|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
66e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/1 |
VERORDENING (EU) 2023/1321 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 14 juni 2023
tot wijziging van Verordening (EU) 2020/2170 wat de toepassing van tariefcontingenten van de Unie en andere invoerquota op bepaalde naar Noord-Ierland overgebrachte staalproducten betreft
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 1 van Verordening (EU) 2020/2170 van het Europees Parlement en de Raad (2) bepaalt dat goederen die van buiten de Unie worden ingevoerd, slechts in aanmerking komen voor behandeling op grond van de invoertariefcontingenten van de Unie of andere invoerquota indien die goederen op de daarin genoemde grondgebieden in het vrije verkeer zijn gebracht. Die bepaling bestrijdt de risico’s voor de goede werking van de interne markt van de Unie en voor de integriteit van het gemeenschappelijk handelsbeleid die zouden voortkomen uit de mogelijke ontwijking van de tariefcontingenten van de Unie of andere invoerquota. Noord-Ierland is geen in artikel 1 van die verordening genoemd grondgebied. |
|
(2) |
De handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (3) (“de handels- en samenwerkingsovereenkomst”) voorziet in de opening door de Unie van contingenten voor de invoer in de Unie van bepaalde producten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk. Bovendien verleent de handels- en samenwerkingsovereenkomst de Unie het recht om onder bepaalde omstandigheden met betrekking tot de invoer van goederen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk tariefcontingenten of andere invoerquota in te stellen, onder meer als onderdeel van de toepassing van multilaterale vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig de WTO-overeenkomst. Daarom moet worden verduidelijkt of goederen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk die in Noord-Ierland in het vrije verkeer zijn gebracht, in aanmerking komen voor behandeling op grond van die tariefcontingenten of andere invoerquota. |
|
(3) |
Het Verenigd Koninkrijk is gebonden door de regelingen die zijn vastgesteld in het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”) bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (4) (“het terugtrekkingsakkoord”). De rechtsverhouding tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot goederen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk die in Noord-Ierland in het vrije verkeer zijn gebracht, verschilt derhalve fundamenteel van die tussen de Unie en elk ander derde land met betrekking tot goederen van oorsprong uit een dergelijk derde land die in Noord-Ierland in het vrije verkeer zijn gebracht. |
|
(4) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat van bepaalde staalproducten van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk waarop momenteel vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (5) van toepassing zijn (“de betrokken producten”) aanzienlijke hoeveelheden uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland zijn overgebracht. Om de economische levensvatbaarheid van die overbrengingen te waarborgen en gezien de specifieke omstandigheden in Noord-Ierland, is het passend de betrokken producten in aanmerking te laten komen voor de relevante tariefcontingenten van de Unie wanneer zij in Noord-Ierland in het vrije verkeer worden gebracht. |
|
(5) |
Om het risico te beperken dat de tariefcontingenten van de Unie die van toepassing zijn op de betrokken producten worden ontweken door de invoer van dezelfde producten van oorsprong uit andere landen, wanneer dergelijke producten in Noord-Ierland in het vrije verkeer worden gebracht, moeten de betrokken producten rechtstreeks uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk worden verzonden. |
|
(6) |
Bovendien heeft het Verenigd Koninkrijk zich ertoe verbonden om overeenkomstig het protocol de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de overbrenging van de betrokken producten met gebruikmaking van de tariefcontingenten van de Unie op die contingenten in mindering worden gebracht zodra dergelijke producten in Noord-Ierland in het vrije verkeer worden gebracht, op dezelfde wijze als wanneer die goederen in de Unie zouden worden ingevoerd. |
|
(7) |
Aangezien de behoefte aan invoer van de betrokken producten in Noord-Ierland in de loop van de tijd zou kunnen variëren, moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen teneinde de lijst van betrokken producten aan te passen, worden overgedragen aan de Commissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (6). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(8) |
Verordening (EU) 2020/2170 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
Krachtens artikel 5, leden 3 en 4, van het protocol, in samenhang met artikel 13, lid 3, van het protocol, zou deze verordening ook van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland. |
|
(10) |
Om te voorkomen dat de overbrenging van de betrokken producten van andere delen van het Verenigd Koninkrijk naar Noord-Ierland wordt verstoord, moet deze verordening zo spoedig mogelijk in werking treden, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Verordening (EU) 2020/2170
Verordening (EU) 2020/2170 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan artikel 1 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd: “In de bijlage vermelde goederen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk waarop vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (*1) van toepassing zijn en die via rechtstreeks vervoer vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk in Noord-Ierland worden binnengebracht, komen ook in aanmerking voor behandeling op grond van de invoertariefcontingenten van de Unie indien die goederen op het grondgebied van Noord-Ierland in het vrije verkeer worden gebracht. (*1) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 31 van 1.2.2019, blz. 27).”." |
|
2) |
De volgende artikelen worden ingevoegd: “Artikel 1 bis De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 1 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening teneinde bepaalde categorieën goederen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk waarop vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van toepassing zijn en die via rechtstreeks vervoer vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk in Noord-Ierland worden binnengebracht, toe te voegen aan de lijst in de bijlage, mits het Verenigd Koninkrijk ten genoegen van de Unie heeft aangetoond dat die goederen in Noord-Ierland in het vrije verkeer moeten worden gebracht. Artikel 1 ter 1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De in artikel 1 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 1 juli 2023. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen die verlenging verzet. 3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (*2). 5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. 6. Een op grond van artikel 1 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd. |
|
3) |
De in de bijlage bij deze verordening opgenomen tekst wordt toegevoegd als bijlage. |
Artikel 2
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 14 juni 2023.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) Standpunt van het Europees Parlement van 9 mei 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 30 mei 2023.
(2) Verordening (EU) 2020/2170 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de toepassing van de tariefcontingenten van de Unie en andere invoerquota (PB L 432 van 21.12.2020, blz. 1).
(3) PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10.
(4) PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 31 van 1.2.2019, blz. 27).
BIJLAGE
“BIJLAGE
|
Omschrijving tariefcontingent |
Codes van de gecombineerde nomenclatuur (GN) (1) |
|
Staalcategorie 7 |
7208 51 20 , 7208 51 91 , 7208 51 98 , 7208 52 91 , 7208 90 20 , 7208 90 80 , 7210 90 30 , 7225 40 12 , 7225 40 40 , 7225 40 60 , 7225 99 00 |
|
Staalcategorie 17 |
7216 31 10 , 7216 31 90 , 7216 32 11 , 7216 32 19 , 7216 32 91 , 7216 32 99 , 7216 33 10 , 7216 33 90 |
(1) Zoals gedefinieerd in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/6 |
VERORDENING (EU) 2023/1322 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 27 juni 2023
betreffende het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1920/2006
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 168, lid 5,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (het “EMCDDA”) werd opgericht bij Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad (3). Die verordening werd in 2006 herschikt bij Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4). |
|
(2) |
Het EMCDDA werd opgericht om aan de Unie, de lidstaten en de deelnemende derde landen feitelijke, objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie te verstrekken over drugs, drugsverslaving en de gevolgen daarvan op Europees niveau, teneinde ertoe bij te dragen hun een overzicht van die informatie te bieden met het oog op de ondersteuning van de beleidsvorming en als leidraad voor initiatieven op het gebied van drugsbestrijding — waardoor die initiatieven een toegevoegde waarde krijgen — wanneer zij op hun respectieve bevoegdheidsterreinen maatregelen nemen of acties uitstippelen om de drugsproblematiek aan te pakken. Door de oprichting en werking van het EMCDDA is de beschikbaarheid van informatie over drugs en drugsverslaving en de gevolgen daarvan duidelijk verbeterd, zowel in de Unie als internationaal. |
|
(3) |
Hoewel de algemene doelstelling van Verordening (EG) nr. 1920/2006 nog steeds geldig is en moet worden behouden, biedt die verordening niet langer een geschikt kader om de huidige en toekomstige uitdagingen op het gebied van drugs aan te pakken. Daarom moet het mandaat van het EMCDDA worden herzien, onder meer om dit mandaat te kunnen vervangen en versterken. Het EMCDDA moet worden omgedoopt tot het “Drugsagentschap van de Europese Unie” (het “agentschap”). Aangezien Verordening (EG) nr. 1920/2006 ingrijpend moet worden gewijzigd om rekening te houden met de gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde agentschappen van de Unie, die op 19 juli 2012 is vastgesteld door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsook met de ontwikkelingen op het gebied van de drugsproblematiek, moet die verordening ter wille van de duidelijkheid en doeltreffendheid worden ingetrokken en vervangen door deze nieuwe verordening. |
|
(4) |
In Verordening (EG) nr. 1920/2006 lag de nadruk vooral op gezondheidskwesties. Het is essentieel de nadruk hierop te behouden aangezien gezondheids- en aanbodgerelateerde kwesties in verband met de drugsproblematiek onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, maar ook het drugsaanbod moet worden aangepakt om de beschikbaarheid van drugs in de Unie terug te dringen en de vraag naar drugs in te dammen, en zo bij te dragen aan de aanpak van daarmee samenhangende veiligheids- en beveiligingsproblemen. Om te voorzien in feitelijke, objectieve, betrouwbare, vergelijkbare en Uniebrede significante gegevens en analysen, moet het agentschap bij de aanpak van de drugsproblematiek kiezen voor een empirisch onderbouwde, geïntegreerde, evenwichtige en multidisciplinaire aanpak van drugs, drugsgebruik, aan drugsgebruik gerelateerde stoornissen en verslavingen, preventie, behandeling, zorg, risico- en schadebeperking, rehabilitatie, sociale re-integratie en herstel, drugsmarkten en -aanbod, waaronder illegale productie en illegale handel, alsook andere druggerelateerde aangelegenheden en de gevolgen daarvan. In het kader van deze aanpak moet het agentschap aandacht besteden aan mensenrechten, gender en gendergelijkheid, leeftijd, gezondheid, gelijkheid in de zorg en sociale aspecten. |
|
(5) |
De werkzaamheden van het agentschap moeten worden verricht met inachtneming van de respectieve bevoegdheden van de Unie en haar lidstaten op het gebied van drugs. Deze werkzaamheden moeten betrekking hebben op de verschillende aspecten van de drugsproblematiek en de in dit verband toegepaste oplossingen. Het agentschap moet met name rekening houden met alle aspecten in verband met de bescherming en verbetering van de gezondheid, waaronder fysieke en mentale aspecten en de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Het agentschap moet ook aandacht besteden aan sociale aspecten, waaronder overwegingen in verband met stigmatisering, marginalisering en re-integratie van drugsgebruikers. Daarbij moet het agentschap zich laten leiden door de strategische documenten van de Unie op drugsgebied. |
|
(6) |
Bij de uitvoering van zijn activiteiten moet het agentschap samenwerken met andere bevoegde organen en instanties van de Unie binnen hun respectieve mandaten, en moet het rekening houden met hun activiteiten om dubbel werk te voorkomen. Het agentschap moet, met inachtneming van hun respectieve mandaten, met name samenwerken met het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol), als opgericht bij Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad (5), om te zorgen voor gegevensverzameling en monitoring van de trends op het gebied van het drugsaanbod, met inbegrip van illegale productie, illegale handel en andere gerelateerde misdrijven, van het gebruik van nieuwe technologieën en van nieuwe psychoactieve stoffen. Het agentschap moet ook samenwerken op internationaal vlak met relevante autoriteiten en organen in derde landen, met name in kandidaat-lidstaten, en ter ondersteuning van acties van de Unie en van de lidstaten op het niveau van de Verenigde Naties. In het kader van die samenwerking moeten de mensenrechtennormen worden geëerbiedigd. |
|
(7) |
Om de drugsproblematiek zo efficiënt mogelijk aan te pakken, moet het agentschap overleggen met belanghebbenden uit met name de wetenschappelijke wereld, waaronder de academische wereld en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties van drugsgebruikers en van gemeenschappen die door drugsgebruik en -verkoop of drugsgerelateerde criminaliteit worden getroffen. Gezien de bijzonder relevante ervaring van maatschappelijke organisaties op het bevoegdheidsterrein van het agentschap, moet het agentschap voor zijn activiteiten blijven samenwerken met organisaties uit het maatschappelijk middenveld, waaronder de maatschappelijke organisaties die actief zijn in de deskundigengroepen van de Commissie inzake drugs die bestaan uit dergelijke organisaties. Het agentschap moet de nodige middelen vrijmaken om met die organisaties overleg te plegen, informatie uit te wisselen en kennis te bundelen, onder meer op het gebied van nieuwe psychoactieve stoffen. In voorkomend geval moet het agentschap specifiek overleg organiseren over de onderwerpen die binnen zijn mandaat vallen. |
|
(8) |
Met het oog op de verspreiding van betrouwbare informatie over drugs en de drugssituatie moet het agentschap communicatieactiviteiten ontplooien over onderwerpen die binnen zijn mandaat vallen. Communicatie over drugs aan het bredere publiek kan echter soms onbedoelde negatieve gevolgen hebben. Als onderdeel van zijn communicatieactiviteiten moet het agentschap derhalve overwegen zijn verslagen, met inbegrip van de eerste verslagen en de risicobeoordelingsverslagen betreffende nieuwe psychoactieve stoffen, indien passend onder wetenschappers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te verspreiden teneinde eventuele drugsgerelateerde schade tot een minimum te beperken. Indien het agentschap zijn verslagen niet kan verspreiden, met name omdat ze gerubriceerde of gevoelige niet-gerubriceerde informatie bevatten, zou het kunnen overwegen samenvattingen van die verslagen bekend te maken teneinde eventuele drugsgerelateerde schade tot een minimum te beperken. |
|
(9) |
In het kader zijn werkzaamheden moet het agentschap terdege rekening houden met polymiddelengebruik, want dergelijk gebruik komt steeds vaker voor. |
|
(10) |
Het agentschap moet zijn activiteiten ontwikkelen op drie belangrijke bevoegdheidsgebieden, namelijk monitoring, ten behoeve van een beter onderbouwd beleid; paraatheid, ten behoeve van beter onderbouwde maatregelen; en competentieontwikkeling, ten behoeve van een sterkere respons van de Unie en de lidstaten op de drugsproblematiek. |
|
(11) |
Het verzamelen, analyseren en verspreiden van gegevens moet de hoofdtaak van het agentschap blijven. Bij het verzamelen, analyseren of verspreiden van gegevens moet het agentschap het rechtskader voor de verwerking van persoonsgegevens naleven en mag het geen gegevens verspreiden of doorgeven aan de hand waarvan personen of kleine groepen personen kunnen worden geïdentificeerd. Standaardgegevens worden verzameld via nationale knooppunten, die de primaire gegevensverstrekkers voor het agentschap moeten blijven. Het agentschap zou ook aanvullende bronnen kunnen gebruiken en deskundigenvergaderingen, met inbegrip van virtuele vergaderingen, kunnen organiseren. Dankzij innovatieve methoden voor gegevensverzameling zijn er daarnaast ook steeds meer bronnen met gegevens die dichter bij real time aansluiten beschikbaar. Daarom moet het agentschap toegang hebben tot relevante beschikbare gegevens om een holistisch beeld te krijgen van de drugsproblematiek in de Unie en de externe factoren die daarop van invloed zijn. Om ervoor te zorgen dat elk nationaal knooppunt op de hoogte blijft van de situatie in zijn lidstaat, moet het regelmatig worden geïnformeerd over de gegevens met betrekking tot zijn lidstaat die afkomstig zijn van aanvullende informatiebronnen en over de activiteiten van het bij deze verordening ingestelde netwerk van forensische en toxicologische laboratoria. |
|
(12) |
De nationale knooppunten spelen een sleutelrol in het Uniesysteem voor monitoring en rapportage inzake drugs. Zij verzamelen informatie en produceren vergelijkbare en wetenschappelijk verantwoorde gegevens over de nationale drugssituatie, die nuttig zijn voor de monitoring van de situatie in de gehele Unie. De nationale knooppunten spelen ook een sleutelrol bij het verbeteren van de methoden en instrumenten voor gegevensverzameling, en bij de ontwikkeling van relevante richtsnoeren voor de uitvoering ervan. Daarnaast nemen de nationale knooppunten deel aan een systeem voor vroegtijdige waarschuwing en brengen zij verslag uit over nieuwe trends in het gebruik van bestaande psychoactieve stoffen. Daarom is het essentieel dat het agentschap en de nationale knooppunten een wederzijds versterkende betrekking hebben. De gegevensvereisten van het agentschap moeten worden weerspiegeld in de nationale knooppunten. De nationale knooppunten moeten in de lidstaten de bevoegdheid krijgen om alle relevante gegevens van de verschillende nationale autoriteiten te ontvangen. Vrij van harmonisatiemaatregelen en terwijl beslissingen over het bestuur, de structuur en de basistaken van de nationale knooppunten ten opzichte van andere nationale bevoegde autoriteiten overeenkomstig de Verdragen aan de lidstaten worden gelaten, moet het mandaat van het agentschap ervoor zorgen dat de gegevensverzameling in de lidstaten zo veel mogelijk wordt gestroomlijnd om dubbele rapportage en dubbel werk te voorkomen. |
|
(13) |
Tussen het agentschap en de nationale knooppunten moeten betrekkingen tot stand worden gebracht die berusten op wederzijds vertrouwen en een permanente dialoog, een en ander aan de hand van een duidelijk en doeltreffend functionerend mechanisme en een set regels. Het agentschap moet daarom de bevoegdheid krijgen om de nationale knooppunten financieel te ondersteunen en tot hun doeltreffende werking bij te dragen, onder meer door elk nationaal knooppunt rechtstreeks op basis van zijn bijdrage aan een gecoördineerd optreden van de Unie op drugsgebied te beoordelen. |
|
(14) |
Teneinde een doeltreffend optreden van de Unie op drugsgebied te ondersteunen en bij te dragen aan de werkzaamheden van het agentschap, moeten de nationale knooppunten onder meer een coördinerende rol spelen bij activiteiten die verband houden met het waarborgen van een coherente verzameling en monitoring van drugsgerelateerde gegevens, de communicatie met het agentschap en het bevorderen van empirisch onderbouwde besluitvorming, het waarborgen van een sectoroverschrijdend en alomvattend overzicht van de nationale drugssituatie, waaronder alle relevante informatie over nieuwe trends en uitdagingen, en het bijdragen tot de vaststelling van relevante indicatoren. Daarnaast spelen de nationale knooppunten in overeenstemming met de nationale bevoegdheden een sleutelrol bij het bevorderen en ondersteunen van empirisch onderbouwde besluitvorming, het ondersteunen van samenwerkingssystemen, het beoordelen van de informatiebehoeften van relevante belanghebbenden en het opstellen van een actuele inventaris van nationale informatiebronnen over drugs. |
|
(15) |
Om het verzamelen van gegevens en het uitwisselen van informatie, zowel kwalitatief als kwantitatief, te vergemakkelijken en te structureren, en om de totstandbrenging van een geïntegreerd en interoperabel monitoringsysteem dat monitoring in real time mogelijk maakt, te ondersteunen, moet het agentschap passende digitale oplossingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taken, ontwikkelen en toepassen. |
|
(16) |
Om het agentschap in staat te stellen beter gebruik te maken van de informatie waarover het beschikt, bijvoorbeeld om meer proactieve acties te ondernemen zoals dreigingsevaluaties, strategische inlichtingenverslagen en waarschuwingsberichten, en om de paraatheid van de Unie ten aanzien van toekomstige ontwikkelingen te vergroten, moet de monitoring- en analysecapaciteit van het agentschap, in vergelijking met die van het EMCDDA, worden versterkt. |
|
(17) |
Om de paraatheid van de Unie te verbeteren, is het ook noodzakelijk een holistisch beeld te krijgen van de mogelijke toekomstige ontwikkelingen van de drugsproblematiek. Om zichzelf voor te bereiden op en beleidsmakers beter uit te rusten voor dergelijke toekomstige ontwikkelingen, moet het agentschap regelmatig prognoses opstellen waarbij rekening wordt gehouden met megatrends, dat wil zeggen langetermijnfactoren die op dit moment waarneembaar zijn en hoogstwaarschijnlijk grote gevolgen voor de toekomst zullen hebben, met als doel nieuwe uitdagingen en kansen voor de aanpak van drugsproblemen in kaart te brengen. |
|
(18) |
De drugsproblematiek raakt steeds nauwer verstrengeld met technologie, zoals is gebleken tijdens de COVID-19-pandemie, die leidde tot een toename van nieuwe technologieën om de distributie van drugs te vergemakkelijken. Geschat wordt dat ongeveer twee derde van het aanbod op de darknetmarkt te maken heeft met drugs. Voor de handel in drugs worden er verschillende platforms gebruikt, waaronder socialemedianetwerken en mobiele applicaties. Die ontwikkeling komt tot uiting in de reacties op de drugsproblematiek, met een toenemend gebruik van internetcommunicatie en online-interventies, onder meer via mobiele applicaties en e-gezondheidsinterventies. Het agentschap moet, samen met de andere betrokken organen en instanties van de Unie en zonder dubbel werk te doen, dergelijke ontwikkelingen monitoren als onderdeel van zijn holistische aanpak van de drugsproblematiek. |
|
(19) |
Nieuwe psychoactieve stoffen die in de Unie volksgezondheids- en sociale risico’s met zich meebrengen, moeten adequaat worden aangepakt. Daarom is het noodzakelijk die stoffen te monitoren en, teneinde snel te kunnen reageren, het krachtens Verordening (EG) nr. 1920/2006 ingestelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing te behouden. De voorschriften van die verordening inzake de uitwisseling van informatie over en de vroegtijdige waarschuwing voor nieuwe psychoactieve stoffen, met inbegrip van het eerste verslag over en de risicobeoordeling van nieuwe psychoactieve stoffen, werden onlangs gewijzigd en mogen door deze verordening niet opnieuw worden gewijzigd. |
|
(20) |
Op basis van versterkte monitoring door het agentschap en de ervaring die is opgedaan met de risicobeoordeling van nieuwe psychoactieve stoffen, moet het agentschap algemene capaciteiten ontwikkelen voor de evaluatie van gezondheids- en veiligheidsdreigingen. Er is dringend behoefte aan een grotere capaciteit om proactief en snel nieuwe dreigingen te detecteren en input te geven voor de ontwikkeling van tegenmaatregelen, aangezien het huidige dynamische karakter van de drugsproblematiek ertoe leidt dat de daarmee samenhangende problemen zich snel over de grenzen heen kunnen verspreiden. |
|
(21) |
Aangezien gevaarlijke stoffen en bepaalde consumptiepatronen schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid, moet het agentschap waarschuwingen kunnen afgeven ter aanvulling van en onverminderd de betreffende nationale waarschuwingssystemen. Ter ondersteuning van die functie moet het agentschap een Europees waarschuwingssysteem voor drugs ontwikkelen dat toegankelijk is voor de nationale autoriteiten. Dat systeem moet een snelle uitwisseling van informatie faciliteren, waarbij er mogelijkerwijs snel maatregelen moeten worden genomen ter waarborging van de gezondheid, de sociale aspecten, de veiligheid en de beveiliging. Het agentschap moet, overeenkomstig de in deze verordening vastgelegde voorwaarden, een waarschuwingssysteem kunnen ontwikkelen om informatie over vastgestelde risico’s beschikbaar te stellen aan personen die specifieke drugs gebruiken of zouden kunnen gebruiken. |
|
(22) |
Drugsprecursoren zijn stoffen die nodig zijn voor de productie van drugs zoals amfetaminen, cocaïne en heroïne. Aangezien de productie van illegale drugs in de Unie toeneemt, moet de preventie van het misbruik van en de handel in via legale kanalen verkregen drugsprecursoren voor de productie van illegale drugs, worden versterkt. Ter ondersteuning van die inspanningen moet het agentschap een rol spelen bij de monitoring van het misbruik van en de handel in drugsprecursoren, en moet het de Commissie bijstaan bij de uitvoering van het Unierecht inzake drugsprecursoren. |
|
(23) |
Aangezien er steeds meer behoefte is aan forensische en toxicologische gegevens, aan specialistische expertise en aan een betere coördinatie tussen de laboratoria in de lidstaten, moet er een netwerk worden opgezet van forensische en toxicologische laboratoria die deskundig zijn op het gebied van drugs en drugsgerelateerde schade. Dat netwerk moet het agentschap in staat stellen toegang te krijgen tot relevante informatie, zijn capaciteit op dat gebied te vergroten en de uitwisseling van kennis tussen de betrokken laboratoria in de lidstaten te ondersteunen, zonder dat het agentschap hoge kosten hoeft te maken voor het opzetten en beheren van een eigen laboratorium. |
|
(24) |
Het netwerk van forensische en toxicologische laboratoria moet representatief zijn voor de lidstaten in die zin dat elke lidstaat de mogelijkheid moet hebben maximaal drie laboratoria voor het netwerk aan te wijzen, die beschikken over toxicologische en forensische deskundigheid. Met het oog op een zo groot mogelijke dekking moeten deskundigen van andere laboratoria die relevant zijn voor de werkzaamheden van het agentschap, waaronder het Europees netwerk van douanelaboratoria, ook aan het netwerk kunnen deelnemen. Door een dergelijke samenwerking zouden alle betrokken laboratoria op verschillende gebieden van elkaar kunnen leren, zou de uitwisseling van informatie tussen de betrokken laboratoria worden ondersteund en zouden de kosten voor afzonderlijke laboratoria worden gereduceerd. |
|
(25) |
Om de kennis te verbeteren op het gebied dat onder het mandaat van het agentschap valt en de lidstaten te ondersteunen, moet het agentschap relevante projecten identificeren en financieren, zoals de ontwikkeling van referentienormen voor nieuwe drugs, de uitwerking van toxicologische of farmacologische studies, de toepassing van innovatieve benaderingen op het gebied van onderzoek, en drugsprofilering. De projecten die het agentschap financiert, moeten worden opgenomen in het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag van het agentschap en openbaar worden gemaakt. |
|
(26) |
Het agentschap zal in de mogelijkheid verkeren om gegevens te raadplegen en de nodige wetenschappelijke ervaring te verwerven, teneinde empirisch onderbouwde interventies en beste praktijken te ontwikkelen en te bevorderen, de bewustwording over de schadelijke gevolgen van drugs, de preventie, de risico- en schadebeperkende maatregelen, de behandeling en zorg, en rehabilitatie en herstel te verbeteren, en, in voorkomend geval, een gendergevoelige en op de leeftijd afgestemde aanpak te volgen. Het agentschap moet de uitvoering en actualisering bevorderen van bestaande kwaliteitsnormen voor drugspreventie (Europese kwaliteitsnormen voor drugspreventie) en van een curriculum dat besluitvormers en beleidsmakers kennis verschaft over de meest doeltreffende en empirisch onderbouwde preventiemaatregelen en -benaderingen (preventiecurriculum van de Europese Unie), met inbegrip van de wijze waarop hoogrisicogroepen kunnen worden bereikt. |
|
(27) |
Aangezien het agentschap opereert vanuit een Uniebreed perspectief, moet het nationale maatregelen en opleidingen, bijvoorbeeld op het gebied van preventie, waaronder gendergevoelige en op de leeftijd afgestemde preventiemaatregelen, behandeling, schadebeperking, herstel en andere daarmee samenhangende maatregelen kunnen beoordelen om vast te stellen of zij een weerspiegeling vormen van de meest recente wetenschappelijke stand van zaken en of hun doeltreffendheid is bewezen. Een gunstige beoordeling van nationale maatregelen kan dienen als kwaliteitskeurmerk. |
|
(28) |
Aangezien het agentschap op het niveau van de Unie een unieke positie zal innemen, waardoor het gegevens en beste praktijken kan vergelijken, moet het ondersteuning kunnen bieden, waaronder, indien de lidstaten daarom verzoeken, hulp bij de evaluatie en opstelling van nationale drugsstrategieën in alle lidstaten. Voorts moet de rol van het agentschap bij het verstrekken van opleiding en ondersteuning aan de lidstaten met betrekking tot de toepassing van kwaliteitsnormen en goede praktijken worden versterkt in het licht van de expertise die het op die gebieden zal ontwikkelen. |
|
(29) |
Internationale samenwerking moet een kerntaak van het agentschap zijn, waarbij de verantwoordelijkheden duidelijk moeten worden vastgesteld, zodat het ten volle kan deelnemen aan dergelijke activiteiten en kan reageren op verzoeken van internationale organisaties en andere instanties alsook van derde landen. Het agentschap moet adequate wetenschappelijke en empirisch onderbouwde instrumenten kunnen bieden voor de ontwikkeling en uitvoering van de externe dimensie van het drugsbeleid van de Unie en voor de belangrijke rol van de Unie op multilateraal niveau in overeenstemming met de Verdragen, als middel om een efficiënte en coherente uitvoering van het drugsbeleid van de Unie te verzekeren, zowel intern als op internationaal niveau. De werkzaamheden op dat gebied moeten gebaseerd zijn op een door het agentschap ontwikkeld kader voor internationale samenwerking. Dat kader moet stroken met de Verdragen en de prioriteiten van de Unie inzake internationale samenwerking, waarbij de desbetreffende instrumenten van de Verenigde Naties als richtsnoer moeten dienen. Het agentschap moet het kader voor internationale samenwerking regelmatig herzien om ervoor te zorgen dat het de internationale ontwikkelingen en prioriteiten adequaat weerspiegelt. |
|
(30) |
Om het volledige potentieel van de Uniefinanciering voor veiligheids- en gezondheidsonderzoek te benutten en tegemoet te komen aan de behoeften op het gebied van het drugsbeleid, moet het agentschap de Commissie bijstaan bij het vaststellen van de belangrijkste onderzoeksthema’s en het opstellen en uitvoeren van de kaderprogramma’s van de Unie voor onderzoek en innovatie die relevant zijn voor de doelstellingen van het agentschap. Wanneer het agentschap de Commissie bijstaat bij het vaststellen van belangrijke onderzoeksthema’s of het opstellen en uitvoeren van een kaderprogramma van de Unie, mag het geen financiering uit hoofde van dat programma ontvangen en moet het alle nodige maatregelen nemen om belangenconflicten te voorkomen. Het agentschap moet deelnemen aan Uniebrede initiatieven op het gebied van onderzoek en innovatie om ervoor te zorgen dat de voor zijn activiteiten benodigde technologieën worden ontwikkeld en beschikbaar zijn voor gebruik. De geplande onderzoeks- en innovatieactiviteiten moeten worden opgenomen in het enig programmeringsdocument dat het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma van het agentschap bevat. |
|
(31) |
De Commissie en de lidstaten moeten in de raad van bestuur van het agentschap vertegenwoordigd zijn, om zijn werkzaamheden op doeltreffende wijze te controleren. Bij de benoeming van de leden en plaatsvervangers van de raad van bestuur moet worden gekeken naar hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. Plaatsvervangers moeten optreden als lid wanneer de betrokken leden afwezig zijn. Plaatsvervangende leden kunnen ook vergaderingen bijwonen wanneer de betrokken leden aanwezig zijn, op voorwaarde dat hun aanwezigheid geen extra kosten voor het agentschap met zich meebrengt en zij niet aan de stemming deelnemen. |
|
(32) |
De raad van bestuur moet de nodige bevoegdheden krijgen, met name om de begroting en passende financiële regels vast te stellen en om planningsdocumenten en het geconsolideerd jaarlijks activiteitenverslag aan te nemen. Om de onafhankelijke werking en integriteit van het agentschap te waarborgen, moet de raad van bestuur ook regels inzake preventie en beheer van belangenconflicten vaststellen met betrekking tot zijn leden, de leden van de uitvoerende raad, de leden van het wetenschappelijk comité, de leden van een Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (het “Reitox-netwerk”), gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet bij het agentschap in dienst zijn. Daarbij is het belangrijk dat het agentschap terdege rekening houdt met de aanbevelingen en richtsnoeren ter zake, met name die van de Europese Ombudsman en de richtsnoeren van de Commissie van 10 december 2013 voor preventie en beheer van belangenconflicten in de gedecentraliseerde agentschappen van de EU. De raad van bestuur moet de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag uitoefenen ten aanzien van het personeel van het agentschap, met inbegrip van de uitvoerend directeur. |
|
(33) |
Het is belangrijk dat alle in de raad van bestuur vertegenwoordigde partijen streven naar een brede diversiteit aan vertegenwoordigde perspectieven en ervaringen teneinde bij te dragen aan de werkzaamheden van de raad van bestuur, waarbij tegelijkertijd de continuïteit van die werkzaamheden moet worden gewaarborgd. Alle partijen moeten streven naar een genderevenwichtige vertegenwoordiging in de raad van bestuur. |
|
(34) |
De raad van bestuur moet bij de voorbereiding van de besluiten ervan worden bijgestaan door een uitvoerende raad. Het agentschap moet worden geleid door een uitvoerend directeur. Een wetenschappelijk comité moet de raad van bestuur en de uitvoerend directeur bijstaan met betrekking tot relevante wetenschappelijke aangelegenheden. |
|
(35) |
De raad van bestuur moet de uitvoerend directeur benoemen na een open en transparante selectieprocedure die door de Commissie wordt georganiseerd en beheerd. Overeenkomstig de praktijk die wordt gevolgd bij de benoeming van uitvoerend directeurs van het EMCDDA, moet de Commissie overwegen om bij de benoemingsprocedure een vertegenwoordiger van de raad van bestuur als waarnemer te betrekken. De Commissie moet bij haar beoordeling aan het einde van de eerste ambtstermijn van vijf jaar van de uitvoerend directeur eerst input vragen aan de raad van bestuur over de prestaties van de uitvoerend directeur. |
|
(36) |
Het is van belang dat het agentschap over voldoende middelen beschikt om zijn taken en verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening te vervullen en zijn doelstellingen uit hoofde van deze verordening te verwezenlijken, alsook dat het een eigen begroting krijgt die in overeenstemming is met de opdracht van het agentschap. Het moet hoofdzakelijk worden gefinancierd met een bijdrage uit de algemene begroting van de Unie. De begrotingsprocedure van de Unie moet van toepassing zijn op de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Unie. De Rekenkamer moet de rekeningen van het agentschap controleren. |
|
(37) |
Om de lidstaten en andere belanghebbenden verder te ondersteunen bij het verwerven van inzicht in en het aanpakken van de drugsproblematiek moet het agentschap de mogelijkheid krijgen om naast zijn in deze verordening vastgelegde kerntaken, aanvullende diensten te verlenen tegen betaling van een vergoeding. De methode voor de berekening van de vergoedingen die door het agentschap in rekening worden gebracht, moet transparant zijn, en die vergoedingen moeten de volledige kosten voor het uitvoeren van de activiteiten in verband met de verleende diensten dekken, met inbegrip van de personeels- en operationele kosten. Indien in een begrotingsjaar vergoedingen in rekening zijn gebracht, moeten de voorlopige rekeningen van het agentschap vergezeld gaan van een verslag over die vergoedingen. Die verslagen zullen eveneens door de Rekenkamer worden gecontroleerd. De vergoedingen moeten zo worden vastgesteld dat er geen tekort of aanzienlijke overschotten ontstaan, en moeten worden herzien wanneer dat wel het geval is. |
|
(38) |
De uitvoerend directeur moet het jaarverslag van het agentschap voorleggen aan het Europees Parlement en aan de Raad. Voorts moeten het Europees Parlement en de Raad de uitvoerend directeur kunnen verzoeken verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn of haar taken. |
|
(39) |
Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (6) moet van toepassing zijn op het agentschap. Het agentschap moet met betrekking tot zijn activiteiten de grootst mogelijke transparantie betrachten, zonder de verwezenlijking van de doelstellingen van zijn werkzaamheden in gevaar te brengen. |
|
(40) |
Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) en het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (8), waartoe het EMCDDA reeds is toegetreden, moeten van toepassing zijn op het agentschap. |
|
(41) |
Het agentschap verwerkt gegevens die bijzondere bescherming behoeven, met name gerubriceerde informatie van de Europese Unie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie. Het agentschap moet regels betreffende de vertrouwelijkheid en de verwerking van dergelijke informatie vaststellen. De regels inzake de bescherming van gerubriceerde informatie van de Europese Unie moeten in overeenstemming zijn met de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (9) en (EU, Euratom) 2015/444 (10) van de Commissie. Overeenkomstig die rechtshandelingen mag het agentschap geen gevoelige gegevens bekendmaken. Het agentschap mag evenmin vertrouwelijke bedrijfsinformatie van derden openbaar maken. |
|
(42) |
Om de prestaties van het agentschap te controleren en te waarborgen en om ervoor te zorgen dat het agentschap op grond van zijn mandaat de activiteiten kan uitvoeren die nodig zijn als gevolg van ontwikkelingen op de drugsmarkten en in het beleid, moet er regelmatig een externe evaluatie van de werkzaamheden van het agentschap worden verricht en moet zijn mandaat indien nodig dienovereenkomstig worden aangepast. |
|
(43) |
Het agentschap moet, met volledige inachtneming van de grondrechten, bij de uitvoering van zijn werkprogramma nauw samenwerken met de betrokken internationale organisaties en andere gouvernementele en niet-gouvernementele organen — met inbegrip van technische organen — van binnen en buiten de Unie, in overeenstemming met de toepasselijke Verdragsbepalingen en de bevoegdheden van de lidstaten, met name om dubbel werk te voorkomen en de toegang te waarborgen tot alle gegevens en instrumenten die nodig zijn voor de uitvoering van zijn mandaat. |
|
(44) |
Het agentschap moet het EMCDDA vervangen en opvolgen. Het agentschap moet derhalve de rechtsopvolger worden van alle overeenkomsten van het EMCDDA, met inbegrip van arbeidsovereenkomsten, aangegane verplichtingen en eigendommen. Internationale overeenkomsten die door het EMCDDA vóór 2 juli 2024 zijn gesloten, moeten van kracht blijven. |
|
(45) |
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de oprichting van een agentschap voor de aanpak van de drugsproblematiek, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Doelstellingen en taken van het agentschap
Artikel 1
Oprichting van het agentschap
1. Bij deze verordening wordt het Drugsagentschap van de Europese Unie (EUDA) (“het agentschap”) opgericht.
2. Het agentschap is de vervanger en opvolger van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (het “EMCDDA”), dat werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 1920/2006.
Artikel 2
Juridische status en zetel
1. Het agentschap is een orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid.
2. Het agentschap geniet in elk van de lidstaten de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die er krachtens het nationale recht aan rechtspersonen wordt verleend. Het kan met name roerende en onroerende goederen verwerven en vervreemden, en in rechte optreden.
3. De zetel van het agentschap bevindt zich in Lissabon, Portugal.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“drug”:
|
|
2) |
“nieuwe psychoactieve stof”: nieuwe psychoactieve stof in de zin van artikel 1, punt 4, van Kaderbesluit 2004/757/JBZ; |
|
3) |
“polymiddelengebruik”: het gebruik van een of meer illegale of legale psychoactieve stoffen of soorten psychoactieve stoffen — met name medicinale producten, alcohol en tabak — tegelijkertijd met of kort na het gebruik van drugs; |
|
4) |
“drugsprecursor”: een stof die wordt gecontroleerd en gemonitord overeenkomstig Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad (12) en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad (13); |
|
5) |
“deelnemend land”: een lidstaat die of een derde land dat overeenkomstig artikel 54 van deze verordening een overeenkomst met de Unie heeft gesloten; |
|
6) |
“internationale organisatie”: een internationaalpubliekrechtelijke organisatie en de daaronder ressorterende internationaalpubliekrechtelijke organen, of enig ander orgaan dat is opgericht bij of op grond van een overeenkomst tussen twee of meer landen; |
|
7) |
“drugsverdragen van de Verenigde Naties”: het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971 en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 1988; |
|
8) |
“systeem van de Verenigde Naties”: het systeem van controlemechanismen dat is ingesteld bij de drugsverdragen van de Verenigde Naties. |
Artikel 4
Algemene taak van het agentschap
1. Het agentschap:
|
a) |
verstrekt de Unie en de lidstaten feitelijke, objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie, vroegtijdige waarschuwingen en risicobeoordelingen op het niveau van de Unie met betrekking tot drugs, drugsgebruik, aan drugsgebruik gerelateerde stoornissen en verslavingen, preventie, behandeling, zorg, risico- en schadebeperking, rehabilitatie, sociale re-integratie, herstel, drugsmarkten en -aanbod, waaronder illegale productie en illegale handel, alsook andere relevante druggerelateerde aangelegenheden en de gevolgen daarvan, en |
|
b) |
doet aanbevelingen voor passende en concrete empirisch onderbouwde maatregelen om de uitdagingen met betrekking tot drugs, drugsgebruik, aan drugsgebruik gerelateerde stoornissen en verslavingen, preventie, behandeling, zorg, risico- en schadebeperking, rehabilitatie, sociale re-integratie, herstel, drugsmarkten en -aanbod, waaronder illegale productie en illegale handel, alsook andere relevante druggerelateerde aangelegenheden en de gevolgen daarvan efficiënt en tijdig aan te pakken. |
2. Bij de uitvoering van zijn taken waarborgt het agentschap dat de grondrechten en de regels inzake gegevensbescherming volledig in acht worden genomen, en volgt het een empirisch onderbouwde, geïntegreerde, evenwichtige en multidisciplinaire aanpak van de drugsproblematiek. In het kader van deze aanpak wordt aandacht besteed aan mensenrechten, gender en gendergelijkheid, leeftijd, gezondheid, gelijkheid in de zorg en sociale aspecten.
Artikel 5
Specifieke taken
1. Ter vervulling van de in artikel 4, lid 1, omschreven algemene taak heeft het agentschap de volgende specifieke taken:
|
a) |
monitoringtaken, waaronder:
|
|
b) |
paraatheidstaken, waaronder:
|
|
c) |
competentieontwikkelingstaken, waaronder:
|
2. Het agentschap draagt, in overleg en samenwerking met de bevoegde autoriteiten en organisaties in de deelnemende landen, zorg voor het opzetten en coördineren van het in artikel 32 bedoelde Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (het “Reitox-netwerk”).
3. Het agentschap treedt bij het uitvoeren van de in lid 1 genoemde specifieke taken op transparante, objectieve, onpartijdige en wetenschappelijk verantwoorde wijze op.
4. Het agentschap verbetert en ondersteunt op zijn werkterreinen de coördinatie tussen het optreden van de lidstaten en dat van de Unie. Het agentschap faciliteert de informatie-uitwisseling tussen besluitvormers, onderzoekers, deskundigen en personen die zich bij gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties bezighouden met druggerelateerde aangelegenheden.
5. Het agentschap ondersteunt, waar passend, de Commissie, de lidstaten en andere belanghebbenden die in de toepasselijke strategische documenten op drugsgebied van de Unie zijn vermeld, bij de uitvoering van die strategische documenten.
6. Bij de uitvoering van de in lid 1 genoemde specifieke taken kan het agentschap, zo nodig:
|
a) |
vergaderingen van deskundigen organiseren; |
|
b) |
ad-hocwerkgroepen oprichten, en |
|
c) |
projecten financieren, waar nodig. |
Indien het agentschap uit hoofde van de eerste alinea vergaderingen organiseert, werkgroepen opricht of projecten financiert, brengt het Reitox-netwerk daarvan op de hoogte.
7. Om de drugsproblematiek zo efficiënt mogelijk te monitoren, te beoordelen en aan te pakken, werkt het agentschap bij de uitvoering van de in lid 1 genoemde specifieke taken actief samen met belanghebbenden, waaronder:
|
a) |
andere bevoegde organen en instanties van de Unie, binnen hun respectieve mandaten, met name Europol, het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), opgericht bij Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad (14), het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, opgericht bij Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad (15), het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol), opgericht bij Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad (16), het Europees Geneesmiddelenbureau, opgericht bij Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (17), het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, opgericht bij Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad (18), en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), opgericht bij Verordening (EU) 2019/127 van het Europees Parlement en de Raad (19); |
|
b) |
andere internationale organen en instanties, met name het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC), de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties en het Internationaal Comité van Toezicht op verdovende middelen (INCB), en |
|
c) |
de wetenschappelijke wereld en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. |
8. Het agentschap ontplooit op eigen initiatief, binnen de grenzen van zijn mandaat, communicatieactiviteiten. De toewijzing van middelen voor communicatieactiviteiten gaat niet ten koste van de doeltreffende uitvoering van de in lid 1 genoemde specifieke taken. Het agentschap voert communicatieactiviteiten uit in overeenstemming met de desbetreffende door de raad van bestuur vastgestelde communicatiestrategieën en verspreidingsplannen. Het agentschap kan relevante belanghebbenden, waaronder de wetenschappelijke wereld en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, betrekken bij de totstandbrenging van die strategieën en plannen.
HOOFDSTUK II
Monitoring
Artikel 6
Verzameling en verspreiding van informatie en gegevens
1. Het agentschap:
|
a) |
verzamelt relevante informatie en gegevens, waaronder de informatie en gegevens die door de nationale knooppunten zijn verstrekt, die uit onderzoek voortvloeien of die beschikbaar zijn via open bronnen, alsook gegevens afkomstig van Uniebronnen, niet-gouvernementele bronnen en bevoegde internationale organisaties en organen; |
|
b) |
verzamelt informatie en gegevens die nodig zijn om polymiddelengebruik en de gevolgen daarvan te monitoren, overeenkomstig artikel 7, lid 1, punt d); |
|
c) |
verzamelt in samenwerking met Europol de bij de nationale knooppunten beschikbare informatie en gegevens over nieuwe psychoactieve stoffen en deelt deze onverwijld mee aan de nationale knooppunten, de nationale Europol-eenheden en de Commissie; |
|
d) |
verzamelt en analyseert informatie en gegevens over drugsprecursoren en het misbruik ervan en de handel erin; |
|
e) |
voert de onderzoeks- en monitoringstudies, enquêtes, haalbaarheidsstudies en proefprojecten uit die nodig zijn voor de vervulling van zijn taken, of laat deze uitvoeren; |
|
f) |
draagt zorg voor een betere vergelijkbaarheid en een grotere objectiviteit en betrouwbaarheid van de informatie en gegevens op het niveau van de Unie door in samenwerking met de nationale knooppunten indicatoren en niet-bindende gemeenschappelijke normen vast te stellen, met het oog op een grotere uniformiteit van de door de lidstaten en de Unie gebruikte meetmethoden; het agentschap kan de inachtneming van die niet-bindende gemeenschappelijke normen aanbevelen; |
|
g) |
werkt nauw samen met de bevoegde organen en instanties van de Unie en internationale organisaties en organen, met name het UNODC en het INCB, teneinde kennisgevingen te faciliteren en onnodige lasten voor de lidstaten te vermijden. |
2. Het agentschap verzamelt via de nationale knooppunten relevante nationale gegevens. Vóór het verzamelen van de gegevens bespreken het agentschap en de nationale knooppunten het nationale rapportagepakket en komen zij hierover tot overeenstemming. Het agentschap mag aanvullende informatiebronnen voor nationale gegevens gebruiken. Indien het dit doet, brengt het het betrokken nationale knooppunt daarvan naar behoren op de hoogte. De gegevens worden waar mogelijk uitgesplitst naar geslacht en waar mogelijk naar gender. Bij deze gegevens wordt rekening gehouden met de gendergevoelige aspecten van het drugsbeleid.
3. Het agentschap ontwikkelt, binnen de grenzen van zijn mandaat, methoden en benaderingen voor gegevensverzameling, onder meer via projecten met externe partners.
4. Het agentschap ontwikkelt de nodige digitale oplossingen om, onder meer op geautomatiseerde wijze, informatie en gegevens te verzamelen, te valideren, te analyseren, te rapporteren, te beheren en uit te wisselen.
5. Het agentschap verspreidt informatie en gegevens door:
|
a) |
de informatie die het produceert beschikbaar te stellen aan de Unie, de lidstaten en andere belanghebbenden, ook wat betreft nieuwe ontwikkelingen en veranderende trends; |
|
b) |
te zorgen voor een ruime verspreiding van zijn analyses, conclusies en verslagen, onder meer binnen de wetenschappelijke wereld, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en betrokken gemeenschappen, waaronder drugsgebruikers, met uitzondering van gerubriceerde en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, als bedoeld in artikel 49; |
|
c) |
het publiceren, op basis van de door het agentschap verzamelde gegevens, van een regelmatig verslag over de stand van zaken met betrekking tot de drugsproblematiek en opkomende trends; |
|
d) |
een open bestand van wetenschappelijke documentatie aan te leggen en ter beschikking te stellen; |
|
e) |
informatie over kwaliteitsnormen, empirisch onderbouwde beste praktijken, innovatieve benaderingen en toepasbare onderzoeksresultaten in de lidstaten te verstrekken en de uitwisseling van informatie over en toepassing van dergelijke normen en praktijken te faciliteren. |
6. In voorkomend geval kan het Agentschap informatie en gegevens verspreiden die met name zijn uitgesplitst naar lidstaat, geslacht, gender, leeftijd, handicap en sociaaleconomische status, overeenkomstig het toepasselijke Unierecht, met name inzake gegevensbescherming.
7. Bij het verspreiden van informatie en gegevens op grond van lid 5 vermeldt het agentschap de bronnen daarvan.
8. Het agentschap verspreidt geen informatie en gegevens en geeft geen informatie en gegevens door aan de hand waarvan personen of kleine groepen personen kunnen worden geïdentificeerd.
Artikel 7
Monitoring van de drugsproblematiek en delen van beste praktijken
1. Het agentschap monitort:
|
a) |
op holistische wijze de drugsproblematiek in de Unie, met gebruikmaking van epidemiologische en andere indicatoren die aspecten daarvan bestrijken op het gebied van gezondheid, mensenrechten, samenleving, veiligheid en beveiliging, met inbegrip van de uitvoering van de toepasselijke strategische documenten van de Unie op drugsgebied; |
|
b) |
empirisch onderbouwde beste praktijken en innovatieve benaderingen op het gebied van gezondheids-, mensenrechten-, samenlevings- en veiligheids- of beveiligingsrespons; |
|
c) |
drugsgebruik, aan drugsgebruik gerelateerde stoornissen, drugsverslavingen en daarmee verband houdende gezondheidsrisico’s, drugsgerelateerde schade, risicogedrag in verband met drugsgebruik, en opkomende trends op die gebieden; |
|
d) |
polymiddelengebruik en de gevolgen daarvan, met name de toename van risico’s van gezondheids- en sociale problemen, de sociale determinanten van drugsgebruik, aan drugsgebruik gerelateerde stoornissen en verslavingen, en de gevolgen voor beleid en respons; |
|
e) |
drugs- en polymiddelengebruik en de gevolgen daarvan vanuit leeftijds- en genderperspectief, met name de gevolgen ervan voor gendergerelateerd geweld; |
|
f) |
opkomende trends op het gebied van drugs in de Unie en op internationaal niveau, voor zover deze gevolgen hebben voor de Unie; de monitoring in het kader van dit punt omvat het monitoren van het drugsaanbod, waaronder de illegale productie, de handel en andere gerelateerde misdrijven, alsook het gebruik van nieuwe technologieën, onverminderd de mandaten van andere organen en instanties van de Unie; |
|
g) |
in samenwerking met Europol en met de steun van de nationale knooppunten en de nationale Europol-eenheden, alle nieuwe psychoactieve stoffen die door de lidstaten zijn gemeld; |
|
h) |
drugsprecursoren en het misbruik van en de handel in drugsprecursoren; |
|
i) |
de uitvoering van het drugsbeleid van de Unie en van de lidstaten, mede ter ondersteuning van de ontwikkeling en de onafhankelijke evaluatie van dat beleid. |
2. Op basis van zijn monitoringactiviteiten uit hoofde van lid 1 brengt het agentschap empirisch onderbouwde beste praktijken en innovatieve benaderingen in kaart, ondersteunt het ze en helpt het ze in voorkomend geval te ontwikkelen. Het agentschap deelt die beste prakrijken en benaderingen met de lidstaten en faciliteert de onderlinge uitwisseling ervan tussen de lidstaten.
3. Het agentschap ontwikkelt middelen en instrumenten aan de hand waarvan de lidstaten, in samenwerking met de nationale knooppunten, hun nationale beleid gemakkelijker kunnen monitoren en evalueren, en de Commissie het beleid van de Unie gemakkelijker kan monitoren en evalueren.
4. Het agentschap voert regelmatig prognoses uit aan de hand van de beschikbare informatie. Op basis daarvan ontwikkelt het relevante scenario’s voor de ontwikkeling van het toekomstige drugsbeleid.
HOOFDSTUK III
Paraatheid
Artikel 8
De uitwisseling van informatie over, en het systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor, nieuwe psychoactieve stoffen
1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat zijn nationale knooppunt en zijn nationale Europol-eenheid tijdig en onverwijld de beschikbare informatie over nieuwe psychoactieve stoffen verstrekken aan het agentschap en Europol, met inachtneming van de respectieve mandaten van beide. De informatie houdt verband met de opsporing en identificatie, het gebruik en patronen in het gebruik, de vervaardiging, de extractie, de distributie en distributiemethoden, de handel en het commerciële, medicinale en wetenschappelijke gebruik van deze stoffen en de potentiële en geconstateerde risico’s die deze stoffen met zich meebrengen.
2. In samenwerking met Europol verzamelt, ordent, analyseert en beoordeelt het agentschap informatie over nieuwe psychoactieve stoffen. Het deelt die informatie tijdig mee aan de nationale knooppunten, de nationale Europol-eenheden en de Commissie, zodat deze over alle informatie beschikken die nodig is voor vroegtijdige waarschuwing.
Het agentschap stelt de eerste verslagen of de gecombineerde eerste verslagen op krachtens artikel 9, op basis van de overeenkomstig de eerste alinea verzamelde informatie.
Artikel 9
Eerste verslag
1. Indien het agentschap, de Commissie of een meerderheid van de lidstaten van mening is dat de met hem, haar of hen gedeelde informatie over een nieuwe psychoactieve stof die in een of meer lidstaten is verzameld, aanleiding geeft tot bezorgdheid over de potentiële gezondheids- of sociale risico’s van die nieuwe psychoactieve stof op het niveau van de Unie, stelt het agentschap een eerste verslag op over die nieuwe psychoactieve stof.
Voor de toepassing van de eerste alinea stellen de lidstaten de Commissie en de andere lidstaten in kennis van hun wens dat er een eerste verslag wordt opgesteld. Indien een meerderheid van de lidstaten bij de Commissie een dergelijke kennisgeving heeft gedaan, geeft de Commissie het agentschap de opdracht tot het opstellen van een eerste verslag en stelt zij de lidstaten daarvan in kennis.
