ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 59

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

66e jaargang
24 februari 2023


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/409 van de Commissie van 18 november 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het minimumgehalte aan calciumoxide in enkelvoudige vaste anorganische macronutriëntenmeststoffen ( 1 )

1

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/410 van de Commissie van 19 december 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 wat betreft de toevoeging van de Democratische Republiek Congo, Gibraltar, Mozambique, Tanzania en de Verenigde Arabische Emiraten aan tabel I van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 en tot schrapping van Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe uit die tabel ( 1 )

3

 

*

Verordening (EU) 2023/411 van de Commissie van 23 februari 2023 tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1871 wat betreft de toepassing van actiedrempels voor nitrofuranen en metabolieten daarvan ( 1 )

8

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2023/412 van de Raad van 21 februari 2023 betreffende de verlenging van de periode waarin een aanspraak voor audiovisuele coproducties bestaat zoals vastgesteld in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

11

 

*

Besluit (EU) 2023/413 van de Raad van 21 februari 2023 betreffende de verlenging van het recht van de periode waarin een aanspraak voor audiovisuele coproducties bestaat zoals vastgesteld in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

13

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/414 van de Commissie van 17 februari 2023 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 tot vaststelling van bepaalde noodmaatregelen met betrekking tot schapen- en geitenpokken in Spanje (Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1270)  ( 1 )

15

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/415 van de Commissie van 22 februari 2023 tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde soja A5547-127 (ACS-GMØØ6-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1126)  ( 1 )

19

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/416 van de Commissie van 22 februari 2023 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100 (MON-941ØØ-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1135)  ( 1 )

25

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/417 van de Commissie van 22 februari 2023 tot aanvaarding van een door Nederland en Duitsland overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad ingediend verzoek om tijdelijke ontheffing van de punten 4.2.5.1.Radiocommunicatie met de trein en 4.2.8. Beheer van encryptiesleutels van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 voor acht treinstellen van het type FLIRT3 EMU3 Limburg MS (L-435) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1154)

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/409 VAN DE COMMISSIE

van 18 november 2022

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het minimumgehalte aan calciumoxide in enkelvoudige vaste anorganische macronutriëntenmeststoffen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 (1), en met name artikel 42, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2019/1009 strekt tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot intrekking, met ingang van 16 juli 2022, van Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(2)

Overeenkomstig bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1009 moet een enkelvoudige vaste anorganische macronutriëntenmeststof met alleen calcium als aangegeven macronutriënt ten minste 12 massaprocent calcium bevatten, uitgedrukt als calciumoxide.

(3)

Bij Verordening (EU) 2020/1666 van de Commissie (3) is Verordening (EG) nr. 2003/2003 gewijzigd door calciumchelaat van iminodibarnsteenzuur (Ca-IDHA) als een nieuw type EG-meststof in te voeren. Het minimumgehalte aan nutriënten in die meststof is 9 % calciumoxide.

(4)

Ca-IDHA is een meststof die planten het macronutriënt calcium levert. Bij de beoordeling van de voorwaarden voor opneming ervan in Verordening (EG) nr. 2003/2003 is gebleken dat dit type EG-meststoffen agronomisch efficiënt is. Verordening (EU) 2019/1009 moet worden gewijzigd om rekening te houden met de technische ontwikkelingen die zich na de vaststelling ervan hebben voorgedaan en het minimumgehalte aan calciumoxide in enkelvoudige vaste anorganische macronutriëntenmeststoffen moet derhalve worden verlaagd van 12 naar 9 %. Een verlaging van het minimumgehalte aan calciumoxide zou dit soort meststoffen binnen het toepassingsgebied van de harmonisatieregels brengen en aldus het vrije verkeer ervan op de eengemaakte markt vergemakkelijken. Deze aanpassing houdt verband met de criteria inzake de agronomische efficiëntie van de meststoffen en leidt niet tot een verlaging van de hoge normen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu die zijn vastgelegd in Verordening (EU) 2019/1009.

(5)

Verordening (EU) 2019/1009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In deel II, PFC 1 C) I) a) i), punt 2, van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1009 wordt punt e) vervangen door:

“e)

9 massaprocent totaal calciumoxide (CaO),”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 november 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 170 van 25.6.2019, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen (PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2020/1666 van de Commissie van 10 november 2020 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake meststoffen, met het oog op de opneming van een nieuw type EG-meststof in bijlage I (PB L 377 van 11.11.2020, blz. 3).


24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/3


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/410 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2022

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 wat betreft de toevoeging van de Democratische Republiek Congo, Gibraltar, Mozambique, Tanzania en de Verenigde Arabische Emiraten aan tabel I van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 en tot schrapping van Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe uit die tabel

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie moet zorgen voor doeltreffende bescherming van de integriteit en de goede werking van haar financiële stelsel en van de interne markt tegen witwaspraktijken en terrorismefinanciering. Richtlijn (EU) 2015/849 bepaalt daarom dat de Commissie landen moet identificeren die in hun regelgeving inzake de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CFT) strategische tekortkomingen vertonen die een aanzienlijke bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de Unie.

(2)

In Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie (2) worden derde landen met een hoog risico geïdentificeerd die strategische tekortkomingen vertonen.

(3)

Rekening houdend met de hoge mate van integratie van het internationale financiële stelsel, de nauwe banden tussen marktdeelnemers, het hoge aantal grensoverschrijdende transacties naar/vanuit de Unie en de mate waarin de markt is opengesteld, wordt ervan uitgegaan dat elke AML/CFT-bedreiging voor het internationale financiële stelsel ook een bedreiging vormt voor het financiële stelsel van de Unie.

(4)

Overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Richtlijn (EU) 2015/849 houdt de Commissie rekening met de recente beschikbare informatie, met name de recente publieke verklaringen van de Financial Action Task Force (FATF), de FATF-lijst van rechtsgebieden onder verscherpt toezicht en de FATF-verslagen van de International Cooperation Review Group met betrekking tot de risico’s die uitgaan van afzonderlijke derde landen.

(5)

Sinds de meest recente wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 heeft de FATF haar lijst van “rechtsgebieden onder verscherpt toezicht” aanzienlijk geactualiseerd. Tijdens haar plenaire vergadering van maart 2022 heeft de FATF de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) aan de lijst toegevoegd en Zimbabwe van de lijst geschrapt. Tijdens haar plenaire vergadering van juni 2022 heeft de FATF Gibraltar aan de lijst toegevoegd. Tijdens haar plenaire vergadering van oktober 2022 heeft de FATF de Democratische Republiek Congo (DRC), Mozambique en Tanzania aan de lijst toegevoegd en Nicaragua en Pakistan van de lijst geschrapt. Al deze wijzigingen zijn door de Commissie beoordeeld in overeenstemming met artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(6)

In februari 2022 hebben de Verenigde Arabische Emiraten een politieke toezegging op hoog niveau gedaan om samen te werken met de FATF en de Financiëleactiegroep van het Midden-Oosten en Noord-Afrika om de doeltreffendheid van hun AML/CFT-regelgeving te versterken. Sindsdien hebben de Verenigde Arabische Emiraten positieve vooruitgang geboekt, onder meer door extra middelen te verstrekken aan de financiële-inlichtingeneenheid (FIE) om de FIE-analyse te versterken, en door financiële inlichtingen te verstrekken aan rechtshandhavingsinstanties en de openbare aanklagers voor de bestrijding van risicovolle dreigingen in verband met witwaspraktijken. De Verenigde Arabische Emiraten moeten blijven werken aan de uitvoering van hun FATF-actieplan door: 1) via casestudy’s en statistieken een aanhoudende toename van uitgaande verzoeken om wederzijdse rechtshulp aan te tonen om het onderzoek naar terrorismefinanciering, witwaspraktijken en risicovoorspellingen te vergemakkelijken; 2) het verbeteren en in stand houden van een gedeeld begrip van de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering tussen de verschillende sectoren en instellingen van aangewezen niet-financiële bedrijven en beroepen; 3) een toename van het aantal en de kwaliteit van de meldingen van verdachte transacties die worden ingediend/gedaan door financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen; 4) te zorgen voor een meer gedetailleerd inzicht in het risico op misbruik van rechtspersonen en, indien van toepassing, juridische constructies, voor witwassen en terrorismefinanciering; 5) aan te tonen dat er meer gebruik wordt gemaakt van financiële inlichtingen om risicovolle dreigingen van witwaspraktijken aan te pakken en blijk te geven van een aanhoudende toename van doeltreffende onderzoeken en vervolgingen van verschillende soorten zaken van witwaspraktijken die in overeenstemming zijn met het risicoprofiel van de Verenigde Arabische Emiraten, en 6) het proactief vaststellen en bestrijden van ontduiking van sancties, onder meer door aan te tonen dat de particuliere sector beter weet wat onder ontduiking van sancties wordt verstaan. Ondanks die inzet en vooruitgang is de bezorgdheid die ertoe heeft geleid dat de Verenigde Arabische Emiraten door de FATF op de lijst zijn geplaatst, nog niet volledig weggenomen. De Verenigde Arabische Emiraten moeten daarom worden beschouwd als een land dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn AML/CFT-regelgeving zoals bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(7)

