefonds worden gesteund, oplopen tot de totale in aanmerking komende kosten van het project, ongeacht het maximale financieringspercentage dat in het kader van dit fonds van toepassing is, mits de aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten of de maximale steunbedragen op grond van deze verordening in acht worden genomen.”

;

(b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   Krachtens artikelen 19 ter, 20 bis, 21, 21 bis, 22 of 23, artikel 56 sexies, lid 5, punt a), ii), iii) of iv), artikel 56 sexies, lid 10 en artikel 56 septies vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met andere staatssteun met identificeerbare in aanmerking komende kosten. Steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met andere staatssteun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten, tot de hoogste desbetreffende totale financieringsdrempel zoals die in de specifieke omstandigheden van elk geval is vastgelegd in deze of een andere groepsvrijstellingsverordening of in een besluit van de Commissie. Steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten die krachtens deze verordening is vrijgesteld, mag worden gecumuleerd met andere steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten die wordt toegekend om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen op grond van artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag na goedkeuring bij besluit van de Commissie. Krachtens artikel 56 sexies, lid 5, punten a), ii), iii) of iv), artikel 56 sexies, lid 10, en artikel 56 septies vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten mag worden gecumuleerd met krachtens die artikelen vrijgestelde steun zonder identificeerbare in aanmerking komende kosten.”

;

8)

artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de leden 1 en 2 worden vervangen door:

“1.   De betrokken lidstaat zorgt voor de bekendmaking van de volgende informatie, in de “Transparency Award Module” van de Commissie (*36) of op een uitgebreide staatssteunwebsite op nationaal of regionaal niveau:

a)

de in artikel 11 van deze verordening bedoelde beknopte informatie in het gestandaardiseerde formaat dat in bijlage II is vastgesteld, of een link die daartoe toegang biedt;

b)

de volledige tekst van elke steunmaatregel, als bedoeld in artikel 11, of een link die toegang biedt tot de volledige tekst;

c)

de in bijlage III bedoelde gegevens over elke individuele steunverlening van meer dan 100 000 EUR of, voor steun vervat in door het InvestEU-fonds krachtens deel 16 ondersteunde financiële producten, over elke individuele steunverlening van meer dan 500 000 EUR, of voor niet onder deel 2 bis vallende begunstigden die in de primaire landbouwproductie of in de visserij en de aquacultuur actief zijn, elke individuele steunverlening van meer dan 10 000 EUR.

Wat betreft steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20, wordt de in dit lid bedoelde informatie geplaatst op de website van de lidstaat waarin de betrokken managementautoriteit zoals gedefinieerd in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*37) of artikel 45 van Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad (*38), naargelang van de verordening die van toepassing is, is gevestigd. De deelnemende lidstaten kunnen echter beslissen dat elk van hen de gegevens over de steunmaatregelen op zijn grondgebied moet verschaffen op de respectieve websites.

De in de eerste alinea vastgestelde publicatieverplichtingen zijn niet van toepassing op steun toegekend aan in artikel 20 bis bedoelde projecten voor Europese territoriale samenwerking, of aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als bedoeld in artikel 19 ter.

2.   Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen en voor onder de artikelen 16, 21 bis en 22 (*39) vallende regelingen worden de in lid 1, eerste alinea, punt c), van dit artikel vastgestelde voorwaarden geacht te zijn vervuld indien de lidstaten de verlangde informatie over individuele steunbedragen publiceren volgens de onderstaande tranches (in miljoen EUR):

 

0,01-0,1 (alleen voor visserij en aquacultuur en voor primaire landbouwproductie);

 

0,1-0,5;

 

0,5-1;

 

1-2;

 

2-5;

 

5-10;

 

10-30; en

 

30 en meer.

(*36)  State Aid Transparency — publieke zoekpagina, beschikbaar op: https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public?lang=nl"

(*37)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259)."

(*38)  Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten (PB L 231 van 30.6.2021, blz. 94)."

(*39)  Voor regelingen op grond van de artikelen 16, 21 bis en 22 van deze verordening kan van het vereiste om over elke individuele steunverlening van meer dan 100 000 EUR gegevens bekend te maken, ontheffing worden verleend aan kmo’s die geen commerciële verkoop op een markt hebben verricht.”;"

(b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   De in lid 1, punt c), bedoelde gegevens worden georganiseerd en toegankelijk gemaakt op een gestandaardiseerde wijze, zoals beschreven in bijlage III, en bieden daadwerkelijke zoekmogelijkheden en downloadfuncties. Zij worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van de toekenning van de steun of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte, en blijven beschikbaar voor ten minste tien jaar vanaf de datum waarop de steun is verleend. Voor steun in de vorm van een belastingvoordeel wordt, indien een jaarlijkse aangifte niet formeel vereist is, 31 december van het jaar waarvoor de steun is verleend, voor de toepassing van dit lid als de datum van toekenning beschouwd.”

;

9)

in artikel 11, lid 1, wordt de laatste zin vervangen door:

“De eerste alinea is niet van toepassing op steun toegekend aan projecten voor Europese territoriale samenwerking als bedoeld in artikel 20 bis of aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD) als bedoeld in artikel 19 ter.”;

10)

artikel 13 wordt vervangen door:

“Artikel 13

Toepassingsgebied van regionale steun

Dit deel is niet van toepassing op:

a)

steun in de ijzer- en staalindustrie, de bruinkoolindustrie en de kolenindustrie;

b)

steun ten behoeve van de vervoersector en de daarmee verband houdende infrastructuur; steun voor de energieproductie, -opslag, -transmissie, -distributie en -infrastructuur, behalve bij regionale investeringssteun in ultraperifere gebieden en regelingen voor regionale exploitatiesteun; en steun in de breedbandsector, met uitzondering van regelingen voor regionale exploitatiesteun;

c)

regionale steun in de vorm van regelingen die zijn gericht op een beperkt aantal specifieke economische sectoren. Regelingen die zijn gericht op toeristische activiteiten of de verwerking en afzet van landbouwproducten, gelden niet als gericht op specifieke economische sectoren;

d)

regionale exploitatiesteun toegekend aan ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit valt onder sectie K “Financiële activiteiten en verzekeringen” van NACE Rev. 2, of aan ondernemingen die intragroepsactiviteiten verrichten en waarvan de hoofdactiviteiten vallen onder de klassen 70.10 “Activiteiten van hoofdkantoren” of 70.22 Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering” van NACE Rev. 2.”;

11)

artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   In steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen, kan steun worden verleend ten behoeve van iedere vorm van initiële investering, ongeacht de grootte van de begunstigde. In steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, kan steun worden verleend aan kmo’s ten behoeve van iedere vorm van initiële investering en aan grote ondernemingen alleen voor een initiële investering die een nieuwe economische activiteit in het betrokken gebied doet ontstaan.”

;

(b)

de leden 4 tot en met 7 worden vervangen door:

“4.   De in aanmerking komende kosten zijn één of meer van de volgende kosten:

a)

de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa; of

b)

de geraamde loonkosten van als gevolg van een initiële investering gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar; of

c)

een combinatie van een deel van de in punten a) en b) bedoelde kosten, die echter niet het bedrag uit punt a) of b) overschrijdt, als dit hoger is.

5.   Nadat de investering is voltooid, blijft deze gedurende ten minste vijf jaar of, in het geval van kmo’s, drie jaar in het betrokken gebied behouden. Een en ander staat er niet aan in de weg dat installaties of uitrusting die in deze periode verouderd of defect raken, worden vervangen, op voorwaarde dat de economische activiteiten gedurende de minimumperiode in het bewuste gebied behouden blijven.

6.   De activa zijn nieuw, behalve bij kmo’s en voor de overname van een vestiging.

Kosten met betrekking tot de huur/leasing van materiële activa kunnen op de volgende voorwaarden in aanmerking worden genomen:

a)

voor gronden en gebouwen moet de huur na het verwachte tijdstip van de voltooiing van de investering ten minste vijf jaar blijven doorlopen in het geval van grote ondernemingen en drie jaar in het geval van kmo’s;

b)

voor installaties of machines vindt de huur plaats in de vorm van financiële leasing en houdt deze voor de begunstigde van de steun een verplichting in om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.

In het geval van een initiële investering als bedoeld in artikel 2, punt 49, b), of artikel 2, punt 51, b), worden in beginsel alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking genomen. Indien echter een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar, of een of meer werknemers, een kleine onderneming overneemt/overnemen, is de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper, niet van toepassing. De transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. Indien de verwerving van de activa van een vestiging vergezeld gaat van een bijkomende, voor regionale steun in aanmerking komende investering, worden de in aanmerking komende kosten van die aanvullende investering bijgeteld bij de kosten voor de verwerving van de activa van de vestiging. Indien vóór de verwerving van activa reeds steun is verleend ten behoeve van de verwerving daarvan, worden de kosten van die activa in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten met betrekking tot de verwerving van een vestiging.

7.   Voor steun aan grote ondernemingen ten behoeve van een fundamentele verandering in het productieproces liggen de in aanmerking komende kosten hoger dan de in de drie voorafgaande belastingjaren doorgevoerde afschrijving voor de met de te moderniseren activiteit verband houdende activa. Voor steun aan grote ondernemingen of kmo’s ten behoeve van diversificatie van een bestaande vestiging liggen de in aanmerking komende kosten ten minste 200 % hoger dan de boekwaarde van de opnieuw gebruikte activa, zoals die in het belastingjaar voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden is geboekt.”

;

(c)

lid 8 wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt punt d) vervangen door:

“d)

zij moeten worden opgenomen bij de activa van de steun ontvangende onderneming en moeten gedurende ten minste vijf jaar (drie jaar voor kmo’s) verbonden blijven met het project waarvoor de steun wordt verleend.”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

“Voor grote ondernemingen komen de kosten van immateriële activa slechts in aanmerking tot 50 % van de totale in aanmerking komende investeringskosten voor de initiële investering. Voor kmo’s komt 100 % van de kosten van immateriële activa in aanmerking.”;

(d)

in lid 9 worden de punten a) en b) vervangen door:

“a)

het investeringsproject levert een nettoverhoging op van het aantal werknemers in de betrokken vestiging ten opzichte van het gemiddelde over de twaalf voorafgaande maanden, nadat het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen in mindering is gebracht op het aantal arbeidsplaatsen dat in die periode verloren is gegaan, uitgedrukt in arbeidsjaareenheden;

b)

iedere arbeidsplaats wordt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering ingevuld;”;

(e)

de leden 10 en 11 worden geschrapt;

(f)

in lid 12 wordt de eerste zin vervangen door:

“12.   De steunintensiteit overschrijdt de maximale steunintensiteit zoals die is vastgesteld op de regionale-steunkaart die van kracht is op het tijdstip van de steunverlening in het betrokken gebied, niet.”

;

(g)

in lid 13 wordt de eerste zin vervangen door:

“13.   Een initiële investering in verband met dezelfde of een soortgelijke activiteit die door dezelfde begunstigde (op groepsniveau) wordt opgestart binnen een periode van drie jaar vanaf de aanvang van de werkzaamheden in een andere gesteunde investering in dezelfde niveau 3-regio van de Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS), wordt beschouwd als onderdeel van hetzelfde investeringsproject.”

;

(h)

de leden 14 en 15 worden vervangen door:

“14.   De begunstigde van de steun levert een financiële bijdrage van ten minste 25 % van de in aanmerking komende kosten, hetzij uit eigen middelen, hetzij via externe financiering, in een vorm die vrij is van enige steun van de overheid. Het vereiste van een eigen bijdrage van 25 % geldt niet voor investeringssteun die wordt verleend voor investeringen in ultraperifere gebieden in die zin dat een lagere bijdrage noodzakelijk is om de maximale steunintensiteit volledig te kunnen benutten.

15.   Voor een initiële investering in verband met projecten voor Europese territoriale samenwerking (ETC) die onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 of Verordening (EU) 2021/1059 vallen, is de steunintensiteit van het gebied waarin de initiële investering gevestigd is, van toepassing op alle begunstigden die aan het project deelnemen. Indien de initiële investering in twee of meer steungebieden is gevestigd, is de maximale steunintensiteit de intensiteit die van toepassing is in het steungebied waar het hoogste bedrag aan in aanmerking komende kosten wordt gemaakt. In steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voor steun in aanmerking komen, geldt deze bepaling voor grote ondernemingen alleen indien de initiële investering een nieuwe economische activiteit betreft.”

;

12)

artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 2 wordt punt b) vervangen door:

“b)

de bijkomende vervoerskosten worden berekend op basis van het traject van de goederen binnen de nationale grenzen van de betrokken lidstaat, gebruikmakend van vervoermiddelen die voor de begunstigde de laagste kostprijs opleveren. De lidstaat kan milieunormen opleggen waaraan de gekozen vervoerswijze moet voldoen, en indien dergelijke normen aan de begunstigde worden opgelegd, kan hij de berekening van de extra vervoerskosten baseren op de laagste kosten om aan die milieunormen te voldoen.”;

(b)

in lid 3 wordt de inleidende zin vervangen door:

“3.   In dunbevolkte en zeer dunbevolkte gebieden dienen de regelingen voor regionale exploitatiesteun ter voorkoming of vermindering van de ontvolking, onder de volgende voorwaarden:”;

13)

artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De totale investeringen in een stadsontwikkelingsproject in het kader van steunmaatregelen voor stadsontwikkeling bedragen ten hoogste 22 miljoen EUR.”

;

(b)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   De stadsontwikkelingssteun dient als hefboom voor bijkomende investeringen van onafhankelijke particuliere investeerders zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 72, op het niveau van de stadsontwikkelingsfondsen of de stadsontwikkelingsprojecten, zodat daarmee een bedrag van in totaal ten minste 20 % van de totale financiering voor een stadsontwikkelingsproject wordt bereikt.”

;

14)

artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   De in aanmerking komende kosten zijn één of meer van de volgende kosten:

a)

de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa, met inbegrip van eenmalige niet-afschrijfbare kosten die rechtstreeks verband houden met de investering en de eerste installatie ervan;

b)

de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar;

c)

een combinatie van een deel van de in punten a) en b) bedoelde kosten, die echter niet het bedrag uit punt a) of b) overschrijdt, als dit hoger is.

3.   Om als in aanmerking komende kosten onder de toepassing van dit artikel te kunnen vallen, bestaat een investering in:

a)

een investering in materiële en immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging; de uitbreiding van een bestaande vestiging; de diversificatie van de productie van een vestiging naar producten of diensten die voordien niet in de vestiging werden vervaardigd of vanuit hier werden geleverd; of een fundamentele wijziging in het volledige productieproces van het product of de producten of van het totale aanbod van de dienst of diensten waarop de investering in de vestiging betrekking heeft; of

b)

een verwerving van activa behorende tot een vestiging die is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming kwalificeert niet als initiële investering. De transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. In beginsel worden alleen de kosten voor de aankoop van de activa van derden die geen banden met de koper hebben, in aanmerking genomen. Indien echter een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar, of een of meer werknemers, een kleine onderneming overneemt/overnemen, is de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper, niet van toepassing.

Een vervangingsinvestering is dus geen investering in de zin van dit lid.”

;

(b)

het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:

“3 bis   Kosten met betrekking tot de huur/leasing van materiële activa kunnen op de volgende voorwaarden in aanmerking worden genomen:

a)

voor gronden en gebouwen moet de huur na het verwachte tijdstip van de voltooiing van de investering ten minste drie jaar blijven doorlopen;

b)

voor installaties of machines vindt de huur plaats in de vorm van financiële leasing en houdt deze voor de begunstigde van de steun een verplichting in om de activa na afloop van de leaseovereenkomst te kopen.”;

(c)

lid 4wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt b) wordt vervangen door:

“b)

zij kunnen worden afgeschreven;”;

ii)

punt d) wordt vervangen door:

“d)

zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de steun ontvangende onderneming.”;

15)

De artikelen 19 bis en 19 ter worden vervangen door:

“Artikel 19 bis.

Steun ten behoeve van kmo’s voor kosten gemaakt door de deelname aan projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)

1.   Steun voor kosten gemaakt door kmo’s die aan onder Verordening (EU) nr. 1303/2013 of Verordening (EU) 2021/1060 vallende CLLD-projecten deelnemen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De volgende kosten, als bedoeld in artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 of artikel 34, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060, naargelang van de verordening die van toepassing is, komen in aanmerking voor CLLD-projecten:

a)

kosten van voorbereidende ondersteuning, capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming met het oog op het opzetten en uitvoeren van een CLLD-strategie;

b)

de uitvoering van goedgekeurde verrichtingen;

c)

kosten van de voorbereiding en de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten;

d)

lopende kosten in verband met het beheer van de uitvoering van de CLLD-strategie;

e)

dynamisering van de CLLD-strategie om uitwisseling tussen belanghebbenden te bevorderen met het oog op informatieverstrekking en promotie van de strategie en projecten en om potentiële begunstigden te ondersteunen bij de uitwerking van verrichtingen en de indiening van aanvragen.

3.   De steunintensiteit is niet hoger dan de maximale steunpercentages die in de fondsspecifieke verordeningen ter ondersteuning van CLLD zijn vastgesteld.

Artikel 19 ter

Beperkte steunbedragen aan kmo’s die profiteren van projecten voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)

1.   Steun aan ondernemingen die deelnemen aan of profiteren van CLLD-projecten, als bedoeld in artikel 19 bis, lid 1, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Het totale steunbedrag per project in het kader van dit artikel bedraagt ten hoogste 200 000 EUR.”;

16)

de volgende artikelen 19 quater en 19 quinquies worden ingevoegd:

“Artikel 19 quater

Steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte

1.   Steun aan micro-ondernemingen in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Dit artikel is van toepassing op:

a)

overheidsingrijpen in de prijsstelling waarbij de door de leveranciers op micro-ondernemingen toegepaste prijzen per eenheid elektriciteit, gas of warmte worden verlaagd;

b)

betalingen aan micro-ondernemingen, hetzij rechtstreeks, hetzij via leveranciers, per eenheid elektriciteits-, gas- of warmteverbruik ter compensatie van een deel van de kosten van dat verbruik.

2.   De maatregelen uit hoofde van lid 1:

a)

discrimineren niet tussen leveranciers noch tussen micro-ondernemingen;

b)

zorgen ervoor dat alle leveranciers in aanmerking komen om op dezelfde basis de levering van elektriciteit, gas of warmte aan micro-ondernemingen aan te bieden;

c)

voorzien in een mechanisme dat, indien verleend via een leverancier, ervoor zorgt dat de steun zoveel mogelijk wordt doorgegeven aan de eindbegunstigde; en

d)

resulteren in een prijs die boven de kostprijs ligt, op een niveau waarop daadwerkelijke prijsmededinging mogelijk is.

3.   Het steunbedrag is gelijk aan de toegekende betaling of, indien er sprake is van overheidsingrijpen in de prijsstelling, niet hoger dan het verschil tussen de marktprijs die had moeten worden betaald voor het totale verbruik van elektriciteit, gas en/of warmte door een begunstigde, en de prijs die na het overheidsingrijpen voor dit verbruik moet worden betaald.