2. Het in lid 1 bedoelde eerste verslag bevat de volgende informatie:
|
a) |
een voorlopige indicatie van de aard, het aantal en de omvang van de voorvallen die duiden op gezondheids- en sociale problemen die mogelijkerwijs te maken hebben met de nieuwe psychoactieve stof, en de patronen in het gebruik van de nieuwe psychoactieve stof; |
|
b) |
een voorlopige chemische en fysische beschrijving van de nieuwe psychoactieve stof en de methoden en de precursoren die voor de vervaardiging of de extractie van de stof worden gebruikt; |
|
c) |
een voorlopige farmacologische en toxicologische beschrijving van de nieuwe psychoactieve stof; |
|
d) |
een voorlopige indicatie van de betrokkenheid van criminele groepen bij de vervaardiging of distributie van de nieuwe psychoactieve stof; |
|
e) |
informatie over het menselijk en diergeneeskundig gebruik van de nieuwe psychoactieve stof, met inbegrip van het gebruik ervan als werkzame stof in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik; |
|
f) |
informatie over het commerciële en industriële gebruik van de nieuwe psychoactieve stof, de omvang van dit gebruik en het gebruik ervan voor wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling; |
|
g) |
informatie over de vraag of er in enige lidstaat ten aanzien van de nieuwe psychoactieve stof beperkende maatregelen van kracht zijn; |
|
h) |
informatie over de vraag of de nieuwe psychoactieve stof al dan niet het voorwerp is of is geweest van een beoordeling in het kader van het systeem van de Verenigde Naties; |
|
i) |
andere eventueel beschikbare relevante informatie. |
3. Het agentschap stelt het in lid 1 bedoelde eerste verslag op aan de hand van de informatie waarover het beschikt.
4. Indien het agentschap dit nodig acht, verzoekt het de nationale knooppunten om aanvullende informatie over een nieuwe psychoactieve stof. De nationale knooppunten verstrekken die informatie binnen twee weken nadat zij een dergelijk verzoek hebben ontvangen.
5. Meteen nadat het begint met de opstelling van een eerste verslag op grond van lid 1, vraagt het agentschap het Europees Geneesmiddelenbureau om informatie te verstrekken over de vraag of de nieuwe psychoactieve stof op Unie- of nationaal niveau een werkzame stof is:
|
a) |
in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad (20), Verordening (EG) nr. 726/2004 of Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad (21) een vergunning voor het in de handel brengen is verleend; |
|
b) |
in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen is aangevraagd; |
|
c) |
in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik waarvoor de vergunning voor het in de handel brengen door de bevoegde autoriteit is geschorst; |
|
d) |
in een geneesmiddel voor menselijk gebruik waarvoor geen vergunning voor het in de handel brengen is verleend, als bedoeld in artikel 5, leden 1 en 2, van Richtlijn 2001/83/EG, of in een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik dat ex tempore is bereid in overeenstemming met artikel 112, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2019/6; |
|
e) |
in een geneesmiddel voor onderzoek in de zin van artikel 2, punt d), van Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad (22). |
Indien de krachtens de eerste alinea verstrekte informatie betrekking heeft op door een lidstaat verleende vergunningen voor het in de handel brengen, wordt deze informatie op verzoek door de betrokken lidstaat verstrekt aan het Europees Geneesmiddelenbureau.
6. Meteen nadat het begint met de opstelling van een eerste verslag op grond van lid 1, vraagt het agentschap Europol om informatie te verstrekken over de betrokkenheid van criminele groepen bij de vervaardiging en distributie van, de distributiemethoden voor en de handel in de nieuwe psychoactieve stof en over elk gebruik van de nieuwe psychoactieve stof.
7. Meteen nadat het begint met de opstelling van een eerste verslag op grond van lid 1, vraagt het agentschap het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (23), het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (24) om de beschikbare informatie en gegevens over de nieuwe psychoactieve stof te verstrekken.
8. De samenwerking tussen het agentschap en de in de leden 5, 6 en 7 van dit artikel bedoelde agentschappen van de Unie wordt nader omschreven in werkafspraken. Dergelijke werkafspraken worden vastgesteld overeenkomstig artikel 53, lid 2.
9. Het agentschap houdt zich aan de voorwaarden voor het gebruik van informatie, die aan het agentschap worden meegedeeld, onder meer op het gebied van de toegang tot documenten en informatie, beveiliging van gegevens en de bescherming van vertrouwelijke gegevens, waaronder gevoelige gegevens en vertrouwelijke bedrijfsinformatie van derden.
10. Het agentschap dient een eerste verslag als bedoeld in lid 1 in bij de Commissie en de lidstaten binnen vijf weken na de indiening van de in de leden 5, 6 en 7 bedoelde verzoeken om informatie.
11. Indien het agentschap informatie verzamelt over meerdere nieuwe psychoactieve stoffen met een volgens het agentschap vergelijkbare chemische structuur, dient het binnen zes weken na de indiening van de in de leden 5, 6 en 7 bedoelde verzoeken om informatie, bij de Commissie en de lidstaten hetzij een afzonderlijk eerste verslag als bedoeld in lid 1 in voor elk van die nieuwe psychoactieve stoffen, hetzij gecombineerde eerste verslagen over verschillende nieuwe psychoactieve stoffen, op voorwaarde dat de kenmerken van elke nieuwe psychoactieve stof duidelijk worden omschreven.
Artikel 10
Risicobeoordelingsprocedure en -verslag
1. Binnen twee weken na de ontvangst van een in artikel 9, lid 10, bedoeld eerste verslag kan de Commissie het agentschap verzoeken de potentiële risico’s van de nieuwe psychoactieve stof te beoordelen en een risicobeoordelingsverslag op te stellen, indien het eerste verslag aanwijzingen bevat om aan te nemen dat de nieuwe psychoactieve stof ernstige volksgezondheidrisico’s of, voor zover van toepassing, ernstige sociale risico’s met zich zou kunnen meebrengen. De risicobeoordeling wordt uitgevoerd door het wetenschappelijk comité.
2. Binnen twee weken na de ontvangst van afzonderlijke eerste verslagen of een gecombineerd eerste verslag als bedoeld in artikel 9, lid 11, kan de Commissie het agentschap verzoeken de potentiële risico’s van verschillende nieuwe psychoactieve stoffen met een vergelijkbare chemische structuur te beoordelen en een gecombineerd risicobeoordelingsverslag op te stellen, indien het gecombineerde eerste verslag aanwijzingen bevat om aan te nemen dat de nieuwe psychoactieve stoffen ernstige volksgezondheidsrisico’s of, voor zover van toepassing, ernstige sociale risico’s met zich zouden kunnen meebrengen. De gecombineerde risicobeoordeling wordt uitgevoerd door het wetenschappelijk comité.
3. Een risicobeoordelingsverslag of gecombineerd risicobeoordelingsverslag bevat de volgende informatie:
|
a) |
beschikbare informatie over de chemische en fysische eigenschappen van de nieuwe psychoactieve stof of stoffen en de methoden en precursoren die voor de vervaardiging of de extractie daarvan worden gebruikt; |
|
b) |
beschikbare informatie over de farmacologische en toxicologische eigenschappen van de nieuwe psychoactieve stof of stoffen; |
|
c) |
een analyse van de aan de nieuwe psychoactieve stof of stoffen verbonden gezondheidsrisico’s, met name op het gebied van acute en chronische toxiciteit, kans op misbruik, verslavingspotentieel en fysieke, mentale en gedragseffecten; |
|
d) |
een analyse van de aan de nieuwe psychoactieve stof of stoffen verbonden sociale risico’s — met name op het gebied van maatschappelijk functioneren, openbare orde en criminele activiteiten, en van de betrokkenheid van criminele groepen bij de vervaardiging, distributie en distributiemethoden, en handel in de nieuwe psychoactieve stof of stoffen; |
|
e) |
beschikbare informatie over de omvang van en de patronen in het gebruik, de beschikbaarheid en het verspreidingspotentieel in de Unie van de nieuwe psychoactieve stof of stoffen; |
|
f) |
beschikbare informatie over het commerciële en industriële gebruik van de nieuwe psychoactieve stof of stoffen en de omvang van dit gebruik, alsook over het gebruik ervan voor wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling; |
|
g) |
andere eventueel beschikbare relevante informatie. |
4. Het wetenschappelijk comité voert een risicobeoordeling uit om de risico’s te beoordelen die de nieuwe psychoactieve stof of de groep nieuwe psychoactieve stoffen met zich meebrengt. Voor elk van die risicobeoordelingen hebben de Commissie, het agentschap, Europol en het Europees Geneesmiddelenbureau ieder het recht om twee waarnemers aan te wijzen.
5. Het wetenschappelijk comité verricht risicobeoordelingen als bedoeld in lid 4 op basis van de beschikbare informatie en ander relevant wetenschappelijk bewijsmateriaal. Het neemt alle standpunten van zijn leden in aanmerking. Het agentschap organiseert de risicobeoordelingsprocedure, onder meer door toekomstige informatiebehoeften en relevante studies te inventariseren.
6. Binnen zes weken nadat het van de Commissie het verzoek heeft ontvangen om een risicobeoordelingsverslag op te stellen op grond van lid 1 dan wel een gecombineerd risicobeoordelingsverslag op grond van lid 2, dient het agentschap het risicobeoordelingsverslag of het gecombineerde risicobeoordelingsverslag bij de Commissie en de lidstaten in.
7. Na ontvangst van een terdege gemotiveerd verzoek van het agentschap kan de Commissie de in lid 6 bepaalde periode voor de voltooiing van de risicobeoordeling of de gecombineerde risicobeoordeling verlengen teneinde aanvullend onderzoek en het verzamelen van aanvullende gegevens mogelijk te maken. Dat verzoek bevat informatie over de periode die nodig is om de risicobeoordeling of de gecombineerde risicobeoordeling te voltooien.
8. Het agentschap verstrekt tijdig snelle risicobeoordelingen overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad (25), in het geval van een bedreiging als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt b), van die verordening en mits die bedreiging onder het mandaat van het agentschap valt.
Artikel 11
Uitsluiting van risicobeoordeling
1. Er wordt geen risicobeoordeling verricht wanneer de beoordeling van de nieuwe psychoactieve stof binnen het systeem van de Verenigde Naties in een gevorderd stadium is, dat wil zeggen zodra het deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid van de Wereldgezondheidsorganisatie zijn kritische evaluatie samen met een schriftelijke aanbeveling heeft gepubliceerd, tenzij er voldoende gegevens en informatie beschikbaar zijn die erop wijzen dat er op Unieniveau een risicobeoordelingsverslag moet worden opgesteld, waarbij de redenen hiervoor in het eerste verslag voor die stof moeten worden vermeld.
2. Er wordt geen risicobeoordeling verricht wanneer er na een beoordeling binnen het systeem van de Verenigde Naties is besloten de nieuwe psychoactieve stof niet in een van de betrokken lijsten op te nemen, tenzij er voldoende gegevens en informatie beschikbaar zijn die erop wijzen dat er op Unieniveau een risicobeoordelingsverslag moet worden opgesteld, waarbij de redenen hiervoor in het eerste verslag voor die stof moeten worden vermeld.
3. Er wordt geen risicobeoordeling verricht wanneer de nieuwe psychoactieve stof een werkzame stof is:
|
a) |
in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik waarvoor overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 726/2004 of Verordening (EU) 2019/6 een vergunning voor het in de handel brengen is verleend; |
|
b) |
in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen is aangevraagd; |
|
c) |
in een geneesmiddel voor menselijk of diergeneeskundig gebruik waarvoor de vergunning voor het in de handel brengen door de bevoegde autoriteit is geschorst; |
|
d) |
in een geneesmiddel voor onderzoek in de zin van artikel 2, punt d), van Richtlijn 2001/20/EG. |
Artikel 12
Dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid, en paraatheid
1. Het agentschap ontwikkelt een strategische, empirisch onderbouwde capaciteit voor dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid teneinde in een vroeg stadium nieuwe ontwikkelingen in de drugsproblematiek in kaart te brengen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, sociale kwesties, de veiligheid of de beveiliging in de Unie, en ondersteunt op die wijze de paraatheid van de belanghebbenden om op een doeltreffende en tijdige wijze op nieuwe dreigingen te reageren.
2. Het agentschap kan op eigen initiatief een dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid starten op basis van een interne beoordeling van signalen die aan het licht zijn gekomen bij routinematige monitoring- of onderzoeksactiviteiten of afkomstig zijn uit andere passende informatiebronnen. Het agentschap kan ook een dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid starten op verzoek van de Commissie of van een lidstaat, mits aan de criteria van lid 1 is voldaan.
3. Een dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid omvat een snelle evaluatie van bestaande informatie en, waar nodig, het verzamelen van nieuwe informatie via de informatienetwerken van het agentschap. Het agentschap ontwikkelt passende wetenschappelijke methoden voor snelle evaluatie.
4. Wanneer het agentschap na een dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid een verslag opstelt over de dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid, bevat dat verslag een beschrijving van de vastgestelde dreiging, van de huidige situatie zoals die uit het beschikbare bewijsmateriaal naar voren komt en van de mogelijke gevolgen indien er geen actie wordt ondernomen. Het verslag bevat ook opties inzake paraatheid en respons waarmee de vastgestelde dreiging kan worden ingeperkt en aangepakt, waaronder, indien mogelijk, empirisch onderbouwde interventies gericht op het terugdringen van de vraag, risico- en schadebeperking en herstel. Het kan ook mogelijke follow-upmaatregelen bevatten. Het agentschap stuurt het verslag over de dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid aan de Commissie en, naargelang het geval, aan de lidstaten.
5. Bij de uitvoering van een dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid werkt het agentschap nauw samen met de lidstaten, andere organen en instanties van de Unie en internationale organisaties, door hen waar nodig bij de evaluatie te betrekken. Indien de potentiële dreiging reeds wordt geanalyseerd in het kader van een ander mechanisme van de Unie, voert het agentschap geen dreigingsevaluatie op het gebied van gezondheid en veiligheid uit.
6. Met instemming van de Commissie voert het agentschap dreigingsevaluaties op het gebied van gezondheid en veiligheid uit met betrekking tot drugsgerelateerde dreigingen van buiten de Unie, die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, sociale kwesties, de veiligheid of de beveiliging in de Unie.
7. Het agentschap monitort de ontwikkeling van de situatie en actualiseert zo nodig de dreigingsevaluaties op het gebied van gezondheid en veiligheid dienovereenkomstig.
Artikel 13
Europees waarschuwingssysteem voor drugs
1. Door het agentschap wordt een Europees systeem voor snelle waarschuwingen over drugs opgezet en beheerd, als aanvulling op en onverminderd de desbetreffende nationale waarschuwingssystemen. Het Europees waarschuwingssysteem voor drugs vormt een aanvulling op het in artikel 8 bedoelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing.
2. De nationale knooppunten, in samenwerking met de relevante nationale bevoegde autoriteiten, stellen het agentschap onmiddellijk in kennis van alle informatie over het ontstaan van een ernstig direct of indirect drugsgerelateerd risico voor de gezondheid, sociale aspecten, de veiligheid of de beveiliging, en van alle informatie die nuttig kan zijn voor de coördinatie van een respons, wanneer zij kennis krijgen van dergelijke informatie, zoals:
|
a) |
de aard en de oorsprong van het risico; |
|
b) |
de datum en plaats van de gebeurtenis die verband houdt met het risico; |
|
c) |
de wijze van blootstelling, overdracht of verspreiding; |
|
d) |
analytische en toxicologische gegevens; |
|
e) |
identificatiemethoden; |
|
f) |
gezondheidsrisico’s; |
|
g) |
sociale en veiligheids- en beveiligingsrisico’s; |
|
h) |
gezondheidsmaatregelen die op nationaal niveau uitgevoerd of gepland zijn; |
|
i) |
andere maatregelen dan gezondheidsmaatregelen; |
|
j) |
alle andere informatie die relevant is voor het betrokken ernstige gezondheidsrisico. |
3. Het agentschap analyseert en beoordeelt de beschikbare informatie en gegevens over mogelijke ernstige risico’s voor de gezondheid en vult deze aan met beschikbare wetenschappelijke en technische informatie die afkomstig is van het in artikel 8 bedoelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing en andere overeenkomstig artikel 12 uitgevoerde dreigingsevaluaties of met informatie die afkomstig is van andere organen en instanties van de Unie en van internationale organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie. Het agentschap houdt rekening met informatie uit open bronnen en beschikbare informatie die is verkregen via zijn instrumenten voor gegevensverzameling en van relevante belanghebbenden, waaronder de wetenschappelijke wereld en organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
4. Op basis van de overeenkomstig lid 3 ontvangen informatie en gegevens verstrekt het agentschap gerichte snelle waarschuwingsberichten aan de betrokken nationale autoriteiten, met inbegrip van de nationale knooppunten. In deze waarschuwingsberichten kan het agentschap opties inzake respons voorstellen. De lidstaten kunnen rekening houden met die opties in hun paraatheidsplanning en bij hun nationale responsactiviteiten.
5. De nationale knooppunten, in samenwerking met de relevante nationale bevoegde autoriteiten, stellen het agentschap in kennis van aanvullende informatie waarover zij beschikken teneinde het agentschap in staat te stellen de in lid 2 bedoelde risico’s nader te analyseren en te beoordelen, alsook van de acties die zijn uitgevoerd of de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de ontvangst van de in lid 4 bedoelde snelle waarschuwingsberichten.
6. Het agentschap werkt nauw samen met de Commissie en de lidstaten om de nodige samenhang in het risicocommunicatieproces te bevorderen.
7. Het agentschap kan de deelname aan het Europees waarschuwingssysteem voor drugs openstellen voor derde landen en internationale organisaties. Die deelname is gebaseerd op wederkerigheid en gaat gepaard met maatregelen inzake vertrouwelijkheid die gelijkwaardig zijn aan die welke voor het agentschap gelden.
8. Indien nodig ontwikkelt het agentschap, in nauwe samenwerking met de relevante nationale bevoegde autoriteiten, met name de nationale knooppunten, een waarschuwingssysteem om, in voorkomend geval, informatie over een specifiek risico te verstrekken aan personen die bepaalde drugs gebruiken of zouden kunnen gebruiken.
9. Het agentschap werkt zijn drugswaarschuwingen zo nodig bij.
Artikel 14
Drugsprecursoren
1. Het agentschap helpt de Commissie bij het monitoren van ontwikkelingen in verband met het misbruik van en de handel in drugsprecursoren en bij het beoordelen van de vraag of het nodig is om stoffen toe te voegen aan of te schrappen uit de in Verordeningen (EG) nr. 273/2004 en (EG) nr. 111/2005 bedoelde categorieën geregistreerde en niet-geregistreerde stoffen of om die categorieën anderszins te wijzigen, met inbegrip van het in kaart brengen en beoordelen van het legale en illegale gebruik van deze stoffen.
2. Het agentschap stelt op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie een dreigingsevaluatieverslag over drugsprecursoren op.
Artikel 15
Netwerk van forensische en toxicologische laboratoria
1. Het agentschap zet een netwerk op van forensische en toxicologische laboratoria die actief zijn op het gebied van forensisch en toxicologisch onderzoek naar drugs en drugsgerelateerde schade (het “netwerk”).
2. Het netwerk fungeert in de eerste plaats als een forum voor:
|
a) |
het genereren van gegevens en het uitwisselen van informatie over nieuwe ontwikkelingen en trends; |
|
b) |
het organiseren van opleidingen om de vaardigheden van forensische drugs- en toxicologiedeskundigen te verbeteren; |
|
c) |
het ondersteunen van de uitvoering van kwaliteitsbewakingsregelingen, en |
|
d) |
het bevorderen van de verdere harmonisatie van gegevensverzameling en analysemethoden. |
De nationale knooppunten worden geregeld, ten minste eenmaal per jaar, geïnformeerd over de activiteiten van het netwerk. Zij hebben toegang tot de door het netwerk gegenereerde informatie en gegevens.
3. Elke lidstaat heeft het recht om via zijn vertegenwoordiger in de raad van bestuur tot drie laboratoria aan te wijzen die de nationale laboratoria in het netwerk vertegenwoordigen en die gespecialiseerd zijn in forensische analyse, toxicologie of andere drugsgerelateerde gebieden. Het agentschap kan voor specifieke projecten extra laboratoria of deskundigen selecteren die met name actief zijn op het gebied van forensisch en toxicologisch onderzoek naar drugs en drugsgerelateerde schade.
4. Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie is lid van het netwerk en vertegenwoordigt de Commissie in het netwerk.
5. Het netwerk werkt nauw samen met bestaande netwerken en organisaties die op actief zijn op hetzelfde gebied als het netwerk en houdt rekening met hun werkzaamheden teneinde overlappingen te voorkomen. Het Reitox-netwerk wordt geregeld, en ten minste eenmaal per jaar, op de hoogte gebracht van de werkzaamheden van het netwerk.
6. Het agentschap zit het netwerk voor en belegt ten minste één vergadering per jaar. Het netwerk kan beslissen werkgroepen op te richten, die door leden van het netwerk kunnen worden voorgezeten.
7. Via het netwerk heeft het agentschap toegang tot forensische en toxicologische gegevens die worden gegenereerd of verzameld door laboratoria van het netwerk, onder meer voor de analyse van nieuwe psychoactieve stoffen indien nodig.
8. Het agentschap identificeert en financiert waar passend specifieke projecten ter ondersteuning van de werkzaamheden van het netwerk, op basis van duidelijke en transparante regels en procedures. Het agentschap stelt die regels en procedures vast voordat het dergelijke projecten identificeert.
9. Het agentschap creëert een databank om de door het netwerk verzamelde of gegenereerde informatie en gegevens op te slaan, te analyseren en beschikbaar te stellen, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze verordening, waaronder artikel 6, lid 8, en artikel 49.
HOOFDSTUK IV
Competentieontwikkeling
Artikel 16
Empirisch onderbouwde interventies, beste praktijken en bewustmaking
1. Het agentschap ontwikkelt en bevordert empirisch onderbouwde interventies en beste praktijken in verband met, en draagt bij aan de bewustwording van, de schadelijke gevolgen van drugs, preventie, behandeling, zorg, risico- en schadebeperking, rehabilitatie, sociale re-integratie en herstel. In voorkomend geval hanteert het agentschap een gendergevoelige aanpak en volgt het een op de leeftijd afgestemde aanpak. De empirisch onderbouwde interventies, beste praktijken en bewustwordingsactiviteiten kunnen worden afgestemd op de nationale context en op nationaal niveau worden uitgevoerd en, indien nodig, op specifieke groepen worden gericht.
2. De in lid 1 bedoelde empirisch onderbouwde interventies, beste praktijken en bewustwordingsactiviteiten zijn in overeenstemming met de mensenrechtennormen en de beleidslijnen in de toepasselijke strategische documenten van de Unie op drugsgebied.
3. Het agentschap bevordert de toepassing van bestaande kwaliteitsnormen voor drugspreventie en actualiseert deze waar nodig. Het verstrekt of ondersteunt opleidingen in de zin van artikel 19. Het agentschap werkt in voorkomend geval kwaliteitsnormen uit voor risico- en schadebeperking, behandeling, herstel, zorg en rehabilitatie.
4. Het agentschap kan de lidstaten ondersteuning bieden en staat hen, indien zij daar vooraf mee instemmen, bij bij de ontwikkeling van nationale interventies op het gebied van zijn mandaat.
Artikel 17
Beoordelingssysteem voor nationale maatregelen
1. Op verzoek van een nationale autoriteit van een deelnemend land beoordeelt het agentschap nationale maatregelen overeenkomstig het in lid 3 bedoelde standaardwerkprotocol.
2. Alvorens deze te beoordelen, evalueert het agentschap de nationale maatregel en analyseert het of de maatregel in overeenstemming is met de meest recente wetenschappelijke kennis en nuttig is gebleken voor de verwezenlijking van de aangegeven doelstellingen.
3. Het agentschap werkt een beoordelingsprocedure uit. Het legt die procedure op transparante wijze vast in een standaardwerkprotocol. De raad van bestuur keurt het standaardwerkprotocol en eventuele wijzigingen ervan goed voordat het agentschap het toepast.
4. Het agentschap brengt de raad van bestuur geregeld op de hoogte van de beoordelingen die het uit hoofde van dit artikel heeft verricht.
Artikel 18
Ondersteuning van de lidstaten
1. Het agentschap kan een lidstaat op verzoek ondersteuning verlenen bij de onafhankelijke evaluatie van zijn drugsbeleid en bij de ontwikkeling van een empirisch onderbouwd drugsbeleid dat strookt met de toepasselijke strategische documenten van de Unie op drugsgebied.
2. Het agentschap kan de lidstaten ondersteuning bieden en staat hen, indien zij daar vooraf mee instemmen, bij bij de uitvoering van hun nationaal drugsbeleid, kwaliteitsnormen, beste praktijken en innovatieve benaderingen. Het agentschap vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie, onder meer over relevant recht en beste praktijken, tussen nationale autoriteiten en deskundigen.
3. Wanneer het de evaluatie van het drugsbeleid ondersteunt, handelt het agentschap onafhankelijk en volgt het zijn wetenschappelijke normen en een empirisch onderbouwde benadering.
Artikel 19
Opleiding
Binnen de grenzen van zijn mandaat en in coördinatie met andere organen en instanties van de Unie, is het agentschap belast met:
|
a) |
het aanbieden van gespecialiseerde opleidingen en curricula op gebieden die van belang en relevant zijn voor de Unie; |
|
b) |
het aanbieden van opleidingsgerelateerde instrumenten en ondersteuningssystemen om de uitwisseling van kennis in de gehele Unie te vergemakkelijken; |
|
c) |
het ondersteunen van de lidstaten bij het organiseren van initiatieven op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw. |
Artikel 20
Internationale samenwerking en technische bijstand
1. Het agentschap:
|
a) |
ontwikkelt een kader voor internationale samenwerking, dat, na voorafgaande goedkeuring door de Commissie, wordt goedgekeurd door de raad van bestuur en dat als leidraad dient voor de activiteiten van het agentschap op het gebied van internationale samenwerking; |
|
b) |
werkt actief samen met de in artikel 53, lid 1, bedoelde organisaties en organen; |
|
c) |
ondersteunt op internationaal niveau de uitwisseling en verspreiding van beste praktijken en toepasbare onderzoeksresultaten van de Unie; |
|
d) |
monitort de ontwikkelingen op het gebied van de internationale drugsproblematiek die een bedreiging zouden kunnen vormen voor of impact zouden kunnen hebben op de Unie door de beschikbare informatie van internationale organen en nationale autoriteiten, onderzoeksresultaten en andere relevante informatiebronnen te monitoren en te analyseren; |
|
e) |
verstrekt, in nauwe samenwerking met de Commissie, in desbetreffende internationale bijeenkomsten en technische fora gegevens en analyses over de drugssituatie in Europa, en ondersteunt de Commissie en de lidstaten bij internationale dialogen over drugs; |
|
f) |
zorgt er mee voor dat alle in de lidstaten verzamelde of uit de Unie afkomstige relevante gegevens over drugs die onder deze verordening vallen, worden geïntegreerd in internationale monitoring- en drugsbestrijdingsprogramma’s, met name in de programma’s van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde agentschappen daarvan, onverminderd de in de drugsverdragen van de Verenigde Naties vastgelegde verplichtingen van de lidstaten inzake de doorgifte van informatie; |
|
g) |
ondersteunt de lidstaten bij het rapporteren van relevante informatie en het verstrekken van de vereiste analyses aan het systeem van de Verenigde Naties, met inbegrip van de indiening van alle relevante gegevens over nieuwe psychoactieve stoffen bij het UNODC en de Wereldgezondheidsorganisatie; |
|
h) |
ondersteunt derde landen, in het bijzonder kandidaat-lidstaten, bij de ontwikkeling van hun drugsbeleid overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in de toepasselijke strategische documenten van de Unie op drugsgebied, onder meer door te helpen bij de onafhankelijke evaluatie van hun beleid, en spoort die derde landen ertoe aan de deelname van het maatschappelijk middenveld aan en de betrokkenheid ervan bij het uitwerken, invoeren en beoordelen van dat beleid te ondersteunen. |
2. Het in lid 1, punt a), bedoelde kader voor internationale samenwerking is gericht op verdere versterking en ondersteuning van de inspanningen van derde landen om drugsgerelateerde problemen aan te pakken op empirisch onderbouwde, geïntegreerde, evenwichtige en multidisciplinaire wijze en met volledige inachtneming van de mensenrechtennormen. Dat kader voor internationale samenwerking houdt rekening met de desbetreffende beleidsdocumenten van de Unie en met de ontwikkelingen in de drugsproblematiek. In het kader wordt vastgesteld welke landen of regio’s prioritair voor samenwerking in aanmerking komen en wat de belangrijkste beoogde resultaten van de samenwerking zijn. Er wordt daarbij ook rekening gehouden met de ervaringen en activiteiten van de lidstaten. Het agentschap evalueert en herziet regelmatig het kader voor internationale samenwerking.
3. Op verzoek van de Commissie en mits de raad van bestuur dit goedkeurt, draagt het agentschap zijn expertise over aan derde landen, in het bijzonder kandidaat-lidstaten, en verleent het deze landen technische bijstand, een en ander in overeenstemming met zijn in lid 1, punt a), bedoeld kader voor internationale samenwerking.
De technische bijstand is met name gericht op het opzetten of consolideren van nationale knooppunten, nationale systemen voor gegevensverzameling en nationale systemen voor vroegtijdige waarschuwing, op het bevorderen van beste praktijken op het gebied van preventie, behandeling, zorg, risico- en schadebeperking, rehabilitatie, sociale re-integratie en herstel, en vervolgens op het ondersteunen van de totstandbrenging en versterking van structurele banden met het in artikel 8 bedoelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing en het Reitox-netwerk. Het agentschap kan de nationale organen van een derde land beoordelen indien dat derde land daarom verzoekt.
4. Het agentschap werkt overeenkomstig de artikelen 53 en 54 samen met internationale organisaties en derde landen.
Artikel 21
Onderzoek en innovatie
1. Het agentschap staat de Commissie en de lidstaten bij bij het vaststellen van de belangrijkste onderzoeksthema’s en bij het opstellen en uitvoeren van de kaderprogramma’s van de Unie inzake onderzoeks- en innovatieactiviteiten die relevant zijn voor de vervulling van zijn in artikel 4 omschreven algemene taak en zijn in artikel 5 omschreven specifieke taken. Het agentschap besteedt bij zijn onderzoeksactiviteiten de nodige aandacht aan intersectionaliteit als horizontaal beginsel. Wanneer het agentschap de Commissie bijstaat bij het vaststellen van de belangrijkste onderzoeksthema’s of bij het opstellen en uitvoeren van een kaderprogramma van de Unie, ontvangt het geen financiering uit hoofde van dat programma.
2. Het agentschap houdt proactief toezicht op en draagt bij aan onderzoeks- en innovatieactiviteiten die relevant zijn voor de vervulling van zijn in artikel 4 omschreven algemene taak en zijn in artikel 5 omschreven specifieke taken, ondersteunt verwante activiteiten van de lidstaten en voert zijn onderzoeks- en innovatieactiviteiten uit met betrekking tot aangelegenheden die onder deze verordening vallen, met inbegrip van het ontwikkelen, trainen, testen en valideren van algoritmen voor de ontwikkeling van instrumenten. Het agentschap verstrekt de resultaten van die onderzoeks- en innovatieactiviteiten aan het Europees Parlement, de lidstaten en de Commissie, overeenkomstig de beveiligingsvoorschriften van artikel 49.
3. Het agentschap draagt bij aan en neemt deel aan de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de onderzoeks- en innovatiecyclus, zoals de EU-innovatiehub voor interne veiligheid en de bij besluit van de Commissie van 16 september 2021 ingestelde Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied (26).
4. Het agentschap mag proefprojecten met betrekking tot onder deze verordening vallende aangelegenheden plannen en uitvoeren.
5. Het agentschap neemt alle nodige maatregelen om belangenconflicten bij de uitvoering van de in lid 4 bedoelde proefprojecten te voorkomen. Het presenteert publieke informatie over zijn onderzoeksprojecten, met inbegrip van demonstratieprojecten. Deze informatie omvat de betrokken samenwerkingspartners en de projectbegroting.
6. Het agentschap zet een databank op voor de opslag, analyse en beschikbaarstelling van drugsgerelateerde onderzoeksprogramma’s.
HOOFDSTUK V
Organisatie van het agentschap
Artikel 22
Administratieve en bestuurlijke structuur
1. De administratieve en bestuursstructuur van het agentschap omvat:
|
a) |
een raad van bestuur, die de in artikel 24 genoemde taken uitvoert; |
|
b) |
een uitvoerende raad, die de in artikel 28 genoemde taken uitvoert; |
|
c) |
een uitvoerend directeur, die de in artikel 30 genoemde taken uitvoert; |
|
d) |
een wetenschappelijk comité, dat de in artikel 31 genoemde taken uitvoert, en |
|
e) |
het Reitox-netwerk. |
2. De leden van de administratieve en beheerstructuur van het agentschap hebben geen financiële of andere belangen die hun onpartijdigheid kunnen aantasten. Zij handelen in het algemeen belang en voeren hun activiteiten op onafhankelijke, onpartijdige en transparante wijze uit. Jaarlijks leggen zij een verklaring af over hun belangen, die kan worden opgevraagd.
Artikel 23
Samenstelling van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur bestaat uit:
|
a) |
één vertegenwoordiger per lidstaat, die stemrecht heeft; |
|
b) |
twee vertegenwoordigers van de Commissie, die stemrecht hebben. |
2. De raad van bestuur omvat voorts:
|
a) |
twee door het Europees Parlement aangewezen onafhankelijke deskundigen met bijzondere kennis op het gebied van drugs, die stemrecht hebben; |
|
b) |
één vertegenwoordiger, zonder stemrecht, van elk derde land dat overeenkomstig artikel 54 een overeenkomst met de Unie heeft gesloten. |
3. Elk lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. De plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid bij afwezigheid en kan de vergaderingen van de raad van bestuur bijwonen.
4. De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van hun kennis op de in artikel 4, lid 1, punt a), genoemde gebieden, met inachtneming van hun relevante bestuurs-, administratieve en budgettaire vaardigheden. Alle partijen in de raad van bestuur trachten het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken teneinde de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te waarborgen. Alle partijen streven naar een genderevenwichtige vertegenwoordiging in de raad van bestuur.
5. De raad van bestuur mag vertegenwoordigers van internationale organisaties waarmee het agentschap samenwerkt overeenkomstig artikel 53, als waarnemer uitnodigen.
6. De ambtstermijn van de leden en hun plaatsvervangers bedraagt vier jaar. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.
Artikel 24
Taken van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur:
|
a) |
zorgt voor de algemene aansturing van de activiteiten van het agentschap; |
|
b) |
stelt het ontwerp van het in artikel 36 bedoelde enig programmeringsdocument vast, voordat het bij de Commissie ter advies wordt ingediend; |
|
c) |
stelt, na het advies van de Commissie te hebben ontvangen, het enig programmeringsdocument van het agentschap vast met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden; |
|
d) |
stelt met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden de jaarbegroting van het agentschap vast en voert andere taken uit met betrekking tot de begroting van het agentschap overeenkomstig hoofdstuk VI; |
|
e) |
beoordeelt het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag van het agentschap en keurt het goed met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden, doet het activiteitenverslag en de beoordeling daarvan uiterlijk op 1 juli van elk jaar toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en zorgt ervoor dat het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag openbaar wordt gemaakt; |
|
f) |
stelt overeenkomstig artikel 42 de financiële regeling vast die van toepassing is op het agentschap; |
|
g) |
stelt een fraudebestrijdingsstrategie vast, die evenredig is aan de frauderisico’s en rekening houdt met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen; |
|
h) |
stelt een strategie vast om efficiëntiewinsten te realiseren en synergieën tot stand te brengen met andere organen en instanties van de Unie; |
|
i) |
stelt regels vast om belangenconflicten met betrekking tot zijn leden, de leden van de uitvoerende raad, de leden van het wetenschappelijk comité en de leden van het Reitox-netwerk, en met betrekking tot de in artikel 44 bedoelde gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden die niet bij het agentschap in dienst zijn, te voorkomen en te beheren, en maakt jaarlijks op zijn website de belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur bekend; |
|
j) |
keurt het in artikel 17, lid 3, bedoelde standaardwerkprotocol goed; |
|
k) |
keurt het in artikel 20, lid 1, punt a), bedoelde kader voor internationale samenwerking goed, alsook de programma’s voor de in artikel 20, lid 3, bedoelde technische bijstand; |
|
l) |
keurt het in artikel 33, lid 5, bedoelde niveau van medefinanciering goed; |
|
m) |
stelt de in artikel 5, lid 8, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vast en werkt deze regelmatig bij, op basis van een behoefteanalyse; |
|
n) |
stelt zijn reglement van orde vast, inclusief regels inzake preventie en beheer van belangenconflicten, en maakt het openbaar; |
|
o) |
oefent overeenkomstig lid 2 van dit artikel met betrekking tot het personeel van het agentschap de bevoegdheden uit die het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (het “Statuut”) toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en die de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (de “Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden”) toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag, als vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (27) (de “bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”); |
|
p) |
stelt, in overleg met de Commissie, regels vast voor de uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut; |
|
q) |
benoemt de uitvoerend directeur en verlengt, in voorkomend geval, zijn of haar ambtstermijn of ontheft hem of haar uit zijn functie, overeenkomstig artikel 29; |
|
r) |
benoemt een rekenplichtige, die onderworpen is aan het Statuut en aan de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, en die onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn of haar taken; |
|
s) |
benoemt de leden van het wetenschappelijk comité; |
|
t) |
keurt de lijst van deskundigen goed die moet worden gebruikt om het wetenschappelijk comité uit te breiden overeenkomstig artikel 31, lid 6; |
|
u) |
neemt besluiten naar aanleiding van de beoordeling van de nationale knooppunten overeenkomstig artikel 35; |
|
v) |
stelt de methode vast voor het berekenen van de vergoedingen en de manier waarop de vergoedingen worden betaald overeenkomstig artikel 38; |
|
w) |
zorgt voor een passende follow-up van de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit interne of externe auditverslagen en evaluaties, alsook uit onderzoeken die zijn uitgevoerd door het bij Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie (28) opgerichte Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het bij Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (29) opgerichte Europees Openbaar Ministerie (EOM), zoals bedoeld in artikel 48 van deze verordening; |
|
x) |
neemt alle besluiten in verband met het opzetten, en zo nodig wijzigen, van de interne structuren van het agentschap, rekening houdend met de activiteitenbehoeften van het agentschap en met het oog op een gezond begrotingsbeheer; |
|
y) |
stelt werkafspraken vast overeenkomstig artikel 53. |
2. De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een besluit dat is gebaseerd op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de uitvoerend directeur en de voorwaarden vastlegt voor de opschorting van deze gedelegeerde bevoegdheden. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheden verder delegeren.
Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die de uitvoerend directeur verder heeft gedelegeerd, schorsen en deze bevoegdheden zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.
Artikel 25
Voorzitter van de raad van bestuur
1. De raad van bestuur kiest uit zijn stemgerechtigde leden een voorzitter en een vicevoorzitter. De voorzitter en vicevoorzitter worden door de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur met een tweederdemeerderheid gekozen.
2. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze niet in staat is zijn of haar taken te verrichten.
3. De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitter bedraagt vier jaar. Hun ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd. Indien hun lidmaatschap van de raad van bestuur echter eindigt tijdens hun ambtstermijn, loopt hun ambtstermijn automatisch af op dezelfde datum als die waarop dat lidmaatschap eindigt.
4. De gedetailleerde procedure voor de verkiezing van de voorzitter en de vicevoorzitter wordt uiteengezet in het reglement van orde van de raad van bestuur.
Artikel 26
Vergaderingen van de raad van bestuur
1. De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.
2. De uitvoerend directeur neemt deel aan de beraadslagingen van de raad van bestuur.
3. De raad van bestuur houdt ten minste één gewone vergadering per jaar. Daarnaast komt de raad bijeen op initiatief van de voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden.
4. De raad van bestuur kan eenieder van wie het advies dienstig kan zijn, met inbegrip van vertegenwoordigers van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen.
5. De leden van de raad van bestuur kunnen zich overeenkomstig de bepalingen van het reglement van orde tijdens de vergaderingen laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.
6. Het agentschap vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.
Artikel 27
Stemprocedure in de raad van bestuur
1. Onverminderd artikel 24, lid 1, punten c) en d), artikel 25, lid 1, artikel 29, lid 8, artikel 35, lid 6, en artikel 53, lid 2, neemt de raad van bestuur besluiten bij meerderheid van zijn stemgerechtigde leden.
2. Ieder stemgerechtigd lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid heeft zijn of haar plaatsvervanger stemrecht.
3. De voorzitter en vicevoorzitter nemen deel aan de stemming.
4. De uitvoerend directeur neemt niet deel aan de stemming.
5. In het reglement van orde van de raad van bestuur wordt de stemprocedure nader uitgewerkt, met name wat betreft de gevallen waarin een lid mag handelen namens een ander lid.
Artikel 28
Uitvoerende raad
1. De uitvoerende raad:
|
a) |
neemt besluiten over de aangelegenheden waarin de krachtens artikel 42 vastgestelde financiële regeling voorziet en die door deze verordening niet aan de raad van bestuur zijn voorbehouden; |
|
b) |
zorgt voor passende follow-up van de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit interne of externe auditverslagen en evaluaties, en uit de onderzoeken van OLAF en van het EOM, zoals bedoeld in artikel 48; |
|
c) |
monitort en superviseert de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur teneinde het toezicht op het administratief en begrotingsbeheer te versterken, onverminderd de in artikel 30 vastgelegde verantwoordelijkheden van de uitvoerend directeur. |
2. Indien dat in dringende gevallen noodzakelijk is, kan de uitvoerende raad in plaats van de raad van bestuur bepaalde voorlopige besluiten nemen, in het bijzonder met betrekking tot aangelegenheden van administratief beheer, met inbegrip van de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag en begrotingsaangelegenheden. De voorwaarden voor het nemen van dergelijke voorlopige besluiten worden vastgelegd in het reglement van orde van de raad van bestuur.
3. De uitvoerende raad bestaat uit de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van bestuur, twee andere door de raad van bestuur uit zijn stemgerechtigde leden benoemde leden en de twee vertegenwoordigers van de Commissie in de raad van bestuur.
De voorzitter van de raad van bestuur is ook de voorzitter van de uitvoerende raad.
De uitvoerend directeur neemt als waarnemer deel aan de vergaderingen van de uitvoerende raad. De uitvoerende raad mag waarnemers op zijn vergaderingen uitnodigen.
4. De ambtstermijn van de leden van de uitvoerende raad bedraagt vier jaar. Hun ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd. Indien hun lidmaatschap van de raad van bestuur echter eindigt tijdens hun ambtstermijn, loopt hun ambtstermijn in de uitvoerende raad automatisch af op dezelfde datum als die waarop dat lidmaatschap eindigt.
5. De uitvoerende raad houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de uitvoerende raad bijeen op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van zijn leden.
6. De uitvoerende raad neemt besluiten bij consensus tussen zijn leden. Indien de uitvoerende raad niet bij consensus tot een besluit kan komen, wordt de zaak voorgelegd aan de raad van bestuur.
7. De raad van bestuur stelt het reglement van orde van de uitvoerende raad vast.
Artikel 29
Uitvoerend directeur
1. De uitvoerend directeur wordt in dienst genomen als tijdelijke functionaris van het agentschap overeenkomstig artikel 2, punt a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
2. De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur uit een lijst van ten minste drie kandidaten die door de Commissie worden voorgesteld op basis van een open en transparante selectieprocedure. De selectieprocedure omvat de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie en in andere geschikte media. De Commissie raadpleegt de raad van bestuur over de ontwerpoproep tot het indienen van blijken van belangstelling. De Commissie kan een vertegenwoordiger van de raad van bestuur als waarnemer bij de selectieprocedure betrekken.
Vóór de benoeming door de raad van bestuur voor het ambt van uitvoerend directeur kunnen de door de Commissie op de shortlist geplaatste kandidaten worden verzocht onverwijld een verklaring voor de bevoegde commissie of commissies van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. Nadat het Europees Parlement de verklaring en de antwoorden op de vragen heeft gehoord, kan het in een advies zijn oordeel uitspreken en dat advies aan de raad van bestuur voorleggen.
3. Voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de uitvoerend directeur wordt het agentschap vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur.
4. De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van deze termijn voert de Commissie een beoordeling uit waarbij rekening wordt gehouden met een evaluatie van de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten, inclusief de eerdere inbreng van de raad van bestuur, en met de toekomstige taken en uitdagingen van het agentschap.
5. Op grond van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in lid 4 bedoelde beoordeling, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar.
De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de uitvoerend directeur te verlengen. Voordat de raad van bestuur besluit de ambtstermijn van de uitvoerend directeur te verlengen, kan de uitvoerend directeur worden verzocht onverwijld voor de bevoegde commissie of commissies van het Europees Parlement een verklaring af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.
6. Een uitvoerend directeur van wie de ambtstermijn is verlengd, kan na afloop van de volledige termijn niet deelnemen aan een nieuwe selectieprocedure voor hetzelfde ambt.
7. De uitvoerend directeur kan uitsluitend uit zijn of haar ambt worden ontzet bij besluit van de raad van bestuur, op voorstel van de Commissie. Het Europees Parlement en de Raad worden, op een wijze die strookt met de toepasselijke vertrouwelijkheidsvereisten, in kennis gesteld van de redenen voor een dergelijk besluit.
8. De raad van bestuur neemt de besluiten over de benoeming van de uitvoerend directeur, de verlenging van zijn of haar ambtstermijn en de ontzetting uit zijn of haar ambt met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.
Artikel 30
Verantwoordelijkheden van de uitvoerend directeur
1. De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor het bestuur van het agentschap. De uitvoerend directeur legt verantwoording af aan de raad van bestuur.
2. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie, de raad van bestuur en de uitvoerende raad, voert de uitvoerend directeur zijn of haar taken op onafhankelijke wijze uit zonder instructies te vragen aan of te aanvaarden van regeringen of andere organen.
3. De uitvoerend directeur brengt op verzoek verslag uit aan het Europees Parlement over de uitvoering van zijn of haar taken. De Raad kan de uitvoerend directeur verzoeken verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn of haar taken.
4. De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het agentschap.
5. De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de in artikel 5 genoemde specifieke taken van het agentschap. De uitvoerend directeur is in het bijzonder belast met de volgende taken:
|
a) |
dagelijkse leiding van het agentschap; |
|
b) |
opstellen en uitvoeren van de door de raad van bestuur aangenomen besluiten; |
|
c) |
opstellen van het in artikel 36 bedoelde enig programmeringsdocument en indienen ervan bij de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie; |
|
d) |
uitvoeren van het enig programmeringsdocument en rapporteren daarover aan de raad van bestuur; |
|
e) |
opstellen van het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag van het agentschap en ter beoordeling en goedkeuring indienen daarvan bij de raad van bestuur; |
|
f) |
voorstellen aan de raad van bestuur van het in artikel 33, lid 5, bedoelde niveau van medefinanciering, indien er aan de nationale knooppunten dergelijke medefinanciering moet worden verleend; |
|
g) |
voorstellen aan de raad van bestuur, van de methode voor het berekenen van de vergoedingen en de manier waarop de vergoedingen worden betaald overeenkomstig artikel 38; |
|
h) |
opstellen van een actieplan voor de follow-up van de conclusies van interne of externe auditverslagen en evaluaties, alsook van onderzoeken van OLAF en van het EOM, zoals bedoeld in artikel 48, en twee keer per jaar verslag uitbrengen aan de Commissie en op regelmatige tijdstippen aan de raad van bestuur en de uitvoerende raad over de geboekte vooruitgang; |
|
i) |
beschermen van de financiële belangen van de Unie door, zonder afbreuk te doen aan de onderzoeksbevoegdheid van OLAF en het EOM, preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere illegale activiteiten te nemen, doeltreffende controles uit te voeren en bij onregelmatigheden de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen en in voorkomend geval doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties op te leggen en door aan het EOM overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/1939 elke strafbare gedraging te melden ten aanzien waarvan het zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen; |
|
j) |
ontwikkelen van een fraudebestrijdingsstrategie en strategieën voor efficiëntiewinsten en synergieën voor het agentschap en ter goedkeuring voorleggen daarvan aan de raad van bestuur; |
|
k) |
opstellen van het ontwerp van de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap; |
|
l) |
opstellen van de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap en uitvoeren van de begroting van het agentschap. |
6. De uitvoerend directeur kan besluiten een of meer verbindingsfunctionarissen af te vaardigen naar de instellingen van de Unie en de bevoegde organen en instanties van de Unie om de taken van het agentschap op efficiënte en doeltreffende wijze uit te voeren. De uitvoerend directeur verkrijgt daarvoor vooraf toestemming van de Commissie en de raad van bestuur. In besluiten tot het afvaardigen van verbindingsfunctionarissen wordt de reikwijdte van de activiteiten die door de verbindingsfunctionarissen moeten worden verricht aldus gespecificeerd dat onnodige kosten en overlapping van de administratieve functies van het agentschap worden voorkomen.
7. Op verzoek van het Europees Parlement of de Raad neemt de uitvoerend directeur zonder onnodige vertraging deel aan, naargelang het geval, door het Europees Parlement of de Raad georganiseerde vergaderingen over elk onderwerp dat verband houdt met het mandaat van het agentschap.
Artikel 31
Wetenschappelijk comité
1. Het wetenschappelijk comité wordt samengesteld uit minimaal 7 en maximaal 15 wetenschappers die, na de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie en in andere geschikte media, op grond van hun wetenschappelijke excellentie en hun onafhankelijkheid door de raad van bestuur worden benoemd. Het agentschap stelt de bevoegde commissie of commissies van het Europees Parlement in kennis van de benoemingen in het wetenschappelijk comité en van zijn werkzaamheden. De procedure voor de selectie van de leden van het wetenschappelijk comité waarborgt dat de specialisaties van de leden van het wetenschappelijk comité de meest relevante terreinen bestrijken die verband houden met de doelstellingen van het agentschap. De partijen die betrokken zijn bij de benoeming van leden van het wetenschappelijk comité streven naar een genderevenwichtige vertegenwoordiging in het wetenschappelijk comité.
2. De leden van het wetenschappelijk comité worden op persoonlijke titel benoemd voor een periode van vier jaar, die eenmaal kan worden verlengd.
3. De leden van het wetenschappelijk comité zijn onafhankelijk en handelen in het algemeen belang. Zij vragen noch aanvaarden instructies van regeringen of andere organen.
4. Indien een lid niet langer aan de criteria van onafhankelijkheid voldoet, stelt hij of zij de raad van bestuur daarvan in kennis. Bij wijze van alternatief kan de raad van bestuur op voorstel van ten minste een derde van zijn leden of van de Commissie vaststellen dat een lid niet onafhankelijk is en de benoeming van dat lid intrekken. De raad van bestuur benoemt voor de resterende duur van de ambtstermijn van dat lid een nieuw lid, volgens de gewone procedure voor de benoeming van leden.
5. Het wetenschappelijk comité brengt advies uit wanneer deze verordening daarin voorziet of over elke wetenschappelijke aangelegenheid met betrekking tot de activiteiten van het agentschap die de raad van bestuur of de uitvoerend directeur aan het comité kan voorleggen. De adviezen van het wetenschappelijk comité worden gepubliceerd op de website van het agentschap.
6. Ter beoordeling van de risico’s van een nieuwe psychoactieve stof of een groep nieuwe psychoactieve stoffen kan het wetenschappelijk comité, indien de uitvoerend directeur dit op advies van de voorzitter van het wetenschappelijk comité noodzakelijk acht, worden uitgebreid met deskundigen uit wetenschappelijke disciplines die relevant zijn voor een evenwichtige beoordeling van de risico’s van de nieuwe psychoactieve stof of de groep nieuwe psychoactieve stoffen. De uitvoerend directeur wijst deze deskundigen aan op basis van een lijst van deskundigen. De raad van bestuur keurt de lijst van deskundigen om de vier jaar goed.
7. Het wetenschappelijk comité kiest voor de duur van het mandaat van het wetenschappelijk comité een voorzitter en een vicevoorzitter. De voorzitter kan als waarnemer deelnemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.
8. Het wetenschappelijk comité komt ten minste eenmaal per jaar bijeen.
9. De lijst van de leden van het wetenschappelijk comité wordt door het agentschap gepubliceerd en bijgewerkt op zijn website.
Artikel 32
Het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving
1. Via het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (het “Reitox-netwerk”) dragen de lidstaten bij aan de taak van het agentschap om in de gehele Unie consistente en gestandaardiseerde informatie over de drugsproblematiek te verzamelen en te verstrekken. Het Reitox-netwerk bestaat uit de overeenkomstig artikel 33 aangewezen nationale knooppunten en een knooppunt voor de Commissie.
2. Het Reitox-netwerk kiest uit zijn leden een woordvoerder en een tot drie plaatsvervangende woordvoerders. De woordvoerder vertegenwoordigt het Reitox-netwerk bij het agentschap en mag als waarnemer deelnemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.
3. Het Reitox-netwerk houdt ten minste één gewone vergadering per jaar. De vergaderingen worden bijeengeroepen en voorgezeten door het agentschap. Daarnaast komt het netwerk bijeen op initiatief van zijn woordvoerder of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden.
Artikel 33
Nationaal knooppunt
1. Elk deelnemend land wijst door middel van geschikte nationale wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen één nationaal knooppunt aan, dat een permanent karakter en een duidelijk mandaat heeft. De aanwijzing van een nationaal knooppunt en de benoeming van het hoofd ervan, alsmede eventuele wijzigingen met betrekking tot die aanstellingen, worden via het nationale lid van de raad van bestuur aan het agentschap meegedeeld.
2. De verantwoordelijke nationale autoriteit zorgt ervoor dat het nationale knooppunt wordt belast met de in artikel 34, lid 2, bedoelde taken. Het hoofd van het nationale knooppunt of zijn of haar plaatsvervanger vertegenwoordigt het nationale knooppunt in het Reitox-netwerk.
3. Nationale knooppunten zijn wetenschappelijk gezien onafhankelijk en waarborgen de kwaliteit van hun gegevens.
4. Nationale knooppunten plannen hun activiteiten vooraf en beschikken, om hun mandaat en hun taken vastgesteld in artikel 34, lid 2, te vervullen, over toereikende budgettaire en personele middelen die worden toegewezen uit de nationale begroting en overeenkomstig lid 5 van dit artikel worden medegefinancierd door het agentschap, alsook over geschikte uitrusting en faciliteiten om hun dagelijkse activiteiten te ondersteunen.