In juni 2022 heeft Gibraltar een politieke toezegging op hoog niveau gedaan om samen te werken met de FATF en Moneyval, het Comité van deskundigen inzake de evaluatie van antiwitwasmaatregelen en de financiering van terrorisme van de Raad van Europa, om de doeltreffendheid van zijn AML/CFT-regelgeving te versterken. Sinds de goedkeuring van het wederzijdse evaluatierapport in december 2019 heeft Gibraltar vooruitgang geboekt met een aanzienlijk aantal van de aanbevolen maatregelen van het wederzijdse evaluatierapport, zoals de voltooiing van een nieuwe nationale risicobeoordeling, het verhelpen van de technische tekortkomingen met betrekking tot het bijhouden van gegevens over de begunstigde eigenaar, het invoeren van transparantievereisten voor gevolmachtigde aandeelhouders en bestuurders, het versterken van de financiële-inlichtingeneenheid, en het verfijnen van het beleid inzake witwasonderzoeken in overeenstemming met de risico’s. Gibraltar moet werken aan de uitvoering van zijn actieplan, onder meer door 1) ervoor te zorgen dat toezichthoudende autoriteiten voor niet-bancaire financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen een reeks doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor AML/CFT-inbreuken toepassen, en 2) aan te tonen dat het een actievere en succesvollere uitvoering geeft aan definitieve beslissingen tot confiscatie, door middel van strafrechtelijke of civiele procedures op basis van financiële onderzoeken. Ondanks die inzet en vooruitgang is de bezorgdheid die ertoe heeft geleid dat Gibraltar door de FATF op de lijst is geplaatst, nog niet volledig weggenomen. Gibraltar moet daarom worden beschouwd als een rechtsgebied van een derde land dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn AML/CFT-regelgeving zoals bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(8)

In oktober 2022 heeft de Democratische Republiek Congo een politieke toezegging op hoog niveau gedaan om samen te werken met de FATF en de “Groupe d’Action contre le blanchiment d’Argent en Afrique Centrale” (Gabac), de regionale tegenhanger van de FATF, om de doeltreffendheid van haar AML/CFT-regelgeving te versterken. Sinds de goedkeuring van het wederzijdse evaluatierapport in oktober 2020 heeft de Democratische Republiek Congo vooruitgang geboekt met een aantal van de door het wederzijdse evaluatierapport aanbevolen maatregelen, waaronder het tot een beleidsprioriteit maken van de confiscatie van opbrengsten van misdrijven. De Democratische Republiek Congo zal werken aan de uitvoering van haar FATF-actieplan door: 1) afronding van de nationale risicobeoordeling inzake witwaspraktijken en terrorismefinanciering en vaststelling van een nationale AML/CFT-strategie; 2) aanwijzing van toezichthoudende autoriteiten voor alle sectoren van aangewezen niet-financiële bedrijven en beroepen en ontwikkeling en uitvoering van een risicogebaseerd toezichtsplan; 3) terbeschikkingstelling van voldoende middelen aan de FIE en opbouwen van haar capaciteit om operationele en strategische analysen uit te voeren; 4) versterking van de capaciteiten van de autoriteiten die betrokken zijn bij het onderzoek naar en de vervolging van witwaspraktijken en terrorismefinanciering, en 5) doeltreffende uitvoering van gerichte financiële sancties in verband met de financiering van terroristische strijders en non-proliferatie. Ondanks die inzet en vooruitgang is de bezorgdheid die ertoe heeft geleid dat de FATF de Democratische Republiek Congo op de lijst heeft geplaatst, nog niet volledig weggenomen. De Democratische Republiek Congo moet daarom worden beschouwd als een land dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn AML/CFT-regelgeving zoals bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(9)

In oktober 2022 heeft Mozambique een politieke toezegging op hoog niveau gedaan om samen te werken met de FATF en de Groep witwasbestrijding van Zuidelijk en Oostelijk Afrika (ESAAMLG) om de doeltreffendheid van zijn AML/CFT-regelgeving te versterken. Sinds de goedkeuring van het wederzijdse evaluatierapport in april 2021 heeft Mozambique vooruitgang geboekt met een aantal van de door het wederzijdse evaluatierapport aanbevolen maatregelen om zijn systeem te verbeteren, onder meer door zijn nationale risicobeoordeling af te ronden en zijn inspanningen voor de confiscatie van vermogensbestanddelen op te voeren. Mozambique zal werken aan de uitvoering van zijn FATF-actieplan door: 1) samenwerking en coördinatie tussen de betrokken autoriteiten om risicogebaseerde AML/CFT-strategieën en -beleidsmaatregelen uit te voeren; 2) opleiding voor alle rechtshandhavingsautoriteiten over wederzijdse rechtshulp om de bewijsgaring of de inbeslagneming/confiscatie van opbrengsten van misdrijven te verbeteren; 3) verstrekking van voldoende financiële en personele middelen aan toezichthouders, ontwikkeling en uitvoering van een risicogebaseerd toezichtsplan; 4) verstrekking van voldoende middelen aan de autoriteiten om te beginnen met het verzamelen van adequate, nauwkeurige en actuele informatie over de uiteindelijk begunstigden van rechtspersonen; 5) toewijzing van meer personele middelen van de FIE en ervoor zorgen dat meer financiële inlichtingen naar de autoriteiten worden gestuurd; 6) aan te tonen dat de rechtshandhavingsinstanties in staat zijn om gevallen van witwassen en terrorismefinanciering doeltreffend te onderzoeken met behulp van financiële inlichtingen; 7) uitvoering van een alomvattende risicobeoordeling inzake terrorismefinanciering en aanpak van de uitvoering van een alomvattende nationale CFT-strategie; 8) meer bewustzijn met betrekking tot gerichte financiële sancties in verband met terrorisme- en proliferatiefinanciering, en 9) uitvoering van de risicobeoordeling inzake terrorismefinanciering voor non-profitorganisaties in overeenstemming met de FATF-normen en deze gebruiken als basis voor de ontwikkeling van een sensibiliseringsplan. Ondanks die inzet en vooruitgang is de bezorgdheid die ertoe heeft geleid dat Mozambique door de FATF op de lijst is geplaatst, nog niet volledig weggenomen. Mozambique moet daarom worden beschouwd als een land dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn AML/CFT-regelgeving zoals bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(10)

In oktober 2022 heeft Tanzania een politieke toezegging op hoog niveau gedaan om samen te werken met de FATF en de ESAAMLG om de doeltreffendheid van zijn AML/CFT-regelgeving te versterken. Sinds de goedkeuring van het wederzijdse evaluatierapport in april 2021 heeft Tanzania vooruitgang geboekt met een aantal van de door het wederzijdse evaluatierapport aanbevolen maatregelen om zijn systeem te verbeteren, onder meer door de ontwikkeling van een rechtskader voor terrorismefinanciering en gerichte financiële sancties en de verspreiding van de strategische analyse van de FIE. Tanzania zal werken aan de uitvoering van zijn FATF-actieplan door: 1) verbetering van het risicogebaseerd toezicht op financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen, onder meer door inspecties uit te voeren op basis van risicogevoeligheid en door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toe te passen voor niet-naleving; 2) aan te tonen dat de autoriteiten in staat zijn een reeks onderzoeken en vervolgingen van witwassen uit te voeren in overeenstemming met het risicoprofiel van het land; 3) aan te tonen dat rechtshandhavingsinstanties maatregelen nemen om opbrengsten en hulpmiddelen van misdrijven te identificeren, op te sporen, in beslag te nemen en te confisqueren; 4) uitvoering van een alomvattende risicobeoordeling inzake terrorismefinanciering en aanpak van de uitvoering van een alomvattende nationale CFT-strategie en het aantonen van de capaciteit om onderzoeken inzake terrorismefinanciering uit te voeren en vervolging in te stellen in overeenstemming met het risicoprofiel van het land; 5) meer bewustzijn bij de particuliere sector en de bevoegde autoriteiten met betrekking tot gerichte financiële sancties in verband met terrorisme- en proliferatiefinanciering, en 6) uitvoering van de risicobeoordeling inzake terrorismefinanciering voor non-profitorganisaties in overeenstemming met de FATF-normen en deze gebruiken als basis voor de ontwikkeling van een sensibiliseringsplan. Ondanks die inzet en vooruitgang is de bezorgdheid die ertoe heeft geleid dat Tanzania door de FATF op de lijst is geplaatst, nog niet volledig weggenomen. Tanzania moet daarom worden beschouwd als een land dat strategische tekortkomingen vertoont in zijn AML/CFT-regelgeving zoals bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(11)

De conclusie van de Commissie luidt derhalve dat de Democratische Republiek Congo, Gibraltar, Mozambique, Tanzania en de Verenigde Arabische Emiraten moeten worden beschouwd als derde landen die in hun AML/CFT-regelgeving strategische tekortkomingen vertonen die een aanzienlijke bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de Unie, overeenkomstig de criteria van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849.

(12)

De Commissie heeft de vooruitgang geëvalueerd bij het aanpakken van de strategische tekortkomingen van de landen die in de lijst van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 waren opgenomen, maar in maart, juni en oktober 2022 door de FATF van de lijst zijn geschrapt. Om de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849 bij te werken, heeft de Commissie de door Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe geboekte vooruitgang geëvalueerd.

(13)

De FATF heeft zich verheugd getoond over de aanzienlijke vooruitgang die Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe hebben geboekt bij het verbeteren van hun respectieve AML/CFT-regelgeving. De FATF heeft er nota van genomen dat Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe het wet- en regelgevingskader hebben vastgesteld om te voldoen aan de toezeggingen in hun respectieve actieplannen met betrekking tot de strategische tekortkomingen die de FATF had vastgesteld. Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe zijn daarom niet langer onderworpen aan het toezichtsproces van de FATF in het kader van het lopende wereldwijde nalevingsproces ten aanzien van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Nicaragua moet blijven samenwerken met de “Grupo de Acción Financiera de Latinoamérica” (Gafilat), de regionale tegenhanger van de FATF, om zijn AML/CFT-regelgeving verder te verbeteren, onder meer door ervoor te zorgen dat zijn toezicht op non-profitorganisaties risicogebaseerd is en in overeenstemming is met de FATF-normen. Pakistan zal blijven samenwerken met de groep Azië-Stille Oceaan, het regionale orgaan van het FATF-type, om zijn AML/CFT-systeem verder te verbeteren. Zimbabwe moet met de ESAAMLG blijven samenwerken om zijn AML/CFT-systeem verder te verbeteren, onder meer door ervoor te zorgen dat zijn toezicht op non-profitorganisaties op risico’s wordt gebaseerd en in overeenstemming is met de FATF-normen.