Artikel 19 quinquies

Steun aan kmo’s in de vorm van tijdelijke overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas of elektriciteit om de gevolgen van prijsstijgingen na de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne te verzachten

1.   Steun aan kmo’s in de vorm van overheidsinterventies met betrekking tot de levering van elektriciteit, gas of warmte, voor zover deze uit aardgas of elektriciteit is verkregen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Dit artikel is van toepassing op:

a)

overheidsinterventies in de prijsstelling waarbij de door de leveranciers toegepaste prijzen per eenheid elektriciteit, gas of warmte worden verlaagd;

b)

betalingen aan kmo’s, hetzij rechtstreeks, hetzij via leveranciers, per eenheid elektriciteits-, gas- of warmteverbruik ter compensatie van een deel van de kosten van dat verbruik.

2.   De maatregelen uit hoofde van lid 1:

a)

zijn beperkt tot maximaal 70 % van het verbruik door de begunstigde van elektriciteit, gas, of warmte uit aardgas of elektriciteit gedurende de periode waarop de steunmaatregel betrekking heeft;

b)

discrimineren niet tussen leveranciers noch tussen kmo’s;

c)

voorzien in compensatie voor leveranciers, indien zij volgens de overheidsinterventie onder de kostprijs moeten leveren;

d)

zorgen ervoor dat alle leveranciers in aanmerking komen om op dezelfde basis de levering van elektriciteit, gas of warmte aan te bieden;

e)

voorzien in een mechanisme dat, indien verleend via een leverancier, ervoor zorgt dat de steun zoveel mogelijk wordt doorgegeven aan de eindbegunstigde; en

f)

resulteren in een gemiddelde eenheidsprijs voor leveringen die ten minste gelijk is aan de gemiddelde prijs per eenheid elektriciteit, gas of warmte respectievelijk aan eindafnemers in de betrokken lidstaat in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2021.

3.   Betalingen aan leveranciers voor leveringen aan kmo’s, zoals opgelegd door overheidsinterventies in de prijsstelling onder de kostprijs van de leverancier, zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag, vrijgesteld, mits:

a)

de overheidsinterventie in de prijsstelling aan de vereisten van lid 2 voldoet; en

b)

de betaling van de compensatie niet hoger is dan het verschil tussen de prijs die de leverancier naar verwachting had kunnen verkrijgen bij de toepassing van marktgebaseerde leveringsprijzen zonder de interventie en de door de overheidsinterventie onder de kostprijs vastgestelde prijs.

4.   Dit artikel is van toepassing op steun voor de kosten van elektriciteit, gas of warmte die wordt verbruikt in een periode waarin overheidsinterventies in de prijsstelling ten behoeve van kmo’s die gas, elektriciteit of warmte ontvangen, uitdrukkelijk zijn toegestaan op grond van op artikel 122 van het Verdrag gebaseerde secundaire wetgeving. De steun wordt uiterlijk 12 maanden na het einde van deze periode verleend.

5.   Het steunbedrag is gelijk aan de betaling aan de kmo of de leverancier, of, in het geval van overheidsinterventies in de prijsstelling, niet hoger dan het verschil tussen de marktprijs die had moeten worden betaald voor het totale energieverbruik van een begunstigde, en de prijs die na de overheidsinterventie voor dit verbruik moet worden betaald.”;

17)

in artikel 20 bis wordt lid 2 vervangen door:

“2.   Het totale steunbedrag dat krachtens dit artikel per project aan een onderneming wordt verleend, beloopt ten hoogste 22 000 EUR.”

;

18)

artikel 21 wordt vervangen door:

“Artikel 21

Risicofinancieringssteun

1.   Regelingen voor risicofinanciering ten behoeve van kmo’s zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Lidstaten voeren — rechtstreeks of via een met het beheer belaste entiteit — de risicofinancieringsmaatregel uit via één of meer financiële intermediairs. De lidstaten of de met het beheer belaste entiteiten verschaffen financiële intermediairs een overheidsbijdrage overeenkomstig de leden 9 tot en met 13; en financiële intermediairs, overeenkomstig de leden 14 tot en met 17, doen risicofinancieringsinvesteringen overeenkomstig de leden 4 tot en met 8 in in aanmerking komende ondernemingen die aan lid 3 voldoen. Lidstaten of met het beheer belaste entiteiten investeren alleen direct in de in aanmerking komende ondernemingen, zonder dat een financiële intermediair daarbij betrokken wordt.

3.   In aanmerking komende ondernemingen zijn niet-beursgenoteerde kmo’s en voldoen op het tijdstip van de initiële risicofinancieringsinvestering ten minste aan een van de volgende voorwaarden:

a)

zij zijn niet op een markt actief geweest;

b)

zij zijn op een markt actief geweest in een van de volgende situaties:

i)

minder dan tien jaar na hun registratie; of

ii)

minder dan zeven jaar na hun eerste commerciële verkoop.

Wanneer een van de in punten i) en ii) bedoelde perioden om in aanmerking te komen op een bepaalde onderneming is toegepast, kan alleen die periode worden toegepast op eventuele latere risicofinancieringssteun aan dezelfde onderneming. Voor ondernemingen die een andere onderneming hebben overgenomen of uit een concentratie zijn ontstaan, omvat de toegepaste periode om in aanmerking te komen ook de activiteiten van de overgenomen onderneming respectievelijk de bij de concentratie betrokken ondernemingen, met uitzondering van overgenomen of bij de concentratie betrokken ondernemingen waarvan de omzet minder dan 10 % bedroeg van de omzet van de overnemende onderneming in het boekjaar voorafgaand aan de overname of, in het geval van ondernemingen die uit een concentratie zijn ontstaan, minder dan 10 % van de totale omzet van de bij de concentratie betrokken ondernemingen in het boekjaar voorafgaand aan de concentratie. Wat de in punt i) bedoelde periode om in aanmerking te komen betreft, begint de periode om in aanmerking te komen voor ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, indien deze wordt toegepast, hetzij op het tijdstip waarop de onderneming haar economische activiteit aanvangt, hetzij op het tijdstip waarop de onderneming belastingplichtig voor haar economische activiteiten wordt, als dat eerder is;

c)

zij vergen een initiële investering die, op basis van een ondernemingsplan dat is opgesteld met het oog op een nieuwe economische activiteit, meer bedraagt dan 50 % van hun gemiddelde jaaromzet over de voorafgaande vijf jaar. In afwijking van de eerste zin wordt die drempel beperkt tot 30 % voor de volgende investeringen, die worden beschouwd als initiële investeringen in een nieuwe economische activiteit:

i)

investeringen die de milieuprestaties van de activiteit aanzienlijk verbeteren overeenkomstig artikel 36, lid 2;

ii)

andere ecologisch duurzame investeringen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) 2020/852;

iii)

investeringen die gericht zijn op het vergroten van de capaciteit voor de winning, scheiding, raffinage, verwerking of recycling van een in bijlage IV vermelde kritieke grondstof.

4.   De risicofinancieringsinvestering kan ook betrekking hebben op vervolginvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen, ook na de in lid 3, punt b), bedoelde periode om in aanmerking te komen, mits elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)

het in lid 8 bedoelde totale bedrag aan risicofinanciering wordt niet overschreden;

b)

in de mogelijkheid van vervolginvesteringen was voorzien in het oorspronkelijke ondernemingsplan;

c)

de onderneming die de vervolginvesteringen ontvangt, is geen “verbonden onderneming” geworden, in de zin van artikel 3, lid 3, van bijlage I, met een andere onderneming dan de financiële intermediair of de onafhankelijke particuliere investeerder die in het kader van de maatregel risicofinanciering verschaft, tenzij de nieuwe entiteit een kmo is.

5.   Risicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen kunnen de vorm hebben van investeringen van eigen vermogen, quasi-eigenvermogen, leningen, garanties of een mix daarvan.

6.   Wanneer garanties worden verstrekt, bedraagt de garantie ten hoogste 80 % van de onderliggende lening aan de in aanmerking komende onderneming.

7.   Wanneer risicofinancieringsinvesteringen in de vorm van eigen vermogen en quasi-eigenvermogen plaatsvinden in in aanmerking komende ondernemingen, kan een risicofinancieringsmaatregel alleen vervangingskapitaal betreffen indien dit wordt gecombineerd met nieuw kapitaal dat ten minste 50 % van iedere investeringsronde in de in aanmerking komende ondernemingen vertegenwoordigt.

8.   Het totale in lid 5 bedoelde bedrag aan uitstaande risicofinanciering bedraagt bij iedere risicofinancieringsmaatregel ten hoogste 16,5 miljoen EUR per in aanmerking komende onderneming. Om dit bedrag van de maximale risicofinancieringsinvestering te berekenen, wordt met het volgende rekening gehouden:

a)

in het geval van leningen en als vreemd vermogen gestructureerde investeringen van quasi-eigenvermogen: het uitstaande nominale bedrag van het instrument;

b)

in het geval van garanties: het nominale uitstaande bedrag van de onderliggende lening.

9.   De aan financiële intermediairs verschafte overheidsbijdrage kan een van de volgende vormen hebben:

a)

eigen vermogen of quasi-eigenvermogen, of een financiële dotatie om risicofinancieringsinvesteringen direct of indirect aan in aanmerking komende ondernemingen te verschaffen;

b)

leningen om — direct of indirect — risicofinancieringsinvesteringen te verschaffen aan in aanmerking komende ondernemingen;

c)

garanties om verliezen te dekken op — direct of indirect — aan in aanmerking komende ondernemingen verschafte risicofinancieringsinvesteringen.

10.   Regelingen voor risico-/beloningsverdeling tussen de lidstaat of zijn met het beheer belaste entiteit enerzijds en particuliere investeerders, financiële intermediairs of fondsbeheerders anderzijds moeten adequaat zijn en aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

voor risicofinancieringssteun in andere vormen dan garanties krijgt prioritair rendement uit winst (asymmetrische winstdeling of opwaartse prikkels) de voorkeur boven bescherming tegen potentiële verliezen (neerwaartse bescherming);

b)

in het geval van asymmetrische verliesdeling tussen publieke en particuliere investeerders wordt het eerste, voor rekening van de publieke investeerder komende verlies gemaximeerd op 25 % van de risicofinancieringsinvestering;

c)

voor risicofinancieringssteun in de vorm van garanties wordt het garantiepercentage beperkt tot 80 % en zijn de totale verliezen die een lidstaat op zich neemt, gemaximeerd op 25 % van de onderliggende gegarandeerde portefeuille. Alleen garanties die verwachte verliezen op de onderliggende gegarandeerde portefeuille dekken, kunnen kosteloos worden afgegeven. Indien een garantie ook de dekking van onverwachte verliezen omvat, betaalt de financiële intermediair voor het gedeelte van de garantie dat de onverwachte verliezen dekt, een marktconforme garantiepremie.

11.   Indien de aan de financiële intermediair verschafte overheidsbijdrage de vorm heeft van eigenvermogens- en quasi-eigenvermogensinstrumenten als bedoeld in lid 9, punt a), kan ten hoogste 30 % van de totale kapitaalbijdragen van de financiële intermediair en het niet-gestorte toegezegd kapitaal worden gebruikt voor liquiditeitsbeheer.

12.   Voor risicofinancieringsmaatregelen die eigenvermogens-, quasi-eigenvermogens- of leningsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen moeten verschaffen, dient de aan de financiële intermediair verschafte overheidsbijdrage als hefboom voor aanvullende financiering door onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de financiële intermediairs of de in aanmerking komende ondernemingen, zodat het totale percentage van de particuliere deelneming de volgende minimumdrempels bereikt:

a)

10 % van de risicofinancieringsinvestering verschaft aan de in aanmerking komende ondernemingen als bedoeld in lid 3, punt a);

b)

40 % van de risicofinancieringsinvestering verschaft aan de in aanmerking komende ondernemingen als bedoeld in lid 3, punt b);

c)

60 % van de risicofinancieringsinvestering verschaft aan in lid 3, punt c), bedoelde, in aanmerking komende ondernemingen en ten behoeve van vervolgrisicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen na de in lid 3, punt b), vermelde periode om in aanmerking te komen.

Financiering verschaft door onafhankelijke particuliere investeerders die risicofinancieringssteun ontvangen in de vorm van fiscale stimuleringsmaatregelen op grond van artikel 21 bis, wordt niet in aanmerking genomen voor het bereiken van de totale percentages van particuliere deelneming als bepaald in de eerste alinea van dit lid.

De in de punten b) en c) van de eerste alinea vermelde percentages van particuliere deelneming worden verlaagd tot 20 % op grond van punt b) en tot 30 % op grond van punt c) voor investeringen: die worden gedaan in steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag zijn aangewezen op een goedgekeurde regionale-steunkaart die op het tijdstip van de verschaffing van de risicofinancieringsinvestering van toepassing is; of die steun ontvangen op basis van het herstel- en veerkrachtplan van de lidstaat zoals goedgekeurd door de Raad; of die steun ontvangen van het Europees Defensiefonds overeenkomstig Verordening (EU) 2021/697 of in het kader van het ruimtevaartprogramma van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad (*40); of die steun ontvangen uit EU-fondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) 1303/2013, Verordening (EU) 2021/1060 of Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (*41).

13.   Wanneer een risicofinancieringsmaatregel wordt uitgevoerd via een financiële intermediair die zich richt op in aanmerking komende ondernemingen in verschillende ontwikkelingsfasen als bedoeld in de leden 3 en 4, bereikt de financiële intermediair een percentage van de particuliere deelneming van ten minste het gewogen gemiddelde op basis van het volume van de individuele investeringen in de onderliggende portefeuille en dat wordt verkregen door de toepassing van de minimale deelnemingspercentages op dergelijke investeringen als bedoeld in lid 12, tenzij de vereiste deelneming van onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de in aanmerking komende ondernemingen wordt bereikt.

14.   Financiële intermediairs en fondsbeheerders worden geselecteerd via een open, transparante en niet-discriminerende procedure in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht en nationale recht. Lidstaten kunnen eisen dat in aanmerking komende financiële intermediairs en fondsbeheerders voldoen aan vooraf vastgestelde criteria die objectief gerechtvaardigd zijn door de aard van de investeringen. Deze procedure is gebaseerd op objectieve criteria met betrekking tot ervaring, deskundigheid en operationele en financiële capaciteit, en neemt elk van de volgende voorwaarden in acht:

a)

zij borgt dat in aanmerking komende financiële intermediairs en fondsbeheerders zijn opgericht in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving;

b)

zij discrimineert niet tussen financiële intermediairs en fondsbeheerders op grond van hun plaats van vestiging of registratie in een lidstaat;

c)

zij zet in op de vaststelling van adequate regelingen voor risico-/beloningsverdeling als bedoeld in lid 10 en winstgedreven beslissingen als bedoeld in lid 15.

15.   Risicofinancieringsmaatregelen borgen dat de financiële intermediairs die de overheidsbijdrage ontvangen, winstgedreven beslissingen nemen wanneer zij aan in aanmerking komende ondernemingen risicofinancieringsinvesteringen verschaffen. Aan deze verplichting is voldaan indien elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)

de lidstaat, of de met de uitvoering van de maatregel belaste entiteit, zorgt ervoor dat een boekenonderzoek plaatsvindt om te verzekeren dat de uitvoering van de risicofinancieringsmaatregel volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt, met onder meer een passend beleid inzake risicodiversificatie dat is gericht op het bereiken van economische levensvatbaarheid en van een efficiënte schaal in termen van omvang en geografische spreiding van de betrokken portefeuille investeringen;

b)

aan in aanmerking komende ondernemingen verschafte risicofinanciering is gebaseerd op een levensvatbaar ondernemingsplan, dat nadere gegevens bevat over product, ontwikkeling van verkopen en winstgevendheid, waarbij de financiële levensvatbaarheid vooraf is bepaald;

c)

voor iedere investering van eigen vermogen en quasi-eigen-vermogen is er een heldere en realistische exitstrategie voorhanden.

16.   De financiële intermediairs worden beheerd op zakelijke basis. Dit vereiste is vervuld wanneer de financiële intermediair en, afhankelijk van het soort risicofinancieringsmaatregel, de fondsbeheerder voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

a)

zij zijn wettelijk of contractueel verplicht overeenkomstig goede praktijken met de nodige professionele zorgvuldigheid en te goeder trouw te handelen en belangenconflicten te vermijden; wettelijk toezicht is van toepassing, indien relevant;

b)

hun vergoeding is marktconform. Aan dit vereiste wordt geacht te zijn voldaan zolang zij worden geselecteerd via een open, transparante en niet-discriminerende selectieprocedure overeenkomstig lid 14;

c)

zij dragen een deel van de investeringsrisico’s door hun eigen middelen mee te investeren of een prestatieafhankelijke vergoeding te ontvangen, zodat hun belangen steeds gelijklopen met die van de lidstaat of diens met het beheer belaste entiteit;

d)

zij bepalen de investeringsstrategie, de criteria en het voorgenomen tijdschema voor de investeringen;

e)

de investeerders kunnen vertegenwoordigd zijn in de bestuursorganen van het investeringsfonds, zoals de raad van toezicht of het adviescomité, in voorkomend geval.

17.   In een risicofinancieringsmaatregel waarbij risicofinancieringsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen worden verschaft in de vorm van garanties, leningen of als vreemd vermogen gestructureerde quasi-eigenvermogensinvesteringen, voert de financiële intermediair risicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen uit die zonder de steun niet of in beperktere mate of op een andere wijze zouden zijn verricht. De financiële intermediair kan aantonen dat hij een mechanisme hanteert dat ervoor zorgt dat alle voordelen zo veel mogelijk aan de in aanmerking komende ondernemingen worden doorgegeven in de vorm van hogere volumes aan financiering, een hoger risicoprofiel van de portefeuille, lagere eisen inzake zekerheden, lagere garantiepremies of lagere rentepercentages.

18.   Risicofinancieringsmaatregelen waarbij risicofinancieringsinvesteringen worden verschaft aan kmo’s die niet voldoen aan de in lid 3 vastgestelde voorwaarden, zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

op het niveau van de kmo’s: de steun voldoet aan de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie (*42), Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie (*43) of Verordening (EU) nr. 717/2014, al naargelang;

b)

alle in dit artikel vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, behalve de voorwaarden van de leden 3, 4, 8, 12 en/of 13;

c)

voor risicofinancieringsmaatregelen die risicofinancieringsinvesteringen in de vorm van eigenvermogen, quasi-eigenvermogen of leningen aan in aanmerking komende ondernemingen verschaffen: de maatregel dient als hefboom voor aanvullende financiering van onafhankelijke particuliere investeerders op het niveau van de financiële intermediairs of de kmo’s, zodat het totale percentage van de particuliere deelneming ten minste 60 % van de aan de kmo’s verschafte risicofinanciering bedraagt.