5. De kernkosten van het nationale knooppunt van elke lidstaat worden medegefinancierd door middel van een subsidie door het agentschap, mits het voldoet aan de voorwaarden van de leden 1 tot en met 4. Met het oog op het ontvangen van die medefinanciering sluit het nationale knooppunt op jaarbasis een subsidieovereenkomst met het agentschap. Het niveau van de medefinanciering wordt voorgesteld door de uitvoerend directeur, goedgekeurd door de raad van bestuur en regelmatig bijgesteld. Het agentschap kan op ad-hocbasis aanvullende financiering aan het nationale knooppunt verstrekken voor de deelname aan en de uitvoering van specifieke projecten.
6. Het agentschap beoordeelt de nationale knooppunten overeenkomstig artikel 35.
Artikel 34
Taken van de nationale knooppunten
1. De nationale knooppunten vormen de schakel, en ondersteunen de interactie, tussen de deelnemende landen en het agentschap.
2. Teneinde het agentschap te ondersteunen bij het verwezenlijken van zijn in artikel 4 omschreven algemene taak en zijn in artikel 5 omschreven specifieke taken, en aldus bij te dragen tot een gecoördineerd optreden van de Unie, voert elk nationaal knooppunt de volgende taken uit:
|
a) |
op nationaal niveau de activiteiten coördineren die verband houden met het verzamelen en monitoren van drugsgerelateerde gegevens om deze aan het agentschap mee te delen; |
|
b) |
relevante nationale gegevens en informatie verzamelen op de in artikel 4 bedoelde gebieden, overeenkomstig het in artikel 6, lid 2, bedoelde nationale rapportagepakket, en het toezenden ervan aan het agentschap; daarbij bundelt het nationale knooppunt ervaringen uit verschillende sectoren — met name op het terrein van gezondheid, justitie en rechtshandhaving — en werkt het waar nodig samen met deskundigen en nationale organisaties, de wetenschappelijke wereld, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en andere belanghebbenden die actief zijn op het gebied van het drugsbeleid; |
|
c) |
bijdragen aan het monitoren van drugs en drugsgebruik en aan het rapporteren daarover, ook aan internationale organisaties; |
|
d) |
waar nodig de ontwikkeling van nieuwe epidemiologische gegevensbronnen ondersteunen om de tijdige rapportage over trends in het middelengebruik te bevorderen; |
|
e) |
ad-hoc- en gerichte gegevensverzameling in verband met nieuwe bedreigingen voor de gezondheid en de veiligheid ondersteunen; |
|
f) |
aan het agentschap informatie verstrekken over nieuwe trends en uitdagingen inzake het gebruik van bestaande psychoactieve stoffen of van nieuwe combinaties van psychoactieve stoffen die een potentieel risico voor de gezondheid vormen, en over mogelijke gezondheidsmaatregelen; |
|
g) |
bijdragen aan de uitwisseling van informatie over nieuwe psychoactieve stoffen en aan het systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor nieuwe psychoactieve stoffen, overeenkomstig hoofdstuk III; |
|
h) |
meewerken aan de vaststelling van relevante indicatoren en andere relevante gegevensreeksen, met inbegrip van richtsnoeren voor de toepassing ervan, teneinde betrouwbare en vergelijkbare informatie op het niveau van de Unie te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6; |
|
i) |
op verzoek van het agentschap nationale deskundigen aanwijzen voor specifieke besprekingen over relevante indicatoren en voor andere ad-hoc- en gerichte gegevensverzameling; |
|
j) |
het gebruik bevorderen van de internationaal overeengekomen protocollen en normen voor gegevensverzameling teneinde drugs en drugsgebruik in het land te monitoren; |
|
k) |
bij het agentschap en bij andere belanghebbenden een jaarlijks verslag over zijn activiteiten indienen; |
|
l) |
kwaliteitsborgingsmechanismen toepassen om te waarborgen dat de gegevens en informatie die het verkrijgt, betrouwbaar zijn. |
3. Afhankelijk van hun capaciteit monitoren, analyseren en interpreteren de nationale knooppunten relevante informatie op de in artikel 4 bedoelde gebieden. De nationale knooppunten verstrekken die informatie en informatie over het beleid en de toegepaste oplossingen aan het agentschap.
4. Teneinde de informatie te verzamelen die zij nodig hebben om hun taken uit hoofde van lid 2 uit te voeren, zetten de nationale knooppunten de daartoe noodzakelijke samenwerking op met de betrokken nationale en regionale autoriteiten, organen, agentschappen en organisaties en handhaven zij deze.
5. Bij het verzamelen van gegevens overeenkomstig dit artikel zorgen de nationale knooppunten er waar mogelijk voor dat de verzamelde gegevens worden uitgesplitst naar geslacht of gender. Bij het verzamelen en presenteren van gegevens overeenkomstig dit artikel houden de nationale knooppunten rekening met de gendergevoelige aspecten van het drugsbeleid. De nationale knooppunten geven geen gegevens door aan de hand waarvan personen of kleine groepen personen kunnen worden geïdentificeerd. Zij geven geen informatie door over specifieke personen.
Artikel 35
Beoordeling van de nationale knooppunten
1. Het agentschap beoordeelt of elk nationaal knooppunt, door de in artikel 34, lid 2, genoemde taken te verrichten, bijdraagt tot het verwezenlijken van de taken van het agentschap. Die beoordeling mag geen betrekking hebben op andere functies van het orgaan waaronder het nationale knooppunt valt, noch op de algemene structuur waarin het nationale knooppunt is ingebed.
2. De in lid 1 bedoelde beoordeling is gebaseerd op relevante informatie die het nationale knooppunt verstrekt. Indien nodig kan het agentschap een bezoek brengen aan het nationale knooppunt.
3. Het agentschap legt elke beoordeling die het op grond van lid 1 verricht, voor aan het nationale knooppunt en de nationale bevoegde autoriteit in kwestie. Beoordelingen kunnen aanbevelingen bevatten om de in artikel 34, lid 2, omschreven taken te vervullen, een uitvoeringstermijn daarvoor vaststellen en steun aanbieden vanuit het agentschap aan het nationale knooppunt met het oog op capaciteitsopbouw.
4. Indien op grond van lid 3 aanbevelingen zijn gedaan en daarvoor een uitvoeringstermijn is gesteld, stelt het betrokken nationale knooppunt ofwel het agentschap in kennis van de aanvaarding van die aanbevelingen ofwel, indien het het oneens is met die aanbevelingen, deelt het aan het agentschap schriftelijk de redenen daarvoor mee.
5. Het agentschap stelt de raad van bestuur tijdens zijn eerste vergadering na de voltooiing van de krachtens lid 1 verrichte beoordelingen in kennis van het resultaat van de beoordelingen door het agentschap. Bij meningsverschil tussen het agentschap en het nationale knooppunt als bedoeld in lid 4 van dit artikel, legt het agentschap de beoordeling, de aanbevelingen en de uitvoeringstermijn daarvoor tijdens de volgende vergadering van de raad van bestuur ter stemming voor, waarbij voor goedkeuring een meerderheid van de overeenkomstig artikel 23 stemgerechtigde leden vereist is. De vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat neemt niet deel aan die stemming.
6. Indien het nationaal knooppunt de in artikel 34, lid 2, bedoelde taken niet vervult binnen de termijn gesteld in een beoordeling als bedoeld in lid 1, neemt de raad van bestuur tijdens zijn eerste vergadering na die termijn met een tweederdemeerderheid van zijn overeenkomstig artikel 23 stemgerechtigde leden een besluit over de vraag of geen medefinanciering wordt verstrekt totdat het nationaal knooppunt de in artikel 34, lid 2, bedoelde taken heeft vervuld. De vertegenwoordiger van de betrokken lidstaat neemt niet deel aan die stemming.
7. De eerste beoordeling uit hoofde van lid 1 van elk nationaal knooppunt wordt uiterlijk op 3 juli 2026 door het agentschap verricht. Daarna beoordeelt het agentschap de nationale knooppunten met regelmatige tussenpozen, afhankelijk van de noodzaak.
HOOFDSTUK VI
Financiële bepalingen
Artikel 36
Enig programmeringsdocument
1. Uiterlijk op 15 december van elk jaar neemt de raad van bestuur, op basis van een ontwerptekst die door de uitvoerend directeur is opgesteld en na raadpleging van het wetenschappelijk comité en met inachtneming van het advies van de Commissie, en — wat de meerjarige programmering betreft — na raadpleging van het Europees Parlement, een ontwerp van enig programmeringsdocument aan dat de meerjarige en de jaarlijkse programmering bevat, alsmede alle in artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie (30) genoemde documenten. Indien de raad van bestuur besluit af te wijken van bepaalde delen van het advies van de Commissie of elementen die voortvloeien uit de raadpleging van het Europees Parlement of het wetenschappelijk comité, motiveert hij dit. De raad van bestuur zendt het enig programmeringsdocument uiterlijk op 31 januari van het volgende jaar toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Het enig programmeringsdocument wordt definitief nadat de algemene begroting van de Unie definitief is vastgesteld en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast.
2. Het jaarlijkse werkprogramma bevat gedetailleerde doelstellingen en beoogde resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het bevat voorts een beschrijving van de te financieren acties en een indicatie van de financiële en personele middelen die aan elke actie worden toegewezen overeenkomstig de beginselen betreffende activiteitsgestuurd begroten en beheren. Het jaarlijkse werkprogramma is in overeenstemming met het in lid 4 bedoelde meerjarige werkprogramma. In het jaarlijkse werkprogramma worden de taken die in vergelijking met het vorige begrotingsjaar zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt duidelijk vermeld.
De meerjarige of jaarlijkse programmering bevat informatie over de uitvoering van het in artikel 20, lid 1, punt a), bedoelde kader voor internationale samenwerking en de acties in verband met dat kader. De programmering bevat ook de geplande onderzoeks- en innovatieactiviteiten van het agentschap bedoeld in artikel 21.
3. De raad van bestuur past het vastgestelde jaarlijkse werkprogramma aan wanneer het agentschap een nieuwe taak krijgt toegewezen.
Elke wezenlijke wijziging van het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld volgens dezelfde procedure als die welke voor het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma geldt. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-wezenlijke wijzigingen door te voeren in het jaarlijkse werkprogramma.
4. Het meerjarige werkprogramma bevat een beschrijving van de algemene strategische programmering, met inbegrip van doelstellingen, beoogde resultaten en prestatie-indicatoren. Het behelst ook de programmering van de middelen, met inbegrip van de meerjarige begroting en de personele middelen.
De programmering van de middelen wordt jaarlijks geactualiseerd. De strategische programmering wordt in voorkomend geval geactualiseerd, met name om rekening te houden met de resultaten van de in artikel 51 bedoelde evaluatie.
5. De meerjarige en de jaarlijkse werkprogramma’s worden opgesteld overeenkomstig artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715.
Artikel 37
Begroting
1. Voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, worden alle ontvangsten en uitgaven van het agentschap geraamd en vervolgens in de begroting van het agentschap opgenomen.
2. De begroting van het agentschap is in evenwicht wat betreft ontvangsten en uitgaven.
3. Onverminderd andere middelen, bestaan de ontvangsten van het agentschap uit:
|
a) |
een in de algemene begroting van de Unie opgenomen bijdrage van de Unie; |
|
b) |
eventuele vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten; |
|
c) |
de vergoedingen die zijn betaald voor overeenkomstig artikel 38 verleende diensten; |
|
d) |
eventuele financiële bijdragen van de in artikel 53 bedoelde organisaties en organen, en van de in artikel 54 bedoelde derde landen, en |
|
e) |
financiering van de Unie in indirect beheer of in de vorm van ad-hocsubsidies in overeenstemming met de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap en met de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid van de Unie. |
4. Het bedrag en de oorsprong van eventuele ontvangsten als bedoeld in lid 3, punten b) tot en met e), worden opgenomen in de jaarrekening van het agentschap en duidelijk omschreven in het in artikel 41, lid 3, bedoelde jaarverslag over het budgettair en financieel beheer van het agentschap.
5. De uitgaven van het agentschap omvatten de bezoldiging van het personeel, de uitgaven voor administratie en infrastructuur en de huishoudelijke uitgaven. De huishoudelijke uitgaven kunnen uitgaven ter ondersteuning van de nationale knooppunten als bedoeld in artikel 33, lid 5, omvatten.
Artikel 38
Vergoedingen
1. Het agentschap kan op verzoek de volgende aanvullende diensten verlenen:
|
a) |
opleiding op maat; |
|
b) |
bepaalde activiteiten ter ondersteuning van de lidstaten, wanneer deze activiteiten niet als prioritair zijn aangemerkt maar wel nuttig zouden kunnen zijn indien zij met nationale middelen worden ondersteund; |
|
c) |
programma’s voor capaciteitsopbouw in derde landen, waarvoor er geen afzonderlijke specifieke financiering van de Unie bestaat; |
|
d) |
de beoordeling van nationale organen in derde landen, met name kandidaat-lidstaten, overeenkomstig artikel 20, lid 3; |
|
e) |
andere diensten op maat die op verzoek van een deelnemend land worden verleend en waarvoor aanvullende middelen moeten worden ingezet ter ondersteuning van nationale activiteiten. Het agentschap vraagt een vergoeding voor het verlenen van de in de eerste alinea bedoelde diensten. |
2. Op voorstel van de uitvoerend directeur en na raadpleging van de Commissie stelt de raad van bestuur op een transparante manier de methode vast voor het berekenen van de vergoedingen en de manier waarop de vergoedingen worden betaald.
3. De vergoedingen staan in verhouding tot de kosten van de verleende diensten, die op kosteneffectieve wijze worden verleend, en zijn toereikend om deze kosten te dekken. Bij de vaststelling van het niveau van de vergoedingen wordt ervoor gezorgd dat deze niet-discriminerend zijn en geen buitensporige financiële of administratieve lasten voor de belanghebbenden met zich meebrengen.
4. De vergoedingen worden op een zodanig niveau vastgesteld dat een tekort of een aanzienlijke accumulatie van overschotten in de begroting van het agentschap wordt vermeden. Indien er bij herhaling sprake is van een aanzienlijk begrotingsoverschot dat voortvloeit uit de verlening van de door vergoedingen gedekte diensten of indien er sprake is van een aanzienlijk begrotingstekort dat voortvloeit uit de verlening van de door vergoedingen gedekte diensten, herziet de raad van bestuur de methode voor het berekenen van de vergoedingen overeenkomstig de in lid 2 uiteengezette procedure.
5. In het kader van de in artikel 41 vastgelegde procedure voor de indiening van de rekeningen voegt het agentschap zo nodig een verslag bij over de geïnde vergoedingen en de gevolgen ervan voor zijn begroting.
Artikel 39
Vaststelling van de begroting
1. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar, met inbegrip van het personeelsformatieplan, en zendt deze toe aan de raad van bestuur.
2. Op basis van het in lid 1 bedoelde ontwerp stelt de raad van bestuur een voorlopige ontwerpraming vast van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar.
3. De voorlopige ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap wordt jaarlijks uiterlijk op 31 januari aan de Commissie toegezonden. De raad van bestuur zendt de Commissie uiterlijk op 31 maart de definitieve ontwerpraming toe.
4. De Commissie zendt de raming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap samen met het ontwerp van algemene begroting van de Unie toe aan de begrotingsautoriteit.
5. Op basis van de raming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie, en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) indient bij de begrotingsautoriteit.
6. De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage aan het agentschap goed.
7. De begrotingsautoriteit stelt het personeelsformatieplan voor het agentschap vast.
8. De raad van bestuur stelt de begroting van het agentschap vast met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden. De begroting wordt definitief nadat de algemene begroting van de Unie definitief is vastgesteld. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.
9. Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 is van toepassing op bouwprojecten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het agentschap.
Artikel 40
Uitvoering van de begroting
1. De uitvoerend directeur voert de begroting van het agentschap uit.
2. De uitvoerend directeur zendt de begrotingsautoriteit jaarlijks alle informatie toe die relevant is voor de in artikel 51 bedoelde evaluatieprocedures.
Artikel 41
Indiening van de rekeningen en kwijting
1. Uiterlijk op 1 maart van het volgende begrotingsjaar zendt de rekenplichtige van het agentschap de voorlopige rekeningen toe aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer.
2. Uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar zendt de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het agentschap die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, toe aan de Rekenkamer.
3. Uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar zendt het agentschap het verslag over het budgettair en financieel beheer toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer.
4. Op grond van artikel 246 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (31) maakt de uitvoerend directeur na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het agentschap, onder zijn of haar eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Agentschap op en legt hij of zij deze ter advies voor aan de raad van bestuur.
5. De uitvoerend directeur dient uiterlijk op 30 september een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. De uitvoerend directeur zendt dit antwoord tevens toe aan de raad van bestuur.
6. De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het agentschap.
7. Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op elk begrotingsjaar zendt de rekenplichtige de definitieve rekeningen en het advies van de raad van bestuur toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
8. Uiterlijk op 15 november van het volgende jaar worden de definitieve rekeningen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
9. De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar, overeenkomstig artikel 261, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046.
10. Vóór 15 mei van het jaar N+2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het jaar N.
Artikel 42
Financiële regels
De raad van bestuur stelt, na raadpleging van de Commissie, de financiële regels vast die van toepassing zijn op het agentschap. De financiële regels wijken niet af van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715, tenzij dit in verband met de werking van het agentschap specifiek vereist is en de Commissie vooraf toestemming daarvoor heeft verleend.
HOOFDSTUK VII
Personeel
Artikel 43
Algemene bepaling
1. Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de voorschriften die in onderling overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ter uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van het agentschap.
2. Indien het agentschap personeelsleden uit derde landen in dienst neemt na de sluiting van de in artikel 54 bedoelde overeenkomsten, voldoet het aan het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
Artikel 44
Gedetacheerde nationale deskundigen en andere personeelsleden
1. Het agentschap mag ook gebruikmaken van gedetacheerde nationale deskundigen of andere personeelsleden die niet in dienst zijn van het agentschap. Het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn niet van toepassing op gedetacheerde nationale deskundigen of andere personeelsleden die niet in dienst zijn van het agentschap.
2. Bij besluit van de raad van bestuur worden de voorschriften vastgesteld voor de detachering van nationale deskundigen bij het agentschap.
HOOFDSTUK VIII
Algemene en slotbepalingen
Artikel 45
Voorrechten en immuniteiten
Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat gehecht is aan het VEU en het VWEU, is van toepassing op het agentschap en zijn personeel.
Artikel 47
Transparantie
1. Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die in het bezit zijn van het agentschap.
2. Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door het agentschap (33).
3. De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering na 2 juli 2024 maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EU) 2018/1725 door het agentschap, waaronder maatregelen betreffende de benoeming van een functionaris voor gegevensbescherming van het agentschap. Die maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
Artikel 48
Fraudebestrijding
1. Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten is Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van toepassing op het agentschap.
2. Het agentschap treedt uiterlijk op 1 oktober 2023 toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door OLAF en stelt op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord passende voorschriften op voor al zijn werknemers.
3. De Rekenkamer is bevoegd om bij alle begunstigden van subsidies, contractanten en subcontractanten die van het agentschap middelen van de Unie hebben ontvangen, audits te verrichten, zowel op basis van documenten als ter plaatse.
4. OLAF en het EOM kunnen, binnen de grenzen van hun mandaat, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (34) onderzoeken verrichten, waaronder, wat OLAF betreft, controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidie of een door het agentschap gefinancierde overeenkomst.
5. Onverminderd de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, worden in werkafspraken en overeenkomsten met de in de artikelen 53 en 54 bedoelde internationale organisaties en derde landen en in overeenkomsten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het agentschap bepalingen opgenomen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen de in de leden 3 en 4 van dit artikel bedoelde audits en onderzoeken te verrichten in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden.
Artikel 49
Bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie
1. Het agentschap stelt beveiligingsvoorschriften vast die gelijkwaardig zijn aan de beveiligingsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde informatie van de Europese Unie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, als vermeld in de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en (EU, Euratom) 2015/444. De beveiligingsvoorschriften van het agentschap hebben onder andere betrekking op bepalingen voor de uitwisseling, verwerking en opslag van dergelijke informatie.
2. Alleen in het kader van administratieve regelingen mag het agentschap gerubriceerde informatie van de Europese Unie uitwisselen met de betrokken autoriteiten van een derde land of een internationale organisatie of gerubriceerde informatie van de Europese Unie delen met een ander orgaan of een andere instantie van de Unie. Voor administratieve regelingen is de toestemming van de raad van bestuur vereist, na raadpleging van de Commissie. Bij ontstentenis van een administratieve regeling is voor elke uitzonderlijke ad-hocvrijgave van gerubriceerde informatie van de Europese Unie aan een ander orgaan of een andere instantie van de Unie een besluit vereist van de uitvoerend directeur, na raadpleging van de Commissie.
Artikel 50
Aansprakelijkheid
1. De contractuele aansprakelijkheid van het agentschap wordt beheerst door de wet die op de betrokken overeenkomst van toepassing is.
2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om uitspraak te doen krachtens arbitrageclausules in de door het agentschap gesloten overeenkomsten.
3. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeel bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.
4. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.
5. Op de persoonlijke aansprakelijkheid van zijn personeelsleden jegens het agentschap zijn het Statuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, van toepassing.
Artikel 51
Evaluatie en toetsing
1. Uiterlijk op 3 juli 2029 en vervolgens om de vijf jaar beoordeelt de Commissie de prestaties van het agentschap in het licht van zijn doelstellingen, mandaat, taken en vestigingsplaats, conform de richtsnoeren van de Commissie. Die evaluaties richten zich met name op de vraag of het noodzakelijk is het mandaat van het agentschap te wijzigen, alsmede op de financiële implicaties van zulke wijzigingen. In haar eerste evaluatie besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen in het mandaat en de taken van het agentschap.
2. Bij elke tweede evaluatie beoordeelt de Commissie ook de door het agentschap bereikte resultaten in het licht van zijn doelstellingen, mandaat en taken, met inbegrip van de vraag of het voortbestaan van het agentschap gerechtvaardigd is gelet op die doelstellingen, dat mandaat en die taken.
3. De Commissie brengt aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur verslag uit over de resultaten van de evaluaties uit hoofde van dit artikel. De resultaten van de evaluaties worden openbaar gemaakt.
Artikel 52
Administratief onderzoek
Overeenkomstig artikel 228 VWEU zijn de activiteiten van het agentschap onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.
Artikel 53
Samenwerking met andere organisaties en organen
1. Het agentschap streeft actief naar samenwerking met internationale organisaties en andere organen, met name organen van de Unie, gouvernementele en niet-gouvernementele organen en technische organen die bevoegd zijn voor de onder deze verordening vallende aangelegenheden, in het kader van met die organen gemaakte werkafspraken, overeenkomstig het VWEU en de bepalingen inzake de bevoegdheid van die organen. Die werkafspraken hebben geen betrekking op de uitwisseling van gerubriceerde informatie.
2. De raad van bestuur stelt werkafspraken als bedoeld in lid 1 vast op basis van een door de uitvoerend directeur ingediend ontwerp en na voorafgaande goedkeuring door de Commissie. Indien de Commissie het niet eens is met die werkafspraken, keurt de raad van bestuur ze goed met een drievierdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.
3. De raad van bestuur stelt wijzigingen of veranderingen vast in bestaande werkafspraken die beperkt van opzet zijn en geen verandering brengen in de algemene werkingssfeer en het oogmerk van de werkafspraken, of stelt technische werkafspraken met andere technische instanties vast, op basis van een door de uitvoerend directeur ingediend ontwerp en na kennisgeving aan de Commissie.
4. Het agentschap publiceert de overeenkomstig dit artikel gemaakte werkafspraken op zijn website.
Artikel 54
Samenwerking met derde landen
1. Het agentschap staat open voor deelname aan zijn werkzaamheden door derde landen die met de Unie overeenkomsten in die zin hebben gesloten.
2. Krachtens de desbetreffende bepalingen van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten worden er regelingen uitgewerkt voor met name de aard, de omvang en de werkwijze van de deelname van de betrokken derde landen aan de werkzaamheden van het agentschap, met inbegrip van bepalingen betreffende de deelname aan initiatieven van het agentschap, de financiële bijdragen en het personeel.
Wat personeelszaken betreft, stroken de in de eerste alinea bedoelde regelingen met het Statuut.
Artikel 55
Samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld
1. Het agentschap onderhoudt met relevante organisaties uit het maatschappelijk middenveld die op nationaal, Unie- of internationaal niveau actief zijn op de door deze verordening bestreken gebieden een samenwerking met het oog op raadpleging, informatie-uitwisseling en bundeling van kennis via de betrokkenheid van die organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Daartoe wijst het agentschap één contactpunt aan dat onder het gezag van de uitvoerend directeur staat en ervoor zorgt dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld regelmatig worden geïnformeerd over de activiteiten van het agentschap, onder meer door een specifieke webpagina of andere relevante middelen te ontwikkelen. Het agentschap staat toe dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld gegevens en informatie indienen die relevant zijn voor zijn activiteiten.
2. Wanneer het agentschap specifieke onderwerpen behandelt, wisselt het, wanneer dit zinvol is, specifieke informatie over het betreffende onderwerp uit met organisaties uit het maatschappelijk middenveld die over relevante kwalificaties en ervaringen beschikken.
3. Organisaties uit het maatschappelijk middenveld als bedoeld in de leden 1 en 2 worden ingeschreven in het transparantieregister dat is opgericht bij het Interinstitutioneel Akkoord van 20 mei 2021 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over een verplicht transparantieregister (35). Het agentschap maakt de lijst van die organisaties uit het maatschappelijk middenveld openbaar.
Artikel 56
Zetelovereenkomst en operationele voorwaarden
1. De noodzakelijke regelingen betreffende de huisvesting van het agentschap in de lidstaat waar het agentschap zijn zetel heeft, de voorzieningen die die lidstaat moet treffen en de specifieke regels die in die lidstaat van toepassing zijn op de leden van de raad van bestuur, de personeelsleden van het agentschap — inclusief de uitvoerend directeur — en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een zetelovereenkomst tussen het agentschap en die lidstaat.
2. De lidstaat waar het agentschap zijn zetel heeft, biedt de gunstigst mogelijke voorwaarden opdat het agentschap soepel en efficiënt functioneert, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.
Artikel 57
Rechtsopvolging
1. Het agentschap is de rechtsopvolger voor alle door het EMCDDA gesloten overeenkomsten, aangegane verplichtingen en verworven eigendommen.
2. Deze verordening doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten en regelingen die vóór 2 juli 2024 zijn gesloten door het EMCDDA.
Artikel 58
Overgangsregelingen inzake de raad van bestuur
1. De raad van bestuur van het EMCDDA blijft werken en functioneren op basis van Verordening (EG) nr. 1920/2006 en de krachtens die verordening vastgestelde voorschriften, totdat alle vertegenwoordigers van de raad van bestuur zijn benoemd overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening.
2. Uiterlijk op 1 april 2024 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de namen van de personen die zij overeenkomstig artikel 23 tot lid van en tot plaatsvervanger in de raad van bestuur hebben benoemd.
3. De overeenkomstig artikel 23 ingestelde raad van bestuur houdt zijn eerste vergadering uiterlijk op 3 augustus 2024. Bij die gelegenheid kan de raad van bestuur zijn reglement van orde vaststellen.
Artikel 59
Overgangsbepalingen inzake de uitvoerend directeur
1. De directeur van het EMCDDA, die is benoemd op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1920/2006, vervult voor de resterende duur van zijn of haar ambtstermijn de taken van uitvoerend directeur als bedoeld in artikel 30 van de onderhavige verordening. De andere voorwaarden van zijn of haar overeenkomst blijven ongewijzigd.
Indien de ambtstermijn van de directeur van het EMCDDA eindigt tussen 1 juli 2023 en 2 juli 2024, en indien die ambtstermijn nog niet is verlengd op grond van Verordening (EG) nr. 1920/2006, wordt hij automatisch verlengd tot 3 juli 2025.
2. Indien de directeur die is benoemd op grond van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1920/2006 niet bereid of in staat is te handelen overeenkomstig lid 1 van dit artikel, wijst de raad van bestuur, in afwachting van de benoeming van de uitvoerend directeur in overeenstemming met artikel 29, lid 2, een uitvoerend directeur ad interim aan die de aan de uitvoerend directeur toegewezen taken uitvoert voor ten hoogste achttien maanden.
Artikel 60
Overgangsregelingen inzake de nationale knooppunten
Uiterlijk op 1 juni 2024 delen de leden van de raad van bestuur aan het agentschap de naam mee van de instellingen die overeenkomstig artikel 33, lid 1, als nationaal knooppunt zijn aangewezen, alsook de naam van de hoofden van de nationale knooppunten. Daartoe kunnen de leden van de raad van bestuur een e-mail sturen waarin wordt bevestigd dat de situatie ongewijzigd blijft.
Artikel 61
Overgangsbepalingen inzake de begroting
De kwijtingsprocedure met betrekking tot de begrotingen die zijn goedgekeurd op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1920/2006, wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij artikel 15 van die verordening vastgestelde voorschriften.
Artikel 62
Intrekking van Verordening (EG) nr. 1920/2006
1. Verordening (EG) nr. 1920/2006 wordt ingetrokken met ingang van 2 juli 2024. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.
2. De door de raad van bestuur op grond van Verordening (EG) nr. 1920/2006 vastgestelde interne voorschriften en maatregelen blijven van kracht na 2 juli 2024, tenzij de raad van bestuur bij de uitvoering van deze verordening anders bepaalt.
Artikel 63
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 2 juli 2024.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 juni 2023.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) PB C 323 van 26.8.2022, blz. 88.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 13 juni 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 juni 2023.
(3) Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot oprichting van een Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (PB L 36 van 12.2.1993, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1920/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53).
(6) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(7) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(8) PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(9) Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).
(10) Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).
(11) Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB L 335 van 11.11.2004, blz. 8).
(12) Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PB L 47 van 18.2.2004, blz. 1).
(13) Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren (PB L 22 van 26.1.2005, blz. 1).
(14) Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust), en tot vervanging en intrekking van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 138).
(15) Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1).
(16) Verordening (EU) 2015/2219 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving (Cepol) en tot vervanging en intrekking van Besluit 2005/681/JBZ van de Raad (PB L 319 van 4.12.2015, blz. 1).
(17) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van procedures van de Unie voor het verlenen van vergunningen en het toezicht met betrekking tot geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).
(18) Verordening (EG) nr. 851/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 1).
(19) Verordening (EU) 2019/127 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 tot oprichting van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad (PB L 30 van 31.1.2019, blz. 74).
(20) Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
(21) Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43).
(22) Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toepassing van goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 121 van 1.5.2001, blz. 34).
(23) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(24) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(25) Verordening (EU) 2022/2371 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2022 inzake ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen en tot intrekking van Besluit nr. 1082/2013/EU (PB L 314 van 6.12.2022, blz. 26).
(26) Besluit van de Commissie van 16 september 2021 tot oprichting van de Autoriteit voor paraatheid en respons inzake noodsituaties op gezondheidsgebied 2021/C 393 I/02 (PB C 393 I van 29.9.2021, blz. 3).
(27) PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
(28) Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20).
(29) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(30) Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1).
(31) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(32) Verordening nr. 1 van de Raad tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).
(33) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(34) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
BIJLAGE
Concordantietabel
|
Verordening (EG) nr. 1920/2006 |
Deze verordening |
|
Artikel 1, lid 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 8 |
Artikel 2 |
|
— |
Artikel 3 |
|
Artikel 1, lid 2 |
Artikel 4 |
|
Artikel 2 |
Artikel 5 |
|
Artikel 1, leden 3 en 5, artikel 2, punten a), b) en c) |
Artikel 6 |
|
Bijlage I |
Artikel 7 |
|
Artikelen 5 bis tot en met 5 quinquies |
Artikelen 8 tot en met 11 |
|
— |
Artikel 12 |
|
— |
Artikel 13 |
|
— |
Artikel 14 |
|
— |
Artikel 15 |
|
— |
Artikel 16 |
|
— |
Artikel 17 |
|
— |
Artikel 18 |
|
— |
Artikel 19 |
|
Artikel 2, punt d) |
Artikel 20 |
|
— |
Artikel 21 |
|
— |
Artikel 22 |
|
Artikel 9, lid 1 |
Artikel 23 |
|
— |
Artikel 24 |
|
Artikel 9, lid 2 |
Artikel 25 |
|
Artikel 9, lid 3 |
Artikel 26 |
|
Artikel 9, lid 1, derde alinea |
Artikel 27 |
|
Artikel 10 |
Artikel 28 |
|
Artikel 11 |
Artikelen 29 en 30 |
|
Artikel 13 |
Artikel 31 |
|
Artikel 5, lid 1 |
Artikel 32 |
|
Artikel 5, lid 3 |
Artikel 33 |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 34 |
|
— |
Artikel 35 |
|
Artikel 9, leden 4, 5 en 6 |
Artikel 36 |
|
Artikel 14, leden 1 tot en met 4 |
Artikel 37 |
|
— |
Artikel 38 |
|
Artikel 14, leden 5 tot en met 9 |
Artikel 39 |
|
Artikel 15, lid 1 |
Artikel 40 |
|
Artikel 15, leden 2 tot en met 9 |
Artikel 41 |
|
— |
Artikel 42 |
|
Artikel 18 |
Artikel 43 |
|
Artikel 18, vijfde alinea |
Artikel 44 |
|
Artikel 17 |
Artikel 45 |
|
— |
Artikel 46 |
|
Artikelen 6 en 7 |
Artikel 47 |
|
Artikel 16 |
Artikel 48 |
|
— |
Artikel 49 |
|
Artikel 19 |
Artikel 50 |
|
Artikel 23 |
Artikel 51 |
|
— |
Artikel 52 |
|
Artikel 20 |
Artikel 53 |
|
Artikel 21 |
Artikel 54 |
|
— |
Artikel 55 |
|
— |
Artikel 56 |
|
— |
Artikel 57 |
|
— |
Artikel 58 |
|
— |
Artikel 59 |
|
— |
Artikel 60 |
|
— |
Artikel 61 |
|
Artikel 24 |
Artikel 62 |
|
Artikel 25 |
Artikel 63 |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/48 |
BESLUIT (EU) 2023/1323 VAN DE RAAD
van 27 juni 2023
betreffende de ondertekening, namens de Unie, van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1, artikel 100, lid 2, en artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 5,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 22 mei 2018 heeft de Raad de Commissie gemachtigd te onderhandelen over een vrijhandelsovereenkomst met Nieuw-Zeeland. |
|
(2) |
Op 30 juni 2022 zijn de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland (de “overeenkomst”) met succes afgerond. |
|
(3) |
De overeenkomst moet worden ondertekend, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Er wordt machtiging verleend voor de ondertekening, namens de Unie, van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Nieuw-Zeeland (de “overeenkomst”), onder voorbehoud van de sluiting van die overeenkomst (1).
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.
Gedaan te Luxemburg, 27 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) De tekst van de overeenkomst wordt tezamen met het besluit betreffende de sluiting ervan bekendgemaakt.
VERORDENINGEN
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/50 |
VERORDENING (EU) 2023/1324 VAN DE RAAD
van 29 juni 2023
tot wijziging van Verordening (EU) 2022/109 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2023/194 tot vaststelling, voor 2023, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot vaststelling, voor 2023 en 2024, van dergelijke vangstmogelijkheden voor bepaalde diepzeevisbestanden
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EU) 2023/194 van de Raad (1) zijn voor 2023 voor bepaalde visbestanden de vangstmogelijkheden vastgesteld die in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn. De totale toegestane vangsten (total allowable catches — TAC’s) en de maatregelen die functioneel met de TAC’s verbonden zijn, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) 2023/194, moeten worden gewijzigd om rekening te houden met de bekendmaking van wetenschappelijk advies en met de uitkomst van het overleg met derde landen. |
|
(2) |
In afwachting van de bekendmaking van het wetenschappelijk advies van de ICES is in Verordening (EU) 2023/194 de TAC voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in de deelgebieden 9 en 10 van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (International Council for the Exploration of the Sea — ICES) en in de wateren van de Unie van sector 34.1.1 van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Committee for Eastern Central Atlantic Fisheries — Cecaf) voor de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024 vastgesteld op nul. Om de visserijactiviteiten te kunnen voortzetten tot de definitieve TAC voor dat bestand op basis van dat wetenschappelijk advies is vastgesteld, moet een voorlopige TAC van 4 564 ton voor de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 september 2023 worden vastgesteld. Dat niveau komt overeen met de vangsten van dat bestand in het derde kwartaal van 2022. |
|
(3) |
Op 12 mei 2023 hebben de Unie, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen overleg gepleegd over het niveau van de vangstmogelijkheden voor sprot (Sprattus sprattus) in ICES-deelgebied 4 en ICES-sector 3a voor de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024, en over het niveau van de TAC’s voor sprot voor die periode in de wateren van de Unie en het Verenigd Koninkrijk van ICES-deelgebied 4 en sector 2a en in de wateren van de Unie en Noorwegen van ICES-sector 3a. Dat overleg vond plaats op basis van het door de Raad op 4 mei 2023 bekrachtigde standpunt van de Unie. Die TAC’s moeten derhalve worden vastgesteld op de met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen overeengekomen niveaus. |
|
(4) |
Op 4 mei 2023 hebben de Unie en het Verenigd Koninkrijk overleg gepleegd over het niveau van de TAC voor sprot in de wateren van de Unie en het Verenigd Koninkrijk van de ICES-sectoren 7d en 7e voor de periode van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2024. Dat overleg werd gevoerd op grond van artikel 498, leden 2, 4 en 6, van de handels- en samenwerkingsovereenkomst (2) en op basis van het standpunt van de Unie dat op 27 april 2023 door de Raad is goedgekeurd. Het resultaat van dit overleg is gedocumenteerd in een schriftelijk verslag. Die TAC moet derhalve worden vastgesteld op het met het Verenigd Koninkrijk overeengekomen niveau. |
|
(5) |
Aangezien met betrekking tot verschillende bestanden, ofwel hun biomassa onder het grensreferentiepunt voor biomassa (“Blim”) ligt ofwel de ICES geen instandhoudingsreferentiepunten vaststelt maar een nulvangst of een schorsing van de gerichte visserij aanbeveelt, moet de jaarflexibiliteit op grond van de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (3) in 2023 worden verboden. |
|
(6) |
Voor verschillende voorwaarden met betrekking tot Noorse quota in het kader van de TAC’s die zijn opgenomen in deel B van bijlage IA bij Verordening (EU) 2023/194, waarin wordt bepaald in welke gebieden Noorwegen de voor Noorwegen beschikbare hoeveelheden mag bevissen, ontbreken codes of zijn de codes onjuist. Bijlage IA bij die verordening moet derhalve worden gewijzigd. |
|
(7) |
Krachtens de artikelen 15 en 17 van Verordening (EU) 2022/2056 van het Europees Parlement en de Raad (4) is het verboden om in het gebied dat onder het Verdrag inzake de instandhouding en het beheer van de over grote afstanden trekkende visbestanden in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan (WCPFC-Verdrag) valt, oceanische witpunthaaien (Carcharhinus longimanus) of zijdehaaien (Carcharhinus falciformis) geheel of in delen aan boord te houden, over te laden, op een vissersvaartuig op te slaan of aan te landen. Om overlapping tussen bepalingen over hetzelfde onderwerp te voorkomen, is het passend artikel 45 van Verordening (EU) 2023/194 te schrappen. |
|
(8) |
Op grond van verschillende aanbevelingen van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas - Iccat) kan de Unie op verzoek een percentage van haar ongebruikte quotum van bestanden in het Iccat-verdragsgebied, volgens de door de Iccat vastgestelde regels voor elk Iccat-bestand, van het voorlaatste of het voorgaande jaar naar een bepaald jaar overdragen. Bij Verordening (EU) 2022/109 van de Raad (5) en Verordening (EU) 2023/194 zijn respectievelijk voor 2022 en 2023 quota van de Unie voor Iccat-bestanden vastgesteld in overeenstemming met het resultaat van de Iccat-jaarvergaderingen in het voorgaande jaar, waarbij rekening is gehouden met de overdrachten van ongebruikte quota van de Unie, waar van toepassing. Het mag niet mogelijk zijn deze overdrachten te combineren met de overdrachten van quota uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 en het gebruik van dergelijke overdrachten moet daarom voor die periode worden verboden. |
|
(9) |
Vijf lidstaten hebben overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad (6) wijzigingen in hun kweekbeheersplannen aan de Commissie toegezonden. Op basis van die wijzigingen heeft de Commissie het gewijzigde kweekbeheersplan van de Unie voor 2023 op 9 mei 2023 aan het Iccat-secretariaat toegezonden en de Iccat heeft die wijzigingen aan dat kweekbeheersplan van de Unie op 11 mei 2023 bekendgemaakt. De maximale kweekhoeveelheid en -capaciteit van de Unie moeten derhalve in overeenstemming met die wijzigingen worden gewijzigd. |
|
(10) |
De Verordeningen (EU) 2023/194 en (EU) 2022/109 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
Om de visserijactiviteiten op 1 juli 2023 en daarna te kunnen voortzetten, moet deze verordening onverwijld in werking treden. |
|
(12) |
De bepalingen van deze verordening tot wijziging van een aantal bepalingen van Verordening (EU) 2023/194 moeten van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2023, in overeenstemming met de toepassingsperiode van die gewijzigde bepalingen. De bepalingen van deze verordening met betrekking tot de vangstmogelijkheden voor ansjovis en sprot, en de schrapping van artikel 45 van Verordening (EU) 2023/194 moeten met ingang van 1 juli 2023 van toepassing zijn. De bepalingen van deze verordening met betrekking tot de Iccat en de bepalingen tot wijziging van een aantal bepalingen van Verordening (EU) 2022/109 moeten van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2022, in overeenstemming met de toepassingsperiode van die gewijzigde bepalingen. Een dergelijke toepassing met terugwerkende kracht doet geen afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, ofwel aangezien de betrokken vangstmogelijkheden worden verhoogd door die wijzigingen, ofwel aangezien de betrokken hoeveelheden nog niet zijn overgedragen uit hoofde van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Verordening (EU) 2023/194
Verordening (EU) 2023/194 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
Artikel 45 wordt geschrapt. |
|
b) |
Bijlagen IA en ID worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
|
c) |
Bijlage VI wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. |
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EU) 2022/109
Bijlage ID bij Verordening (EU) 2022/109 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.
Artikel 3
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2023. Niettemin geldt het volgende:
|
a) |
artikel 2 is van toepassing met ingang van 1 januari 2022; |
|
b) |
artikel 1, punt a), is van toepassing met ingang van 1 juli 2023; |
|
c) |
in bijlage I is punt 1, subpunten a) en b), van toepassing met ingang van 1 juli 2023. |
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) Verordening (EU) 2023/194 van de Raad van 30 januari 2023 tot vaststelling, voor 2023, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot vaststelling, voor 2023 en 2024, van dergelijke vangstmogelijkheden voor bepaalde diepzeevisbestanden (PB L 28 van 31.1.2023, blz. 1).
(2) Handels- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10).
(3) Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).
(4) Verordening (EU) 2022/2056 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 tot vaststelling van de instandhoudings- en beheersmaatregelen die gelden in het verdragsgebied van de Commissie voor de visserij in het westelijke en centrale deel van de Stille Oceaan en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 520/2007 van de Raad (PB L 276 van 26.10.2022, blz. 1).
(5) Verordening (EU) 2022/109 van de Raad van 27 januari 2022 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 21 van 31.1.2022, blz. 1).
(6) Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 1).
BIJLAGE I
De bijlagen bij Verordening (EU) 2023/194 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
In bijlage IA:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
In bijlage ID wordt in de tabellen voor i) Noord-Atlantische witte tonijn (Thunnus alalunga) in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB; ii) Zuid-Atlantische witte tonijn in de Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5° NB; iii) grootoogtonijn (Thunnus obesus) in de Atlantische Oceaan; iv) zwaardvis (Xiphias gladius) in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB, en v) zwaardvis in de Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5° NB, het volgende ingevoegd: “Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.”. |
BIJLAGE II
In bijlage VI bij Verordening (EU) 2023/194 wordt punt 6 vervangen door:
|
“6. |
Maximale capaciteit voor het kweken en mesten van blauwvintonijn voor elke lidstaat, en maximale hoeveelheid in het wild gevangen blauwvintonijn die elke lidstaat over zijn kweek- en mestbedrijven in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee mag verdelen Tabel A
Tabel B
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
BIJLAGE III
In bijlage ID bij Verordening (EU) 2022/109 wordt in de tabellen voor i) Noord-Atlantische witte tonijn (Thunnus alalunga) in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB; ii) Zuid-Atlantische witte tonijn in de Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5° NB; iii) grootoogtonijn (Thunnus obesus) in de Atlantische Oceaan; iv) zwaardvis (Xiphias gladius) in de Atlantische Oceaan, ten noorden van 5° NB, en v) zwaardvis in de Atlantische Oceaan, ten zuiden van 5° NB, het volgende ingevoegd:
“Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.
Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.”.
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/58 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1325 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2023
tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (“Extremadura” (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Spanje overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 doorgestuurde aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde geografische aanduiding “Extremadura” onderzocht. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(3) |
Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(4) |
De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(5) |
De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Extremadura” (BGA) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2023.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Janusz WOJCIECHOWSKI
Lid van de Commissie
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/60 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1326 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2023
tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding (“Balaton/Balatoni” (BOB))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Hongarije overeenkomstig artikel 105 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 doorgestuurde aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde oorsprongsbenaming “Balaton/Balatoni” onderzocht. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 heeft de Commissie de aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(3) |
Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(4) |
De wijziging van het productdossier moet daarom worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(5) |
De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam “Balaton/Balatoni” (BOB) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2023.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Janusz WOJCIECHOWSKI
Lid van de Commissie
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/62 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1327 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2023
tot verlening van de in artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde bescherming aan de naam “Canelli” (BOB)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 99,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Commissie heeft de door Italië doorgestuurde aanvraag tot registratie van de naam “Canelli” overeenkomstig artikel 97, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 onderzocht en in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) bekendgemaakt. |
|
(2) |
Bij de Commissie zijn geen bezwaren ingediend op grond van artikel 98 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. |
|
(3) |
De naam “Canelli” moet overeenkomstig artikel 99 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden beschermd en moet worden ingeschreven in het in artikel 104 van die verordening bedoelde register. |
|
(4) |
De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De naam “Canelli” (BOB) wordt beschermd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2023.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Janusz WOJCIECHOWSKI
Lid van de Commissie
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/63 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1328 VAN DE COMMISSIE
van 28 juni 2023
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, punt b),
Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, punt a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld. |
|
(2) |
Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 juni 2023.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Wolfgang BURTSCHER
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).
BIJLAGE
“BIJLAGE I
|
GN-code |
Omschrijving |
Representatieve prijs (EUR/100 kg) |
In artikel 3 bedoelde zekerheid (EUR/100 kg) |
Oorsprong (1) |
|
0207 14 10 |
Delen zonder been, van pluimvee van de soort Gallus domesticus, bevroren |
243,3 |
17 |
BR |
(1) Nomenclatuur vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1470 van de Commissie van 12 oktober 2020 betreffende de nomenclatuur van landen en gebieden voor de Europese statistieken over internationale handel in goederen en betreffende de geografische uitsplitsing voor andere bedrijfsstatistieken (PB L 334 van 13.10.2020, blz. 2).
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/66 |
VERORDENING (EU) 2023/1329 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2023
tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het gebruik van polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) en van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie wat betreft de specificaties van glycerol (E 422), polyglycerolesters van vetzuren (E 475) en polyglycerolpolyricinoleaat (E 476)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name artikel 10, lid 3, en artikel 14,
Gezien Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (2), en met name artikel 7, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 is een EU-lijst van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en de gebruiksvoorwaarden ervan vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie (3) zijn de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 opgenomen levensmiddelenadditieven vastgesteld. |
|
(3) |
De EU-lijsten van levensmiddelenadditieven en de bijbehorende specificaties kunnen hetzij op initiatief van de Commissie, hetzij ingevolge een aanvraag worden bijgewerkt volgens de uniforme procedure van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1331/2008. |
|
(4) |
Glycerol (E 422), polyglycerolesters van vetzuren (E 475) en polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) zijn stoffen die zijn toegelaten overeenkomstig de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008. |
|
(5) |
Op 15 maart 2017 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een wetenschappelijk advies uitgebracht over de herbeoordeling van glycerol (E 422) als levensmiddelenadditief (4), waarin werd geconcludeerd dat er geen behoefte was aan een in cijfers uitgedrukte aanvaardbare dagelijkse inname en dat het levensmiddelenadditief bij de gerapporteerde toepassingen geen veiligheidsrisico vormde. De EFSA heeft aanbevolen een aantal specificaties van E 422 in Verordening (EU) nr. 231/2012 te wijzigen en aan de EFSA meer informatie over het gebruik en de gebruiksniveaus te verstrekken. |
|
(6) |
Op 23 november 2018 heeft de Commissie een openbare oproep tot het indienen van technische gegevens over het levensmiddelenadditief glycerol (E 422) gedaan om tegemoet te komen aan de door de EFSA vastgestelde gegevensbehoeften. |
|
(7) |
Na de indiening van de gegevens door belanghebbende bedrijfsexploitanten heeft de Commissie de EFSA verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen om te bevestigen dat de door de belanghebbende bedrijfsexploitanten verstrekte technische gegevens een wijziging van de specificaties van het levensmiddelenadditief glycerol (E 422) om die in overeenstemming te brengen met de huidige normen, zoals aanbevolen door de EFSA, voldoende ondersteunden. |
|
(8) |
In haar wetenschappelijk advies van 18 mei 2022 (5) heeft de EFSA geconcludeerd dat de huidige specificaties van glycerol (E 422) moesten worden aangepast, met name door de maximumwaarden voor toxische elementen (arseen, lood, kwik en cadmium) te verlagen, de identificatiemethode op basis van vorming van acroleïne bij verwarming te schrappen, de test op de aanwezigheid van acroleïne te schrappen, een maximumwaarde voor acroleïne op te nemen en de definitie van glycerol (E 422) te wijzigen. |
|
(9) |
Daarom moeten de specificaties van glycerol (E 422) worden gewijzigd. De definitie van het levensmiddelenadditief moet worden gewijzigd om die te beperken tot de productieprocessen waarvoor de EFSA gegevens heeft beoordeeld. De huidige maximumwaarden voor toxische elementen moeten overeenkomstig het wetenschappelijk advies van de EFSA worden verlaagd, rekening houdend met de niveaus die momenteel met goede productiepraktijken kunnen worden bereikt. De methode voor de identificatie van glycerol op basis van de vorming van acroleïne bij verwarming moet worden geschrapt, aangezien het glycerolgehalte in E 422 aan de hand van een geschikte analysemethode moet worden bepaald. De test op de aanwezigheid van acroleïne moet worden geschrapt en er moet een in cijfers uitgedrukte maximumwaarde voor acroleïne worden opgenomen overeenkomstig het wetenschappelijk advies van de EFSA en rekening houdend met het niveau dat momenteel met goede productiepraktijken kan worden bereikt. |
|
(10) |
Aangezien de EFSA geen onmiddellijk gezondheidsrisico in verband met de aanwezigheid van toxische elementen en acroleïne heeft vastgesteld, moet het gebruik van het levensmiddelenadditief glycerol (E 422) dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig in de handel is gebracht, gedurende een overgangsperiode worden toegestaan. |
|
(11) |
Om dezelfde redenen is het passend dat levensmiddelen die het levensmiddelenadditief glycerol (E 422) bevatten dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig in de handel is gebracht, gedurende een overgangsperiode verder in de handel mogen worden gebracht en in de handel mogen blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen. |
|
(12) |
Op 20 december 2017 heeft de EFSA een wetenschappelijk advies uitgebracht over de herbeoordeling van polyglycerolesters van vetzuren (E 475) als levensmiddelenadditief (6), waarin werd geconcludeerd dat er geen in cijfers uitgedrukte aanvaardbare dagelijkse inname nodig was en dat het levensmiddelenadditief bij de gerapporteerde toepassingen en gebruiksconcentraties geen veiligheidsrisico opleverde. De EFSA heeft een aantal wijzigingen van de specificaties van E 475 in Verordening (EU) nr. 231/2012 aanbevolen. |
|
(13) |
Op 23 november 2018 heeft de Commissie een openbare oproep tot het indienen van technische gegevens over het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) gedaan om tegemoet te komen aan de door de EFSA vastgestelde gegevensbehoeften. |
|
(14) |
Na de indiening van de gegevens door belanghebbende bedrijfsexploitanten heeft de Commissie de EFSA verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen om te bevestigen dat de door de belanghebbende bedrijfsexploitanten verstrekte technische gegevens een wijziging van de specificaties van het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) om die in overeenstemming te brengen met de huidige normen, zoals aanbevolen door de EFSA, afdoende ondersteunden. |
|
(15) |
In haar wetenschappelijk advies van 1 april 2022 (7) heeft de EFSA geconcludeerd dat de huidige specificaties van polyglycerolesters van vetzuren (E 475) moeten worden aangepast, met name door de maximumwaarden voor toxische elementen te verlagen, door maximumwaarden voor onzuiverheden en veiligheidsrisico’s op te nemen en door de definitie van polyglycerolesters van vetzuren (E 475) te wijzigen. |
|
(16) |
Daarom moeten de specificaties van polyglycerolesters van vetzuren (E 475) worden gewijzigd. De definitie van het levensmiddelenadditief moet worden gewijzigd om het gebruik van glycerol voor de productie van het levensmiddelenadditief te beperken tot glycerol dat voldoet aan de specificaties van het levensmiddelenadditief (E 422). De huidige maximumwaarden voor toxische elementen moeten worden verlaagd en de maximumwaarden voor de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en vetzuuresters van 3-MCPD (uitgedrukt als 3-MCPD), vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) en erucazuur moeten worden vastgesteld overeenkomstig het wetenschappelijk advies van de EFSA en rekening houdend met het niveau dat momenteel met goede productiepraktijken kan worden bereikt. |
|
(17) |
Aangezien nieuwe productietechnieken worden toegepast die leiden tot de productie van het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) met lagere gehalten aan vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol), moet de fabrikanten van levensmiddelenadditieven een overgangsperiode worden geboden om een maximumgehalte van 5 mg/kg voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) in het levensmiddelenadditief (E 475) te bereiken. Er moet echter een tijdelijk maximumgehalte van 10 mg/kg voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, aangezien vetzuuresters van glycidyl genotoxisch en kankerverwekkend zijn. |
|
(18) |
Aangezien de EFSA geen onmiddellijk gezondheidsprobleem heeft vastgesteld in verband met de aanwezigheid van toxische elementen, 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD), vetzuuresters van 3-MCPD, erucazuur en vetzuuresters van glycidyl, is het passend het gebruik van het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig in de handel is gebracht, gedurende een overgangsperiode toe te staan en toe te staan dat levensmiddelen die dergelijk levensmiddelenadditief bevatten, gedurende dezelfde overgangsperiode verder in de handel worden gebracht en in de handel blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen. |
|
(19) |
Om dezelfde redenen en gezien het verlaagde gehalte aan vetzuuresters van glycidyl moet het gebruik van het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) dat na de datum van inwerkingtreding van deze verordening legaal in de handel is gebracht en voldoet aan het verlaagde tijdelijke maximumgehalte voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) worden toegestaan tot de uitputting van de voorraden en moet worden toegestaan dat levensmiddelen die dergelijk levensmiddelenadditief bevatten, in de handel worden gebracht en in de handel blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen. |
|
(20) |
Op 24 maart 2017 heeft de EFSA een wetenschappelijk advies uitgebracht over de herbeoordeling van polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) als levensmiddelenadditief (8). De EFSA heeft geconcludeerd dat de gegevensreeks reden gaf om de aanvaardbare dagelijkse inname te verhogen tot 25 mg/kg lichaamsgewicht per dag. De EFSA heeft een aantal wijzigingen van de specificaties van E 476 in Verordening (EU) nr. 231/2012 aanbevolen. |
|
(21) |
Op 23 november 2018 heeft de Commissie een openbare oproep tot het indienen van technische gegevens over het levensmiddelenadditief polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) gedaan om tegemoet te komen aan de door de EFSA vastgestelde gegevensbehoeften. |
|
(22) |
Op 18 maart 2020 is een aanvraag ingediend voor de goedkeuring van het gebruik van polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) als emulgator in consumptie-ijs voor vet- en olie-emulsie van het type water-in-olie en geëmulgeerde sauzen met een vetgehalte van meer dan 20 %. Die aanvraag is vervolgens overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1331/2008 door de Commissie toegankelijk gemaakt voor de lidstaten. |
|
(23) |
Met polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) kunnen stabiele water-in-olie-emulsies met kleinere druppels worden geproduceerd die kunnen worden ingevroren om zacht, romig, consumptie-ijs te produceren waarvoor in het productieproces minder energie nodig is en dat een grotere stabiliteit heeft in de toeleveringsketen van ingevroren producten. Het maakt het gebruik van minder verzadigde vetten en oliën en lagere hoeveelheden suiker in consumptie-ijs mogelijk. Het gehalte aan polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) dat nodig is om de beoogde technologische functie te bereiken, is 4 000 mg/kg. |
|
(24) |
Polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) maakt ook een lager oliegehalte in geëmulgeerde sauzen mogelijk (bv. mayonaise of saladedressings) zonder het negatieve effect op het mondgevoel. Het momenteel toegestane maximumgehalte van 4 000 mg/kg is niet voldoende voor producten met een vetgehalte van meer dan 20 %. De hoeveelheid polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) die moet worden gebruikt om de beoogde technologische functie te bereiken in producten met een vetgehalte van meer dan 20 % bedraagt 8 000 mg/kg. |
|
(25) |
Na de indiening van de gegevens door belanghebbende bedrijfsexploitanten naar aanleiding van de openbare oproep tot het indienen van technische gegevens en de indiening van de aanvraag betreffende de uitbreiding van het gebruik van polyglycerolpolyricinoleaat (E 476), heeft de Commissie de EFSA verzocht een wetenschappelijk advies uit te brengen om te bevestigen dat de door de belanghebbende bedrijfsexploitanten verstrekte technische gegevens een wijziging van de specificaties van het levensmiddelenadditief polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) om die in overeenstemming te brengen met de huidige normen, zoals aanbevolen door de EFSA, voldoende ondersteunden. |
|
(26) |
In haar wetenschappelijk advies van 30 maart 2022 (9) heeft de EFSA geconcludeerd dat de voorgestelde uitbreiding van het gebruik geen veiligheidsrisico oplevert. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat de huidige specificaties van polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) moesten worden aangepast, met name door de maximumwaarden voor toxische elementen te verlagen, door maximumwaarden voor onzuiverheden die een veiligheidsrisico opleveren, op te nemen en door de definitie van polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) te wijzigen. |
|
(27) |
Het is daarom passend polyglycerolpolyricinolaat (E 476) in levensmiddelencategorie 03 “Consumptie-ijs” toe te laten tot een maximumgehalte van 4 000 mg/kg, de toegestane maximumwaarde in levensmiddelencategorie 12.6 “Sauzen” te verhogen tot 8 000 mg/kg voor geëmulgeerde sauzen met een vetgehalte van 20 % of meer en de specificaties ervan te wijzigen in het licht van het wetenschappelijk advies van de EFSA. De definitie van het levensmiddelenadditief moet worden gewijzigd om het gebruik van glycerol voor de productie van het levensmiddelenadditief te beperken tot glycerol dat voldoet aan de specificaties van het levensmiddelenadditief (E 422). De huidige maximumwaarden voor toxische elementen moeten worden verlaagd en de maximumwaarden voor de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en vetzuuresters van 3-MCPD (uitgedrukt als 3-MCPD) en vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) moeten worden vastgesteld overeenkomstig het wetenschappelijk advies van de EFSA en rekening houdend met het niveau dat momenteel met goede productiepraktijken kan worden bereikt. |
|
(28) |
Aangezien de EFSA geen onmiddellijk gezondheidsprobleem heeft vastgesteld in verband met de aanwezigheid van toxische elementen, 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD), vetzuuresters van 3-MCPD en vetzuuresters van glycidyl, moet het gebruik van het levensmiddelenadditief polyglycerolpolyricinolaat (E 476) dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig in de handel is gebracht, gedurende een overgangsperiode worden toegestaan. |
|
(29) |
Om dezelfde redenen is het passend dat levensmiddelen die het levensmiddelenadditief polyglycerolpolyricinolaat (E 476) bevatten dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig in de handel is gebracht, gedurende een overgangsperiode verder in de handel mogen worden gebracht en in de handel mogen blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen. |
|
(30) |
De Verordeningen (EG) nr. 1333/2008 en (EU) nr. 231/2012 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(31) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
Artikel 2
De bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Het levensmiddelenadditief glycerol (E 422) dat vóór 20 juli 2023 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor arseen, lood, kwik, cadmium of acroleïne die vanaf 20 juli 2023 van toepassing zijn, mag tot en met 20 januari 2024 aan levensmiddelen worden toegevoegd overeenkomstig de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008.