(14)

Op basis van haar beoordeling van de beschikbare informatie concludeert de Commissie dat Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe niet langer strategische tekortkomingen vertonen in hun AML/CFT-regelgeving. Nicaragua, Pakistan en Zimbabwe hebben de doeltreffendheid van hun AML/CFT-regelgeving versterkt en de daarmee verband houdende technische tekortkomingen aangepakt om de toezeggingen in hun actieplannen met betrekking tot de door de FATF vastgestelde strategische tekortkomingen gestand te doen.

(15)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tabel in punt I van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 wordt vervangen door de tabel in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1675 van de Commissie van 14 juli 2016 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (PB L 254 van 20.9.2016, blz. 1).


BIJLAGE

“Nr.

Derde land met een hoog risico (1)

1

Afghanistan

2

Barbados

3

Burkina Faso

4

Cambodja

5

Kaaimaneilanden

6

Democratische Republiek Congo

7

Gibraltar

8

Haïti

9

Jamaica

10

Jordanië

11

Mali

12

Marokko

13

Mozambique

14

Birma/Myanmar

15

Panama

16

Filipijnen

17

Senegal

18

Zuid-Sudan

19

Syrië

20

Tanzania

21

Trinidad en Tobago

22

Uganda

23

Verenigde Arabische Emiraten

24

Vanuatu

25

Jemen


(1)  Zonder afbreuk te doen aan de rechtspositie van het Koninkrijk Spanje in verband met de soevereiniteit en jurisdictie met betrekking tot het grondgebied van Gibraltar.”


24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/8


VERORDENING (EU) 2023/411 VAN DE COMMISSIE

van 23 februari 2023

tot wijziging van Verordening (EU) 2019/1871 wat betreft de toepassing van actiedrempels voor nitrofuranen en metabolieten daarvan

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 18,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Nitrofuranen en metabolieten daarvan zijn antimicrobiële stoffen die in de Unie niet in levensmiddelen van dierlijke oorsprong mogen worden gebruikt. Nitrofuranen zijn derhalve opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie (2), die een lijst bevat van verboden stoffen waarvoor geen maximumwaarden voor residuen kunnen worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EU) 2019/1871 van de Commissie (3) zijn actiedrempels vastgesteld voor bepaalde niet-toegelaten farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong waarvoor geen maximumwaarden voor residuen zijn vastgesteld. Met ingang van 28 november 2022 wordt voor nitrofuranen en metabolieten daarvan een actiedrempel van 0,5 μg/kg toegepast.

(3)

Volgens het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (4) kan semicarbazide (SEM), een metaboliet van het nitrofuraan nitrofurazon, in levensmiddelen aanwezig zijn als een metaboliet die het gevolg is van een illegale behandeling met nitrofurazon of als een metaboliet die tijdens de verwerking van de levensmiddelen is ontstaan ten gevolge van het gebruik van ontsmettingsmiddelen of van reacties van verschillende bestanddelen van de levensmiddelen. De aanwezigheid van SEM kan derhalve niet worden beschouwd als een eenduidig teken van misbruik van nitrofurazon bij de productie van dierlijke producten.

(4)

Volgens door de sector verstrekte gegevens en de beschikbare gegevens over de aanwezigheid van SEM (5), kunnen gelatine, collageenhydrolysaat, producten van gehydrolyseerd kraakbeen, producten van gesproeidroogd bloed, wei- en melkproteïneconcentraten, caseïnaten en melkpoeder hogere niveaus van SEM bevatten ten gevolge van de verwerking bij hoge temperaturen, ook als die verwerkte producten niet met nitrofuranen zijn behandeld.

(5)

Bij wijze van uitzondering mag de actiedrempel voor SEM derhalve niet worden toegepast voor gelatine, collageenhydrolysaat, producten van gehydrolyseerd kraakbeen, producten van gesproeidroogd bloed, wei- en melkproteïneconcentraten, caseïnaten en melkpoeder, tenzij samen met SEM ook andere nitrofuranen of metabolieten daarvan in die verwerkte producten worden aangetroffen.

(6)

Zuigelingen en peuters vormen een kwetsbare groep consumenten. Aangezien hun voeding in het bijzonder uit levensmiddelen op basis van melkpoeder bestaat, mag die vrijstelling niet gelden voor volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding.

(7)

Om de Commissie in staat te stellen specifieke regelgevende maatregelen vast te stellen met betrekking tot de aanwezigheid van SEM in gelatine, collageenhydrolysaat, producten van gehydrolyseerd kraakbeen, producten van gesproeidroogd bloed, wei- en melkproteïneconcentraten, caseïnaten en melkpoeder, moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven en andere belanghebbenden binnen een bepaalde termijn de nodige gegevens en informatie verstrekken over onderzoeken naar de parameters en factoren in de verwerkingsstappen die tijdens de verwerking tot de vorming van SEM in die verwerkte producten leiden. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten ook maatregelen nemen om het niveau van SEM in die producten te verlagen tot een niveau dat zo laag is als redelijkerwijs mogelijk is. Zonder die gegevens en informatie kan de vrijstelling niet langer worden gehandhaafd.

(8)

Verordening (EU) 2019/1871 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De actiedrempel van 0,5 μg/kg voor nitrofuranen en metabolieten daarvan is met ingang van 28 november 2022 van toepassing. Om te voorkomen dat betrokken producten met een niveau van SEM boven de actiedrempel onnodig uit de handel worden gehaald omdat ten onrechte wordt aangenomen dat er illegaal gebruik is gemaakt van nitrofuranen, moet de vrijstelling retroactief vanaf dezelfde datum van toepassing zijn.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) 2019/1871 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 28 november 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 februari 2023.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(2)  Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 15 van 20.1.2010, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2019/1871 van de Commissie van 7 november 2019 betreffende actiedrempels voor niet-toegelaten farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Beschikking 2005/34/EG (PB L 289 van 8.11.2019, blz. 41).

(4)  EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), O’Keeffe M., Christodoulidou A. en Nebbia C., 2021. Scientific report on the presence of nitrofurans and their metabolites in gelatine (“Wetenschappelijk verslag over de aanwezigheid van nitrofuranen en metabolieten daarvan in gelatine”). EFSA Journal 2021;19(10):6881, 22 blz., https://doi.org/10.2903/j.efsa.2021.6881

(5)  Richard H. Stadler et al. 2015. Why semicarbazide (SEM) is not an appropriate marker for the usage of nitrofurazone on agricultural animals (“Waarom semicarbazide (SEM) geen geschikte indicator is van het gebruik van nitrofurazon bij landbouwdieren”). Food Additives & Contaminants: deel A, vol. 32, nr. 11, blz.1842-1850, http://dx.doi.org/10.1080/19440049.2015.1086028


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EU) 2019/1871 wordt vervangen door:

“BIJLAGE

Actiedrempels

Stof

Actiedrempel

(μg/kg)

Overige bepalingen

Chlooramfenicol

0,15

 

Malachietgroen

0,5

0,5 μg/kg voor de som van malachietgroen en leucomalachietgroen

Nitrofuranen en metabolieten daarvan

0,5  (1)  (2)

0,5 μg/kg voor elk van de metabolieten van furazolidon (AOZ of 3-amino-2-oxazolidinon), furaltadon (AMOZ of 3-amino-5-methylmorpholino-2-oxazolidinon), nitrofurantoïne (AHD of 1-aminohydantoïne), nitrofurazon (SEM of semicarbazide) en nifursol (DNSH of 3,5-dinitrosalicylzuur-hydrazide)

.

(1)  Aangezien SEM van nature voorkomt in kreeft in niveaus die boven de actiedrempel liggen, zijn alleen niveaus van AOZ, AMOZ, AHD en DNSH boven de actiedrempel een duidelijke indicatie van illegaal gebruik van nitrofuranen en metabolieten daarvan. De actiedrempel van 0,5 μg/kg voor SEM in kreeft wordt alleen toegepast wanneer illegaal gebruik van nitrofurazon of SEM in kreeft is vastgesteld, d.w.z. wanneer nog ten minste één andere nitrofuranmetaboliet is gevonden.

(2)  Aangezien SEM ten gevolge van de verwerking in niveaus boven de actiedrempel voorkomt in gelatine, collageenhydrolysaat, producten van gehydrolyseerd kraakbeen, producten van gesproeidroogd bloed, wei- en melkproteïneconcentraten, caseïnaten en melkpoeder (met uitzondering van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding), zijn alleen niveaus van AOZ, AMOZ, AHD en DNSH boven de actiedrempel een duidelijke indicatie van illegaal gebruik van nitrofuranen en metabolieten daarvan. De actiedrempel van 0,5 μg/kg voor SEM in gelatine, collageenhydrolysaat, producten van gehydrolyseerd kraakbeen, producten van gesproeidroogd bloed, wei- en melkproteïneconcentraten, caseïnaten en melkpoeder (met uitzondering van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding) wordt alleen toegepast wanneer illegaal gebruik van nitrofurazon of SEM is vastgesteld, d.w.z. wanneer nog ten minste één andere nitrofuranmetaboliet is gevonden.