Het in de eerste alinea, punt c), genoemde percentage van de particuliere deelneming wordt verlaagd tot 30 % voor investeringen: die worden gedaan in steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag zijn aangewezen op een goedgekeurde regionale-steunkaart die op het tijdstip van de verschaffing van de risicofinancieringsinvestering van toepassing is; of die steun ontvangen op basis van het herstel- en veerkrachtplan van de lidstaat zoals goedgekeurd door de Raad; of die steun ontvangen uit het Europees Defensiefonds overeenkomstig Verordening (EU) 2021/697 of in het kader van het ruimtevaartprogramma van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/696 of uit Uniefondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) nr. 1303/2013, Verordening (EU) 2021/1060 of Verordening (EU) 2021/2115.

(*40)  Verordening (EU) 2021/696 van het Europees Parlement en de Raad van 28 april 2021 tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie, tot oprichting van het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 912/2010, (EU) nr. 1285/2013 en (EU) nr. 377/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU (PB L 170 van 12.5.2021, blz. 69)."

(*41)  Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1)."

(*42)  Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1)."

(*43)  Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9).”;"

19)

het volgende artikel 21 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 21 bis

Risicofinancieringssteun aan kmo’s in de vorm van fiscale stimuleringsmaatregelen voor particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn

1.   Steunregelingen voor risicofinanciering ten behoeve van kmo’s in de vorm van fiscale stimuleringsmaatregelen voor onafhankelijke particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn die risicofinanciering direct of indirect aan in aanmerking komende ondernemingen verschaffen, zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   In aanmerking komen ondernemingen die voldoen aan de in artikel 21, lid 3, vastgestelde criteria. De totale risicofinancieringsinvestering die op grond van artikel 21 en op grond van dit artikel voor elke in aanmerking komende onderneming wordt verschaft, overschrijdt het in artikel 21, lid 8, vastgestelde maximale steunbedrag niet.

3.   Indien de onafhankelijke particuliere investeerder risicofinanciering indirect via een financiële intermediair verschaft, heeft de in aanmerking komende investering de vorm van de verwerving van aandelen of deelnemingen in de financiële intermediair, die op zijn beurt risicofinancieringsinvesteringen aan in aanmerking komende ondernemingen verschaft in overeenstemming met artikel 21, leden 5 tot en met 8. Fiscale stimuleringsmaatregelen kunnen niet worden verleend voor de diensten die de financiële intermediair of de beheerders ervan verrichten.

4.   Indien de onafhankelijke particuliere investeerder risicofinanciering rechtstreeks aan de in aanmerking komende onderneming verschaft, vormt alleen de verwerving van volledig risicodragende door een in aanmerking komende onderneming nieuw uitgegeven gewone aandelen een in aanmerking komende investering. Die aandelen worden ten minste drie jaar aangehouden. Vervangingskapitaal valt alleen onder de voorwaarden van artikel 21, lid 7. Wat de mogelijke vormen van fiscale stimuleringsmaatregelen betreft, mogen verliezen uit de vervreemding van de aandelen met de inkomstenbelasting worden verrekend. In het geval van een vermindering van de dividendbelasting kunnen alle over kwalificerende aandelen ontvangen dividenden (volledig of gedeeltelijk) van de inkomstenbelasting worden vrijgesteld. Elke winst op de verkoop van kwalificerende aandelen kan (geheel of gedeeltelijk) worden vrijgesteld van vermogenswinstbelasting of de belastingverplichting met betrekking tot die winst kan worden uitgesteld indien die winst binnen één jaar in nieuwe in kwalificerende aandelen wordt geherinvesteerd.

5.   Indien de onafhankelijke particuliere investeerder risicofinanciering rechtstreeks aan de in aanmerking komende onderneming verschaft, teneinde een adequate deelneming van deze onafhankelijke particuliere investeerder, overeenkomstig artikel 21, lid 12, te borgen, overschrijdt de belastingvermindering, berekend als de cumulatieve maximale belastingvermindering die voortvloeit uit alle fiscale stimuleringsmaatregelen samen, de volgende maximumdrempels niet:

a)

50 % van de in aanmerking komende investering door de onafhankelijke particuliere investeerder in de in artikel 21, lid 3, punt a), bedoelde in aanmerking komende ondernemingen;

b)

35 % van de in aanmerking komende investering door de onafhankelijke particuliere investeerder in de in artikel 21, lid 3, punt b), bedoelde in aanmerking komende ondernemingen;

c)

20 % van de in aanmerking komende investering door de onafhankelijke particuliere investeerder in de in artikel 21, lid 3, punt c), bedoelde in aanmerking komende ondernemingen of van een in aanmerking komende vervolginvestering in een in aanmerking komende onderneming na de in artikel 21, lid 3, punt b), bedoelde periode om in aanmerking te komen.

De drempels voor belastingvermindering voor de in de eerste alinea vermelde directe investeringen kunnen worden verhoogd tot 65 % overeenkomstig punt a), tot 50 % overeenkomstig punt b) en tot 35 % overeenkomstig punt c) voor investeringen: die worden gedaan in steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag zijn aangewezen op een goedgekeurde regionale-steunkaart die op het tijdstip van de verschaffing van de risicofinancieringsinvestering van toepassing is; of die steun ontvangen op basis van het herstel- en veerkrachtplan van de lidstaat zoals goedgekeurd door de Raad; of die steun ontvangen van het Europees Defensiefonds overeenkomstig Verordening (EU) 2021/697 of in het kader van het ruimtevaartprogramma van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/696; of die steun ontvangen uit EU-fondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) 1303/2013,Verordening (EU) 2021/1060, of Verordening (EU) 2021/2115.

6.   Indien de onafhankelijke particuliere investeerder indirect via een financiële intermediair risicofinanciering verschaft en, in overeenstemming met artikel 21, lid 12, de belastingvermindering, berekend als de cumulatieve maximale belastingvermindering die voortvloeit uit alle fiscale stimuleringsmaatregelen samen, niet meer bedraagt dan 30 % van de in aanmerking komende investering door de onafhankelijke particuliere investeerder in een in aanmerking komende onderneming als bedoeld in artikel 21, lid 3. Deze drempel voor belastingvermindering kan worden verhoogd tot 50 % voor investeringen: die worden gedaan in steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag zijn aangewezen op een goedgekeurde regionale-steunkaart die op het tijdstip van de verschaffing van de risicofinancieringsinvestering van toepassing is; of die steun ontvangen op basis van het herstel- en veerkrachtplan van de lidstaat zoals goedgekeurd door de Raad; of die steun ontvangen van het Europees Defensiefonds overeenkomstig Verordening (EU) 2021/697 of in het kader van het ruimtevaartprogramma van de Unie overeenkomstig Verordening (EU) 2021/696; of die steun ontvangen uit EU-fondsen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd in het kader van Verordening (EU) 1303/2013, Verordening (EU) 2021/1060, of Verordening (EU) 2021/2115.”;

20)

artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   In aanmerking komt elke niet-beursgenoteerde kleine onderneming tot vijf jaar na haar registratie die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

zij heeft niet de activiteit van een andere onderneming overgenomen, tenzij de omzet van de overgenomen activiteit in het boekjaar voorafgaand aan de overname minder dan 10 % van de omzet van de in aanmerking komende onderneming bedraagt;

b)

zij heeft nog geen winst uitgekeerd, en

c)

zij heeft geen andere onderneming overgenomen of is niet uit een concentratie ontstaan, tenzij de omzet van de overgenomen onderneming minder dan 10 % van de omzet van de in aanmerking komende onderneming in het boekjaar voorafgaand aan de overname bedraagt of de omzet van de onderneming die uit een concentratie is ontstaan, minder dan 10 % hoger is dan de gezamenlijke omzet van de bij de concentratie betrokken ondernemingen in het boekjaar voorafgaand aan de concentratie.

Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, wordt de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht aan te vangen hetzij op het tijdstip dat de onderneming haar economische activiteiten aanvangt, hetzij op het tijdstip dat de onderneming belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten, als dat eerder is.

In afwijking van de eerste alinea, punt c), worden ondernemingen die ontstaan uit een concentratie van op grond van dit artikel voor steun in aanmerking komende ondernemingen ook als in aanmerking komende ondernemingen beschouwd tot vijf jaar vanaf de registratie van de oudste onderneming die bij de concentratie betrokken is.”

;

(b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Starterssteun heeft de vorm van:

a)

leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1,1 miljoen EUR, of 1,65 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of 2,2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar;

b)

garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,65 miljoen EUR, of 2,48 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of 3,3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor garanties met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80 % van de onderliggende lening;

c)

subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,5 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,75 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of 1 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen;

d)

fiscale stimuleringsmaatregelen voor in aanmerking komende ondernemingen tot maximaal 0,5 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,75 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen, of 1 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen.”;

(c)

de volgende leden 6 en 7 wordt toegevoegd:

“6.   Wanneer een regeling inzake starterssteun via een of meer financiële intermediairs wordt uitgevoerd, zijn de in artikel 21, leden 10, 14, 15, 16 en 17, vastgestelde voorwaarden voor financiële intermediairs van toepassing.

7.   Naast de in de leden 3, 4 en 5 vermelde bedragen kunnen regelingen inzake starterssteun de vorm aannemen van een overdracht van intellectueel eigendom (IP), of een verlening van de daarmee samenhangende toegangsrechten, hetzij kosteloos, hetzij onder de marktwaarde. De overdracht of de verlening wordt verricht door een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding in de zin van artikel 2, punt 83, die het onderliggende intellectueel eigendom heeft ontwikkeld door middel van haar eigen onafhankelijke of in samenwerkingsverband verrichte onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteit, aan een in aanmerking komende onderneming in de zin van lid 2. De overdracht of de verlening moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

het doel van de overdracht van intellectueel eigendom of de verlening van daarmee samenhangende toegangsrechten is om een nieuw product of een nieuwe dienst op de markt te brengen; en

b)

de waarde van het intellectueel eigendom wordt tegen de marktprijs vastgesteld, hetgeen het geval is indien deze volgens een van de volgende methoden wordt bepaald:

i)

het bedrag is bepaald via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende procedure;

ii)

een taxatie van een onafhankelijke deskundige bevestigt dat het bedrag ten minste gelijk is aan de marktprijs;

iii)

in gevallen waarin de in aanmerking komende onderneming een voorkeursrecht heeft ten aanzien van het intellectueel eigendom dat in samenwerking met de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding tot stand is gekomen, indien de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding een wederzijds recht uitoefent om derde partijen om een economisch voordeliger bod te vragen zodat de samenwerkende in aanmerking komende onderneming haar bod daarmee in lijn moet brengen.

De waarde van een — zowel financiële als niet-financiële — bijdrage van de in aanmerking komende onderneming in de kosten van de activiteiten van de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding die het betrokken intellectueel eigendom hebben opgeleverd, kan op de in dit punt genoemde waarde van het intellectueel eigendom in mindering worden gebracht.

c)

het steunbedrag van de overdracht van intellectueel eigendom of de verlening van de daarmee samenhangende toegangsrechten mag op grond van dit lid niet meer dan 1 miljoen EUR bedragen. Het steunbedrag komt overeen met de waarde van het in punt b) bedoelde intellectueel eigendom, na aftrek van de in de laatste zin van punt b) bedoelde vermindering en na aftrek van elke aan de begunstigde van dat intellectueel eigendom verschuldigde vergoeding. De waarde van het in punt b) bedoelde intellectueel eigendom kan meer dan 1 miljoen EUR bedragen, in welk geval dit extra bedrag door de in aanmerking komende onderneming met eigen middelen of met andere middelen kan worden gedekt.”;

21)

in artikel 23, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door:

“De steunmaatregel kan de vorm aannemen van fiscale stimuleringsmaatregelen voor onafhankelijke particuliere investeerders die natuurlijke personen zijn, ten behoeve van hun via een alternatief handelsplatform verlopende risicofinancieringsinvesteringen in in aanmerking komende ondernemingen op de in artikel 21 bis, leden 2 en 5, vastgestelde voorwaarden.”;

22)

artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

“2.   De in aanmerking komende kosten zijn:

a)

de kosten voor de initiële screening en het formele boekenonderzoek die door beheerders van financiële intermediairs of investeerders worden uitgevoerd om in aanmerking komende ondernemingen te selecteren uit hoofde van de artikelen 21, 21 bis en 22;

b)

de kosten voor beleggingsonderzoek zoals gedefinieerd in artikel 36, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie (*44) in een uit hoofde van de artikelen 21, 21 bis en 22 in aanmerking komende individuele onderneming, mits dit onderzoek publiek wordt verspreid en, indien het onder de cliënten van de verrichters van beleggingsonderzoek is verspreid vóór de publieke verspreiding ervan, publiek wordt verspreid in dezelfde vorm en uiterlijk drie maanden na de eerste verspreiding onder cliënten.

3.   Het in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde beleggingsonderzoek voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 36 en 37 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie.

(*44)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van de Commissie van 25 april 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de door beleggingsondernemingen in acht te nemen organisatorische eisen en voorwaarden voor de bedrijfsuitoefening en wat betreft de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 1).”;"

(b)

het volgende lid 4 wordt toegevoegd:

“4.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten.”

;

23)

artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 3 wordt punt e) vervangen door:

“e)

bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien; onverminderd artikel 7, lid 1, derde zin, kunnen deze projectkosten voor onderzoek en ontwikkeling bij wijze van alternatief worden berekend op basis van een vereenvoudigde kostenbenadering in de vorm van een vast percentage tot 20 %, dat wordt toegepast op de totale in aanmerking komende projectkosten voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in de punten a) tot en met d). In dat geval worden de voor de berekening van de indirecte kosten gebruikte projectkosten voor onderzoek en ontwikkeling vastgesteld op basis van normale boekhoudkundige praktijken en omvatten zij uitsluitend in aanmerking komende projectkosten voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in de punten a) tot en met d).”;

(b)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   De steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen worden verhoogd tot een maximale steunintensiteit van 80 % van de in aanmerking komende kosten overeenkomstig de volgende punten a) tot en met d), waarbij de punten b), c) en d) onderling niet mogen worden gecombineerd:

a)

met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen;

b)

met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld:

i)

het project behelst daadwerkelijke samenwerking:

tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een overeenkomstsluitende partij bij de EER-overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70 % van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening; of

tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10 % van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;

ii)

de projectresultaten worden ruim verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software;

iii)

de begunstigde verbindt zich ertoe licenties voor onderzoeksresultaten van gesteunde projecten inzake onderzoek en ontwikkeling die door intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd, tijdig tegen marktprijs en op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis beschikbaar te stellen voor gebruik door geïnteresseerde partijen in de EER;

iv)

het project inzake onderzoek en ontwikkeling wordt uitgevoerd in een steungebied dat aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoet; of

c)

met 5 procentpunten indien het project inzake onderzoek en ontwikkeling wordt uitgevoerd in een steungebied dat aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoet;

d)

met 25 procentpunten indien het project inzake onderzoek en ontwikkeling:

i)

door een lidstaat is geselecteerd na een openbare oproep om deel uit te maken van een project dat gezamenlijk wordt opgezet door ten minste drie lidstaten of overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst; en

ii)

een daadwerkelijke samenwerking inhoudt tussen ondernemingen in ten minste twee lidstaten of overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst wanneer de begunstigde een kmo is, of in ten minste drie lidstaten of overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst wanneer de begunstigde een grote onderneming is; en

iii)

indien ten minste een van de twee volgende voorwaarden is vervuld:

de resultaten van het project inzake onderzoek en ontwikkeling worden ruim verspreid in ten minste drie lidstaten of overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software; of

de begunstigde verbindt zich ertoe licenties voor onderzoeksresultaten van gesteunde projecten inzake onderzoek en ontwikkeling die door intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd, tijdig tegen marktprijs en op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis beschikbaar te stellen voor gebruik door geïnteresseerde partijen in de EER.”;

24)

het volgende artikel 25 sexies wordt ingevoegd:

“Artikel 25 sexies

Steun in het kader van de cofinanciering van projecten die door het Europees Defensiefonds of het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie worden gesteund

1.   Steun voor de cofinanciering van een door het Europees Defensiefonds of het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie gefinancierd onderzoeks- en ontwikkelingsproject en die overeenkomstig de regels van het Europees Defensiefonds of het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie wordt beoordeeld, gerangschikt en geselecteerd, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits aan de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden is voldaan.

2.   De in aanmerking komende kosten van het gesteunde project zijn die welke volgens de regels van het Europees Defensiefonds of het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie in aanmerking komen.

3.   De totale overheidsfinanciering kan oplopen tot 100 % van de in aanmerking komende kosten van het project, wat betekent dat de kosten van het project die niet door Uniefinanciering worden gedekt, door staatssteun kunnen worden gedekt.

4.   Ingeval de intensiteit van de door de begunstigde ontvangen steun hoger is dan de maximale steunintensiteit die de begunstigde op grond van artikel 25, leden 5, 6 en 7, had kunnen ontvangen, moet de begunstigde de steunverlenende autoriteit een marktprijs betalen om de uit het project resulterende intellectuele-eigendomsrechten of prototypes te mogen gebruiken voor niet-defensietoepassingen. Het maximumbedrag dat voor dit gebruik aan de steunverlenende autoriteit moet worden betaald, mag in geen geval meer bedragen dan het verschil tussen de door de begunstigde ontvangen steun en het maximumbedrag van de steun die de begunstigde had kunnen ontvangen bij toepassing van de voor die begunstigde overeenkomstig artikel 25, leden 5, 6 en 7, toegestane maximale steunintensiteit.”;

25)

artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 50 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan tot 60 % worden verhoogd indien ten minste twee lidstaten overheidsfinanciering verstrekken, of voor een onderzoeksinfrastructuur die op het niveau van de Unie wordt geëvalueerd en geselecteerd.”

;

26)

het volgende artikel 26 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 26 bis

Investeringssteun voor test- en experimenteerinfrastructuur

1.   Steun voor de bouw of het upgraden van test- en experimenteerinfrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs of is, bij gebreke van een marktprijs, een afspiegeling van de kosten ervan, plus een redelijke marge.

3.   Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10 % van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld.

4.   De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa.

5.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 25 % van de in aanmerking komende kosten.

6.   De steunintensiteit kan als volgt worden verhoogd tot een maximale steunintensiteit van 40 %, 50 % en 60 % van de in aanmerking komende investeringskosten van respectievelijk grote, middelgrote en kleine ondernemingen:

a)

met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen;

b)

met nog eens 10 procentpunten voor grensoverschrijdende test- en experimenteerinfrastructuur waarvoor ten minste twee lidstaten overheidsfinanciering verstrekken of voor test- en experimenteerinfrastructuur die op het niveau van de Unie is geëvalueerd en geselecteerd;

c)

met nog eens 5 procentpunten voor test- en experimenteerinfrastructuur waarvan ten minste 80 % van de jaarlijkse capaciteit aan kmo’s wordt toegewezen.”;

27)

artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   Investeringssteun kan worden toegekend aan de eigenaar van het innovatiecluster. Exploitatiesteun kan worden toegekend aan de exploitant van het innovatiecluster. De exploitant, indien verschillend van de eigenaar, kan een rechtspersoon zijn of een consortium van ondernemingen zonder afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. In alle gevallen moet elke onderneming een afzonderlijke boekhouding voeren voor de kosten en opbrengsten van elke activiteit (eigendom, exploitatie en gebruik van het cluster) volgens de toepasselijke boekhoudkundige normen.”