Levensmiddelen die het levensmiddelenadditief glycerol (E 422) bevatten, dat vóór 20 juli 2023 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor arseen, lood, kwik, cadmium of acroleïne die van toepassing zijn vanaf 20 juli 2023, mogen verder in de handel worden gebracht tot en met 20 januari 2024 en mogen verder in de handel worden aangeboden tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen.
Het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) dat vóór 20 juli 2023 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor arseen, lood, kwik, cadmium, de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en vetzuuresters van 3-MCPD (uitgedrukt als 3-MCPD), erucazuur of vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) die vanaf 20 juli 2023 van toepassing zijn, mag overeenkomstig de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 tot en met 20 januari 2024 aan levensmiddelen worden toegevoegd.
Levensmiddelen die het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) bevatten, dat vóór 20 juli 2023 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor arseen, lood, kwik, cadmium, de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en 3-MCPD-vetzuuresters (uitgedrukt als 3-MCPD), erucazuur of vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) die van toepassing zijn vanaf 20 juli 2023, mogen verder in de handel worden gebracht tot en met 20 januari 2024 en mogen verder in de handel worden aangeboden tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen.
Het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) dat na 20 juli 2023 en tot 20 januari 2024 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) die van toepassing zijn vanaf 20 januari 2024, mag overeenkomstig de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 aan levensmiddelen worden toegevoegd totdat de voorraden zijn uitgeput.
Levensmiddelen die het levensmiddelenadditief polyglycerolesters van vetzuren (E 475) bevatten, dat na 20 juli 2023 en tot en met 20 januari 2024 rechtmatig in de handel is gebracht en niet voldoet aan de maximumwaarden voor vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) die vanaf 20 januari 2024 van toepassing zijn, mogen verder in de handel worden gebracht en verder in de handel worden aangeboden tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen.
Het levensmiddelenadditief polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) dat vóór 20 juli 2023 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor arseen, lood, kwik, cadmium, de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en 3-MCPD-vetzuuresters (uitgedrukt als 3-MCPD) of vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) die vanaf 20 juli 2023 van toepassing zijn, mag overeenkomstig de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 tot en met 20 januari 2024 aan levensmiddelen worden toegevoegd.
Levensmiddelen die het levensmiddelenadditief polyglycerolpolyricinoleaat (E 476) bevatten, dat vóór 20 juli 2023 rechtmatig in de handel is gebracht en dat niet voldoet aan de maximumwaarden voor arseen, lood, kwik, cadmium, de som van 3-monochloorpropaandiol (3-MCPD) en 3-MCPD-vetzuuresters (uitgedrukt als 3-MCPD) of vetzuuresters van glycidyl (uitgedrukt als glycidol) die van toepassing zijn vanaf 20 juli 2023, mogen verder in de handel worden gebracht tot en met 20 januari 2024 en mogen verder in de handel worden aangeboden tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.
(2) PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1.
(3) Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie van 9 maart 2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven (PB L 83 van 22.3.2012, blz. 1).
(4) EFSA Journal 2017;15(3):4720.
(5) EFSA Journal 2022;20(6):7353.
(6) EFSA Journal 2017;15(12):5089.
(7) EFSA Journal 2022;20(5):7308.
(8) EFSA Journal 2017;15(3):4743.
(9) EFSA Journal 2022;20(5):7294.
BIJLAGE I
Deel E van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In categorie 03 (Consumptie-ijs) wordt na de vermelding voor E 473-474 de volgende vermelding ingevoegd:
|
|
2) |
In categorie 12.6 (Sauzen) wordt de vermelding voor E 476 (polyglycerolpolyricinoleaat) vervangen door:
|
BIJLAGE II
De bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De vermelding voor levensmiddelenadditief E 422 Glycerol wordt vervangen door:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
De vermelding voor levensmiddelenadditief E 475 Polyglycerolesters van vetzuren wordt vervangen door:
De zuiverheidseisen gelden voor het additief zonder natrium-, kalium- of calciumzouten van vetzuren; deze stoffen mogen echter tot maximaal 6 % voorkomen (uitgedrukt als natriumoleaat). ”. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3) |
De vermelding voor levensmiddelenadditief E 476 Polyglycerolpolyricinoleaat wordt vervangen door:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/76 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1330 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2023
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
1. WERKWIJZE
1.1. Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 (2) heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) antidumpingrechten ingesteld op de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (“de oorspronkelijke maatregelen”). Het onderzoek dat leidde tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen wordt hierna “het oorspronkelijk onderzoek” genoemd. De maatregelen namen de vorm aan van vaste rechten van 104,46 EUR per ton netto, zowel voor de enige medewerkende groep van exporteurs als voor alle andere ondernemingen. |
|
(2) |
De arresten in de zaken T-383/17 (3) en C-260/20 P (4) hielden de nietigverklaring in van de maatregelen voor de enige medewerkende groep van exporteurs. Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2023/593 (5) heeft de Europese Commissie de antidumpingrechten op de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea opnieuw ingesteld op het herziene niveau van 103,16 EUR per ton netto, zowel voor de enige medewerkende groep van exporteurs als voor alle andere ondernemingen. |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(3) |
Na de bekendmaking van een bericht van het naderend vervallen van de maatregelen (6), heeft de Commissie een verzoek ontvangen om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening. |
|
(4) |
Het verzoek om een nieuw onderzoek werd op 1 februari 2022 ingediend door de European Thermal Paper Association (“de indiener van het verzoek”) namens de bedrijfstak van de Unie voor bepaald licht thermisch papier in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het verzoek om een nieuw onderzoek werd ingediend omdat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van dumping en tot voortzetting of herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.3. Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(5) |
Daar de Commissie, na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité had vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 3 mei 2022 op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening een nieuw onderzoek geopend in verband met de invoer in de Unie van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (“het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van opening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (7) (“het bericht van opening”). |
1.4. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(6) |
Het onderzoek naar de voortzetting of herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 (“het tijdvak van het nieuwe onderzoek”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2018 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek (“de beoordelingsperiode”). |
1.5. Belanghebbenden
|
(7) |
In het bericht van opening is de belanghebbenden verzocht contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de indiener van het verzoek, de bekende producent in de Republiek Korea en de autoriteiten van de Republiek Korea, bekende importeurs, gebruikers en handelaren specifiek in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en hen uitgenodigd om deel te nemen. |
|
(8) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
1.6. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(9) |
De Commissie ontving opmerkingen over de opening van het onderzoek van Hansol Paper Co. Ltd (“Hansol Paper”). Deze partij voerde aan dat uit de gegevens in het verzoek niet blijkt dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade lijdt. |
|
(10) |
De Commissie herinnerde eraan dat Hansol Paper het verzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, en andere relevante leden van artikel 11 van de basisverordening had onderzocht en tot de conclusie was gekomen dat aan de vereisten voor de opening van een onderzoek was voldaan, d.w.z. dat de toereikendheid en de nauwkeurigheid van het door de indieners van het verzoek overgelegde bewijsmateriaal voldoende waren om de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schadeveroorzakende dumping aan te tonen. |
|
(11) |
In dit verband herinnerde zij er ook aan dat het in het stadium van het verzoek niet noodzakelijk is dat de Commissie beschikt over hetzelfde bewijsmateriaal inzake de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade van een omvang en kwaliteit die noodzakelijk zou zijn voor de verlenging van de maatregelen. Een antidumpingonderzoek is een proces waarbij zekerheid over het bestaan van de elementen die noodzakelijk zijn om een maatregel vast te stellen of te verlengen of een procedure te beëindigen, wordt verkregen naarmate het onderzoek vordert. Bovendien is het niet uitgesloten dat de aanvraag bepaalde fouten of onnauwkeurigheden bevat. Het bestaan daarvan is echter niet noodzakelijk van invloed op de algemene conclusie dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat over de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schadeveroorzakende dumping en dat het dossier een onderzoek verdient. |
|
(12) |
Bovendien maakt de wettelijke bewijsnorm voor een verzoek (voldoende bewijs) duidelijk dat de hoeveelheid en de kwaliteit van de informatie in het verzoek niet dezelfde is als die welke aan het einde van een onderzoek beschikbaar is. Het is niet uitgesloten dat tussen het stadium van het verzoek en de afsluiting van het onderzoek wijzigingen optreden. Dergelijke wijzigingen zijn echter niet noodzakelijk van invloed op de algemene conclusie dat het dossier een onderzoek verdient, aangezien er voldoende aanwijzingen zijn voor de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schadeveroorzakende dumping. |
|
(13) |
Met betrekking tot het argument dat uit de gegevens in het verzoek niet zou blijken dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade lijdt, merkte Hansol Paper op dat uit de in het verzoek verstrekte economische indicatoren zou blijken dat de invoer uit Korea geen schade veroorzaakt, dat het marktaandeel van Korea verwaarloosbaar is en dat de bedrijfstak van de Unie goed presteert wat verkoopvolume, marktaandeel, investeringen en operationele efficiëntie betreft. Volgens Hansol Paper werd in het verzoek erkend dat de verkoopprijzen van de producenten in de Unie tijdens de beoordelingsperiode zijn gedaald, maar werd aangevoerd dat dit te wijten is aan andere marktbrede factoren die niets te maken hebben met de invoer uit Korea. |
|
(14) |
De Commissie verduidelijkte dat de indiener in zijn verzoek beweert dat er sprake is van waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade uit het betrokken land. De Commissie was immers van oordeel dat de indiener in zijn verzoek voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit blijkt dat de bedrijfstak van de Unie, na een aanvankelijke periode van herstel, schade heeft geleden toen de invoer uit het betrokken land tussen 1 oktober 2020 en 30 september 2021 toenam. In dit verband herinnerde zij eraan dat voor de vaststelling van aanmerkelijke schade onder meer de in artikel 5, lid 2, punt d), van de basisverordening beschreven relevante factoren moeten worden onderzocht. In artikel 5, lid 2, van de basisverordening is immers bepaald dat de klacht gegevens moet bevatten omtrent veranderingen in de omvang van de beweerde invoer met dumping, de weerslag van deze invoer op de prijzen van het soortgelijke product op de markt van de Unie en de daaruit voortvloeiende weerslag daarvan op de bedrijfstak van de Unie, zoals blijkt uit relevante (niet noodzakelijk alle) factoren en indicatoren met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Unie, waaronder die welke zijn genoemd in artikel 3, leden 3 en 5. Dit geldt mutatis mutandis voor de analyse van de waarschijnlijkheid bij een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Evenzo hoeven niet alle factoren een verslechtering aan te tonen om aanmerkelijke schade (en dus waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling daarvan) te kunnen vaststellen. Verder impliceert het bestaan van andere factoren die gevolgen kunnen hebben voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie niet noodzakelijk dat de gevolgen van de invoer met dumping voor die bedrijfstak niet aanmerkelijk zijn (ook dit geldt voor de analyse van de waarschijnlijkheid). Dit geldt des te meer in het geval van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, waarbij de nadruk ligt op wat er zou gebeuren als de maatregelen worden ingetrokken. Bovendien kunnen antidumpingmaatregelen in het geval van nieuwe onderzoeken bij het vervallen van de maatregelen een zeker positief effect hebben, ook al blijft de schade over het geheel genomen bestaan. De Commissie stelde verder vast dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte over de waarschijnlijkheid van herhaling van schade. Met name is gebleken dat de Koreaanse markt wordt gekenmerkt door een aanzienlijke productieovercapaciteit. De Koreaanse binnenlandse markt kan deze overproductie niet absorberen. Daarom is de markt van de Unie, die wereldwijd de grootste markt voor thermisch papier is, qua omvang aantrekkelijk voor Koreaanse exporteurs. Bovendien zijn andere exportmarkten om verschillende redenen moeilijk toegankelijk (8). Op grond hiervan had de Commissie het recht om het onderzoek te openen. |
|
(15) |
Wat betreft de beweringen van Hansol Paper over de positieve ontwikkeling van sommige schade-indicatoren in het verzoek, zoals marktaandeel en verkoopvolume, merkte de Commissie op dat antidumpingmaatregelen vaak een positief effect hebben op de situatie van de bedrijfstak van de Unie — een factor waarmee uiteraard rekening werd gehouden in de analyse van de Commissie. |
|
(16) |
Wat de opmerking over het belang van de Unie betreft, is de Commissie niet wettelijk verplicht om het belang van de Unie in de openingsfase te onderzoeken. |
1.7. Steekproeven
|
(17) |
In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. |
1.7.1. Steekproef van producenten in de Unie
|
(18) |
In het bericht van opening kondigde de Commissie aan dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie heeft een steekproef van drie producenten in de Unie samengesteld. De criteria die zijn gebruikt voor de selectie van de steekproef waren het grootste representatieve verkoop- en productievolume van het soortgelijke product in de EU in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden 86 % van het geschatte totale productie- en verkoopvolume in de Unie. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken over de voorlopige steekproef. Er werd één opmerking ontvangen van het samenwerkingsverband van de Unie, dat de voorlopige steekproef steunde. De steekproef werd op 12 mei 2022 bevestigd. De steekproef is representatief voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.7.2. Steekproef van importeurs
|
(19) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Geen van de niet-verbonden importeurs heeft de gevraagde informatie ingediend. De Commissie heeft bijgevolg besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was. |
1.8. Antwoorden op de vragenlijst
|
(20) |
De Commissie heeft de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de belangrijkste bekende producent-exporteur in Korea verzocht de desbetreffende vragenlijsten in te vullen die op de dag van de opening online beschikbaar werden gesteld (9). |
|
(21) |
Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de belangrijkste bekende producent-exporteur, Hansol Paper, en haar verbonden importeurs Hansol Europe B.V. en Hansol America Inc. Bovendien heeft de indiener van het verzoek de vragenlijst met macrogegevens beantwoord. |
1.9. Controle
|
(22) |
De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij nodig achtte voor de vaststelling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade, en van het belang van de Unie. Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen: Producenten in de Unie
Producent-exporteur in de Republiek Korea
Verbonden importeurs
|
1.10. Vervolg van de procedure
|
(23) |
Op 27 april 2023 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de geldende antidumpingrechten te handhaven. Op 10 mei 2023 stuurde de Commissie alleen aan Hansol Paper een bijgewerkte berekening van de prijsonderbieding. Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen ten aanzien van de bevindingen. Er werden opmerkingen ontvangen van de indieners van het verzoek en Hansol Paper. |
|
(24) |
De Commissie heeft de opmerkingen van de belanghebbenden overwogen en, voor zover van toepassing, in aanmerking genomen. Geen van de partijen heeft verzocht om een hoorzitting. |
1.11. Presentatie van gegevens
|
(25) |
Gezien het beperkte aantal partijen dat gegevens heeft verstrekt, moesten sommige van de onderstaande cijfers in de vorm van een orde van grootte worden weergegeven om inbreuken op de vertrouwelijkheid te voorkomen. De gegevens van de enige medewerkende producent-exporteur worden ook als orde van grootte gepresenteerd, aangezien zij de enige onderneming is die heeft meegewerkt. |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(26) |
Het onderzochte product is hetzelfde als in het oorspronkelijk onderzoek, namelijk bepaald licht thermisch papier met een gewicht van 65 g/m2 of minder; in rollen met een breedte van 20 cm of meer, een gewicht per rol (inclusief papier) van 50 kg of meer en een diameter per rol (inclusief papier) van 40 cm of meer (“jumborollen”); met of zonder grondlaag op een of beide zijden; bekleed met een warmtegevoelige stof op één of beide zijden; met of zonder toplaag (“het onderzochte product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 4809 90 00, ex 4811 90 00, ex 4816 90 00 en ex 4823 90 85 (Taric-codes: 4809900010, 4811900010, 4816900010 en 4823908520). |
|
(27) |
Licht thermisch papier is een speciaal papier. Het is bekleed met een thermoactieve coating die bij toepassing van warmte door printers met thermische printkoppen reageert en een beeld vormt. Licht thermisch papier wordt gebruikt voor verkooppunttoepassingen, zoals in de detailhandel afgegeven reçu’s maar ook voor zelfklevende etiketten voor e-commerceverpakkingen, -tickets en -tags. |
|
(28) |
Licht thermisch papier kan worden geproduceerd met verscheidene soorten chemische ontwikkelaars. Alle soorten zijn voorwerp van het onderhavige onderzoek. |
2.2. Betrokken product
|
(29) |
Het betrokken product in dit onderzoek is het onderzochte product van oorsprong uit de Republiek Korea. |
2.3. Soortgelijk product
|
(30) |
In dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen wordt bevestigd wat in het oorspronkelijke onderzoek was vastgesteld, namelijk dat de volgende producten dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en dezelfde basistoepassingen hebben:
|
|
(31) |
Deze producten worden dan ook beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.4. Argumenten betreffende de productomschrijving
|
(32) |
In een opmerking van 1 juli 2022 verzocht de producent-exporteur om verduidelijking of nieuwe door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde productsoorten al dan niet onder het toepassingsgebied van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen zouden vallen. In deze nieuwe productsoorten wordt geen chemische ontwikkelaar gebruikt en het beeld wordt weergegeven op basis van een fysisch in plaats van een chemisch proces. In een mededeling in het dossier van 19 september 2022 werd het toepassingsgebied van het onderzoek verduidelijkt in die zin dat alleen licht thermisch papier met een chemische ontwikkelaar onder de procedure valt. |
3. DUMPING
3.1. Inleidende opmerkingen
|
(33) |
In het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd de invoer van licht thermisch papier uit de Republiek Korea voortgezet, zij het op een lager niveau dan in het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (d.w.z. van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015). Volgens onderstaande tabel 2 vertegenwoordigde de invoer van licht thermisch papier uit de Republiek Korea in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 2,7 % van de markt van de Unie, vergeleken met een marktaandeel van 13,6 % tijdens het oorspronkelijke onderzoek. |
|
(34) |
Hansol Paper verleende haar medewerking aan het onderzoek. Zij was goed voor (bijna) alle invoer van het onderzochte product uit de Republiek Korea. Geen andere producent-exporteur heeft zich kenbaar gemaakt. De bevindingen met betrekking tot de voortzetting van dumping zijn gebaseerd op de gecontroleerde gegevens van Hansol Paper. |
3.2. Voortzetting van dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek
3.2.1. Normale waarde
|
(35) |
Eerst onderzocht de Commissie of de totale binnenlandse verkoop van de medewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ten minste 5 % bedroeg van de totale omvang van de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie. Op basis hiervan was de totale verkoop op de binnenlandse markt van het soortgelijke product door de producent-exporteur representatief. |
|
(36) |
Vervolgens is de Commissie voor de producent-exporteur met een representatieve binnenlandse verkoop nagegaan welke productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten. |
|
(37) |
Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop door de producent-exporteur op zijn binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief indien de totale omvang van de binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ten minste 5 % vertegenwoordigt van de totale omvang van de uitvoer naar de Unie van de identieke of vergelijkbare productsoort. De Commissie stelde vast dat er voor sommige productsoorten die tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek naar de Unie werden uitgevoerd, geen binnenlandse verkoop was en dat zij dus niet representatief waren. |
|
(38) |
Vervolgens heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het tijdvak van het nieuwe onderzoek bepaald om vast te stellen of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde. |
|
(39) |
De normale waarde is gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(40) |
In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van de totale binnenlandse verkoop van die productsoort in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(41) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkoop van de productsoorten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek indien:
|
|
(42) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop bleek dat, afhankelijk van de productsoort, tussen 32 % en 100 % van de totale binnenlandse verkoop winstgevend was en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs van elke productsoort hoger was dan de productiekosten. Dienovereenkomstig werd, afhankelijk van de productsoort, de normale waarde berekend als een gewogen gemiddelde van de prijzen van de totale binnenlandse verkoop tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek of als een gewogen gemiddelde van uitsluitend de winstgevende verkoop. |
|
(43) |
Wanneer een productsoort niet op de binnenlandse markt werd verkocht en bij gebrek aan een binnenlandse verkoopprijs van een dergelijke productsoort door een andere producent-exporteur, heeft de Commissie de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(44) |
De normale waarde werd vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de medewerkende producent-exporteur in het tijdvak van het nieuwe onderzoek te vermeerderen met:
|
3.2.2. Uitvoerprijs
|
(45) |
De uitvoer van het onderzochte product door Hansol Paper naar de Unie verliep rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers of via haar verbonden onderneming Hansol Europe. |
|
(46) |
Voor de rechtstreekse verkoop van de producent-exporteur aan onafhankelijke afnemers in de Unie was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het onderzochte product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(47) |
Voor de verkoop van de producent-exporteur aan de Unie via Hansol Europe die als importeur optreedt, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. |
|
(48) |
Met betrekking tot de gehanteerde winstmarge heeft de Commissie in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie (10) geen gebruik gemaakt van de winstmarge van de verbonden onderneming, omdat die onbetrouwbaar wordt geacht. Bij gebrek aan andere informatie nam zij haar toevlucht tot de winstmarge van 4,5 % die ook in het oorspronkelijke onderzoek was gebruikt (11). |
3.2.3. Vergelijking
|
(49) |
De Commissie vergeleek per productsoort de normale waarde en de uitvoerprijs van de producent-exporteur af fabriek. |
|
(50) |
Waar dat voor het verkrijgen van een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid ervan. Correcties voor vervoerskosten, verladings- en laadkosten, bankkosten, EU-douanerechten, eindejaarskortingen, commissies en voor een terugbetaling van rechten werden in mindering gebracht op de verkoopprijzen op de binnenlandse markt en/of de uitvoer, wanneer deze werden gerapporteerd en gerechtvaardigd bleken. De Commissie achtte de verzoeken om correcties in verband met verpakkingskosten en kredietkosten ongerechtvaardigd. |
|
(51) |
De verpakking voor uitvoer en voor binnenlandse verkoop was in wezen identiek, zodat er geen reden was om het verzoek om correctie in te willigen. |
|
(52) |
In artikel 2, lid 10, punt g), van de basisverordening is bepaald dat een aanpassing gerechtvaardigd kan zijn wanneer krediet een factor is waarmee rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de aangerekende prijzen. De Commissie verwierp de correctie voor kredietkosten op basis van de redenering die, vanwege de gevoelige aard ervan, alleen aan de producent-exporteur werd meegedeeld. De Commissie concludeerde dat de kosten van het verleende krediet geen factor was waarmee de partij rekening hield bij de vaststelling van de aangerekende prijzen. |
3.2.4. Dumpingmarge
|
(53) |
De Commissie heeft de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het onderzochte product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(54) |
Op grond hiervan bleek de gewogen gemiddelde dumpingmarge, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, voor Hansol Paper 29 % te bedragen. Derhalve werd geconcludeerd dat de dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd voortgezet. |
|
(55) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen merkte Hansol Paper op dat het grootste deel van de dumping afkomstig was van thermisch papier van labelkwaliteit en wees zij op het verschil in productmix tussen haar verkoop aan de Unie in het oorspronkelijke onderzoek en het nieuwe onderzoek. De Commissie herinnert eraan dat de normale waarde en de uitvoerprijs per productsoort werden vergeleken, zoals beschreven in de bovenstaande punten, en dat uiteindelijk slechts één enkele dumpingmarge moest worden vastgesteld voor de verkoop van alle onder de geldende maatregelen vallende producten. Daarom werd bij de vaststelling van de dumpingmarge rekening gehouden met het verschil in productmix tussen het oorspronkelijke onderzoek en het nieuwe onderzoek. |
3.3. Waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping indien de maatregelen zouden worden ingetrokken
|
(56) |
Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van dumping, is de Commissie, in overeenstemming met artikel 11, lid 2, van de basisverordening, nagegaan of voortzetting van dumping waarschijnlijk zou zijn indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. De volgende elementen zijn onderzocht: de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in de Republiek Korea en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie ten opzichte van andere markten. |
3.3.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in de Republiek Korea
|
(57) |
Volgens marktinformatie was Hansol Paper verreweg de grootste producent van het onderzochte product in de Republiek Korea. Haar productiecapaciteit varieerde afhankelijk van de bron. In het duurzaamheidsverslag 2019 van Hansol Paper werd ze vastgesteld op 355 000 ton per jaar voor de divisie, met inbegrip van licht thermisch papier (12). In de loop van het onderzoek gaf Hansol Paper weliswaar toe dat dit cijfer de ontworpen capaciteit van thermische coating was, maar verstrekte zij cijfers over de productiecapaciteit in de orde van grootte van 250 000 tot 300 000 ton per jaar. Tijdens de controle ter plaatse beweerde de onderneming dat het in het verslag van 2019 genoemde cijfer onjuist was. De onderneming was van mening dat de capaciteitscijfers in de Thermal Paper 2019-2024 World Market Study van Laves Chemie Consulting nauwkeuriger waren. In dat onderzoek werd de productiecapaciteit van Hansol Paper voor thermisch papier geraamd op 260 000 ton per jaar (13). |
|
(58) |
Uit het bovengenoemde onderzoek van Laves Chemie Consulting blijkt dat er tot voor kort drie andere producenten van thermisch papier in de Republiek Korea zouden zijn met een totale productiecapaciteit van 45 000 ton (14). Het blijft echter onduidelijk in hoeverre deze capaciteit kan worden geactiveerd voor licht thermisch papier indien de marktomstandigheden daartoe aanleiding zouden geven. Volgens de producenten in de Unie zou Donghwa Ind Co., Ltd, met een productiecapaciteit van 15 000 ton per jaar, de enige andere Koreaanse producent zijn die nog thermisch papier produceert (15). |
|
(59) |
In het licht van het bovenstaande kon de Commissie weliswaar de reservecapaciteit in Korea als geheel niet kwantificeren, maar kon zij wel vaststellen dat de productiecapaciteit aanzienlijk is, ongeveer tien keer zo groot als het binnenlands verbruik in Korea en bijna twee keer zo groot als het verbruik in de Unie. Bovendien heeft Hansol Paper herhaaldelijk aangekondigd dat zij voornemens is haar activiteiten op het gebied van thermisch papier uit te breiden, zoals blijkt uit haar financieel verslag over de eerste helft van 2021 (16) en de daaropvolgende financiële verslagen (ook in 2022 (17)). Een dergelijke uitbreiding zou een toevoeging betekenen aan de Koreaanse productiecapaciteit voor thermisch papier in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, die reeds aanzienlijk hoger was dan het verbruik van licht thermisch papier in de Unie (zie tabel 1). |
|
(60) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Hansol Paper dat de bevindingen van de Commissie over de capaciteit in Korea niet onderbouwd en onjuist waren, namelijk omdat: i) Hansol Paper de enige producent van het onderzochte product in Korea was; ii) de Commissie de door Hansol Paper aangekondigde uitbreiding verkeerd had geïnterpreteerd, en iii) de Commissie had overdreven toen zij vaststelde dat de productiecapaciteit van Hansol Paper zeer flexibel is. |
|
(61) |
De Commissie was het daar niet mee eens. Wat betreft de bewering dat Hansol Paper de enige producent van het onderzochte product in Korea zou zijn, merkte de Commissie op dat dit werd tegengesproken door andere informatie in het dossier, waaronder verklaringen van Hansol Paper zelf in de loop van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (18). Hoewel de Commissie consequent heeft geoordeeld dat Hansol Paper de enige medewerkende producent-exporteur was in dit nieuwe onderzoek, had de Commissie niet geconcludeerd dat Hansol Paper de enige producent van licht thermisch papier in de Republiek Korea was. Integendeel, zoals uiteengezet in overweging 58 hierboven, wees het bewijsmateriaal in het dossier erop dat ten minste één andere producent van licht thermisch papier in de Republiek Korea, namelijk Donghwa Ind Co., Ltd, het onderzochte product zou kunnen produceren. De Commissie merkte op dat de website van Donghwa Ind (19) verwijzingen bevatte naar de productie van thermisch papier in het algemeen en afbeeldingen van producten zoals kassabonnen die gewoonlijk zijn gemaakt van licht thermisch papier. De Commissie stelde ook vast dat Hansol Paper, gelet op het bewijs van het tegendeel, geen bewijs heeft geleverd voor haar bewering dat zij de enige producent van licht thermisch papier in de Republiek Korea is. Het argument werd daarom afgewezen. |
|
(62) |
De Commissie was het er niet mee eens dat, zoals Hansol verklaarde, de reservecapaciteit in Korea nul was. Hansol Paper heeft bijvoorbeeld zulke lage capaciteitscijfers verstrekt dat de gerapporteerde bezettingsgraad in enkele jaren van de beoordelingsperiode meer dan 100 % zou hebben bedragen. |
|
(63) |
Wat de vermeende onjuiste interpretatie van de uitbreidingsaankondigingen van Hansol Paper en de kwestie van de flexibele productiecapaciteit betreft, was de Commissie het daar niet mee eens. Hansol Paper zelf heeft in haar financiële verslagen herhaaldelijk publiekelijk aangekondigd dat zij voornemens is haar activiteiten op het gebied van thermisch papier uit te breiden (20). Het feit dat de ten tijde van het controlebezoek beschikbare investeringsplannen geen investeringen ter verhoging van de capaciteit omvatten, belet Hansol Paper niet om in een later stadium gevolg te geven aan haar aankondigingen. De middelen voor Hansol Paper om haar activiteiten op het gebied van thermisch papier uit te breiden, zijn hoe dan ook talrijk, met inbegrip van overstapcapaciteit. Zoals de partij zelf heeft opgemerkt in het duurzaamheidsverslag 2022 van Hansol Paper (21), beschikt Hansol Paper ontegenzeglijk over flexibele productiefaciliteiten. Hoewel de kwantificering van de flexibiliteit niet duidelijk beschikbaar is, wijst het feit dat deze in het verslag is opgenomen erop dat de flexibiliteit niet gering is en dus een openbare bekendmaking waard is. De productmix in het productieplan van Hansol Paper van 2023 belet de partij niet om, indien nodig, een niet te verwaarlozen hoeveelheid capaciteit over te schakelen op het onderzochte product. |
3.3.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie ten opzichte van andere markten
|
(64) |
De binnenlandse markt van de Republiek Korea is klein, met een jaarlijks verbruik van 20 000 tot 37 200 ton (22). De jaarlijkse productie van Hansol Paper alleen al is vier tot negen keer groter dan het verbruik van het onderzochte product op de binnenlandse markt. Uit het onderzoek bleek dat het binnenlands verbruik in volume afneemt, aangezien de binnenlandse verkoop van licht thermisch papier van Hansol Paper, de grootste producent van het land, in de beoordelingsperiode daalde met 29 % (23). Daarom is de Koreaanse bedrijfstak voor licht thermisch papier exportgericht. Zie punt 3.2.1 voor de winstgevendheid van de binnenlandse verkoop van Hansol Paper. |
|
(65) |
Op basis van de gecontroleerde gegevens van Hansol Paper heeft de Commissie vastgesteld dat het volume van de Koreaanse uitvoer naar andere bestemmingen dan de Unie in het onderzoekstijdvak is toegenomen (24). Ook werd vastgesteld dat de Koreaanse uitvoer, met name naar de VS, aanzienlijk was (25). De verkoopprijzen van de Koreaanse uitvoer naar andere bestemmingen dan de Unie zijn in het onderzoekstijdvak echter gedaald. Dit is goed zichtbaar op de Amerikaanse markt (26). Bovendien hebben de Amerikaanse autoriteiten op 27 september 2021 antidumpingmaatregelen ingesteld op de invoer van thermisch papier van oorsprong uit onder meer de Republiek Korea (27). Om die redenen is de Amerikaanse markt qua prijzen minder aantrekkelijk geworden voor de Koreaanse uitvoer. |
|
(66) |
De markt van de Unie is ‘s werelds grootste markt voor licht thermisch papier, met ongeveer 25 % van het wereldwijde verbruik, en heeft een hoog groeipotentieel in absolute termen (28). Uit het onderzoek is gebleken dat de markt van de Unie qua prijzen aantrekkelijk is in vergelijking met andere markten. Na de instelling van de antidumpingmaatregelen in 2017 daalde de invoer uit de Republiek Korea aanzienlijk en bedroeg deze pas in 2020 1 000 tot 2 500 ton. De Koreaanse verkoop aan de Unie is sindsdien echter, ondanks de geldende antidumpingrechten, weer gestegen (29) en bedroeg in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 4 500 tot 6 000 ton, wat neerkomt op een marktaandeel van 2,7 %. |
|
(67) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Hansol Paper de Commissie verzocht een dumpingmarge te berekenen voor de verkoop van Hansol Paper aan markten van derde landen, omdat een dergelijke berekening een vaste praktijk was in door de Commissie uitgevoerde nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van de maatregelen en dat de Commissie niet had beoordeeld of de prijzen van Hansol Paper bij uitvoer naar markten buiten de EU op dumping wezen. De Commissie heeft verduidelijkt dat een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen tot doel heeft vast te stellen of het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Gezien de vaststelling van aanzienlijke dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek voor de verkoop aan de Unie en de daaropvolgende conclusie over de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping, was de Commissie niet verplicht om in het kader van het onderhavige onderzoek verdere dumpingbevindingen vast te stellen. De uitvoerprijzen van Hansol Paper naar markten buiten de EU werden geanalyseerd in overweging 65. Deze worden verder geanalyseerd in de overwegingen hieronder. |
|
(68) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Hansol Paper aan dat de Commissie had moeten vaststellen dat de markt voor licht thermisch papier in de Unie niet langer aantrekkelijk was in het licht van de informatie die reeds door Hansol was verstrekt (en die naar verluidt niet voldoende door de Commissie zou worden behandeld) en met name de beweringen dat Hansol Paper zich niet langer op de markt van de Unie zou concentreren, het belang van de Amerikaanse markt voor Hansol Paper, het niveau van de Amerikaanse antidumpingmaatregelen ten aanzien van thermisch papier, en dat de Commissie in deze verordening de activiteiten van Hansol Paper op andere derde markten niet heeft beschreven. |
|
(69) |
De Commissie was het niet eens met de vermeende onaantrekkelijkheid van de markt van de Unie voor Koreaanse uitvoer. De feiten dat de markt van de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet de belangrijkste markt van Hansol Paper was en dat Hansol Paper aanzienlijke verkopen aan de VS had, doen geen afbreuk aan de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie. Ook bleef de Commissie erbij dat het loutere bestaan van antidumpingmaatregelen in de VS de markt van de VS minder aantrekkelijk maakt dan vóór de instelling van maatregelen, ook al is het niveau van de maatregelen niet buitensporig. Wat de verkoop van Hansol Paper op andere markten betreft, was de Commissie in deze verordening niet in staat haar verkoopvolumes en prijzen op andere markten per land bekend te maken voor zover die informatie door de partij als gevoelig was beschouwd (d.w.z. de enige bron van de gegevens in kwestie). De Commissie maakte niettemin de balans op van de verkoop- en prijsstrategie van Hansol Paper op andere markten, zoals die via de controleverslagen met de partij werd gedeeld. In dit verband heeft de Commissie vastgesteld dat er wereldwijd in een handvol landen thermisch papier wordt geproduceerd, zoals blijkt uit de Thermal Paper 2019-2024 World Market Study van Laves Chemie. De producenten van het onderzochte product ondervinden derhalve slechts in enkele gebieden ter wereld concurrentie van plaatselijke producenten. Zuid- en Midden-Amerika, Afrika, Australazië en de meeste Aziatische landen waren dus netto-importeurs van thermisch papier (30), voornamelijk uit Korea. Ook al lijken markten zonder (aanzienlijke) binnenlandse productie in principe op het eerste gezicht aantrekkelijker, toch stelde de Commissie vast dat de verkoopprijzen van Hansol Paper voor het onderzochte product op exportmarkten buiten de EU, waaronder de VS, tijdens de beoordelingsperiode in grote lijnen even sterk zijn gedaald als de prijzen voor de Unie. Uit een vergelijking van de verkoopprijzen van Hansol Paper op alle exportmarkten buiten de EU en de verkoopprijzen van Hansol Paper naar de Unie bleek dat de prijzen in de EU tijdens de beoordelingsperiode over het algemeen steeds hoger waren dan de verkoopprijzen van Hansol Paper aan de rest van de wereld. De Commissie bevestigde daarom dat de markt van de Unie, de grootste markt voor licht thermisch papier ter wereld en een markt met een hoog groeipotentieel in absolute termen, qua volume en prijs een aantrekkelijke markt was voor de Koreaanse uitvoer, ongeacht de veranderingen in het verkoopnetwerk van Hansol Paper sinds het oorspronkelijke onderzoek. |
3.3.3. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping
|
(70) |
Gezien de bevindingen betreffende de voortzetting van dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek (zie overweging 54), het bestaan van een aanzienlijke flexibele productiecapaciteit in de Republiek Korea, de opnieuw toenemende Koreaanse belangstelling voor de grote markt van de Unie met aantrekkelijke prijzen en de onlangs ingestelde antidumpingmaatregelen op zijn momenteel belangrijkste exportmarkt (31), kan een verdere toename van de invoer met dumping van het betrokken product worden verwacht als de maatregelen worden ingetrokken. Daarom concludeerde de Commissie dat het zeer waarschijnlijk is dat het vervallen van de antidumpingmaatregelen op de invoer van het betrokken product zal leiden tot voortzetting van dumping. |
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie
|
(71) |
Het soortgelijke product werd in de beoordelingsperiode vervaardigd door vijf producenten in de Unie. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(72) |
De totale productie in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd vastgesteld op ongeveer 360 727 ton. De Commissie heeft het cijfer vastgesteld op basis van alle beschikbare informatie over de bedrijfstak van de Unie, zoals de antwoorden op de vragenlijst van de indiener van het verzoek, gecontroleerd aan de hand van de individuele antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Zoals vermeld in overweging 18, werd een steekproef van drie producenten in de Unie samengesteld, die goed zijn voor 86 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(73) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van: a) de gegevens van de indiener van het verzoek over de verkoop van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie, zoals gedeeltelijk gecontroleerd aan de hand van de verkoopvolumes die zijn gerapporteerd door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (32), en b) de invoer van het onderzochte product uit alle derde landen volgens de gegevens van Eurostat en de analyse van de uitvoergegevens van de medewerkende producent-exporteur. |
|
(74) |
Het verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt: Tabel 1 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(75) |
Tussen 2018 en 2020 is het verbruik in de Unie met 8 % gedaald. Het verbruik in de Unie werd in 2020 beïnvloed door de wereldwijde covidpandemie; in het tijdvak van het nieuwe onderzoek trok het verbruik in de Unie echter weer aan en in de beoordelingsperiode is er een totale daling van 2 %. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(76) |
De Commissie heeft het volume van de invoer vastgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijst van de medewerkende producent-exporteur en de statistieken van Eurostat. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van het verbruik in de Unie. |
|
(77) |
De invoer uit het betrokken land ontwikkelde zich als volgt: Tabel 2 Invoervolume (ton) en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(78) |
Tussen 2018 en 2020 is het volume van de invoer uit het betrokken land afgenomen. Het volume steeg in het tijdvak van het nieuwe onderzoek echter aanzienlijk en ligt 65 % hoger dan in 2018. In de beoordelingsperiode steeg het marktaandeel van 1,6 % in 2018 tot 2,7 % in het TNO. |
|
(79) |
Om de omvang en de waarde van de invoer in de beoordelingsperiode vast te stellen, heeft de Commissie de door Hansol Paper, de enige medewerkende producent-exporteur in het betrokken land, gemelde uitvoergegevens geanalyseerd in het licht van de invoerstatistieken van Eurostat. De Commissie heeft discrepanties vastgesteld tussen de door Hansol Paper gemelde uitvoer naar Denemarken, Estland, Finland en Litouwen en de door Eurostat geregistreerde invoer in die lidstaten. Op basis van de door de onderneming verstrekte informatie concludeerde de Commissie dat het onderzochte product dat door Hansol Paper naar Denemarken, Estland, Finland en gedeeltelijk ook naar Litouwen werd uitgevoerd, het douanegebied van de Unie niet binnenkwam. Waarschijnlijk bleven deze verkopen in transit en/of waren zij bestemd voor landen buiten de Unie. Daarom heeft de Commissie zich voor de invoer in de vier bovengenoemde lidstaten gebaseerd op de statistieken van Eurostat. |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(80) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijst van de producent-exporteur en de statistieken van Eurostat. |
|
(81) |
De gemiddelde prijzen van de invoer uit het betrokken land ontwikkelden zich als volgt: Tabel 3 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(82) |
De gemiddelde prijs van de invoer uit het betrokken land daalde in de beoordelingsperiode met 19 %. |
|
(83) |
De Commissie stelde de prijsonderbieding in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vast aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(84) |
De prijsvergelijking werd per productsoort gemaakt voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig aangepast en na aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als percentage van de theoretische omzet (de uitgevoerde hoeveelheden van de producent-exporteur gewaardeerd tegen de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie) per model van elke producent-exporteur waarvoor een identiek PCN voor de bedrijfstak van de Unie werd gevonden. |
|
(85) |
Daaruit bleek dat de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie 13,7 % bedroeg. Prijsonderbieding werd vastgesteld ten aanzien van ongeveer 83 % van de omvang van de invoer. |
|
(86) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Hansol Paper aan dat het grootste deel van de prijsonderbieding betrekking had op een thermisch papier van labelkwaliteit dat geen verband houdt met de producten waarop het oorspronkelijke onderzoek betrekking had. De Commissie heeft de prijsonderbiedingsmarge berekend op basis van een vergelijking van productsoorten zoals in het oorspronkelijke onderzoek. Daarom werd dit argument afgewezen. |
4.4. Invoer uit andere derde landen dan de Republiek Korea
|
(87) |
De invoer van bepaald licht thermisch papier uit andere derde landen dan de Republiek Korea was hoofdzakelijk afkomstig uit China en de VS. |
|
(88) |
Het volume van de invoer alsmede het marktaandeel en de prijstrends van de invoer van bepaald licht thermisch papier uit andere derde landen ontwikkelden zich als volgt: Tabel 4 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(89) |
De invoer uit China daalde in de beoordelingsperiode met meer dan 50 %, terwijl de invoer uit de VS toenam met 5 %. Het marktaandeel van andere derde landen daalde gestaag van 5,8 % in 2018 tot 5,3 % in het TNO. |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(90) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie van de invoer met dumping een evaluatie van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(91) |
Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens in het antwoord op de vragenlijst van de indiener van het verzoek, die naar behoren werden gecontroleerd aan de hand van de informatie in het verzoek en Eurostat-statistieken. De gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die in de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren vervat. Beide gegevensreeksen bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(92) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping. |
|
(93) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1.
|
(94) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(95) |
Tijdens de beoordelingsperiode daalde het productievolume van de bedrijfstak van de Unie met 10 %. Het productievolume is in 2020 met 13 % gedaald ten opzichte van 2018, als gevolg van de impact van de COVID-19-pandemie. |
|
(96) |
De productiecapaciteit steeg tijdens de beoordelingsperiode en bleef in 2020 en het TNO relatief stabiel. |
|
(97) |
De bezettingsgraad is tussen 2018 en 2020 gedaald met 23 %. Tussen 2020 en het TNO is de bezettingsgraad licht gestegen met 3 procentpunten. |
4.5.2.2.
|
(98) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 6 Verkoopvolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(99) |
Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie nam in de beoordelingsperiode toe met 2 %. Ook hier was er een aanzienlijke daling van de verkoop in 2020, die verband hield met de covidcrisis. Er was een stijging van de verkoop in het TNO die vergelijkbaar is met de trend voor het verbruik in tabel 1. |
|
(100) |
Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie bleef in de beoordelingsperiode relatief stabiel en bedroeg in het TNO 92 %. |
4.5.2.3.
|
(101) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam het verbruik in de Unie met 2 % af. Tegelijkertijd was er een vergelijkbare daling van de verkoop van de bedrijfstak op de EU-markt. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie daalde slechts licht, van 92,6 % tot 92 %. |
4.5.2.4.
|
(102) |
De werkgelegenheid en de productiviteit ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 7 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(103) |
Tijdens de beoordelingsperiode is het aantal werknemers van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk gedaald, in totaal met 19 procentpunten. |
|
(104) |
De productiviteit van de werknemers van de bedrijfstak van de Unie was in de periode van 2018 tot 2020 stabiel en is sinds 2020 met 13 % gestegen. |
4.5.2.5.
|
(105) |
In het tijdvak van het nieuwe onderzoek was de individuele dumpingmarge voor de medewerkende producent-exporteur nog steeds aanzienlijk (zie bovenstaande overweging 54). |
|
(106) |
Uit de analyse van de schade-indicatoren blijkt echter dat de maatregelen, ondanks het feit dat er voor het betrokken land nog steeds sprake was van dumping, een positief effect hebben gehad op de bedrijfstak van de Unie. |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1.
|
(107) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 8 Verkoopprijzen en productiekosten in de Unie (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(108) |
Tijdens de beoordelingsperiode daalde de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie met 12 %. De productiekosten daalden tussen 2018 en het TNO met 7 %. Tussen 2018 en 2020 daalden ze eerst met 12 %, maar daarna stegen ze tussen 2020 en het TNO met 5,5 %. Dit was het gevolg van een stijging van de grondstoffenkosten, met name de kosten van houtpulp, en de energiekosten. |
4.5.3.2.
|
(109) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||
|
(110) |
Tijdens de beoordelingsperiode stegen de loonkosten met 22 %. Tegelijkertijd daalde het aantal werknemers. Deze stijging in loonkosten lag ver boven de algemene kostenstijging voor de bedrijfstak van de Unie als gevolg van inflatie. |
4.5.3.3.
|
(111) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 10 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(112) |
De eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie zijn in de hele beoordelingsperiode stabiel gebleven. De productie van het onderzochte product gebeurt meestal op bestelling en daarom zijn de eindvoorraden meestal stabiel. Het niveau van de eindvoorraad is in de beoordelingsperiode echter met 10 % gedaald, hetgeen samenvalt met een daling van de productie in dezelfde periode. |
4.5.3.4.
|
(113) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(114) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. |
|
(115) |
De winstgevendheid was tijdens de hele beoordelingsperiode positief. Als gevolg van een stijging van de productiekosten daalde de winstgevendheid tijdens het TNO echter tot 6,6 %, ver onder de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde streefwinst van 11,5 %. Deze daling van de winstgevendheid is gedeeltelijk toe te schrijven aan de in overweging 108 vermelde kostenstijging tussen 2020 en het TNO en valt samen met de aanzienlijke toename van de invoer uit het betrokken land in dezelfde periode. |
|
(116) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De trend in de nettokasstroom ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode neerwaarts en nam af met 53 %. Dit is vergelijkbaar met de situatie in het oorspronkelijke onderzoek. |
|
(117) |
De bedrijfstak van de Unie zette in de periode 2018-2020 haar investeringen voort. Deze investering nam in het TNO echter drastisch af. |
|
(118) |
Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode in een neerwaartse trend, met een daling van 76 %. Deze daling van het rendement van investeringen komt overeen met de daling van de winstgevendheid. |
|
(119) |
Het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken werd beïnvloed door de afnemende winstgevendheid, zoals blijkt uit de aanzienlijke daling van de investeringen tijdens het TNO. |
4.6. Conclusie inzake schade
|
(120) |
Tijdens de beoordelingsperiode bleef het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hoog en stabiel, op 92 % of meer. De verkoopvolumes op de markt van de Unie daalden licht, in overeenstemming met een soortgelijke daling van het verbruik. |
|
(121) |
Wat betreft de financiële indicatoren, is de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie gedurende de gehele beoordelingsperiode positief geweest en lag zij tijdens het grootste deel van de beoordelingsperiode boven of rond de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde streefwinst van 11,5 %. De winst van de bedrijfstak van de Unie bedroeg in 2018, 2019 en 2020 respectievelijk 11,3 %, 14,8 % en 12,2 %. De kosten stegen van 2020 tot het tijdvak van het nieuwe onderzoek echter met 5,5 %, terwijl de prijzen stabiel bleven, waardoor de winstgevendheid daalde tot 6,6 %. Dit viel ook samen met een toename van de invoer met dumping, van 0,9 % marktaandeel in 2020 tot 2,7 % marktaandeel in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(122) |
Uit de onderzochte indicatoren blijkt derhalve dat de antidumpingmaatregelen hebben geleid tot het beoogde resultaat van opheffing van de door de producenten in de Unie geleden schade. Dankzij de instelling van de oorspronkelijke maatregelen in 2017 heeft de bedrijfstak van de Unie in de gehele beoordelingsperiode een groot marktaandeel in de Unie kunnen terugwinnen en behouden en winst kunnen maken. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie daalde in het tijdvak van het nieuwe onderzoek echter tot onder de streefwinst als gevolg van de prijsdruk van de invoer met dumping, waardoor de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet kon verhogen in overeenstemming met de stijging van zijn productiekosten. |
|
(123) |
Op grond van het bovenstaande was de tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek gecontroleerde situatie van de bedrijfstak van de Unie schadelijk. Ongeacht of deze schade reeds als aanmerkelijk kan worden beschouwd in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening, besloot de Commissie de waarschijnlijkheid van herhaling van schade te analyseren. |
|
(124) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde Hansol Paper aan dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet schadelijk was. |
|
(125) |
Zoals vermeld in overweging 83, heeft de Commissie een prijsonderbiedingsmarge van 13,7 % vastgesteld. De Commissie merkte in overweging 114 ook op dat de investeringen voor de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode dramatisch zijn gedaald, namelijk met 80 %. Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek lag de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie ver onder de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde streefwinst van 11,5 %. Uit al deze kwesties blijkt dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek schade heeft geleden. Dit argument werd daarom afgewezen. |
5. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE
|
(126) |
Voorts heeft de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of, indien de maatregelen tegen de invoer met dumping uit de Republiek Korea zouden komen te vervallen, de oorspronkelijk door deze invoer veroorzaakte schade zich waarschijnlijk zou herhalen. |
|
(127) |
In dit verband heeft de Commissie de volgende elementen onderzocht: de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in het betrokken land, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en het effect van het potentiële invoervolume en de invoerprijzen op de situatie van de bedrijfstak van de Unie, mochten de maatregelen komen te vervallen. |
|
(128) |
Zoals beschreven in de overwegingen 57 tot en met 59 kan de producent-exporteur in het betrokken land zijn productiecapaciteit verhogen ten gunste van de productie van licht thermisch papier. In het duurzaamheidsverslag van Hansol Paper wordt namelijk gewezen op de mogelijkheid van additionele capaciteit die de productie van verschillende papiersoorten mogelijk maakt, afhankelijk van de marktsituatie. Zoals opgemerkt in overweging 59 is de productiecapaciteit in Korea bovendien aanzienlijk; zij is ongeveer tien keer zo groot als het binnenlands verbruik in het land en bijna twee keer zo groot als het verbruik in de Unie. |
|
(129) |
Ten tweede is de markt van de Unie, zoals beschreven in overweging 66, de grootste markt voor licht thermisch papier ter wereld, met ongeveer 25 % van het wereldwijde verbruik. Bovendien hebben de Amerikaanse autoriteiten, zoals beschreven in overweging 65, onlangs antidumpingmaatregelen ingesteld op het betrokken product, waardoor deze belangrijke markt minder aantrekkelijk is geworden voor de Koreaanse uitvoer. Bovendien werd deze uitvoer in bepaalde perioden van de beoordelingsperiode op de markt van de Unie tegen hogere prijzen verkocht dan op de markt van de VS. Dit maakt de markt van de Unie aantrekkelijk, zowel qua prijs als qua toegankelijkheid, en het is zeer waarschijnlijk dat het vervallen van de antidumpingmaatregelen zal leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met dumping. |
|
(130) |
Ten derde is, zoals blijkt uit de tabellen 2 en 3, tijdens de beoordelingsperiode de omvang van de invoer uit het betrokken land toegenomen, terwijl de invoerprijzen zijn gedaald. Deze invoerprijzen zijn lager dan die van de bedrijfstak van de Unie. Zoals beschreven in de overwegingen 83, 84 en 85 blijkt uit de door de Commissie uitgevoerde analyse van de prijsonderbieding dat de prijsonderbiedingsmarge zonder rechten in het TNO 13,7 % bedroeg. Hieruit blijkt dat de Koreaanse exporteurs bij het vervallen van de maatregelen worden gestimuleerd om tegen schade veroorzakende prijzen naar de Unie uit te voeren. Dit zou leiden tot prijsdruk op de bedrijfstak van de Unie, die dan verkoopvolumes zou verliezen en/of gedwongen zou worden zijn prijzen te verlagen, met alle gevolgen van dien voor de winstgevendheid. |
|
(131) |
Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat het ontbreken van maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van de invoer met dumping uit de Republiek Korea en dat zich waarschijnlijk opnieuw aanmerkelijke schade zou voordoen. |
6. BELANG VAN DE UNIE
|
(132) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers. |
|
(133) |
Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld hun standpunt bekend te maken. |
|
(134) |
Op basis hiervan onderzocht de Commissie of er, ondanks de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping en de waarschijnlijkheid van herhaling van schade, dwingende redenen bestonden om te concluderen dat handhaving van de bestaande maatregelen niet in het belang van de Unie was. |
6.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(135) |
De bedrijfstak van de Unie bestaat uit vijf producenten in drie lidstaten (Duitsland, Spanje en Finland). Alle vijf producenten waren voorstander van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. |
|
(136) |
Zoals in overweging 123 wordt geconcludeerd, was de situatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek schadelijk. Bovendien zou de bedrijfstak van de Unie, zoals geconcludeerd in overweging 130, niet in staat zijn het hoofd te bieden aan een opheffing van de maatregelen, aangezien dit waarschijnlijk zou leiden tot een sterke toename van de invoer met dumping. Het laten vervallen van de maatregelen zou dus de financiële levensvatbaarheid van de bedrijfstak op lange termijn in gevaar brengen. |
|
(137) |
De Commissie concludeerde dat voortzetting van de maatregelen derhalve in het belang zou zijn van de bedrijfstak van de Unie. |
6.2. Belang van de niet-verbonden importeurs en gebruikers
|
(138) |
Alle bekende niet-verbonden importeurs en gebruikers zijn van de opening van het nieuwe onderzoek in kennis gesteld. De Commissie heeft echter geen medewerking verkregen van de niet-verbonden importeurs en gebruikers. |
|
(139) |
Daarom waren er geen indicaties dat de handhaving van de maatregelen voor de gebruikers en/of importeurs negatieve gevolgen zou hebben die zwaarder wegen dan de positieve gevolgen van de maatregelen. |
6.3. Conclusie inzake belang van de Unie
|
(140) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen waren om de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea in het belang van de Unie te handhaven. |
7. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(141) |
Gelet op de conclusies van de Commissie inzake de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping, de waarschijnlijkheid van herhaling van schade en het belang van de Unie, moeten de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald licht thermisch papier uit de Republiek Korea worden gehandhaafd. |
|
(142) |
Alle belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond om handhaving van de bestaande maatregelen aan te bevelen. Tevens konden alle partijen binnen een bepaalde termijn na deze mededeling van feiten en overwegingen opmerkingen maken en verzoeken om een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. Er is naar behoren rekening gehouden met deze opmerkingen. |
|
(143) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (33) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(144) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld op de invoer van bepaald licht thermisch papier met een gewicht van 65 g/m2 of minder; in rollen met een breedte van 20 cm of meer, een gewicht per rol (inclusief papier) van 50 kg of meer en een diameter per rol (inclusief papier) van 40 cm of meer (“jumborollen”); met of zonder grondlaag op een of beide zijden; bekleed met een warmtegevoelige stof op een of beide zijden, en met of zonder toplaag, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 4809 90 00, ex 4811 90 00, ex 4816 90 00 en ex 4823 90 85 (Taric-codes: 4809900010, 4811900010, 4816900010, 4823908520), van oorsprong uit de Republiek Korea.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op het in lid 1 omschreven product is een vast bedrag van 103,16 EUR per ton nettogewicht.