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven en andere belanghebbenden delen de Commissie uiterlijk op 1 maart 2024 de resultaten mee van de onderzoeken naar de parameters en factoren in de verwerkingsstappen die tijdens de verwerking tot de vorming van SEM in gelatine, collageenhydrolysaat, producten van gehydrolyseerd kraakbeen, producten van gesproeidroogd bloed, wei- en melkproteïneconcentraten, caseïnaten en melkpoeder (met uitzondering van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding) leiden. Zij delen ook mee welke maatregelen zij hebben genomen om ervoor te zorgen dat het niveau van SEM in deze producten zo laag als redelijkerwijs mogelijk is, wordt gehouden. Bij gebrek aan bevredigende gegevens en informatie worden maatregelen genomen om een einde te maken aan deze vrijstelling.”


BESLUITEN

24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/11


BESLUIT (EU) 2023/412 VAN DE RAAD

van 21 februari 2023

betreffende de verlenging van de periode waarin een aanspraak voor audiovisuele coproducties bestaat zoals vastgesteld in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit (EU) 2015/2169 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (1), en met name artikel 3, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 1 oktober 2015 heeft de Raad Besluit (EU) 2015/2169 vastgesteld.

(2)

In het protocol betreffende culturele samenwerking (2) (het “protocol”) dat is gehecht aan de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (3) (de “vrijhandelsovereenkomst”), wordt het kader vastgesteld waarbinnen de partijen samenwerken om de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten, onder meer in de audiovisuele sector, te vergemakkelijken.

(3)

Het protocol bevat bij wijze van uitzondering bepalingen inzake het recht om voor audiovisuele coproducties aanspraak te maken op de respectieve regelingen die in beginsel zijn voorbehouden aan ontwikkelingslanden met een zich ontwikkelende audiovisuele sector.

(4)

Overeenkomstig die bepalingen van het protocol wordt het recht om voor coproducties aanspraak op die regelingen te maken na de aanvankelijke periode van drie jaar telkens verlengd met perioden van dezelfde duur, tenzij een van de partijen het recht van aanspraak ten minste drie maanden voor het verstrijken van de aanvankelijke of een verlengingsperiode schriftelijk opzegt. Overeenkomstig die bepalingen is de aanspraakperiode de laatste maal verlengd tot en met 30 juni 2023, aangezien geen van de partijen heeft opgezegd. De daadwerkelijke gevolgen van het protocol voor audiovisuele coproducties moeten tijdig door het Comité voor culturele samenwerking (het “Comité”) worden beoordeeld en als basis dienen voor het besluit van de Unie of de aanspraakperiode al dan niet met drie jaar moet worden verlengd tot 2023.

(5)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2015/2169 moet de Commissie de Republiek Korea in kennis stellen van het voornemen van de Unie om de periode waarin een aanspraak voor coproductie bestaat, niet te verlengen, overeenkomstig de procedure van het protocol, tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie, vier maanden vóór het verstrijken van die aanspraakperiode met verlenging van het recht van aanspraak instemt. Stemt de Raad met verlenging van de aanspraakperiode in, dan moet die procedure aan het einde van die verlengde aanspraakperiode opnieuw van toepassing worden.

(6)

Op 17 oktober 2019 is de in het protocol bedoelde interne adviesgroep van de Unie geraadpleegd over de verlenging van de aanspraakperiode, zoals bepaald in de bepalingen inzake het recht van aanspraak op audiovisuele coproducties van het protocol.

(7)

Gelet op de nauwe, historische en unieke betrekkingen tussen de Unie en de Republiek Korea stemt de Raad in met de verlenging van de periode waarin voor audiovisuele coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de respectieve regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke/regionale culturele inhoud als voorzien in het protocol.

(8)

Bij Besluit (EU) 2020/470 van de Raad (4) is de periode waarin voor audiovisuele coproducties aanspraak kan worden gemaakt bijgevolg met drie jaar verlengd, van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2023. Bij arrest van 1 maart 2022 in de zaak Commissie/Raad (5) heeft het Hof van Justitie Besluit (EU) 2020/470 echter nietig verklaard. In zijn arrest handhaafde het Hof ook de gevolgen van dat besluit totdat de vastgestelde gronden voor nietigverklaring waren weggenomen.

(9)

Op 28 november 2022 heeft de Raad Besluit (EU) 2022/2335 (6) vastgesteld, waarbij Besluit (EU) 2015/2169 overeenkomstig dat arrest werd gewijzigd.

(10)

Om iedere twijfel over de verbintenis van de Unie met betrekking tot de verlenging met drie jaar, van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2023, van de periode waarin een recht op aanspraak bestaat, weg te nemen en aldus de correcte uitvoering van het protocol te waarborgen, moet overeenkomstig dat arrest op basis van Besluit (EU) 2015/2169, een nieuw besluit worden vastgesteld, dat met ingang van 1 juli 2020 van toepassing is.

(11)

Dit besluit laat de respectieve bevoegdheden van de Unie en de lidstaten onverlet. Dit geldt in het bijzonder voor de bevoegdheid van de lidstaten om coproductieovereenkomsten te sluiten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De periode waarin voor audiovisuele coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de respectieve regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke/regionale culturele inhoud, als voorzien in artikel 5, leden 4 tot en met 7, van het protocol, wordt met drie jaar verlengd, van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2023.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2020.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2023.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ROSWALL


(1)  PB L 307 van 25.11.2015, blz. 2.

(2)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 1418.

(3)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.

(4)  Besluit (EU) 2020/470 van de Raad van 25 maart 2020 betreffende de verlenging van de periode waarin een aanspraak voor audiovisuele coproducties bestaat zoals vastgesteld in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bij de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (PB L 101 van 1.4.2020, blz. 1).

(5)  Arrest van het Hof van Justitie van 1 maart 2022, Commissie/Raad, C-275/20, ECLI:EU:C:2022:142.

(6)  Besluit (EU) 2022/2335 van de Raad van 28 november 2022 tot wijziging van Besluit (EU) 2015/2169 betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (PB L 309 van 30.11.2022, blz. 6).


24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/13


BESLUIT (EU) 2023/413 VAN DE RAAD

van 21 februari 2023

betreffende de verlenging van het recht van de periode waarin een aanspraak voor audiovisuele coproducties bestaat zoals vastgesteld in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit (EU) 2015/2169 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende de sluiting van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (1), en met name artikel 3, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 1 oktober 2015 heeft de Raad Besluit (EU) 2015/2169 vastgesteld.

(2)

In het protocol betreffende culturele samenwerking (2) (het “protocol”) dat is gehecht aan de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds (3) (de “vrijhandelsovereenkomst”), wordt het kader vastgesteld waarbinnen de partijen samenwerken om de uitwisseling van culturele activiteiten, goederen en diensten, onder meer in de audiovisuele sector, te vergemakkelijken.

(3)

Het protocol bevat bij wijze van uitzondering bepalingen inzake het recht om voor audiovisuele coproducties aanspraak te maken op de respectieve regelingen die in beginsel zijn voorbehouden aan ontwikkelingslanden met een zich ontwikkelende audiovisuele sector.

(4)

Overeenkomstig die bepalingen van het protocol wordt het recht om voor coproducties aanspraak op die regelingen te maken na de aanvankelijke periode van drie jaar telkens verlengd met perioden van dezelfde duur, tenzij een van de partijen het recht van aanspraak ten minste drie maanden voor het verstrijken van de aanvankelijke of een verlengingsperiode schriftelijk opzegt. Overeenkomstig die bepalingen is de aanspraakperiode de laatste maal verlengd tot en met 30 juni 2023, aangezien geen van de partijen heeft opgezegd. De daadwerkelijke gevolgen van het protocol voor audiovisuele coproducties moeten tijdig door het Comité voor culturele samenwerking (het “Comité”) worden beoordeeld en als basis dienen voor het besluit van de Unie of de aanspraakperiode al dan niet met drie jaar moet worden verlengd tot 2026.

(5)

Overeenkomstig van Besluit (EU) 2015/2169 moet de Commissie de Republiek Korea in kennis stellen van het voornemen van de Unie om de periode waarin een aanspraak voor coproductie bestaat, niet te verlengen, overeenkomstig de procedure van het protocol, tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie, vier maanden vóór het verstrijken van die aanspraakperiode met verlenging van het recht van aanspraak instemt. Stemt de Raad met verlenging van de aanspraakperiode in, dan moet die procedure aan het einde van die verlengde aanspraakperiode opnieuw van toepassing worden.

(6)

Op 22 december 2022 is de in het protocol bedoelde interne adviesgroep van de Unie geraadpleegd over de verlenging van de aanspraakperiode, zoals bepaald in de bepalingen inzake het recht van aanspraak op audiovisuele coproducties van het protocol.

(7)

Op 7 december 2022 is het Comité nagegaan of de tenuitvoerlegging van de aanspraken heeft geleid tot een grotere culturele diversiteit en tot een grotere, voor beide partijen voordelige samenwerking inzake coproducties in het protocol.

(8)

Gelet op de nauwe, historische en unieke betrekkingen tussen de Unie en de Republiek Korea en aangezien coproducties van de EU en de Republiek Korea zowel economisch als cultureel wederzijds voordelig kunnen zijn, stemt de Raad in met de verlenging van de periode waarin voor audiovisuele coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de respectieve regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke/regionale culturele inhoud als voorzien in het protocol. De audiovisuele aanspraken kunnen extra kansen creëren voor alle lidstaten, inclusief de lidstaten die er tot dusver niet in zijn geslaagd om bilateraal coproducties tot stand te brengen.