;

(b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   De vergoedingen die voor het gebruik van de faciliteiten van het cluster en voor deelname aan de activiteiten van het cluster worden berekend, stemmen overeen met de marktprijs of weerspiegelen de kosten ervan, plus een redelijke marge.”

;

28)

artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

in lid 2 wordt punt c) vervangen door:

“c)

de kosten verbonden aan innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning, met inbegrip van de diensten die worden geleverd door organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, onderzoeksinfrastructuur, test- en experimenteerinfrastructuur of innovatieclusters.”;

(b)

lid 4 wordt vervangen door:

“4.   In het specifieke geval van steun voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de steunintensiteit worden verhoogd tot 100 % van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de steun voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 220 000 EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar.”

;

29)

artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de titel en lid 1 worden vervangen door:

“Artikel 36

Investeringssteun voor milieubescherming, met inbegrip van decarbonisatie

1.   Investeringssteun ten behoeve van milieubescherming, daaronder begrepen steun voor de reductie en verwijdering van broeikasgasemissies, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.”;

(b)

het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:

“1 bis.   Dit artikel is niet van toepassing op maatregelen waarvoor specifiekere regels in artikel 36 bis, artikel 36 ter en de artikelen 38 tot en met 48 zijn vastgesteld. Dit artikel is evenmin van toepassing op investeringen in uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die welke van aardgas gebruikmaken. Dit laat de mogelijkheid onverlet steun te verlenen voor de installatie van uitbreidingen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, in welk geval de investering niet mag leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit noch tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.”

;

(c)

het volgende lid 1 ter wordt ingevoegd:

“1 ter.   Dit artikel is ook van toepassing op investeringen in uitrusting, machines en infrastructuur die waterstof gebruiken of vervoeren, voor zover de gebruikte of vervoerde waterstof als hernieuwbare waterstof kwalificeert. Het is eveneens van toepassing op investeringen in uitrusting en machines die brandstoffen op basis van waterstof gebruiken waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa en die zijn geproduceerd overeenkomstig de methoden voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige vervoersbrandstoffen van niet-biologische oorsprong van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen ervan.

Dit artikel is tevens van toepassing op steun voor investeringen in installaties, uitrusting en machines die waterstof op basis van elektriciteit produceren of gebruiken, en in specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 130, laatste zin, voor het vervoer daarvan en die niet als hernieuwbare waterstof kwalificeert, voor zover kan worden aangetoond dat de waterstof op basis van elektriciteit die wordt geproduceerd, gebruikt of vervoerd, over de levenscyclus broeikasgasemissiereducties behaalt van ten minste 70 % in vergelijking met een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ. Om de broeikasgasemissiereducties over de levenscyclus overeenkomstig deze alinea te bepalen, worden de broeikasgasemissies in verband met de productie van elektriciteit die wordt gebruikt om waterstof te produceren, bepaald door de marginale centrale-eenheid in de biedzone waar de elektrolyse-installatie is gevestigd tijdens perioden van onbalansverrekening waarin de elektrolyse-installatie elektriciteit van het net verbruikt.

In de in de eerste en tweede alinea bedoelde gevallen wordt gedurende de gehele levensduur van de investering uitsluitend waterstof gebruikt, vervoerd of — in voorkomend geval — geproduceerd die aan de in die alinea’s gestelde voorwaarden voldoet. De lidstaat dient een verbintenis in die zin aan te gaan.”

;

(d)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten a) en b) worden vervangen door:

“a)

zij maakt het mogelijk een project uit te voeren dat ertoe leidt dat de begunstigde in staat is het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de van kracht zijnde Unienormen, ongeacht of er verplichte nationale normen bestaan die strenger zijn dan de Unienormen; voor projecten die verband houden met of betrekking hebben op de in artikel 2, punt 130, laatste zin, bedoelde specifieke infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2, of die een verbinding met energie-infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 omvatten, kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen; of

b)

zij maakt het mogelijk een project uit te voeren dat ertoe leidt dat de begunstigde in staat is om bij ontstentenis van Unienormen het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen; voor projecten die verband houden met of betrekking hebben op de in artikel 2, punt 130, laatste zin, bedoelde specifieke infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2, of die een verbinding met energie-infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 omvatten, kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen; of”;

ii)

het volgende punt c) wordt toegevoegd:

“c)

zij maakt het mogelijk een project uit te voeren dat ertoe leidt dat de begunstigde in staat is het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen teneinde te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn; voor projecten die verband houden met of betrekking hebben op de in artikel 2, punt 130, laatste zin, bedoelde specifieke infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2, of die een verbinding met energie-infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 omvatten, kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen.”;

(e)

de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:

“2 bis.   Investeringen in CO2-afvang en -vervoer moeten voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:

a)

de afvang en/of het vervoer van CO2, met inbegrip van individuele onderdelen van de CCS- of CCU-keten, zijn geïntegreerd in een volledige CCS- en/of CCU-keten;

b)

de netto contante waarde (“NPV”) van het investeringsproject over de levensduur ervan is negatief. Om de NPV van het project te berekenen worden de vermeden kosten van CO2-emissies in aanmerking genomen;

c)

de in aanmerking komende kosten zijn uitsluitend de extra investeringskosten die voortvloeien uit het afvangen van CO2 uit een CO2 uitstotende installatie (industriële installatie of energiecentrale) of rechtstreeks uit de omgevingslucht, alsook uit de bufferopslag en het vervoer van afgevangen CO2-emissies.

2 ter.   Wanneer de steun gericht is op het verminderen of vermijden van directe emissies, mag hij niet louter dienen om deze emissies van de ene sector naar de andere te verschuiven, maar moet hij deze emissies in hun geheel verminderen; met name, wanneer de steun gericht is op het verminderen van broeikasgasemissies, mag hij niet louter dienen om de emissies van de ene sector naar de andere te verschuiven, maar moet hij deze in hun geheel verminderen.”

;

(f)

de leden 3 tot en met 6 worden vervangen door:

“3.   Er wordt geen steun verleend wanneer de investeringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen gewoonweg voldoen aan van kracht zijnde Unienormen. Steun aan ondernemingen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn, kan op grond van dit artikel worden verleend mits de investering waarvoor de steun wordt toegekend, ten minste 18 maanden vóór de datum van inwerkingtreding van de betrokken norm is uitgevoerd en voltooid.

4.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra kosten voor investeringen die zijn bepaald door de investeringskosten af te zetten tegen die van een nulscenario dat zonder de steun zou plaatsvinden, en wel als volgt:

a)

indien het nulscenario erin bestaat een minder milieuvriendelijke investering uit te voeren die overeenkomt met de gangbare zakelijke praktijk in de betrokken sector of voor de betrokken activiteit, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de kosten van de minder milieuvriendelijke investering;

b)

indien het nulscenario erin bestaat dezelfde investering op een later tijdstip uit te voeren, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de netto contante waarde van de kosten van de latere investering, gedisconteerd naar het tijdstip dat de gesteunde investering zou worden verricht;

c)

indien het nulscenario erin bestaat de bestaande installaties en uitrusting in bedrijf te houden, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de netto contante waarde van de investeringen in het onderhoud, de reparatie en de modernisering van de bestaande installaties en uitrusting, gedisconteerd naar het tijdstip dat de gesteunde investering zou worden verricht;

d)

in het geval van uitrusting die onder leasingovereenkomsten valt, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil in netto contante waarde tussen de leasing van de uitrusting waarvoor staatssteun wordt verleend en de leasing van de minder milieuvriendelijke uitrusting die zonder de steun zou worden geleased; de leasingkosten omvatten geen kosten met betrekking tot de exploitatie van de uitrusting of installatie (brandstofkosten, verzekering, onderhoud, andere verbruiksgoederen), ongeacht of deze deel uitmaken van het leasingcontract.

In alle in de eerste alinea, punten a) tot en met d) genoemde situaties komt het nulscenario overeen met een investering met een vergelijkbare outputcapaciteit en levensduur die voldoet aan reeds van kracht zijnde Unienormen. Het nulscenario is geloofwaardig in het licht van wettelijke vereisten, marktvoorwaarden en prikkels gegenereerd door het EU ETS-systeem.

Indien de investering waarvoor staatssteun wordt verleend, bestaat in de installatie van een uitbreidingscomponent van een reeds bestaande faciliteit waarvoor geen minder milieuvriendelijke investering in een nulscenario bestaat, zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten.

Indien de investering waarvoor staatssteun wordt verleend, bestaat in de aanleg van specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 130, laatste zin, voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 die noodzakelijk is om de in de leden 2 en 2 bis bedoelde verhoging van het niveau van milieubescherming mogelijk te maken, zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten. Kosten voor het bouwen of upgraden van opslagvoorzieningen, met uitzondering van opslagvoorzieningen voor hernieuwbare waterstof en waterstof die onder lid 1 ter, tweede alinea, vallen, komen niet in aanmerking.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.

5.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 40 % van de in aanmerking komende kosten. Indien de investering, met uitzondering van investeringen die berusten op het gebruik van biomassa, resulteert in een vermindering met 100 % van de directe broeikasgasemissies, kan de steunintensiteit tot 50 % bedragen.

6.   In het geval van investeringen met betrekking tot CCS en/of CCU bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten.”

;

(g)

de volgende leden 9, 10 en 11 worden toegevoegd:

“9.   De steunintensiteit kan tot 100 % van de investeringskosten bedragen indien steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:

a)

de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;

b)

tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;

c)

aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen) zijn uitgesloten;

d)

ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun in verhouding tot de bijdrage van het project aan de milieudoelstellingen van de maatregel, bijvoorbeeld de gevraagde steun per te leveren eenheid milieubescherming.

10.   Als alternatief voor de leden 4 tot en met 9 is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op basis van redelijke projecties vooraf in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten en wordt achteraf geverifieerd door middel van een terugvorderingsmechanisme.

11.   In afwijking van lid 4, eerste alinea, punten a) tot en met d), en de leden 9 en 10 kunnen de in aanmerking komende kosten worden bepaald zonder dat het nulscenario wordt vastgesteld en zonder dat er een concurrerende biedprocedure is. In dat geval zijn de in aanmerking komende kosten de investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, en worden de in de leden 5 tot en met8 vastgestelde toepasselijke steunintensiteiten en verhogingen met 50 % verlaagd.”

;

30)

artikel 36 bis wordt vervangen door:

“Artikel 36 bis.

Investeringssteun voor oplaad- of tankinfrastructuur

1.   Investeringssteun voor oplaad- of tankinfrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Dit artikel betreft uitsluitend steun toegekend voor oplaad- of tankinfrastructuur die vervoermiddelen, mobiel terminalmaterieel of mobiel grondafhandelingsmaterieel van elektriciteit of waterstof voorziet. Voor gesteunde tankinfrastructuur voor waterstof krijgt de lidstaat van de begunstigde de toezegging dat de tankinfrastructuur uiterlijk op 31 december 2035 uitsluitend hernieuwbare waterstof zal leveren. Dit artikel geldt niet voor steun ten behoeve van investeringen met betrekking tot oplaad- en tankinfrastructuur in havens.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor de bouw, installatie, upgrade of uitbreiding van oplaad- of tankinfrastructuur. Die kosten kunnen de kosten omvatten voor de oplaad- of tankinfrastructuur zelf en daarmee verband houdende technische uitrusting, de installatie of verbetering van elektrische of andere onderdelen, met inbegrip van elektriciteitskabels en transformatoren die nodig zijn voor de aansluiting van de oplaad- of tankinfrastructuur op het net of op een lokale productie- of opslageenheid voor elektriciteit of waterstof, evenals civieltechnische werken, terrein- of wegaanpassingen, installatiekosten en kosten voor het verkrijgen van de nodige vergunningen.

De in aanmerking komende kosten kunnen ook de investeringskosten van on-site productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare waterstof omvatten alsook de investeringskosten van opslageenheden voor de opslag van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare waterstof. De nominale productiecapaciteit van de on-site installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare waterstof is niet groter dan het maximale nominale uitgangsvermogen of de tankcapaciteit van de oplaad- of tankinfrastructuur waarop zij is aangesloten.

4.   Steun op grond van dit artikel wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:

a)

de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;

b)

tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;

c)

aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen) zijn uitgesloten;

d)

ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun in verhouding tot de bijdrage van het project aan de milieudoelstellingen van de maatregel, bijvoorbeeld de gevraagde steun per oplaad- of tankpunt.

5.   Indien de steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die voldoet aan de voorwaarden van lid 4, kan de steunintensiteit oplopen tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

6.   In afwijking van lid 4 kan steun zonder een concurrerende biedprocedure worden verleend wanneer de steun is gebaseerd op een steunregeling. In dit geval bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 20 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan worden verhoogd met 20 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en 30 procentpunten voor kleine ondernemingen. De steunintensiteit kan ook worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag zijn aangewezen op een goedgekeurde regionale-steunkaart die op het tijdstip van de verschaffing van de steun van toepassing is, of met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die op grond van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag zijn aangewezen op een goedgekeurde regionale-steunkaart die op het tijdstip van de verschaffing van de steun van toepassing is.

7.   De steun die aan één van de ondernemingen wordt toegekend, bedraagt niet meer dan 40 % van het totale budget van de betrokken regeling.

8.   Indien de oplaad- of tankinfrastructuur open staat voor toegang door andere gebruikers dan de begunstigde of begunstigden van de steun, wordt steun alleen toegekend voor de bouw, installatie, upgrade of uitbreiding van oplaad- of tankinfrastructuur die voor het publiek toegankelijk is en gebruikers niet-discriminerende toegang biedt, onder meer wat betreft tarieven, authenticatie- en betaalmethoden en andere gebruiksvoorwaarden. De vergoedingen die gebruikers niet zijnde de begunstigde of begunstigden van de steun worden berekend voor het gebruik van de oplaad- of tankinfrastructuur, stemmen overeen met marktprijzen.

9.   Exploitanten van oplaad- of tankinfrastructuur die op hun infrastructuur contractuele betalingen aanbieden of mogelijk maken, mogen niet discrimineren tussen aanbieders van mobiliteitsdiensten, bijvoorbeeld door preferentiële toegangsvoorwaarden toe te passen of door prijsdifferentiatie zonder objectieve rechtvaardiging.

10.   De noodzaak van steun voor investeringen in oplaad- of tankinfrastructuur van dezelfde categorie als die welke moet worden gesteund (bijvoorbeeld voor oplaadinfrastructuur: normaal of hoog vermogen) wordt vastgesteld door middel van een voorafgaande openbare raadpleging of een onafhankelijke marktstudie, die niet ouder is dan één jaar op het moment van de inwerkingtreding van de steunmaatregel. Met name moet worden vastgesteld dat een dergelijke investering waarschijnlijk niet binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de steunmaatregel op commerciële voorwaarden zal plaatsvinden.

De in de eerste alinea vastgestelde verplichting om een voorafgaande openbare raadpleging of een onafhankelijke marktstudie uit te voeren, geldt niet voor steun voor de bouw, installatie, upgrade of uitbreiding van oplaad- of tankinfrastructuur die niet voor het publiek toegankelijk is.

11.   In afwijking van lid 10 wordt de noodzaak van steun voor oplaad- of tankinfrastructuur voor wegvoertuigen aangenomen indien uitsluitend door elektriciteit aangedreven vervoermiddelen (voor oplaadinfrastructuur) of vervoermiddelen die ten minste gedeeltelijk door waterstof worden aangedreven (voor tankinfrastructuur) telkens minder dan 3 % uitmaken van het totale aantal vervoermiddelen van dezelfde categorie die in de desbetreffende lidstaat zijn geregistreerd. Voor de toepassing van dit lid worden personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen geacht deel uit te maken van dezelfde categorie vervoermiddelen.

12.   Concessies of andere vormen van toewijzing aan een derde om de gesteunde oplaad- of tankinfrastructuur te exploiteren, worden toegewezen op concurrerende, transparante en niet-discriminerende basis, met inachtneming van de geldende aanbestedingsregels.

13.   Indien steun wordt verleend voor de uitrol van nieuwe oplaadinfrastructuur waarmee elektriciteit met een uitgangsvermogen tot 22 kW kan worden overgedragen, moet de infrastructuur in staat zijn om slimme oplaadfuncties te ondersteunen.”;

31)

het volgende artikel 36 ter wordt ingevoegd:

“Artikel 36 ter

Investeringssteun voor de aanschaf van schone of emissievrije vervoermiddelen en voor de retrofitting van vervoermiddelen

1.   Investeringssteun voor de aanschaf van schone of emissievrije vervoermiddelen voor het wegvervoer, het spoorvervoer, het vervoer over de binnenwateren en het zeevervoer en voor de retrofitting van andere vervoermiddelen dan vliegtuigen waardoor deze als schone of emissievrije vervoermiddelen kwalificeren, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Steun wordt toegekend voor de aanschaf of leasing voor een periode van ten minste twaalf maanden van schone vervoermiddelen die ten minste gedeeltelijk door elektriciteit of waterstof worden aangedreven, of van emissievrije vervoermiddelen, en voor de retrofitting van vervoermiddelen waardoor deze als schone of emissievrije vervoermiddelen kunnen kwalificeren.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de volgende:

a)

voor investeringen die bestaan in de aanschaf van schone of emissievrije vervoermiddelen: de extra kosten van de aanschaf van het schone of emissievrije vervoermiddel. Deze worden berekend als het verschil tussen de investeringskosten voor de aanschaf van het schone of het emissievrije vervoermiddel en de investeringskosten voor de aanschaf van een vervoermiddel van dezelfde categorie dat aan reeds van kracht zijnde toepasselijke Unienormen voldoet en dat zonder de steun zou zijn aangeschaft;

b)

voor investeringen die bestaan in de leasing van schone of emissievrije vervoermiddelen: de extra kosten van de leasing van het schone of emissievrije vervoermiddel. Deze worden berekend als het verschil tussen de netto contante waarde van de leasing van het schone of het emissievrije vervoermiddel en de netto contante waarde van de leasing van een vervoermiddel van dezelfde categorie dat aan reeds van kracht zijnde toepasselijke Unienormen voldoet en dat zonder de steun zou zijn geleased. Om de in aanmerking komende kosten te bepalen, worden de exploitatiekosten van het vervoermiddel, daaronder begrepen energiekosten, verzekeringskosten en onderhoudskosten, niet in aanmerking genomen, ongeacht of deze deel uitmaken van het leasingcontract;

c)

voor investeringen die bestaan in de retrofitting van vervoermiddelen, waardoor deze als schone of emissievrije vervoermiddelen kunnen kwalificeren: de kosten van de investering in de retrofitting.