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 van de Commissie van 2 mei 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (PB L 114 van 3.5.2017, blz. 3).
(3) ECLI:EU:T:2020:139.
(4) ECLI:EU:C:2022:370.
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/593 van de Commissie van 16 maart 2023 tot het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea wat betreft de Hansol-groep, en tot wijziging van het residuele recht (PB L 79 van 17.3.2023, blz. 54).
(6) PB C 314 van 6.8.2021, blz. 9.
(7) Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (PB C 180 van 3.5.2022, blz. 4).
(8) Verzoek, punt 10.3, blz. 26-28.
(9) https://tron.trade.ec.europa.eu/investigations/case-view?caseId=2596
(10) Zie bijvoorbeeld het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T-466/12, punt 68.
(11) Zie voor details overweging 40 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2005 van de Commissie van 16 november 2016 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (PB L 310 van 17.11.2016, blz. 1).
(12) Verzoek, punten 99, 100 en 101 (blz. 23-24).
(13) Laves Chemie Consulting: Thermal Paper 2019-2024 World Market Study, bijlage 6 bij het verzoek (t22.002094).
(14) Laves Chemie Consulting: Thermal Paper 2019-2024 World Market Study, bijlage 6 bij het verzoek, blz. 19.
(15) Open versie van de antwoorden op de vragenlijst in t22.003621 (Koehler), t22.003615 (Jujo) en t22.003616 (Mitshubishi).
(16) Zie voor een uittreksel onder meer blz. 24 van het verzoek.
(17) Voor het financiële verslag van Hansol Paper over de eerste drie kwartalen van 2022, zie https://dart.fss.or.kr/dsaf001/main.do?rcpNo=20221111000618 (in het Koreaans).
(18) Op 10 mei 2022 (t22.002756) noemde Hansol Paper zich “de belangrijkste producent-exporteur van LWTP in Korea”.
(19) Website van de onderneming: http://www.donghwaind.co.kr
(20) Zie de voetnoten 16 en 17.
(21) Het duurzaamheidsverslag 2022 van Hansol Paper is beschikbaar op https://www.hansolpaper.co.kr/m/eng/management/data. Bladzijde 10 van het verslag luidt als volgt: “Janghang Mill ... beschikt over een flexibel faciliteitensysteem dat geschikt is voor speciaal materiaal, zoals drukpapier van hoge kwaliteit, thermisch papier en labelpapier volgens marktvoorwaarden .... Shintanjin Mill ... beschikt over een flexibel systeem voor de productie van drukpapier en thermisch papier ....”
(22) Laves Chemie Consulting: Volgens de tabel “Balance of Supply and Demand in Metric Tonnes” van de World Market Study 2019-2024, bijlage 6 bij het verzoek, blz. 22, bedroeg het verbruik van thermisch papier in Korea in 2019 60 000 ton. In de open versie van de antwoorden op de vragenlijst in t22.003621 (Koehler), t22.003615 (Jujo) en t22.003616 (Mitshubishi) werd het jaarlijkse verbruik van licht thermisch papier in Korea geraamd op 37 200 ton.
(23) Antwoord van Hansol Paper op de vragenlijst (t22.003569), tabel C.2 (verkoophoeveelheid).
(24) Ibidem.
(25) Verzoek, bijlage 6, blz. 21 (“Korea voert 78 % van zijn productie uit naar Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en ook naar andere Aziatische landen [...]”).
(26) Het antwoord van Hansol Paper op de vragenlijst (t22.003569), tabel K.3 van het bestand “R768 Tables K-L-M (HAI) - OPEN.pdf”, waaruit blijkt dat de omzet van het onderzochte product van Hansol America in het onderzoekstijdvak met 13 % is gedaald, terwijl het verkoopvolume met 2 % is gestegen. Hierbij moet worden opgemerkt dat in het licht van het U.S. Census Bureau de prijzen van Koreaans thermisch papier zijn gedaald van 2 223 USD/ton in 2018 tot 1 645 USD/ton in 2020 (zie “import statistics” op de volgende website van de International Trade Administration van de VS: https://www.trade.gov/faq/final-determinations-antidumping-duty-investigations-thermal-paper-germany-japan-south-korea).
(27) Zie de officiële website van de International Trade Administration van de VS, namelijk: https://www.trade.gov/faq/final-determinations-antidumping-duty-investigations-thermal-paper-germany-japan-south-korea
(28) Verzoek, bijlage 6, tabellen “Verbruik naar klasse en geografisch gebied 2020”, “Verbruik naar geografisch gebied in metrieke ton 2022-2024” en “Verbruik naar klasse en geografisch gebied 2024”.
(29) Antwoord van Hansol Paper op de vragenlijst (t22.003569), tabellen K.3 van het bestand “R768 Tables K-L-M (HEB) - OPEN.pdf”.
(30) Verzoek, bijlage 6, blz. 21 (“Korea voert 78 % van zijn productie uit naar Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en ook naar andere Aziatische landen. [...] De uitvoer van Midden-en Zuid-Amerika is onbeduidend. De invoer (in Midden- en Zuid-Amerika) bedraagt 50 % van het verbruik, voornamelijk uit Europa, Noord-Amerika, China en Korea. De RW-landen in dit verband omvatten Azië (met uitzondering van China, Japan, Korea), Afrika en Australazië. De uitvoer (door RW-landen) is onbeduidend, maar RW-landen importeren 80 % van het verbruik voornamelijk uit Korea, China en Europa [...]”).
(31) In het licht van het U.S. Census Bureau bedroeg de invoer van thermisch papier uit Korea in 2020 54 337 ton (zie “import statistics” op de volgende website van de International Trade Administration van de VS: https://www.trade.gov/faq/final-determinations-antidumping-duty-investigations-thermal-paper-germany-japan-south-korea).
(32) Bron: De antwoorden op de vragenlijst van de indiener van het verzoek en de gecontroleerde individuele antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.
(33) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/98 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1331 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2023
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (1), en met name artikel 20,
Gezien Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2), en met name artikel 16,
Overwegende hetgeen volgt:
1. ACHTERGROND
|
(1) |
Op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie (3) past de Unie een definitieve vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten toe. De maatregel neemt de vorm aan van een tariefcontingent waarbij invoer vrij van rechten is toegestaan binnen een contingent op basis van historische handelsstromen. Het rechtenvrije contingent geldt voor de invoer naar het grondgebied van de Unie. Voor invoer die dit contingent te boven gaat, geldt een vrijwaringsrecht van 25 %. |
|
(2) |
Verordening (EU) 2023/1321 van het Europees Parlement en de Raad (4) betreffende de toepassing van de tariefcontingenten van de Unie en andere invoerquota is gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/2170 (5). |
|
(3) |
Als gevolg van deze wijziging komen de staalcategorieën 7 (Kwartoplaten van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal (6)) en 17 (Walsdraad, staven en profielen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal (7)) in de vrijwaringsmaatregel, vermeld in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2020/2170, van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk en via rechtstreeks vervoer vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk Noord-Ierland binnengebracht, in aanmerking voor behandeling op grond van de desbetreffende tariefcontingenten van de Unie indien die goederen op het grondgebied van Noord-Ierland in het vrije verkeer worden gebracht. |
2. PROCEDURE
|
(4) |
Op 30 maart 2023 heeft de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een mededeling bekendgemaakt waarin wordt uitgelegd dat het na de wijziging van Verordening (EU) 2020/2170 noodzakelijk was dat de Commissie de vrijwaringsverordening van de EU wijzigt door een nieuw tariefcontingent in te stellen dat beperkt is tot overdrachten naar Noord-Ierland van de in de bijlage bij Verordening (EU) 2023/1321 opgenomen productcategorieën van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk en rechtstreeks verzonden uit andere delen van het Verenigd Koninkrijk. Op die manier kunnen overdrachten van deze productcategorieën van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk en rechtstreeks verzonden vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk vrij van rechten Noord-Ierland binnenkomen totdat het toegewezen contingent is uitgeput. Op hoeveelheden die dit contingent te boven gaan, zou een vrijwaringsrecht van 25 % van toepassing zijn. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de inhoud van het bericht. |
|
(5) |
Om het passende volume van tariefcontingenten te berekenen dat, zoals bepaald in Verordening (EU) 2023/1321, de economische levensvatbaarheid van deze rechtstreekse overdrachten aan Noord-Ierland vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk zou waarborgen, heeft de Commissie, gezien de specifieke omstandigheden in Noord-Ierland, de beschikbare statistieken (8) geanalyseerd om het volume van overdrachten naar Noord-Ierland vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk te berekenen. |
|
(6) |
De tariefcontingenten die bij deze verordening worden ingesteld, mogen uitsluitend worden gebruikt voor goederen van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk, zoals vermeld in de bijlage bij Verordening (EU) 2023/1321, die via rechtstreeks vervoer vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk Noord-Ierland worden binnengebracht en op het grondgebied van Noord-Ierland in het vrije verkeer worden gebracht. Deze nieuwe tariefcontingenten hebben derhalve geen invloed op de toewijzing of de volumes van bestaande tariefcontingenten voor derde landen op het grondgebied van de Unie. |
Opmerkingen van belanghebbenden
|
(7) |
Het bericht van inleiding bood belanghebbenden de mogelijkheid om binnen een vastgestelde termijn opmerkingen in te dienen. De Commissie heeft geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2015/478 respectievelijk artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) 2015/755 ingestelde Comité vrijwaringsmaatregelen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Productnummers 7 en 17 van punt IV.1 (“Omvang tariefcontingenten”) van de tabel in bijlage IV bij Verordening (EU) 2019/159 worden gewijzigd en komen als volgt te luiden:
|
Productnummer |
Productcategorie |
GN-codes |
Toewijzing per land (indien van toepassing) |
Jaar 5 |
Jaar 6 |
Aanvullend recht |
Volgnummers |
||||||
|
Van 1.7.2022 t.e.m. 30.9.2022 |
Van 1.10.2022 t.e.m. 31.12.2022 |
Van 1.1.2023 t.e.m. 31.3.2023 |
Van 1.4.2023 t.e.m. 30.6.2023 |
Van 1.7.2023 t.e.m. 30.9.2023 |
Van 1.10.2023 t.e.m. 31.12.2023 |
Van 1.1.2024 t/m 31.3.2024 |
Van 1.4.2024 t/m 30.6.2024 |
||||||
|
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
Omvang tariefcontingent (ton netto) |
||||||||||||
|
“7 |
Kwartoplaten van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal |
7208 51 20 , 7208 51 91 , 7208 51 98 , 7208 52 91 , 7208 90 20 , 7208 90 80 , 7210 90 30 , 7225 40 12 , 7225 40 40 , 7225 40 60 , 7225 99 00 |
Oekraïne |
270 017,57 |
270 017,57 |
264 147,62 |
267 082,59 |
280 051,01 |
280 051,01 |
277 006,97 |
277 006,97 |
25 % |
09.8836 |
|
Andere landen |
554 571,27 |
554 571,27 |
542 515,37 |
548 543,32 |
575 178,29 |
575 178,29 |
568 926,35 |
568 926,35 |
25 % |
(9) |
|||
|
Verenigd Koninkrijk (naar Noord-Ierland vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk) |
— |
— |
— |
— |
5 231,58 |
5 231,58 |
5 174,72 |
5 174,72 |
25 % |
09.8498” |
|||
|
“17 |
Walsdraad, staven en profielen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal |
7216 31 10 , 7216 31 90 , 7216 32 11 , 7216 32 19 , 7216 32 91 , 7216 32 99 , 7216 33 10 , 7216 33 90 |
Oekraïne |
30 113,25 |
30 113,25 |
29 458,61 |
29 785,93 |
31 232,21 |
31 232,21 |
30 892,73 |
30 892,73 |
25 % |
09.8891 |
|
Andere landen |
64 947,85 |
64 947,85 |
63 535,94 |
64 241,90 |
67 361,21 |
67 361,21 |
66 629,03 |
66 629,03 |
25 % |
(18) |
|||
|
Verenigd Koninkrijk (naar Noord-Ierland vanuit andere delen van het Verenigd Koninkrijk) |
— |
— |
— |
— |
14 061,23 |
14 061,23 |
13 908,39 |
13 908,39 |
25 % |
09.8499” |
|||
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2023.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16) (“de EU-vrijwaringsverordening”).
(2) Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 31 van 1.2.2019, blz. 27).
(4) Verordening (EU) 2023/1321 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2020/2170 wat de toepassing van tariefcontingenten van de Unie en andere invoerquota op bepaalde naar Noord-Ierland overgebrachte staalproducten betreft (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).
(5) Verordening (EU) 2020/2170 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende de toepassing van de tariefcontingenten van de Unie en andere invoerquota (PB L 432 van 21.12.2020, blz. 1).
(6) GN-codes (alleen ter informatie): 7208 51 20, 7208 51 91, 7208 51 98, 7208 52 91, 7208 90 20, 7208 90 80, 7210 90 30, 7225 40 12, 7225 40 40, 7225 40 60, 7225 99 00.
(7) GN-codes (alleen ter informatie): 7216 31 10, 7216 31 90, 7216 32 11, 7216 32 19, 7216 32 91, 7216 32 99, 7216 33 10, 7216 33 90.
(8) Gegevens beschikbaar uit het elektronische systeem dat is opgezet op basis van de artikelen 55 en 56 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/102 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1332 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2023
tot verlenging van de vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 114044), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen, mestkalkoenen, opfokkalkoenen en gespeende biggen (vergunninghouder: Roal Oy) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 902/2009
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de redenen en procedures voor het verlenen en verlengen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. |
|
(2) |
Voor een enzympreparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei CBS 114044, was bij Verordening (EG) nr. 902/2009 van de Commissie (2) een vergunning voor tien jaar verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen, mestkippen, opfokleghennen, mestkalkoenen en opfokkalkoenen. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlenging van de vergunning voor het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 114044), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen, mestkalkoenen, opfokkalkoenen en gespeende biggen, in te delen in de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verteringsbevorderaars”. Het preparaat is verkrijgbaar in vaste en vloeibare formuleringen. De krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 4 oktober 2019 (3) en 27 januari 2021 (4) geconcludeerd dat het preparaat veilig blijft voor mestkippen, opfokleghennen, mestkalkoenen, opfokkalkoenen en gespeende biggen, de consument en het milieu. Zij heeft vastgesteld dat het preparaat niet irriterend is voor de huid en dat de geteste vloeibare vorm noch irriterend voor de ogen noch een huidallergeen is. De EFSA heeft voorts verklaard dat het toevoegingsmiddel in alle vormen als mogelijk inhalatieallergeen moet worden beschouwd. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(5) |
Uit de beoordeling van het preparaat blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het in de bijlage bij deze verordening gespecificeerd gebruik van dit toevoegingsmiddel moet daarom worden verlengd. De Commissie is van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de gezondheid van de mens — en met name voor de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. |
|
(6) |
Als gevolg van de verlenging van de vergunning voor het preparaat als toevoegingsmiddel voor diervoeding, moet Verordening (EG) nr. 902/2009 worden ingetrokken. |
|
(7) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor het preparaat vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen als gevolg van de verlenging van de vergunning te voldoen. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlenging van de vergunning
De vergunning voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verteringsbevorderaars”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
1. Het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei CBS 114044, en voormengsels die dat preparaat bevatten en die vóór 20 januari 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De voedermiddelen en mengvoeders die het in lid 1 vermelde preparaat bevatten en die vóór 20 juli 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
Artikel 3
Intrekking van Verordening (EG) nr. 902/2009
Verordening (EG) nr. 902/2009 wordt ingetrokken.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Verordening (EG) nr. 902/2009 van de Commissie van 28 september 2009 tot verlening van een vergunning voor een enzympreparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 114044), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen, mestkippen, opfokleghennen, mestkalkoenen en opfokkalkoenen (vergunninghouder: Roal Oy) (PB L 256 van 29.9.2009, blz. 23).
(3) EFSA Journal 2019;17(11):5880.
(4) EFSA Journal 2021;19(3):6458.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||
|
Activiteitseenheid/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||
|
Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars. |
|||||||||||||
|
4a8i |
Roal Oy |
Endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8) |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 114044), met een minimale activiteit van: in vaste vorm: 160 000 BXU (1)/g in vloeibare vorm: 160 000 BXU/g Karakterisering van de werkzame stof Endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8) geproduceerd door Trichoderma reesei CBS 114044 Analysemethode (2) Karakterisering van de werkzame stof in het toevoegingsmiddel en het voormengsel: test op reducerende suikers voor endo-1,4-bèta-xylanase door colorimetrische reactie van dinitrosalicylzuurreagens op de verkregen reducerende suikers bij een pH van 5,3 en een temperatuur van 50 °C. Karakterisering van de werkzame stof in het mengvoeder: colorimetrische methode die de in water oplosbare kleurstof meet die door het enzym wordt vrijgemaakt uit met azurine vernet tarwearabinoxylaansubstraat. |
Mestkippen en opfokleghennen |
— |
8 000 BXU |
— |
|
20 juli 2033 |
||||
|
Mestkalkoenen en fokkalkoenen |
16 000 BXU |
||||||||||||
|
Biggen (gespeend) |
24 000 BXU |
||||||||||||
(1) 1 BXU is de hoeveelheid enzym die bij een pH van 5,3 en een temperatuur van 50 °C 1 nmol reducerende suikers (xylose-equivalent) per seconde vrijmaakt uit berkenxylaan.
(2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/106 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1333 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2023
tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,3(4)-bèta-glucanase, geproduceerd door Aspergillus fijiensis CBS 589.94, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen en gespeende biggen (vergunninghouder: DSM Nutritional Products Ltd, vertegenwoordigd door DSM Nutritional Products Sp. z o.o.), tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1811/2005 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1259/2004
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de redenen en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 2, van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2). |
|
(2) |
Voor het preparaat van endo-1,3(4)-bèta-glucanase, geproduceerd door Aspergillus fijiensis CBS 589.94 (voorheen taxonomisch geïdentificeerd als Aspergillus aculeatus), is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen bij Verordening (EG) nr. 1259/2004 van de Commissie (3) en voor gespeende biggen bij Verordening (EG) nr. 1811/2005 van de Commissie (4). Vervolgens is dat preparaat overeenkomstig artikel 10, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de vergunning van het preparaat van endo-1,3(4)-bèta-glucanase, geproduceerd door Aspergillus fijiensis CBS 589.94, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen en gespeende biggen. De aanvrager heeft verzocht om het toevoegingsmiddel in de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verteringsbevorderaars” in te delen. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 23 november 2022 (5) geconcludeerd dat het preparaat onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid, de consumentenveiligheid of het milieu. Wat de veiligheid van de gebruikers bij het hanteren van het preparaat betreft, heeft de EFSA wegens het ontbreken van gegevens over de definitieve formuleringen geen conclusies kunnen trekken over de vraag of het toevoegingsmiddel irriterend kan zijn voor de huid of de ogen en of het mogelijk huidallergeen kan zijn, maar was zij van oordeel dat het toevoegingsmiddel wegens de proteïneachtige aard een inhalatieallergeen is. De EFSA heeft geconcludeerd dat het toevoegingsmiddel als zoötechnisch toevoegingsmiddel bij het aanbevolen minimumgehalte van 10 FBG/kg diervoeder werkzaam is bij mestkippen en speenvarkens. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethoden voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(5) |
Uit de beoordeling van het toevoegingsmiddel blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat toevoegingsmiddel moet daarom worden toegestaan. De Commissie is van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de menselijke gezondheid — en met name voor de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel — te voorkomen. |
|
(6) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor het betrokken preparaat vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen. |
|
(7) |
Als gevolg van de verlenging van de vergunning voor het preparaat van endo-1,3(4)-bèta-glucanase, geproduceerd door Aspergillus fijiensis CBS 589.94, als toevoegingsmiddel voor diervoeding moet Verordening (EG) nr. 1811/2005 worden gewijzigd en moet Verordening (EG) nr. 1259/2004 worden ingetrokken. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Vergunning
Voor het in de bijlage gespecificeerd preparaat, dat behoort tot de categorie “zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verteringsbevorderaars”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1811/2005
Artikel 1 van en bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1811/2005 worden geschrapt.
Artikel 3
Intrekking van Verordening (EG) nr. 1259/2004
Verordening (EG) nr. 1259/2004 wordt ingetrokken.
Artikel 4
Overgangsmaatregelen
1. Het in de bijlage gespecificeerde preparaat en de voormengsels die dat preparaat bevatten en die vóór 20 januari 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De mengvoeders en voedermiddelen die het in de bijlage gespecificeerde preparaat bevatten, en die vóór 20 juli 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
Artikel 5
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1259/2004 van de Commissie van 8 juli 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 239 van 9.7.2004, blz. 8).
(4) Verordening (EG) nr. 1811/2005 van de Commissie van 4 november 2005 tot verlening van voorlopige en permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 291 van 5.11.2005, blz. 12).
(5) EFSA Journal 2023;21(1):7703.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||
|
Activiteitseenheden/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
|||||||||||||
|
Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars. |
|||||||||||||
|
4a1603 |
DSM Nutritional Products Ltd, vertegenwoordigd door DSM Nutritional Products Sp. z o.o. |
Endo-1,3(4)-bèta-glucanase (EC 3.2.1.6) |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van endo-1,3(4)-bèta-glucanase (EC 3.2.1.6) geproduceerd door Aspergillus fijiensis CBS 589.94 met een minimumactiviteit van: in gecoate vorm: 50 FBG (1)/g. Vloeibare vorm: 120 FBG/mL Karakterisering van de werkzame stof Endo-1,3(4)-bèta-glucanase geproduceerd door Aspergillus fijiensis CBS 589.94 Analysemethode (2) Voor de kwantificering van de werkzaamheid van 1,3(4)-bèta-glucanase in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: colorimetrische methode voor het meten van kleurverbindingen die zijn geproduceerd door het dinitrosalicylzuur, gebaseerd op de enzymatische hydrolyse van bèta-glucaan bij een pH van 5,0 en een temperatuur van 50 °C. Voor de kwantificering van de werkzaamheid van 1,3(4)-bèta-glucanase in voormengsels en mengvoeders: colorimetrische methode voor het meten van in water oplosbare gekleurde fragmenten, gebaseerd op de enzymatische hydrolyse van vernet azogerstglucaan bij een pH van 4,5 en een temperatuur van 50 °C. |
Mestkippen Gespeende biggen |
— |
10 FBG |
— |
|
20 juli 2033 |
||||
(1) Eén glucanase-eenheid (FBG) komt overeen met de hoeveelheid enzym die onder standaardomstandigheden (pH 5,0 en 30 °C) in één minuut 1 μmol glucose of andere reducerende koolhydraten vrijmaakt.
(2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de website van het referentielaboratorium: https://joint-research-centre.ec.europa.eu/eurl-fa-eurl-feed-additives/eurl-fa-authorisation/eurl-fa-evaluation-reports_en
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/111 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1334 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2023
tot verlenging van de vergunning voor koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2010
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de redenen en procedures voor het verlenen en verlengen van dergelijke vergunningen, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. |
|
(2) |
Voor koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine was bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2010 van de Commissie (2) voor een periode van tien jaar een vergunning verleend als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlenging van de vergunning voor koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten, waarbij is verzocht om dat toevoegingsmiddel in te delen in de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verbindingen van sporenelementen”. De aanvraag omvatte een voorstel tot wijziging van de voorwaarden van de huidige vergunning, namelijk het verwijderen van de minerale olie uit het toevoegingsmiddel, dat derhalve als een stof en niet langer als een preparaat moet worden beschouwd. Daarnaast is het minimumgehalte aan koper in het toevoegingsmiddel enigszins gewijzigd. De krachtens artikel 14, lid 2, van die verordening vereiste nadere gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 5 mei 2021 (3) geconcludeerd dat de aanvrager bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit blijkt dat het toevoegingsmiddel, in de nieuwe samenstelling, onder de huidige gebruiksvoorwaarden veilig blijft voor alle diersoorten, de consumenten en het milieu. Zij heeft ook geconcludeerd dat het toevoegingsmiddel als irriterend voor de huid en de ogen en als huidallergeen wordt beschouwd, maar dat het risico op sensibilisatie van de luchtwegen als laag wordt beschouwd. De EFSA heeft verklaard dat de voorgestelde wijziging van de voorwaarden van de oorspronkelijke vergunning geen gevolgen heeft voor de werkzaamheid van het toevoegingsmiddel. Tot slot heeft de EFSA specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen niet nodig geacht. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 4, punt c), van Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie (4) was het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium van oordeel dat de conclusies en aanbevelingen van de vorige beoordeling van toepassing zijn op de huidige aanvraag. |
|
(6) |
Uit de beoordeling van koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. De vergunning voor het toevoegingsmiddel moet daarom worden verlengd. Daarnaast is de Commissie van mening dat passende beschermende maatregelen moeten worden genomen om ongunstige gevolgen voor de gezondheid van de gebruikers van het toevoegingsmiddel te voorkomen. |
|
(7) |
Als gevolg van de verlenging van de vergunning voor koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine als toevoegingsmiddel voor diervoeding, moet Verordening (EU) nr. 349/2010 worden ingetrokken. |
|
(8) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen als gevolg van de verlenging van de vergunning te voldoen, wat betreft de samenstelling van het toevoegingsmiddel, dat nu bestaat uit een stof, en aan de wijziging van het identificatienummer van het toevoegingsmiddel die daaruit voortvloeit. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlenging van de vergunning
De vergunning voor de in de bijlage gespecificeerde stof, die behoort tot de categorie “nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep “verbindingen van sporenelementen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd.
Artikel 2
Intrekking
Verordening (EU) nr. 349/2010 wordt ingetrokken.
Artikel 3
Overgangsmaatregelen
1. Het in de bijlage gespecificeerde toevoegingsmiddel en voormengsels die dat toevoegingsmiddel bevatten, en die vóór 20 januari 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.
2. De mengvoeders en voedermiddelen die het in de bijlage gespecificeerde toevoegingsmiddel bevatten, en die vóór 20 juli 2024 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.
3. De mengvoeders en voedermiddelen die het in de bijlage gespecificeerde toevoegingsmiddel bevatten, en die vóór 20 juli 2025 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 20 juli 2023 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.
Artikel 4
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Verordening (EU) nr. 349/2010 van de Commissie van 23 april 2010 tot verlening van een vergunning voor koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten (PB L 104 van 24.4.2010, blz. 31).
(3) EFSA Journal 2021;19(5):6618.
(4) Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie van 4 maart 2005 tot vaststelling van gedetailleerde voorschriften voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de verplichtingen en taken van het communautaire referentielaboratorium betreffende vergunningsaanvragen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 59 van 5.3.2005, blz. 8).
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of-categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||||||||||||||
|
Gehalte van het element (Cu) in mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % |
||||||||||||||||||||||||||
|
Categorie: nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verbindingen van sporenelementen. |
||||||||||||||||||||||||||
|
3b410i |
Koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel: Koperchelaat van het hydroxy-analoog van methionine met ten minste 16 % koper en 78 % (2-hydroxy-4-methylthio)butaanzuur Maximumgehalte aan nikkel: 20 ppm. Vaste vorm |
Alle diersoorten |
- |
- |
Runderen:
Schapen: 15 (totaal). Geiten: 35 (totaal). Biggen:
Schaaldieren: 50 (totaal). Andere dieren: 25 (totaal). |
|
20 juli 2033 |
||||||||||||||||||
|
Karakterisering van de werkzame stoffen: Chemische formule: koperbis(-2-hydroxy-4-methylthio)butanoaat: Cu(CH3S(CH2)2-CH(OH)-COO)2 CAS-nr.: 292140-30-8 |
||||||||||||||||||||||||||
|
Analysemethoden (1): Voor de kwantificering van het gehalte aan hydroxy-analoog van methionine in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: titrimetrie, potentiometrische titratie na redoxreactie. Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid koper in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:
Voor de kwantificering van het totaalgehalte aan koper in voormengsels:
Voor de kwantificering van de totale hoeveelheid koper in het mengvoeder:
|
||||||||||||||||||||||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports.
BESLUITEN
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/116 |
BESLUIT (EU) 2023/1335 VAN DE RAAD
van 27 juni 2023
tot benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (1), en met name artikel 16,
Gezien Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 van de Raad van 13 juli 2018 over de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (2),
Gezien Besluit (EU) 2023/133 van de Raad van 17 januari 2023 tot benoeming van de leden van de in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 bedoelde selectiecommissie (3),
Gezien de gemotiveerde adviezen en de rangschikking van de kandidaten die door de selectiecommissie zijn opgesteld,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het EOM is ingesteld bij Verordening (EU) 2017/1939. |
|
(2) |
De Europese aanklagers houden overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) 2017/1939 toezicht op onderzoek en vervolging. |
|
(3) |
Het mandaat van acht Europees aanklagers die bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 van de Raad (4) zijn benoemd voor een niet-verlengbare termijn van drie jaar, loopt af op 28 juli 2023. Ter waarborging van de continuïteit van het EOM, dat bestaat uit de Europees hoofdaanklager en één Europees aanklager per deelnemende lidstaat, moet de Raad acht Europees aanklagers benoemen voor de ambten die per 29 juli 2023 vacant zijn. |
|
(4) |
Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 is de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 (“de werkwijze van de selectiecommissie”) vastgesteld. |
|
(5) |
Krachtens artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 dient elke deelnemende lidstaat drie kandidaten voor het ambt van Europees aanklager voor te dragen uit kandidaten die actief lid zijn van het openbaar ministerie of de rechterlijke macht van de betrokken lidstaat, die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en die aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden lidstaten de hoogste ambten als aanklager of rechterlijke ambten te bekleden, en die beschikken over relevante praktische ervaring met nationale rechtsstelsels, met financiële onderzoeken en met internationale justitiële samenwerking in strafzaken. |
|
(6) |
Griekenland, Italië, Cyprus, Litouwen en Oostenrijk hebben de kandidaten voor de ambten die vanaf 29 juli 2023 vacant worden, voorgedragen. |
|
(7) |
De selectiecommissie heeft de gemotiveerde adviezen en de rangschikking opgesteld van elk van de door deze lidstaten voorgedragen kandidaten die aan de voorwaarden in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1939 voldoen, en deze aan de Raad voorgelegd, die ze heeft ontvangen op 2 mei 2023. |
|
(8) |
Krachtens de vierde alinea van punt VII.2 van de werkwijze van de selectiecommissie heeft de selectiecommissie de kandidaten volgens hun kwalificaties en ervaring gerangschikt. Deze rangschikking geeft de voorkeur van de selectiecommissie weer en is niet bindend voor de Raad. |
|
(9) |
Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1939 selecteert en benoemt de Raad, na ontvangst van de gemotiveerde adviezen van de selectiecommissie, één van de kandidaten tot Europees aanklager van de deelnemende lidstaat in kwestie. |
|
(10) |
Overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1939 selecteert en benoemt de Raad met gewone meerderheid van stemmen de Europese aanklagers voor een niet-verlengbare termijn van zes jaar. |
|
(11) |
De Raad heeft de respectieve verdiensten van de kandidaten beoordeeld aan de hand van de gemotiveerde adviezen van de selectiecommissie. |
|
(12) |
Met betrekking tot het gemotiveerde advies inzake de door Cyprus voorgedragen kandidaten, toont de selectiecommissie afdoende aan dat deze lidstaat objectief gezien, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden in die lidstaat, onmogelijk binnen een redelijke termijn een andere kandidaat kan vinden, ondanks het feit dat die lidstaat daarvoor al het nodige in het werk heeft gesteld. Derhalve zijn de voorwaarden van punt VII.2, derde alinea, van de werkwijze van de selectiecommissie vervuld. In het licht van de hierboven vermelde uitzonderlijke omstandigheden heeft de Raad geoordeeld dat het gemotiveerde advies dat is ingediend met betrekking tot de door Cyprus voorgedragen kandidaten hem voldoende keuze aan geschikte kandidaten bood en, aangezien ieder verder uitstel bij de benoeming van de Europese aanklagers de doeltreffendheid van het Unierecht ernstig zou aantasten, heeft hij besloten om op deze basis verder te handelen. |
|
(13) |
Op basis van een beoordeling van de verdiensten van de kandidaten heeft de Raad de door de selectiecommissie aangegeven niet-bindende volgorde van voorkeur gevolgd voor de door Griekenland, Cyprus, Litouwen en Oostenrijk voorgedragen kandidaten. |
|
(14) |
Wat de door Italië voorgedragen kandidaten betreft, heeft de Raad, op basis van een beoordeling van de verdiensten van die kandidaten door de bevoegde voorbereidende instanties van de Raad, en rekening houdend met de gemotiveerde adviezen van de selectiecommissie en met aanvullende informatie en met door Italië ingediende relevante documenten, de niet-bindende volgorde van voorkeur van de selectiecommissie niet gevolgd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De volgende personen worden benoemd tot Europees aanklagers van het EOM voor een niet-verlengbare termijn van zes jaar met ingang van 29 juli 2023:
|
|
De heer Nikolaos PASCHALIS (5), |
|
|
De heer Andrea VENEGONI (6), |
|
|
Mevrouw Anne PANTAZI LAMPROU (7), |
|
|
De heer Gedgaudas NORKŪNAS (8), |
|
|
Mevrouw Ursula SCHMUDERMAYER (9). |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Luxemburg, 27 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
(2) PB L 282 van 12.11.2018, blz. 8.
(3) PB L 17 van 19.1.2023, blz. 90.
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 van de Raad van 27 juli 2020 houdende benoeming van de Europees aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie (PB L 244 van 29.7.2020, blz. 18).
(5) Voorgedragen door Griekenland.
(6) Voorgedragen door Italië.
(7) Voorgedragen door Cyprus.
(8) Voorgedragen door Litouwen.
(9) Voorgedragen door Oostenrijk.
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/119 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/1336 VAN DE COMMISSIE
van 16 juni 2023
betreffende door België en Luxemburg te nemen corrigerende maatregelen met betrekking tot bepaalde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 3852)
(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (1) (de kaderverordening), en met name artikel 11, lid 3, punt c), derde alinea,
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 van de Commissie van 11 februari 2019 tot vaststelling van een prestatie- en heffingsregeling in het gemeenschappelijk Europees luchtruim en tot intrekking van Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 390/2013 en (EU) nr. 391/2013 (2), en met name artikel 15, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
ALGEMENE OVERWEGINGEN
|
(1) |
Krachtens artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 moeten de lidstaten, op nationaal niveau of op het niveau van functionele luchtruimblokken (FAB’s), bindende prestatiedoelstellingen vaststellen voor elke referentieperiode van de prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties. Die prestatiedoelstellingen moeten verenigbaar zijn met de Uniewijde prestatiedoelstellingen die door de Commissie zijn vastgesteld voor de betreffende referentieperiode. |
|
(2) |
Als reactie op de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1627 van de Commissie (3) uitzonderlijke afwijkingsmaatregelen van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 vastgesteld voor de derde referentieperiode. Op basis daarvan zijn bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/891 van de Commissie (4) herziene EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode (“RP3”) vastgesteld. |
|
(3) |
België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland hebben gezamenlijk op het niveau van het functionele luchtruimblok Europe Central (Fabec) een ontwerpprestatieplan voor RP3 (“het ontwerpprestatieplan”) vastgesteld, dat in oktober 2021 bij de Commissie is ingediend. Na een beoordeling heeft de Commissie in Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 (5) geconcludeerd dat de in dat ontwerpprestatieplan opgenomen prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie voor de Belgisch-Luxemburgse en-routeheffingszone (“Belgisch-Luxemburgse heffingszone”) onverenigbaar waren met de Uniewijde prestatiedoelstellingen en heeft zij aanbevelingen gedaan voor de herziening van die lokale prestatiedoelstellingen. Zwitserland is ook lid van Fabec en nam deel aan de opstelling van het Fabec-ontwerpprestatieplan. Als derde land dat onderworpen is aan de prestatie- en heffingsregeling overeenkomstig de luchtvervoersovereenkomst tussen de EU en Zwitserland, is Zwitserland bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/780 van de Commissie (6) van 13 april 2022 afzonderlijk in kennis gesteld van het feit dat de lokale prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie van België en Luxemburg in het ontwerpprestatieplan van Fabec onverenigbaar waren met de Uniewijde prestatiedoelstellingen. |
|
(4) |
Op 13 juli 2022 hebben België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland een herzien Fabec-prestatieplan (“het herziene ontwerpprestatieplan”) voor RP3 ingediend bij de Commissie. |
|
(5) |
Op 24 oktober 2022 heeft de Commissie bij Besluit (EU) 2022/2255 (7) het in artikel 15, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 bedoelde gedetailleerde onderzoek (“het gedetailleerde onderzoek”) geopend met betrekking tot de herziene prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie die in het herziene ontwerpprestatieplan zijn voorgesteld voor de Belgisch-Luxemburgse heffingszone. |
|
(6) |
Frankrijk, Duitsland en Nederland hebben de Commissie op respectievelijk 28 oktober 2022, 3 november 2022 en 4 november 2022 meegedeeld dat zij zich hebben teruggetrokken uit het herziene ontwerpprestatieplan dat gezamenlijk op Fabec-niveau is opgesteld. Tegelijkertijd hebben die lidstaten bij de Commissie afzonderlijke herziene ontwerpen van nationale prestatieplannen voor RP3 ingediend. |
|
(7) |
Na een nieuwe beoordeling heeft de Commissie vastgesteld dat de respectieve herziene nationale prestatiedoelstellingen verenigbaar waren met de Uniewijde prestatiedoelstellingen en heeft zij Frankrijk, Duitsland en Nederland daarvan in kennis gesteld bij respectievelijk Besluiten (EU) 2023/176 (8), (EU) 2023/177 (9) en (EU) 2023/179 (10) van de Commissie. Zwitserland heeft de Commissie ervan in kennis gesteld dat het zich heeft teruggetrokken uit het herziene ontwerpprestatieplan en heeft op 4 november 2022 een herzien ontwerp van nationaal prestatieplan ingediend. De Commissie heeft vastgesteld dat de prestatiedoelstellingen in het herziene ontwerp van nationaal prestatieplan van Zwitserland verenigbaar zijn met de Uniewijde prestatiedoelstellingen en heeft Zwitserland daarvan in kennis gesteld bij Besluit (EU) 2022/178 van de Commissie van 14 december 2022. |
|
(8) |
België en Luxemburg hebben geen afzonderlijke nationale prestatieplannen aangemeld. Als gevolg daarvan blijft het herziene ontwerpprestatieplan dat eerder op FAB-niveau is vastgesteld, en dat het voorwerp vormt van het gedetailleerde onderzoek dat de Commissie bij Besluit (EU) 2022/2255 heeft ingesteld, de basis voor de beoordeling van de prestatiedoelstellingen van België en Luxemburg. |
|
(9) |
Daarom mag dit besluit alleen tot België en Luxemburg worden gericht omdat Frankrijk, Duitsland en Nederland zich uit het voor Fabec ingediende herziene ontwerpprestatieplan hebben teruggetrokken en afzonderlijke nationale prestatieplannen hebben ingediend. Die plannen werden verenigbaar bevonden met de EU-wijde prestatiedoelstellingen (zie de in overweging 7 bedoelde besluiten van de Commissie). |
|
(10) |
Op 27 oktober 2022 hebben de diensten van de Commissie België een eerste verzoek om inlichtingen gestuurd met betrekking tot de elementen waarop het gedetailleerde onderzoek betrekking had. De brief van de diensten van de Commissie aan België van 27 oktober 2022 is ook gelijktijdig naar Luxemburg gestuurd, uitsluitend ter informatie. In antwoord op dat verzoek hebben de Belgische autoriteiten de diensten van de Commissie op 6 november 2022 en 9 november 2022 informatie doen toekomen die zij van verleners van luchtvaartnavigatiediensten (ANSP’s) hadden ontvangen. |
|
(11) |
Op 9 november 2022 heeft in Brussel een vergadering plaatsgevonden tussen de diensten van de Commissie en de Belgische autoriteiten. |
|
(12) |
Op 11 november 2022 hebben de diensten van de Commissie België een tweede verzoek om inlichtingen gestuurd en op 28 november 2022 hebben zij aanvullende documenten van de Belgische autoriteiten ontvangen. De brief van de diensten van de Commissie aan België van 11 november 2022 is ook gelijktijdig naar Luxemburg gestuurd, uitsluitend ter informatie. |
|
(13) |
Op 29 november 2022 hebben de diensten van de Commissie België om nadere informatie verzocht. De Belgische autoriteiten hebben op 8 december 2022 op dat verzoek geantwoord en hebben tevens de gegevens en informatie die zij op 28 november 2022 hadden verstrekt, aangevuld. De brief van de diensten van de Commissie aan België van 29 november 2022 is ook gelijktijdig naar Luxemburg gestuurd, uitsluitend ter informatie. |
|
(14) |
Op 8 december 2022 en 15 december 2022 hebben de diensten van de Commissie een ontmoeting gehad met de Belgische autoriteiten. |
|
(15) |
Op 20 december 2022 hebben de diensten van de Commissie België een definitief verzoek om inlichtingen gestuurd. De Belgische autoriteiten hebben op 12 januari 2023 aanvullende informatie verstrekt in antwoord op dat verzoek. De brief van de diensten van de Commissie aan België van 20 december 2022 is ook gelijktijdig naar Luxemburg gestuurd, uitsluitend ter informatie. |
|
(16) |
Op 3 februari 2023 hebben de diensten van de Commissie Luxemburg verzocht eventuele relevante aanvullende opmerkingen in te dienen met betrekking tot de informatie die België in antwoord op de in de overwegingen 10, 12, 13 en 15 bedoelde verzoeken om informatie heeft verstrekt. De Luxemburgse autoriteiten hebben geen informatie verstrekt in antwoord op het verzoek van de diensten van de Commissie. |
|
(17) |
Op 2 maart 2023 hebben de diensten van de Commissie een ontmoeting gehad met de autoriteiten van België en Luxemburg. |
BEOORDELING VAN DE HERZIENE PRESTATIEDOELSTELLINGEN TIJDENS HET GEDETAILLEERDE ONDERZOEK
Reikwijdte van het gedetailleerde onderzoek
|
(18) |
Het prestatiebeoordelingsorgaan, dat de Commissie bijstaat bij de uitvoering van de prestatieregeling overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004, heeft bij de Commissie verslagen ingediend over de beoordeling van het herziene ontwerpprestatieplan en over het gedetailleerde onderzoek van de herziene prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie die voor de Belgisch-Luxemburgse heffingszone zijn voorgesteld. |
|
(19) |
De Commissie merkt op dat de in het herziene ontwerpprestatieplan vastgestelde prestatiedoelstellingen inzake veiligheid, capaciteit en milieu ongewijzigd zijn gebleven. De Commissie heeft in Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/758 en in Besluit (EU) 2022/2255 geen bevindingen met betrekking tot die prestatiedoelstellingen geformuleerd. Daarom worden in dit besluit geen verdere opmerkingen gemaakt over de beoordeling van de doelstellingen inzake veiligheid, capaciteit en milieu. |
|
(20) |
Het gedetailleerde onderzoek heeft de Commissie in staat gesteld de door België en Luxemburg voorgestelde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie (zoals weergegeven in de onderstaande tabel) verder te analyseren, gezien de in Besluit (EU) 2022/2255 uiteengezette twijfels over de verenigbaarheid ervan met de EU-wijde prestatiedoelstellingen.
|
|
(21) |
Het gedetailleerde onderzoek had betrekking op de elementen in de bijlage bij Besluit (EU) 2022/2255 en was gericht op diensten met betrekking tot het luchtruim van België. Om die reden zijn de verzoeken om inlichtingen van de diensten van de Commissie (zie de overwegingen 10 tot en met 15) aan de Belgische autoriteiten gericht, terwijl de relevante nationale autoriteiten van Luxemburg deze verzoeken om inlichtingen alleen ter informatie hebben ontvangen. |
Beoordeling van de herziene prestatiedoelstellingen op basis van de beoordelingscriteria van bijlage IV, punt 1.4, a), b) en c), bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317
|
(22) |
De Commissie heeft de verenigbaarheid van de in overweging 18 voorgestelde herziene prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie met de Uniewijde prestatiedoelstellingen beoordeeld overeenkomstig de beoordelingscriteria van punt 1.4, a), b) en c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, rekening houdend met de bevindingen van het gedetailleerde onderzoek die zijn uiteengezet in de overwegingen 26 tot en met 67 hieronder. |
|
(23) |
Wat betreft de criteria die zijn vastgesteld in punt 1.4, a) en b), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, merkt de Commissie op dat de prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie voor de Belgisch-Luxemburgse heffingszone achterblijven bij zowel de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten in RP3 als de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten in RP2 en RP3 samen. De tendens van de bepaalde eenheidskosten in RP3, namelijk +1,9 % in België en Luxemburg, voldoet immers niet aan de Uniewijde tendens van +1,0 % in diezelfde periode, terwijl de langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten van +1,1 % aanzienlijk boven het niveau van de overeenkomstige Uniewijde tendens van –1,3 % ligt. |
|
(24) |
Wat betreft het criterium in punt 1.4, c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, merkt de Commissie op dat de basiswaarde voor de bepaalde eenheidskosten van 83,26 EUR in prijzen van 2017 (EUR 2017) 13,2 % hoger ligt dan de gemiddelde basiswaarde van de vergelijkingsgroep (73,53 EUR in EUR 2017). |
|
(25) |
De Commissie heeft haar beoordeling van de Belgisch-Luxemburgse prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie verder onderbouwd in het gedetailleerde onderzoek op basis van de beoordelingscriteria van punt 1.4, a), b) en c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 door de volgende elementen te analyseren:
|
Bevindingen betreffende de bepaalde kosten voor de heffingszone, uitgesplitst naar ANSP
|
(26) |
De Commissie merkt op dat het herziene ontwerpprestatieplan resulteert in bepaalde eenheidskosten van 89,87 EUR (in EUR 2017) voor het jaar 2024 voor de heffingszone België-Luxemburg, zoals uiteengezet in overweging 18. Dit is het hoogste niveau van bepaalde eenheidskosten voor 2024 van alle en-routeheffingszones die onder het toepassingsgebied van de prestatie- en heffingsregeling vallen. |
|
(27) |
De onderzochte heffingszone wordt bediend door drie verleners van luchtvaartnavigatiediensten: skeyes, het Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC) en de Air Navigation Administration of Luxembourg (ANA Luxembourg). Bovendien worden bepaalde kosten gemaakt voor de nationale toezichthoudende autoriteiten van respectievelijk België en Luxemburg. |
|
(28) |
De onderstaande tabel geeft weer hoe de kostenbasis van de heffingszone per entiteit is verdeeld en hoe de respectieve kosten van die entiteiten zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld.