(9)

Dit besluit laat de respectieve bevoegdheden van de Unie en de lidstaten onverlet. Dit geldt in het bijzonder voor de bevoegdheid van de lidstaten om coproductieovereenkomsten te sluiten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De periode waarin voor audiovisuele coproducties aanspraak kan worden gemaakt op de respectieve regelingen van de partijen voor de bevordering van plaatselijke/regionale culturele inhoud, als voorzien in artikel 5, leden 4 tot en met 7, van het protocol, wordt met drie jaar verlengd, van 1 juli 2023 tot en met 30 juni 2026.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2023.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ROSWALL


(1)  PB L 307 van 25.11.2015, blz. 2.

(2)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 1418.

(3)  PB L 127 van 14.5.2011, blz. 6.


24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/15


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/414 VAN DE COMMISSIE

van 17 februari 2023

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 tot vaststelling van bepaalde noodmaatregelen met betrekking tot schapen- en geitenpokken in Spanje

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1270)

(Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 259, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Schapen- en geitenpokken is een infectieuze virale ziekte bij geiten en schapen en kan ernstige gevolgen hebben voor de betrokken dierpopulatie en de rentabiliteit van de landbouw, waardoor de verplaatsingen van zendingen van die dieren en producten daarvan binnen de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord. Bij een uitbraak van die ziekte bij geiten en schapen bestaat een ernstig risico dat zij zich verspreidt naar andere inrichtingen waar die dieren worden gehouden.

(2)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (2) is schapenpokken en geitenpokken (hier “schapen- en geitenpokken” genoemd) gedefinieerd als een ziekte van categorie A. Daarnaast vormt Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie (3) een aanvulling op de regels voor de bestrijding van de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2016/429 en gedefinieerd als ziekten van categorieën A, B en C in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882. Met name voorzien de artikelen 21 en 22 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 in de instelling van een beperkingszone in geval van een uitbraak van een ziekte van categorie A, waaronder schapen- en geitenpokken, en in de instelling van bepaalde ziektebestrijdingsmaatregelen die in die beperkingszone moeten worden toegepast. Bovendien bepaalt artikel 21, lid 1, van die gedelegeerde verordening dat de beperkingszone een beschermingszone, een bewakingszone en, indien nodig, extra beperkingszones rond of naast de beschermings- en bewakingszones moet omvatten.

(3)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 van de Commissie (4) is vastgesteld in het kader van Verordening (EU) 2016/429 en bevat noodmaatregelen voor Spanje in verband met uitbraken van schapen- en geitenpokken die zijn vastgesteld in de regio’s Andalusië en Castilla-La Mancha, waar zij twee afzonderlijke clusters vormen, één in elke regio.

(4)

Meer in het bijzonder is in Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 bepaald dat de naar aanleiding van uitbraken van schapen- en geitenpokken door Spanje overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 in te stellen beschermings-, bewakings- en extra beperkingszones ten minste de gebieden moeten omvatten die in de lijst van de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit zijn opgenomen.

(5)

Voorts zijn in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 de als beschermings- en bewakingszones opgenomen gebieden waarvan de termijn gedurende welke de maatregelen gelden dezelfde zijn, voor elke cluster gegroepeerd, waarbij rekening is gehouden met de datum waarop de laatste voorlopige reiniging en ontsmetting is voltooid, zodat voor alle uitbraken in hetzelfde gebied een voorlopige reiniging en ontsmetting is uitgevoerd.

(6)

Naast de beschermings- en bewakingszones is overeenkomstig artikel 21, lid 1, punt c), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 een extra beperkingszone ingesteld, zowel in de regio Andalusië als in de regio Castilla-La Mancha, waar Spanje genoodzaakt is bepaalde maatregelen toe te passen met betrekking tot de instelling van beperkingen op de verplaatsing van schapen en geiten naar buiten die zone, teneinde de verspreiding van de ziekte naar de rest van zijn grondgebied en de rest van de Unie te voorkomen.

(7)

Sinds Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 is vastgesteld, heeft Spanje de Commissie in kennis gesteld van twee bijkomende uitbraken van schapen- en geitenpokken in inrichtingen waar schapen en/of geiten werden gehouden in de regio Castilla-La Mancha. Als gevolg daarvan zijn de gebieden die in de bijlage bij dit besluit voor Spanje als beschermings- en bewakingszones en als extra beschermingszone zijn opgenomen, gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/10 van de Commissie (5).

(8)

Sinds de datum waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/10 is vastgesteld, heeft Spanje de Commissie in kennis gesteld van drie bijkomende uitbraken van schapen- en geitenpokken in inrichtingen waar schapen en/of geiten werden gehouden die zich allemaal bevinden in de regio Castilla-La Mancha, binnen de in deze regio reeds ingestelde extra beperkingszone. Twee van deze uitbraken bevinden zich in de provincie Cuenca, de derde in de provincie Ciudad Real en is de eerste uitbraak die in die provincie is gemeld.

(9)

In de regio Andalusië zijn sinds de bevestiging van de laatste uitbraken op 7 november 2022 tot op heden geen nieuwe uitbraken van schapen- en geitenpokken gemeld. Als gevolg daarvan zijn alle beperkingszones in die regio sinds 16 januari 2023 opgeheven.

(10)

De bevoegde autoriteit van Spanje heeft de nodige ziektebestrijdingsmaatregelen genomen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687, waaronder de instelling van beschermings- en bewakingszones rond die drie nieuwe uitbraken en de uitbreiding van de extra beperkingszone rond die uitbraken.

(11)

Spanje heeft de Commissie tevens regelmatig op de hoogte gehouden met actualiseringen van de epidemiologische situatie van schapen- en geitenpokken op zijn grondgebied. Deze actualiseringen omvatten de door Spanje genomen ziektebestrijdingsmaatregelen die de Commissie evalueert om de doeltreffendheid ervan te beoordelen, rekening houdend met de ontwikkeling van de ziekte.

(12)

Daarom moeten de gebieden die in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 voor Spanje als beschermings-, bewakings- en extra beperkingszones zijn opgenomen, worden aangepast wat de locatie en/of de geldigheidsduur betreft, rekening houdend met de huidige epidemiologische situatie in de regio Castilla-la Mancha. Bovendien moeten, gezien de huidige epidemiologische situatie, strengere maatregelen worden vastgesteld met betrekking tot verplaatsingen van schapen en geiten uit de extra beperkingszone naar inrichtingen buiten die zone, om de verspreiding van de ziekte naar de rest van het grondgebied van Spanje en de rest van de Unie te voorkomen. Daartoe mogen verplaatsingen van schapen en geiten buiten de extra beperkingszone alleen worden toegestaan naar een slachthuis om daar onmiddellijk te worden geslacht.

(13)

Gezien de urgentie van de epidemiologische situatie in de Unie wat de verspreiding van schapen-en-geitenpokken betreft, is het belangrijk dat de in dit uitvoeringsbesluit vastgestelde maatregelen zo spoedig mogelijk van toepassing zijn.

(14)

Gezien de huidige epidemiologische situatie in de Unie wat schapen- en geitenpokken betreft, moet dit besluit bovendien van toepassing zijn tot en met 31 juli 2023.

(15)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   De volgende verplaatsingen, binnen het grondgebied van Spanje, van in de extra beperkingszone gehouden schapen en geiten naar buiten die zone, kunnen door de bevoegde autoriteit worden toegestaan:

verplaatsingen van schapen en geiten naar een slachthuis om daar onmiddellijk te worden geslacht.”.

2)

Artikel 5 wordt vervangen door:

“Artikel 5

Toepassing

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 juli 2023.”.

3)

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Adressaat

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Spanje.

Gedaan te Brussel, 17 februari 2023.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie van 3 december 2018 betreffende de toepassing, op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten, van bepaalde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten en tot vaststelling van een lijst van soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van die ziekten (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 21).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat regels voor de preventie en bestrijding van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten betreft (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 64).

(4)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 van de Commissie van 23 november 2022 tot vaststelling van bepaalde noodmaatregelen in verband met schapen- en geitenpokken in Spanje en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/1913 (PB L 308 van 29.11.2022, blz. 22).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/10 van de Commissie van 20 december 2022 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2333 tot vaststelling van bepaalde noodmaatregelen met betrekking tot schapen- en geitenpokken in Spanje (PB L 2 van 4.1.2023, blz. 126).


BIJLAGE

“BIJLAGE

A.   Rond bevestigde uitbraken ingestelde beschermings- en bewakingszones

Regio en ADIS-referentienummer van de uitbraak

Als beschermings- en bewakingszone ingestelde gebieden die behoren tot de in artikel 1 bedoelde beperkingszones in Spanje

Datum einde geldigheid

Regio Castilla-La Mancha

ES-CAPRIPOX-2023-00001

ES-CAPRIPOX-2023-00002

ES-CAPRIPOX-2023-00003

Beschermingszone:

Die delen van de provincies Cuenca en Ciudad Real die gelegen zijn binnen een cirkel met een straal van vijf kilometer rond UTM 30, ETRS89-coördinaten: breedte 39,5105823, lengte –2,4881244 (2023/01); breedte 39,4754483, lengte –2,1693509 (2023/2); breedte 39,3779337, lengte –3,2065384 (2023/3).

22.3.2023

Bewakingszone:

Die delen van de provincies Cuenca, Ciudad Real, Toledo en Albacete die gelegen zijn buiten het in de beschermingszone beschreven gebied en die gelegen zijn binnen een cirkel met een straal van twintig kilometer rond UTM 30, ETRS89-coördinaten: breedte 39,5105823, lengte –2,4881244 (2023/01); breedte 39,4754483, lengte –2,1693509 (2023/2); breedte 39,3779337, lengte –3,2065384 (2023/3).