4.   Steun op grond van dit artikel wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:

a)

de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;

b)

tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;

c)

aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen) zijn uitgesloten;

d)

ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun in verhouding tot de bijdrage van het project aan de milieudoelstellingen van de maatregel, bijvoorbeeld de gevraagde steun per schoon of emissievrij vervoermiddel.

5.   Indien de steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die voldoet aan de voorwaarden van lid 4, bedraagt de steunintensiteit ten hoogste:

a)

100 % van de in aanmerking komende kosten voor de aanschaf of de leasing van emissievrije vervoermiddelen of de retrofitting van vervoermiddelen waardoor deze als emissievrije vervoermiddelen kunnen kwalificeren;

b)

80 % van de in aanmerking komende kosten voor de aanschaf of de leasing van schone vervoermiddelen of de retrofitting van vervoermiddelen waardoor deze als schone vervoermiddelen kunnen kwalificeren.

6.   In afwijking van lid 4 kan steun worden verleend zonder een concurrerende biedprocedure wanneer de steun is gebaseerd op een steunregeling.

In die gevallen bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 20 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor emissievrije voertuigen, en met 20 procentpunten voor middelgrote ondernemingen of met 30 procentpunten voor kleine ondernemingen.

7.   In afwijking van lid 4 kan steun ook zonder een concurrerende biedprocedure worden verleend wanneer hij wordt toegekend aan ondernemingen waaraan een openbaredienstcontract is gegund voor het verrichten van openbaar personenvervoer over de weg, per spoor of over het water na een open, transparante en niet-discriminerende openbare aanbesteding, uitsluitend met betrekking tot de aankoop van schone of emissievrije vervoermiddelen die worden gebruikt voor het verrichten van openbaar personenvervoer die onder het openbaredienstcontract vallen.

In dit geval bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 40 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor emissievrije voertuigen.”;

32)

artikel 37 wordt geschrapt;

33)

artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de titel wordt vervangen door:

“Artikel 38

Investeringssteun voor andere energie-efficiëntiemaatregelen dan in gebouwen”;

(b)

de leden 1 en 2 worden vervangen door:

“1.   Investeringssteun die ondernemingen in staat stelt de energie-efficiëntie, uitgezonderd van gebouwen, te verbeteren, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Op grond van dit artikel wordt geen steun toegekend voor investeringen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld en van kracht zijn. Op grond van dit artikel kan steun worden toegekend voor investeringen om te voldoen aan reeds vastgestelde maar nog niet van kracht zijnde Unienormen, mits de investering ten minste 18 maanden vóór de inwerkingtreding van de norm is uitgevoerd en voltooid.”

;

(c)

de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:

“2 bis.   Dit artikel is niet van toepassing op steun ten behoeve van warmtekrachtkoppeling en steun voor stadsverwarming en/of stadskoeling.

2 ter.   Steun voor de installatie van energie-uitrusting op fossiele brandstoffen, met inbegrip van aardgas, is op grond van dit artikel niet vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.”

;

(d)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energie-efficiëntie te behalen. Zij worden vastgesteld door de investeringskosten te vergelijken met die van het nulscenario dat zich zonder de steun zou voordoen, en wel als volgt:

a)

indien het nulscenario erin bestaat een minder energie-efficiënte investering uit te voeren die overeenkomt met de gangbare zakelijke praktijk in de betrokken sector of voor de betrokken activiteit, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de kosten van de minder energie-efficiënte investering.

b)

indien het nulscenario erin bestaat dezelfde investering op een later tijdstip uit te voeren, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de netto contante waarde van de kosten van de latere investering, gedisconteerd naar het tijdstip dat de gesteunde investering zou worden verricht;

c)

indien het nulscenario erin bestaat de bestaande installaties en uitrusting in bedrijf te houden, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de netto contante waarde van de investering in het onderhoud, de reparatie en de modernisering van de bestaande installaties en uitrusting, gedisconteerd naar het tijdstip dat de gesteunde investering zou worden verricht;

d)

in het geval van uitrusting die onder leasingovereenkomsten valt, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil in netto contante waarde tussen de leasing van de uitrusting waarvoor staatssteun wordt verleend en de leasing van de minder energie-efficiënte uitrusting die zonder de steun zou worden geleased; de leasingkosten omvatten geen kosten met betrekking tot de exploitatie van de uitrusting of installatie (brandstofkosten, verzekering, onderhoud, andere verbruiksgoederen), ongeacht of deze deel uitmaken van het leasingcontract.

In alle in de eerste alinea genoemde situaties komt het nulscenario overeen met een investering met een vergelijkbare outputcapaciteit en levensduur die voldoet aan reeds van kracht zijnde Unienormen. Het nulscenario is geloofwaardig in het licht van wettelijke vereisten, marktvoorwaarden en prikkels gegenereerd door het EU ETS-systeem.

Indien de investering bestaat in een duidelijk te identificeren investering met uitsluitend als doel het verbeteren van de energie-efficiëntie waarvoor er geen minder energie-efficiënte investering in een nulscenario is, zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten.

De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking.”

;

(e)

lid 3 bis wordt geschrapt;

(f)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   De steunintensiteit kan tot 100 % van de totale investeringskosten bedragen indien steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:

a)

de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;

b)

tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;

c)

aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen) zijn uitgesloten;

d)

ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun in verhouding tot de bijdrage van het project aan de milieudoelstellingen van de maatregel, bijvoorbeeld de gevraagde steun per eenheid bespaarde of per eenheid geproduceerde energie. Deze criteria tellen voor ten minste 70 % mee in de weging van alle selectiecriteria.”;

(g)

het volgende lid 8 wordt toegevoegd:

“8.   In afwijking van lid 3, punten a) tot en met d), en lid 7, kunnen de in aanmerking komende kosten worden bepaald zonder dat het nulscenario wordt vastgesteld en zonder dat er een concurrerende biedprocedure is. In dat geval zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiënte en worden de in de leden 4, 5 en 6 vastgestelde toepasselijke steunintensiteiten en verhogingen met 50 % verlaagd.”

;

34)

het volgende artikel 38 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 38 bis

Investeringssteun voor energie-efficiëntiemaatregelen in gebouwen

1.   Investeringssteun die ondernemingen in staat stelt energie-efficiëntie in gebouwen te behalen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Op grond van dit artikel wordt geen steun toegekend voor investeringen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld en van kracht zijn.

3.   Op grond van dit artikel kan steun worden toegekend voor investeringen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn. Wanneer de relevante Unienormen minimumnormen inzake energieprestaties zijn, moet de steun worden verleend voordat de normen voor de betrokken onderneming bindend worden. In dat geval moet de lidstaat ervoor zorgen dat de begunstigden een nauwkeurig renovatieplan en -tijdschema indienen waaruit blijkt dat de gesteunde renovatie ten minste volstaat om de naleving van de minimumnormen inzake energieprestaties te garanderen. Wanneer de relevante Unienormen afwijken van de minimumnormen inzake energieprestaties, moet de investering ten minste 18 maanden vóór de inwerkingtreding van de Unienorm zijn uitgevoerd en voltooid.

4.   Dit artikel is niet van toepassing op steun ten behoeve van warmtekrachtkoppeling en steun voor stadsverwarming en/of stadskoeling.

5.   De in aanmerking komende kosten zijn de totale investeringskosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie in het gebouw, komen niet in aanmerking.

6.   De steun moet leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie, van ten minste: i) 20 % ten opzichte van de situatie vóór de investering in het geval van renovatie van bestaande gebouwen, of ii) 10 % ten opzichte van de situatie vóór de investering in het geval van renovatiemaatregelen met betrekking tot de installatie of vervanging van slechts één type onderdeel van een gebouw zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 9, van Richtlijn 2010/31/EU en deze gerichte renovatiemaatregelen niet meer dan 30 % vertegenwoordigen van het deel van het budget van de regeling dat bestemd is voor energie-efficiëntiemaatregelen, of iii) 10 % ten opzichte van de drempel die is vastgesteld voor de vereisten van bijna-energieneutrale gebouwen in nationale maatregelen ter omzetting van Richtlijn 2010/31/EU in het geval van nieuwe gebouwen. De initiële vraag naar primaire energie en de geraamde verbetering worden vastgesteld aan de hand van een energieprestatiecertificaat zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 12, van Richtlijn 2010/31/EU.

7.   De steun ten behoeve van de verbetering van de energie-efficiëntie van het gebouw kan worden gecombineerd met steun voor een of meer van de volgende maatregelen:

a)

de installatie van geïntegreerde on-site installaties voor hernieuwbare energie waarmee elektriciteit, warmte of koude wordt geproduceerd, met inbegrip van maar niet beperkt tot fotovoltaïsche panelen en warmtepompen;

b)

de installatie van uitrusting voor de opslag van de energie die in on-site installaties voor hernieuwbare energie wordt geproduceerd. De uitrusting voor opslag haalt op jaarbasis ten minste 75 % van zijn energie uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie;

c)

de aansluiting op een energie-efficiënt systeem voor stadsverwarming en/of -koeling en bijbehorende uitrusting;

d)

de aanleg en installatie van oplaadinfrastructuur voor gebruik door de gebruikers van het gebouw, en daarbij behorende infrastructuur, zoals leidingen, indien de parkeervoorzieningen ofwel inpandig zijn of fysiek aan het gebouw grenzen;

e)

de installatie van uitrusting voor digitalisering van het gebouw, met name om de gereedheid voor slimme toepassingen te vergroten, daaronder begrepen passieve binnenhuisbekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en de randuitrusting van breedbandinfrastructuur op het eigendom waartoe het gebouw behoort, doch met uitsluiting van bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het eigendom;

f)

investeringen in groendaken en uitrusting voor het opvangen en gebruiken van regenwater.

Ingeval die in de punten a) tot en met f) genoemde werkzaamheden worden gecombineerd, vormen de volledige investeringskosten van de verschillende installaties en uitrusting de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie- of milieuprestaties komen niet in aanmerking.

8.   De steun kan worden toegekend aan de eigenaar of eigenaren van het gebouw of aan de huurder of huurders, afhankelijk van wie de opdracht geeft voor de energie-efficiëntiemaatregelen.

9.   Steun kan ook worden toegekend om de energie-efficiëntie van de verwarmings- of koelingsuitrusting in het gebouw te verbeteren.

10.   Steun voor de installatie van met fossiele brandstoffen gestookte energie-uitrusting, met inbegrip van aardgas, is op grond van dit artikel niet vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

11.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten.

12.   In afwijking van lid 11 bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 25 % indien de investering bestaat in de installatie of vervanging van slechts één type onderdeel van een gebouw in de zin van artikel 2, lid 9, van Richtlijn 2010/31/EU.

13.   In afwijking van de leden 11 en 12 mag de steunintensiteit, indien steun voor investeringen in gebouwen om te voldoen aan minimumnormen inzake energieprestaties die als Unienormen kwalificeren minder dan 18 maanden vóór de inwerkingtreding van de Unienormen wordt verleend, niet meer bedragen dan 15 % van de in aanmerking komende kosten wanneer de investering bestaat in de installatie of vervanging van slechts één type onderdeel van een gebouw zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 9, van Richtlijn 2010/31/EU, en niet meer dan 20 % in alle andere gevallen.

14.   De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

15.   De steunintensiteit kan met 15 procentpunten worden verhoogd voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, punt c), van het Verdrag voldoen.

16.   De steunintensiteit kan met 15 procentpunten worden verhoogd voor steun ten behoeve van de verbetering van de energie-efficiëntie van bestaande gebouwen indien de steun leidt tot een verbetering van de energie-efficiëntie van het gebouw, gemeten in primaire energie, van ten minste 40 % ten opzichte van de situatie vóór de investering. Deze verhoging van de steunintensiteit geldt niet indien de investering de energieprestaties van het gebouw niet verder verbetert dan het niveau dat wordt voorgeschreven door minimumnormen inzake energieprestaties die als Unienormen kwalificeren en binnen 18 maanden vanaf het tijdstip waarop de investering is uitgevoerd en voltooid, van kracht worden.”;

35)

het volgende artikel 38 ter wordt ingevoegd:

“Artikel 38 ter

Steun ter bevordering van energieprestatiecontracten

1.   Steun ter bevordering van energieprestatiecontracten is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Op grond van dit artikel kan steun worden toegekend ter bevordering van energieprestatiecontracten in de zin van artikel 2, punt 27, van Richtlijn 2012/27/EU.

3.   Kmo’s of kleine midcaps die maatregelen ter verbetering van de energieprestaties aanbieden en de eindbegunstigden van de steun zijn, komen in aanmerking voor steun op grond van dit artikel.

4.   De steun heeft de vorm van een niet-achtergestelde lening of garantie voor de aanbieder van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie in het kader van een energieprestatiecontract, of kan een financieel product zijn voor het financieren van de aanbieder (bv. factoring of forfaiting).

5.   De looptijd van de lening of garantie aan de aanbieder van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie is maximaal 10 jaar.

6.   Indien de steun in de vorm van een niet-achtergestelde lening wordt toegekend, bedraagt de mede-investering door commerciële verstrekkers van schuldfinanciering niet minder dan 30 % van de waarde van de onderliggende portefeuille van energieprestatiecontracten, en is de terugbetaling door de aanbieder van maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie ten minste gelijk aan het nominale bedrag van de lening.

7.   Indien de steun in de vorm van een garantie wordt toegekend, bedraagt de garantie niet meer dan 80 % van de hoofdsom van de onderliggende lening en worden verliezen naar evenredigheid en onder dezelfde voorwaarden gedragen door de kredietinstelling en de staat. Het gegarandeerde neemt proportioneel af, op zodanige wijze dat de garantie nooit meer dan 80 % van de uitstaande lening dekt.

8.   Het nominale bedrag van de totale uitstaande financiering die per begunstigde wordt verstrekt, bedraagt maximaal 30 miljoen EUR.”;

36)

artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de leden 2, 2 bis en 3 worden vervangen door:

“2.   Voor steun op grond van dit artikel komen investeringen ter verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen in aanmerking.

2 bis.   De steun ten behoeve van de verbetering van de energie-efficiëntie van het gebouw kan worden gecombineerd met steun voor een of meer van de volgende maatregelen:

a)

de installatie van geïntegreerde on-site installaties voor hernieuwbare energie waarmee elektriciteit, warmte of koude wordt geproduceerd, met inbegrip van maar niet beperkt tot fotovoltaïsche panelen en warmtepompen;

b)

de installatie van uitrusting voor de opslag van de energie die in on-site installaties voor hernieuwbare energie wordt geproduceerd. De uitrusting voor opslag haalt op jaarbasis ten minste 75 % van zijn energie uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie;

c)

investeringen in de aansluiting op een energie-efficiënt systeem voor stadsverwarming en/of -koeling en bijbehorende uitrusting;

d)

de aanleg en installatie van oplaadinfrastructuur voor gebruik door de gebruikers van het gebouw, en daarbij behorende infrastructuur, zoals leidingen, indien de parkeerplaatsen ofwel inpandig zijn of fysiek aan het gebouw grenzen;

e)

de installatie van uitrusting voor digitalisering van het gebouw, met name om de gereedheid voor slimme toepassingen te vergroten. Bij in aanmerking komende investeringen kan het onder meer gaan om maatregelen die beperkt zijn tot passieve binnenhuisbekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en de randuitrusting van de breedbandinfrastructuur op het eigendom waartoe het gebouw behoort, doch met uitsluiting van bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het eigendom;

f)

investeringen in groendaken en uitrusting voor het opvangen en gebruiken van regenwater.

3.   De in aanmerking komende kosten zijn de totale kosten van het energie-efficiëntieproject, behalve voor de in lid 2 bis bedoelde gebouwen, waarvoor de in aanmerking komende kosten de totale kosten van het energie-efficiëntieproject zijn, alsmede de investeringskosten van de verschillende onderdelen van de in lid 2 bis vermelde uitrusting.”

;

(b)

in lid 5 worden de eerste en de tweede zin vervangen door:

“5.   Het energie-efficiëntiefonds of een andere financiële intermediair kent leningen of garanties toe aan de in aanmerking komende energie-efficiëntieprojecten. De nominale waarde van de lening of het gegarandeerde bedrag bedraagt maximaal 25 miljoen EUR per eindbegunstigde en per project, behalve in het geval van de in lid 2 bis bedoelde gecombineerde investeringen, waarvoor het bedrag maximaal 30 miljoen EUR is.”

;

(c)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   De energie-efficiëntiesteun dient als hefboom voor bijkomende investeringen van onafhankelijke particuliere investeerders zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 72, zodat daarmee in totaal ten minste 30 % wordt bereikt van de totale financiering die voor een energie-efficiëntieproject wordt verstrekt. Wanneer de steun wordt verschaft door een energie-efficiëntiefonds, kan de hefboom van deze particuliere investering worden ingezet op het niveau van het energie-efficiëntiefonds en/of op het niveau van de energie-efficiëntieprojecten, zodat daarmee een bedrag wordt bereikt van in totaal ten minste 30 % van de totale financiering die voor een energie-efficiëntieproject wordt verstrekt.”

;

(d)

in lid 8 wordt punt f) vervangen door:

“f)

het energie-efficiëntiefonds of de financiële intermediair wordt opgericht overeenkomstig het toepasselijke recht en de lidstaat ziet erop toe dat een boekenonderzoek plaatsvindt om zich ervan te vergewissen dat de uitvoering van de steunmaatregel ten behoeve van energie-efficiëntie volgens een zakelijk verantwoorde investeringsstrategie plaatsvindt.”;

(e)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   Op grond van dit artikel wordt geen steun toegekend voor investeringen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld en van kracht zijn.”

;

(f)

de volgende leden 11 tot en met 14 worden ingevoegd:

“11.   Op grond van dit artikel kan steun worden toegekend voor investeringen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn. Wanneer de relevante Unienormen minimumnormen inzake energieprestaties zijn, moet de steun worden verleend voordat de normen voor de betrokken onderneming bindend worden. In dat geval moet de lidstaat ervoor zorgen dat de begunstigden een nauwkeurig renovatieplan en -tijdschema indienen waaruit blijkt dat de gesteunde renovatie ten minste volstaat om de naleving van de minimumnormen inzake energieprestaties te garanderen. Wanneer de relevante Unienormen afwijken van de minimumnormen inzake energieprestaties, moet de investering ten minste 18 maanden vóór de inwerkingtreding van de norm zijn uitgevoerd en voltooid.

12.   Steun kan ook worden toegekend om de energie-efficiëntie van de verwarmings- of koelingsuitrusting in het gebouw te verbeteren.

13.   Steun voor de installatie van met fossiele brandstoffen gestookte energie-uitrusting, met inbegrip van aardgas, is op grond van dit artikel niet vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

14.   De lidstaat kan de uitvoering van de steunmaatregel aan een met het beheer belaste entiteit toewijzen.”

;

37)

artikel 40 wordt geschrapt.