|
|
(29) |
Met betrekking tot de bepaalde kosten voor 2024 merkt de Commissie op dat skeyes 59 % van de bepaalde kosten van de heffingszone en MUAC 33 % vertegenwoordigt. De overige 8 % komt voor rekening van ANA Luxemburg en de NSA’s van België en Luxemburg. |
|
(30) |
De Commissie erkent dat in het herziene ontwerpprestatieplan de totale bepaalde kosten voor de heffingszone voor 2024 19,3 miljoen EUR (in EUR 2017) lager zijn dan in het ontwerpprestatieplan. De Commissie merkt op dat dit in grote mate te danken is aan de kostenverlaging van 16 miljoen EUR (in EUR 2017) die skeyes heeft doorgevoerd. Volgens België heeft skeyes die kostenverlaging bereikt door:
|
|
(31) |
Anderzijds merkt de Commissie op dat de aan de heffingszone toegerekende kosten van MUAC in het herziene ontwerpprestatieplan vrijwel ongewijzigd zijn gebleven, op een kleine kostenverlaging van 0,3 miljoen EUR (in EUR 2017) na. |
|
(32) |
Op basis van de evaluatie door het PBO merkt de Commissie op dat de reële kosten van zowel skeyes als MUAC aanzienlijk zijn toegenomen tijdens RP2 en zijn blijven stijgen tijdens RP3, voornamelijk als gevolg van hogere personeelskosten en andere exploitatiekosten. In 2024 zullen de personeelskosten van skeyes naar verwachting 6,9 % hoger liggen dan in 2019, wat neerkomt op 6,5 miljoen EUR (in EUR 2017). Voor MUAC is de stijging van de personeelskosten in de heffingszone, in vergelijking met 2019, nog groter: deze kosten zullen in 2024 naar verwachting 30 % hoger zijn dan in 2019, wat neerkomt op een stijging van 15,0 miljoen EUR (in EUR 2017). |
|
(33) |
De bepaalde kosten voor ANA Luxembourg en de NSA’s van België en Luxemburg geven geen aanleiding tot bezorgdheid. |
Specifieke opmerkingen met betrekking tot skeyes
|
(34) |
Met betrekking tot skeyes, dat het grootste deel van de bepaalde kosten in de heffingszone vertegenwoordigt, heeft de Commissie een aanvullende benchmarkanalyse ontvangen van het PBO. Uit die analyse blijkt dat de relatieve prestaties van skeyes op het gebied van kostenefficiëntie zijn verslechterd in vergelijking met LVNL (14), dat een sterk vergelijkbare operationele omgeving heeft en deel uitmaakt van dezelfde vergelijkingsgroep voor de beoordeling van de prestatiedoelstellingen op het prestatiekerngebied kostenefficiëntie (15). Aan het einde van RP2 waren de eenheidskosten van skeyes voor 2019 2,2 % hoger dan die van LVNL (16). Tegen het einde van RP3, in 2024, zullen de eenheidskosten van skeyes, na de in overweging 30 bedoelde eenmalige kostenverlaging met 6,5 miljoen EUR (in EUR 2017), naar verwachting 9,4 % hoger zijn dan de eenheidskosten van LVNL. |
|
(35) |
Volgens de evaluatie van het PBO wordt dit verschil in kostenefficiëntie tussen skeyes en LVNL voornamelijk veroorzaakt door de personeelskosten. Op basis van het herziene ontwerpprestatieplan is skeyes van plan om in 2024 per en-route-diensteenheid 23 % meer uit te geven aan personeelskosten dan LVNL. In monetaire termen en aangepast aan de jaarlijkse kostenbasis van skeyes, zou dit voor de luchtruimgebruikers een meerkost van 18,7 miljoen EUR (in EUR 2017) betekenen voor dat jaar. |
|
(36) |
Voorts merkt de Commissie op dat de kostenefficiëntie van skeyes aanzienlijk wordt beïnvloed door de kosten die voortvloeien uit een regeling voor vervroegde uittreding, genaamd “Dispo-regeling voor functionele beschikbaarheid” (“Dispo-regeling” of “Dispo”); volgens deze regeling kunnen luchtverkeersleiders (ATCO’s) die bij skeyes werken overeenkomstig de Belgische wetgeving (17) vijf jaar vóór hun wettelijke pensioneringsdatum uit dienst worden genomen. Gedurende die vijf jaar ontvangen zij 75 % tot 85 % van hun laatste salaris. Volgens de informatie in het ontwerpprestatieplan worden luchtverkeersleiders momenteel in de Dispo-regeling geplaatst op de leeftijd van 56 jaar en zal deze leeftijdsgrens vanaf 2025 worden opgetrokken tot 57 jaar. |
|
(37) |
De Commissie merkt op dat de kosten van de Dispo-regeling volledig worden gedragen door skeyes, dat deze kosten doorrekent aan de luchtruimgebruikers via zijn en-route- en terminalkostenbasis. Op basis van de historische kostengegevens en de gedetailleerde toekomstige kostenramingen voor RP3 die door België zijn verstrekt, bedragen de uit de Dispo-regeling voortvloeiende en-routekosten in totaal 29 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3 en zijn zij bijna verdubbeld ten opzichte van RP2. Voor het jaar 2024 heeft België gerapporteerd dat de bepaalde en-routekosten die voortvloeien uit de Dispo-regeling 8,7 miljoen EUR (in EUR 2017) bedragen. |
|
(38) |
De Commissie erkent dat de stijging van de kosten van Dispo in de loop van de tijd wordt veroorzaakt door het grotere aantal ATCO’s dat gebruikmaakt van die regeling. België heeft gerapporteerd dat, voor skeyes in zijn geheel, in 2022 in totaal 43 vte’s gebruikmaakten van de Dispo-regeling, maar dat dit aantal in 2024 zal stijgen tot 71, en verwacht dat dit aantal zelfs na RP3 gestaag zal blijven toenemen, ten minste tot 2030. |
|
(39) |
De Commissie merkt op dat de betrokken ATCO’s tijdens hun plaatsing in de Dispo-regeling ter beschikking van skeyes blijven en dat skeyes hen op elk ogenblik, tegen volledige vergoeding, kan terugroepen om andere taken dan die van een operationele ATCO uit te voeren. Uit de door België verstrekte informatie blijkt echter dat in de praktijk slechts een zeer beperkt aantal ATCO’s die gebruikmaken van de Dispo-regeling door skeyes is teruggeroepen. Sinds 2015 zijn 17 ATCO’s teruggeroepen, waarvan sommige meerdere malen voor verschillende functies. Volgens de ramingen van het PBO hebben die teruggeroepen ATCO’s in 2022 een bijdrage van ongeveer 4 vte’s geleverd aan de activiteiten in verband met en-routedienstverlening. Deze 4 vte’s vertegenwoordigen slechts een tiende van de totale pool van vte’s die in het kader van Dispo beschikbaar hadden kunnen zijn. Dit wijst erop dat skeyes slechts in zeer beperkte mate gebruikmaakt van het Dispo-personeel. |
|
(40) |
België heeft in het herziene ontwerpprestatieplan geen verzachtende maatregelen voorgesteld om de toenemende financiële impact van de Dispo-regeling op de RP3-kostenbasis te beperken. |
Specifieke opmerkingen met betrekking tot MUAC
|
(41) |
De Commissie heeft verder onderzocht hoe de lidstaten die partij zijn bij de MUAC-overeenkomst (18), namelijk België, Duitsland, Luxemburg en Nederland (“de MUAC-staten”), de totale bepaalde kosten van MUAC aan hun respectieve heffingszones toerekenen. |
|
(42) |
In dit verband merkt de Commissie op dat de bepaalde kosten van MUAC over de MUAC-staten worden verdeeld op basis van één enkel criterium, namelijk het aantal gekwalificeerde ATCO’s die op 1 januari van elk jaar in dienst zijn of gepland zijn in de drie sectorgroepen (19) van MUAC. De Commissie merkt voorts op dat 92 % van de kosten van de Brusselse sectorgroep (“Brusselse sector”) wordt toegerekend aan de heffingszone België-Luxemburg. De twee andere MUAC-sectorgroepen, te weten de “DECO-sectorgroep” en de “Hannover-sectorgroep”, bevinden zich buiten de geografische werkingssfeer van de Belgisch-Luxemburgse heffingszone en genereren dus geen kosten die aan die heffingszone worden toegerekend. |
|
(43) |
De Commissie begrijpt dat de kostentoerekeningsmethode is vastgelegd in de MUAC-overeenkomst en gebaseerd is op de aanname dat het aantal ATCO’s in elke sector een weerspiegeling vormt van de werklast en dus ook van de kosten van de dienstverlening en de complexiteit van elke sector. |
|
(44) |
De Commissie merkt echter op dat België de afgelopen jaren zijn bezorgdheid heeft geuit over de gevolgen van deze kostentoerekeningsmethode voor zijn heffingszone. België voert met name aan dat zijn bijdrage tot de totale kosten van MUAC, berekend op basis van het aantal aan de Brusselse sector toegewezen ATCO’s, onevenredig hoog is wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat de Brusselse sector verhoudingsgewijs een lager aantal diensteenheden en daarmee samenhangende inkomsten genereert in vergelijking met de twee andere MUAC-sectoren. België wijst er voorts op dat de grotere complexiteit van zijn luchtruim, die leidt tot extra werklast voor ATCO’s, verklaart waarom de kosten per diensteenheid van de Brusselse sector hoger zijn dan die van de twee andere MUAC-sectoren. |
|
(45) |
Op basis van de evaluatie van het PBO merkt de Commissie op dat het aandeel van de totale MUAC-kosten dat aan België en Luxemburg is toegewezen, mettertijd inderdaad is toegenomen, aangezien ook het aantal aan de Brusselse sector toegewezen ATCO’s is toegenomen. Terwijl België en Luxemburg in 2014 goed waren voor 32 % van de MUAC-kosten, is dat aandeel in RP3 gestegen tot 34 %. Het effect van deze stijging op de kostenbasis van de Belgisch-Luxemburgse heffingszone wordt verder versterkt door de algemene stijging van de totale MUAC-kosten. De Commissie merkt op dat de bepaalde MUAC-kosten voor de heffingszone België-Luxemburg voor 2024 in reële termen 39 % hoger liggen dan in 2014 (20), terwijl de diensteenheden voor de heffingszone in 2024 naar verwachting slechts 11 % hoger zullen zijn dan in 2014. |
|
(46) |
De Commissie neemt nota van de verklaring van België tijdens het gedetailleerde onderzoek, namelijk dat de in 1986 vastgestelde methode voor de financiering van de kosten van MUAC “gebaseerd is op een kostendekkingssysteem” en “niet in overeenstemming is met de economische regelgeving die door de prestatieregeling wordt opgelegd”. Volgens de opmerkingen van het PBO profiteert MUAC de facto van een zogenaamd systeem van volledige kostendekking. Hoewel MUAC een verlener van luchtvaartnavigatiediensten is die binnen het toepassingsgebied van de prestatie- en heffingsregeling overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 valt, draagt het dus niet de financiële risico’s of past het niet de financiële stimulansen toe die voortvloeien uit het in artikel 27 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 vastgestelde mechanisme voor verkeersrisicodeling, het in artikel 28 van die uitvoeringsverordening vastgestelde mechanisme voor kostenrisicodeling en de stimulansen voor het behalen van de in artikel 11, lid 3, van die uitvoeringsverordening vastgestelde capaciteitsdoelstellingen. |
|
(47) |
De Commissie merkt op dat de informatie die voor het eerst is verkregen tijdens het gedetailleerde onderzoek naar de uitvoering van de prestatie- en heffingsregeling met betrekking tot MUAC, aanleiding geeft tot bezorgdheid over de naleving van de relevante wettelijke voorschriften. Deze conclusie doet geen afbreuk aan eventuele inbreukprocedures die de Commissie ter zake kan inleiden. |
Kosten in verband met de uitgestelde of geannuleerde RP2-investeringen
|
(48) |
De Commissie merkt op dat zowel skeyes als MUAC tijdens RP2 verschillende geplande investeringen in vaste activa, die deel uitmaakten van het prestatieplan voor RP2, hebben uitgesteld of geannuleerd. Deze investeringen werden gedeeltelijk doorgerekend aan de luchtruimgebruikers als onderdeel van de kostenbasis voor de heffingszone België-Luxemburg, ondanks het feit dat ze niet werden voltooid en dus niet de verwachte operationele voordelen hebben opgeleverd. Volgens de berekeningen van het PBO heeft dit in nominale termen en voor RP2 als geheel geleid tot een winst van 7,8 miljoen EUR voor skeyes en 2,1 miljoen EUR voor MUAC. België geeft aan dat het niet van plan is om de bedragen die het in RP2 aan de luchtruimgebruikers heeft doorgerekend voor de geplande maar niet uitgevoerde investeringen in vaste activa, terug te betalen, aangezien het van mening is dat dit niet wettelijk verplicht is voor RP2. |
|
(49) |
Indien sommige van die RP2-investeringen in een later stadium toch worden gedaan, moeten de nationale veiligheidsinstanties van België en Luxemburg er overeenkomstig artikel 22, lid 7, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 voor zorgen dat daarmee verband houdende bedragen die reeds in RP2 zijn terugverdiend, niet voor een tweede keer worden doorgerekend aan luchtruimgebruikers in RP3 of in daaropvolgende referentieperioden. |
Bevindingen met betrekking tot de complexiteit van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in de heffingszone en de ontwikkeling ervan in de loop van de tijd
|
(50) |
België en Luxemburg voeren aan dat de complexiteit van het luchtruim een belangrijke factor is achter de afwijking van hun voorgestelde prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie ten opzichte van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten omdat dit de relatieve werklast van ATCO’s verhoogt en dus een negatief effect heeft op hun productiviteit en op de en-routekostenbasis. |
|
(51) |
Gezien de bevindingen van het PBO erkent de Commissie dat het luchtruim in de heffingszone van België en Luxemburg zeer complex is vanwege het grote aantal vluchten en de combinatie van vluchttrajecten. Skeyes en MUAC hebben dus te maken met complexe bedrijfsomstandigheden. |
|
(52) |
De Commissie merkt echter op dat België en Luxemburg geen bewijs hebben verstrekt waaruit blijkt dat de activiteiten in RP3 complexer zijn geworden dan in RP2, of dat de complexiteit in de resterende maanden van RP3 verder zou toenemen. |
|
(53) |
Op basis van de beschikbare informatie, die verder is geanalyseerd door het PBO, is de complexiteit tijdens RP2 relatief stabiel gebleven voor zowel skeyes als MUAC. Wat 2020 en 2021 betreft, kunnen geen zinvolle conclusies worden getrokken over de complexiteit van de activiteiten vanwege de uitzonderlijk lage verkeersniveaus als gevolg van de COVID-19-pandemie. Wat de rest van RP3 betreft, zijn er geen aanwijzingen dat de complexiteit aanzienlijk zou verschillen van de situatie tijdens RP2. |
|
(54) |
Aangezien de relatief grote complexiteit van de activiteiten in de heffingszone België en Luxemburg in de loop van de tijd onder normale verkeersomstandigheden constant is gebleven, zoals uiteengezet in overwegingen 52 en 53, is de Commissie van mening dat deze complexiteit niet kan worden aangevoerd als rechtvaardiging voor de kostenstijgingen in RP3. De bevindingen in overweging 23 met betrekking tot de beoordelingscriteria van punt 1.4, a) en b), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 blijven dan ook gehandhaafd. |
|
(55) |
Voorts herinnert de Commissie eraan dat bij de vaststelling van de vergelijkingsgroepen van verleners van luchtvaartnavigatiediensten, die worden gebruikt voor het beoordelingscriterium van punt 1.4, c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, reeds rekening is gehouden met de complexiteit van de activiteiten. De groepen die met elkaar worden vergeleken, bestaan uit verleners van luchtvaartnavigatiediensten met vergelijkbare operationele en economische omstandigheden; de vergelijkingsgroep van België en Luxemburg bestaat uit Oostenrijk, Zwitserland en Nederland, die allemaal te maken hebben met een relatief complexe operationele omgeving. De bevindingen in overweging 24 met betrekking tot de beoordelingscriteria van punt 1.4, c), van bijlage IV blijven dan ook gehandhaafd. |
Bevindingen met betrekking tot de regelingen voor grensoverschrijdende dienstverlening met buurlanden en de operationele en financiële gevolgen daarvan
|
(56) |
In het herziene ontwerpprestatieplan leggen België en Luxemburg uit dat de Brusselse sector van MUAC de verlening van grensoverschrijdende diensten in het luchtruim van Frankrijk en Duitsland omvat. België en Luxemburg specificeren verder dat de en-routediensteenheden voor de vluchten waarvoor MUAC luchtverkeersleiding verstrekt in die grensoverschrijdende gebieden, worden geregistreerd in de heffingszones van die lidstaten, terwijl de kosten voor die diensten worden doorgerekend aan de gebruikers die in de Belgisch-Luxemburgse heffingszone vliegen. België en Luxemburg wijzen erop dat deze situatie leidt tot hogere bepaalde eenheidskosten in hun heffingszone. |
|
(57) |
Tijdens het gedetailleerde onderzoek heeft de Commissie de regelingen voor grensoverschrijdende dienstverlening met betrekking tot de heffingszone België-Luxemburg geanalyseerd. De Commissie stelde vast dat MUAC diensten verleent in drie grensoverschrijdende gebieden in Frankrijk en Duitsland, die van belang zijn voor de werklast en waarvoor MUAC geen financiële compensatie ontvangt van de lidstaten die de dienstverlening hebben gedelegeerd. Dezelfde opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot twee grensoverschrijdende gebieden in het Nederlandse luchtruim waar de dienstverlening aan skeyes is gedelegeerd. |
|
(58) |
Op basis van verdere analyse door het PBO schat de Commissie dat de in overweging 57 bedoelde diensten die door MUAC en skeyes in grensoverschrijdende gebieden worden verleend, in 2019 in totaal ongeveer 12,2 miljoen EUR (in EUR 2017) vertegenwoordigden, waarvan 6,8 miljoen EUR (in EUR 2017) voor rekening van MUAC en 5,4 miljoen EUR (in EUR 2017) voor skeyes. |
|
(59) |
De Commissie merkt echter op dat België tijdens RP2 of RP3 geen wijzigingen in de dienstverlening door skeyes en MUAC in grensoverschrijdende gebieden heeft gemeld. Deze activiteiten zijn qua reikwijdte niet uitgebreid en hebben de ANSP’s tijdens RP2 en RP3 geen extra werklast opgeleverd. Aangezien de bijbehorende kosten verhoudingsgewijs stabiel zijn gebleven als aandeel van de totale kostenbasis van de Belgisch-Luxemburgse heffingszone, hebben de door skeyes en MUAC in grensoverschrijdende gebieden verleende diensten dus geen noemenswaardige invloed op de berekening van de kostenefficiëntietendensen. De bevindingen in overweging 23 met betrekking tot de beoordelingscriteria van punt 1.4, a) en b), van bijlage IV blijven dan ook gehandhaafd. |
|
(60) |
Ten slotte, hoewel de onderzochte regelingen voor grensoverschrijdende dienstverlening aanzienlijke voordelen opleveren omdat zij de complexiteit van de activiteiten verminderen en de efficiëntie van de diensten vergroten, houdt het in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 550/2004 vastgestelde beginsel dat de gebruiker betaalt, in dat “luchtruimgebruikers moeten betalen voor de kosten die zij op, of zo dicht mogelijk bij, het punt van gebruik veroorzaken” (21). In artikel 21, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 is dan ook bepaald dat heffingszones “samenhangend [moeten] zijn met de verlening van luchtvaartnavigatiediensten” en “diensten [mogen] omvatten die verleend worden door een in een andere lidstaat gevestigde verlener van luchtvaartnavigatiediensten in verband met grensoverschrijdend luchtruim”. In artikel 22, lid 1, van die uitvoeringsverordening is verder bepaald dat de kostenbasis voor een heffingszone “bestaat uit de bepaalde kosten voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten in de desbetreffende heffingszone”. |
|
(61) |
In het licht van hetgeen in overweging 60 is vermeld, is de Commissie van mening dat de bestaande financieringsregelingen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in de in overweging 57 bedoelde grensoverschrijdende gebieden niet in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten die ten grondslag liggen aan de prestatie- en heffingsregeling. Deze conclusie doet geen afbreuk aan eventuele inbreukprocedures die de Commissie ter zake kan inleiden. |
|
(62) |
Aangezien de financiering van in grensoverschrijdende gebieden verleende diensten niet in overeenstemming is met de in overweging 60 bedoelde wettelijke bepalingen, kan deze niet worden gebruikt om een aanpassing van de basiswaarde voor 2019 te rechtvaardigen met het oog op het beoordelingscriterium van punt 1.4, c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. Zelfs als de basiswaarde voor 2019 van de Belgisch-Luxemburgse heffingszone was aangepast voor diensten in grensoverschrijdende gebieden, zou deze volgens de bevindingen van het PBO voor de Belgisch-Luxemburgse heffingszone nog steeds hebben geleid tot een verschil van +5,9 % ten opzichte van de gemiddelde basiswaarde van de vergelijkingsgroep. De bevindingen in overweging 24 met betrekking tot de beoordelingscriteria van punt 1.4, c), van bijlage IV blijven dan ook gehandhaafd. |
Bevindingen met betrekking tot de kostenverdeling tussen en-route- en terminaldiensten.
|
(63) |
België heeft in RP3 een herziene kostentoerekeningsmethode ingevoerd voor de verdeling van bepaalde kosten tussen en-route- en terminaldiensten voor RP3. De toegepaste wijzigingen betreffen de toerekening van de door skeyes gemaakte kosten van naderingsluchtverkeersleidingsdiensten (“naderingkosten”) en de toerekening van de door de Belgische NSA gemaakte kosten. De Commissie merkt op dat België heeft besloten zijn naderingskosten bijna volledig toe te rekenen aan en-routediensten, wat leidt tot de overdracht van extra bepaalde kosten naar de Belgisch-Luxemburgse heffingszone in RP3. |
|
(64) |
De Commissie merkt op dat België en Luxemburg de basiswaarden voor 2014 en 2019 in het herziene ontwerpprestatieplan hebben aangepast om rekening te houden met de veranderingen in de kostenverdeling tussen en-route- en terminaldiensten. Daarom zijn die wijzigingen niet rechtstreeks van invloed op de beoordeling van de prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie overeenkomstig de criteria van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. |
|
(65) |
Gezien de beoordeling van het PBO merkt de Commissie echter op dat België de basiswaarde van 2019 voor de en-routeheffingszone met 14,3 miljoen EUR (in EUR 2017) heeft verhoogd en tegelijkertijd de basiswaarde voor zijn terminalheffingszone, die de luchthaven van Brussel (EBBR) omvat, met 4,4 miljoen EUR (in EUR 2017) heeft verlaagd. De Commissie is zich ervan bewust dat skeyes ook kosten maakt in verband met naderingsdiensten op regionale luchthavens, die buiten het toepassingsgebied van het prestatieplan in RP3 vallen, maar is van mening dat België de grote discrepantie tussen de op de basis-en-route- en -terminalwaarden toegepaste correcties niet afdoende heeft toegelicht en gerechtvaardigd, aangezien de herverdelingskosten voor regionale luchthavens buiten het toepassingsgebied van het prestatieplan onevenredig lijken. |
|
(66) |
Voorts is de Commissie van oordeel dat België, door zijn naderingskosten bijna volledig in de en-routekostenbasis op te nemen, deze kosten niet evenredig heeft verdeeld tussen en-routediensten en terminaldiensten op basis van een transparante methode. De Commissie is van mening dat een dergelijke toewijzing van de naderingkosten niet voldoet aan de vereisten van artikel 15, lid 2, punt e), van Verordening (EG) nr. 550/2004 en artikel 22, lid 5, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. |
|
(67) |
In het licht van de opmerkingen in de overwegingen 63 tot en met 66 doet dit besluit derhalve geen afbreuk aan eventuele inbreukprocedures die de Commissie kan inleiden met betrekking tot de wijzigingen in de kostentoerekeningsmethode die België in RP3 heeft toegepast. |
Conclusie van de beoordeling op basis van de beoordelingscriteria van bijlage IV, punt 1.4, a), b) en c), bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317
|
(68) |
In het licht van de voorgaande opmerkingen concludeert de Commissie dat de prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie voor de Belgisch-Luxemburgse heffingszone niet voldoen aan de beoordelingscriteria van punt 1.4, a), b) en c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. |
Beoordeling van de maatregelen waarop België en Luxemburg zich beroepen om de vastgestelde afwijkingen van de Uniewijde kostenefficiëntietendensen te rechtvaardigen
|
(69) |
Overeenkomstig punt 1.4, d), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 moet de Commissie bovendien onderzoeken of de afwijkingen van de criteria in punt 1.4, a), b) en c), van die bijlage noodzakelijk en evenredig zijn om de prestatiedoelstellingen op het prestatiekerngebied capaciteit te bereiken of om herstructureringsmaatregelen in de zin van artikel 2, punt 18), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 toe te passen. De Commissie is met name nagegaan of de vastgestelde afwijkingen van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten en van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten uitsluitend te wijten zijn aan aanvullende bepaalde kosten voor capaciteitsgerelateerde maatregelen. |
|
(70) |
Gezien de berekeningen van het PBO merkt de Commissie op dat het geraamde verschil tussen de vastgestelde en-routekosten voor RP3 van de Belgisch-Luxemburgse heffingszone voor 2024 en de bepaalde kosten die nodig zouden zijn om overeenstemming te bereiken met de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten in RP3, ongeveer 8,2 miljoen EUR in EUR 2017 bedraagt, terwijl een overeenkomstig verschil van ongeveer 43,7 miljoen EUR in EUR 2017 wordt waargenomen met betrekking tot de langetermijntendens van de Uniewijde bepaalde eenheidskosten. |
|
(71) |
De Commissie merkt op dat het herziene ontwerpprestatieplan zeven maatregelen bevat voor de verwezenlijking van capaciteitsdoelstellingen (“capaciteitsgerelateerde maatregelen”), die door België en Luxemburg als noodzakelijk worden beschouwd om de capaciteitsdoelstellingen te halen en die volgens België en Luxemburg de afwijkingen van hun prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie ten opzichte van de Uniewijde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie zouden rechtvaardigen. |
|
(72) |
Naar aanleiding van de bevindingen in Besluit (EU) 2022/2255 met betrekking tot die capaciteitsgerelateerde maatregelen heeft de Commissie die maatregelen verder geanalyseerd. |
Maatregel 1
|
(73) |
De eerste capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 1”) heeft betrekking op de aanwerving en opleiding van ATCO’s door skeyes om het personeelsbestand in RP3 en RP4 op een passend niveau te houden. België en Luxemburg leggen uit dat maatregel 1 essentieel is om de vergrijzing van het ATCO-personeel en het daaruit voortvloeiende hoge aantal pensioneringen tijdens RP3 en RP4 aan te pakken. Deze pensioneringen vloeien met name voort uit de toepassing van de in overweging 36 bedoelde Dispo-regeling. |
|
(74) |
Voorts heeft België tijdens het gedetailleerde onderzoek benadrukt dat het aantal ATCO’s in actieve dienst bij skeyes tegen het einde van RP3 met 15 % zou dalen zonder de in maatregel 1 voorziene opleidings- en aanwervingsactiviteiten. Volgens België zou dit leiden tot een aanzienlijke capaciteitsvermindering. |
|
(75) |
In het licht van de door België verstrekte informatie is de Commissie het ermee eens dat de opleiding en aanwerving van ATCO’s door skeyes noodzakelijk is om het ATCO-personeelsniveau op peil te houden en te verhogen en ervoor te zorgen dat het aantal ATCO’s toereikend is in het licht van de voorspelde toekomstige ontwikkeling van het verkeer. De Commissie merkt echter ook op dat de behoefte aan een dergelijke uitgebreide opleiding van nieuwe ATCO’s grotendeels voortvloeit uit vervroegde uittredingen als gevolg van de Dispo-regeling. |
|
(76) |
De totale kosten van maatregel 1 zijn in het herziene ontwerpprestatieplan gestegen en bedragen ongeveer 27 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3. In vergelijking met het ontwerpprestatieplan zijn de kosten van maatregel 1 nominaal hoger, namelijk 22,4 % voor 2022, 49,0 % voor 2023 en 36,8 % voor 2024. |
|
(77) |
België voert aan dat de hogere kosten van maatregel 1 worden gerechtvaardigd door het effect van de hogere inflatie en door een nauwkeuriger raming van de werkelijke kosten van nieuwe aanwervingen, vanwege een sneller herstel van het verkeer en een hoger dan verwacht mislukkingspercentage van ATCO-studenten in de opleidingscycli die reeds tijdens RP3 zijn voltooid. België legt met name uit dat skeyes zijn bedrijfsplan heeft bijgewerkt vóór de indiening van het herziene ontwerpprestatieplan en nu van plan is in de periode 2022-2024 zoveel ATCO’s aan te werven als de maximale opleidingscapaciteit mogelijk maakt. |
|
(78) |
De Commissie merkt op dat tegelijkertijd in het herziene ontwerpprestatieplan het aantal ATCO’s dat volgens de planning in 2024 operationeel zal zijn, 6 % lager ligt dan in het ontwerpprestatieplan. De Commissie gaat ervan uit dat deze situatie het gevolg is van het hoger dan verwachte mislukkingspercentage van de ATCO-studenten die een opleiding volgen bij skeyes, zoals vermeld in overweging 77. |
|
(79) |
De Commissie merkt op dat de kostenstijgingen met betrekking tot maatregel 1, waarnaar in overweging 76 wordt verwezen, aanzienlijk hoger zijn dan de veranderingen in de inflatie-index. De Commissie merkt op dat de kosten die oorspronkelijk in het ontwerpprestatieplan met betrekking tot maatregel 1 waren gepresenteerd, beperkt waren tot de opleiding van luchtverkeersleiders met het oog op de en-routediensten die door skeyes in de Belgisch-Luxemburgse heffingszone worden verleend. Volgens de informatie die België tijdens het gedetailleerde onderzoek heeft verstrekt, hebben de in het herziene ontwerpprestatieplan opgenomen hogere kosten van maatregel 1 echter ook betrekking op de opleiding van luchtverkeersleiders door skeyes voor terminalluchtvaartnavigatiediensten. Kosten in verband met de terminalheffingszone mogen niet in maatregel 1 worden opgenomen. |
|
(80) |
De Commissie is derhalve van mening dat België, ondanks het verzoek daartoe, niet afdoende heeft uitgelegd hoe de geplande ATCO-opleidingsactiviteiten en de geplande opname van ATCO-studenten door skeyes met betrekking tot en-routediensten zijn aangepast tussen het ontwerpprestatieplan en het herziene ontwerpprestatieplan. Bovendien heeft België met betrekking tot en-routediensten de geraamde kosten van skeyes per ATCO-student niet onderbouwd en heeft het geen verklaring gegeven voor de grote schommelingen in die kosten van jaar tot jaar. In het licht van deze overwegingen was het voor de Commissie niet mogelijk om te kwantificeren hoe de geplande toename van het aantal ATCO-studenten bij skeyes, zoals vermeld in overweging 77, bijdraagt aan de in overweging 76 vastgestelde wijziging van de kosten van maatregel 1 met betrekking tot en-routediensten. |
|
(81) |
Zelfs in de veronderstelling dat skeyes inderdaad hogere opleidingskosten voor en-routediensten zou hebben als gevolg van een toename van het aantal ATCO-studenten tussen 2022 en 2024, is de Commissie van mening dat deze hogere opleidingskosten ten minste in aanzienlijke mate worden verzacht door de lagere personeelskosten als gevolg van het kleinere aantal geplande ATCO’s in dezelfde periode, zoals opgemerkt in overweging 78. |
|
(82) |
De Commissie merkt op dat de kosten voor maatregel 1 de facto in aanzienlijke mate voortvloeien uit de Dispo-regeling; België heeft er zelf voor gekozen om deze regeling vast te stellen en toe te passen op de ATCO’s die bij skeyes werken. Het is duidelijk dat de Dispo-regeling leidt tot een groot aantal vervroegde pensioneringen van ATCO’s tijdens RP3; de vervanging door nieuwe ATCO’s vormt een aanzienlijke operationele en financiële last voor skeyes. Gezien de evaluatie door het PBO en de dwingende noodzaak voor skeyes om de veilige en continue levering van de vereiste capaciteit in RP3 te waarborgen, is de Commissie echter van oordeel dat maatregel 1 noodzakelijk is om de lokale capaciteitsprestatiedoelstellingen te halen. Zij is echter van mening dat België niet heeft aangetoond dat de aanzienlijke stijging van de kosten in het herziene ontwerpprestatieplan voor maatregel 1 ten opzichte van het ontwerpprestatieplan gerechtvaardigd en evenredig is, behalve wat betreft het effect van de voorspelde hogere inflatie op die kosten. Wat de extra kosten betreft die noodzakelijk en evenredig worden geacht voor het bereiken van de capaciteitsdoelstellingen, concludeert de Commissie derhalve dat de in het kader van maatregel 1 in aanmerking te nemen kosten de kosten zijn die zijn opgenomen in het ontwerpprestatieplan, zoals omgezet in reële termen. |
Maatregel 2
|
(83) |
De tweede capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 2”) bestaat erin dat skeyes zijn systeem voor luchtverkeersbeheer (“ATM”) vervangt door één geïntegreerd en geharmoniseerd luchtruimbeheersysteem, dat samen met MUAC en de Belgische defensie moet worden ontwikkeld als onderdeel van het project “Shared Air Traffic Services System 3” (“SAS 3-project”). Dat nieuwe ATM-systeem van skeyes zal volgens de planning echter pas in gebruik worden genomen na het einde van RP3, mogelijk niet vóór 2030, en dus zijn alleen voorbereidende activiteiten gepland voor RP3. |
|
(84) |
Maatregel 2 omvat ook de tussentijdse modernisering van het huidige ATM-systeem van skeyes, dat operationeel moet worden tijdens een overgangsfase voorafgaand aan de uitrol van het nieuwe ATM-systeem dat voortvloeit uit het SAS 3-project. België heeft tijdens het gedetailleerde onderzoek verduidelijkt dat de tussentijdse modernisering zowel een technische als een functionele upgrade omvat, die naar verwachting extra capaciteit in RP4 mogelijk zal maken. |
|
(85) |
De totale kosten van maatregel 2 zijn in het herziene ontwerpprestatieplan verlaagd en bedragen ongeveer 7,4 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3. In vergelijking met het ontwerpprestatieplan zijn de nominale kosten van maatregel 2 lager, namelijk 1,9 % voor 2022, 9,5 % voor 2023 en 11,9 % voor 2024. België heeft verduidelijkt dat deze wijzigingen beter overeenkomen met de werkelijke waarde van het contract dat skeyes in december 2021 heeft ondertekend voor de tussentijdse modernisering van zijn huidige ATM-systeem. |
|
(86) |
België heeft tijdens het gedetailleerde onderzoek verduidelijkt dat er in RP3 geen afschrijvingskosten zullen worden gemaakt met betrekking tot het nieuwe ATM-systeem dat voortvloeit uit het SAS 3-project. Uit de door België verstrekte informatie blijkt echter dat de kapitaalkosten voor een “nieuw ATM-systeem” reeds in RP3 in rekening zullen worden gebracht, ondanks het feit dat de uitrol van dat systeem pas enkele jaren na het einde van RP3 zou plaatsvinden. |
|
(87) |
De Commissie is van mening dat de geplande modernisering en de daaropvolgende vervanging van het huidige ATM-systeem van skeyes als zodanig vanuit operationeel oogpunt gerechtvaardigd zijn en noodzakelijk kunnen worden geacht om de capaciteitsdoelstellingen te bereiken. |
|
(88) |
De Commissie merkt echter op dat er ernstige twijfels bestaan over de tijdige uitvoering van maatregel 2. Tijdens het gedetailleerde onderzoek werd de Commissie door derden ervan in kennis gesteld dat skeyes voornemens was zich terug te trekken uit het SAS 3-project, dat de basis vormt voor de geplande ontwikkeling van het nieuwe ATM-systeem. De Belgische autoriteiten ontkenden deze informatie niet, maar benadrukten dat er nog besprekingen gaande waren tussen de betrokken partijen over de toekomst van het project. In het licht van deze opmerkingen is de Commissie van oordeel dat België onvoldoende zekerheid heeft verschaft over de uitvoering van het SAS 3-project of over alternatieve oplossingen in het geval het project niet wordt uitgevoerd. |
|
(89) |
Voorts merkt de Commissie op dat de kosten van maatregel 2 een groot deel uitmaken van andere exploitatiekosten, met name projectkosten in verband met de voorbereiding van de tussentijdse modernisering van het bestaande ATM-systeem en in verband met het nieuwe systeem. De Commissie is van mening dat dergelijke exploitatiekosten verband houden met de normale exploitatie van een verlener van luchtvaartnavigatiediensten en, in tegenstelling tot de ATM-systemen zelf en hun componenten, niet kunnen worden beschouwd als kosten die rechtstreeks voor het bereiken van de capaciteitsdoelstellingen zijn gemaakt. |
|
(90) |
Wat de extra kosten betreft die noodzakelijk en evenredig worden geacht voor het bereiken van de capaciteitsdoelstellingen, concludeert de Commissie derhalve dat de in het kader van maatregel 2 in aanmerking te nemen kosten beperkt moeten blijven tot de afschrijvingskosten en de kapitaalkosten voor de tussentijdse modernisering van het ATM-systeem van skeyes. |
Maatregel 3
|
(91) |
De derde capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 3”) heeft betrekking op de wijziging van de algemene arbeidsvoorwaarden voor ATCO’s die bij MUAC werken “het GCE-pakket”), naar aanleiding van een collectieve overeenkomst die in 2019, vóór de uitbraak van de COVID-19-pandemie, is gesloten. Maatregel 3 bestaat uit een loonsverhoging met 10,75 % van de ATCO’s die bij MUAC werken, in ruil voor meer flexibiliteit bij de organisatie van het werk. |
|
(92) |
Op basis van de informatie in het herziene ontwerpprestatieplan omvatten de flexibiliteitsbepalingen die als onderdeel van maatregel 3 zijn ingevoerd, een verhoging van de jaarlijkse arbeidstijd voor nieuw aangeworven ATCO-personeel, nieuwe regels voor de organisatie van ploegendiensten, de mogelijkheid om extra werkdagen van ATCO’s te contracteren, flexibelere jaarlijkse werktijden en vakantieplanning, alsook de mogelijkheid om met reeds in dienst zijnde ATCO’s een mogelijke verhoging van de pensioenleeftijd tot 60 jaar overeen te komen. |
|
(93) |
De Commissie merkt op dat maatregel 3 in wezen tot doel heeft de beschikbaarheid van de ATCO’s en de flexibiliteit van de dienstroosters te vergroten om tegemoet te komen aan de verkeersvraag. België benadrukte dat maatregel 3, in de verkeersomstandigheden van vóór de covidpandemie, naar verwachting de vertragingen bij het beheer van de luchtverkeersstromen zou doen afnemen en aldus de daaruit voortvloeiende kosten voor luchtruimgebruikers zou vermijden. België verduidelijkte verder dat maatregel 3 MUAC naar verwachting in staat zou stellen extra shifts voor ATCO’s te organiseren, namelijk 1 050 extra shifts in 2019 en 3 150 extra shifts in 2024. |
|
(94) |
In zijn bij de Commissie ingediende analyse concludeerde het PBO dat MUAC met maatregel 3 inderdaad extra capaciteit kan aanbieden aan luchtruimgebruikers in de kalenderjaren 2023 en 2024, en dat deze maatregel dus bijdraagt tot de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen in RP3, in omstandigheden waarin het verkeersvolume vergelijkbaar is met het niveau van vóór de pandemie. |
|
(95) |
De totale kosten van maatregel 3 zijn in het herziene ontwerpprestatieplan gestegen en bedragen ongeveer 13,2 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3. In vergelijking met het ontwerpprestatieplan zijn de kosten van maatregel 3 nominaal hoger, namelijk 7,4 % voor 2022, 9,0 % voor 2023 en 9,2 % voor 2024. Volgens de informatie die België tijdens het gedetailleerde onderzoek heeft verstrekt, zijn deze kostenstijgingen het gevolg van de hoger dan verwachte inflatie, die leidt tot de indexering van de salarissen van de ATCO’s die bij MUAC werken. |
|
(96) |
België geeft aan dat de kosten van maatregel 3 op het moment van goedkeuring naar schatting gelijkwaardig waren aan het aanwerven van extra ATCO’s om het tekort aan ATCO-personeel bij MUAC te verhelpen. Deze bewering werd echter niet gestaafd door cijfers of bewijzen over de algemene impact van maatregel 3 op de kostenbasis voor RP3. De Commissie heeft dus niet kunnen nagaan of de kosten van maatregel 3 in RP3 gelijk zouden zijn aan de kosten die MUAC zou hebben gemaakt voor de aanwerving van extra ATCO’s om dezelfde capaciteitsvoordelen te behalen. |
|
(97) |
De Commissie merkt op dat het PBO heeft vastgesteld dat de door België en Luxemburg in het kader van maatregel 3 ingediende kosten gerechtvaardigd zijn en in verhouding staan tot de daaruit voortvloeiende voordelen voor luchtruimgebruikers, waaronder het vermijden van ATFM-vertragingen en de daaruit voortvloeiende negatieve operationele en financiële gevolgen voor luchtruimgebruikers, met inbegrip van passagiers en het milieu. |
|
(98) |
Het PBO wijst er met name op dat er aanwijzingen zijn dat het onder maatregel 3 vallende GCE-pakket MUAC in staat heeft gesteld om in het eerste jaar van uitvoering, namelijk 2019, aanzienlijk betere capaciteitsprestaties te leveren, waardoor naar schatting 30 miljoen EUR aan indirecte kosten als gevolg van ATM-vertragingen voor luchtruimgebruikers werden vermeden. Het PBO merkt voorts op dat de zware daling van het verkeer als gevolg van de COVID-19-pandemie in 2020 en 2021 heeft geleid tot uitzonderlijke omstandigheden waarin de aanvullende flexibiliteitsbepalingen in het kader van maatregel 3 niet nodig waren. Het PBO is echter van mening dat MUAC het effect van maatregel 3 met betrekking tot 2020 en 2021 voldoende heeft beperkt, aangezien in het herziene ontwerpprestatieplan is bepaald dat “sommige extra shifts vanaf 2020 en het eerste kwartaal van 2021” werden uitgesteld om in de rest van RP3 te worden gebruikt zonder extra kosten. Het PBO concludeert dat maatregel 3 over het algemeen gerechtvaardigd is om capaciteitsredenen in RP3, aangezien deze ervoor zorgt dat er meer middelen beschikbaar zijn en de capaciteit die beschikbaar wordt gesteld in tijden van grote verkeersvraag maximaal wordt benut. |
|
(99) |
Daarom concludeert de Commissie dat maatregel 3 noodzakelijk is om de capaciteitsdoelstellingen te halen en dat de kosten ervan evenredig zijn in het licht van het gunstige operationele effect ervan op de capaciteitsvoorziening. |
Maatregel 4
|
(100) |
De vierde capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 4”) bestaat uit een verbeterd proces voor post-operationele analyse dat door MUAC moet worden opgezet met ondersteuning van relevante instrumenten en “bedrijfsinlichtingenfaciliteiten”. België en Luxemburg geven aan dat maatregel 4, die in het herziene prestatieplan het “PABI-project” wordt genoemd, tot doel heeft de planning van de dagelijkse activiteiten van MUAC verder te optimaliseren. |
|
(101) |
Op basis van de informatie in het herziene ontwerpprestatieplan moet maatregel 4 helpen om beter in te spelen op de toekomstige verkeersvraag en onnodige operationele beperkingen voor luchtruimgebruikers (“overregulering” genoemd), die tot ATFM-vertragingen leiden, te vermijden. De Commissie merkt op dat België heeft aangegeven dat maatregel 4 in 2022 operationeel zou worden, hoewel die informatie tijdens het gedetailleerde onderzoek niet uitdrukkelijk door België werd bevestigd. |
|
(102) |
Gezien de evaluatie door het PBO is de Commissie het ermee eens dat de operationele analysecapaciteiten die in het kader van maatregel 4 zijn gepresenteerd, ertoe bijdragen dat de beschikbare middelen optimaal worden benut om te zorgen voor zo een groot mogelijke capaciteit voor de luchtruimgebruikers, met name in tijden van grote verkeersvraag. |
|
(103) |
De totale kosten van maatregel 4 bedragen ongeveer 0,9 miljoen EUR (in EUR 2017) gedurende RP3 en blijven ongewijzigd ten opzichte van het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan. De Commissie merkt op dat het PBO de kosten van maatregel 4 heeft geëvalueerd en deze gerechtvaardigd acht. |
|
(104) |
Daarom concludeert de Commissie dat maatregel 4 noodzakelijk is om de continue verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen te ondersteunen en is zij van mening dat de kosten van maatregel 4 evenredig zijn in het licht van de structurele, operationele voordelen die zij naar verwachting zullen opleveren. |
Maatregel 5
|
(105) |
De vijfde capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 5”) betreft de opleiding ab initio van nieuwe ATCO’s voor Brusselse sector van MUAC. Volgens de herziene ontwerpprestaties zijn de ATCO-opleidingsactiviteiten in het kader van maatregel 5 uitbesteed aan een externe opleidingsorganisatie die in Frankrijk is gevestigd. |
|
(106) |
België legt uit dat de voortgezette aanwerving van ATCO’s en de opleiding ab initio door MUAC noodzakelijk zijn om capaciteitsbeperkingen in RP3 en in toekomstige referentieperioden te voorkomen. In het licht van de door België verstrekte informatie is de Commissie het ermee eens dat de opleiding van nieuwe ATCO’s door MUAC noodzakelijk is om het ATCO-personeelsniveau op peil te houden en te vergroten en ervoor te zorgen dat het aantal ATCO’s toereikend is in het licht van de voorspelde toekomstige ontwikkeling van het verkeer. |
|
(107) |
De totale kosten van maatregel 5 bedragen ongeveer 14,2 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3. Tijdens het gedetailleerde onderzoek heeft België een uitsplitsing verstrekt van de kosten van maatregel 5 in drie categorieën, namelijk personeelskosten van de ATCO-studenten, kosten voor simulatorpiloten en door de opleidingsorganisatie in rekening gebrachte kosten. De Commissie merkt op dat het PBO de kosten van maatregel 5 heeft geëvalueerd en deze gerechtvaardigd acht. |
|
(108) |
Daarom concludeert de Commissie dat maatregel 5 noodzakelijk is om de capaciteitsdoelstellingen te halen en dat de kosten ervan evenredig zijn in het licht van het gunstige operationele effect ervan op de capaciteitsvoorziening. |
Maatregel 6
|
(109) |
De zesde capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 6”) heeft betrekking op de aanwerving van extra ATCO’s voor de Brusselse sector van MUAC, om tegemoet te komen aan de verkeersvraag in RP3 en de daaropvolgende jaren. |
|
(110) |
Volgens de informatie in het herziene ontwerpprestatieplan zal het aantal van die ATCO’s in de loop van RP3 aanzienlijk stijgen, van 106 tot 119. België geeft aan dat de extra ATCO’s het mogelijk zullen maken de openingstijden van de sector en de operationele flexibiliteit te vergroten. In het licht van de door België verstrekte informatie is de Commissie het ermee eens dat de aanwerving van extra ATCO’s door MUAC noodzakelijk is om de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen te ondersteunen. |
|
(111) |
De totale kosten van maatregel 6 bedragen ongeveer 4,4 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3. Deze kosten hebben betrekking op de salarissen van de extra ATCO’s die tijdens RP3 worden aangeworven. De Commissie merkt op dat het PBO de kosten van maatregel 6 heeft geëvalueerd en deze gerechtvaardigd acht. |
|
(112) |
De Commissie is dan ook van oordeel dat maatregel 6 noodzakelijk is om de capaciteitsdoelstellingen te halen en dat de kosten ervan evenredig zijn in het licht van het gunstige operationele effect ervan op de capaciteitsvoorziening. |
Maatregel 7
|
(113) |
De zevende capaciteitsgerelateerde maatregel (“maatregel 7”) heeft betrekking op de ontwikkeling van een nieuw systeem voor personeelsplanning door MUAC, om de tenuitvoerlegging van nieuwe operationele vereisten te ondersteunen. Maatregel 7 omvat de ontwikkeling van een nieuw kader voor personeelsplanning, een gemoderniseerd dienstroosterinstrument en andere instrumenten voor personeelsplanning die nodig zijn om aan nieuwe operationele eisen te voldoen. |
|
(114) |
Gezien de evaluatie door het PBO is de Commissie het ermee eens dat de efficiëntiewinst die het nieuwe systeem voor personeelsplanning mogelijk maakt, zal bijdragen tot betere operationele prestaties en tot een efficiëntere dienstverlening. |
|
(115) |
De totale kosten van maatregel 7 bedragen ongeveer 0,8 miljoen EUR (in EUR 2017) in de loop van RP3. De Commissie merkt op dat het PBO de kosten van maatregel 7 heeft geëvalueerd en deze gerechtvaardigd acht. |
|
(116) |
De Commissie is dan ook van oordeel dat maatregel 7 noodzakelijk is om de capaciteitsdoelstellingen te halen en dat de kosten ervan evenredig zijn in het licht van het gunstige operationele effect op de capaciteitsvoorziening. |
Gecombineerd effect van de capaciteitsgerelateerde maatregelen van België en Luxemburg
|
(117) |
De Commissie heeft de algemene impact van de zeven capaciteitsgerelateerde maatregelen die België en Luxemburg hebben voorgesteld, verder geanalyseerd, teneinde te beoordelen of de gelijktijdige uitvoering van al deze maatregelen noodzakelijk is om de lokale capaciteitsprestatiedoelstellingen te bereiken. |
|
(118) |
In dit verband neemt de Commissie nota van de bevindingen van het PBO dat deze zeven capaciteitsgerelateerde maatregelen, samen beschouwd, passend en gerechtvaardigd zijn in het licht van hun algemene verwachte operationele resultaat en het daaruit voortvloeiende gecombineerde effect op de capaciteitsvoorziening. Volgens de analyse van het PBO stelt de gecombineerde uitvoering van die maatregelen skeyes en MUAC in staat de voorspelde verkeersniveaus doeltreffend te beheren in tijden van pieken in de verkeersvraag, terwijl tegelijkertijd de flexibiliteit en veerkracht van de dienstverlening in geval van onvoorziene of volatiele omstandigheden worden versterkt. Het PBO bevestigt voorts dat de uitvoering van al deze capaciteitsgerelateerde maatregelen samen niet leidt tot overcapaciteit met betrekking tot de luchtvaartnavigatiediensten die in het luchtruim van België en Luxemburg in de resterende maanden van RP3 worden verleend (22). Tot slot wijst het PBO erop dat de in het herziene ontwerpprestatieplan gepresenteerde maatregelen met betrekking tot de opleiding en aanwerving van extra luchtverkeersleiders complementair zijn met de organisatorische en technische maatregelen die een betere capaciteitsverlening mogelijk maken. |
Conclusie over de maatregelen waarop België en Luxemburg zich beroepen om de vastgestelde afwijkingen van de Uniewijde kostenefficiëntietendensen te rechtvaardigen
|
(119) |
Met betrekking tot het criterium van punt 1.4, d), i), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 concludeert de Commissie op basis van de bevindingen in de overwegingen 71 tot en met 118 dat de door België en Luxemburg voor de maatregelen 1 en 2 ingediende kosten gedeeltelijk noodzakelijk en evenredig zijn voor het bereiken van de prestatiedoelstellingen inzake capaciteit, terwijl de voorgestelde kosten van de maatregelen 3 tot en met 7 volledig noodzakelijk en evenredig zijn om die doelstellingen te bereiken. |
|
(120) |
De onderstaande tabel toont in welke mate de capaciteitsgerelateerde maatregelen bijdragen tot het overbruggen van de kloof met de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten die in overweging 70 is vastgesteld met betrekking tot het desbetreffende jaar, namelijk 2024.
|
|
(121) |
Zoals weergegeven in de tabel in overweging 120, rechtvaardigen de capaciteitsgerelateerde maatregelen een overschrijding van 19,2 miljoen EUR (in EUR 2017) ten opzichte van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten. Die overschrijding is groter dan de geraamde afwijking van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten in RP3, namelijk 8,2 miljoen EUR (in EUR 2017), maar kleiner dan de geraamde afwijking van 43,7 miljoen EUR (in EUR 2017) van de langetermijntendens van de Uniewijde bepaalde eenheidskosten. België en Luxemburg hebben dus nog steeds een ongerechtvaardigde kloof van 24,5 miljoen EUR (in EUR 2017) ten opzichte van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten. |
|
(122) |
De Commissie is dan ook van mening dat België en Luxemburg niet voldoen aan het criterium van punt 1.4, d), i), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. |
|
(123) |
Voorts merkt de Commissie op dat België en Luxemburg in het herziene ontwerpprestatieplan geen herstructureringsmaatregelen hebben gepresenteerd die een afwijking van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten of van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten zouden rechtvaardigen overeenkomstig het criterium van punt 1.4, d), ii), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. |
Conclusie over de beoordeling van de herziene prestatiedoelstellingen
|
(124) |
In het licht van de in de overwegingen 22 tot en met 123 uiteengezette beoordeling concludeert de Commissie dat de prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie voor de heffingszone België-Luxemburg onverenigbaar zijn met de Uniewijde prestatiedoelstellingen. |
BEVINDINGEN VAN DE BEOORDELING VAN DE HERZIENE PRESTATIEDOELSTELLINGEN OVEREENKOMSTIG PUNT 2 VAN BIJLAGE IV BIJ UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/317
Herziene prestatiedoelstellingen inzake terminalkostenefficiëntie — punt 2.1, c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317
|
(125) |
In Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 heeft de Commissie haar bezorgdheid geuit over de door België in het ontwerpprestatieplan voorgestelde prestatiedoelstellingen inzake terminalkostenefficiëntie. Deze kostenefficiëntiedoelstellingen zijn alleen van toepassing op terminalluchtvaartnavigatiediensten die op Brussels Airport worden verleend. De Commissie was in dat uitvoeringsbesluit van oordeel dat België die doelstellingen verder had moeten motiveren of neerwaarts had moeten herzien. |
|
(126) |
De Commissie merkt op dat het herziene ontwerpprestatieplan verbeterde prestatiedoelstellingen inzake terminalkostenefficiëntie voor België bevat voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2024, met inbegrip van een verlaging van de bepaalde kosten in reële termen voor die kalenderjaren. De Commissie merkt op dat de tendens van de bepaalde terminaleenheidskosten van +4,5 % tijdens RP3 desondanks hoger blijft dan de tendens van de bepaalde en-route-eenheidskosten van +1,9 % tijdens RP3, en hoger dan de werkelijke tendens van de bepaalde terminaleenheidskosten van +0,5 % tijdens RP2. Voorts merkt de Commissie op dat de bepaalde eenheidskosten voor terminalluchtvaartnavigatiediensten op Brussels Airport naar schatting nog steeds 55 % hoger zijn dan de mediane terminaleenheidskosten van de relevante vergelijkingsgroep van luchthavens. |
|
(127) |
In het licht van de beoordeling in overwegingen 125 en 126 concludeert de Commissie dat de door België voorgestelde herziene prestatiedoelstellingen op het gebied van terminalkostenefficiëntie nog steeds aanleiding geven tot bezorgdheid. De Commissie herhaalt daarom haar standpunt, zoals uiteengezet in Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728, dat België die doelstellingen naar behoren moet motiveren of neerwaarts moet herzien. |
Stimuleringsregelingen voor het bereiken van de prestatiedoelstellingen inzake capaciteit — punt 2.1, f), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317
|
(128) |
In Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 heeft de Commissie geconcludeerd dat België en Luxemburg hun stimuleringsregelingen voor het bereiken van de en-route- en terminalcapaciteitsdoelstellingen zodanig moeten herzien dat het maximale financiële nadeel als gevolg van die stimuleringsregelingen wordt vastgesteld op een niveau dat tastbare gevolgen heeft voor de aan risico’s onderhevige inkomsten. De Commissie merkt op dat België en Luxemburg in het herziene ontwerpprestatieplan geen wijzigingen in die stimuleringsregelingen hebben aangebracht. |
|
(129) |
Daarom concludeert de Commissie dat de door België en Luxemburg in het herziene ontwerpprestatieplan uiteengezette stimuleringsregelingen nog steeds aanleiding geven tot bezorgdheid. De Commissie herhaalt dan ook haar standpunt dat België en Luxemburg hun ontwerpstimuleringsregelingen voor het bereiken van de en-route- en terminalcapaciteitsdoelstellingen moeten herzien, zodat de maximale financiële nadelen ten gevolge van die stimuleringsregelingen worden vastgesteld op een niveau dat tastbare gevolgen heeft voor de aan risico’s onderhevige inkomsten, zoals vereist bij artikel 11, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. Volgens de Commissie moet de herziene stimuleringsregeling leiden tot een maximaal financieel nadeel van 1 % of meer van de bepaalde kosten. |
CONCLUSIES
|
(130) |
In het licht van het bovenstaande moeten België en Luxemburg corrigerende maatregelen nemen in de zin van artikel 11, lid 3, punt c), derde alinea, van Verordening (EG) nr. 549/2004. Die corrigerende maatregelen moeten België en Luxemburg in staat stellen samenhang te bereiken met de Uniewijde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie voor RP3; op basis van de in dit besluit uiteengezette beoordeling van de Commissie betekent dit dat zij de bepaalde kosten voor de en-routeheffingszone van België en Luxemburg moeten verminderen met 24,5 miljoen EUR, uitgedrukt in reële termen in prijzen van 2017. |
|
(131) |
De Commissie merkt op dat België voornemens is een nalevingsbeoordeling uit te voeren van de prestaties van skeyes en MUAC; het heeft de diensten van de Commissie uitgenodigd hieraan deel te nemen als waarnemer. De Commissie begrijpt dat de nalevingsbeoordeling als basis zal dienen voor de opstelling door België van een ontwerp van een definitief prestatieplan, waarin rekening moet worden gehouden met de corrigerende maatregelen. Indien deze nalevingscontrole nieuw bewijsmateriaal oplevert, is de Commissie voornemens met dat nieuwe bewijsmateriaal rekening te houden. |
|
(132) |
Het is mogelijk dat bepaalde corrigerende maatregelen die België en Luxemburg overeenkomstig dit besluit moeten nemen, vanwege hun aard niet volledig effect sorteren in RP3. België en Luxemburg moeten echter nog steeds beginnen met de uitvoering ervan in RP3, op basis van bindende toezeggingen die moeten worden uiteengezet als onderdeel van hun ontwerpen van definitieve prestatieplannen, zelfs als die maatregelen pas in de volgende referentieperiode kostenefficiëntieverbeteringen opleveren. |
|
(133) |
De corrigerende maatregelen moeten worden ingevoerd als onderdeel van de definitieve ontwerpprestatieplannen die overeenkomstig artikel 15, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 binnen drie maanden na de datum van vaststelling van dit besluit bij de Commissie moeten worden ingediend. Die definitieve ontwerpprestatieplannen moeten afzonderlijk, op nationaal niveau, door België en Luxemburg worden vastgesteld, aangezien de activiteiten voor het vaststellen van prestatiedoelstellingen op Fabec-niveau zijn stopgezet als gevolg van de terugtrekking van Frankrijk, Duitsland en Nederland uit het herziene Fabec-prestatieplan, zoals uiteengezet in overweging 6. |
|
(134) |
In het licht van de bevindingen in dit besluit moeten België en Luxemburg met name de volgende kwesties op passende wijze aanpakken:
|
|
(135) |
Het Single Sky Comité heeft geen advies uitgebracht. Een uitvoeringshandeling werd nodig geacht en de voorzitter heeft de ontwerpuitvoeringshandeling voor verder beraad aan het comité van beroep voorgelegd. Het comité van beroep heeft geen advies uitgebracht, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. België en Luxemburg stellen binnen drie maanden na de datum van vaststelling van dit besluit corrigerende maatregelen vast om de nationale prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie in overeenstemming te brengen met de Uniewijde prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie voor de derde referentieperiode, en delen deze mee aan de Commissie.