7.4.2023

Bewakingszone:

Die delen van de provincies Cuenca en Ciudad Real die gelegen zijn binnen een cirkel met een straal van vijf kilometer rond UTM 30, ETRS89-coördinaten: breedte 39,5105823, lengte –2,4881244 (2023/01); breedte 39,4754483, lengte –2,1693509 (2023/2); breedte 39,3779337, lengte –3,2065384 (2023/3).

23.3.2023-7.4.2023

B.   Extra beperkingszones

Regio

Als extra beperkingszones ingestelde gebieden die behoren tot de in artikel 1 bedoelde beperkingszones in Spanje

Datum einde geldigheid

Regio Castilla-La Mancha

Een extra beperkingszone die de volgende provincies omvat:

Albacete

Ciudad Real

Cuenca

Toledo

17.5.2023


24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/19


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/415 VAN DE COMMISSIE

van 22 februari 2023

tot verlenging van de vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde soja A5547-127 (ACS-GMØØ6-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1126)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 23, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsbesluit 2012/81/EU van de Commissie (2) is een vergunning verleend voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja A5547-127. Die vergunning had ook betrekking op het in de handel brengen van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde soja A5547-127, voor dezelfde gebruiksdoelen als andere soja, met uitzondering van de teelt.

(2)

Op 10 december 2020 heeft BASF SE, gevestigd in Duitsland, namens BASF Agricultural Solutions Seed US LLC, gevestigd in de Verenigde Staten, bij de Commissie een aanvraag ingediend voor de verlenging van die vergunning.

(3)

Op 20 juni 2022 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een gunstig wetenschappelijk advies (3) uitgebracht. Daarin heeft zij geconcludeerd dat de aanvraag tot verlenging geen gegevens bevatte die wijzen op nieuwe gevaren, gewijzigde blootstelling of wetenschappelijke onzekerheden die tot een wijziging van de in 2011 door de EFSA goedgekeurde conclusies van de oorspronkelijke risicobeoordeling van genetisch gemodificeerde soja A5547-127 (4) zouden leiden.

(4)

De EFSA heeft in haar wetenschappelijk advies aandacht besteed aan alle vragen en punten van zorg die de lidstaten aan de orde hebben gesteld in het kader van de raadpleging van de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 6, lid 4, en artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(5)

De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het door de aanvrager ingediende monitoringplan voor de milieueffecten, dat bestaat uit een algemeen toezichtsplan, aansluit bij de beoogde toepassingen van de producten.

(6)

Rekening houdend met die conclusies moet de vergunning voor het in de handel brengen van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja A5547-127, en van producten die er geheel of gedeeltelijk uit bestaan, voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt, worden verlengd.

(7)

Aan genetisch gemodificeerde soja A5547-127 is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie (5) een eenduidig identificatienummer toegekend in het kader van de oorspronkelijke vergunning ervan bij Besluit 2012/81/EU van de Commissie. Dat eenduidig identificatienummer moet verder worden gebruikt.

(8)

Voor de onder dit besluit vallende producten lijken geen andere specifieke etiketteringsvoorschriften nodig te zijn dan die van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en die van artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad (6). Om echter te waarborgen dat producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde soja A5547-127 binnen de grenzen van de bij dit besluit verleende vergunning worden gebruikt, moet op het etiket van die producten — met uitzondering van levensmiddelen — duidelijk worden vermeld dat zij niet voor de teelt zijn bedoeld.

(9)

De vergunninghouder moet elk jaar een verslag indienen over de uitvoering en de resultaten van de activiteiten in het monitoringplan voor de milieueffecten. Die resultaten moeten worden gepresenteerd overeenkomstig de voorschriften van Beschikking 2009/770/EG van de Commissie (7).

(10)

Het advies van de EFSA rechtvaardigt niet dat specifieke voorwaarden of beperkingen worden opgelegd voor het in de handel brengen, het gebruik en de behandeling — met inbegrip van voorschriften voor monitoring na het in de handel brengen betreffende de consumptie van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja A5547-127 — of voor de bescherming van bepaalde ecosystemen/het milieu en/of geografische gebieden, zoals bedoeld in artikel 6, lid 5, punt e), en artikel 18, lid 5, punt e), van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(11)

Alle relevante informatie over het verlenen van de vergunning voor de producten die onder dit besluit vallen, moet worden opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

(12)

Krachtens artikel 9, lid 1, en artikel 15, lid 2, punt c), van Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad (8) moeten de partijen bij het aan het Verdrag inzake biologische diversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid van dit besluit in kennis worden gesteld via het uitwisselingscentrum voor bioveiligheid.

(13)

Het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht. Deze uitvoeringshandeling werd nodig geacht en de voorzitter heeft haar voor verder beraad aan het comité van beroep voorgelegd. Het comité van beroep heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Genetisch gemodificeerd organisme en eenduidig identificatienummer

Aan het genetisch gemodificeerde soja (Glycine max) A5547-127, als nader gespecificeerd in de bijlage bij dit besluit, wordt het eenduidige identificatienummer ACS-GMØØ6-4 toegekend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004.

Artikel 2

Verlenging van de vergunning

Overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit wordt de vergunning voor het in de handel brengen van de volgende producten verlengd:

a)

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4;

b)

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4;

c)

producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4, voor andere toepassingen dan bedoeld in de punten a) en b), met uitzondering van de teelt.

Artikel 3

Etikettering

1.   Voor de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme “soja”.

2.   De woorden “niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde soja, met uitzondering van de in artikel 2, punt a), bedoelde producten.

Artikel 4

Detectiemethode

Voor de detectie van de genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4 wordt de in punt d) van de bijlage vermelde methode gebruikt.

Artikel 5

Monitoringplan voor de milieueffecten

1.   De vergunninghouder zorgt ervoor dat het in punt h) van de bijlage vermelde monitoringplan voor de milieueffecten wordt vastgesteld en uitgevoerd.

2.   De vergunninghouder dient jaarlijks een verslag over de uitvoering en de resultaten van het monitoringplan bij de Commissie in overeenkomstig het standaardformulier in Beschikking 2009/770/EG.

Artikel 6

Communautair register

De informatie in de bijlage wordt opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

Artikel 7

Vergunninghouder

De vergunninghouder is BASF Agricultural Solutions Seed US LLC, Verenigde Staten, in de Unie vertegenwoordigd door BASF SE, Duitsland.

Artikel 8

Geldigheid

Dit besluit is van toepassing gedurende een periode van tien jaar met ingang van de datum van kennisgeving.

Artikel 9

Adressaat

Dit besluit is gericht tot BASF Agricultural Solutions Seed US LLC, 100 Park Avenue, Florham Park, New Jersey 07932, Verenigde Staten, in de Unie vertegenwoordigd door BASF SE, Carl-Bosch-Str. 38, 67063 Ludwigshafen, Duitsland.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2023.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/81/EU van de Commissie van 10 februari 2012 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met genetisch gemodificeerde soja A5547-127 (ACS-GMØØ6-4) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 40 van 14.2.2012, blz. 10).

(3)  Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), 2022. “Scientific Opinion on the assessment on genetically modified soybean A5547-127 for renewal authorisation under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-RX-020)”. EFSA Journal 2022; 20(6):7340, 12 blz.; https://doi.org/10.2903/j.efsa.2022.7340.

(4)  Ggo-panel van de EFSA, 2011. “Scientific Opinion on application (EFSA-GMO-NL-2008-52) for the placing on the market of herbicide tolerant genetically modified soybean A5547-127 for food and feed uses, import and processing under Regulation (EC) No 1829/2003 from Bayer CropScience”. EFSA Journal 2011; 9(5):2147, 27 blz.; https://doi.org/10.2903/j.efsa.2011.2147.

(5)  Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5).

(6)  Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).

(7)  Beschikking 2009/770/EG van de Commissie van 13 oktober 2009 tot vaststelling van standaardrapportageformulieren voor de presentatie van de resultaten van monitoring van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, als product of in producten en met het oog op het in de handel brengen, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 275 van 21.10.2009, blz. 9).

(8)  Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (PB L 287 van 5.11.2003, blz. 1).


BIJLAGE

a)   Aanvrager en vergunninghouder

Naam

:

BASF Agricultural Solutions Seed US LLC

Adres

:

100 Park Avenue, Florham Park, New Jersey 07932, Verenigde Staten

in de Unie vertegenwoordigd door BASF SE, Carl-Bosch-Str. 38, 67063 Ludwigshafen, Duitsland.

b)   Benaming en specificatie van de producten

1)

Levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4.

2)

Diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4.

3)

Producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4 voor andere toepassingen dan bedoeld in de punten 1 en 2, met uitzondering van de teelt.

De genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4 brengt het pat-gen tot expressie, dat tolerantie geeft voor op glufosinaat-ammonium gebaseerde herbiciden.

c)   Etikettering

1)

Voor de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme “soja”.

2)

De woorden “niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4, met uitzondering van de in punt b), 1), bedoelde producten.

d)   Detectiemethode

1)

Modificatiespecifieke methode voor de kwantificering van genetisch gemodificeerde soja ACS-GMØØ6-4 met gebruikmaking van real-time PCR.

2)

Gevalideerd door het bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 ingestelde EU-referentielaboratorium, gepubliceerd op http://gmo-crl.jrc.ec.europa.eu/StatusOfDossiers.aspx

3)

Referentiemateriaal: AOCS 0707-C8, toegankelijk via de American Oil Chemists” Society (AOCS) op https://aocs.org/tech/crm

e)   Eenduidig identificatienummer

ACS-GMØØ6-4

f)   Informatie die vereist is krachtens bijlage II bij het aan het Verdrag inzake biodiversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid

[Uitwisselingscentrum voor bioveiligheid, Record ID: wordt bij kennisgeving bekendgemaakt in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders].

g)   Voorwaarden of beperkingen inzake het in de handel brengen, het gebruik of de behandeling van de producten

Geen.

h)   Monitoringplan voor de milieueffecten

Monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (1).