38)

artikel 41 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de titel en lid 1 worden vervangen door:

“Artikel 41

Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, uit hernieuwbare waterstof en uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

1.   Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, uit hernieuwbare waterstof en uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.”;

(b)

het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:

“1 bis.   Investeringssteun voor projecten voor elektriciteitsopslag op grond van dit artikel is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover deze wordt toegekend aan gecombineerde projecten voor hernieuwbare energie en opslag (achter de meter), waarbij beide elementen deel uitmaken van één investering of waarbij de opslag gekoppeld wordt aan een bestaande installatie voor de opwekking van hernieuwbare energie. De opslagcomponent haalt op jaarbasis ten minste 75 % van zijn energie uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie. Bij verificatie van de naleving van de in artikel 4 genoemde drempelwaarden worden alle investeringscomponenten (opwekking en opslag) als één geïntegreerd project beschouwd. Dezelfde regels zijn van toepassing op thermische opslag die rechtstreeks is aangesloten op een installatie voor de productie van hernieuwbare energie.”

;

(c)

de leden 2, 3 en 4 worden vervangen door:

“2.   Investeringssteun voor de productie en opslag van biobrandstof, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstof is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover de gesteunde brandstoffen voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen ervan, en die worden geproduceerd uit de in bijlage IX bij die richtlijn genoemde grondstoffen. De opslagcomponent haalt op jaarbasis ten minste 75 % van zijn brandstofinhoud uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstoffen. Bij verificatie van de naleving van de in artikel 4 van deze verordening genoemde drempelwaarden worden alle investeringscomponenten (productie en opslag) als één geïntegreerd project beschouwd.

3.   Investeringssteun voor de productie van waterstof is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld wat betreft installaties die uitsluitend hernieuwbare waterstof produceren. Voor projecten met hernieuwbare waterstof die bestaan uit een elektrolyse-installatie en een of meer productie-eenheden voor hernieuwbare energie achter één netaansluitpunt, bedraagt het vermogen van de elektrolyse-installatie niet meer dan het gecombineerde vermogen van de productie-eenheden voor hernieuwbare energie. De investeringssteun kan gaan naar specifieke infrastructuur voor de transmissie of distributie van hernieuwbare waterstof, maar ook naar opslagvoorzieningen voor hernieuwbare waterstof.

4.   Investeringssteun voor hoogrenderende wkk-eenheden is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover deze totale besparingen van primaire energie oplevert ten opzichte van de afzonderlijke productie van warmte en elektriciteit zoals bepaald door Richtlijn 2012/27/EU of latere wetgeving die deze handeling geheel of ten dele vervangt. Steun voor investeringen in projecten voor elektriciteits- en warmteopslag die rechtstreeks verbonden zijn met hoogrenderende warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energiebronnen is onder de in lid 1 bis van dit artikel vastgestelde voorwaarden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.”

;

(d)

het volgende lid 4 bis wordt ingevoegd:

“4 bis.   Investeringssteun voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover deze niet bestemd is voor wkk-installaties op fossiele brandstof, met uitzondering van aardgas indien inachtneming van de klimaatdoelen voor 2030 en 2050 is gegarandeerd overeenkomstig afdeling 4.30 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie (*45).

(*45)  Commission Delegated Regulation (EU) 2021/2139 of 4 June 2021 supplementing Regulation (EU) 2020/852 of the European Parliament and of the Council by establishing the technical screening criteria for determining the conditions under which an economic activity qualifies as contributing substantially to climate change mitigation or climate change adaptation and for determining whether that economic activity causes no significant harm to any of the other environmental objectives (OJ L 442, 9.12.2021, p. 1).”;"

(e)

de leden 5, 6 en 7 worden vervangen door:

“5.   De investeringssteun wordt uitsluitend voor nieuw geïnstalleerd of gerenoveerd vermogen verleend. Het steunbedrag staat los van de output.

6.   De in aanmerking komende kosten zijn de totale investeringskosten.

7.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a)

45 % van de in aanmerking komende kosten voor investeringen in de productie van hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van warmtepompen die voldoen aan bijlage VII bij Richtlijn 2018/2001, hernieuwbare waterstof en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energiebronnen;

b)

30 % van de in aanmerking komende kosten voor elke andere onder dit artikel vallende investering.”;

(f)

lid 9 wordt geschrapt;

(g)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   De steunintensiteit kan tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen indien steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:

a)

de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;

b)

tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;

c)

aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) zijn uitgesloten;

d)

ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun per eenheid energiecapaciteit uit hernieuwbare bronnen of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.”;

39)

artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de leden 1 tot en met 7 worden vervangen door:

“1.   Exploitatiesteun ter bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit hernieuwbare waterstof, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:

a)

de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;

b)

tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;

c)

aanpassingen achteraf van de uitkomst van de biedprocedure (zoals aansluitende onderhandelingen over de uitkomsten van de biedingen of contingentering) zijn uitgesloten;

d)

ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun per eenheid elektriciteitsproductie of capaciteit uit hernieuwbare bronnen.

De biedprocedure staat op niet-discriminerende basis open voor alle producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

3.   De biedprocedure kan tot specifieke technologieën worden beperkt wanneer:

a)

een maatregel specifiek bedoeld is om demonstratieprojecten te ondersteunen;

b)

een maatregel niet alleen bedoeld is voor decarbonisatie, maar ook om te werken aan luchtkwaliteit of andere vormen van verontreiniging;

c)

een lidstaat redenen aanvoert om te verwachten dat in aanmerking komende bedrijfstakken of innovatieve technologieën het potentieel hebben om op langere termijn een belangrijke en kosteneffectieve bijdrage te leveren aan de bescherming van het milieu en ingrijpende decarbonisatie (deep decarbonisation);

d)

een maatregel vereist is om diversificatie te bereiken die noodzakelijk is om problemen met netwerkstabiliteit niet te verergeren;

e)

een selectievere benadering tot lagere kosten zou moeten leiden om milieubescherming te verwezenlijken (bv. via verlaagde kosten voor systeemintegratie als gevolg van diversificatie, ook tussen hernieuwbare energiebronnen, die ook vraagrespons en/of opslag zou kunnen omvatten), en/of geringere verstoringen van de mededinging zou opleveren.

Lidstaten voeren een nadere beoordeling uit van de toepasselijkheid van die voorwaarden en doen de Commissie daarvan verslag overeenkomstig de in artikel 11, lid 1, punt a), beschreven concrete voorwaarden.

4.   Wanneer de biedprocedure beperkt is tot een of meer innovatieve technologieën, mag de aan deze technologieën verleende steun niet meer bedragen dan 5 % van het totale geplande nieuwe elektrische vermogen uit hernieuwbare energiebronnen per jaar.

5.   Steun wordt toegekend als opslag bovenop de marktprijs — of in de vorm van een contract ter verrekening van verschillen — waartegen de producenten hun elektriciteit rechtstreeks op de markt afzetten.

6.   Begunstigden van steun verkopen hun elektriciteit rechtstreeks op de markt en zijn aan standaardbalanceringstaken onderworpen. Begunstigden mogen hun balanceringstaken uitbesteden aan andere, namens hen optredende ondernemingen, zoals aggregatoren. Voorts wordt geen steun uitgekeerd voor perioden waarin de prijzen negatief zijn. Voor alle duidelijkheid, dit geldt vanaf het tijdstip dat prijzen negatief worden.

7.   Kleinschalige installaties voor hernieuwbare elektriciteit kunnen steun krijgen in de vorm van directe prijssteun die de volledige exploitatiekosten dekt en kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om de geproduceerde elektriciteit op de markt te verkopen, in overeenstemming met artikel 4, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Installaties worden voor de toepassing van dit lid als kleinschalig beschouwd indien het vermogen ervan lager is dan de toepasselijke drempel overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), of artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2019/943.”

;

(b)

de leden 8, 9 en 10 worden geschrapt;

(c)

lid 11 wordt vervangen door:

“11.   Steun wordt alleen gedurende de looptijd van het project toegekend.”

;

40)

artikel 43 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de titel en de leden 1 en 2 worden vervangen door:

“Artikel 43

Exploitatiesteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en van hernieuwbare waterstof in kleine projecten en hernieuwbare-energiegemeenschappen

1.   Exploitatiesteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen en van hernieuwbare waterstof in kleine projecten en hernieuwbare-energiegemeenschappen, met uitzondering van elektriciteit uit hernieuwbare waterstof, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kleine projecten verstaan:

i)

voor elektriciteitsproductie of -opslag: projecten met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 1 MW;

ii)

voor elektriciteitsverbruik: projecten met een maximale vraag van 1 MW;

iii)

voor technologie voor warmteproductie en gasproductie — projecten met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 1 MW of het equivalent daarvan;

iv)

voor de productie van hernieuwbare waterstof — projecten met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 3 MW of het equivalent daarvan;

v)

voor de productie van biobrandstof, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstof — projecten met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 50 000 ton/jaar of het equivalent daarvan;

vi)

voor projecten die volledig in handen zijn van een kmo en voor demonstratieprojecten — projecten met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 6 MW of het equivalent daarvan;

vii)

voor alleen windenergieprojecten die volledig in handen zijn van een micro- of kleine onderneming — projecten met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 18 MW of het equivalent daarvan;”;

(b)

de volgende leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd:

“2 bis.   Steun ten behoeve van hernieuwbare-energiegemeenschappen is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor projecten met een geïnstalleerd vermogen of een maximale vraag van 6 MW of minder uit alle hernieuwbare bronnen behalve windenergie, waarvoor steun wordt toegekend voor installaties met een geïnstalleerd vermogen van maximaal 18 MW.

2 ter.   Exploitatiesteun voor de productie van waterstof is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld wat betreft installaties die uitsluitend hernieuwbare waterstof produceren.”

;

(c)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   Exploitatiesteun voor de productie van biobrandstof, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstof is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover de gesteunde brandstoffen voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereducties van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen ervan, en die worden geproduceerd uit de in bijlage IX bij die richtlijn vermelde grondstoffen.”

;

(d)

lid 4 wordt geschrapt;

(e)

de leden 5, 6 en 7 worden vervangen door:

“5.   De steun wordt beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is om het gesteunde project of de gesteunde activiteit uit te voeren. Deze voorwaarde is vervuld indien de steun overeenkomt met de nettomeerkosten (“financieringskloof”) die noodzakelijk zijn om de doelstelling van de steunmaatregel te bereiken, vergeleken met het nulscenario waarin er geen steun wordt toegekend. Een nadere beoordeling van de nettomeerkosten is niet vereist indien de steunbedragen worden bepaald via een concurrerende biedprocedure, omdat die procedure een betrouwbare schatting oplevert van het minimum aan steun dat potentiële begunstigden nodig hebben.

6.   Steun wordt alleen gedurende de looptijd van het project toegekend.

7.   Steun wordt toegekend als opslag bovenop de marktprijs of in de vorm van een contract ter verrekening van verschillen, waartegen de producenten hun elektriciteit rechtstreeks op de markt afzetten.”

;

(f)

de volgende leden 8 en 9 worden ingevoegd:

“8.   Begunstigden van steun zijn aan standaardbalanceringstaken onderworpen. Begunstigden mogen hun balanceringstaken uitbesteden aan andere, namens hen optredende ondernemingen, zoals aggregatoren. Voorts wordt geen steun uitgekeerd voor perioden waarin de prijzen negatief zijn. Voor alle duidelijkheid, dit geldt vanaf het tijdstip dat prijzen negatief worden.

9.   Kleinschalige installaties en demonstratieprojecten voor hernieuwbare elektriciteit kunnen steun krijgen in de vorm van directe prijssteun die de volledige exploitatiekosten dekt en kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om de geproduceerde elektriciteit op de markt te verkopen, in overeenstemming met artikel 4, lid 3, van Richtlijn (EU) 2018/2001. Installaties worden voor de toepassing van dit lid als kleinschalig beschouwd indien het vermogen ervan lager is dan de toepasselijke drempel overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), of artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2019/943.”

;

41)

artikel 44 wordt vervangen door:

“Artikel 44

Steun in de vorm van belastingverlagingen krachtens Richtlijn 2003/96/EG

1.   Steunregelingen in de vorm van belastingverlagingen die aan de voorwaarden van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad voldoen, zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De begunstigden van de belastingverlaging worden geselecteerd op basis van transparante en objectieve criteria.

3.   De begunstigden van de belastingverlaging betalen ten minste het in bijlage I bij Richtlijn 2003/96/EG vastgestelde minimumbelastingniveau, met uitzondering van verlagingen:

a)

verleend op grond van artikel 15, lid 1, punt a, van Richtlijn 2003/96/EG voor belastbare producten die onder fiscaal toezicht worden gebruikt bij proefprojecten voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijkere producten of met betrekking tot brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;

b)

verleend op grond van artikel 15, lid 1, punt b), eerste, tweede, vierde en vijfde streepje, van Richtlijn 2003/96/EG voor elektriciteit i) verkregen uit zon, wind, golven, getijden of aardwarmte, ii) van hydraulische oorsprong die wordt geproduceerd in hydro-elektrische installaties, iii) opgewekt uit methaan dat wordt uitgestoten door verlaten kolenmijnen, en iv) opgewekt uit brandstofcellen;

c)

verleend op grond van artikel 15, lid 1, punt b), derde streepje, van Richtlijn 2003/96/EG voor elektriciteit die is opgewekt uit biomassa of uit producten die zijn verkregen uit biomassa, voor zover biomassa voldoet aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereducties van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen daarvan;

d)

verleend op grond van artikel 15, lid 1, punt d), van Richtlijn 2003/96/EG voor elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling, op voorwaarde dat dit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling is zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU;

e)

verleend op grond van artikel 15, lid 1, punt l), van Richtlijn 2003/96/EG, voor producten van GN-code 2705 die worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden;

f)

verleend op grond van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2003/96/EG.

4.   teunregelingen in de vorm van belastingverlagingen kunnen op een verlaging van het toepasselijke belastingtarief of op de betaling van een vast compensatiebedrag (belastingteruggaaf) zijn gebaseerd, of op een combinatie van deze beide mechanismen.

5.   Belastingverlagingen verleend op grond van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2003/96/EG zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover de gesteunde brandstoffen voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereducties van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen ervan, en die worden geproduceerd uit de in bijlage IX bij die richtlijn vermelde grondstoffen.”;

42)

het volgende artikel 44 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 44 bis.

Steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen of -heffingen

1.   Steunregelingen in de vorm van kortingen op milieubelastingen of -heffingen zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. Dit artikel is niet van toepassing op belasting- of heffingskortingen op energieproducten en elektriciteit, als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 2003/96/EG.

2.   Steun in de vorm van kortingen op milieubelastingen of -heffingen is alleen verenigbaar indien met de korting een hoger niveau van milieubescherming kan worden bereikt doordat ondernemingen die zonder de korting hun economische activiteiten niet zouden kunnen voortzetten, onder het toepassingsgebied van de milieubelasting of -heffing worden gebracht.

3.   Alleen ondernemingen die zonder de korting hun economische activiteiten niet zouden kunnen voortzetten, komen voor steun in aanmerking. Voor de toepassing van dit artikel wordt dit geacht het geval te zijn voor ondernemingen waarvan de productiekosten zonder de korting aanzienlijk zouden stijgen als gevolg van de milieubelasting of -heffing en die deze stijging niet aan hun klanten kunnen doorberekenen. De stijging van de productiekosten wordt berekend als een percentage van de bruto toegevoegde waarde voor elke sector of categorie begunstigden.

4.   De begunstigden worden geselecteerd op basis van transparante, niet-discriminerende en objectieve criteria. De steun wordt op dezelfde wijze toegekend aan alle in aanmerking komende ondernemingen die in dezelfde economische sector actief zijn en die zich, wat de doelstellingen van de steunmaatregel betreft, in dezelfde of in een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden.

5.   Het bruto-subsidie-equivalent van de steun bedraagt ten hoogste 80 % van het nominale belasting- of heffingstarief.

6.   Steunregelingen in de vorm van belasting- of heffingskortingen kunnen op een verlaging van het toepasselijke belastingtarief of op de betaling van een vast compensatiebedrag (belastingteruggaaf) zijn gebaseerd, of op een combinatie van deze beide mechanismen.”;

43)

de artikelen 45 en 46 worden vervangen door:

“Artikel 45

Investeringssteun voor het herstel van milieuschade, de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen, de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en de uitvoering van nature-based solutions ten behoeve van klimaatadaptatie en -mitigatie

1.   Investeringssteun voor de sanering van milieuschade, de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen, de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en de uitvoering van nature-based solutions ten behoeve van klimaatadaptatie en -mitigatie is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Steun op grond van dit artikel kan worden toegekend voor de volgende activiteiten:

a)

het herstel van milieuschade, daaronder begrepen aantasting van de kwaliteit van de bodem, het oppervlakte- of grondwater, of het mariene milieu;

b)

de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen die zijn aangetast;

c)

de bescherming of het herstel van de biodiversiteit of van ecosystemen om bij te dragen aan het bereiken van de goede staat van ecosystemen of om ecosystemen die reeds in goede staat verkeren, te beschermen;

d)

de uitvoering van nature-based solutions voor klimaatadaptatie en -mitigatie.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op steun tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen zoals aardbevingen, lawines, grondverschuivingen, overstromingen, tornado’s, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak.

4.   Dit artikel is ook niet van toepassing op steun voor sanering of rehabilitatie na de sluiting van energiecentrales en mijnbouw- of winningsactiviteiten.

5.   Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (*46) of andere toepasselijke regels van de Unie inzake aansprakelijkheid voor milieuschade geldt dat, indien de entiteit of onderneming die krachtens het toepasselijke recht in elke lidstaat voor de milieuschade aansprakelijk is, kan worden geïdentificeerd, die entiteit of onderneming de werkzaamheden financiert die noodzakelijk zijn om, overeenkomstig het beginsel “de vervuiler betaalt”, de aantasting en verontreiniging van het milieu te voorkomen en te corrigeren, en dat geen steun wordt toegekend voor de werkzaamheden die de entiteit of onderneming wettelijk verplicht zou zijn uit te voeren. De lidstaat neemt alle nodige maatregelen, met inbegrip van juridische stappen, om de aansprakelijke entiteit of onderneming die aan de basis van de milieuschade ligt te identificeren en om ervoor te zorgen dat zij de desbetreffende kosten draagt. Indien de entiteit of onderneming die krachtens het toepasselijke recht aansprakelijk is, niet kan worden geïdentificeerd of worden verplicht de kosten te dragen van de sanering in verband met de door haar veroorzaakte milieuschade, met name omdat de aansprakelijke onderneming rechtens niet meer bestaat en geen andere onderneming als haar economische opvolger kan worden beschouwd, of indien er onvoldoende financiële zekerheid is om de saneringskosten te dragen, kan steun worden toegekend ten behoeve van de sanerings- of rehabilitatiewerkzaamheden. Er wordt geen steun toegekend voor de uitvoering van compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (*47) . Op grond van dit artikel kan steun worden toegekend om de extra kosten te dekken die noodzakelijk zijn om de omvang of het ambitieniveau van die maatregelen uit te breiden tot buiten de wettelijke verplichtingen uit hoofde van artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG.

6.   Voor investeringen in het herstel van milieuschade of de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen zijn de in aanmerking komende kosten de kosten die bij de sanerings- of rehabilitatiewerkzaamheden worden gemaakt, verminderd met de waardestijging van het terrein of eigendom.

7.   Taxaties van de waardestijging van het terrein of het eigendom als gevolg van de sanering of rehabilitatie worden door een onafhankelijke, gekwalificeerde deskundige uitgevoerd.

8.   Voor investeringen in de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en in de uitvoering van nature-based solutions ten behoeve van klimaatadaptatie en -mitigatie zijn de in aanmerking komende kosten de totale kosten van de werkzaamheden die leiden tot de bijdrage aan de bescherming of het herstel van de biodiversiteit of tot de uitvoering van nature-based solutions ten behoeve van klimaatadaptatie en -mitigatie.

9.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste:

a)

100 % van de in aanmerking komende kosten voor investeringen in de sanering van milieuschade of de rehabilitatie van natuurlijke habitats en ecosystemen;

b)

70 % van de in aanmerking komende kosten voor investeringen in de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en in nature-based solutions ten behoeve van klimaatadaptatie en -mitigatie.

10.   De steunintensiteit voor investeringen in de bescherming of het herstel van de biodiversiteit en in de uitvoering van nature-based solutions ten behoeve van klimaatadaptatie en -mitigatie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

Artikel 46

Investeringssteun voor energie-efficiënte stadsverwarming en/of -koeling

1.   Investeringssteun voor de bouw, uitbreiding of upgrade van systemen voor energie-efficiënte stadsverwarming en/of -koeling, met inbegrip van de bouw, uitbreiding of upgrade van installaties voor warmte- of koudeopwekking en/of thermische opslagoplossingen en/of het distributienet, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Steun wordt alleen toegekend voor de bouw, uitbreiding of upgrade van stadsverwarmings- en/of stadskoelingssystemen die energie-efficiënt zijn of het zullen worden, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU. Indien het systeem als gevolg van de gesteunde werkzaamheden nog niet energie-efficiënt wordt, beginnen de verdere upgrades die nodig zijn om te voldoen aan de voorwaarden vervat in de definitie van energie-efficiënte stadsverwarming en/of -koeling, voor installaties voor warmte- en/of koudeopwekking waarvoor steun wordt verleend, drie jaar na aanvang van de gesteunde werkzaamheden aan het distributienet.

3.   Steun kan worden verleend voor energieopwekking op basis van hernieuwbare bronnen, met inbegrip van warmtepompen die voldoen aan bijlage VII bij Richtlijn (EU) 2018/2001, afvalwarmte of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, en voor oplossingen voor thermische opslag. Steun voor energieproductie uit afval kan zowel zijn gebaseerd op afval dat voldoet aan de definitie van hernieuwbare energiebron als op afval dat wordt gebruikt als brandstof voor installaties die voldoen aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling. Afval dat als brandstof wordt gebruikt, mag het beginsel van de afvalhiërarchie zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG niet omzeilen.

4.   Steun wordt niet toegekend voor de bouw of upgrade van productiefaciliteiten op basis van fossiele brandstoffen, uitgezonderd voor aardgas. Steun voor de bouw of upgrade van aardgascentrales kan slechts worden toegekend indien inachtneming van de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 is gegarandeerd, in overeenstemming met afdeling 4.30 van bijlage 1 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139.

5.   Steun voor upgrades van opslag- en distributienetwerken voor de transmissie van op basis van fossiele brandstoffen geproduceerde warmte of koude kan alleen worden toegekend indien elk van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)

het distributienetwerk is geschikt of wordt geschikt gemaakt voor de transmissie van warmte of koude die wordt geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen en/of afvalwarmte;

b)

de upgrade resulteert in een toegenomen productie van energie uit fossiele brandstoffen met uitzondering van aardgas. In het geval van een upgrade van de opslag of het distributienetwerk voor uit aardgas geproduceerde warmte of koeling, voor zover de upgrade leidt tot een toename van de energieopwekking uit aardgas, moeten die opwekkingsfaciliteiten voldoen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050, in overeenstemming met afdeling 4.31 van bijlage 1 bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139.

6.   De in aanmerking komende kosten zijn de investeringskosten voor de bouw of upgrade van een energie-efficiënt systeem voor stadsverwarming en/of stadskoeling.

7.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 30 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.

8.   De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen die uitsluitend hernieuwbare energiebronnen, afvalwarmte, of een combinatie daarvan, daaronder begrepen hernieuwbare warmtekrachtkoppeling, gebruiken.

9.   Als alternatief voor lid 7 kan de steunintensiteit oplopen tot 100 % van de financieringskloof. De steun wordt beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is om het gesteunde project of de gesteunde activiteit uit te voeren. Deze voorwaarde is vervuld indien de steun overeenkomt met de financieringskloof zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 118. Een nadere beoordeling van de nettomeerkosten is niet vereist indien de steunbedragen worden bepaald via een concurrerende biedprocedure, omdat die procedure een betrouwbare schatting oplevert van het minimum aan steun dat potentiële begunstigden nodig hebben.

(*46)  Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56)."

(*47)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).”;"

44)

artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

de titel en de leden 1 tot en met 8 worden vervangen door:

“Artikel 47

Investeringssteun voor hulpbronnenefficiëntie en ter ondersteuning van de transitie naar een circulaire economie

1.   Investeringssteun ten behoeve van hulpbronnenefficiëntie en een circulaire economie is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De steun wordt toegekend voor de volgende soorten investeringen:

a)

investeringen die de hulpbronnenefficiëntie verbeteren door een van deze beide of beide maatregelen:

i)

een nettoreductie van de bij de productie van een gegeven hoeveelheid output verbruikte hulpbronnen, vergeleken met een reeds bestaand productieproces dat door de begunstigde wordt gebruikt of met in lid 7 vermelde alternatieve projecten of activiteiten. De verbruikte hulpbronnen omvatten alle verbruikte materiële hulpbronnen, met uitzondering van energie, en de reductie wordt bepaald door het verbruik vóór en na de uitvoering van de steunmaatregel te meten of te ramen, rekening houdende met aanpassingen voor externe omstandigheden die op het hulpbronnenverbruik van invloed kunnen zijn;

ii)

de vervanging van primaire grondstoffen of brandstoffen door secundaire (hergebruikte, teruggewonnen of gerecyclede) grondstoffen of brandstoffen;

b)

investeringen voor de preventie en beperking van afvalproductie, de voorbereiding voor hergebruik, decontaminatie en recycling van door de begunstigde gegenereerd afval of investeringen voor de voorbereiding voor hergebruik, decontaminatie en recycling van afval geproduceerd door derden dat anders niet zou worden benut, verwijderd of verwerkt met een verwerkingsmethode die lager in de prioritaire volgorde van de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG bedoelde afvalhiërarchie staat, of op een minder hulpbronnenefficiënte manier, of tot een minder kwalitatieve recycling zou leiden;

c)

investeringen voor het inzamelen, sorteren, decontamineren, voorbehandelen en behandelen van andere door de begunstigde of door derden geproduceerde producten, materialen of stoffen die anders niet of op een minder hulpbronnenefficiënte manier zouden worden gebruikt;

d)

investeringen voor de gescheiden inzameling en sortering van afval met het oog op de voorbereiding ervan voor hergebruik of recycling.

3.   Steun voor activiteiten inzake afvalverwijdering en nuttige toepassing van afval om energie te produceren is op grond van dit artikel niet vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

4.   De steun bevrijdt ondernemingen die afval produceren, niet van kosten of verplichtingen met betrekking tot de verwerking van afval waarvoor zij aansprakelijk zijn uit hoofde van Unierecht of nationaal recht, met inbegrip van regelingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, noch van kosten die als kosten van een normale bedrijfsvoering moeten worden beschouwd.

5.   De steun mag niet aanzetten tot de productie van afval of tot een intensiever gebruik van hulpbronnen.

6.   Investeringen in technologieën die een reeds winstgevende staande zakelijke praktijk in de hele Unie vormen, zijn niet vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag op grond van dit artikel.

7.   De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten die worden bepaald door de totale investeringskosten van het project af te zetten tegen die van minder milieuvriendelijke projecten of activiteiten, die een van de volgende zijn:

a)

een nulscenario bestaande uit een vergelijkbare investering die geloofwaardig zou zijn verwezenlijkt in een nieuw of reeds bestaand productieproces zonder steun en dat niet hetzelfde niveau van hulpbronnenefficiëntie behaalt;

b)

een nulscenario bestaande uit de behandeling van afval op basis van een verwerkingsmethode die lager in de prioritaire volgorde van de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG bedoelde afvalhiërarchie staat, of de behandeling van afval, andere producten, materialen of stoffen op een minder hulpbronnenefficiënte manier;

c)

een nulscenario bestaande uit een vergelijkbare investering in een conventioneel productieproces waarbij primaire grondstoffen of feedstock worden gebruikt, indien het verkregen secundaire (hergebruikte of teruggewonnen) product technisch en economisch substitueerbaar is met het primaire product.

In alle in de eerste alinea, punten a) en c) genoemde situaties komt het nulscenario overeen met een investering met een vergelijkbare outputcapaciteit en levensduur die voldoet aan reeds van kracht zijnde Unienormen. Het nulscenario is geloofwaardig in het licht van wettelijke vereisten, marktvoorwaarden en prikkels.

Indien de investering bestaat in de installatie van een uitbreiding van een reeds bestaande faciliteit waarvoor geen minder milieuvriendelijk equivalent bestaat, of indien de aanvrager van de steun kan aantonen dat zonder steun geen investering zou worden gedaan, zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten.

8.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 40 % van de in aanmerking komende kosten. De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor steun aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor steun aan middelgrote ondernemingen.”;

(b)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   Op grond van dit artikel wordt geen steun toegekend voor investeringen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld en van kracht zijn. Op grond van dit artikel kan steun worden toegekend voor investeringen om te voldoen aan reeds vastgestelde maar nog niet van kracht zijnde Unienormen, mits de investering ten minste 18 maanden vóór de inwerkingtreding van de norm is uitgevoerd en voltooid.”

;

45)

de artikelen 48 en 49 worden vervangen door:

“Artikel 48

Investeringssteun voor energie-infrastructuur

1.   Investeringssteun voor de bouw of het upgraden van energie-infrastructuur is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Steun voor energie-infrastructuur die — geheel of ten dele — is vrijgesteld van derdentoegang of tariefregulering overeenkomstig de wetgeving inzake de intern;<e energiemarkt, is op grond van dit artikel niet vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

3.   Steun voor investeringen in projecten voor elektriciteits- en gasopslag is op grond van dit artikel niet van de aanmeldingsverplichting vrijgesteld.

4.   Steun voor gasinfrastructuur is alleen van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld indien de betrokken infrastructuur is bestemd voor het gebruik van waterstof en/of hernieuwbaar gas, of wordt gebruikt voor het vervoer van meer dan 50 % waterstof en hernieuwbaar gas.

5.   De in aanmerking komende kosten zijn de totale investeringskosten.

6.   De steunintensiteit kan oplopen tot 100 % van de financieringskloof. De steun wordt beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is om het gesteunde project of de gesteunde activiteit uit te voeren. Deze voorwaarde is vervuld indien de steun overeenkomt met de financieringskloof zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 118. Een nadere beoordeling van de nettomeerkosten is niet vereist indien de steunbedragen worden bepaald via een concurrerende biedprocedure, omdat die een betrouwbare schatting oplevert van het minimum aan steun dat potentiële begunstigden nodig hebben.

Artikel 49

Steun voor studies of consultancydiensten inzake milieubescherming en energiethema’s

1.   Steun voor studies of consultancydiensten, met inbegrip van energieaudits, die rechtstreeks verband houden met op grond van dit deel voor steun in aanmerking komende investeringen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   Indien de volledige studie of consultancydienst investeringen betreft die op grond van dit deel voor steun in aanmerking komen, zijn de in aanmerking komende diensten de kosten van de studie of consultancydienst. Indien slechts een deel van de studie of de consultancydienst betrekking heeft op investeringen die op grond van dit deel voor steun in aanmerking komen, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van het deel van de studie of de consultancydienst dat met die investeringen verband houdt.

2 bis.   Steun wordt toegekend, ongeacht of de bevindingen van de studie of de consultancydienst worden gevolgd door een investering die op grond van dit deel voor steun in aanmerking komt.

3.   De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 60 % van de in aanmerking komende kosten.

4.   De steunintensiteit kan met 20 procentpunten worden verhoogd bij studies of consultancydiensten voor rekening van kleine ondernemingen en met 10 procentpunten bij studies of consultancydiensten voor rekening van middelgrote ondernemingen.

5.   Voor energieaudits die worden uitgevoerd om aan Richtlijn 2012/27/EU te voldoen, wordt alleen steun toegekend indien de energieaudit wordt uitgevoerd naast de op grond van die richtlijn verplichte energieaudit.”;

46)

de artikelen 52 en 52 bis worden vervangen door:

“Artikel 52

Steun voor vaste breedbandnetwerken

1.   Investeringssteun ten behoeve van de uitrol van vaste breedbandnetwerken is verenigbaar met de interne markt uit hoofde van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De in aanmerking komende kosten zijn alle kosten voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van een vast breedbandnetwerk. Het maximale steunbedrag voor een project wordt vastgesteld op basis van een concurrerende selectieprocedure als bedoeld in lid 6, punt a). Indien een investering overeenkomstig lid 6, punt b), wordt verricht zonder dat er een concurrerende selectieprocedure plaatsvindt, ligt het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de normale exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op basis van redelijke projecties vooraf in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten en wordt achteraf geverifieerd door middel van een terugvorderingsmechanisme. Voor een redelijke projectie van de maatregel moet rekening worden gehouden met alle kosten en alle inkomsten die naar verwachting zullen worden gemaakt tijdens de economische levensduur van de investering.

3.   De volgende alternatieve soorten investeringen komen in aanmerking:

a)

de uitrol van een vast breedbandnetwerk om huishoudens en sociaal-economische actoren aan te sluiten in gebieden waar geen netwerk bestaat dat onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps (drempelsnelheid) kan bieden of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen de relevante tijdshorizon. Dit wordt geverifieerd door middel van kartering en een openbare raadpleging overeenkomstig lid 4;

b)

de uitrol van een vast breedbandnetwerk om sociaal-economische actoren aan te sluiten in gebieden waar slechts één netwerk bestaat dat onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps maar minder dan 300 Mbps (drempelsnelheid) kan bieden of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen de relevante tijdshorizon. Dit wordt geverifieerd door middel van kartering en een openbare raadpleging overeenkomstig lid 5.

4.   Gebieden waar ten minste één netwerk beschikbaar is dat kan worden geüpgraded om onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 1 Gbps te bieden, komen niet in aanmerking voor maatregelen in het kader van lid 3, punten a) en b). Een netwerk wordt geacht upgradebaar te zijn om onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 1 Gbps te bieden als het deze snelheid kan bieden op basis van een marginale investering, zoals een upgrade van actieve apparatuur, zonder aanzienlijke investeringen in breedbandinfrastructuur.

5.   De in lid 3 bedoelde kartering en openbare raadpleging voldoen aan elk van de volgende vereisten:

a)

bij de kartering worden de geografische doelgebieden die volgens de planning in het kader van het geplande overheidsoptreden zouden worden gedekt, aangewezen en wordt rekening gehouden met alle bestaande vaste breedbandnetwerken. De kartering wordt uitgevoerd:

i)

voor vaste bekabelde netwerken, op adresniveau op basis van aansluitbare panden;

ii)

voor vaste netwerken voor draadloze toegang, op adresniveau op basis van aansluitbare panden of op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100x100 meter.

Wanneer de uitrol van een netwerk tegelijkertijd de uitrol van een toegangsnetwerk en een beperkte uitrol van het nodige ondersteunende backhaulnetwerk omvat om de werking van het toegangsnetwerk mogelijk te maken, is het niet nodig om backhaulnetwerken in kaart te brengen.

Alle elementen van de methode en de onderliggende technische criteria die worden gebruikt om de doelgebieden in kaart te brengen, moeten voor het publiek beschikbaar worden gesteld. De kartering wordt altijd geverifieerd door middel van een openbare raadpleging;

b)

de openbare raadpleging wordt door de bevoegde overheidsinstantie uitgevoerd via de bekendmaking van de belangrijkste kenmerken van het geplande overheidsoptreden en van de lijst van de bij de kartering overeenkomstig punt a) aangewezen geografische doelgebieden. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld op een voor het publiek toegankelijke website op regionaal en nationaal niveau. In het kader van de openbare raadpleging worden belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen te maken over het geplande overheidsoptreden en om overeenkomstig punt a) onderbouwde informatie in te dienen over hun netwerken die de in lid 3 genoemde drempelsnelheden bieden die in het doelgebied bestaan of er volgens een geloofwaardige planning binnen de relevante tijdshorizon zullen worden uitgerold. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.

6.   De maatregel levert een aanzienlijke (sprongsgewijze) verbetering op ten opzichte van de bestaande mobiele netwerken of de mobiele netwerken die volgens een geloofwaardige planning binnen de relevante tijdshorizon zullen worden uitgerold, zoals geïdentificeerd door middel van de overeenkomstig lid 5 uitgevoerde kartering en openbare raadpleging. Voor de beoordeling van de sprongsgewijze verandering worden netwerken die volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold alleen in aanmerking genomen als zij op zichzelf in de doelgebieden binnen de relevante tijdshorizon prestaties zouden bieden die vergelijkbaar zijn met die van het geplande door de staat gefinancierde netwerk. Er is sprake van een sprongsgewijze verandering indien als gevolg van de steunmaatregel een aanzienlijke nieuwe investering in het breedbandnetwerk wordt gedaan en het gesubsidieerde netwerk aanzienlijke nieuwe mogelijkheden op het gebied van beschikbaarheid van breedbanddiensten, capaciteit, snelheid en concurrentie op de markt introduceert in vergelijking met de bestaande netwerken of de netwerken die volgens een geloofwaardige planning binnen de relevante tijdshorizon zullen worden uitgerold. De maatregel moet meer dan 70 % investeringen in breedbandinfrastructuur omvatten. In ieder geval moet de in aanmerking komende maatregel, zoals bepaald in lid 3, ten minste leiden tot de volgende verbeteringen:

a)

voor maatregelen die onder lid 3, punt a), vallen, zorgt het door de staat gefinancierde netwerk voor ten minste een verdrievoudiging van de downloadsnelheid in vergelijking met de bestaande netwerken (doelsnelheid);

b)

voor maatregelen die onder lid 3, punt b), vallen, zorgt het door de staat gefinancierde netwerk voor ten minste een verdrievoudiging van de downloadsnelheid in vergelijking met de bestaande netwerken en biedt het een downloadsnelheid van ten minste 1 Gbps onder piektijdomstandigheden (doelsnelheid).

7.   De steun wordt als volgt toegekend:

a)

de steun wordt toegekend op basis van een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, op basis van het economisch meest voordelige bod;

b)

wanneer de steun zonder concurrerende selectieprocedure aan een overheidsinstantie wordt toegekend om rechtstreeks of via een interne entiteit een vast breedbandnetwerk uit te rollen en te beheren, verleent de overheidsinstantie of de interne entiteit, naargelang van het geval, alleen wholesalediensten via het gesubsidieerde netwerk. Elke concessie of andere toewijzing van activiteiten aan een derde om een netwerk aan te leggen of te exploiteren wordt toegekend via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, op basis van het economisch meest voordelige bod.

8.   Het gesubsidieerde netwerk biedt wholesaletoegang als gedefinieerd in artikel 2, punt 139, onder eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden. In afwijking hiervan kunnen maatregelen die in aanmerking komen overeenkomstig lid 3, punt a), in plaats van fysieke ontbundeling virtuele ontbundeling bieden indien het virtuele toegangsproduct vooraf door de nationale regelgevende instantie of een andere bevoegde instantie is goedgekeurd. Actieve wholesaletoegang wordt verleend voor een periode van ten minste tien jaar vanaf het begin van de exploitatie van het netwerk en wholesaletoegang tot de breedbandinfrastructuur wordt verleend voor de levensduur van de betrokken elementen. Toegang op basis van virtuele ontbundeling moet worden verleend voor een periode die gelijk is aan de levensduur van de infrastructuur waarvoor de virtuele ontbundeling een vervanging is. Dezelfde toegangsvoorwaarden zijn van toepassing op het gehele netwerk, met inbegrip van delen van het netwerk waar bestaande infrastructuur is gebruikt. De verplichtingen om toegang te verlenen worden ongeacht een verandering van eigenaar, management of exploitatie van het netwerk afgedwongen. Het netwerk biedt toegang aan ten minste drie om toegang verzoekende partijen en stelt ten minste 50 % van de capaciteit beschikbaar aan om toegang verzoekende partijen. Om de wholesaletoegang doeltreffend te maken en de om toegang verzoekende partijen in staat te stellen diensten aan te bieden, wordt wholesaletoegang ook verleend tot delen van het netwerk die niet door de overheid zijn gefinancierd of die mogelijk niet door de begunstigde van de steun zijn uitgerold, bijvoorbeeld door toegang te verlenen tot actieve apparatuur, ook al wordt alleen de breedbandinfrastructuur gefinancierd.

9.   De wholesaletoegangsprijs is gebaseerd op een van de volgende benchmarks en tariefbeginselen:

a)

de gepubliceerde gemiddelde wholesaleprijzen die gelden in andere vergelijkbare en meer concurrerende gebieden van de lidstaat;

b)

de gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten; of

c)

de kostenoriëntatie of een methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader.

Onverminderd de bevoegdheden van de nationale regelgevende instantie uit hoofde van het regelgevingskader wordt de nationale regelgevende instantie geraadpleegd over de wholesaletoegangsproducten, de toegangsvoorwaarden met inbegrip van de prijzen, en over geschillen in verband met de toepassing van dit artikel.

10.   De lidstaten zetten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme op indien het steunbedrag voor het project meer dan 10 miljoen EUR bedraagt.

11.   Om de evenredigheid van de steun te waarborgen en te voorkomen dat de steun tot overcompensatie of tot kruissubsidiëring van niet-gesteunde activiteiten leidt, zorgt de begunstigde van de steun voor een boekhoudkundige scheiding tussen de middelen die voor de uitrol en exploitatie van het door de staat gefinancierde netwerk worden aangewend en de overige middelen die hem ter beschikking staan.

Artikel 52 bis

Steun voor mobiele 4G- en 5G-netwerken

1.   Steun voor de uitrol van mobiele 4G- en 5G-netwerken is verenigbaar met de interne markt uit hoofde van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De in aanmerking komende kosten zijn alle kosten voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van passieve en actieve componenten van een mobiel netwerk. Het maximale steunbedrag voor een project wordt vastgesteld op basis van een concurrerende selectieprocedure als bedoeld in lid 7, punt a). Indien een investering overeenkomstig lid 7, punt b), wordt verricht zonder dat er een concurrerende selectieprocedure plaatsvindt, ligt het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de normale exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op basis van redelijke projecties vooraf in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten en wordt achteraf geverifieerd door middel van een terugvorderingsmechanisme. Voor een redelijke projectie van de maatregel moet rekening worden gehouden met alle kosten en alle inkomsten die naar verwachting zullen worden gemaakt tijdens de economische levensduur van de investering.

3.   De uitrol van mobiele 5G-netwerken vindt plaats in gebieden waar er geen 4G- en 5G-mobiele netwerken bestaan of volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold binnen de relevante tijdshorizon. De uitrol van mobiele 4G-netwerken vindt plaats in gebieden waar er geen 3G-, 4G- en 5G-mobiele netwerken bestaan of volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold binnen de relevante tijdshorizon. Deze vereisten worden geverifieerd door middel van kartering en een openbare raadpleging overeenkomstig lid 4.

4.   De in lid 3 bedoelde kartering en openbare raadpleging voldoen aan elk van de volgende vereisten:

a)

bij de kartering worden de geografische doelgebieden die volgens de planning in het kader van overheidsoptreden worden gedekt, duidelijk aangewezen en wordt rekening gehouden met alle bestaande mobiele netwerken. De kartering wordt verricht op basis van netwerkroosters van ten hoogste 100x100 meter. Alle elementen van de methode en de onderliggende technische criteria die worden gebruikt om de doelgebieden in kaart te brengen, moeten voor het publiek beschikbaar worden gesteld. De kartering wordt altijd geverifieerd door middel van een openbare raadpleging;

Wanneer de uitrol van een netwerk tegelijkertijd de uitrol van een toegangsnetwerk en een beperkte uitrol van het nodige ondersteunende backhaulnetwerk omvat om de werking van het toegangsnetwerk mogelijk te maken, is het niet nodig om backhaulnetwerken in kaart te brengen;

b)

de openbare raadpleging wordt door de bevoegde overheidsinstantie uitgevoerd via de bekendmaking van de belangrijkste kenmerken van het geplande overheidsoptreden en van de lijst van de bij de kartering overeenkomstig punt a) aangewezen geografische doelgebieden. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld op een voor het publiek toegankelijke website op regionaal en nationaal niveau. In het kader van de openbare raadpleging worden belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen te maken over het geplande overheidsoptreden en om overeenkomstig punt a) onderbouwde informatie in te dienen over hun mobiele netwerken die de in lid 3 genoemde kenmerken bieden en die in het doelgebied bestaan of er volgens een geloofwaardige planning binnen de relevante tijdshorizon zullen worden uitgerold. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.

5.   De gesteunde infrastructuur wordt niet in aanmerking genomen om te voldoen aan de dekkingsverplichtingen van exploitanten van mobiele netwerken die voortvloeien uit aan gebruiksrechten voor 4G- en 5G-spectrum verbonden voorwaarden.

6.   De maatregel levert een aanzienlijke (sprongsgewijze) verbetering op ten opzichte van de bestaande mobiele netwerken of de mobiele netwerken die volgens een geloofwaardige planning binnen de relevante tijdshorizon zullen worden uitgerold, zoals geïdentificeerd door middel de overeenkomstig lid 4 uitgevoerde kartering en openbare raadpleging. Voor de beoordeling van de sprongsgewijze verandering worden netwerken die volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold alleen in aanmerking genomen als zij op zichzelf in de doelgebieden binnen de relevante tijdshorizon prestaties zouden bieden die vergelijkbaar zijn met die van het geplande door de staat gefinancierde netwerk. Er is sprake van een sprongsgewijze verandering indien als gevolg van de steunmaatregel een aanzienlijke nieuwe investering in het mobiele netwerk wordt gedaan en het gesubsidieerde netwerk aanzienlijke nieuwe mogelijkheden op het gebied van beschikbaarheid van mobiele diensten, capaciteit, snelheid en concurrentie op de markt introduceert in vergelijking met de bestaande netwerken of de netwerken die volgens een geloofwaardige planning binnen de relevante tijdshorizon zullen worden uitgerold. De maatregel moet meer dan 50 % investeringen in breedbandinfrastructuur omvatten.

7.   De steun wordt als volgt toegekend:

a)

de steun wordt toegekend op basis van een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, op basis van het economisch meest voordelige bod;

b)

wanneer de steun zonder concurrerende selectieprocedure aan een overheidsinstantie wordt toegekend om rechtstreeks of via een interne entiteit een mobiel netwerk uit te rollen en te beheren, verleent de overheidsinstantie of de interne entiteit, naargelang van het geval, alleen wholesalediensten via het gesubsidieerde netwerk. Elke concessie of andere toewijzing van activiteiten aan een derde om een netwerk aan te leggen of te exploiteren wordt toegekend via een open, transparante en niet-discriminerende concurrerende selectieprocedure, in overeenstemming met de beginselen van de regels inzake overheidsopdrachten en met inachtneming van het beginsel van technologieneutraliteit, op basis van het economisch meest voordelige bod.

8.   De exploitatie van het gesubsidieerde netwerk biedt wholesaletoegang als gedefinieerd in artikel 2, punt 139, onder eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden. Actieve wholesaletoegang wordt verleend voor een periode van ten minste tien jaar vanaf het begin van de exploitatie van het netwerk en wholesaletoegang tot de breedbandinfrastructuur wordt verleend voor de levensduur van de betrokken elementen. Dezelfde toegangsvoorwaarden zijn van toepassing op het gehele netwerk, met inbegrip van de delen van dat netwerk waar bestaande infrastructuur is gebruikt. De verplichtingen om toegang te verlenen worden ongeacht een verandering van eigenaar, management of exploitatie van het netwerk afgedwongen. Om de wholesaletoegang doeltreffend te maken en de om toegang verzoekende partijen in staat te stellen diensten aan te bieden, wordt wholesaletoegang ook verleend tot delen van het netwerk die niet door de overheid zijn gefinancierd of die mogelijk niet door de begunstigde van de steun zijn uitgerold, bijvoorbeeld door toegang te verlenen tot actieve apparatuur, ook al wordt alleen de breedbandinfrastructuur gefinancierd.

9.   De wholesaletoegangsprijs is gebaseerd op een van de volgende benchmarks en tariefbeginselen:

a)

de gepubliceerde gemiddelde wholesaleprijzen die gelden in andere vergelijkbare en meer concurrerende gebieden van de lidstaat;

b)

de gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten;

c)

de kostenoriëntatie of een methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader.

Onverminderd de bevoegdheden van de nationale regelgevende instantie uit hoofde van het regelgevingskader wordt de nationale regelgevende instantie geraadpleegd over de wholesaletoegangsproducten, de toegangsvoorwaarden met inbegrip van de prijzen, en over geschillen in verband met de toepassing van dit artikel.

10.   De lidstaten zetten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme op indien het steunbedrag voor het project meer dan 10 miljoen EUR bedraagt.

11.   Het gebruik van het door de overheid gefinancierde mobiele 4G- of 5G-netwerk om vaste draadloze toegangsdiensten aan te bieden, wordt alleen toegestaan in gebieden waar geen netwerk aanwezig is dat onder piektijdomstandigheden downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps biedt of waar volgens een geloofwaardige planning geen dergelijk netwerk zal worden uitgerold binnen de relevante tijdshorizon, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

bij de kartering en de openbare raadpleging wordt rekening gehouden met de bestaande vaste breedbandnetwerken of de vaste breedbandnetwerken die volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 52, lid 5;

b)

het gesteunde vaste draadloze 4G- of 5G-toegangsnetwerk zorgt voor ten minste een verdrievoudiging van de downloadsnelheid in vergelijking met de bestaande netwerken of de netwerken die volgens een geloofwaardige planning zullen worden uitgerold (doelsnelheid) overeenkomstig artikel 52, lid 5.

12.   Om de evenredigheid van de steun te waarborgen en te voorkomen dat de steun tot overcompensatie of tot kruissubsidiëring van niet-gesteunde activiteiten leidt, moet de begunstigde van de steun zorgen voor een boekhoudkundige scheiding tussen de middelen die voor de uitrol en exploitatie van het door de staat gefinancierde netwerk worden aangewend en de overige middelen die hem ter beschikking staan.”;

47)

artikel 52 quater wordt vervangen door:

“Artikel 52 quater

Connectiviteitsvouchers

1.   Steun in de vorm van een connectiviteitsvoucherregeling voor consumenten om telewerken, elektronisch onderwijs of elektronische opleidingsdiensten te vergemakkelijken of voor kmo’s is verenigbaar met de interne markt uit hoofde van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2.   De duur van een voucherregeling bedraagt niet meer dan drie jaar. De geldigheidsperiode van de vouchers voor eindgebruikers bedraagt niet meer dan twee jaar.

3.   De volgende categorieën vouchers komen in aanmerking:

a)

vouchers die beschikbaar zijn voor consumenten en kmo’s om zich te abonneren op een nieuwe breedbanddienst of om het bestaande abonnement te upgraden tot een dienst met een onder piektijdomstandigheden downloadsnelheid van ten minste 30 Mbps, mits alle aanbieders van elektronische-communicatiediensten die in staat zijn om onder piektijdsvoorwaarden downloadsnelheden van ten minste 30 Mbps bieden, in aanmerking komen voor de regeling. Er worden geen vouchers toegekend voor het overstappen naar een andere aanbieder die dezelfde snelheden biedt als die welke reeds beschikbaar zijn in het kader van het bestaande abonnement of voor het upgraden van een bestaand abonnement dat onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 30 Mbps biedt;

b)

vouchers die beschikbaar zijn voor kmo’s om zich te abonneren op een nieuwe breedbanddienst of om het bestaande abonnement te upgraden tot een dienst met een onder piektijdomstandigheden downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps, mits alle aanbieders van elektronische-communicatiediensten die in staat zijn om onder piektijdsvoorwaarden downloadsnelheden van ten minste 100 Mbps bieden, in aanmerking komen voor de regeling. Er worden geen vouchers toegekend voor het overstappen naar een andere aanbieder die dezelfde snelheden biedt als die welke reeds beschikbaar zijn in het kader van het bestaande abonnement of voor het upgraden van een bestaand abonnement dat onder piektijdomstandigheden een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps biedt.

4.   De vouchers bedragen maximaal 50 % van de in aanmerking komende kosten. De in aanmerking komende kosten zijn de maandelijkse vergoeding, de standaardopstartkosten en de noodzakelijke eindapparatuur voor de eindgebruikers om de breedbanddiensten met de in lid 3 genoemde snelheden te gebruiken. Ook de kosten van de bekabeling binnenshuis en van aanlegwerkzaamheden op beperkte schaal in de privéwoning van de eindgebruikers of in nabijgelegen openbaar onroerend goed, kunnen in aanmerking komen voor zover het voor de dienstverlening noodzakelijke en bijkomende kosten betreft. De voucher wordt door de overheidsinstanties rechtstreeks aan de eindgebruikers of rechtstreeks aan de door de eindgebruikers gekozen dienstverrichter betaald.

5.   Er worden geen vouchers toegekend voor gebieden waar geen netwerk is dat de in lid 3 vermelde in aanmerking komende diensten aanbiedt. De lidstaten moeten een openbare raadpleging houden door de belangrijkste kenmerken van de regeling en de lijst van geografische doelgebieden bekend te maken op een voor het publiek toegankelijke website op regionaal en nationaal niveau. In het kader van de openbare raadpleging worden belanghebbenden uitgenodigd om opmerkingen over de ontwerpmaatregel te maken en onderbouwde informatie in te dienen over de bestaande netwerken waarmee de in lid 3 vermelde snelheid op betrouwbare wijze kan worden geleverd. De openbare raadpleging duurt ten minste dertig dagen.

6.   Vouchers zijn technologisch neutraal. De regelingen zorgen voor een gelijke behandeling van alle mogelijke dienstverrichters en bieden eindgebruikers een zo ruim mogelijke keuze aan aanbieders, ongeacht de gebruikte technologieën. De lidstaten moeten daartoe een onlineregister opzetten van alle in aanmerking komende dienstverrichters of een gelijkwaardige alternatieve methode toepassen waarmee het open, transparante en niet-discriminerende karakter van het overheidsoptreden wordt gewaarborgd. Eindgebruikers kunnen dergelijke informatie raadplegen over alle ondernemingen die in aanmerking komende diensten kunnen verlenen. Alle ondernemingen die in staat zijn om in aanmerking komende diensten aan te bieden, hebben het recht om op verzoek te worden opgenomen in het onlineregister of op een andere door de lidstaat gekozen plaats.

7.   Om marktverstoringen tot een minimum te beperken, voeren de lidstaten een marktbeoordeling uit waarin de in aanmerking komende aanbieders in het gebied worden geïdentificeerd en informatie wordt verzameld om hun marktaandeel, het gebruik van in aanmerking komende diensten en hun prijzen te berekenen. Steun wordt alleen toegekend indien uit de marktbeoordeling blijkt dat de regeling voldoende ruim is opgezet om niet een beperkt aantal aanbieders ten onrechte te bevoordelen en dat de regeling niet leidt tot versterking van de (lokale) marktmacht van bepaalde aanbieders.

8.   Om in aanmerking te komen moet een aanbieder van breedbanddiensten die verticaal geïntegreerd is en een retailmarktaandeel van meer dan 25 % heeft, op de overeenstemmende wholesaletoegangsmarkt wholesaletoegangsproducten aanbieden op basis waarvan elke om toegang verzoekende partij de in aanmerking komende diensten met de in lid 3 genoemde snelheid kan aanbieden onder open, transparante en niet-discriminerende voorwaarden.

De wholesaletoegangsprijs is gebaseerd op een van de volgende benchmarks en tariefbeginselen:

a)

de gepubliceerde gemiddelde wholesaleprijzen die gelden in andere vergelijkbare en meer concurrerende gebieden van de lidstaat;

b)

de gereguleerde prijzen die reeds door de nationale regelgevende instantie zijn vastgesteld of goedgekeurd voor de betrokken markten en diensten;

c)

de kostenoriëntatie of een methodologie die is voorgeschreven overeenkomstig het sectorale regelgevingskader.

Onverminderd de bevoegdheden van de nationale regelgevende instantie uit hoofde van het regelgevingskader wordt de nationale regelgevende instantie geraadpleegd over de wholesaletoegangsproducten, de toegangsvoorwaarden met inbegrip van de prijzen, en over geschillen in verband met de toepassing van dit artikel.”;

48)

het volgende artikel 52 quinquies wordt ingevoegd:

“Artikel 52 quinquies

Steun voor backhaulnetwerken

1.   Steun ten behoeve van de uitrol van uit