2. België en Luxemburg beginnen deze corrigerende maatregelen toe te passen ten aanzien van skeyes en het Maastricht Upper Area Control Centre (MUAC) in RP3. Deze maatregelen moeten de bepaalde kosten voor de Belgisch-Luxemburgse en-routeheffingszone zodanig doen dalen dat de nationale prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie in overeenstemming worden gebracht met de Uniewijde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie. Het bedrag van de daling zal door België en Luxemburg nauwkeuriger worden bepaald op basis van de resultaten van de in overweging 131 van dit besluit bedoelde nalevingsbeoordeling, en zal door de Commissie worden herzien in het kader van haar beoordeling uit hoofde van artikel 15, lid 7, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, rekening houdend met het bewijsmateriaal dat uit die nalevingsbeoordeling is voortgekomen. De corrigerende maatregelen moeten leiden tot een verlaging van de exploitatiekosten van zowel skeyes als MUAC.
3. Bij het vaststellen van de corrigerende maatregelen kunnen België en Luxemburg ook rekening houden met de voorgestelde aanvullende maatregelen in de bijlage.
4. België en Luxemburg nemen in hun respectieve prestatieplannen informatie op waaruit blijkt dat skeyes en MUAC de corrigerende maatregelen daadwerkelijk zullen uitvoeren.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg.
Gedaan te Brussel, 16 juni 2023.
Voor de Commissie
Adina-Ioana VĂLEAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.
(2) PB L 56 van 25.2.2019, blz. 1.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1627 van de Commissie van 3 november 2020 inzake uitzonderlijke maatregelen voor de derde referentieperiode (2020-2024) van de prestatie- en heffingsregeling voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim ten gevolge van de COVID-19-pandemie (PB L 366 van 4.11.2020, blz. 7).
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/891 van de Commissie van 2 juni 2021 tot vaststelling van herziene EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het netwerk voor luchtverkeersbeheer voor de derde referentieperiode (2020-2024) en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/903 (PB L 195 van 3.6.2021, blz. 3).
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 van de Commissie van 13 april 2022 inzake de onverenigbaarheid van bepaalde prestatiedoelstellingen in de krachtens Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad door België, Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Cyprus, Letland, Luxemburg, Malta, Nederland, Roemenië en Zweden ingediende ontwerpen van nationale plannen of plannen voor functionele luchtruimblokken met de Uniewijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode, en inzake de vaststelling van aanbevelingen voor de herziening van die doelstellingen (PB L 135 van 12.5.2022, blz. 4).
(6) Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/780 van de Commissie van 13 april 2022 inzake de onverenigbaarheid van bepaalde prestatiedoelstellingen in het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad door Zwitserland ingediende ontwerpprestatieplan voor functionele luchtruimblokken met de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode, en met aanbevelingen voor de herziening van deze doelstellingen (PB L 139 van 18.5.2022, blz. 218).
(7) Besluit (EU) 2022/2255 van de Commissie van 24 oktober 2022 betreffende de aanvang van het gedetailleerde onderzoek van bepaalde prestatiedoelstellingen in het herziene ontwerpprestatieplan voor de derde referentieperiode dat op het niveau van de functionele luchtruimblokken door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland is ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 297 van 17.11.2022, blz. 71).
(8) Besluit (EU) 2023/176 van de Commissie van 14 december 2022 betreffende de verenigbaarheid van de prestatiedoelstellingen in het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad door Frankrijk ingediende ontwerpprestatieplan met de Uniewijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode (PB L 25 van 27.1.2023, blz. 70).
(9) Besluit (EU) 2023/177 van de Commissie van 14 december 2022 betreffende de verenigbaarheid van de prestatiedoelstellingen in het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad door Duitsland ingediende ontwerpprestatieplan met de Uniewijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode (PB L 25 van 27.1.2023, blz. 79).
(10) Besluit (EU) 2023/179 van de Commissie van 14 december 2022 betreffende de verenigbaarheid van de prestatiedoelstellingen in het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad door Nederland ingediende ontwerpprestatieplan met de Uniewijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode (PB L 25 van 27.1.2023, blz. 95).
(11) Samengesteld jaarlijks groeipercentage (Compound annual growth rate, CAGR).
(12) Samengesteld jaarlijks groeipercentage (CAGR).
(13) De kosten die België en Luxemburg hebben gemaakt in verband met het Internationaal Verdrag van Eurocontrol betreffende samenwerking op het gebied van de veiligheid van de luchtvaart van 13 december 1960 (zoals laatstelijk gewijzigd), zijn opgenomen in de kosten van de NSA.
(14) Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL).
(15) Zoals uiteengezet in artikel 6 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/891.
(16) De eenheidskosten van skeyes en LVNL zijn beide exclusief de aan MUAC toe te rekenen diensteenheden binnen hun respectieve heffingszones. De eenheidskosten voor skeyes en LVNL omvatten alle en-routeluchtvaartnavigatiediensten, met inbegrip van meteorologische diensten (MET), die in Nederland worden verleend door een MET-aanbieder die losstaat van LVNL.
(17) Koninklijk besluit van 23 april 2017.
(18) Overeenkomst betreffende het verlenen en exploiteren van luchtverkeersdiensten en -faciliteiten door Eurocontrol in het luchtverkeersleidingscentrum Maastricht, ondertekend op 25 november 1986.
(19) De MUAC-activiteiten zijn onderverdeeld in drie sectorgroepen, te weten de “Brusselse sectorgroep”, de “DECO-sectorgroep” en de “Hannover-sectorgroep”.
(20) Berekend op basis van de basiswaarde voor 2014.
(21) Overweging 22 van Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10).
(22) Gebaseerd op de verkeersaannames in de Statfor-basisverkeersprognose van Eurocontrol van oktober 2021.
(23) Bedrag dat overeenkomt met het aandeel van de kosten van maatregel 1 dat door de Commissie noodzakelijk en evenredig is bevonden voor het bereiken van de lokale prestatiedoelstellingen inzake capaciteit, in overeenstemming met de bevindingen in overweging 82.
(24) Bedrag dat overeenkomt met het aandeel van de kosten van maatregel 2 dat door de Commissie noodzakelijk en evenredig is bevonden voor het bereiken van de lokale prestatiedoelstellingen inzake capaciteit, in overeenstemming met de bevindingen in overweging 90.
BIJLAGE
VOORGESTELDE AANVULLENDE MAATREGELEN
België en Luxemburg kunnen de volgende maatregelen nemen om de inconsistentie van de prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie voor de Belgisch-Luxemburgse heffingszone met de Uniewijde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie te verhelpen:
|
(1) |
de in België toegepaste Dispo-regeling voor functionele beschikbaarheid wijzigen om het effect ervan op de kostenbasis van de Belgisch-Luxemburgse heffingszone te verminderen; |
|
(2) |
afzien van het rendement op het eigen vermogen van skeyes, dat als onderdeel van de kapitaalkosten in rekening zal worden gebracht; |
|
(3) |
elk overschot van het jaar 2022 terug dat voortvloeit uit het mechanisme voor verkeersrisicodeling of uit het verschil tussen de vastgestelde en de werkelijke kosten aan de luchtruimgebruikers terugbetalen door middel van een uitzonderlijke kostenverlaging. |
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/139 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/1337 VAN DE COMMISSIE
van 22 juni 2023
tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 betreffende bepaalde noodmaatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 4335)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 259, lid 1, punt c),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) is een besmettelijke virale ziekte bij vogels die ernstige gevolgen kan hebben voor de rentabiliteit van pluimveehouderijen en die de handel binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen verstoort. HPAI-virussen kunnen trekvogels besmetten, die deze virussen vervolgens tijdens hun trek in de herfst en in de lente over lange afstanden kunnen verspreiden. De aanwezigheid van HPAI-virussen bij wilde vogels vormt derhalve een voortdurende bedreiging wat betreft de directe en indirecte insleep van deze virussen in inrichtingen waar pluimvee of in gevangenschap levende vogels worden gehouden. Bij een uitbraak van HPAI bestaat het risico dat de ziekteverwekker wordt verspreid naar andere inrichtingen waar pluimvee of in gevangenschap levende vogels worden gehouden. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) 2016/429 is een nieuw wetgevingskader vastgesteld voor de preventie en bestrijding van ziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen. HPAI valt onder de definitie van een in de lijst in die verordening opgenomen ziekte en is onderworpen aan de daarin vastgestelde regels inzake ziektepreventie en -bestrijding. Daarnaast vormt Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie (2) een aanvulling op Verordening (EU) 2016/429 wat betreft de regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten, waaronder ziektebestrijdingsmaatregelen voor HPAI. |
|
(3) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 van de Commissie (3) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat noodmaatregelen op het niveau van de Unie in verband met uitbraken van HPAI. |
|
(4) |
Meer in het bijzonder is in Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 bepaald dat de naar aanleiding van uitbraken van HPAI door de lidstaten overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 ingestelde beschermings-, bewakings- en extra beperkingszones ten minste de gebieden moeten omvatten die in de lijst van de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit als beschermings-, bewakings- en extra beperkingszones zijn opgenomen. |
|
(5) |
Naar aanleiding van uitbraken van HPAI bij pluimvee of in gevangenschap levende vogels in Frankrijk die in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 moest worden weerspiegeld, is die bijlage onlangs bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/1175 van de Commissie (4) gewijzigd. |
|
(6) |
Sinds de datum waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/1175 is vastgesteld, heeft Frankrijk de Commissie in kennis gesteld van een uitbraak van HPAI in een inrichting waar in gevangenschap levende vogels werden gehouden, in de administratieve regio Occitanië. |
|
(7) |
De bevoegde autoriteit van Frankrijk heeft de nodige ziektebestrijdingsmaatregelen genomen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687, waaronder de instelling van beschermings- en bewakingszones rond die uitbraak. |
|
(8) |
De Commissie heeft de door Frankrijk genomen ziektebestrijdingsmaatregelen in samenwerking met die lidstaat bestudeerd en heeft geconstateerd dat de grenzen van de door de bevoegde autoriteit van die lidstaat ingestelde beschermings- en bewakingszones in Frankrijk op voldoende afstand liggen van de inrichting waar de uitbraak van HPAI is bevestigd. |
|
(9) |
Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en om te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moeten de door Frankrijk overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 ingestelde beschermings- en bewakingszones in samenwerking met die lidstaat snel worden vastgesteld op het niveau van de Unie. |
|
(10) |
Daarom moeten de voor Frankrijk in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 opgenomen beschermings- en bewakingszones worden gewijzigd. |
|
(11) |
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 moet derhalve worden gewijzigd om de regionalisering op het niveau van de Unie bij te werken om rekening te houden met de overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 door Frankrijk ingestelde beschermings- en bewakingszones en de duur van de daarin geldende maatregelen aan te geven. |
|
(12) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(13) |
Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van HPAI betreft, is het belangrijk dat de wijzigingen die bij dit besluit in Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 worden aangebracht, zo spoedig mogelijk in werking treden. |
|
(14) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 22 juni 2023.
Voor de Commissie
Stella KYRIAKIDES
Lid van de Commissie
(1) PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 64).
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 van de Commissie van 16 april 2021 betreffende bepaalde noodmaatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 134 van 20.4.2021, blz. 166).
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/1175 van de Commissie van 12 juni 2023 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/641 betreffende bepaalde noodmaatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 155 van 16.6.2023, blz. 36).
BIJLAGE
“BIJLAGE
Deel A
In de artikelen 1 en 2 bedoelde beschermingszones in de betrokken lidstaten (*):
Lidstaat: Frankrijk
|
ADIS-referentienummer van de uitbraak |
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 39 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 |
|
Department: Gers (32) |
||
|
FR-HPAI(P)-2e023-00065 FR-HPAI(P)-2023-00068 FR-HPAI(P)-2023-00069 FR-HPAI(P)-2023-00070 FR-HPAI(P)-2023-00066 FR-HPAI(P)-2023-00071 FR-HPAI(P)-2023-00072 FR-HPAI(P)-2023-00073 FR-HPAI(P)-2023-00074 FR-HPAI(P)-2023-00075 FR-HPAI(P)-2023-00076 FR-HPAI(P)-2023-00077 FR-HPAI(P)-2023-00078 FR-HPAI(P)-2023-00079 FR-HPAI(P)-2023-00080 FR-HPAI(P)-2023-00081 FR-HPAI(P)-2023-00085 FR-HPAI(P)-2023-00088 FR-HPAI(P)-2023-00090 FR-HPAI(P)-2023-00092 FR-HPAI(P)-2023-00093 FR-HPAI(P)-2023-00094 FR-HPAI(P)-2023-00095 FR-HPAI(P)-2023-00096 FR-HPAI(P)-2023-00100 FR-HPAI(P)-2023-00101 FR-HPAI(P)-2023-00102 FR-HPAI(P)-2023-00103 FR-HPAI(P)-2023-00104 FR-HPAI(P)-2023-00105 FR-HPAI(P)-2023-00106 FR-HPAI(P)-2023-00107 FR-HPAI(P)-2023-00108 FR-HPAI(P)-2023-00109 FR-HPAI(P)-2023-00110 FR-HPAI(P)-2023-00111 FR-HPAI(P)-2023-00112 FR-HPAI(P)-2023-00113 FR-HPAI(P)-2023-00114 FR-HPAI(P)-2023-00115 FR-HPAI(P)-2023-00116 FR-HPAI(P)-2023-00122 FR-HPAI(P)-2023-00123 FR-HPAI(P)-2023-00124 FR-HPAI(P)-2023-00127 FR-HPAI(P)-2023-00128 FR-HPAI(P)-2023-00130 FR-HPAI(P)-2023-00132 FR-HPAI(P)-2023-00133 FR-HPAI(P)-2023-00134 FR-HPAI(P)-2023-00139 FR-HPAI(P)-2023-00141 FR-HPAI(P)-2023-00140 FR-HPAI(P)-2023-00144 FR-HPAI(P)-2023-00145 FR-HPAI(P)-2023-00146 FR-HPAI(P)-2023-00149 FR-HPAI(NON-P)-2023-00376 |
AIGNAN ARBLADE-LE-BAS ARBLADE-LE-HAUT AURENSAN AVERON-BERGELLE AYZIEU BARCELONNE-DU-GERS BASCOUS BEAUMARCHES BELMONT BERNEDE BETOUS BOURROUILLAN BOUZON-GELLENAVE CAHUZAC-SUR-ADOUR CAMPAGNE-D'ARMAGNAC CASTELNAU-D'ANGLES CASTELNAVET CASTILLON-DEBATS CAUMONT CAUPENNE-D'ARMAGNAC CAZAUBON CORNEILLAN COULOUME-MONDEBAT COURTIES CRAVENCERES DEMU EAUZE ESCLASSAN-LABASTIDE ESPAS ESTANG FUSTEROUAU GEE-RIVIERE IZOTGES JUILLAC LABARTHE LABARTHETE LADEVEZE-RIVIERE LAGARDE-HACHAN LANNE-SOUBIRAN LANNUX LAREE LASSERADE LAUJUZAN LE HOUGA LELIN-LAPUJOLLE LIAS-D'ARMAGNAC LOUBEDAT LOURTIES-MONBRUN LOUSSOUS-DEBAT LUPIAC LUPPE-VIOLLES MAGNAN MANCIET MARGOUET-MEYMES MARGUESTAU MASSEUBE MAULEON-D'ARMAGNAC MAULICHERES MAUPAS MONCLAR MONLEZUN-D'ARMAGNAC MONTAUT MONTESQUIOU MORMES NOGARO PANJAS PERCHEDE PEYRUSSE-GRANDE PEYRUSSE-VIEILLE POUY-LOUBRIN POUYDRAGUIN PRENERON REANS RIGUEPEU RISCLE SABAZAN SAINT-ARAILLES SAINT-ARROMAN SAINT-AUNIX-LENGROS SAINT-ELIX-THEUX SAINT-GERME SAINT-GRIEDE SAINT-MARTIN-D'ARMAGNAC SAINT-MICHEL SAINT-MONT SAINT-OST SAINT-PIERRE-D'AUBEZIES SAINTE-AURENCE-CAZAUX SAINTE-CHRISTIE-D'ARMAGNAC SALLES-D'ARMAGNAC SARRAGACHIES SAUVIAC SEAILLES SEGOS SION SORBETS TARSAC TASQUE TERMES-D'ARMAGNAC TOUJOUSE TOURDUN URGOSSE VERGOIGNAN VERLUS VIC-FEZENSAC VIELLA VIOZAN “AUJAN-MOURNEDE ZP à l’ouest de route entre “Le Rentier” et “Le Sage” ZS à l’est de cette même route” |
5.7.2023 |
|
Department: Landes (40) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00067 FR-HPAI(P)-2023-00082 FR-HPAI(P)-2023-00083 FR-HPAI(P)-2023-00084 FR-HPAI(P)-2023-00089 FR-HPAI(P)-2023-00091 FR-HPAI(P)-2023-00097 FR-HPAI(P)-2023-00098 FR-HPAI(P)-2023-00099 FR-HPAI(P)-2023-00117 FR-HPAI(P)-2023-00118 FR-HPAI(P)-2023-00119 FR-HPAI(P)-2023-00120 FR-HPAI(P)-2023-00121 FR-HPAI(P)-2023-00125 FR-HPAI(P)-2023-00126 FR-HPAI(P)-2023-00129 FR-HPAI(P)-2023-00131 FR-HPAI(P)-2023-00136 FR-HPAI(P)-2023-00137 FR-HPAI(P)-2023-00138 FR-HPAI(P)-2023-00142 FR-HPAI(P)-2023-00143 FR-HPAI(P)-2023-00148 |
Aire-sur-l'Adour Arboucave Artassenx Bahus-Soubiran Bascons Bats Benquet Bordères-et-Lamensans Bourdalat Bretagne-de-Marsan Buanes Castandet Castelnau-Tursan Cazères-sur-l'Adour Classun Clèdes Duhort-Bachen Eugénie-les-Bains Fargues Geaune Grenade-sur-l'Adour Hontanx Labastide-d'Armagnac Lacajunte Lagrange Larrivière-Saint-Savin Latrille Lussagnet Mauries Maurrin Mauvezin-d'Armagnac Miramont-Sensacq Montgaillard Montsoué Payros-Cazautets Pécorade Philondenx Pimbo Puyol-Cazalet Renung Saint-Agnet Saint-Gein Saint-Loubouer Saint-Maurice-sur-Adour Saint-Sever (Est D933.S) Samadet Sarron Sorbets Urgons Vielle-Tursan Le Vignau |
22.6.2023 |
|
Department: Hautes-Pyrénées (65) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00147 |
ARIES-ESPENAN BETBEZE DEVEZE LALANNE MONLEON-MAGNOAC POUY SARIAC-MAGNOAC THERMES-MAGNOAC VILLEMUR |
22.6.2023 |
Deel B
In de artikelen 1 en 3 bedoelde bewakingszones in de betrokken lidstaten (*):
Lidstaat: Duitsland
|
ADIS-referentienummer van de uitbraak |
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 55 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 |
|
BAYERN |
||
|
DE-HPAI (P)-2023-00026 |
Landkreis Regensburg Betroffen sind folgende Gemeinden bzw. Teile der Gemeinden: Gemeinde Bernhardswald, Ortsteile Adlmannstein, Bernhardswald, Darmannsdorf, Dingstetten, Elendbaumgarten, Erlbach, Gerstenhof, Hackenberg, Hauzendorf, Hinterappendorf, Högelstein, Kreuth, Kürn, Lehen, Lohhof, Oberharm, Oberhohenroith, Oberlipplgütl, Ödenhof, Pettenreuth, Pillmannsberg, Plitting, Rothenhofstatt, Schneckenreuth, Seibersdorf, Thalhof, Thonseigen, Unterbraunstuben, Unterlipplgütl, Weg, Wolfersdorf Gemeinde Holzheim, Ortsteile Trischlberg, Traidenloh, Haslach, Ödenholz, Bubach Gemeinde Lappersdorf, Ortsteile Baiern, Benhof, Einhausen, Geiersberg, Hainsacker, Kaulhausen, Lorenzen, Pielmühle, Schwaighausen, Unterkaulhausen Markt Regenstauf, Ortsteile Asing, Birkenzant, Breitwies, Brennthal, Buchenlohe, Danersdorf, Drackenstein, Edlhausen, Eitlbrunn, Ellmau, Ferneichlberg, Forstberg, Gfangen, Glapfenberg, Grafenwinn, Grub, Hirschling, Irlbründl, Kerm, Kirchberg, Kleeberg, Kürnberg, Lindach, Mettenbach, Neuried, Oberhaslach, Oberhub, Preßgrund, Regenstauf, Reiterberg, Richterskeller, Schönleiten, Steinsberg Gemeinde Wenzenbach, Ortsteile Abbachhof, Birkenhof, Birkenhof, Brunnhöfl, Fußenberg, Gonnersdorf, Grafenhofen, Grünthal, Irlbach, Jägerberg, Lehen, Probstberg, Roith, Schnaitterhof, Thanhausen, Zeitlhof, Ziegenhof Gemeinde Zeitlarn, Ortsteile Laub, Neuhof, Ödenthal, Pentlhof, Regendorf, Zeitlarn |
29.6.2023 |
|
Landkreis Regensburg Markt Regenstauf, Ortsteile Wöhrhof, Diesenbach, Karlstein, Kleinramspau, Steinsberg, Fidelhof, Fronau, Hagenau, Schneitweg, Medersbach, Regenstauf, Stadel, Ramspau, Münchsried, Kleeberg |
21.6.2023-29.6.2023 |
|
|
Landkreis Schwandorf Stadt Nittenau Ortsteile: Berglarn, Dürrmaul, Geiseck, Gunt, Hadriwa, Hammerhäng, Harthöfl, Hengersbach, Hinterberg, Hof A. Regen, Hofer Mühle, Kaaghof, Ödgarten (bei Stefling), Roneck, Rumelsölden, Schönberg (bei Sankt Martin), Steinhof (bei Sankt Martin), Untermainsbach, Vorderkohlstetten, Weinting, Wetzlgütl, Wetzlhof, Dobl, Eckartsreuth, Elendhof bei Pettenreuth, Eschlbach bei Grafenwinn, Höflarn, Knollenhof, Sankt Martin, Schwarzenberg, Steinmühl, Straßhof, Überfuhr am Regen, Weißenhof, Stefling, Hinterkohlstetten Stadt Burglengenfeld Ortsteile: Augustenhof, Burglengenfeld, Greinhof, Karlsberg, Wölland. Stadt Maxhütte-Haidhof Ortsteil: Almenhöhe, Berghof, Binkenhof, Birkenhöhe, Birkenzell, Blattenhof, Brunnheim, Deglhof, Eichelberg, Engelbrunn, Harberhof, Haugshöhe, Ibenthann, Katzheim, Kreilnberg, Lehenhaus, Lintermühle, Meßnerskreith, Neukappl, Pfaltermühle, Pirkensee, Rappenbügl, Roßbach, Stadlhof, Steinhof, Strieglhof, Verau, Winkerling, Ziegelhütte, Rohrhof, Almenhof, Fürsthof, Haidhof, Kappl, Leonberg, Ponholz, Roding, Schwarzhof, Roßbergeröd, Maxhütte Stadt Teublitz Ortsteile: Kuntsdorf, Saltendorf, Teublitz |
29.6.2023 |
|
|
Landkreis Schwandorf 3 km Radius um den Ausbruchsbetrieb (Koordinaten UTM 32: 32728906/5447575). Betroffen sind: Stadt Maxhütte-Haidhof Ortsteile: Waldgebiete |
21.6.2023-29.6.2023 |
|
|
Stadt Regensburg Betroffen ist die Stadt Regensburg mit den Ortsteilen Haslbach, Ödenthal sowie Teile von Sallern-Gallingkofen und Wutzelhofen. Beginnend bei Schnittstelle B16 Richtung Cham mit östlichem Regenufer- Dem südl. Rand der B16 folgend bis zur Unterführung “Am Mühlberg”- Der Straße “Am Mühlberg” Richtung Süden folgend bis zur Kreuzung mit “Chamer Str.”- Chamer Str. folgend Richtung Osten bis auf Höhe Grundstück “Wutzlhofen 4”- Abkickend der Straße “Wutzelhofen” in süd-östl. Richtung folgend bis Bahndamm- Dem Bahndamm in südl- Richtung folgend bis auf Höhe nördl. Kante Sportplatz “BSC Regensburg”- Dem am nördl. Sportplatzrand verlaufenden Feldweg folgend bis zum östl. Waldrand des “Schwarzholz”- Dem Weg weiter Richtung Norden folgend bis zur Stadtgrenze- Von hier der Stadtgrenze entgegen des Uhrzeigersinnes folgend bis zur Schnittstelle B16 und Regen. |
29.6.2023 |
|
Lidstaat: Frankrijk
|
ADIS-referentienummer van de uitbraak |
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 55 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 |
|
Département: Gers (32) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00065 FR-HPAI(P)-2023-00068 FR-HPAI(P)-2023-00069 FR-HPAI(P)-2023-00070 FR-HPAI(P)-2023-00066 FR-HPAI(P)-2023-00071 FR-HPAI(P)-2023-00072 FR-HPAI(P)-2023-00073 FR-HPAI(P)-2023-00074 FR-HPAI(P)-2023-00075 FR-HPAI(P)-2023-00076 FR-HPAI(P)-2023-00077 FR-HPAI(P)-2023-00078 FR-HPAI(P)-2023-00079 FR-HPAI(P)-2023-00080 FR-HPAI(P)-2023-00081 FR-HPAI(P)-2023-00085 FR-HPAI(P)-2023-00088 FR-HPAI(P)-2023-00090 FR-HPAI(P)-2023-00092 FR-HPAI(P)-2023-00093 FR-HPAI(P)-2023-00094 FR-HPAI(P)-2023-00095 FR-HPAI(P)-2023-00096 FR-HPAI(P)-2023-00100 FR-HPAI(P)-2023-00101 FR-HPAI(P)-2023-00102 FR-HPAI(P)-2023-00103 FR-HPAI(P)-2023-00104 FR-HPAI(P)-2023-00105 FR-HPAI(P)-2023-00106 FR-HPAI(P)-2023-00107 FR-HPAI(P)-2023-00108 FR-HPAI(P)-2023-00109 FR-HPAI(P)-2023-00110 FR-HPAI(P)-2023-00111 FR-HPAI(P)-2023-00112 FR-HPAI(P)-2023-00113 FR-HPAI(P)-2023-00114 FR-HPAI(P)-2023-00115 FR-HPAI(P)-2023-00116 FR-HPAI(P)-2023-00122 FR-HPAI(P)-2023-00123 FR-HPAI(P)-2023-00124 FR-HPAI(P)-2023-00127 FR-HPAI(P)-2023-00128 FR-HPAI(P)-2023-00130 FR-HPAI(P)-2023-00132 FR-HPAI(P)-2023-00133 FR-HPAI(P)-2023-00134 FR-HPAI(P)-2023-00139 FR-HPAI(P)-2023-00141 FR-HPAI(P)-2023-00140 FR-HPAI(P)-2023-00144 FR-HPAI(P)-2023-00145 FR-HPAI(P)-2023-00146 FR-HPAI(P)-2023-00149 FR-HPAI(NON-P)-2023-00376 |
“AUJAN-MOURNEDE ZP à l’ouest de route entre “Le Rentier” et “Le Sage” ZS à l’est de cette même route” “SAINT-BLANCARD ZS à l’Ouest des routes D 139 et D576 ZRS à l’Est” ARMENTIEUX ARMOUS-ET-CAU ARROUEDE AUSSOS BARCUGNAN BARRAN BARS BASSOUES BAZIAN BAZUGUES BELLEGARDE BELLOC-SAINT-CLAMENS BERDOUES BETCAVE-AGUIN BEZOLLES BEZUES-BAJON BIRAN BRETAGNE-D'ARMAGNAC CABAS-LOUMASSES CAILLAVET CALLIAN CANNET CASTELNAU D'AUZAN LABARRÈRE CASTEX-D'ARMAGNAC CAZAUX-D'ANGLES CAZENEUVE CHELAN CLERMONT-POUYGUILLES COURRENSAN CUELAS DUFFORT DURBAN ESTIPOUY GALIAX GAZAX-ET-BACCARISSE GONDRIN GOUX IDRAC-RESPAILLES JU-BELLOC JUSTIAN L'ISLE-DE-NOE LABEJAN LADEVEZE-VILLE LAGRAULET-DU-GERS LALANNE-ARQUE LAMAGUERE LANNEMAIGNAN LANNEPAX LAVERAET LE BROUILH-MONBERT LOUBERSAN LOUSLITGES MANAS-BASTANOUS MANENT-MONTANE MARAMBAT MARCIAC MASCARAS MAUMUSSON-LAGUIAN MEILHAN MIRANDE MIRANNES MONCASSIN MONCLAR-SUR-LOSSE MONCORNEIL-GRAZAN MONFERRAN-PLAVES MONGUILHEM MONLAUR-BERNET MONLEZUN MONT-D'ASTARAC MONT-DE-MARRAST MONTIES MOUCHES MOUREDE NOULENS ORNEZAN PANASSAC PLAISANCE PONSAMPERE PONSAN-SOUBIRAN POUYLEBON PRECHAC-SUR-ADOUR PROJAN RAMOUZENS RICOURT ROQUEBRUNE ROQUES ROZES SADEILLAN SAINT-CHRISTAUD SAINT-JEAN-POUTGE SAINT-JUSTIN SAINT-MARTIN SAINT-MEDARD SAINT-PAUL-DE-BAISE SAINTE-DODE SAMARAN SARRAGUZAN SCIEURAC-ET-FLOURES SEISSAN SERE TACHOIRES TIESTE-URAGNOUX TUDELLE |
21.7.2023 |
|
AIGNAN ARBLADE-LE-BAS ARBLADE-LE-HAUT AURENSAN AVERON-BERGELLE AYZIEU BARCELONNE-DU-GERS BASCOUS BEAUMARCHES BELMONT BERNEDE BETOUS BOURROUILLAN BOUZON-GELLENAVE CAHUZAC-SUR-ADOUR CAMPAGNE-D'ARMAGNAC CASTELNAU-D'ANGLES CASTELNAVET CASTILLON-DEBATS CAUMONT CAUPENNE-D'ARMAGNAC CAZAUBON CORNEILLAN COULOUME-MONDEBAT COURTIES CRAVENCERES DEMU EAUZE ESCLASSAN-LABASTIDE ESPAS ESTANG FUSTEROUAU GEE-RIVIERE IZOTGES JUILLAC LABARTHE LABARTHETE LADEVEZE-RIVIERE LAGARDE-HACHAN LANNE-SOUBIRAN LANNUX LAREE LASSERADE LAUJUZAN LE HOUGA LELIN-LAPUJOLLE LIAS-D'ARMAGNAC LOUBEDAT LOURTIES-MONBRUN LOUSSOUS-DEBAT LUPIAC LUPPE-VIOLLES MAGNAN MANCIET MARGOUET-MEYMES MARGUESTAU MASSEUBE MAULEON-D'ARMAGNAC MAULICHERES MAUPAS MONCLAR MONLEZUN-D'ARMAGNAC MONTAUT MONTESQUIOU MORMES NOGARO PANJAS PERCHEDE PEYRUSSE-GRANDE PEYRUSSE-VIEILLE POUY-LOUBRIN POUYDRAGUIN PRENERON REANS RIGUEPEU RISCLE SABAZAN SAINT-ARAILLES SAINT-ARROMAN SAINT-AUNIX-LENGROS SAINT-ELIX-THEUX SAINT-GERME SAINT-GRIEDE SAINT-MARTIN-D'ARMAGNAC SAINT-MICHEL SAINT-MONT SAINT-OST SAINT-PIERRE-D'AUBEZIES SAINTE-AURENCE-CAZAUX SAINTE-CHRISTIE-D'ARMAGNAC SALLES-D'ARMAGNAC SARRAGACHIES SAUVIAC SEAILLES SEGOS SION SORBETS TARSAC TASQUE TERMES-D'ARMAGNAC TOUJOUSE TOURDUN URGOSSE VERGOIGNAN VERLUS VIC-FEZENSAC VIELLA VIOZAN “AUJAN-MOURNEDE ZP à l’ouest de route entre “Le Rentier” et “Le Sage” ZS à l’est de cette même route” |
6.7.2023-21.7.2023 |
|
|
Département: Landes (40) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00067 FR-HPAI(P)-2023-00082 FR-HPAI(P)-2023-00083 FR-HPAI(P)-2023-00084 FR-HPAI(P)-2023-00089 FR-HPAI(P)-2023-00091 FR-HPAI(P)-2023-00097 FR-HPAI(P)-2023-00098 FR-HPAI(P)-2023-00099 FR-HPAI(P)-2023-00117 FR-HPAI(P)-2023-00118 FR-HPAI(P)-2023-00119 FR-HPAI(P)-2023-00120 FR-HPAI(P)-2023-00121 FR-HPAI(P)-2023-00125 FR-HPAI(P)-2023-00126 FR-HPAI(P)-2023-00129 FR-HPAI(P)-2023-00131 FR-HPAI(P)-2023-00136 FR-HPAI(P)-2023-00137 FR-HPAI(P)-2023-00138 FR-HPAI(P)-2023-00142 FR-HPAI(P)-2023-00143 FR-HPAI(P)-2023-00148 |
Amou Arsague Arthez-d'Armagnac Aubagnan Audignon Aurice Banos Bas-Mauco Betbezer-d'Armagnac Beyries Bonnegarde Bougue Brassempouy Castaignos-Souslens Castel-Sarrazin Cauna Coudures Créon-d'Armagnac Dumes Escalans Estigarde Eyres-Moncube Le Frêche Gabarret Gaujacq Hagetmau Haut-Mauco Herré Horsarrieu Laglorieuse Lamothe Lauret Mant Marpaps Mazerolles Monget Monségur Mont-de-Marsan Montégut Mouscardès Nassiet Ossages Parleboscq Perquie Pomarez Pujo-le-Plan Sainte-Colombe Saint-Cricq-Villeneuve Saint-Julien-d'Armagnac Saint-Justin Saint-Perdon Saint-Pierre-du-Mont Saint-Sever (Ouest D933.S) Sarraziet Serres-Gaston Tilh Villeneuve-de-Marsan |
8.7.2023 |
|
Aire-sur-l'Adour Arboucave Artassenx Bahus-Soubiran Bascons Bats Benquet Bordères-et-Lamensans Bourdalat Bretagne-de-Marsan Buanes Castandet Castelnau-Tursan Cazères-sur-l'Adour Classun Clèdes Duhort-Bachen Eugénie-les-Bains Fargues Geaune Grenade-sur-l'Adour Hontanx Labastide-d'Armagnac Lacajunte Lagrange Larrivière-Saint-Savin Latrille Lussagnet Mauries Maurrin Mauvezin-d'Armagnac Miramont-Sensacq Montgaillard Montsoué Payros-Cazautets Pécorade Philondenx Pimbo Puyol-Cazalet Renung Saint-Agnet Saint-Gein Saint-Loubouer Saint-Maurice-sur-Adour Saint-Sever (Est D933.S) Samadet Sarron Sorbets Urgons Vielle-Tursan Le Vignau |
23.6.2023-8.7.2023 |
|
|
Department: Lot-et-Garonne (47) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00104 |
SAINTE MAURE DE PEYRIAC SAINT PE SAINT SIMON |
21.6.2023 |
|
Department: Pyrénées-Atlantiques (64) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00135 |
BAIGTS-DE-BEARN BALANSUN BERENX BIRON CASTETIS LAA-MONDRANS LACADEE LANNEPLAA MESPLEDE “ORTHEZ Au sud de la route de Dax (D947) et au sud de la route de Bonnut (D56)” PUYOO RAMOUS “SAINT-BOES A l’ouest de la route de Dax (D947)” SAINT-GIRONS-EN-BEARN SALLES-MONGISCARD SARPOURENX SAULT-DE-NAVAILLES |
23.6.2023 |
|
BONNUT “ORTHEZ Au nord de la route de Dax (D947) et au nord de la route de Bonnut (D56)” “SAINT-BOES A l’est de la route de Dax (D947)” SALLESPISSE |
15.6.2023-23.6.2023 |
|
|
Department: Hautes-Pyrénées (65) |
||
|
FR-HPAI(P)-2023-00141 FR-HPAI(P)-2023-00147 |
ARNE AURIEBAT BARTHE BAZORDAN BETPOUY CASTELNAU-MAGNOAC CASTELNAU-RIVIERE-BASSE CASTERETS CAUBOUS CAUSSADE-RIVIERE CIZOS ESTIRAC FONTRAILLES GAUSSAN GUIZERIX HACHAN HERES LABATUT-RIVIERE LARAN LARROQUE LASSALES MADIRAN MAUBOURGUET MONLONG ORGAN PEYRET-SAINT-ANDRE PUNTOUS SABARROS SADOURNIN SAINT-LANNE SAUVETERRE TRIE-SUR-BAISE VIEUZOS |
1.7.2023 |
|
ARIES-ESPENAN BETBEZE DEVEZE LALANNE MONLEON-MAGNOAC POUY SARIAC-MAGNOAC THERMES-MAGNOAC VILLEMUR |
23.6.2023- 1.7.2023 |
|
Lidstaat: Polen
|
ADIS-referentienummer van de uitbraak |
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid overeenkomstig artikel 55 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 |
||||||||||||||
|
PL-HPAI(P)-2023-00068 |
W województwie warmińsko – mazurskim:
w powiecie kętrzyńskim.
w powiecie giżyckim.
w powiecie węgorzewskim. |
25.6.2023 |
||||||||||||||
|
W województwie warmińsko – mazurskim:
w powiecie kętrzyńskim.
w powiecie giżyckim.
w powiecie węgorzewskim. |
17.6.2023-25.6.2023 |
Deel C
In de artikelen 1 en 3 bis bedoelde extra beperkingszones in de betrokken lidstaten (*):
Lidstaat: Frankrijk
|
Gebied omvattende: |
Datum einde geldigheid van de in artikel 3 bis bedoelde maatregelen |
|
Les communes suivantes dans le département: Cher (18) |
|
|
GENOUILLY GRACAY SAINT-OUTRILLE |
21.6.2023 |
|
Les communes suivantes dans le département: Gers (32) |
|
|
ANTRAS AUCH AUTERIVE AUX-AUSSAT AYGUETINTE BEAUCAIRE BEAUMONT BECCAS BETPLAN BLOUSSON-SERIAN BONAS BOUCAGNERES BOULAUR CASSAIGNE CASTELNAU-BARBARENS CASTERA-VERDUZAN CASTEX CASTIN CAZAUX-VILLECOMTAL DURAN ESTAMPES FAGET-ABBATIAL FOURCES GAUJAC GAUJAN HAGET HAULIES JEGUN LAAS LAGARDERE LAGUIAN-MAZOUS LAMAZERE LARROQUE-SAINT-SERNIN LARTIGUE LASSERAN LASSEUBE-PROPRE LAURAET MAIGNAUT-TAUZIA MALABAT MANSENCOME MARSEILLAN MIELAN MIRAMONT-D'ASTARAC MONBARDON MONGAUSY MONPARDIAC MONTEGUT-ARROS MONTREAL MOUCHAN ORBESSAN ORDAN-LARROQUE PALLANNE PAVIE PELLEFIGUE PESSAN SABAILLAN SAINT-ELIX SAINT-JEAN-LE-COMTAL SAINT-LARY SAINT-MAUR SAINT-PUY SANSAN SARAMON SARCOS SEMBOUES SEMEZIES-CACHAN SIMORRE TILLAC TOURNAN TRAVERSERES TRONCENS VALENCE-SUR-BAISE VILLECOMTAL-SUR-ARROS VILLEFRANCHE “SAINT-BLANCARD ZS à l’Ouest des routes D 139 et D576 ZRS à l’Est” SADEILLAN SAINT-ARAILLES SAINT-BLANCARD |
21.7.2023 |
|
Les communes suivantes dans le département: Landes (40) |
|
|
Argelos Baigts Bassercles Bastennes Baudignan Bergouey Bostens Campagne Campet-et-Lamolère Castelnau-Chalosse Castelner Caupenne Cazalis Clermont Doazit Donzacq Estibeaux Gaillères Garrey Gibret Gouts Habas Hauriet Labastide-Chalosse Labatut Lacquy Lacrabe Lahosse Larbey Le Leuy Losse Lubbon Lucbardez et Bargues Maylis Meilhan Mimbaste Misson Momuy Montaut Montfort-en-Chalosse Morganx Mugron Nerbis Nousse Ozourt Peyre Poudenx Pouillon Pouydesseaux Poyartin Rimbez-et-Baudiets Roquefort Saint-Aubin Saint-Avit Saint-Cricq-Chalosse Saint-Cricq-du-Gave Sainte-Foy Saint-Gor Saint-Martin-d'Oney Sarbazan Serreslous-et-Arribans Sorde-l'Abbaye Sort-en-Chalosse Souprosse Toulouzette Uchacq-et-Parentis Vielle-Soubiran |
8.7.2023 |
|
Les communes suivantes dans le département: Lot-et-Garonne (47) |
|
|
SAINTE MAURE DE PEYRIAC SAINT PE SAINT SIMON |
21.6.2023 |
|
Les communes suivantes dans le département: Pyrénées-Atlantiques (64) |
|
|
ANDREIN ARGAGNON ARGET AUDAUX BARRAUTE-CAMU BELLOCQ BUGNEIN BURGARONNE CARRESSE-CASSABER CASTAGNEDE CASTEIDE-CANDAU CASTETBON CASTETNER HAGETAUBIN L'HOPITAL-D'ORION LAAS LABEYRIE LAGOR LAHONTAN LOUBIENG MASLACQ MONT NARP ORAAS ORION ORRIULE OSSENX OZENX-MONTESTRUCQ SAINT-MEDARD SALIES-DE-BEARN SAUVELADE SAUVETERRE-DE-BEARN |
23.6.2023 |
|
Les communes suivantes dans le département: Hautes-Pyrénées (65) |
|
|
ANSOST ARNE ARTAGNAN AURIEBAT BARBACHEN BARTHE BAZORDAN BETPOUY BUZON CAIXON CASTELNAU-MAGNOAC CASTELNAU-RIVIERE-BASSE CASTERETS CAUBOUS CAUSSADE-RIVIERE CIZOS ESCAUNETS ESTIRAC FONTRAILLES GARDERES GAUSSAN GENSAC GUIZERIX HACHAN HAGEDET HERES LABATUT-RIVIERE LAFITOLE LAHITTE-TOUPIERE LARAN LARREULE LARROQUE LASCAZERES LASSALES LIAC LUQUET MADIRAN MAUBOURGUET MONFAUCON MONLONG NOUILHAN ORGAN OROIX PEYRET-SAINT-ANDRE PUNTOUS RABASTENS-DE-BIGORRE SABARROS SADOURNIN SAINT-LANNE SARRIAC-BIGORRE SAUVETERRE SEGALAS SERON SOMBRUN SOUBLECAUSE TRIE-SUR-BAISE VIC-EN-BIGORRE VIDOUZE VIEUZOS VILLEFRANQUE VILLENAVE-PRES-BEARN |
1.7.2023 |
|
(*) |
Voor de toepassing van deze bijlage wordt, overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, bij verwijzingen naar de lidstaten ook het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland bedoeld. |
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/162 |
BESLUIT (EU) 2023/1338 VAN DE COMMISSIE
van 28 juni 2023
betreffende de veiligheidseisen waaraan de in Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad bedoelde Europese normen voor bepaalde kinderproducten en aanverwante producten moeten voldoen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (1), en met name artikel 4, lid 1, punt a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2001/95/EG is van toepassing op alle producten als gedefinieerd in artikel 2, punt a), van genoemde richtlijn, voor zover de voorschriften van het Unierecht met betrekking tot de veiligheid van de desbetreffende producten geen specifieke bepalingen met dezelfde doelstelling bevatten. |
|
(2) |
Voor producten die voldoen aan nationale normen tot omzetting van Europese normen krachtens Richtlijn 2001/95/EG en waarvan de referenties door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, geldt het vermoeden van veiligheid. |
|
(3) |
Met de nieuwe consumentenagenda 2020 (2) verbindt de Commissie zich ertoe de veiligheid van producten voor kinderen te verbeteren door veiligheidseisen vast te stellen waaraan Europese normen voor deze producten moeten voldoen, gezien de bijzondere kwetsbaarheid van deze categorie consumenten. Van alle producten die in 2020 en 2021 via het systeem van de Unie voor snelle waarschuwingen “Safety Gate” — voorheen bekend als het systeem voor snelle uitwisseling van informatie “Rapex” — als gevaarlijk zijn aangemerkt, betrof meer dan 20 % producten voor kinderen. Met haar mededeling over de strategie voor duurzame chemische stoffen — Op weg naar een gifvrij milieu (3), beoogt de Commissie voorts met name de bescherming van kinderen tegen gevaarlijke chemische stoffen in voor hen bestemde consumentenproducten te verbeteren. |
|
(4) |
De Commissie heeft reeds de volgende besluiten vastgesteld: Besluit 2010/9/EU (4) inzake de veiligheidseisen waaraan Europese normen met betrekking tot badringen, badhulpmiddelen, badjes en badstandaarden moeten voldoen; Besluit 2010/376/EU (5) inzake de veiligheidseisen waaraan Europese normen voor bepaalde producten voor de slaapomgeving van kinderen moeten voldoen, en Besluit 2013/121/EU (6) inzake de veiligheidseisen waaraan Europese normen voor bepaalde kinderzitjes moeten voldoen. In aanvulling op deze besluiten moeten echter ook eisen worden vastgesteld waaraan Europese normen voor een bredere groep kinderproducten en aanverwante producten moeten voldoen. |
|
(5) |
De voorschriften voor de veiligheid van speelgoed zijn vastgesteld in Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (7). Richtlijn 2001/95/EG is evenwel van toepassing op de aspecten en risico’s of risicocategorieën die niet onder Richtlijn 2009/48/EG vallen. Daarom moeten in dit besluit eisen worden opgenomen waaraan Europese normen voor kinderproducten en aanverwante producten moeten voldoen voor zover de risico’s of risicocategorieën niet onder Richtlijn 2009/48/EG vallen. |
|
(6) |
De veiligheidseisen zijn nodig voor de opstelling en actualisering van Europese normen voor bepaalde kinderproducten en aanverwante producten. Die eisen moeten waarborgen dat producten die met die normen in overeenstemming zijn, voldoen aan het algemene veiligheidsvereiste van artikel 3 van Richtlijn 2001/95/EG. |
|
(7) |
Die veiligheidseisen moeten de nieuwe wetenschappelijke en technische kennis alsook de marktontwikkeling weerspiegelen. Het hanteren van een op gevaren gebaseerde benadering maakt een uitgebreide beoordeling mogelijk van de risico’s waaraan kinderen kunnen worden blootgesteld bij gebruik van producten die voor hen bestemd zijn. Bovendien helpt deze benadering om onzekerheden in verband met toekomstige nieuwe producten te onderkennen en aan te pakken. Tot slot maakt het op gevaren gebaseerde formaat de vergelijking van die eisen en de inhoud van de normen eenvoudiger, waardoor de normen gemakkelijker aan de eisen kunnen voldoen. Er moet daarom een op gevaren gebaseerde benadering worden gevolgd bij de vaststelling van de veiligheidseisen waaraan Europese normen voor kinderproducten en aanverwante producten moeten voldoen. |
|
(8) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het door het comité van artikel 15 van Richtlijn 2001/95/EG uitgebrachte advies, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Toepassingsgebied
Dit besluit is voor de volgende producten van toepassing op de Europese normen waarnaar in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2001/95/EG wordt verwezen:
|
a) |
kinderproducten die bedoeld zijn om door kinderen te worden gedragen; |
|
b) |
kinderproducten die bedoeld zijn om ondersteuning of bescherming te bieden bij het zitten, slapen, baden, de lichaamsverzorging, ontspanning, vervoer of voorschools leren; |
|
c) |
kinderproducten die bedoeld zijn om het voeden van kinderen of drinken of zuigen door kinderen te vergemakkelijken; |
|
d) |
kinderproducten die één of meer van de in de punten a), b) en c) genoemde functies en een of meer andere functies vervullen; |
|
e) |
aan kinderproducten aanverwante producten, waaronder de volgende:
|
Artikel 2
Veiligheidseisen
De veiligheidseisen waaraan de in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2001/95/EG bedoelde Europese normen voor bepaalde in artikel 1 van dit besluit bedoelde kinderproducten en aanverwante producten moeten voldoen, zijn in de bijlage bij dit besluit opgenomen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 28 juni 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.
(2) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — Nieuwe consumentenagenda — De weerbaarheid van de consument versterken met het oog op duurzaam herstel, COM(2020) 696 final van 13 november 2020.
(3) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Strategie voor duurzame chemische stoffen — Op weg naar een gifvrij milieu, COM(2020) 667 final van 14 oktober 2020.
(4) Besluit 2010/9/EU van de Commissie van 6 januari 2010 inzake de veiligheidseisen waaraan Europese normen met betrekking tot badringen, badhulpmiddelen, badjes en badstandaarden overeenkomstig Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake algemene productveiligheid moeten voldoen (PB L 3 van 7.1.2010, blz. 23).
(5) Besluit 2010/376/EU van de Commissie van 2 juli 2010 inzake de veiligheidseisen waaraan de in Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake algemene productveiligheid bedoelde Europese normen voor bepaalde producten voor de slaapomgeving van kinderen moeten voldoen (PB L 170 van 6.7.2010, blz. 39).
(6) Besluit 2013/121/EU van de Commissie van 7 maart 2013 inzake de veiligheidseisen waaraan Europese normen voor bepaalde kinderzitjes krachtens Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake algemene productveiligheid moeten voldoen (PB L 65 van 8.3.2013, blz. 23).
(7) Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1).
BIJLAGE
VEILIGHEIDSEISEN WAARAAN EUROPESE NORMEN VOOR BEPAALDE KINDERPRODUCTEN EN AANVERWANTE PRODUCTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 1 MOETEN VOLDOEN
|
1. |
Chemische gevaren | 166 |
|
2. |
Thermische gevaren | 167 |
|
3. |
Ontvlammingsgevaar | 167 |
|
4. |
Gevaar op beknelling | 168 |
|
5. |
Gevaren door bewegende delen, waaronder gevaar op inklemming, snijwonden en pletten | 168 |
|
6. |
Gevaren van kinderproducten die zijn ontworpen om voor opslag en vervoer te worden opgevouwen | 169 |
|
7. |
Gevaren van kinderproducten die zijn ontworpen om voor opslag en vervoer te worden gedemonteerd | 169 |
|
8. |
Gevaren die verband houden met bevestigingsmechanismen en openings- en sluitsystemen | 169 |
|
9. |
Gevaren die verband houden met producten op wielen | 170 |
|
10. |
Verstrikkingsgevaar | 170 |
|
11. |
Gevaar van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen | 170 |
|
12. |
Gevaar van verstikking door uitwendige blokkering van de luchtwegen | 171 |
|
12.1. |
Gevaren die verband houden met de ademhaling | 171 |
|
13. |
Gevaar van inslikken | 171 |
|
14. |
Gevaren in verband met inbrengen in lichaamsholten en inademing | 171 |
|
15. |
Gevaarlijke punten, randen en uitsteeksels | 171 |
|
16. |
Gevaren die verband houden met de structurele integriteit | 172 |
|
17. |
Gevaren die verband houden met beschermende functies | 172 |
|
18. |
Gevaren die verband houden met beveiligingssystemen | 173 |
|
19. |
Gevaren die verband houden met de stabiliteit | 173 |
|
20. |
Valgevaar | 173 |
|
21. |
Verdrinkingsgevaar | 174 |
|
22. |
Elektrische gevaren | 174 |
|
23. |
Biometrische gevaren | 174 |
|
24. |
Akoestische gevaren | 174 |
|
25. |
Stralingsrisico’s | 174 |
|
26. |
Gevaren van radioactiviteit | 175 |
|
27. |
Gevaren die verband houden met hygiëne | 175 |
|
28. |
Gevaren die verband houden met de bij het product verstrekte informatie | 175 |
In deze bijlage zijn de veiligheidseisen opgenomen waaraan de in artikel 1 van dit besluit bedoelde Europese normen voor kinderproducten en aanverwante producten moeten voldoen. Die eisen waarborgen dat producten die aan deze normen voldoen, overeenstemmen met het algemene veiligheidsvereiste van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2001/95/EG.
Kinderproducten mogen bij gebruik onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden, rekening houdend met de gedragingen, vaardigheden of kwetsbaarheid van kinderen en verzorgers, de veiligheid of gezondheid van kinderen en verzorgers niet in gevaar brengen.
Waar mogelijk moet rekening worden gehouden met de speciale behoeften van gebruikers met een beperking — zowel verzorgers als kinderen — om hun veiligheid te waarborgen.
Er moet altijd prioriteit worden gegeven aan veiligheid door ontwerp (“safety by design”).
Op de kinderproducten — en/of de verpakking — moet passende informatie worden aangebracht om de ouders en verzorgers te wijzen op de inherente gevaren die aan het gebruik van de producten zijn verbonden en op de manieren waarop deze kunnen worden vermeden. Deze informatie moet waarschuwingen (pictogrammen en/of tekst) en instructies voor het gebruik en/of onderhoud omvatten.
Kinderproducten moeten tijdens hun verwachte levensduur veilig blijven en hun veiligheidskenmerken behouden. Zij moeten zodanig zijn ontworpen en vervaardigd dat de gevaren bij langdurig gebruik gedurende de verwachte levensduur tot een minimum worden beperkt.
Kinderproducten die voor gebruik in het kader van dienstverlening bestemd zijn, moeten aan specifieke eisen voldoen om rekening te houden met het feit dat zij vaker en gedurende een langere periode worden gebruikt, en mogelijk aan strengere criteria moeten beantwoorden.
Normen die naar aanleiding van normalisatieverzoeken van de Commissie op basis van deze veiligheidseisen worden opgesteld, moeten rekening houden met de meest recente antropometrische gegevens, medisch onderzoek, relevante gezondheidsadviezen die specifiek betrekking hebben op de kindveiligheid (bv. veilige slaapgewoonten), en de meest recente wetenschappelijke en technische kennis inzake veiligheid en/of gezondheid van kinderen.
Ontwerpers en fabrikanten moeten er rekening mee houden dat gevaren van een product voor kinderen niet beperkt zijn tot de gevaren die in dit document zijn genoemd. Bovendien moeten er ook andere voorschriften van de Unie inzake productveiligheid, zoals de voorschriften betreffende de veiligheid van chemische stoffen, in acht worden genomen.
Verder moet rekening worden gehouden met aanvullende gevaren die verband houden met het veilige gebruik en de veilige werking van producten (waaronder gevaren in verband met artificiële intelligentie, cyberveiligheid, internetconnectiviteit, beveiliging en privacy).
Gevaren die verband houden met de communicatie met, de observatie van en het toezicht op een kind vanop afstand door een verzorger moeten in aanmerking worden genomen.
Kinderen ontwikkelen zich lichamelijk, geestelijk en emotioneel niet allemaal even snel. Voor elke norm die wordt ontwikkeld om aan deze veiligheidseisen te voldoen, moet in het toepassingsgebied ervan duidelijk het stadium van ontwikkeling (zoals leeftijdsgroep, gewicht en lengte) aangegeven zijn, en de norm moet dienovereenkomstig aan de productveiligheidseisen voldoen.
Wanneer deze benadering niet wordt gevolgd, moet dit in de informatieve bijlage bij de norm nader worden toegelicht.
In de normen voor kinderproducten moet rekening worden gehouden met bruikbaarheid; het kinderproduct moet met name zodanig ontworpen zijn dat één volwassen gebruiker het product kan installeren, hanteren en gebruiken.
Artikelen die voor gebruik in combinatie met kinderproducten zijn ontworpen, maar onder andere normen vallen, moeten aan de eisen van beide normen voldoen.
1. CHEMISCHE GEVAREN
Kinderproducten moeten zodanig worden ontworpen en vervaardigd dat zij geen risico van schadelijke gevolgen voor de gezondheid van kinderen of andere personen (kinderen en volwassenen) vormen door blootstelling aan de chemische stoffen of mengsels waaruit zij zijn samengesteld of die zij bevatten, wanneer de kinderproducten worden gebruikt waarvoor zij bedoeld zijn of onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden, rekening houdend met het gedrag van kinderen, het specifieke gebruik van een product en de daaruit voortvloeiende omstandigheden van blootstelling.
Kinderproducten — en hun verpakking — moeten voldoen aan alle toepasselijke Uniewetgeving betreffende bepaalde categorieën producten of betreffende beperkingen voor bepaalde stoffen of mengsels.
De normen moeten de meest recente chemische richtsnoeren weerspiegelen en specifiek rekening houden met kennis inzake de veiligheid en gezondheid van kinderen (in verband met sabbelgedrag, inademing en absorptie).
Wanneer gerecycleerde materialen worden gebruikt, moeten deze aan dezelfde eisen voldoen als oorspronkelijke materialen.
Bij de vaststelling van de eisen inzake de chemische veiligheid van kinderproducten, bijvoorbeeld bij de vaststelling van de juiste grenswaarden voor chemische stoffen, moet met alle relevante richtsnoeren, wet- en regelgeving en de meest recente wetenschappelijke bevindingen bij soortgelijke producten rekening worden gehouden. Voor de beoordeling moet gebruik worden gemaakt van de meest geavanceerde testmethoden.
Vanwege specifieke gebruiksomstandigheden (bv. blootstellingsduur of bijzonder gebruik van een product) moeten de grenswaarden worden afgestemd op het te verwachten gebruik van het product.
2. THERMISCHE GEVAREN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat thermische gevaren tot een minimum worden beperkt. Er moet rekening worden gehouden met de gedragingen van kinderen en de beschikbare gegevens inzake oppervlaktetemperaturen in verband met brandwonden. Eventuele resterende gevaren moeten aan de hand van gepaste waarschuwingen aangegeven zijn. Bij thermische gevaren kan het onder meer, maar niet uitsluitend, gaan om:
|
a) |
contact met hete of koude oppervlakken; |
|
b) |
inname van warme voedingsmiddelen of vloeistoffen; |
|
c) |
verbrandingsgevaar; |
|
d) |
oververhitting (hyperthermie); |
|
e) |
onderkoeling (hypothermie). |
3. ONTVLAMMINGSGEVAAR
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar van ontvlamming tot een minimum wordt beperkt.
Bij ontvlammingsgevaar kan het onder meer, maar niet uitsluitend, gaan om:
|
a) |
gevaren door flitsverbranding; |
|
b) |
gevaren door vlamverspreiding; |
|
c) |
gevaren door het smeltgedrag van materialen; |
|
d) |
gevaren door contact met vlammen. |
Kinderproducten moeten worden samengesteld uit materialen die voldoen aan een of meer van de voorwaarden uit de volgende (niet-uitputtende) lijst:
|
a) |
zij zijn niet gemakkelijk ontvlambaar en zijn zelfdovend; |
|
b) |
indien zij vlam vatten, branden zij traag en is de snelheid waarmee de vlam zich verspreidt, laag; |
|
c) |
ongeacht hun chemische samenstelling zijn zij zo ontworpen dat het verbrandingsproces mechanisch wordt vertraagd. |
Stoffen waarvan bekend is dat zij bij verbranding zeer giftige dampen afgeven, mogen niet in producten voor kinderen worden gebruikt. Brandbare materialen mogen geen risico van ontbranding opleveren voor andere in het product verwerkte materialen.
Stoffen en materialen waarvan bekend is dat zij een ernstig gevaar voor de gezondheid vormen, mogen niet migreren of vrijkomen in concentraties die gevaar kunnen opleveren voor de gebruikers van het product.
In de normen moet worden vermeld dat vlamvertragende chemische stoffen alleen mogen worden gebruikt als er geen andere mogelijkheden zijn. Als er vlamvertragende chemische stoffen worden gebruikt, mogen de toxiciteit daarvan en de verwijdering niet schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers, verzorgers en het milieu.
4. GEVAAR OP BEKNELLING
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar op beknelling van lichaamsdelen van een kind tot een minimum wordt beperkt. Producten mogen niet het risico inhouden dat het hoofd, de nek, het bovenlichaam, de armen, de handen, de vingers, de benen, de voeten of de tenen van een kind bekneld kunnen raken.
Voorschriften ter voorkoming van beknelling moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op gevaren door vaste en niet-vaste:
|
a) |
volledig omsloten openingen; |
|
b) |
deels omsloten openingen; |
|
c) |
V-vormige openingen; |
|
d) |
onregelmatig vormgegeven openingen; |
|
e) |
dynamische openingen; |
|
f) |
sluitingen; |
|
g) |
gaten; |
|
h) |
spleten; |
|
i) |
druk van omringend materiaal. |
Alle producten die een besloten ruimte vormen waarin een kind kan komen en bekneld kan raken, moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar op beknelling tot een minimum wordt beperkt.
In normen moeten de veilige afmetingen in verband met het gevaar op beknelling duidelijk worden aangegeven. Deze afmetingen moeten altijd de meest recente antropometrische gegevens weerspiegelen van de kinderen die het product naar verwachting zullen gebruiken en ermee in aanraking zullen komen, en specifiek gebaseerd zijn op kennis inzake kindveiligheid.
Het gevaar van beknelling door beweging moet via het ontwerp tot een minimum worden beperkt. Eventuele resterende gevaren moeten aan de hand van waarschuwingen en instructies aangegeven zijn.
Bij gevaren die verband houden met bewegingen kan het onder meer, maar niet uitsluitend, gaan om:
|
a) |
beknelling door het gewicht van een kantelend product; |
|
b) |
beknelling door spleten en openingen in verband met het te verwachten gebruik van het product (waaronder spleten en openingen die een bewegend kind doet ontstaan); |
|
c) |
beknelling door spleten en openingen die voor het kind toegankelijk zijn, maar zich naast het product bevinden; |
|
d) |
beknelling wanneer het kind de nek/keel op een zachte of harde rand legt; |
|
e) |
beknelling die door het product wordt veroorzaakt, maar in verband staat met kinderen die niet de hoofdgebruiker van het product zijn. |
5. GEVAREN DOOR BEWEGENDE DELEN, WAARONDER GEVAAR OP INKLEMMING, SNIJWONDEN EN PLETTEN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren door bewegende delen tot een minimum worden beperkt. De producten mogen niet het risico inhouden dat (delen van) het lichaam, ledematen, vingers of tenen worden (af)geknipt, ingeklemd (wanneer delen ten opzichte van elkaar bewegen en een schaarbeweging maken), geplet (wanneer delen ten opzichte van elkaar bewegen en druk uitoefenen) of afgescheiden of dat snijwonden worden toegebracht.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren door bewegende delen moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op de volgende gevaren (indien van toepassing):
|
a) |
beweging van het product zelf; |
|
b) |
verplaatsing van het lichaamsgewicht van het kind; |
|
c) |
uitoefening/ontspanning van een externe kracht. |
Ontwerpers en fabrikanten moeten er rekening mee houden dat gevaren kunnen veranderen naargelang de toegankelijkheid van de bewegende delen, de flexibiliteit van het materiaal (met inbegrip van weefsels), de invloed van krachten en posities waarin kracht wordt uitgeoefend, de middelen voor bediening van de bewegende delen, de vorm of het materiaal van de delen, de vaardigheden van het kind enz.
6. GEVAREN VAN KINDERPRODUCTEN DIE ZIJN ONTWORPEN OM VOOR OPSLAG EN VERVOER TE WORDEN OPGEVOUWEN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat de gevaren van producten met een opvouwbaar ontwerp met het oog op opslag en vervoer tot een minimum worden beperkt. Het onbedoeld opvouwen van de producten mag niet tot pletten, snijwonden, beknelling of verstikking door uitwendige blokkering van de luchtwegen leiden.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren door kinderproducten die zijn ontworpen om voor opslag of vervoer te worden opgevouwen, moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
het product moet uitgerust zijn met vergrendelingsvoorzieningen om onvolledig/onbedoeld uitvouwen te voorkomen; |
|
b) |
de vergrendeling/vergrendelde stand moet duidelijk zijn voor de ouder/verzorger; |
|
c) |
er mag geen onbedoelde ontgrendeling van de vergrendelingen plaatsvinden; |
|
d) |
het product moet door één volwassene kunnen worden bediend; |
|
e) |
het moet onmogelijk zijn om de producten te gebruiken als de vergrendelingen niet zijn geactiveerd. |
7. GEVAREN VAN KINDERPRODUCTEN DIE ZIJN ONTWORPEN OM VOOR OPSLAG EN VERVOER TE WORDEN GEDEMONTEERD
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren in verband met het demonteren van producten voor opslag/vervoer en vervolgens het opnieuw monteren voor gebruik, tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met het demonteren en opnieuw monteren moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
|
er moeten instructies worden meegeleverd die duidelijk geformuleerd en gemakkelijk te begrijpen zijn en door de gemiddelde, niet-professionele consument kunnen worden begrepen;
|
8. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET BEVESTIGINGSMECHANISMEN EN OPENINGS- EN SLUITSYSTEMEN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren in verband met hun bevestigingsmechanismen en/of openings- en sluitsystemen tot een minimum worden beperkt. Producten mogen niet het risico inhouden dat er door onbedoelde ontgrendeling gevaar bestaat op pletten, inklemming, snijwonden, knippen, beknelling, vallen en verstikking door uitwendige blokkering van de luchtwegen.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren door bevestigingsmechanismen en openings- en sluitsystemen moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
als het product in verschillende standen kan worden gebruikt, moet de gekozen stand gehandhaafd blijven wanneer het product wordt blootgesteld aan krachten die typisch zijn voor de handelingen en bewegingen van het kind; |
|
b) |
openings- en sluitsystemen moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat onbedoelde bediening wordt voorkomen. |
9. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET PRODUCTEN OP WIELEN
Kinderproducten met wielen of zwenkwielen (voor vervoer of andere beweging) moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren in verband met wielen of zwenkwielen en onbedoelde beweging tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren door wielen/zwenkwielen en onbedoelde beweging moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
alle producten op wielen moeten uitgerust zijn met een of meer geschikte vergrendelingsvoorzieningen die de stabiliteit zo nodig waarborgen; |
|
b) |
alle vergrendelingsvoorzieningen moeten veilig in het gebruik zijn; |
|
c) |
kinderproducten op wielen moeten beschikken over een parkeerfunctie waarmee zij, ongeacht de ondergrond, op stabiele wijze kunnen worden geïmmobiliseerd. |
10. VERSTRIKKINGSGEVAAR
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar op verstrikking tot een minimum wordt beperkt.
Voorschriften moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op de volgende gevaren (indien van toepassing):
|
a) |
het gevaar van aan iets te blijven haken; |
|
b) |
het gevaar van te blijven haken met textielproducten zoals onderdelen van kledingstukken (sluitingen, knopen, versieringen, stiksels en dergelijke, die leiden tot gaten, spleten en openingen of uitstekende delen in het ontwerp); |
|
c) |
gevaar voor verwurging door koorden, linten, touwtjes, kabels of lussen; |
|
d) |
gevaren door monofildraden; |
|
e) |
gevaren door handgrepen. |
De normen moeten duidelijk de veilige afmetingen en de testvoorschriften met betrekking tot koorden, linten, touwtjes, kabels, lussen en andere bronnen van verstrikkingsgevaren vermelden. Deze afmetingen moeten altijd de meest recente antropometrische gegevens weerspiegelen en specifiek gebaseerd zijn op kennis inzake kindveiligheid. Ook de opbergzakken voor producten moeten veilig zijn.
11. GEVAAR VAN VERSTIKKING DOOR INWENDIGE BLOKKERING VAN DE LUCHTWEGEN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
geen enkel onderdeel dat los kan komen door krachten die een kind zou kunnen uitoefenen, mag zo klein zijn dat het een gevaar voor verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen oplevert; |
|
b) |
geen enkel onderdeel mag tijdens het gebruik (bv. wanneer het valt) afbreken, scheuren of loskomen in een formaat dat klein genoeg is om gevaar van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen op te leveren; |
|
c) |
onderdelen die zonder gebruikmaking van een stuk gereedschap losgehaald kunnen worden, mogen geen gevaar van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen opleveren; |
|
d) |
onderdelen die zo lang zijn dat de kokhalsreflex kan worden opgewekt als het kind het product in de mond stopt, mogen niet worden toegelaten voor kinderen die te jong zijn om zelfstandig rechtop te zitten in verband met het gevaar van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen; |
|
e) |
vulmaterialen die een gevaar van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen inhouden, mogen niet bereikbaar kunnen worden door uitoefening van krachten die een kind zou kunnen uitoefenen; |
|
f) |
producten mogen geen gevaar voor inademing opleveren vanwege de grootte van de elementen waaruit zij bestaan of doordat die elementen door uitoefening van krachten die een kind zou kunnen uitoefenen, klein genoeg of bereikbaar worden; |
|
g) |
er moet rekening worden gehouden met de totale omvang en vorm van producten, en indien nodig moeten technische/mechanische oplossingen worden toegepast (bv. luchtgaten in producten waar bij normaal en te verwachten gebruik verstikkingsgevaar aanwezig is). |
In normen moeten de veilige afmetingen en testvoorschriften in verband met gevaar van verstikking door inwendige blokkering van de luchtwegen duidelijk worden aangegeven. Deze afmetingen moeten altijd de meest recente antropometrische gegevens weerspiegelen en specifiek gebaseerd zijn op kennis inzake kindveiligheid.
12. GEVAAR VAN VERSTIKKING DOOR UITWENDIGE BLOKKERING VAN DE LUCHTWEGEN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar van verstikking door uitwendige blokkering van de luchtwegen in verband met producten en hun verpakking tot een minimum worden beperkt. Dergelijke gevaren doen zich voor wanneer de neus en mond tegelijkertijd worden geblokkeerd.
Voorschriften moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op de volgende gevaren (indien van toepassing):
|
a) |
verstikking door dunne/zachte materialen die dusdanige vormen kunnen aannemen dat het gezicht van het kind wordt bedekt (met inbegrip van plaatjes); |
|
b) |
verstikking door dunne plastic zakken met een opening die groter is dan de omtrek van het hoofd van een kind; |
|
c) |
verstikking door zelfklevend verpakkingsmateriaal (bv. huishoudfolie); |
|
d) |
verstikking door producten met een vorm die over het gezicht van het kind kan worden geplaatst en een luchtdichte afsluiting kan veroorzaken; |
|
e) |
verstikking doordat de luchtwegen worden afgedekt door of wegzakken in zachte, pluizige, buigzame materialen, vooral in de slaapomgeving van kinderen (de jongste kinderen). |
Gevaarlijke verpakkingsmaterialen moeten waar mogelijk worden vermeden, maar indien zij nodig zijn, moeten zij veilig zijn door ontwerp (d.w.z. geperforeerd of dunner dan minimumdikte). Bovendien moet de consument bewust worden gemaakt van de gevaren van de verpakking (d.w.z. uitwendig verstikkingsgevaar).
12.1. Gevaren die verband houden met de ademhaling
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar op verstikking door een gebrek aan luchtdoorlatendheid tot een minimum wordt beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met de luchtdoorlatendheid moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
de neus en mond van het kind mogen niet tegelijkertijd worden afgedekt; |
|
b) |
matrassen, beddengoed en andere soortgelijke producten mogen geen dusdanige vormen aannemen dat zij het gezicht van het kind afdekken; |
|
c) |
extra matrassen of beddengoed mogen geen extra gevaren op verstikking door uitwendige blokkering van de luchtwegen opleveren. |
13. GEVAAR VAN INSLIKKEN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren in verband met inslikken tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met inslikken moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
bevestigde onderdelen moeten bevestigd blijven en mogen niet in stukken breken als zij losraken; |
|
b) |
kleine voorwerpen en onderdelen moeten van een zodanige grootte en constructie zijn dat zij niet via de mond en keel van het kind in de maag terecht kunnen komen; |
|
c) |
magneten, batterijen en andere soortgelijke onderdelen zijn bijzonder gevaarlijk en mogen niet het risico inhouden dat een kind erbij kan of dergelijke onderdelen inslikt. |
14. GEVAREN IN VERBAND MET INBRENGEN IN LICHAAMSHOLTEN EN INADEMING
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren in verband met het inbrengen in lichaamsholten en de inademing van kleine onderdelen door dergelijke onderdelen via de oren of de neus in te brengen, tot een minimum worden beperkt.
15. GEVAARLIJKE PUNTEN, RANDEN EN UITSTEEKSELS
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar van snijwonden en soortgelijke gevaren in verband met scherpe punten, randen of uitsteeksels tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met scherpe punten, randen of uitsteeksels moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
oppervlakken moeten glad zijn, tenzij het oppervlak specifiek anders is ontworpen om de veilige werking van het kinderproduct te bevorderen; |
|
b) |
scherpe randen, hoeken, draden en punten moeten worden voorkomen; |
|
c) |
er mogen geen uitstekende delen zijn die letsel kunnen veroorzaken; |
|
d) |
uitstekende delen van producten mogen niet tot ernstig letsel leiden; |
|
e) |
het materiaal moet vrij van splinters zijn; |
|
f) |
metalen oppervlakken en andere metalen onderdelen moeten bestand zijn tegen corrosie en afschilfering; |
|
g) |
er mag geen plaatglas worden gebruikt; |
|
h) |
glaswol en andere soortgelijke mineralen mogen geen gevaar voor verwurging of asfyxiatie opleveren; |
|
i) |
de vulling of het opvulmateriaal mag geen harde of scherpe voorwerpen bevatten. |
16. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET DE STRUCTURELE INTEGRITEIT
Kinderproducten moeten voldoende sterk en structureel integer zijn om gedurende de beoogde levensduur mee te gaan. Zij moeten zodanig worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren bij langdurig gebruik gedurende een voorzienbaar tijdsbestek tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met de structurele integriteit moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
de producten moeten voldoende sterk en duurzaam zijn om gedurende de gehele levensduur van het product mee te gaan; |
|
b) |
de producten en materialen (met inbegrip van weefsels en stiksels) moeten voldoende bestand zijn tegen alle voorziene toepassingen en omstandigheden, en mogen niet door gebruik in de loop van de tijd en door temperatuurschommelingen, vochtigheid en blootstelling aan uv-licht enz. worden aangetast of gevaarlijk worden; |
|
c) |
producten die gemonteerd en/of geïnstalleerd moeten worden, moeten, na montage overeenkomstig de instructies van de fabrikant, dezelfde structurele integriteit hebben als producten die door de fabrikant zijn gemonteerd en voldoen aan alle veiligheidseisen die op deze producten van toepassing zijn; |
|
d) |
producten die kunnen worden afgestemd op de groei van het kind, mogen niet aan sterkte inboeten als gevolg van mechanische spanning; |
|
e) |
bevestigingsmiddelen die zijn ontworpen om het product stevig aan andere voorwerpen, producten of toestellen te bevestigen, moeten hun doeltreffendheid tijdens de gehele levensduur van het product behouden. |
17. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET BESCHERMENDE FUNCTIES
Kinderproducten die bedoeld zijn om bescherming te bieden, moeten op veilige wijze de blootstelling van een kind aan gevaar verkleinen. Producten die een kind binnen een specifieke omgeving insluiten (bv. hekjes), een kind tegen gevaren in verband met het weer en/of insecten beschermen, de bewegingsvrijheid van een kind beperken en/of de blootstelling van een kind aan gevaar verkleinen (bv. hoekbeschermers), moeten de beoogde beschermende functie op veilige wijze vervullen.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met beschermende functies moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
de beschermende functie moet afgestemd zijn op de leeftijd en vaardigheden van het kind, mag geen aanvullende gevaren opleveren of het kind aan gevaar blootstellen, en mag tijdens het gebruik niet aan werking en doeltreffendheid inboeten; |
|
b) |
hekjes moeten zo worden ontworpen dat een kind er niet overheen kan klimmen, er niet onderdoor kan, er niet doorheen kan en ze niet kan verwijderen; |
|
c) |
de hoogte van hekjes moet altijd veilig zijn, afgestemd zijn op het stadium van ontwikkeling van het kind en de meest recente antropometrische gegevens weerspiegelen; |
|
d) |
producten met een beschermende functie voor het kind mogen geen gevaar op beknelling opleveren; |
|
e) |
vergrendelingsmechanismen mogen niet door het kind of onbedoeld door de verzorger buiten werking worden gesteld of worden verschoven; |
|
f) |
producten ter beveiliging tegen omkanteling (bijvoorbeeld producten die voorkomen dat meubelen, kasten, tv-schermen op kinderen vallen) moeten worden ontworpen met geschikte bevestigingsmiddelen en materialen die bestand zijn tegen de krachten waaraan zij naar verwachting worden blootgesteld, waaronder veroudering, uv-licht enz.; |
|
g) |
producten ter beveiliging tegen opening (bijvoorbeeld producten die verhinderen dat deuren of ramen door kinderen kunnen worden geopend) moeten worden ontworpen met geschikte vergrendelingsmechanismen en -krachten om valgevaar te voorkomen. |
18. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET BEVEILIGINGSSYSTEMEN
Kinderproducten met een beveiligingssysteem moeten kinderen op veilige wijze beschermen tegen gevaar en het beveiligingssysteem zelf mag geen aanvullende gevaren opleveren.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met beveiligingssystemen moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
beveiligingssystemen moeten stevig bevestigd zijn en mogen zelf geen gevaar veroorzaken; |
|
b) |
beveiligingssystemen moeten aan de grootte van het kind kunnen worden aangepast; |
|
c) |
beveiligingssystemen moeten te allen tijde en in alle gebruikssituaties doeltreffend zijn; |
|
d) |
bij beveiligingssystemen moet rekening zijn gehouden met alle mogelijke bewegingen en krachten die het kind kan uitoefenen; |
|
e) |
de producten moeten veilig in het gebruik zijn en de beoogde beveiligingsfunctie bieden; het kind moet in een noodsituatie gemakkelijk kunnen worden losgemaakt. |
19. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET DE STABILITEIT
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat de gevaren in verband met de stabiliteit van het product (waaronder de stabiliteit bij het vallen of omkantelen) tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met de stabiliteit moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
de producten mogen geen kantelgevaar opleveren waardoor het kind zou kunnen vallen (bv. een kinderstoel mag niet omkantelen wanneer het kind met de voeten tegen de tafel duwt); |
|
b) |
de producten moeten stabiel en veilig blijven als er bewegingen (van het kind of het product) plaatsvinden; |
|
c) |
accessoires bij het product of onderdelen die ontworpen zijn om te worden verwijderd, mogen de veiligheid en stabiliteit van het product niet wijzigen (bv. toevoeging van een tafelblad aan een kinderstoel). |
20. VALGEVAAR
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat het gevaar op vallen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van valgevaar moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
producten met draaghandgrepen moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat de handgrepen niet van het artikel loskomen wanneer het kind wordt gedragen; |
|
b) |
handgrepen moeten zo worden bevestigd dat er geen gevaar bestaat dat het kind uit het product kan vallen; |
|
c) |
schommelende producten mogen geen valgevaar opleveren; |
|
d) |
de producten moeten een toereikende hoogte (rugleuning, armleuning, hekfunctie enz.) en sterkte (met inbegrip van producten die van weefsel zijn vervaardigd) hebben om te waarborgen dat het kind veilig wordt vastgehouden; |
|
e) |
producten met een valbeveiligingsfunctie moeten veilig in het gebruik zijn en mogen via deze beveiliging geen aanvullende gevaren opleveren; |
|
f) |
producten waarbij het kind zich in een hoge positie bevindt, mogen geen valgevaar opleveren (bv. kinderstoelen en hun voetopeningen, veiligheidshekjes enz.). |
21. VERDRINKINGSGEVAAR
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren voor verdrinking tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren voor verdrinking moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
bevestigingsmiddelen moeten veilig in het gebruik zijn en mogen zelf geen aanvullende gevaren veroorzaken; |
|
b) |
het kind moet in een noodsituatie gemakkelijk kunnen worden losgemaakt; |
|
c) |
het kind mag niet onbedoeld uit een product zoals een drijfstoeltje kunnen glijden; |
|
d) |
drijvende producten moeten hun drijfvermogen behouden; de luchtdruk in de producten moet langdurig behouden blijven; in het geval van lekkage moeten de producten een resterend drijfvermogen behouden; |
|
e) |
drijvende producten moeten een veilige stabiliteit behouden en mogen niet gevoelig zijn voor de krachten van wind- en waterstromingen als zij naar verwachting in open water zullen worden gebruikt; |
|
f) |
alle passende waarschuwingen, zoals dat een kind nooit zonder toezicht mag worden gelaten, en dat verdrinking binnen een korte tijd en ook in zeer ondiep water kan optreden, moeten duidelijk worden aangegeven. |
22. ELEKTRISCHE GEVAREN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat de gevaren die verband houden met het gebruik van elektrische producten (bijvoorbeeld elektrische schokken) tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van elektrische gevaren moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
wanneer er opgeslagen energie (bv. uit een batterij) wordt gebruikt, mogen de gebruikte stroom en het ontwerp van het kinderproduct geen gevaar voor het kind opleveren; |
|
b) |
batterijen en onderdelen onder spanning mogen niet toegankelijk zijn voor een kind; |
|
c) |
snoeren van elektrische producten mogen geen aanvullende gevaren opleveren. |
23. BIOMETRISCHE GEVAREN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren door biometrische parameters tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van biometrische gevaren moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
wanneer er biometrische parameters worden gebruikt, mag het kinderproduct geen enkel risico voor het kind vormen; |
|
b) |
er moet altijd een mechanisch reservesysteem zijn, zodat een persoon wiens kenmerken niet in het toestel zijn geprogrammeerd, het kan bedienen, vooral in een noodgeval of als de batterij uitvalt. |
24. AKOESTISCHE GEVAREN
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren door geluid tot een minimum worden beperkt.
Producten die zijn ontworpen om geluid te produceren, mogen geen harde piekgeluiden en/of harde continue geluiden produceren die het gehoor van een kind kunnen beschadigen.
25. STRALINGSRISICO’S
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren voor de gezondheid of het risico op letsel aan de ogen of huid in verband met kunstmatige en natuurlijke straling tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met straling van kunstmatige bronnen moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
het door het product uitgestraalde licht moet veilig zijn en mag het natuurlijke slaapritme niet verstoren; |
|
b) |
er mag geen gebruik worden gemaakt van licht met een hoge intensiteit of geconcentreerd licht; |
|
c) |
gevaren door niet-zichtbare straling (met inbegrip van elektrische, magnetische, elektromagnetische velden en andere soorten straling) moeten tot een minimum worden beperkt; |
|
d) |
er moeten voorschriften ter voorkoming van gevaren in verband met straling van natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld zonnebrand, worden opgenomen. |
26. GEVAREN VAN RADIOACTIVITEIT
In kinderproducten moet het gebruik van materiaal dat het gevaar van radioactiviteit kan vergroten, worden vermeden.
27. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET HYGIËNE
Kinderproducten moeten zo worden ontworpen en vervaardigd dat gevaren die verband houden met hygiëne tot een minimum worden beperkt.
Voorschriften ter voorkoming van gevaren die verband houden met hygiëne moeten onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking hebben op het volgende (indien van toepassing):
|
a) |
producten moeten zodanig worden ontworpen dat het risico van infecties of verontreiniging wordt voorkomen; |
|
b) |
producten mogen geen microbiologisch gevaar opleveren door een gebrek aan hygiëne bij materialen van dierlijke oorsprong (bv. veren); |
|
c) |
producten moeten kunnen worden gereinigd en daarna nog steeds aan alle veiligheidseisen voldoen; |
|
d) |
ook producten die van gerecycleerde materialen zijn vervaardigd, moeten aan deze eisen voldoen; |
|
e) |
de fabrikant moet instructies voor een grondige reiniging verstrekken; |
|
f) |
materialen moeten vrij zijn van biologische besmettingsbronnen en schadelijke organismen. |
28. GEVAREN DIE VERBAND HOUDEN MET DE BIJ HET PRODUCT VERSTREKTE INFORMATIE
Er moet veiligheidsinformatie worden verstrekt, met name om gevaren te voorkomen die door het ontwerp van het product zelf niet kunnen worden vermeden. De informatie op of bij het product moet zodanig worden verstrekt dat gevaren tot een minimum worden beperkt.
Bij veiligheidsinformatie moeten onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende voorschriften in acht worden genomen:
|
a) |
de veiligheidsinformatie moet op duidelijke en opvallende wijze worden verstrekt en uit aankoopinformatie, gebruiksinstructies, opschriften en waarschuwingen bestaan; |
|
b) |
waar mogelijk moeten duidelijke en begrijpelijke pictogrammen en illustraties worden gebruikt in plaats van of in aanvulling op de tekstuele informatie in verband met veiligheid; |
|
c) |
de informatie moet worden opgesteld in de taal of talen van het land waar het product op de markt wordt gebracht; |
|
d) |
de opschriften op het product moeten tijdens de gehele levensduur van het product duidelijk zichtbaar en gemakkelijk leesbaar blijven; |
|
e) |
op het verkooppunt (ook in geval van onlineverkoop) moet alle aankoopinformatie duidelijk en gemakkelijk zichtbaar zijn voor de consument; |
|
f) |
er moeten instructies voor veilige installatie en montage en voor veilig gebruik en onderhoud worden verstrekt; |
|
g) |
beperkingen met betrekking tot veilig gebruik moeten duidelijk worden vermeld; |
|
h) |
de minimale/maximale waarden voor leeftijd, gewicht en lengte voor het gebruik moeten worden aangegeven (indien deze relevant zijn om een veilig gebruik van het product te kunnen waarborgen); |
|
i) |
wanneer een product aan veroudering onderhevig kan zijn, moet informatie worden verstrekt over de manier waarop kan worden gecontroleerd of het product nog steeds veilig voor gebruik is; |
|
j) |
er moet informatie worden verstrekt over wanneer en hoe het product moet worden verwijderd/gerecycleerd wanneer het een risico voor de veiligheid kan vormen; |
|
k) |
er moeten instructies worden verstrekt in verband met het controleren van het product vóór gebruik, en het onmiddellijk staken van het gebruik indien het product op enigerlei wijze beschadigd is; |
|
l) |
de labels op producten of hun verpakking, en de gebruiksinstructies die met de producten worden meegeleverd, moeten verzorgers wijzen op de inherente gevaren en de risico’s op schade of bijwerkingen die aan het gebruik van de artikelen kleven en de manieren waarop deze kunnen worden voorkomen; |
|
m) |
opschriften en afbeeldingen op labels of verpakkingen mogen niet misleidend zijn ten aanzien van een veiligheidseis in de norm; |
|
n) |
het opschrift waarmee het product kan worden geïdentificeerd om het door de distributieketen te kunnen traceren, moet aan de toepasselijke EU-wetgeving voldoen; |
|
o) |
kinderproducten die zijn ontworpen om aan andere producten te worden bevestigd, moeten voorzien zijn van waarschuwingen waarin wordt gewezen op de gevaren en risico’s van bevestiging aan producten die daarvoor niet geschikt zijn; |
|
p) |
kinderproducten die zijn ontworpen om aan andere producten te worden bevestigd, moeten voorzien zijn van aankoopinformatie over het type en de reeks producten waarvoor het artikel geschikt is. |
AANBEVELINGEN
|
30.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 166/177 |
AANBEVELING (EU) 2023/1339 VAN DE RAAD
van 27 juni 2023
inzake toetreding tot het door de Wereldgezondheidsorganisatie opgerichte wereldwijde digitale gezondheidscertificeringsnetwerk en tijdelijke regelingen om internationaal reizen te vergemakkelijken met het oog op het verstrijken van Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 168, lid 6,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het digitale EU-covidcertificaat, dat is ingevoerd bij Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad (1), is snel uitgegroeid tot een wereldwijde norm voor vaccinatie-, test- en herstelcertificaten en naast alle lidstaten van de Unie hebben 51 derde landen en gebieden zich bij dit systeem aangesloten. Dankzij zijn externe dimensie is het digitale EU-covidcertificaat ook de meest gebruikte oplossing en het meest gebruikte instrument gebleken om veilig internationaal reizen en herstel op mondiaal niveau te bevorderen. Naast het gebruik op het gebied van reizen, bevorderde het gebruik van digitale EU-covidcertificaten de continuïteit van grensoverschrijdende vaccinatie. |
|
(2) |
Het digitale EU-covidcertificaat was van cruciaal belang om vrij verkeer en reizen te waarborgen en de onderliggende technologie kan dienst blijven doen om ons beter voor te bereiden op mogelijke toekomstige gezondheidscrises, zodat burgers en bedrijven de gevolgen van besmettelijke ziekten kunnen beperken en een adequaat niveau van een goede paraatheid voor gezondheidscrises gewaarborgd is. Dit is ook in overeenstemming met het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer 01/2023 met als titel “Hulpmiddelen om reizen binnen de EU tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren Relevante initiatieven met een impact variërend van succes tot beperkt gebruik”. |
|
(3) |
Verordening (EU) 2021/953 verstrijkt op 30 juni 2023. Met ingang van 1 juli 2023 moeten de mogelijke afgifte en aanvaarding van COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten derhalve plaatsvinden op basis van en overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in het nationale recht van de lidstaten. Ook worden verwijzingen in deze aanbeveling naar de uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld op grond van Verordening (EU) 2021/953 louter gemakshalve vermeld en er mag niet onder worden verstaan dat dergelijke uitvoeringshandelingen of de bevoegdheden van de Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen en te wijzigen op grond van Verordening (EU) 2021/953, worden gehandhaafd. Verwijzingen naar eerder op grond van Verordening (EU) 2021/953 vastgestelde uitvoeringshandelingen moeten worden begrepen als statische verwijzingen naar de genoemde handelingen, in de versie die op 30 juni 2023 van toepassing is. |
|
(4) |
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zal een wereldwijd netwerk voor digitale gezondheidscertificering opzetten. Het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering is een mechanisme ter ondersteuning van de verificatie van certificaten die worden afgegeven door deelnemers aan het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering. Dit zou in eerste instantie betrekking hebben op COVID-19-certificaten en zou in een later stadium ook de certificering van andere documenten kunnen omvatten, zoals routinematige immunisatiedossiers en het internationaal certificaat van vaccinatie of profylaxe, zoals opgenomen in bijlage 6 bij de Internationale Gezondheidsregeling (2005), met het oog op internationaal reizen en continuïteit van de zorg. |
|
(5) |
De invoering van systemen om de gevolgen van wereldwijde gezondheidscrises voor reizen van burgers en bedrijven te beperken, moet worden gezien als een belangrijke pijler van de agenda van de Unie voor paraatheid bij wereldwijde gezondheidscrises. Deelname aan het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO zou bijdragen tot de wereldwijde afstemming van de normen voor gezondheidscertificaten en tot de invoering van een systeem voor de erkenning van digitale gezondheidscertificaten voor internationaal reizen en continuïteit van de zorg. |
|
(6) |
Het vertrouwenskader, de beginselen en de open technologieën van het digitale EU-covidcertificaat worden geïntegreerd in de structuur van het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering dat door de WHO wordt ontwikkeld. De Commissie is voornemens nauw samen te werken met de WHO om ervoor te zorgen dat het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering coherent is met de technische specificaties die eerder in Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 van de Commissie (2) zijn vastgesteld. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om zich zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 31 december 2023 aan te sluiten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO. Met het oog op een vlotte overgang van het systeem van digitale EU-covidcertificaten naar het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO moet de lidstaten worden verzocht nieuwe documentondertekenaarscertificaten af te geven die worden gebruikt voor de afgifte van de digitale EU-covidcertificaten vóór het verstrijken van Verordening (EU) 2021/953, om de maximale technische geldigheid van deze certificaten te garanderen en hen te registreren in de interoperabiliteitspoort van het vertrouwenskader dat krachtens die verordening is opgezet (de “EU-gateway”). |
|
(7) |
De Commissie zal de soepele overgang van de lidstaten naar het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO garanderen door de EU-gateway tot en met 31 december 2023 te handhaven op een wijze die de doelstellingen van deze aanbeveling ondersteunt. Daartoe is zij voornemens de EU-gateway te financieren via het programma Digitaal Europa, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad (3). Dit moet de lidstaten en derde landen die op de EU-gateway zijn aangesloten voldoende tijd geven om de procedures vast te stellen die nodig zijn om over te stappen naar het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO. |
|
(8) |
Alle burgers en ingezetenen van de Unie die buiten de Unie reizen, moeten over middelen beschikken om hun COVID-19-gerelateerde status aan te tonen, wanneer dit specifiek vereist is voor reizen buiten de Unie. Daarom moet de lidstaten, zodra zij zijn aangesloten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO, ook worden verzocht om op verzoek certificaten af te geven die verenigbaar zijn met het formaat dat is vastgesteld door dit netwerk, op basis van de eerder in Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 vastgestelde technische specificaties, met het oog op het vergemakkelijken van internationale reizen naar derde landen waarvoor dergelijke certificaten vereist zijn, met name in geval van een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang. De afgifte van dergelijke certificaten maakt het niet alleen gemakkelijker om internationaal te reizen, maar draagt ook bij tot de wereldwijde afstemming van de normen voor gezondheidscertificaten en tot de invoering van een systeem voor de erkenning van digitale gezondheidscertificaten die de continuïteit van de zorg faciliteren. |
|
(9) |
De lidstaten moeten dergelijke certificaten afgeven in een digitaal of papieren formaat, of beide. De aanvragers moeten het recht hebben de certificaten te ontvangen in het formaat van hun keuze. De informatie in de certificaten moet ook in voor mensen leesbare vorm worden weergegeven, in ten minste de officiële taal of talen van de lidstaat van afgifte en in het Engels. |
|
(10) |
De opname van het digitale EU-covidcertificaat in het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO moet derde landen die nog steeds beschikken over COVID-19-gerelateerde vereisten als voorwaarden voor binnenkomst op hun grondgebied en die verbonden zijn met de “EU-gateway” in staat stellen om zowel vóór als na 1 juli 2023 afgegeven certificaten te aanvaarden en te verifiëren. |
|
(11) |
Vanuit het oogpunt van reizigers naar de Unie wordt de lidstaten aangeraden om — zodra zij zijn aangesloten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO teneinde volksgezondheidsproblemen in verband met de COVID-19-pandemie adequaat te kunnen aanpakken — de mogelijkheid te behouden om certificaten te aanvaarden en te verifiëren die zijn afgegeven door derde landen in het kader van het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO indien deze certificaten blijven voldoen aan de hoge normen die zijn vastgesteld op grond van Verordening (EU) 2021/953. Indien de lidstaten een bewijs van COVID-19-vaccinatie, -test of -herstel verlangen om vrijstelling te verlenen van beperkingen om naar de Unie te reizen, moeten zij COVID-19-certificaten aanvaarden die technisch in overeenstemming zijn met het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO. |
|
(12) |
In zijn conclusies over vaccinatie als één van de meest doeltreffende middelen voor ziektepreventie en verbetering van de volksgezondheid van 9 december 2022 heeft de Raad de Commissie ertoe opgeroepen “de toegevoegde waarde te onderzoeken van een digitale versie van vaccinatiecertificaten, rekening houdend met de ervaringen met Europese digitale infrastructuur en andere bestaande instrumenten, zoals het internationaal certificaat van vaccinatie of profylaxe”. Soortgelijke ontwikkelingen zijn gepland door de WHO, die voornemens aangezien zij voornemens is haar wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering verder te ontwikkelen, bijvoorbeeld om de digitalisering van het internationaal certificaat van vaccinatie of profylaxe of vaccinatiecertificaten voor routinematige immunisatie te ondersteunen. Daarom wordt de lidstaten verzocht actief deel te nemen aan de inspanningen om het netwerk verder te ontwikkelen, en andere soorten vaccinatiecertificaten of gezondheidsgegevens, naargelang het geval, af te geven, te aanvaarden en te verifiëren. |
|
(13) |
Gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2023 en met het oog op een soepele overgang naar het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO, worden de lidstaten die nog niet op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO zijn aangesloten, aangemoedigd om, met name in geval van een afgekondigde noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang, overeenkomstig het nationale recht, op verzoek COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten af te geven in een formaat dat verenigbaar is met de eerder in Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 vastgestelde technische specificaties, op voorwaarde dat er in hun nationale recht een rechtsgrondslag voor de afgifte van dergelijke certificaten is vastgelegd. Indien de lidstaten tijdens deze overgangsperiode een bewijs van COVID-19-certificaten vereisen om vrijstelling te verlenen van beperkingen om naar de Unie te reizen, worden zij aangemoedigd om, overeenkomstig de aanpak van Aanbeveling (EU) 2022/2548 van de Raad, bewijzen van COVID-19-vaccinatie, -herstel of -tests te aanvaarden die voorheen onder een op grond van artikel 3, lid 10, of artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) 2021/953 van de Raad vastgestelde uitvoeringshandeling vielen (4). |
|
(14) |
In dezelfde periode worden de lidstaten die nog niet zijn aangesloten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO aangemoedigd om ook aangesloten te blijven op de EU-gateway, voor zover die gateway door de Commissie wordt gehandhaafd. De lidstaten die reeds zijn aangesloten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO wordt aangeraden om de informatie die zij uploaden naar dit netwerk te synchroniseren met de EU-gateway. |
|
(15) |
De lidstaten worden aangemoedigd uitvoering te geven aan deze aanbeveling met ingang van 1 juli 2023, de dag na het verstrijken van Verordening (EU) 2021/953, zodat mogelijke verstoringen, met name met betrekking tot internationale reizen naar derde landen waarvoor nog een COVID-certificaat vereist is, worden vermeden. De lidstaten kunnen met name alleen een nieuw documentondertekenaarscertificaat afgeven zolang Verordening (EU) 2021/953 nog van kracht is. Zij worden derhalve verzocht de grootst mogelijke technische geldigheid te geven aan dit certificaat en het vóór het verstrijken van Verordening (EU) 2021/953 op 30 juni 2023 in de EU-gateway te registreren. |
|
(16) |
Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (5) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens bij de tenuitvoerlegging van de onderhavige aanbeveling. De lidstaten moeten er daarom te allen tijde voor zorgen dat de toepasselijke bepalingen van het Unierecht inzake persoonsgegevens worden nageleefd en met name het in Verordening (EU) 2016/679 neergelegde beginsel van rechtmatigheid, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
Aansluiting op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO
|
1. |
De Raad is ingenomen met het voornemen van de Commissie om nauw samen te werken met de WHO bij de ontwikkeling van het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering, zodat de WHO van het vertrouwenskader, de beginselen en de open technologieën van het digitale EU-covidcertificaat gebruik kan maken binnen haar eigen structuur, op basis van de eerder in Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 vastgestelde technische specificaties. |
|
2. |
De lidstaten worden aangemoedigd om zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 31 december 2023 aan te sluiten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering dat door de WHO wordt opgezet, op voorwaarde dat er een passende rechtsgrondslag is vastgelegd in hun nationale recht. |
|
3. |
Elke lidstaat die zich bij het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO wil aansluiten, wordt aangemoedigd om vóór het verstrijken van Verordening (EU) 2021/953 een nieuw documentondertekenaarscertificaat met de grootst mogelijke technische geldigheid af te geven en dit te registreren in de EU-gateway. |
|
4. |
De Raad is ingenomen met het voornemen van de Commissie om een naadloze overgang van het systeem van digitale EU-covidcertificaten naar het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO te vergemakkelijken. Het wordt echter aan de lidstaten overgelaten om te beslissen of zij aansluiten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering en of ze dat willen doen met de bestaande technologie of dat zij in een later stadium een aansluiting wensen na te streven. |
Afgifte en aanvaarding van certificaten in het kader van het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO
|
5. |
Zodra zij zijn aangesloten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO, worden de lidstaten aangemoedigd om, waar nodig, de door de WHO voorgeschreven taken met betrekking tot de werking van het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO zo efficiënt mogelijk uit te voeren, op voorwaarde dat er een passende rechtsgrondslag is vastgelegd in het Unierecht of het nationale recht, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679, met name:
|
Verdere ontwikkeling van het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO
|
6. |
De lidstaten worden aangemoedigd actief deel te nemen aan de inspanningen om het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO verder te ontwikkelen, rekening houdend met de ontwikkelingen met betrekking tot de actualisering van de Internationale Gezondheidsregeling, en de potentiële voordelen, uitdagingen en wettelijke vereisten van digitale certificaten van de WHO te bestuderen, waaronder het onderzoeken van onder meer het gebruik van digitale certificaten voor andere ziekten en de authenticatie van andere gezondheidsgegevens. |
Overgangsperiode tot en met 31 december 2023
|
7. |
De Raad is ingenomen met het voornemen van de Commissie om de EU-gateway voor het digitale EU-covidcertificaat tot en met 31 december 2023 te handhaven op een wijze die de doelstellingen van deze aanbeveling ondersteunt, om de maatregelen die moeten worden genomen om aan te sluiten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering dat door de WHO wordt opgezet te faciliteren, en het beschikbaar te blijven stellen aan derde landen en gebieden die reeds zijn aangesloten op de EU-gateway, op voorwaarde dat de relevante certificaten van die derde landen en gebieden afgegeven blijven worden op basis van normen en technologische systemen die interoperabel zijn met het vertrouwenskader van de EU-gateway en waarmee de authenticiteit, geldigheid en integriteit ervan kunnen worden geverifieerd. |
|
8. |
Totdat de lidstaten zijn aangesloten op het in punt 1 bedoelde wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO, en tijdens de periode tot en met 31 december 2023, worden zij aangemoedigd om aangesloten te blijven op de EU-gateway, voor zover deze door de Commissie wordt gehandhaafd en op voorwaarde dat een passende rechtsgrondslag is vastgelegd in hun nationale recht, in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679, teneinde:
|
|
9. |
De lidstaten die zijn aangesloten op het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO worden ook aangemoedigd om tot en met 31 december 2023 te zorgen voor de synchronisatie van de informatie die zij uploaden in de EU-gateway en in het wereldwijde netwerk voor digitale gezondheidscertificering van de WHO. |
Gedaan te Luxemburg, 27 juni 2023.
Voor de Raad
De voorzitter
J. ROSWALL
(1) Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2021 betreffende een kader voor de afgifte, verificatie en aanvaarding van interoperabele COVID-19-vaccinatie-, test- en herstelcertificaten (digitaal EU-COVID-certificaat) teneinde het vrije verkeer tijdens de COVID-19-pandemie te faciliteren (PB L 211 van 15.6.2021, blz. 1).
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/1073 van de Commissie van 28 juni 2021 tot vaststelling van technische specificaties en regels voor de uitvoering van het bij Verordening (EU) 2021/953 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde vertrouwenskader voor het digitaal EU-covidcertificaat (PB L 230 van 30.6.2021, blz. 32).
(3) Verordening (EU) 2021/694 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 tot oprichting van het programma Digitaal Europa en tot intrekking van Besluit (EU) 2015/2240 (PB L 166 van 11.5.2021, blz. 1).
(4) Aanbeveling (EU) 2022/2548 van de Raad van 13 december 2022 betreffende een gecoördineerde aanpak ten aanzien van reizen naar de Unie tijdens de COVID-19-pandemie en ter vervanging van Aanbeveling (EU) 2020/912 (PB L 328 van 22.12.2022, blz. 146).
(5) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).