[Link: plan bekendgemaakt in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders]

i)   Voorschriften voor monitoring na het in de handel brengen bij gebruik van het levensmiddel voor menselijke consumptie

Geen.

Opmerking:

het kan gebeuren dat de links naar de documenten na verloop van tijd gewijzigd moeten worden. Dergelijke wijzigingen worden bekendgemaakt door het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders bij te werken.

(1)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).


24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/25


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/416 VAN DE COMMISSIE

van 22 februari 2023

tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100 (MON-941ØØ-2) overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1135)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), en met name artikel 7, lid 3, en artikel 19, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 29 oktober 2020 heeft Bayer Agriculture BV, gevestigd in België, namens Bayer CropScience LP, gevestigd in de Verenigde Staten, bij de bevoegde nationale instantie van Nederland en overeenkomstig de artikelen 5 en 17 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een aanvraag ingediend (“de aanvraag”) voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100. De aanvraag betrof ook het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100 voor andere toepassingen dan als levensmiddel of als diervoeder, met uitzondering van de teelt.

(2)

Overeenkomstig artikel 5, lid 5, en artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 omvatte de aanvraag gegevens en conclusies inzake de overeenkomstig de beginselen van bijlage II bij Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) uitgevoerde risicobeoordeling. De aanvraag omvatte tevens de uit hoofde van de bijlagen III en IV bij die richtlijn vereiste informatie en een monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij die richtlijn.

(3)

Op 22 juli 2022 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overeenkomstig de artikelen 6 en 18 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een gunstig wetenschappelijk advies uitgebracht (3). Zij heeft geconcludeerd dat het in de aanvraag beschreven genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100 wat betreft de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier of het milieu even veilig is als de conventionele tegenhanger ervan en de geteste niet-genetisch gemodificeerde referentievariëteiten van koolzaad. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat de consumptie van levensmiddelen en diervoeders van genetisch gemodificeerd koolzaad MON 94100 geen voedingsprobleem voor mens of dier vormt.

(4)

De EFSA heeft in haar wetenschappelijk advies aandacht besteed aan alle vragen en punten van zorg die de lidstaten aan de orde hebben gesteld in het kader van de raadpleging van de bevoegde nationale instanties overeenkomstig artikel 6, lid 4, en artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(5)

De EFSA heeft ook geconcludeerd dat het door de aanvrager ingediende monitoringplan voor de milieueffecten, dat bestaat uit een algemeen monitoringplan, aansluit bij de beoogde toepassingen van de producten.

(6)

Gezien het bovenstaande moet een vergunning worden verleend voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100 voor de in de aanvraag genoemde toepassingen.

(7)

Aan het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100 moet een eenduidig identificatienummer worden toegekend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie (4).

(8)

Voor de onder dit besluit vallende producten lijken geen andere specifieke etiketteringsvoorschriften nodig te zijn dan die van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en die van artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad (5). Om er echter voor te zorgen dat dergelijke producten binnen de grenzen van de door dit besluit verleende vergunning worden gebruikt, moet op de etikettering van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het genetisch gemodificeerde koolzaad MON 94100, met uitzondering van levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten, ook duidelijk worden vermeld dat zij niet voor de teelt zijn bedoeld.

(9)

De vergunninghouder moet elk jaar een verslag indienen over de uitvoering en de resultaten van de activiteiten in het monitoringplan voor de milieueffecten. Die resultaten moeten worden gepresenteerd overeenkomstig de voorschriften van Beschikking 2009/770/EG van de Commissie (6).

(10)

Het advies van de EFSA rechtvaardigt niet het opleggen van andere specifieke voorwaarden of beperkingen voor het in de handel brengen, het gebruik en de behandeling of voor de bescherming van bepaalde ecosystemen/het milieu en/of geografische gebieden, als bedoeld in artikel 6, lid 5, punt e), en artikel 18, lid 5, punt e), van Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(11)

Alle relevante informatie over het verlenen van de vergunning voor de producten die onder dit besluit vallen, moet worden opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

(12)

Krachtens artikel 9, lid 1, en artikel 15, lid 2, punt c), van Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad (7) moeten de partijen bij het aan het Verdrag inzake biologische diversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid van dit besluit in kennis worden gesteld via het uitwisselingscentrum voor bioveiligheid.

(13)

Het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht. Deze uitvoeringshandeling werd nodig geacht en de voorzitter heeft haar voor verder beraad aan het comité van beroep voorgelegd. Het comité van beroep heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Genetisch gemodificeerd organisme en eenduidig identificatienummer

Aan het genetisch gemodificeerde koolzaad (Brassica napus L.) MON 94100, zoals gespecificeerd in punt b) van de bijlage bij dit besluit, wordt het eenduidige identificatienummer MON-941ØØ-2 toegekend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 65/2004.

Artikel 2

Verlening van een vergunning

Overeenkomstig de voorwaarden van dit besluit wordt voor de doeleinden van artikel 4, lid 2, en artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 een vergunning verleend voor de volgende producten:

a)

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2;

b)

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2;

c)

producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit de genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2, voor andere toepassingen dan bedoeld in de punten a) en b) van dit artikel, met uitzondering van de teelt.

Artikel 3

Etikettering

1.   Met het oog op de toepassing van de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme “koolzaad”.

2.   De woorden “niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het in artikel 1 bedoelde genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2, met uitzondering van de in artikel 2, punt a), bedoelde producten.

Artikel 4

Detectiemethode

Voor de detectie van het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2 wordt de in punt d) van de bijlage vermelde methode gebruikt.

Artikel 5

Monitoringplan voor de milieueffecten

1.   De vergunninghouder zorgt ervoor dat het in punt h) van de bijlage vermelde monitoringplan voor de milieueffecten wordt vastgesteld en uitgevoerd.

2.   De vergunninghouder dient jaarlijks een verslag over de uitvoering en de resultaten van het monitoringplan bij de Commissie in overeenkomstig het formulier in Beschikking 2009/770/EG.

Artikel 6

Communautair register

De informatie in de bijlage wordt opgenomen in het in artikel 28, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 bedoelde communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

Artikel 7

Toelatingshouder

De vergunninghouder is Bayer CropScience LP, in de Unie vertegenwoordigd door Bayer Agriculture BV.

Artikel 8

Geldigheid

Dit besluit is van toepassing gedurende een periode van tien jaar met ingang van de datum van kennisgeving.

Artikel 9

Adressaat

Dit besluit is gericht tot Bayer CropScience LP, 800 N. Lindbergh Boulevard, St. Louis, Missouri 63167, Verenigde Staten, in de Unie vertegenwoordigd door Bayer Agriculture BV, Scheldelaan 460, 2040 Antwerpen, België.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2023.

Voor de Commissie

Stella KYRIAKIDES

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

(3)  Ggo-panel van de EFSA (Panel van de EFSA voor genetisch gemodificeerde organismen), 2022. Scientific Opinion on assessment of genetically modified oilseed rape MON 94100 for food and feed uses, under Regulation (EC) No 1829/2003 (application EFSA-GMO-NL-2020-169). EFSA Journal 2022; 20(7):7411, 29 blz. (https://doi.org/10.2903/j.efsa.2022.7411).

(4)  Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen (PB L 10 van 16.1.2004, blz. 5).

(5)  Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24).

(6)  Beschikking 2009/770/EG van de Commissie van 13 oktober 2009 tot vaststelling van standaardrapportageformulieren voor de presentatie van de resultaten van monitoring van de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu, als product of in producten en met het oog op het in de handel brengen, overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 275 van 21.10.2009, blz. 9).

(7)  Verordening (EG) nr. 1946/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (PB L 287 van 5.11.2003, blz. 1).


BIJLAGE

a)

Aanvrager en vergunninghouder:

Naam: Bayer CropScience LP

Adres: 800 N. Lindbergh Boulevard, St. Louis, Missouri 63167, Verenigde Staten.

In de Unie vertegenwoordigd door: Bayer Agriculture BV, Scheldelaan 460, 2040 Antwerpen, België.

b)

Benaming en specificatie van de producten:

1.

levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2;

2.

diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2;

3.

producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2, voor andere toepassingen dan bedoeld in de punten 1) en 2), met uitzondering van de teelt.

Het genetisch gemodificeerde koolzaad MON-941ØØ-2 brengt het dmo-gen tot expressie, dat tolerantie geeft voor op dicamba gebaseerde herbiciden.

c)

Etikettering:

1.

Met het oog op de toepassing van de etiketteringsvoorschriften van artikel 13, lid 1, en artikel 25, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1829/2003 en artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1830/2003 is de naam van het organisme “koolzaad”.

2.

De woorden “niet voor teeltdoeleinden” worden aangebracht op het etiket en in de begeleidende documenten van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit koolzaad MON-941ØØ-2, met uitzondering van de in punt b), punt 1, bedoelde producten.

d)

Detectiemethode:

1.

modificatiespecifieke realtime kwantitatieve PCR-gebaseerde methode voor de detectie van genetisch gemodificeerd koolzaad MON-941ØØ-2;

2.

gevalideerd door het bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 ingestelde EU-referentielaboratorium (gepubliceerd op http://gmo-crl.jrc.ec.europa.eu/StatusOfDossiers.aspx);

3.

referentiemateriaal: AOCS 0421-A, toegankelijk via de American Oil Chemists” Society (https://www.aocs.org/crm?SSO=True).

e)

Eenduidig identificatienummer:

MON-941ØØ-2

f)

Informatie die vereist is krachtens bijlage II bij het aan het Verdrag inzake biodiversiteit gehechte Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid:

[Uitwisselingscentrum voor bioveiligheid, Record ID: wordt bij kennisgeving bekendgemaakt in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders].

g)

Voorwaarden of beperkingen inzake het in de handel brengen, het gebruik of de behandeling van de producten:

Geen.

h)

Monitoringplan voor de milieueffecten:

Monitoringplan voor de milieueffecten overeenkomstig bijlage VII bij Richtlijn 2001/18/EG

[Link: plan bekendgemaakt in het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders].

i)

Plan voor monitoring na het in de handel brengen:

Geen.

Let op:

het kan gebeuren dat de links naar de documenten na verloop van tijd gewijzigd moeten worden. Dergelijke wijzigingen worden bekendgemaakt door bijwerking van het communautair register van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.

24.2.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 59/30


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/417 VAN DE COMMISSIE

van 22 februari 2023

tot aanvaarding van een door Nederland en Duitsland overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad ingediend verzoek om tijdelijke ontheffing van de punten 4.2.5.1.“Radiocommunicatie met de trein” en 4.2.8. “Beheer van encryptiesleutels” van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 voor acht treinstellen van het type FLIRT3 EMU3 Limburg MS (L-435)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 1154)

(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Duitse taal zijn authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (1), en met name artikel 7, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op respectievelijk 15 en 20 juli 2022 hebben Nederland en Duitsland bij de Commissie een verzoek ingediend om tijdelijk te worden ontheven van de toepassing van de punten 4.2.5.1. “Radiocommunicatie met de trein” en 4.2.8. “Beheer van encryptiesleutels” van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 (2) voor acht treinstellen van het type FLIRT3 EMU3 Limburg MS (L-435) (hierna: “de treinstellen”) die door Stadler werden geleverd aan de exploitant Arriva. De verzoeken zijn gebaseerd op artikel 7, lid 1, punt c), van Richtlijn (EU) 2016/797, en met name de mogelijkheid om af te zien van de toepassing van de TSI’s als het risico bestaat dat de economische levensvatbaarheid van het project in het gedrang komt. Deze treinstellen worden gebruikt voor internationale verbindingen tussen Maastricht (NL), Heerlen (NL) en Aken (DE).

(2)

Dezelfde acht treinstellen FLIRT3 EMU3 Limburg MS (L-435) maakten reeds het voorwerp uit van Uitvoeringsbesluit C(2020) 5081 final (3) van de Commissie. Bij dat uitvoeringsbesluit heeft de Commissie ingestemd met het verzoek van Nederland om tijdelijk te worden vrijgesteld van de toepassing van punt 7.4.2.1. van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919, op grond waarvan voertuigen die voor exploitatie op de TEN-T-kernnetwerkcorridors zijn bedoeld, moeten worden uitgerust met ETCS baseline 3-apparatuur (4). De tijdelijke niet-toepassing werd aanvaard op basis van artikel 7, lid 1, punt c), van Richtlijn (EU) 2016/797, waarin wordt verwezen naar het gebrek aan economische levensvatbaarheid van een upgrade van de boordapparatuur door de uitrusting met het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS) overeenkomstig Verordening (EU) 2016/919.

(3)

Bij Uitvoeringsbesluit C(2020) 5081 final is een tijdelijke ontheffing toegestaan tot en met 31 maart 2022 en kreeg de Nederlandse nationale veiligheidsinstantie de mogelijkheid om die ontheffingsperiode te verlengen tot en met 31 december 2022, indien nodig om redenen die buiten de verantwoordelijkheid van de eigenaar of fabrikant van de treinstellen vallen en op verzoek van één van beide.

(4)

Op basis van de verplichting van de Nederlandse autoriteiten op grond van Uitvoeringsbesluit C(2020) 5081 final om toe te zien op de door de eigenaar en de fabrikant van de treinstellen geboekte vooruitgang in verband met hun verplichting om de acht treinstellen volledig uit te rusten met ERTMS-boordapparatuur, heeft de Nederlandse nationale veiligheidsinstantie toestemming gegeven om de ontheffing te verlengen tot 31 december 2022.

(5)

De acht treinstellen zijn momenteel uitgerust met klasse B-systemen. Op basis van Uitvoeringsbesluit C(2020) 5081 final heeft de eigenaar besloten de installatie van baseline 2 uit te stellen en uiterlijk eind 2022 meteen baseline 3 te installeren.

(6)

Wat betreft het huidige verzoek om tijdelijke ontheffing van de punten 4.2.5.1. en 4.2.8. van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919, volstond de door de Nederlandse en de Duitse autoriteiten overeenkomstig artikel 7, lid 4, van Richtlijn (EU) 2016/797 verstrekte informatie om de Commissie in staat te stellen haar analyse te verrichten.

(7)

Het project voor de upgrade van de acht treinstellen met ETCS Baseline 3-boordapparatuur heeft in het eerste jaar van het project vertraging opgelopen, voornamelijk door externe factoren waar de fabrikant weinig vat op heeft. De redenen voor de vertragingen zijn onder meer het uitblijven van de upgrade van de infrastructuur naar ETCS-baseline 3, de vaagheid van de vereisten voor het gebruik van klasse B-systemen en de gevolgen van COVID-19 voor de besluitvorming en de communicatie tussen belanghebbenden.

(8)

Om de vertragingen te compenseren en de treinen te blijven exploiteren, hebben de Nederlandse en Duitse autoriteiten ingestemd met het verzoek van de fabrikant om de functies “GPRS-pakketschakeling” en “online sleutelbeheer” tijdelijk uit de specificaties van de treinstellen te schrappen en de mogelijkheid te onderzoeken om een gebruiksbeperking of -voorwaarde in te voeren om die twee functies te compenseren. GPRS-pakketschakeling en online sleutelbeheer zijn echter twee technische functies die inherent deel uitmaken van ETCS-baseline 3. GPRS-pakketschakeling maakt deel uit van de vereisten van punt 4.2.5.1. “radiocommunicatie met de trein”; online sleutelbeheer maakt deel uit van de eisen van punt 4.2.8. en “sleutelbeheer” van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919. De schrapping van die twee functies is derhalve niet in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/919.

(9)

Zonder een afwijking van de volledige toepassing van ETCS Baseline 3 zou de exploitatie van de treinstellen derhalve moeten worden stopgezet. Het gaat om zeer specifieke treinstellen die uitgerust zijn voor drie stroomvoorzieningssystemen (1,5 kV, 3 kV en 15 kV) en drie treinbesturingssystemen van klasse B (ATB, TBL1+ en PZB). Er zijn op dit moment op de markt geen andere treinstellen beschikbaar met deze of soortgelijke kenmerken, die in Nederland en Duitsland mogen rijden. Het is derhalve onmogelijk de acht betrokken treinstellen tijdelijk te vervangen door andere geleasede treinstellen. Bijgevolg zouden de treinen moeten worden vervangen door bussen. Dat zou niet alleen inkomstenverlies maar ook hoge directe kosten voor de organisatie van alternatief busvervoer meebrengen. Ook voor de klanten van Arriva zou dit negatieve sociaaleconomische gevolgen hebben en zou de verstoring van de dienstverlening het vertrouwen in de exploitant aantasten.

(10)

Overeenkomstig artikel 7, lid 4, van Richtlijn (EU) 2016/797 hebben de aanvragers de Commissie meegedeeld dat de vertraging bij de invoering van beide functies geen impact zou hebben op de veiligheid en de interoperabiliteit, aangezien de invoering van beide functies langs de baan niet gepland is vóór 2026 en ETCS Baseline 3 volledig compatibel is met baanseinen. Bovendien is het effect van de niet-toepassing van beide functies beperkt, aangezien de treinstellen alleen tussen Aken en Maastricht zullen rijden.

(11)

Om verstoring van de interregionale spoorwegdiensten te voorkomen in afwachting van de installatie van de ontbrekende ERTMS-apparatuur, moet de voorwaarde van artikel 7, lid 1, punt c), van Richtlijn (EU) 2016/797 geacht worden te zijn vervuld en moet ontheffing van de punten 4.2.5.1. en 4.2.8. van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 worden verleend tot en met 31 december 2024.

(12)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 51, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/797 bedoelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het verzoek van het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland om te worden vrijgesteld van de toepassing van punt 4.2.5.1.“Radiocommunicatie met de trein” en punt 4.2.8. “Beheer van encryptiesleutels” van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 voor acht treinstellen van het type FLIRT3 EMU3 Limburg MS (L-435) wordt aanvaard onder de in artikel 2 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland stellen de Commissie uiterlijk 31 maart 2023 in kennis van de geplande werkzaamheden voor de toepassing van de punten 4.2.5.1. en 4.2.8. van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 en zij stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2024 in kennis van de daadwerkelijke uitvoering daarvan.

Artikel 3

Dit besluit is van toepassing binnen de geografische grenzen van de Nederlandse en het Duitse spoornetten.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland.

Het is van toepassing tot en met 31 december 2024.

Gedaan te Brussel, 22 februari 2023.

Voor de Commissie

Adina-Ioana VĂLEAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44.

(2)  Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie van 27 mei 2016 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 158 van 15.6.2016, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsbesluit C(2020) 5081 final van de Commissie van 29 juli 2020 tot aanvaarding van een door Nederland overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad ingediend verzoek om te worden vrijgesteld van de toepassing van punt 7.4.2.1 van de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie op acht treinstellen van het type FLIRT3 EMU3 Limburg (L-435).

(4)  De tabellen A 2.2 en A 2.3 van bijlage A bij de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie.