ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 316

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

65e jaargang
8 december 2022


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2387 van de Commissie van 30 augustus 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wat betreft de aanpassing van de bepalingen inzake de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines, teneinde die uit te breiden tot motoren met een vermogen van minder dan 56 kW en meer dan 560 kW

1

 

*

Verordening (EU) 2022/2388 van de Commissie van 7 december 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat de maximumgehalten aan perfluoralkylstoffen in bepaalde levensmiddelen betreft ( 1 )

38

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2389 van de Commissie van 7 december 2022 tot vaststelling van regels voor de eenvormige toepassing van de frequentie van de overeenstemmingscontroles en de materiële controles van zendingen planten, plantaardige producten en andere materialen die de Unie binnenkomen ( 1 )

42

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/2390 van de Commissie van 7 december 2022 tot wijziging van het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/823 ingestelde definitieve compenserende recht op bepaalde regenboogforel van oorsprong uit Turkije naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 19 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad

52

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2022/2391 van de Raad van 25 november 2022 betreffende het namens de Europese Unie in de Ledenraad van de Internationale Olijfraad in te nemen standpunt over de handelsnorm voor olijfolie en olie uit perskoeken van olijven

86

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit Nr. 1/2022 van het Handelscomité van 16 november 2022 tot wijziging van aanhangsel 1 van bijlage XIII bij de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia, Ecuador en Peru, anderzijds [2022/2392]

88

 

*

Besluit nr. 2/2022 van het Handelscomité van 16 november 2022 tot wijziging van aanhangsel 1 van bijlage XIII bij de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia, Ecuador en Peru, anderzijds [2022/2393]

91

 

*

Besluit Nr. 3/2022 van het Handelscomité van 16 november 2022 tot wijziging van aanhangsel 1 van bijlage XIII bij de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia, Ecuador en Peru, anderzijds [2022/2394]

93

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Gedelegeerd Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA Nr. 196/22/COL van 26 oktober 2022 betreffende de noodmaatregelen in Noorwegen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza krachtens artikel 259, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2016/429 en de artikelen 21, 39 en 55 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/687 [2022/2395] Gerectificeerd op 7 november 2022 bij Gedelegeerd Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 201/22/COL

95

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2292 van de Commissie van 6 september 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorwaarden voor de binnenkomst in de Unie van zendingen van voedselproducerende dieren en bepaalde voor menselijke consumptie bestemde goederen ( PB L 304 van 24.11.2022 )

100

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2022/879 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren ( PB L 153 van 3.6.2022 )

101

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2022/1904 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren ( PB L 259 I van 6.10.2022 )

103

 

*

Rectificatie van Besluit (GBVB) 2022/884 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren ( PB L 153 van 3.6.2022 )

106

 

*

Rectificatie van Besluit (GBVB) 2022/1909 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren ( PB L 259 I van 6.10.2022 )

108

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

8.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/2387 VAN DE COMMISSIE

van 30 augustus 2022

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wat betreft de aanpassing van de bepalingen inzake de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines, teneinde die uit te breiden tot motoren met een vermogen van minder dan 56 kW en meer dan 560 kW

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (1), en met name artikel 19, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft in samenwerking met fabrikanten aanvullende programma’s uitgevoerd om de geschiktheid te beoordelen van monitoringtests en gegevensanalyses voor het meten van de emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines, met betrekking tot motoren die niet tot de subcategorieën NRE-v-5 en NRE-v-6 behoren, voor monitoring tijdens het echte gebruik gedurende de normale bedrijfscycli. Bijgevolg moeten in Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 (2) passende bepalingen voor monitoring tijdens het gebruik voor die subcategorieën worden vastgesteld.

(2)

Gezien de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte verstoring en de gevolgen daarvan voor het vermogen van de fabrikanten om monitoringtests tijdens het gebruik uit te voeren, moeten de termijnen voor de indiening van testrapporten van de monitoring tijdens het gebruik worden gewijzigd om de fabrikanten voldoende tijd te geven om de tests uit te voeren en de Commissie voldoende tijd te geven om de testresultaten te beoordelen en het uit hoofde van Verordening (EU) 2016/1628 vereiste verslag aan het Europees Parlement en de Raad op te stellen.

(3)

De COVID-19-pandemie heeft aangetoond dat onverwachte gebeurtenissen buiten de macht van de fabrikant het onmogelijk kunnen maken om de monitoring van in gebruik zijnde motoren zoals gepland uit te voeren. Gezien de aanhoudende verstoring als gevolg van de COVID-19-pandemie moet de goedkeuringsinstantie een redelijke aanpassing accepteren ten opzichte van het oorspronkelijke plan voor elke voor de monitoring tijdens het gebruik onderscheiden groep (MTG-groep) motoren.

(4)

De wijzigingen die bij deze verordening worden voorgesteld, mogen geen invloed hebben op de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren met een vermogen van tussen 56 kW en 560 kW (subcategorieën NRE-v-5 en NRE-v-6). Voor deze subcategorieën blijven de wijzigingen die worden doorgevoerd beperkt tot administratieve aanpassingen, waaronder hun opname in een voor de monitoring tijdens het gebruik onderscheiden groep (MTG-groep) motoren, dus zij hebben geen effect voor die monitoring. Het is daarom passend dat EU-typegoedkeuringen van een motortype of motorfamilie die vóór de dag waarop deze verordening van toepassing wordt overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 zijn goedgekeurd, geldig blijven.

(5)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Deze verordening is van toepassing op de monitoring van de emissies van verontreinigende gassen van de volgende categorieën van in gebruik zijnde motoren van emissiefase V die in niet voor de weg bestemde mobiele machines zijn gemonteerd, ongeacht wanneer de EU-typegoedkeuring voor die motoren werd verleend:

a)

NRE en NRG (alle subcategorieën);

b)

NRS-vi-1b, NRS-vr-1b, NRS-v-2a, NRS-v-2b en NRS-v-3;

c)

IWP en IWA (alle subcategorieën);

d)

RLL en RLR (alle subcategorieën);

e)

ATS;

f)

SMB;

g)

NRSh (alle subcategorieën);

h)

NRS-vi-1a en NRS-vr-1a.”.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

“Artikel 3

Procedures en voorschriften voor de monitoring van de emissies van in gebruik zijnde motoren

De in artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1628 bedoelde emissies van verontreinigende gassen van in gebruik zijnde motoren worden als volgt gemonitord:

a)

voor de in artikel 2, lid 1, punten a) tot en met f), bedoelde motoren wordt de monitoring overeenkomstig de bijlage bij deze verordening uitgevoerd;

b)

voor de in artikel 2, lid 1, punten g) en h), bedoelde motoren:

i)

is de bijlage bij deze verordening niet van toepassing;

ii)

wordt de verouderingsprocedure die wordt gebruikt om de verslechteringsfactor (DF) voor het motortype of, indien van toepassing, de motorfamilie te bepalen, zoals voorgeschreven in punt 4.3 van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie (*1), met inbegrip van eventuele geautomatiseerde elementen, zo ontworpen dat de fabrikant een juiste prognose kan maken van de verwachte verslechtering van de emissies tijdens de emissieduurzaamheidsperiode (EDP) bij normaal gebruik van die motoren;

iii)

voert de Commissie elke vijf jaar in samenwerking met de fabrikanten een proefprogramma uit met betrekking tot de meest recente motortypen om ervoor te zorgen dat de procedure voor het bepalen van DF’s als bedoeld in punt 4 van bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 geschikt en doeltreffend blijft om de verontreinigende emissies gedurende de nuttige levensduur van motoren te beheersen.

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).”."

3)

In artikel 3 bis wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

“3.   EU-typegoedkeuringen van een motortype of motorfamilie die vóór 26 december 2022 overeenkomstig deze verordening zijn goedgekeurd, hoeven niet te worden herzien of uitgebreid als gevolg van de tests die overeenkomstig de voorschriften van de bijlage zijn uitgevoerd.”.

4)

De bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 augustus 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de monitoring van de uitstoot van verontreinigende gassen door in gebruik zijnde interne verbrandingsmotoren die gemonteerd zijn in niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 334).


BIJLAGE

De bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/655 wordt als volgt gewijzigd:

1)

na punt 1.2 worden de volgende punten 1.2 bis en 1.2 ter ingevoegd:

“1.2.a.   Voor monitoring tijdens het gebruik onderscheiden groep (MTG-groep) motoren

Voor de uitvoering van tests tijdens het gebruik worden alle motortypen en motorfamilies die door de fabrikant worden geproduceerd, overeenkomstig de in tabel 1 aangegeven en in figuur 1 geïllustreerde subcategorieën gegroepeerd. Per fabrikant mag voor elk mogelijke type MTG-groep één MTG-groep worden onderscheiden.

Tabel 1

MTG-groepen

MTG-groep

Motor(sub)categorieën

A

NRE-v-5, NRE-v-6

B

NRE-c-5, NRE-c-6

C

NRE-v-3, NRE-v-4

D

NRE-c-3, NRE-c-4

E

NRE-v-1, NRE-c-1, NRE-v-2, NRE-c-2

F

NRE-v-7, NRE-c-7

G

NRG-v-1, NRG-c-1

H

NRS-v-2b, NRS-v-3

I

NRS-vr-1b, NRS-vi-1b, NRS-v-2a

J

IWP-v-1, IWP-c-1, IWA-v-1, IWA-c-1, IWP-v-2, IWP-c-2, IWA-v-2, IWA-c-2

K

IWP-v-3, IWP-c-3, IWA-v-3, IWA-c-3

L

IWP-v-4, IWP-c-4, IWA-v-4, IWA-c-4

M

RLL-v-1, RLL-c-1

N

RLR-v-1, RLR-c-1

O

SMB-v-1

P

ATS-v-1

Figuur 1

Illustratie van MTG-groepen

Image 1

1.2.ter.

De goedkeuringsinstantie die toeziet op de naleving van deze verordening moet:

a)

de goedkeuringsinstantie zijn die de typegoedkeuring voor het motortype of de motorfamilie heeft verleend, indien de MTG-groep één enkele typegoedkeuring betreft;

b)

de goedkeuringsinstantie zijn die de typegoedkeuring voor verschillende motortypen en/of motorfamilies binnen dezelfde MTG-groep heeft verleend;

c)

indien de MTG-groep motortypen en/of motorfamilies omvat die door verschillende goedkeuringsinstanties zijn goedgekeurd, de goedkeuringsinstantie zijn die door alle betrokken goedkeuringsinstanties is aangewezen.”;

2)

in punt 1.3 wordt punt b) geschrapt;

3)

punt 1.4 wordt vervangen door:

“1.4.

Motoren met een elektronische regeleenheid (ECU) en een communicatie-interface die bedoeld zijn om de in aanhangsel 7 gespecificeerde noodzakelijke gegevens te verstrekken, maar waarvoor een interface of gegevens ontbreken, of waarbij de duidelijke identificatie en validatie van de nodige signalen niet mogelijk is, worden als ongeschikt voor monitoringtests tijdens het gebruik beschouwd en er moet een andere motor worden gekozen.

De goedkeuringsinstantie aanvaardt het ontbreken van een ECU of interface, ontbrekende of ongeldige signalen of een niet-conform koppelsignaal van de ECU niet als reden om het aantal motoren dat op grond van deze verordening moet worden getest, te verlagen.”;

4)

punt 2.1 wordt vervangen door:

“2.1.

De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie voor elke MTG-groep het eerste plan voor de monitoring in, binnen:

a)

voor MTG-groep A, een maand na de start van de productie van een motortype of motorfamilie binnen de MTG-groep;

b)

voor elke andere MTG-groep, de latere van de volgende data:

i)

26 juni 2023;

ii)

een maand na de start van de productie van een motortype of motorfamilie binnen de MTG-groep.”;

5)

in punt 2.2 wordt de inleidende zin vervangen door:

“2.2.

Het eerste plan bevat de lijst van motortypen en motorfamilies die tot de MTG-groep behoren, samen met de criteria en verantwoording voor de keuze van:”;

6)

punt 2.3 wordt vervangen door:

“2.3.

Telkens als de lijst van motortypen en motorfamilies die tot de MTG-groep behoren of de lijst met de geselecteerde specifieke motor(en) en niet voor de weg bestemde mobiele machine(s) wordt aangevuld of herzien, dienen fabrikanten bij de goedkeuringsinstantie een bijgewerkt plan voor de monitoring van in gebruik zijnde motoren in. Het bijgewerkte plan bevat een verantwoording van de selectiecriteria en, indien van toepassing, de redenen voor de herziening van de vorige lijst. Indien het aantal motorfamilies in de MTG-groep of het jaarlijkse productievolume voor de markt van de Unie verandert, wordt het plan met het aantal uit te voeren tests van punt 2.6 ook dienovereenkomstig aangepast.”;

7)

de punten 2.6 tot en met 2.6.4 worden vervangen door:

“2.6.   Criteria voor de selectie van de te testen motoren

Het aantal te testen motoren heeft betrekking op de MTG-groep en niet op de motorsubcategorieën, motorfamilies of motortypen die tot de MTG-groep behoren.

De fabrikant selecteert motoren die op evenwichtige wijze representatief zijn voor de motorsubcategorieën, motorfamilies en motortypen die tot de MTG-groep behoren. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat motoren van elke motorsubcategorie, motorfamilie of elk motortype worden getest.

Voor MTG-groepen die de categorieën IWP en IWA omvatten, worden waar mogelijk motoren van beide categorieën geselecteerd.

2.6.1.   Testschema voor MTG-groep A

De fabrikant kiest een van de volgende in de punten 2.6.1.1 en 2.6.1.2 beschreven testschema’s voor monitoring tijdens het gebruik.

2.6.1.1.   Testschema op basis van de emissieduurzaamheidsperiode (EDP)

2.6.1.1.1.

Testen van negen motoren van de MTG-groep met een bedrijfsaccumulatie van minder dan a % van de EDP, overeenkomstig tabel 2. De testresultaten worden uiterlijk op 26 december 2024 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.1.1.2.

Testen van negen motoren van de MTG-groep met een bedrijfsaccumulatie van meer dan b % van de EDP, overeenkomstig tabel 2. De testrapporten worden uiterlijk op 26 december 2026 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.1.1.3.

Wanneer de fabrikant niet aan het voorschrift van punt 2.6.1.1 kan voldoen omdat er geen motoren met de overeenkomstig punt 2.6.1.1.2 vereiste bedrijfsaccumulatie beschikbaar zijn, kan de goedkeuringsinstantie toestaan dat voor dit punt motoren met een bedrijfsaccumulatie van tussen tweemaal a % en b % van de EDP worden getest, mits de fabrikant terdege kan aantonen dat hij motoren met de hoogst beschikbare bedrijfsaccumulatie heeft geselecteerd. Als alternatief aanvaardt de goedkeuringsinstantie een afwijking van het testschema op basis van een periode van vier jaar dat is vastgesteld in punt 2.6.1.2. In dat geval wordt het totale aantal motoren dat overeenkomstig punt 2.6.1.2 moet worden getest, verminderd met het aantal motoren dat reeds overeenkomstig punt 2.6.1.1 is getest en gerapporteerd.

Tabel 2

% van EDP-waarden voor de in 2.6.1 gedefinieerde MTG-groep

Referentievermogen van de gekozen motor (kW)

a

b

56 ≤ P < 130

20

55

130 ≤ P ≤ 560

30

70

2.6.1.2.   Testschema op basis van een periode van vier jaar

Elke fabrikant test per jaar gemiddeld negen motoren van de MTG-groep gedurende vier opeenvolgende jaren. De testrapporten worden elk jaar bij de goedkeuringsinstantie ingediend en betreffen de in die periode uitgevoerde tests. Het schema voor het testen en het indienen van de resultaten wordt opgenomen in het eerste plan, evenals in elk daaropvolgende bijgewerkte plan, voor de monitoring van in gebruik zijnde motoren dat door de fabrikant wordt ingediend en door de goedkeuringsinstantie wordt goedgekeurd.

2.6.1.2.1.

De testresultaten van de eerste negen motoren worden uiterlijk 24 maanden na de montage van de eerste motor in een niet voor de weg bestemde mobiele machine en uiterlijk 30 maanden na de start van de productie van een goedgekeurd motortype of goedgekeurde motorfamilie binnen de MTG-groep ingediend.

2.6.1.2.2.

Wanneer de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie aantoont dat 30 maanden na de start van de productie nog geen motor is gemonteerd in een niet voor de weg bestemde mobiele machine, worden de testresultaten na de montage van de eerste motor ingediend op een met de goedkeuringsinstantie overeengekomen datum.

2.6.1.2.3.

Kleine fabrikanten

Voor kleine fabrikanten wordt het aantal geteste motoren als volgt aangepast:

a)

fabrikanten die slechts twee motorfamilies binnen een MTG-groep produceren, dienen per jaar de testresultaten van gemiddeld zes motoren in;

b)

fabrikanten die voor de handel in de Unie per jaar meer dan 250 motoren van een MTG-groep van één enkele motorfamilie produceren, dienen per jaar de testresultaten van gemiddeld drie motoren in;

c)

fabrikanten die per jaar tussen 125 en 250 motoren van een MTG-groep van één enkele motorfamilie voor de Uniemarkt produceren, dienen per jaar de testresultaten van gemiddeld twee motoren in;

d)

fabrikanten die per jaar minder dan 125 motoren van een MTG-groep van één enkele motorfamilie voor de Uniemarkt produceren, dienen per jaar de testresultaten van gemiddeld één motor in.

De goedkeuringsinstantie gaat na of gedurende de periode van vier jaar waarin de fabrikant tests uitvoert, de opgegeven productiehoeveelheden niet worden overschreden. Indien die hoeveelheden op enig moment worden overschreden, test de fabrikant voor de resterende jaren van de periode van vier jaar waarvoor nog geen resultaten zijn gerapporteerd gemiddeld negen motoren per jaar.

2.6.2.   Testschema voor de MTG-groepen B, F, G, J, K, L, M en N

De fabrikant kiest voor elke groep een van de volgende in de punten 2.6.2.1 en 2.6.2.2 beschreven testschema’s voor monitoring tijdens het gebruik.

2.6.2.1.   Testschema op basis van de emissieduurzaamheidsperiode (EDP)

2.6.2.1.1.

Testen van x motoren van de MTG-groep met een bedrijfsaccumulatie van minder dan c % van de EDP, overeenkomstig tabel 3. De testresultaten worden uiterlijk op 26 december 2024 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.2.1.2.

Testen van x motoren van de MTG-groep met een bedrijfsaccumulatie van meer dan d % van de EDP, overeenkomstig tabel 3. De testrapporten worden uiterlijk op 26 december 2026 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.2.1.3.

Wanneer de fabrikant niet aan de voorschriften van punt 2.6.2.1.1 en 2.6.2.1.2 kan voldoen omdat er geen motoren met de vereiste bedrijfsaccumulatie beschikbaar zijn, kan de goedkeuringsinstantie toestaan dat voor dit punt motoren met een bedrijfsaccumulatie van tussen tweemaal c % en d % van de EDP worden getest, mits de fabrikant terdege kan aantonen dat hij motoren met de hoogst beschikbare bedrijfsaccumulatie heeft geselecteerd. Als alternatief aanvaardt de goedkeuringsinstantie een afwijking van het testschema op basis van een periode van vier jaar dat is vastgesteld in punt 2.6.2.2. In dat geval wordt het totale aantal motoren dat overeenkomstig punt 2.6.2.2 moet worden getest, verminderd met het aantal motoren dat reeds overeenkomstig de punten 2.6.1.1.1 en 2.6.2.1.2 is getest en gerapporteerd.

2.6.2.1.4.

Als het testrapport van een motorfamilie van fase III B die gelijkwaardig is aan categorie RLL wordt gebruikt om een overeenkomstige fase V-typegoedkeuring voor die motorfamilie te verkrijgen overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 en de motorfabrikant niet kan voldoen aan de voorschriften van de punten 2.6.2.1.1 en 2.6.2.1.2 omdat geen fase V-motoren met de vereiste bedrijfsaccumulatie beschikbaar zijn, aanvaardt de goedkeuringsinstantie dat een motor van fase III B wordt geselecteerd om aan de voorschriften van de punten 2.6.2.1.1 en 2.6.2.1.2 te voldoen.

Tabel 3

% van EDP-waarden voor de in 2.6.2.1 gedefinieerde MTG-groepen

Referentievermogen van de gekozen motor (kW)

c

d

P < 56

10

40

56 ≤ P < 130

20

55

P ≥ 130

30

70

Tabel 4

Aantal te testen motoren voor de in 2.6.2, 2.6.3.1 en 2.6.4.1 gedefinieerde MTG-groepen

N

GJ

x

1

-

1

2 ≤ N ≤ 4

-

2

> 4

≤ 50

2

5 ≤ N ≤ 6

> 50

3

≥ 7

> 50

4

waarbij:

N

=

het totale aantal door de fabrikant geproduceerde EU-motorenfamilies binnen de MTG-groep.

GJ

=

de gecombineerde jaarlijkse productie voor de EU-markt voor de overige motorfamilies binnen de MTG-groep die door die fabrikant worden geproduceerd na uitsluiting van de vier families met de grootste jaarlijkse productie voor de EU-markt.

x

=

aantal te testen motoren.

2.6.2.2.   Testschema op basis van een periode van vier jaar

Testen van gemiddeld x motoren uit de MTG-groep per jaar gedurende vier opeenvolgende jaren, overeenkomstig tabel 4. De testrapporten worden elk jaar bij de goedkeuringsinstantie ingediend en betreffen de in die periode uitgevoerde tests. Het schema voor het testen en het indienen van de resultaten wordt opgenomen in het eerste plan, evenals in elk daaropvolgende bijgewerkte plan, voor de monitoring van in gebruik zijnde motoren dat door de fabrikant wordt ingediend en door de goedkeuringsinstantie wordt goedgekeurd.

2.6.2.2.1.

De testresultaten van de eerste x motoren worden vóór de latere datum van de volgende ingediend:

a)

26 december 2024;

b)

twaalf maanden na de montage van de eerste motor in een niet voor de weg bestemde mobiele machine;

c)

achttien maanden na de start van de productie van een goedgekeurd(e) motortype of motorfamilie binnen de MTG-groep.

2.6.2.2.2.

Wanneer de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie aantoont dat achttien maanden na de start van de productie nog geen motor is gemonteerd in een niet voor de weg bestemde mobiele machine, worden de testresultaten na de montage van de eerste motor ingediend op een met de goedkeuringsinstantie overeengekomen datum.

2.6.2.2.3.

Kleine fabrikanten

Het aantal geteste motoren wordt als volgt aangepast als de gecombineerde jaarlijkse productie voor alle motorfamilies van een MTG-groep niet meer dan 50 motoren bedraagt (kleine fabrikanten):

a)

fabrikanten die in totaal voor alle families in een bepaalde MTG-groep tussen 25 en 50 motoren per jaar voor de Uniemarkt produceren, dienen ofwel:

i)

de testresultaten van één motor met een bedrijfsaccumulatie van tussen c % en d % van de EDP overeenkomstig tabel 3 in uiterlijk op 26 december 2025, of,

ii)

de testresultaten in van gemiddeld één motor met per jaar gedurende twee jaar, vanaf twaalf maanden na de montage van de eerste motor in een niet voor de weg bestemde mobiele machine;

b)

fabrikanten die in totaal voor alle families in een bepaalde MTG-groep minder dan 25 motoren per jaar voor de EU-markt produceren, hoeven geen motortests in te dienen, tenzij de productie over een periode van twee jaar meer dan 35 motoren bedraagt; in dat geval volgt de fabrikant hetzelfde schema als dat van punt a).

De goedkeuringsinstantie gaat na of gedurende de in de eerste alinea, punt a), genoemde perioden de opgegeven productiehoeveelheden niet worden overschreden. Indien die hoeveelheden op enig moment worden overschreden, schakelt de fabrikant om naar een van de in de punten 2.6.2.1 en 2.6.2.2 beschreven testschema’s. In dat geval wordt het totale aantal motoren dat overeenkomstig die punten moet worden getest, verminderd met het aantal motoren dat reeds overeenkomstig dit punt is getest en gerapporteerd.

2.6.3.   MTG-groepen C, D, E, H en I

De fabrikant kiest voor elke groep een van de in punt 2.6.2 beschreven testschema’s of het testschema op basis van de ouderdom van de apparatuur zoals beschreven in punt 2.6.3.1 voor monitoring tijdens het gebruik.

2.6.3.1.   Testschema op basis van de ouderdom van niet voor de weg bestemde mobiele machines (zie figuur 2 ter referentie)

2.6.3.1.1.

Testen van x motoren van de MTG-groep met niet voor de weg bestemde mobiele machines met een productiejaar dat niet langer dan twee jaar vóór de datum van die test ligt (zie figuur 2), overeenkomstig tabel 4. De testresultaten worden uiterlijk op 26 december 2024 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.3.1.2.

Testen van x motoren van de MTG-groep met niet voor de weg bestemde mobiele machines met een productiejaar dat niet langer dan vier jaar vóór de datum van die test ligt (zie figuur 2), overeenkomstig tabel 4. De testrapporten worden uiterlijk op 26 december 2026 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.3.1.2.1.

Aan de goedkeuringsinstantie wordt gedegen bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat elke overeenkomstig punt 2.6.3.1.2 voor tests geselecteerde motor elk jaar is gebruikt op een wijze en in een mate die vergelijkbaar is met die van de overeenkomstige in de Unie in de handel gebrachte motoren. Tot geschikt bewijsmateriaal behoren bijvoorbeeld eigenschappen die wijzen op normale slijtage, gebruiksgegevens, onderhoudsgegevens en gegevens over brandstofverbruik.

2.6.3.1.3.

Wanneer de fabrikant niet aan de voorschriften van de punten 2.6.3.1.1 en 2.6.3.1.2 kan voldoen omdat er geen motoren van het vereiste productiejaar voor niet voor de weg bestemde mobiele machines beschikbaar zijn of er onvoldoende bewijs van gebruik is, aanvaardt de goedkeuringsinstantie een afwijking van het testschema op basis van een periode van vier jaar dat is vastgesteld in punt 2.6.2.2. In dat geval wordt het totale aantal motoren dat overeenkomstig punt 2.6.2.2 moet worden getest, verminderd met het aantal motoren dat reeds overeenkomstig de punten 2.6.3.1.1 en 2.6.3.1.2 is getest en gerapporteerd.

Figuur 2

Illustratie van motoren die voor een MTG-test in aanmerking komen op basis van de ouderdom van niet voor de weg bestemde mobiele machines

Image 2

2.6.4.   MTG-groepen O en P

Voor elke MTG-groep kiest de fabrikant een van de in punt 2.6.2 beschreven testschema’s. Indien het in punt 2.6.2.1 beschreven testschema wordt gekozen, moeten de fabrikanten de mogelijkheid hebben binnen dezelfde MTG-groep het in punt 2.6.4.1 beschreven testschema op basis van de kilometerstand te gebruiken.

Indien de fabrikant voor de procedure van punt 2.6.2.1 kiest, is de vereiste bedrijfsaccumulatie de in tabel 5 vermelde en niet de in tabel 3 vermelde waarde.

Tabel 5

% van EDP-waarden voor MTG-groepen O en P

Groep

c

d

O

20

55

P

10

40

2.6.4.1.   Testschema op basis van de kilometerstand van niet voor de weg bestemde mobiele machines

2.6.4.1.1.

Testen van x motoren van de MTG-groep met niet voor de weg bestemde mobiele machines waarvan de kilometerstand een bedrijfsaccumulatie van minder dan c (km) overeenkomstig tabel 4 en tabel 6 laat zien. De testresultaten worden uiterlijk op 26 december 2024 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

2.6.4.1.2.

Testen van x motoren van de MTG-groep met niet voor de weg bestemde mobiele machines waarvan de kilometerstand een bedrijfsaccumulatie van meer dan d (km) overeenkomstig tabel 4 en tabel 6 laat zien. De testrapporten worden uiterlijk op 26 december 2026 bij de goedkeuringsinstantie ingediend.

Tabel 6

Bedrijfsaccumulatie voor MTG-groepen O en P

Groep

Cilinderinhoud van de motor (cm3)

c (km)

d (km)

O

Alle

1 600

4 400

P

< 100

1 350

5 400

≥ 100

2 700

10 800 ”

8)

na punt 2.6.4.1.2 worden de volgende punten 2.6.5 en 2.6.6 ingevoegd:

"2.6.5.

De fabrikant mag meer tests uitvoeren en rapporteren dan die welke in de testschema’s in de punten 2.6.1, 2.6.2, 2.6.3 en 2.6.4 zijn bepaald.

2.6.6.

Meerdere tests van dezelfde motor om gegevens te verstrekken voor de opeenvolgende bedrijfsaccumulatiefasen overeenkomstig de punten 2.6.1, 2.6.2, 2.6.3 en 2.6.4 wordt aanbevolen maar is niet verplicht.”;

9)

punt 3.3.2 wordt vervangen door:

“3.3.2.

De temperatuur is gelijk aan of meer dan 266 K (– 7 °C), behalve voor MTG-groep O waar deze gelijk is aan of meer is dan 253K (– 20 °C), en gelijk is aan of minder is dan de door de volgende vergelijking bepaalde temperatuur bij de gespecificeerde luchtdruk:

T = – 0,4514 * (101,3 – pb) + 311

waarbij:

T de omgevingsluchttemperatuur is, K;

pb de luchtdruk is, kPa.”

10)

punt 3.4.2 wordt vervangen door:

“3.4.2.

Om aan te tonen dat aan punt 3.4 is voldaan, worden monsters genomen en bewaard tot ten minste de kortste van de onderstaande perioden:

a)

twaalf maanden na voltooiing van de test, of

b)

een maand na de indiening van het desbetreffende testrapport bij de goedkeuringsinstantie door de fabrikant.”;

11)

na punt 3.5 wordt het volgende punt 3.6 ingevoegd:

“3.6.

Wanneer tests buiten de Unie worden uitgevoerd, moet de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie bewijsmateriaal verstrekken waaruit blijkt dat de volgende omstandigheden representatief zijn voor de testomstandigheden waaraan de niet voor de weg bestemde mobiele machine zou zijn onderworpen als zij in de Unie was getest:

a)

bediening van de niet voor de weg bestemde mobiele machine

b)

omgevingsomstandigheden

c)

smeerolie, brandstof en reagens en

d)

bedrijfsomstandigheden”;

12)

punt 4.1.1 wordt geschrapt;

13)

punt 4.2.2 wordt vervangen door:

“4.2.2.

Bij de toepassing van gecombineerde gegevensverzameling wordt aan de volgende bijkomende voorschriften voldaan:

a)

de verschillende bedrijfssequenties worden verkregen met gebruik van dezelfde niet voor de weg bestemde mobiele machine en motor;

b)

de gecombineerde gegevensverzameling van tests bij een omgevingstemperatuur van meer dan 273,15 K moet maximaal drie bedrijfssequenties omvatten;

c)

de gecombineerde gegevensverzameling van tests bij omgevingstemperatuur van 273,15 K of minder moet maximaal zes bedrijfssequenties omvatten;

d)

tussen de eerste en de laatste bedrijfssequentie zit maximaal 72 uur;

e)

gecombineerde gegevensverzameling wordt niet toegepast als zich een storing van de motor voordoet zoals bedoeld in punt 8 van aanhangsel 2;

f)

elke bedrijfssequentie van een monitoringtest tijdens het gebruik moet de volgende minimale hoeveelheid arbeid (kWh) of CO2-massa (g/cyclus) omvatten om voor gecombineerde gegevensverzameling in aanmerking te komen:

i)

voor motoren in de MTG-groepen A en C ten minste één referentiearbeid of referentie-CO2-massa van een met warme start uitgevoerde NRTC;

ii)

voor motoren in MTG-groep H ten minste één referentiearbeid of referentie-CO2-massa voor de LSI-NRTC;

iii)

voor motoren van alle andere MTG-groepen ten minste één referentiearbeid of referentie-CO2-massa van een testcyclus in statische toestand, bepaald volgens de in aanhangsel 9 beschreven methode;

iv)

voor motoren waarvoor de monitoringtests tijdens het gebruik worden uitgevoerd aan 0 °C of lager, een minimum van driekwart referentiearbeid of referentie-CO2-massa tijdens de eerste bedrijfssequentie en voor de volgende bedrijfssequenties een minimum van een halve referentiearbeid of referentie-CO2-massa van een testcyclus in statische toestand, bepaald volgens de in aanhangsel 9 beschreven methode.”

Voor een test tijdens het gebruik van een motortype binnen een motorfamilie is de referentiewaarde die voor het basismotortype;

g)

voordat de bedrijfssequenties worden samengevoegd, wordt voor elke sequentie afzonderlijk de noodzakelijke voorbewerking uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van punt 6.3;

h)

de bedrijfssequenties in de gecombineerde gegevensverzameling worden in chronologische volgorde samengevoegd, met inbegrip van alle gegevens die niet op grond van punt f) zijn uitgesloten;

i)

de gecombineerde gegevensverzameling wordt als één MTG-test beschouwd;

j)

de in punt 6.4 beschreven bepaling van gebeurtenissen met werk en de in punt 8 beschreven berekeningen worden op de volledige gecombineerde gegevensverzameling toegepast.”;

14)

na punt 4.2.2 wordt het volgende punt 4.3 ingevoegd:

“4.3.   Tijdelijk signaalverlies

De registratie van parameters moet een percentage van volledigheid van gegevens van ten minste 98 % bereiken, wat betekent dat voor elke bedrijfssequentie maximaal 2 % van de gegevens bestaande uit afzonderlijke perioden van minder dan 30 seconden mag worden uitgesloten wegens één of meerdere gevallen van onbedoeld tijdelijk signaalverlies in de oorspronkelijke gegevensregistratie. Bij de voorbewerking, het samenvoegen of de nabewerking van een bedrijfssequentie mag geen signaalverlies worden veroorzaakt.”;

15)

de punten 5 tot en met 5.2.2 worden vervangen door:

“5.   Datastream van de ECU

5.1.

Motoren met een ECU en een communicatie-interface verstrekken overeenkomstig aanhangsel 7 datastream-informatie aan de meetinstrumenten of de datalogger van het PEMS.

5.2.

Vóór de test tijdens het gebruik moet de beschikbaarheid van de op grond van aanhangsel 7 gevraagde meetgegevens worden gecontroleerd.”;

16)

na punt 5.2 worden de volgende punten 5.3 en 5.4 ingevoegd:

“5.3.

Tijdens de monitoring tijdens het gebruik moet de conformiteit van het koppelsignaal van de ECU worden gevalideerd overeenkomstig de in aanhangsel 6 beschreven methode.

5.4.

Indien met een motor met een ECU en een communicatie-interface niet aan de voorschriften van de punten 5.1, 5.2 en 5.3 kan worden voldaan, is punt 1.4 van toepassing.”;

17)

punt 6.4 wordt vervangen door:

“6.4.

Voor de bepaling van gebeurtenissen met werk en gebeurtenissen zonder werk voor de berekening van emissies van verontreinigende gassen na een monitoringstest tijdens het gebruik van in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde motoren met behulp van een PEMS volgen fabrikanten de in aanhangsel 4 beschreven procedures.”;

18)

na punt 6.4 worden de volgende punten 6.5 en 6.6 ingevoegd:

“6.5.

Overeenkomstig punt 4.2.2 geldt dat indien gebruik wordt gemaakt van gecombineerde gegevensverzameling, voordat bedrijfssequenties worden samengevoegd de voorschriften van de punten 6.1 tot en met 6.3 op elke bedrijfssequentie afzonderlijk van toepassing zijn. De in punt 6.4 beschreven bepaling van gebeurtenissen met en zonder werk en de in punt 8 beschreven berekeningen worden op de volledige gecombineerde gegevensverzameling toegepast.

6.6.

Figuur 3 geeft een overzicht van de volledige sequentie voor de uitvoering van de monitoring tijdens het gebruik, met inbegrip van planning, voorbereiding en montage van PEMS, testprocedures, voorbewerking van gegevens, berekeningen en validatie van gegevens.

Figuur 3

Illustratie van de volledige sequentie van de uitvoering van monitoringtests tijdens het gebruik

Image 3

19)

de punten 7 en 8 worden vervangen door:

“7.   Beschikbaarheid van testgegevens

Er worden geen gegevens gewijzigd of verwijderd ten opzichte van de onbewerkte gegevensbestanden van tests die voor de voltooiing van punt 6 worden gebruikt. Die onbewerkte gegevensbestanden van tests worden ten minste tien jaar bewaard door de fabrikant en op verzoek ter beschikking gesteld van de goedkeuringsinstantie en de Commissie.

8.   Berekeningen

Voor de berekening van de emissies van verontreinigende gassen voor de monitoring tijdens het gebruik van in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde motoren met behulp van een PEMS volgen fabrikanten de in aanhangsel 5 beschreven procedures.

8.1.

In het geval van motoren met een ECU die zijn geproduceerd met een communicatie-interface die bedoeld is om de verzameling van de in tabel 1 van aanhangsel 7 gespecificeerde motorkoppel- en toerentalgegevens mogelijk te maken, moeten voor zowel de methode op basis van arbeid als de methode op basis van CO2-massa de benodigde berekeningen worden uitgevoerd en resultaten worden gerapporteerd. In alle andere gevallen worden alleen voor de methode op basis van CO2-massa de berekeningen uitgevoerd en resultaten gerapporteerd.

8.2.

In alle gevallen worden, na de voorverwerking van de gegevens overeenkomstig punt 6.3 van deze bijlage, de berekeningen twee keer uitgevoerd:

a)

de eerste keer enkel op basis van overeenkomstig punt 6.4 van deze bijlage bepaalde gebeurtenissen met werk en geldige vensters, en

b)

ten tweede keer op basis van alle gegevens die niet zijn uitgesloten op grond van punt 6.3 van deze bijlage, zonder toepassing van punt 6.4 van deze bijlage en zonder uitsluiting van ongeldige vensters zoals beschreven in de punten 2.2.2 en 2.3.1 van aanhangsel 5.”;

20)

aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1 wordt punt b) vervangen door:

“b)

een uitlaatgasdebietmeter (EFM) op basis van de gemiddelde pitotwaarde of een gelijkwaardig beginsel, behalve wanneer indirecte uitlaatgasdebietmeting kan worden toegepast zoals overeenkomstig noot (3) bij de tabel in punt 1 van aanhangsel 2 is toegestaan;”;

b)

de punten 2 tot en met 2.2.2 worden vervangen door:

“2.   Voorschriften voor de meetinstrumenten

2.1.

Meetinstrumenten voldoen aan de voorschriften inzake kalibratie en prestatiecontroles in onderdeel 8.1 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie (*1) met uitzondering van het bepaalde in de punten 2.1.1 en 2.1.2. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de uitvoering van de volgende taken:

a)

de lekcontrole aan de vacuümzijde van het PEMS zoals beschreven in onderdeel 8.1.8.7 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften;

b)

de verificatie van de respons en de updating-registratie van de gasanalysator zoals beschreven in onderdeel 8.1.5 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

2.1.1.

De minimale frequentie voor de lineariteitscontroles van de gasanalysator en de verificatie van de conversie door de NO2/NO-omzetter in de tabellen 6.4 en 6.5 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 kan worden verhoogd naar drie maanden.

2.1.2.

De minimale frequentie van de EFM-prestatie- en kalibratiecontroles en de details van die controles zijn de controles zoals die door de fabrikant van het instrument zijn gespecificeerd.

2.2.

Meetinstrumenten voldoen aan de specificaties in onderdeel 9.4 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).”;"

c)

na punt 2.2 worden de volgende punten 2.3 en 3 ingevoegd:

“2.3.

De analysegassen die worden gebruikt voor de kalibratie van de meetinstrumenten voldoen aan onderdeel 9.5.1 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.”;

“3.   Voorschriften voor de overbrengingsleiding en de bemonsteringssonde

3.1.

De overbrengingsleiding voldoet aan onderdeel 9.3.1.2 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

3.2.

De bemonsteringssonde voldoet aan onderdeel 9.3.1.1 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie betreffende technische en algemene voorschriften.”;

21)

aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 1 tot en met 4.1 worden vervangen door:

“1.   Testparameters

1.1.

De emissies van verontreinigende gassen die tijdens de monitoringtest tijdens het gebruik moeten worden gemeten en geregistreerd zijn: koolstofmonoxide (CO), totaal aan koolwaterstoffen (HC) en stikstofoxiden (NOx). Daarnaast wordt ook koolstofdioxide (CO2) gemeten, zodat de in de aanhangsel 5 beschreven berekeningsprocedures kunnen worden toegepast.

1.2.

Als de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie aantoont dat het niet praktisch is om het debiet van meerdere uitlaten te combineren en de technische configuratie en werking van het gedeelte van de motor dat in elke uitlaat uitkomt, vergelijkbaar zijn, volstaat het om de emissies en de uitlaatgasmassadebiet voor één uitlaat te meten. In dat geval wordt bij de uitvoering van de in aanhangsel 5 beschreven berekeningen het momentane massadebiet van de emissies van de gemeten uitlaat vermenigvuldigd met het totale aantal uitlaten om het totale momentane massadebiet van emissies voor de motor te verkrijgen.

1.3.

De in de tabel opgenomen parameters worden tijdens de monitoringtest tijdens het gebruik gemeten en geregistreerd, waarbij de periode van gegevensverzameling gelijk is aan één seconde of minder.

Tabel

Testparameters

Parameter

Eenheid  (1)

Bron

HC-concentratie  (2)

ppm

gasanalysator

CO-concentratie  (2)

ppm

gasanalysator

NOx-concentratie  (2)

ppm

gasanalysator

CO2-concentratie (2)

ppm

gasanalysator

Uitlaatgasmassadebiet  (3)

kg/h

EFM

Uitlaatgastemperatuur  (4)

K

EFM of ECU of sensor

Omgevingstemperatuur  (5)

K

sensor

Omgevingsdruk

kPa

sensor

Relatieve vochtigheid

%

sensor

Motorkoppel  (6)  (7)

Nm

ECU of sensor

Motortoerental  (7)

rpm

ECU of sensor

Motorbrandstofdebiet  (7)

g/s

ECU of sensor

Motorkoelmiddeltemperatuur  (8)

K

ECU of sensor

Motorinlaatluchttemperatuur

K

ECU of sensor

Breedtegraad niet voor de weg bestemde mobiele machine

graden

gps (facultatief)

Lengtegraad niet voor de weg bestemde mobiele machine

graden

gps (facultatief)

2.   Testduur

2.1.

De testduur, die uit alle bedrijfssequenties bestaat, is lang genoeg om de volgende hoeveelheid gebeurtenissen met werk te verkrijgen:

a)

voor motoren van de MTG-groepen A en C tussen vijf en zeven keer de referentiearbeid in kWh tijdens de met warme start uitgevoerde NRTC, of tussen vijf en zeven keer de referentie-CO2-massa in g/cyclus tijdens de met warme start uitgevoerde NRTC overeenkomstig de punten 11.3.1 en 11.3.2 van het addendum bij het EU-typegoedkeuringscertificaat van het motortype of de motorfamilie in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656;

b)

voor motoren van MTG-groep H tussen vijf en zeven keer de referentiearbeid in kWh tijdens de typegoedkeuringstest bij de LSI-NRTC of tussen vijf en zeven keer de referentie-CO2-massa in g/cyclus bij de LSI-NRTC, tijdens de typegoedkeuringstest zoals gespecificeerd in de punten 11.3.1 en 11.3.2 van het addendum bij het EU-typegoedkeuringscertificaat van het motortype of de motorfamilie in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656;

c)

voor motoren in de MTG-groepen E, I, O en P tussen drie en vijf keer de toepasselijke referentiearbeid in kWh of referentie-CO2-massa in g/cyclus, bepaald aan de hand van de typegoedkeuringstestresultaten bij de in aanhangsel 9 beschreven methode;

d)

voor motoren in niet in de punten a), b) of c) vermelde MTG-groepen tussen vijf en zeven keer de toepasselijke referentiearbeid in kWh of referentie-CO2-massa in g/cyclus, bepaald aan de hand van de typegoedkeuringstestresultaten bij de in aanhangsel 9 beschreven methode.

2.2.

Alle gegevens die tijdens alle bedrijfssequenties worden verzameld, worden chronologisch samengevoegd, zelfs als daarbij de in punt 2.1, punten a) tot en met d), gespecificeerde maximale hoeveelheden arbeid of CO2-massa worden overschreden. In dat geval geldt tijdens de in aanhangsel 5 van deze verordening beschreven berekening het volgende:

a)

indien de hoeveelheid arbeid of de referentie-CO2-massa bij gebeurtenissen met werk dat maximum overschrijdt, wordt de berekening afgebroken aan het einde van het tijdsinterval waarin dat gebeurt, en

b)

de overeenkomstig punt 10 van de bijlage bij deze verordening voor de MTG-test gerapporteerde resultaten zijn die van die afgebroken berekening.

3.   Voorbereiding van de niet voor de weg bestemde mobiele machine

De voorbereiding van de niet voor de weg bestemde mobiele machine waarvan de motor voor tests overeenkomstig punt 1.3 van deze bijlage is geselecteerd, omvat ten minste het volgende:

a)

de controle van de motor: indien er problemen worden vastgesteld, worden deze opgelost en vervolgens geregistreerd en aan de goedkeuringsinstantie voorgelegd;

b)

de eventuele vervanging van olie, brandstof en reagens, indien er geen gedocumenteerd bewijs voorhanden is dat de vloeistof in kwestie aan de specificatie in het informatiepakket voor typegoedkeuring dat op het motortype van toepassing is voldoet, en het praktisch en economisch haalbaar is dit te doen;

c)

motoren met een ECU en een communicatie-interface voldoen aan punt 5 van deze bijlage.

4.   Montage van het PEMS

4.1.   Montagebeperkingen

4.1.1.

De montage van het PEMS heeft geen invloed op de emissies van verontreinigende gassen door of de prestaties van de niet voor de weg bestemde mobiele machine.

4.1.2.

De montage gebeurt overeenkomstig de ter plaatse geldende veiligheidsvoorschriften en verzekeringsvereisten en volgens de instructies van de fabrikant van het PEMS, de meetinstrumenten, de overbrengingsleiding en de bemonsteringssonde.

4.1.3.

Wanneer het bij motoren van de MTG-groepen M en N niet mogelijk is het PEMS te installeren zonder het op het spoorwegnet toepasselijke laadprofiel te overschrijden, omvat punt 3.2.2 van deze bijlage ook het testen van het spoorvoertuig bij stilstand aan de hand van een representatieve testbedrijfscyclus die door de fabrikant is vastgesteld en met de goedkeuringsinstantie is overeengekomen.

4.1.4.

Bij motoren van de MTG-groepen E, I, O en P mag de motor uit de niet voor de weg bestemde mobiele machine worden verwijderd en mag de monitoringtest tijdens het gebruik op een dynamometertestbank worden uitgevoerd. In dat geval geldt het volgende:

a)

de motor inclusief het gehele emissiebeheersingssysteem moet uit de niet voor de weg bestemde mobiele machine worden verwijderd en op de dynamometertestbank worden gemonteerd zonder aanpassingen van het emissiebeheersingssysteem;

b)

het is niet nodig aan de goedkeuringsinstantie aan te tonen dat het niet mogelijk is om aan punt 3.2.1 van deze bijlage te voldoen;

c)

onverminderd de punten a) en b) wordt de monitoringtest tijdens het gebruik overeenkomstig deze verordening uitgevoerd;

d)

de procedure voor het verwijderen van motoren uit niet voor de weg bestemde mobiele machines en het monteren in de testcel om de werking in de niet voor de weg bestemde mobiele machine te herhalen, wordt met de goedkeuringsinstantie overeengekomen voordat de MTG-test wordt uitgevoerd;

e)

er wordt een representatieve testbedrijfscyclus gebruikt, zoals bepaald door de fabrikant en overeengekomen met de goedkeuringsinstantie overeenkomstig punt 3.2.2 van deze bijlage;

f)

de testbedrijfscyclus van punt e) moet een snelheids- en belastingbereik bestrijken dat representatief is voor de werking van de geselecteerde machine wanneer deze in de praktijk wordt gebruikt. De methoden om dat bereik vast te stellen omvatten, maar zijn niet beperkt tot, het vastleggen van operationele gegevens voor een of meer vergelijkbare machines die in de praktijk worden gebruikt;

g)

om gegevens vast te stellen over de mate waarin de resultaten van het gebruik van een PEMS verschillen van de gegevens die aan de hand van een testbanksysteem zijn verkregen, mogen monitoringmetingen tijdens het gebruik die met behulp van het PEMS op de dynamometertestbank worden uitgevoerd, worden aangevuld met gelijktijdige metingen met testbankinstrumenten en een emissiemeetsysteem dat voldoet aan de voorschriften van punt 9 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654, uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van punt 8 van die bijlage;

h)

de voorschriften van de punten 6, 7, 8 en 10 van deze bijlage zijn eveneens van toepassing op alle gelijktijdige metingen overeenkomstig punt g), en deze metingen moeten in de testgegevens en het testrapport worden opgenomen.”;

b)

punt 4.6 wordt vervangen door:

“4.6.   Datalogger

Waar ECU-gegevens worden gebruikt wordt de datalogger met de ECU van de motor verbonden om de beschikbare motorparameters te registreren die zijn opgenomen in tabel 1 van aanhangsel 7 en, indien van toepassing, in tabel 2 van aanhangsel 7.”;

c)

punt 5.1 wordt vervangen door:

“5.1.

Meting van de omgevingstemperatuur

De omgevingstemperatuur moet ten minste aan het begin en aan het einde van de bedrijfssequentie worden gemeten. De meting vindt plaats binnen een redelijke afstand van de niet voor de weg bestemde mobiele machine. Voor de motorinlaatluchttemperatuur van de motor mag een sensor of ECU worden gebruikt.

Als een inlaatluchttemperatuursensor wordt gebruikt om de omgevingstemperatuur te schatten, is de geregistreerde omgevingstemperatuur de inlaatluchttemperatuur gecorrigeerd met de toepasselijke nominale afwijking tussen de omgevingstemperatuur en de inlaatluchttemperatuur zoals gespecificeerd door de fabrikant.”;

d)

punten 6 tot en met 8.2 worden vervangen door:

“6.   Opslag van de gegevens van de monitoringtest tijdens het gebruik

6.1.   Vóór de bedrijfssequentie

De gegevensverzameling van de emissies van verontreinigende gassen, de meting van de uitlaatparameters en de registratie van de motor- en omgevingsgegevens beginnen vóór het starten van de motor.

6.2.   Tijdens de bedrijfssequentie

De gegevensverzameling van de emissies van verontreinigende gassen, de meting van de uitlaatparameters en de registratie van de motor- en omgevingsgegevens worden tijdens het normale gebruik van de motor voortgezet.

De motor mag worden uitgezet en gestart, maar de gegevensverzameling van de emissies van verontreinigende gassen, de meting van de uitlaatparameters en de registratie van de motor- en omgevingsgegevens worden gedurende de volledige monitoringtest tijdens het gebruik voortgezet.

6.3.   Na de bedrijfssequentie

Na afloop van de monitoringtest tijdens het gebruik wordt gewacht tot de responstijden van de meetinstrumenten en datalogger zijn verstreken. De motor mag vóór of na het beëindigen van de gegevensopslag worden uitgezet.

7.   Controle van de gasanalysatoren

7.1.   Periodieke verificatie van het nulpunt tijdens de bedrijfssequentie

Indien dit praktisch uitvoerbaar en veilig te realiseren is, mogen de gasanalysatoren gedurende een bedrijfssequentie om de twee uur worden gecontroleerd.

7.2.   Periodieke correctie van het nulpunt tijdens de bedrijfssequentie

De resultaten van de overeenkomstig punt 7.1 uitgevoerde controles mogen worden gebruikt om gedurende die bedrijfssequentie een correctie voor het nulpuntsverloop toe te passen.

7.3.   Verificatie van het verloop na de bedrijfssequentie

De verificatie van het verloop wordt enkel uitgevoerd indien er tijdens de bedrijfssequentie geen correctie voor het nulpuntsverloop is toegepast overeenkomstig punt 7.2.

7.3.1.

Ten laatste 30 minuten na de voltooiing van de bedrijfssequentie worden de gasanalysatoren op nul gezet en geijkt om hun verloop te verifiëren in vergelijking met de resultaten van vóór de test.

7.3.2.

De nulpunts-, ijk- en lineariteitscontroles van de gasanalysatoren worden uitgevoerd zoals bepaald in punt 5.4.

8.   Storing van de motor of de machine

8.1.

In het geval dat tijdens een bedrijfssequentie een storing optreedt die van invloed is op de werking van de motor en ofwel

a)

de bediener van de niet voor de weg bestemde mobiele machine door het boorddiagnosesysteem duidelijk in kennis wordt gesteld van die storing via een visuele storingswaarschuwing, een tekstbericht of een andere indicator, ofwel

b)

de niet voor de weg bestemde mobiele machine niet is uitgerust met een diagnose- of waarschuwingssysteem voor storingen, maar de storing aan de hand van visuele of auditieve middelen duidelijk wordt gedetecteerd,

wordt de bedrijfssequentie als ongeldig beschouwd.

8.2.

Eventuele storingen worden verholpen vóór er andere bedrijfssequenties op de motor worden uitgevoerd.”;

22)

in aanhangsel 3 worden de punten 2 tot en met 6 vervangen door:

“2.   Uitsluiting van gegevens

2.1.   Tijdelijk signaalverlies

2.1.1.

Alle gevallen van tijdelijk signaalverlies worden geïdentificeerd.

2.1.2.

Maximaal 2 % van de gegevens bestaande uit afzonderlijke perioden van minder dan 30 seconden mag worden uitgesloten wegens één of meerdere gevallen van onbedoeld tijdelijk signaalverlies in de oorspronkelijke gegevensregistratie, overeenkomstig punt 4.3 van de bijlage.

2.1.3.

Indien de testsequentie perioden van signaalverlies omvat die meer dan 2 % van de gegevens uitmaken of gedurende een aaneengesloten periode van meer dan 30 seconden, wordt die hele sequentie als ongeldig beschouwd en wordt een nieuwe test uitgevoerd.

2.2.   Periodieke controles van meetinstrumenten

2.2.1.

Alle datapunten van de controle van gasanalysatoren overeenkomstig punt 7 van aanhangsel 2 moeten worden geïdentificeerd en van de verdere verwerking van een bedrijfssequentie worden uitgesloten, behalve waar ze voor de verloopcorrectie in punt 3 van dit aanhangsel nodig zijn.

2.3.   Omgevingsomstandigheden

2.3.1.

Alle datapunten in een bedrijfssequentie die overeenkomen met omgevingsomstandigheden die niet aan de voorschriften van punt 3.3 van deze bijlage voldoen, moeten worden geïdentificeerd.

2.3.2.

Als het percentage van de uit hoofde van punt 2.3.1 van dit aanhangsel geïdentificeerde datapunten hoger is dan 1 %, wordt die hele sequentie als ongeldig beschouwd en wordt een nieuwe test uitgevoerd.

2.3.3.

Indien de omgevingsomstandigheden alleen aan het begin en aan het eind van de test worden gemeten, wordt de hele testsequentie als ongeldig beschouwd indien een van beide metingen niet aan de voorschriften van punt 3.3 van de bijlage voldoet.

2.4.   Gegevens van de koude start

Gemeten gegevens in verband met de emissies van verontreinigende gassen bij een koude start worden uitgesloten vóór de berekeningen van de emissies van verontreinigende gassen.

2.4.1.   Vloeistofgekoelde motoren

De geldige gemeten gegevens voor de berekeningen van de emissies van verontreinigende gassen beginnen nadat de temperatuur van de motorkoelvloeistof voor het eerst 343 K (70 °C) heeft bereikt, of, als dit eerder is, nadat de temperatuur van de motorkoelvloeistof gedurende 5 minuten is gestabiliseerd met een marge van +/- 2 K, of nadat de temperatuur van de motorkoelvloeistof gedurende 5 minuten is gestabiliseerd met een marge van +/- 5 K voor tests bij een omgevingstemperatuur van 273,15 K of minder; in elk geval beginnen zij niet later dan 20 minuten na het starten van de motor.

2.4.2.   Luchtgekoelde motoren

Geldige gemeten gegevens voor de berekeningen van emissies van verontreinigende gassen beginnen nadat de gemeten temperatuur op het referentiepunt zoals vastgesteld in punt 3.7.2.2.1 van DEEL C van aanhangsel 3 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 gedurende een periode van 5 minuten is gestabiliseerd met een marge van ± 5 %; in elk geval beginnen zij niet later dan 20 minuten na het starten van de motor.

3.   Verloopcorrectie

3.1.   Maximaal toegestaan verloop

Het verloop van de nulgasrespons en de ijkrespons bedraagt in het laagste meetbereik minder dan 2 % van de volledige schaal:

a)

als het verschil tussen de resultaten vóór en na de test minder dan 2 % bedraagt, mogen de gemeten concentraties ongecorrigeerd worden gebruikt of overeenkomstig punt 3.2 voor het verloop worden gecorrigeerd;

b)

als het verschil tussen de resultaten vóór en na de test 2 % of meer bedraagt, worden de gemeten concentraties overeenkomstig punt 3.2 voor het verloop gecorrigeerd. Als er geen correctie wordt toegepast, wordt de test als ongeldig beschouwd.

3.2.   Verloopcorrectie

3.2.1.

De voor het verloop gecorrigeerde concentratiewaarde wordt berekend overeenkomstig onderdeel 2.1 of 3.5 van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

3.2.2.

Het verschil tussen de niet-gecorrigeerde en de gecorrigeerde specifieke emissiewaarden voor verontreinigende gassen bedraagt niet meer dan ± 6 % van de niet-gecorrigeerde specifieke emissiewaarden voor verontreinigende gassen. Als het verloop meer dan 6 % bedraagt, wordt de test als ongeldig beschouwd.

3.2.2.1.

Elke waarde van de specifieke emissie van verontreinigende gassen wordt berekend aan de hand van de geïntegreerde massa van de emissie van verontreinigende gassen van de testsequentie gedeeld door de totale arbeid die tijdens de testsequentie wordt verricht. Die berekening moet worden uitgevoerd vóór de bepaling van gebeurtenissen met werk overeenkomstig aanhangsel 4 of de berekening van emissies van verontreinigende gassen overeenkomstig aanhangsel 5.

3.2.3.

Indien verloopcorrectie wordt toegepast, worden bij de rapportage van de emissies van verontreinigende gassen alleen de voor het verloop gecorrigeerde emissiewaarden voor verontreinigende gassen gebruikt.

4.   Synchronisatie

Om het biaseffect van het tijdsverschil tussen de verschillende signalen op de berekeningen van de massa van de emissies van verontreinigende gassen zo veel mogelijk te beperken, worden de gegevens voor de berekeningen van de emissies van verontreinigende gassen gesynchroniseerd overeenkomstig de punten 4.1 tot en met 4.4.

4.1.   Gegevens van de gasanalysatoren

De gegevens van de gasanalysatoren worden gesynchroniseerd overeenkomstig onderdeel 8.1.5.3 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

4.2.   Gegevens van de gasanalysatoren en de EFM

De gegevens van de gasanalysatoren worden volgens de procedure in punt 4.4 gesynchroniseerd met de gegevens van de EFM.

4.3.   Gegevens van het PEMS en de motor

De gegevens van het PEMS (gasanalysatoren en EFM) worden volgens de procedure in punt 4.4 gesynchroniseerd met de gegevens van de ECU van de motor.

4.4.   Procedure voor betere synchronisatie van de gegevens van het PEMS

De testparameters in de tabel van aanhangsel 2 worden opgesplitst in drie verschillende categorieën:

 

Categorie 1: gasanalysatoren (concentraties aan HC, CO, CO2 en NOx);

 

Categorie 2: EFM (uitlaatgasmassadebiet en uitlaatgastemperatuur);

 

Categorie 3: motor (koppel, toerental, temperaturen en brandstoftoevoerdebiet afkomstig van de ECU).

De synchronisatie van elke categorie met de andere twee categorieën wordt gecontroleerd door te zoeken naar de hoogste correlatiecoëfficiënt tussen twee reeksen testparameters. Alle testparameters in een categorie worden verschoven om de correlatiefactor zo groot mogelijk te maken. De correlatiecoëfficiënten worden berekend op basis van de volgende testparameters:

a)

categorieën 1 en 2 (gegevens van de gasanalysatoren en de EFM) met categorie 3 (motorgegevens); het uitlaatgasmassadebiet van de EFM met koppel van de ECU;

b)

categorie 1 met categorie 2: de CO2-concentratie en het uitlaatgasmassadebiet;

c)

categorie 1 met categorie 3: de CO2-concentratie en het motorbrandstofdebiet.

4.4.1.

Bij motoren die niet zijn ontworpen om een communicatie-interface te hebben om de in aanhangsel 7 gespecificeerde ECU-gegevens te kunnen verzamelen, wordt de correlatie in punt 4.4, a) en c), weggelaten.

4.4.2.

Bij motoren waarvoor rechtstreekse meting van het uitlaatgasmassasdebiet is weggelaten overeenkomstig noot (3) bij de tabel in aanhangsel 2, wordt de correlatie in punt 4.4, a), achterwege gelaten.

5.   Controle van de gegevensconsistentie

5.1.   Gegevens van de gasanalysatoren en de EFM

Voor motoren die zijn ontworpen voor een communicatie-interface die een brandstofdebiet kan leveren overeenkomstig tabel 2 van aanhangsel 7, wordt de gegevensconsistentie (uitlaatgasmassadebiet gemeten door de EFM en gasconcentraties) gecontroleerd middels correlatie tussen het door de ECU gemeten motorbrandstofdebiet en het motorbrandstofdebiet zoals berekend overeenkomstig de procedure in onderdeel 2.1.6.4 van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

Op de gemeten en berekende brandstofdebietwaarden moet lineaire regressie worden toegepast. Er wordt gebruikgemaakt van de kleinste-kwadratenmethode en van de best passende vergelijking met de vorm:

y = mx + b

waarbij:

a) y

= het berekende brandstofdebiet [g/s];

b) m

= de helling van de regressielijn;

c) x

= het gemeten brandstofdebiet [g/s];

d) b

= de y-intercept van de regressielijn.

Voor elke regressielijn worden de helling (m) en de determinatiecoëfficiënt (r2) berekend. Aanbevolen wordt deze analyse uit te voeren in het bereik van 15 % van de maximumwaarde tot de maximumwaarde, en met een frequentie van 1 Hz of hoger. Een test is geldig wanneer de volgende twee criteria zijn beoordeeld:

Tabel 1

Toleranties

Helling van de regressielijn (m)

0,9 tot en met 1,1 — aanbevolen

Determinatiecoëfficiënt (r2)

min. 0,90 — verplicht

5.2.   Koppelgegevens van de elektronische regeleenheid

Wanneer de koppelgegevens van de ECU voor de berekeningen worden gebruikt, wordt de consistentie van de koppelgegevens van de ECU gecontroleerd door vergelijking van de maximumkoppelwaarden van de ECU bij verschillende motortoerentallen (indien van toepassing) met de overeenkomstige waarden op de officiële motorkoppelkromme bij vollast en overeenkomstig aanhangsel 6.

5.3.   Specifiek brandstofverbruik (BSFC)

Wanneer gegevens van de ECU beschikbaar zijn, wordt het BSFC gecontroleerd middels:

a)

het brandstofverbruik berekend op basis van de gegevens in verband met de emissies van verontreinigende gassen (gasanalysatorconcentraties en uitlaatgasmassadebietgegevens) overeenkomstig de procedure in onderdeel 2.1.6.4 van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften;

b)

de arbeid berekend op basis van de gegevens van de ECU (motorkoppel en -toerental).

5.4.   Omgevingsdruk

De waarde van de omgevingsdruk wordt getoetst aan de hoogte die uit de gps-gegevens blijkt, indien die beschikbaar zijn.

5.5.   Als de goedkeuringsinstantie niet tevreden is met de resultaten van de controle van de gegevensconsistentie, kan zij de test als ongeldig beschouwen.

6.   Droog-natcorrectie

Als de concentratie op droge basis is gemeten, wordt deze omgezet in de concentratie op natte basis overeenkomstig de procedure in onderdeel 2 of onderdeel 3 van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654.

7.   NOx-correctie voor vochtigheid en temperatuur

De NOx-concentraties die door de gasanalysatoren zijn gemeten, worden niet gecorrigeerd voor de omgevingsluchttemperatuur en -vochtigheid.”;

23)

in aanhangsel 4 worden de punten 2 en 3 vervangen door:

“2.   Procedure voor de bepaling van gebeurtenissen zonder werk

2.1.

Gebeurtenissen zonder werk zijn gebeurtenissen waarbij:

a)

voor motoren die niet zijn ontworpen om een communicatie-interface te hebben die koppel- en toerentalgegevens overeenkomstig tabel 1 van aanhangsel 7 kan verstrekken, het overeenkomstig de procedure van aanhangsel 10 bepaalde momentane vervangende vermogen, of,

b)

in alle andere gevallen, het momentane motorvermogen,

minder bedraagt dan 10 % van het referentievermogen van de motor, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 26), van Verordening (EU) 2016/1628 en is vermeld in bijlage I bij die verordening voor elke motor(sub)categorie, voor het motortype dat een MTG-test moet ondergaan.

2.1.1.

Voor motoren die krachtens deze verordening worden getest en die niet zijn ontworpen om een communicatie-interface te hebben die koppel- en toerentalgegevens overeenkomstig tabel 1 van aanhangsel 7 kan verstrekken, wordt het momentane vervangende vermogen overeenkomstig de procedure van aanhangsel 10 berekend alvorens de procedure van dit aanhangsel wordt toegepast.

2.2.

De volgende bijkomende stappen worden genomen:

2.2.1.

gebeurtenissen zonder werk korter dan D0 worden als gebeurtenissen met werk beschouwd en samengevoegd met de omliggende gebeurtenissen met werk (zie tabel 2 voor de waarde van D0);

2.2.2.

gebeurtenissen met werk korter dan D0 met omliggende gebeurtenissen zonder werk langer dan D1 worden als gebeurtenissen zonder werk beschouwd en samengevoegd met de omliggende gebeurtenissen zonder werk (zie tabel 2 voor de waarden van D1);

2.2.3.

De opstartfase die volgt op lange gebeurtenissen zonder werk (> D2) voor motoren met een nabehandelingsvoorziening die wordt gebruikt voor NOx-reductie en meting van de uitlaatgastemperatuur wordt overeenkomstig noot (4) van de tabel in aanhangsel 2 ook als een gebeurtenis zonder werk beschouwd tot de uitlaatgastemperatuur 523 K heeft bereikt. Als de uitlaatgastemperatuur geen 523 K bereikt binnen D3 minuten, worden alle gebeurtenissen na D3 als gebeurtenissen met werk beschouwd (zie de tabel voor de waarden van D2 en D3).

2.2.4.

Voor alle gebeurtenissen zonder werk worden de eerste D1 minuten van de gebeurtenis als gebeurtenis met werk beschouwd.

3.   Algoritme voor de markering van “machinearbeid” om de voorschriften van punt 2 toe te passen

Punt 2 wordt toegepast overeenkomstig de in de punten 3.1 tot en met 3.4 beschreven sequentie.

3.1.   Stap 1: Detecteer en splits op in gebeurtenissen met werk en gebeurtenissen zonder werk.

a)

Identificeer de gebeurtenissen met en zonder werk overeenkomstig punt 2.1.

b)

Bereken de duur van de gebeurtenissen zonder werk.

c)

Markeer de gebeurtenissen zonder werk die korter zijn dan D0 als gebeurtenissen met werk.

d)

Bereken de duur van de gebeurtenissen met werk.

3.2.   Stap 2: Voeg korte gebeurtenissen met werk (≤ D0) samen met gebeurtenissen zonder werk.

Markeer gebeurtenissen met werk die korter zijn dan D0 en die zowel worden voorafgegaan als gevolgd door resterende gebeurtenissen zonder werk van langer dan D1 als gebeurtenissen zonder werk.

3.3.   Stap 3: Elimineer gebeurtenissen met werk die volgen op lange gebeurtenissen zonder werk (opstartfase).

Markeer indien punt 2.2.3 van toepassing is, de gebeurtenissen met werk na lange gebeurtenissen zonder werk (> D2) als gebeurtenissen zonder werk, tot ofwel

a)

de uitlaatgastemperatuur 523 K bereikt, ofwel

b)

D3 minuten zijn verstreken,

naargelang wat zich eerst voordoet.

3.4.   Stap 4: Voeg gebeurtenissen zonder werk toe aan gebeurtenissen met werk.

Voeg D1 minuten gebeurtenis zonder werk na een gebeurtenis met werk toe als onderdeel van die gebeurtenis met werk.

Tabel 2

Waarden voor de parameters D0, D1, D2 en D3

Parameters

Waarde

D0

2 minuten

D1

2 minuten

D2

10 minuten

D3

4 minuten

24)

in aanhangsel 5 worden de punten 2.1 tot en met 2.3.2 vervangen door:

“2.1.   Methode van het gemiddeldenvenster

2.1.1.   Algemene voorschriften

Het gemiddeldenvenster is de subreeks van de volledige tijdens de monitoringtest tijdens het gebruik berekende reeks gegevens waarvan de CO2-massa of de arbeid gelijk is aan de tijdens de testcyclus van het referentielaboratorium gemeten CO2-massa of arbeid van de motor. De massa van de emissies van verontreinigende gassen en de conformiteitsfactoren worden berekend volgens de methode met een voortschrijdend gemiddeldenvenster, op basis van de tijdens de testcyclus in het referentielaboratorium gemeten referentiearbeid (procedure in punt 2.2) en referentie-CO2-massa (procedure in punt 2.3).

Het motorvermogen als functie van de tijd en emissies van verontreinigende gassen van het gemiddeldenvenster, vanaf het eerste gemiddeldenvenster.

De berekeningen worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende punten:

a)

gegevens die op basis van aanhangsel 4 zijn geëlimineerd, worden niet in aanmerking genomen voor de berekeningen van de arbeid of CO2-massa en de emissies van verontreinigende gassen en de conformiteitsfactoren van de gemiddeldenvensters, behalve zoals voorgeschreven in punt 4, f), van dit aanhangsel;

b)

de berekeningen van het voortschrijdend gemiddeldenvenster worden uitgevoerd met een tijdsinterval Δt dat gelijk is aan de gegevensverzamelperiode. Het begin van het voortschrijdend gemiddeldenvenster wordt bij elke iteratie met die hoeveelheid verhoogd;

c)

de massa van de emissies van verontreinigende gassen voor elk gemiddeldenvenster (mg/gemiddeldenvenster) wordt verkregen door de massa van de momentane emissies van verontreinigende gassen in het gemiddeldenvenster te integreren;

d)

in het geval van motoren met een ECU die zijn ontworpen met een communicatie-interface die bedoeld is om de verzameling van de in tabel 1 van aanhangsel 7 gespecificeerde motorkoppel- en toerentalgegevens mogelijk te maken, moeten voor zowel de methode op basis van arbeid als de methode op basis van CO2-massa de benodigde berekeningen worden uitgevoerd en resultaten worden gerapporteerd. In alle andere gevallen worden alleen voor de methode op basis van CO2-massa de berekeningen uitgevoerd en resultaten gerapporteerd.

Figuur 4

Motorvermogen als functie van de tijd en emissies van verontreinigende gassen van het gemiddeldenvenster, vanaf het eerste gemiddeldenvenster, als functie van de tijd

Image 4

2.1.2.   Referentiewaarden

De referentiearbeid en de referentie-CO2-massa van een motortype, of voor alle motortypen binnen dezelfde motorfamilie, worden als volgt bepaald:

a)

voor motoren in de MTG-groepen A en C die waarden aan de hand van de met warme start uitgevoerde NRTC van de typegoedkeuringstest van de basismotor zoals gespecificeerd in de punten 11.3.1 en 11.3.2 van het addendum bij het EU-typegoedkeuringscertificaat van het motortype of de motorfamilie, zoals vastgesteld in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656;

b)

voor motoren in MTG-groep H die waarden uit de LSI-NRTC van de typegoedkeuringstest van de basismotor;

c)

voor motoren in niet onder a) of b) vermelde MTG-groepen de waarden die zijn bepaald aan de hand van het typegoedkeuringstestresultaat van de basismotor overeenkomstig de in aanhangsel 9 beschreven methode.

2.2.   Methode op basis van arbeid

Figuur 5

Methode op basis van arbeid

Image 5

De duur (t 2, i t 1, i) van het ide gemiddeldenvenster wordt bepaald met:

W(t 2, i)W(t 1, i)Wref

waarbij:

W(tj,i ) = de motorarbeid gemeten tussen de start en tijd tj,i (kWh);

Wref = de overeenkomstig punt 2.1.2 bepaalde referentiearbeid voor de motor (kWh);

t 2, i zo wordt gekozen dat:

W(t 2, i — Δt) — W(t 1, i) < W ref W(t 2, i)W(t 1, i)

waarbij Δt de periode van gegevensverzameling is, gelijk aan één seconde of minder.

2.2.1.   Berekeningen van de specifieke emissies van verontreinigende gassen

De specifieke emissies van verontreinigende gassen egas (g/kWh) worden voor elk gemiddeldenvenster en elk verontreinigend gas op de volgende wijze berekend:

Formula

waarbij:

mi = de massa-emissie van het verontreinigende gas tijdens het i-de gemiddeldenvenster (g/gemiddeldenvenster);

W(t 2, i)W(t 1, i) = de motorarbeid tijdens het i-de gemiddeldenvenster (kWh).

2.2.2.   Keuze van geldige gemiddeldenvensters

De geldige gemiddeldenvensters zijn de gemiddeldenvensters waarvan het gemiddelde vermogen hoger is dan de vermogensdrempel van 20 % van het referentievermogen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 26), van Verordening (EU) 2016/1628 en vermeld in bijlage I bij die verordening voor elke motor(sub)categorie, voor het motortype dat een MTG-test moet ondergaan, behalve voor motoren van categorie ATS waarvoor het referentievermogen het vermogen bij een intermediair toerental is zoals gedefinieerd in punt 5.2.5.4, f), van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654. Het percentage geldige gemiddeldenvensters bedraagt 50 % of meer.

2.2.2.1.

Als het percentage geldige vensters lager is dan 50 %, moeten de gegevens opnieuw worden beoordeeld met lagere vermogensdrempels. De vermogensdrempel moet vanaf 20 % met stappen van 1 % worden verlaagd totdat het percentage geldige vensters 50 % of meer is.

2.2.2.2.

De laagste vermogensdrempel mag in geen geval minder dan 10 % bedragen.

2.2.2.3.

De test wordt als ongeldig beschouwd indien het percentage geldige gemiddeldenvensters minder dan 50 % bedraagt bij een vermogensdrempel van 10 %.

2.2.3.   Berekeningen van de conformiteitsfactoren

De conformiteitsfactoren worden voor elk afzonderlijk geldig gemiddeldenvenster en elk afzonderlijk verontreinigend gas op de volgende wijze berekend:

Formula

waarbij:

egas = de specifieke emissie van het verontreinigende gas (g/kWh);

L = de toepasselijke grenswaarde (g/kWh).

2.3.   Methode op basis van CO2-massa

Figuur 6

Methode op basis van CO2-massa

Image 6

De duur (t 2, i t 1, i) van het ide gemiddeldenvenster wordt bepaald met:

Formula

waarbij:

Formula
= de CO2-massa, gemeten tussen de start van de test en tijdstip t j,i (g);

Formula
= de referentie-CO2-massa in gram (g) overeenkomstig punt 2.1.2;

t 2, i zo wordt gekozen dat:

Formula

waarbij Δt de periode van gegevensverzameling is, gelijk aan één seconde of minder.

De CO2-massa’s worden in de gemiddeldenvensters berekend door de overeenkomstig punt 1 berekende momentane emissies van verontreinigende gassen te integreren.

2.3.1.   Keuze van geldige gemiddeldenvensters

De geldige gemiddeldenvensters zijn de gemiddeldenvensters waarvan de duur niet langer is dan de maximumduur berekend op basis van:

Formula

waarbij:

Dmax = de maximale duur van het gemiddeldenvenster (s);

Pmax = het referentievermogen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 26, van Verordening (EU) 2016/1628, in kW, en in bijlage I bij die verordening vermeld voor elke motor(sub)categorie, voor het motortype dat een MTG-test moet ondergaan, behalve voor motoren van categorie ATS, waarvoor het referentievermogen het vermogen bij een intermediair toerental zoals gedefinieerd in punt 5.2.5.4, f), van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 is.

Het percentage geldige gemiddeldenvensters bedraagt 50 % of meer.

2.3.1.1.

Als het percentage geldige vensters lager dan is 50 %, moeten de gegevens opnieuw worden beoordeeld met een langere vensterduur. Hiertoe wordt de waarde 0,2 in de formule van punt 2.3.1 telkens met 0,01 verminderd totdat het percentage geldige vensters gelijk is aan of groter is dan 50 %.

2.3.1.2.

De laagste waarde in bovenstaande formule mag in geen geval lager zijn dan 0,10.

2.3.1.3.

De test wordt ongeldig verklaard als het percentage geldige vensters minder dan 50 % is bij een overeenkomstig de punten 2.3.1, 2.3.1.1 en 2.3.1.2 berekende maximale vensterduur.

2.3.2.   Berekeningen van de conformiteitsfactoren

De conformiteitsfactoren worden voor elk afzonderlijk gemiddeldenvenster en elke afzonderlijke verontreinigende stof op de volgende wijze berekend:

Formula

waarbij

Formula
(verhouding tijdens het gebruik) en

Formula
(certificeringsverhouding)

waarbij:

mi = de massa-emissie van het verontreinigende gas tijdens het i-de gemiddeldenvenster (g/gemiddeldenvenster);

Formula
= de CO2-massa tijdens het i-de gemiddeldenvenster (g/gemiddeldenvenster)

Formula
= de overeenkomstig punt 2.1.2, punt g), bepaalde CO2-referentiemassa van de motor

mL = de massa-emissie van het verontreinigende gas die overeenkomt met de toepasselijke grenswaarde van de referentietestcyclus (g)

mL wordt als volgt bepaald:

Formula

waarbij:

L = de toepasselijke grenswaarde (g/kWh)

Wref = de overeenkomstig punt 2.1.2 bepaalde referentiearbeid voor de motor (kWh).”;

25)

in aanhangsel 6 wordt punt 2 vervangen door:

“2.   Onmogelijkheid om de conformiteit van het koppelsignaal van de ECU te controleren

Indien de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie aantoont dat het niet mogelijk is het koppelsignaal van de ECU tijdens de monitoringtest tijdens het gebruik te controleren, aanvaardt de goedkeuringsinstantie de verificatie overeenkomstig de voorschriften van aanhangsel 3 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 die tijdens de voor de EU-typegoedkeuring vereiste tests wordt uitgevoerd en in het EU-typegoedkeuringscertificaat wordt vermeld.

Voor motoren in andere MTG-groepen dan A, C en H mag de goedkeuringsinstantie een andere manier van aantonen overeenkomstig de voorschriften van aanhangsel 3 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 aanvaarden, maar met gebruikmaking van de volgende procedures voor het bepalen van de motorkarakteristiek van die bijlage:

a)

voor motoren in MTG-groep I en motoren met variabel toerental in de MTG-groepen E, F, G, J, K, L, M en N punt 7.6.1;

b)

voor alle andere motoren punt 7.6.3.

Indien de bepaling van de motorkarakteristiek wordt uitgevoerd bij constant toerental overeenkomstig punt b), volstaat het om de door de dynamometer gemeten koppelwaarden en het door de ECU uitgezonden koppel op het enkele punt van het nominale nettovermogen te meten en te vergelijken.”;

26)

in aanhangsel 7 worden de punten 1 tot en met 1.3 vervangen door:

“1.   Te verstrekken gegevens

1.1.

Wanneer een ECU wordt gebruikt om het motorkoppel, het toerental of de koelmiddeltemperatuur te verstrekken, moeten deze gegevens ten minste overeenkomstig tabel 1 worden verstrekt.

Tabel 1

Meetgegevens

Parameter

Eenheid  (9)

Motorkoppel  (10)

Nm

Motortoerental

rpm

Motorkoelmiddeltemperatuur

K

1.2.

Wanneer de omgevingsdruk of de omgevingstemperatuur niet door externe sensoren worden gemeten, worden deze overeenkomstig tabel 2 door de ECU verstrekt.

Tabel 2

Bijkomende meetgegevens

Parameter

Eenheid  (11)

Omgevingstemperatuur  (12)

K

Omgevingsdruk

kPa

Motorbrandstofdebiet

g/s

1.3.

Wanneer het uitlaatgasmassadebiet niet rechtstreeks wordt gemeten, wordt het motorbrandstofdebiet verstrekt overeenkomstig de tabel in aanhangsel 2.”;

27)

in aanhangsel 7 wordt punt 2.1.1 vervangen door:

“2.1.1.

Toegang tot de datastream-informatie wordt verstrekt overeenkomstig ten minste één van de volgende normenreeksen:

a)

ISO 27145 met ISO 15765-4 (op basis van CAN);

b)

ISO 27145 met ISO 13400-4 (op basis van TCP/IP);

c)

SAE J1939-73;

d)

ISO 14229.”

28)

aanhangsel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 2 tot en met 2.20 worden vervangen door:

“2.   Informatie over de motor

2.1.

MTG-groep

2.2.

Categorie en subcategorie van het motortype/de motorfamilie

2.3.

Typegoedkeuringsnummer

2.4.

Handelsnaam (-namen) (indien van toepassing)

2.5.

Aanwijzing van de motorfamilie (indien deze tot een familie behoort)

2.6.

Referentiearbeid [kWh]

2.7.

Referentie-CO2-massa [g]

2.8.

Aanwijzing van het motortype:

2.9.

Motoridentificatienummer

2.10.

Productiejaar en -maand van de motor

2.11.

Motor gereviseerd (ja/nee)

2.12.

Totale cilinderinhoud van de motor [cm3]

2.13.

Aantal cilinders

2.14.

Opgegeven nominaal nettovermogen/nominaal toerental van de motor [kW/rpm]

2.15.

Maximaal nettovermogen/toerental bij maximumvermogen van de motor [kW/rpm]

2.16.

Opgegeven maximumkoppel/toerental voor het maximumkoppel van de motor [Nm/rpm]

2.17.

Stationair toerental [rpm]

2.18.

Door de fabrikant verstrekte koppelkromme bij vollast beschikbaar (ja/nee)

2.19.

Referentienummer van door de fabrikant verstrekte koppelkromme bij vollast

2.20.

Gemonteerd DeNOx-systeem (bv. EGR, SCR) (indien van toepassing)

2.21.

Gemonteerd type katalysator (indien van toepassing)

2.22.

Gemonteerd type deeltjesnabehandeling (indien van toepassing)

2.23.

Nabehandeling gewijzigd t.o.v. typegoedkeuring (ja/nee)

2.24.

Informatie over de gemonteerde elektronische regeleenheid van de motor (softwarekalibratienummer)”;

b)

de punten 9 tot en met 9.11 worden vervangen door:

“9.   Conformiteitsfactoren van het gemiddeldenvenster (13) (berekend overeenkomstig de aanhangsels 3 tot en met 5)

(minimaal, maximaal en 90e cumulatief percentiel)

9.1.

THC-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (14)

9.2.

CO-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-]

9.3.

NOx-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (15) (indien van toepassing)

9.4.

THC- + NOx-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (16) (indien van toepassing)

9.5.

THC-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (17)

9.6.

CO-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-]

9.7.

NOx-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (18) (indien van toepassing)

9.8.

THC- + NOx-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (19) (indien van toepassing)

9.9.

Arbeidgemiddeldenvenster: minimaal en maximaal vermogen gemiddeldenvenster [%]

9.10.

CO2-massagemiddeldenvenster: minimale en maximale duur gemiddeldenvenster [s]

9.11.

Arbeidgemiddeldenvenster: percentage geldige gemiddeldenvensters

9.12.

CO2-massagemiddeldenvenster: percentage geldige gemiddeldenvensters”;

c)

de punten 10 tot en met 10.8 worden vervangen door:

“10.   Conformiteitsfactoren van het gemiddeldenvenster (bepaald overeenkomstig de aanhangsels 3 en 5 zonder bepaling van gebeurtenissen met en zonder werk overeenkomstig aanhangsel 4 en met uitzondering van ongeldige vensters overeenkomstig de punten 2.2.2 en 2.3.1 van aanhangsel 5)

(minimaal, maximaal en 90e cumulatief percentiel)

10.1.

THC-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (20)

10.2.

CO-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-]

10.3.

NOx-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (21) (indien van toepassing)

10.4.

THC+NOx-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (22) (indien van toepassing)

10.5.

THC-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (23)

10.6.

CO-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-]

10.7.

NOx-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (24) (indien van toepassing)

10.8.

THC+NOx-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (25) (indien van toepassing)

10.9.

Arbeidgemiddeldenvenster: minimaal en maximaal vermogen gemiddeldenvenster [%]

10.10.

CO2-massagemiddeldenvenster: minimale en maximale duur gemiddeldenvenster [s]”;

d)

de punten I-2 tot en met I-2.20 worden vervangen door:

“I-2.   Berekende momentane gegevens

I-2.1.

THC-massa [g/s]

I-2.2.

CO-massa [g/s]

I-2.3.

NOx-massa [g/s] (indien van toepassing)

I-2.4.

CO2-massa [g/s]

I-2.5.

Gecumuleerde THC-massa [g]

I-2.6.

Gecumuleerde CO-massa [g]

I-2.7.

Gecumuleerde NOx-massa [g] (indien van toepassing)

I-2.8.

Gecumuleerde CO2-massa [g]

I-2.9.

Berekend brandstoftoevoerdebiet [g/s]

I-2.10.

Motorvermogen [kW]

I-2.11.

Motorarbeid [kWh]

I-2.12.

Duur arbeidgemiddeldenvenster [s]

I-2.13.

Gemiddeld motorvermogen arbeidgemiddeldenvenster [%]

I-2.14.

THC-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (26)

I-2.15.

CO-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-]

I-2.16.

NOx-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (27) (indien van toepassing)

I-2.17.

THC+NOx-conformiteitsfactor arbeidgemiddeldenvenster [-] (28) (indien van toepassing)

I-2.18.

Duur CO2-massagemiddeldenvenster [s]

I-2.19.

THC-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (29)

I-2.20.

CO-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-]

I-2.21.

NOx-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (30) (indien van toepassing)

I-2.22.

THC+NOx-conformiteitsfactor CO2-massagemiddeldenvenster [-] (31) (indien van toepassing)”;

29)

de volgende aanhangsels 9 en 10 worden toegevoegd:

“Aanhangsel 9

Bepaling van de referentiearbeid en de referentie-CO2-massa voor motortypen waarvoor uitsluitend een cyclus in stationaire toestand (NRSC) de toepasselijke typegoedkeuringstestcyclus is

1.   Algemeen

De referentiearbeid en referentie-CO2-massa voor de MTG-groepen A en C zijn afkomstig van de met warme start uitgevoerde NRTC van de typegoedkeuringstest van de basismotor en voor MTG-groep H bij de LSI-NRTC van de typegoedkeuringstest van de basismotor, zoals beschreven in punt 2.1.2 van aanhangsel 5. In dit aanhangsel wordt vastgesteld hoe de referentiearbeid en de referentie-CO2-massa van motortypen in alle MTG-groepen, met uitzondering van A, C en H, moeten worden bepaald.

Voor de toepassing van dit aanhangsel is de toepasselijke laboratoriumtestcyclus de NRSC met specifieke modi of RMC NRSC voor de overeenkomstige (sub)categorie in de tabellen IV-1 en IV-2 en de tabellen IV-5 tot en met IV-10 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2016/1628.

2.   Bepaling van Wref en

Formula

op basis van de RMC NRSC

2.1.

De referentiearbeid Wref (kWh) is gelijk aan de feitelijke arbeid Wact (kWh) zoals vermeld in punt 2.4.1.1 van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften.

2.2.

De referentie-CO2-massa,
Formula
(g) = de CO2-massa voor de laboratoriumtestcyclus
Formula
(g), berekend overeenkomstig een van de punten 2.1.2, 2.2.1, 3.5.1 of 3.6.1 van bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften, naargelang er ruwgas- of verdunde gasbemonstering wordt gebruikt en of berekeningen op massabasis of op molaire basis worden aangepakt.
3.   Bepaling van Wref en

Formula

op basis van de NRSC met specifieke modi

3.1.

De referentiearbeid Wref (kWh) wordt aan de hand van vergelijking 9-1 berekend.

Formula

(9-1)

waarbij:

Pi

= het motorvermogen voor modus i (kW), met Pi = Pm, i  + PAUX (zie de punten 6.3 en 7.7.1.3 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften);

WFi

= wegingsfactor voor modus i [-];

tref

= de referentietijd (s) (zie tabel);

Wref

= referentiecyclusarbeid van de basismotor tijdens de referentielaboratoriumtestcyclus (kWh);

i

= het modusnummer;

Nmodus

= het aantal modi in de testcyclus.

3.2.

De referentie-CO2-massa
Formula
(kg) wordt voor elke modus i bepaald aan de hand van het gemiddelde CO2-massadebiet q mCO2, i (g/h), berekend overeenkomstig bijlage VII, punt 2 of 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften met vergelijking 9-2.

Formula

(9-2)

waarbij:

Formula

= gemiddeld CO2-massadebiet voor modus i, g/h;

WFi

= wegingsfactor voor modus i [-];

tref

= de referentietijd (s) (zie tabel);

Formula

= de referentie-CO2-massa die door de basismotor tijdens de referentielaboratoriumtestcyclus wordt uitgestoten (g);

i

= het modusnummer;

Nmodus

= het aantal modi in de testcyclus

3.3.

Referentietijdstip tref is de totale duur van de equivalente Ramped Modal Cycle (RMC) zoals beschreven in aanhangsel 2 van bijlage XVII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften. Deze waarden zijn opgenomen in de tabel.

Tabel

Referentietijd tref voor elke specifieke modus van de NRSC

NRSC

tref [s]

C1

1 800

C2

1 800

D2

1 200

E2

1 200

E3

1 200

F

1 200

G1

1 800

G2

1 800

H

1 200

Aanhangsel 10

Bepaling van het momentane vervangende vermogen op basis van het CO2-massadebiet

1.   Algemeen

“Vervangend vermogen”: een waarde die bij een eenvoudige lineaire interpolatie is verkregen, met als enig doel de bepaling van geldige gebeurtenissen tijdens de monitoring tijdens het gebruik zoals beschreven in aanhangsel 4. Deze methode is bedoeld voor motoren die zijn ontworpen zonder een communicatie-interface waarmee koppel- en toerentalgegevens overeenkomstig tabel 1 van aanhangsel 7 kunnen worden verstrekt. De berekening is gebaseerd op de aanname dat voor alle motortypen binnen een motorfamilie:

a)

de verhouding tussen de arbeid en de CO2-massa in de testcyclus van het referentielaboratorium vergelijkbaar is;

b)

er een lineair verband tussen vermogen en CO2-massadebiet bestaat, en

c)

een werkende motor die geen nettovermogen produceert, stoot geen CO2 uit.

2.   Berekening van het momentane vervangende vermogen

2.1.

Speciaal voor de berekeningen in aanhangsel 4 wordt een momentaan vermogen voor de motor in het kader van de MTG-test berekend op basis van het gemeten CO2-massadebiet voor een tijdsinterval dat gelijk is aan de gegevensverzamelperiode. Voor deze berekening wordt een vereenvoudigde motorenfamiliespecifieke CO2-constante (een “veline-constante”) gebruikt.

2.2.

De veline-constante wordt berekend aan de hand van de toepasselijke referentiewaarden van punt 2.1.2 van aanhangsel 5.

De veline-constante, Kveline , wordt berekend op basis van de referentie-CO2-massa die bij de typegoedkeuring door de basismotor wordt uitgestoten, gedeeld door de arbeid die door de basismotor bij de typegoedkeuring wordt verricht, met vergelijking 10-1.

Formula

(10-1)

waarbij:

Kveline

= de “veline-constante” (g/kWh);

Formula

= de referentie-CO2-massa die door de basismotor tijdens de testcyclus van het referentielaboratorium wordt uitgestoten (g);

W ref

= de referentiearbeid die door de basismotor tijdens de testcyclus van het referentielaboratorium is verricht (kWh).

2.3.

Het momentane vervangende vermogen van de in de MTG-test geteste motor wordt berekend op basis van het momentane CO2-massadebiet en aan de hand van vergelijking 10-2

Image 7

(10-2)

waarbij:

Pi,proxy

= het momentane vervangende vermogen, kW;

Image 8

= het momentane door de geteste motor uitgestoten CO2-massadebiet (g/s).


(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).”;”


(1)  Indien de beschikbare datastream andere eenheden gebruikt dan die welke in de tabel zijn voorgeschreven, wordt die datastream tijdens de in aanhangsel 3 beschreven voorbewerking in de vereiste eenheden omgezet.

(2)  Gemeten of gecorrigeerd naar een natte basis.

(3)  Het uitlaatgasmassadebiet wordt rechtstreeks gemeten, behalve in de volgende gevallen:

a)

het uitlaatsysteem dat in de niet voor de weg bestemde mobiele machine is gemonteerd leidt tot verdunning van het uitlaatgas met lucht vóór de plaats waar een EFM kan worden gemonteerd. In dat geval wordt het uitlaatgasmonster genomen vóór het punt waar de verdunning plaatsvindt;

b)

het uitlaatsysteem dat in de niet voor de weg bestemde mobiele machine is gemonteerd leidt een deel van het uitlaatgas af naar een ander deel van de niet voor de weg bestemde mobiele machine (bv. voor verwarming) vóór de plaats waar een EFM kan worden gemonteerd;

c)

de te testen motor heeft een referentievermogen van meer dan 560 kW of is geïnstalleerd in een binnenschip of een spoorvoertuig en de fabrikant toont aan de goedkeuringsinstantie aan dat het monteren van een EFM onpraktisch is vanwege de omvang of locatie van de uitlaat van de niet voor de weg bestemde mobiele machine;

d)

bij motoren van categorie SMB en de fabrikant toont aan de goedkeuringsinstantie aan dat het monteren van een EFM onpraktisch is vanwege de locatie van de uitlaat van de niet voor de weg bestemde mobiele machine.

Als de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie terdege het verband kan aantonen tussen het door de ECU geschatte brandstofmassadebiet en het op de motordynamometertestbank gemeten brandstofmassadebiet, mag de EFM in deze gevallen worden weggelaten en mag het uitlaatgasdebiet onrechtstreeks worden gemeten (op basis van het brandstofdebiet en het inlaatluchtdebiet of het brandstofdebiet en de koolstofbalans).

(4)  Voor de bepaling van de duur van de opstartfase na een lange gebeurtenis zonder werk voor een motor met een nabehandelingsvoorziening die wordt gebruikt voor NOx-reductie, zoals bedoeld in punt 2.2.2 van aanhangsel 4, wordt de uitlaatgastemperatuur tijdens de bedrijfssequentie gemeten op maximaal 30 cm afstand van de uitlaat van de nabehandelingsvoorziening die wordt gebruikt voor NOx-reductie. Als het plaatsen van een sensor op maximaal 30 cm afstand tot schade voor de nabehandeling zou leiden, moet de sensor zo dicht bij deze plaats als praktisch haalbaar worden geplaatst.

(5)  Gebruik de omgevingstemperatuursensor of een inlaatluchttemperatuursensor. Een inlaatluchttemperatuursensor wordt gebruikt overeenkomstig de voorschriften in de tweede alinea van punt 5.1.

(6)  De geregistreerde waarde is ofwel a) het nettokoppel, ofwel b) het nettokoppel berekend op basis van het feitelijke percentage van het motorkoppel, het wrijvingskoppel en het referentiekoppel, overeenkomstig de normen die zijn vermeld in punt 2.1.1 van aanhangsel 7. De basis voor het nettokoppel is het ongecorrigeerde nettokoppel dat wordt geleverd door de motor, met inbegrip van de overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften bij een emissietest te monteren apparatuur en hulpapparatuur.

(7)  Niet vereist voor motoren die krachtens deze verordening worden getest en die niet zijn ontworpen voor een communicatie-interface waarmee deze gegevensstromen kunnen worden verstrekt.

(8)  In het geval van luchtgekoelde motoren wordt de temperatuur op de plaats van het referentiepunt zoals vastgesteld in punt 3.7.2.2.1 van DEEL C in aanhangsel 3 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 geregistreerd, in plaats van de temperatuur van de koelvloeistof.

(9)  Indien de beschikbare datastream andere eenheden gebruikt dan die welke in de tabel zijn voorgeschreven, wordt die datastream tijdens de in aanhangsel 3 beschreven voorbewerking in de vereiste eenheden omgezet.

(10)  De verstrekte waarde is ofwel a) het nettoremkoppel van de motor, ofwel b) het nettoremkoppel van de motor berekend op basis van andere passende koppelwaarden zoals gedefinieerd in de in punt 2.1.1 genoemde overeenkomstige protocolnorm. De basis voor het nettokoppel is het ongecorrigeerde nettokoppel dat wordt geleverd door de motor, met inbegrip van de overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 betreffende technische en algemene voorschriften bij een emissietest te monteren apparatuur en hulpapparatuur.

(11)  Indien de beschikbare datastream andere eenheden gebruikt dan die welke in de tabel zijn voorgeschreven, wordt die datastream tijdens de in aanhangsel 3 beschreven voorbewerking in de vereiste eenheden omgezet.

(12)  Er mag een inlaatluchttemperatuursensor worden gebruikt overeenkomstig aanhangsel 2, punt 5.1, tweede alinea.

(13)  Het gemiddeldenvenster is de subreeks van de volledige tijdens de monitoringtest tijdens het gebruik berekende reeks gegevens waarvan de CO2-massa of de arbeid gelijk is aan de tijdens de NRTC of NRSC voor de toepasselijke basismotor in het referentielaboratorium gemeten referentie-CO2-massa of arbeid van de motor.

(14)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(15)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(16)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(17)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(18)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(19)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(20)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(21)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(22)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(23)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(24)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(25)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(26)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(27)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(28)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(29)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(30)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.

(31)  Alleen van toepassing op motor(sub)categorieën waarvoor afzonderlijke grenswaarden voor HC en NOx gelden overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628.


8.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/38


VERORDENING (EU) 2022/2388 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2022

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat de maximumgehalten aan perfluoralkylstoffen in bepaalde levensmiddelen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (2) zijn maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen vastgesteld.

(2)

Perfluoroctaansulfonzuur (PFOS), perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluornonaanzuur (PFNA) en perfluorhexaansulfonzuur (PFHxS) zijn perfluoralkylstoffen (PFAS’s) die in tal van commerciële en industriële toepassingen werden of worden gebruikt. Doordat deze stoffen op grote schaal worden gebruikt en in het milieu persisteren is er wijdverbreide milieuverontreiniging ontstaan. De verontreiniging van levensmiddelen met deze stoffen is voornamelijk het gevolg van bioaccumulatie in aquatische en terrestrische voedselketens en voeding is de belangrijkste bron van blootstelling aan PFAS’s. Het gebruik van materialen die met levensmiddelen in contact komen en PFAS’s bevatten, is waarschijnlijk echter ook een bron van blootstelling van de mens.

(3)

Op 9 juli 2020 heeft de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) een advies uitgebracht over het risico voor de menselijke gezondheid dat verband houdt met de aanwezigheid van perfluoralkylstoffen in levensmiddelen (3). De EFSA concludeerde dat PFOS, PFOA, PFNA en PFHxS schadelijke effecten kunnen hebben op de ontwikkeling en op het serumcholesterol, de lever, het immuunsysteem en het geboortegewicht. Zij beschouwde de effecten op het immuunsysteem als het meest kritisch en stelde een toelaatbare wekelijkse inname (TWI) vast van 4,4 ng/kg lichaamsgewicht per week voor de som van PFOS, PFOA, PFNA en PFHxS, die ook bescherming biedt tegen de andere effecten van deze stoffen. De EFSA concludeerde dat de blootstelling van delen van de Europese bevolking aan deze stoffen de TWI overschrijdt, wat zorgwekkend is.

(4)

Om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen, moeten daarom voor die stoffen maximumgehalten in levensmiddelen worden vastgesteld.

(5)

Er moet worden voorzien in een redelijke termijn om exploitanten van levensmiddelenbedrijven in staat te stellen zich aan de maximumgehalten van deze verordening aan te passen.

(6)

Aangezien sommige onder deze verordening vallende levensmiddelen een lange houdbaarheidstermijn hebben, moet worden toegestaan dat levensmiddelen die vóór de datum van toepassing van deze verordening rechtmatig in de handel zijn gebracht, in de handel blijven.

(7)

Verordening (EG) nr. 1881/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

In de bijlage genoemde levensmiddelen die vóór 1 januari 2023 rechtmatig in de handel zijn gebracht, mogen in de handel blijven tot en met de datum van minimale houdbaarheid of de uiterste consumptiedatum van die levensmiddelen.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(3)  EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam); Scientific opinion on the risk to human health related to the presence of perfluoroalkyl substances in food. EFSA Journal 2020;18(9):6223, https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.2903/j.efsa.2020,6223


BIJLAGE

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt de volgende afdeling toegevoegd:

Afdeling 10: Perfluoralkylstoffen

Levensmiddelen (1)

Maximumgehalte (μg/kg vers gewicht)

PFOS  (*)

PFOA  (*)

PFNA  (*)

PFHxS  (*)

Som van PFOS, PFOA, PFNA en PFHxS  (*)  (**)

10.1

Eieren

1,0

0,30

0,70

0,30

1,7

10.2

Visserijproducten (26) en tweekleppige weekdieren (26)

 

 

 

 

 

10.2.1

Visvlees (24) (25)

 

 

 

 

 

10.2.1.1

Spiervlees van vis, met uitzondering van spiervlees als vermeld onder 10.2.1.2 en 10.2.1.3.

Vlees van vis als vermeld in 10.2.1.2 en 10.2.1.3, indien het bestemd is voor de productie van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters.

2,0

0,20

0,50

0,20

2,0

10.2.1.2

Vlees van de volgende vissoorten, indien het niet bestemd is voor de productie van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters:

Oostzeeharing (Clupea harengus membras)

Bonito (Sarda en Orcynopsis spp.)

Kwabaal (Lota lota)

Sprot (Sprattus sprattus)

Bot (Platichthys flesus en Glyptocephalus cynoglossus)

Grootkopharder (Mugil cephalus)

Horsmakreel (Trachurus trachurus)

Snoek (Esox spp.)

Schol (Pleuronectes en Lepidopsetta spp.)

Sardine (Sardina spp.)

Zeebaars (Dicentrarchus spp.)

Meerval (Silurus en Pangasiusspp.)

Zeelamprei of zeeprik of grote negenoog (Petromyzon marinus)

Zeelt (Tinca tinca)

Kleine marene (Coregonus albula en Coregonus vandesius)

Zilverlichtvis (Phosichthys argenteus)

Wilde zalm en wilde forel (wilde Salmo en Oncorhynchus spp.)

Zeewolf (Anarhichas spp.)

7,0

1,0

2,5

0,20

8,0

10.2.1.3

Vlees van de volgende vissoorten, indien het niet bestemd is voor de productie van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters:

Ansjovis (Engraulis spp.)

Barbeel (Barbus barbus)

Brasem (Abramis spp.)

Zalmforel (Salvelinus spp.)

Paling of aal (Anguilla spp.)

Snoekbaars (Sander spp.)

Baars (Perca fluviatilis)

Blankvoorn (Rutilus rutilus)

Spiering (Osmerus spp.)

Houting (Coregonus spp.)

35

8,0

8,0

1,5

45

10.2.2

Schaaldieren (26) (47) en tweekleppige weekdieren (26).

Het maximumgehalte voor schaaldieren geldt voor vlees van aanhangsels en buik (44). In geval van krabben en krabachtige schaaldieren (Brachyura en Anomura) geldt het maximumgehalte voor vlees van aanhangsels.

3,0

0,70

1,0

1,5

5,0

10.3

Vlees en eetbaar slachtafval (6)

 

 

 

 

 

10.3.1

Vlees van runderen, varkens en pluimvee

0,30

0,80

0,20

0,20

1,3

10.3.2

Vlees van schapen

1,0

0,20

0,20

0,20

1,6

10.3.3

Slachtafval van runderen, schapen, varkens en pluimvee

6,0

0,70

0,40

0,50

8,0

10.3.4

Vlees van wild, met uitzondering van vlees van beren

5,0

3,5

1,5

0,60

9,0

10.3.5

Slachtafval van wild, met uitzondering van slachtafval van beren

50

25

45

3,0

50


(*)  Het maximumgehalte is van toepassing op de som van lineaire en vertakte stereo-isomeren, ongeacht of zij chromatografisch gescheiden zijn.

(**)  Voor de som van PFOS, PFOA, PFNA en PFHxS worden de ondergrensconcentraties berekend in de veronderstelling dat alle waarden onder de bepaalbaarheidsgrens nul zijn.”.


8.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/42


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/2389 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2022

tot vaststelling van regels voor de eenvormige toepassing van de frequentie van de overeenstemmingscontroles en de materiële controles van zendingen planten, plantaardige producten en andere materialen die de Unie binnenkomen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (1), en met name artikel 54, lid 3, eerste alinea, punten a) en c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2017/625 bevat voorschriften voor de uitvoering van officiële controles door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op goederen die de Unie binnenkomen om na te gaan of de agro-voedselketenwetgeving van de Unie wordt nageleefd.

(2)

De voorschriften van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (2) betreffende de frequentie van de overeenstemmingscontroles en de materiële controles van planten, plantaardige producten en andere materialen die de Unie binnenkomen, zijn met ingang van 14 december 2022 niet langer van toepassing. Daarom moeten nieuwe regels worden vastgesteld, rekening houdend met het kader dat is vastgesteld bij Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad (3) en Verordening (EU) 2017/625, om de continuïteit van de desbetreffende bepalingen vanaf 14 december 2022 te waarborgen.

(3)

De frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles moet worden vastgesteld afhankelijk van het fytosanitaire risico van elk goed of elke categorie goederen.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de krachtens deze verordening vereiste frequentie van materiële controles op uniforme wijze wordt nageleefd, moet in deze verordening worden bepaald dat voor de selectie van zendingen voor materiële controles gebruik moet worden gemaakt van het in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc).

(5)

De bij deze verordening vastgestelde frequenties moeten van toepassing zijn op de in artikel 47, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde goederen die de Unie binnenkomen, met uitzondering van goederen in doorvoer.

(6)

Om het hoogst mogelijke niveau van fytosanitaire bescherming te waarborgen, moet de basisfrequentie voor overeenstemmingscontroles en voor materiële controles van zendingen goederen als bedoeld in artikel 47, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/625 100 % bedragen.

(7)

Om een evenredige reactie op het respectieve fytosanitaire risico te verzekeren, moet het echter mogelijk zijn de frequentie van de overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen op een niveau van minder dan 100 % vast te stellen.

(8)

De frequentie van 100 % moet niettemin gelden voor de overeenstemmings- en materiële controles van alle voor opplant bestemde planten en voor alle planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor een maatregel geldt die is vastgesteld in overeenkomstig artikel 28, lid 1, artikel 30, lid 1, en artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 vastgestelde handelingen, vanwege het toegenomen fytosanitaire risico van die producten.

(9)

Aangezien de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van het type en de frequentie van de overeenstemmingscontroles en materiële controles van planten, plantaardige producten en andere goederen, die krachtens Verordening (EG) nr. 1756/2004 van de Commissie (4) van toepassing zijn, doeltreffend zijn gebleken, moeten zij dienovereenkomstig in deze verordening worden vastgesteld. Die voorwaarden en criteria omvatten met name de selectie van zendingen voor materiële controles, de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles en de criteria voor de vaststelling en wijziging van de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van planten, plantaardige producten en andere materialen of categorieën daarvan.

(10)

Op basis van de door de Commissie overeenkomstig artikel 125, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 verzamelde informatie, de resultaten van de controles door deskundigen van de Commissie in derde landen overeenkomstig artikel 120, lid 1, van die verordening en de via Imsoc verzamelde informatie, moet het mogelijk zijn de frequentie van de materiële controles te wijzigen op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria voor de vaststelling en wijziging van de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van planten, plantaardige producten en andere materialen of categorieën daarvan.

(11)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om bij de Commissie een aanvraag in te dienen tot wijziging van de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen van een plant, plantaardig product of ander materiaal, of een categorie daarvan, om ervoor te zorgen dat die frequentie wordt geactualiseerd op basis van de nieuwste ontwikkelingen in het werkveld, en om de Commissie in staat te stellen te bepalen of een dergelijke wijziging passend is.

(12)

De frequenties moeten jaarlijks worden herzien met inachtneming van de in artikel 54, lid 3, punt a), i), ii), iv), v) en vi), van Verordening (EU) 2017/625 vermelde elementen, om ervoor te zorgen dat de bepalingen van die verordening worden nageleefd.

(13)

Met het oog op de efficiëntie van de officiële controles moeten de overeenkomstig deze verordening vastgestelde frequenties via het Imsoc worden meegedeeld.

(14)

De officiële controles, de overeenstemmingscontroles en de materiële controles moeten zo worden uitgevoerd dat de voor de zending verantwoordelijke exploitant niet kan voorspellen of een bepaalde zending aan een materiële controle zal worden onderworpen.

(15)

Aangezien bij deze verordening bepalingen worden vastgesteld op de onder Verordening (EG) nr. 1756/2004 vallende gebieden, moet die verordening met ingang van de in deze verordening bepaalde datum worden ingetrokken.

(16)

Aangezien de regels van Richtlijn 2000/29/EG met ingang van 14 december 2022 niet langer van toepassing zijn, moeten de in deze verordening vastgestelde regels met ingang van 14 december 2022 van toepassing zijn. Daarom moet deze verordening in werking treden op de eerste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, teneinde die datum van toepassing te waarborgen.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld voor de uniforme toepassing van de passende frequentie, en de wijzigingen van die frequentie, van overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen van goederen als bedoeld in artikel 47, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2017/625 die de Unie binnenkomen.

Artikel 2

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“frequentie”: het minimumpercentage van zendingen dieren en goederen als bedoeld in artikel 1, vastgesteld overeenkomstig deze verordening, van het aantal zendingen dat tijdens een bepaalde periode aan de grenscontrolepost aankomt, waarvoor de bevoegde autoriteiten overeenstemmingscontroles en materiële controles moeten uitvoeren;

2)

“Imsoc”: het informatiemanagementsysteem voor officiële controles als bedoeld in artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625.

Artikel 3

Selectie van zendingen voor materiële controles

1.   De bevoegde autoriteiten selecteren zendingen voor materiële controles overeenkomstig de volgende procedure:

a)

een willekeurige selectie van een zending wordt automatisch door Imsoc gegenereerd;

b)

de bevoegde autoriteiten kunnen besluiten de zending overeenkomstig punt a) te selecteren of een andere zending goederen van dezelfde categorie en oorsprong te selecteren.

2.   Voor elke overeenkomstig lid 1 voor materiële controles geselecteerde zending voeren de bevoegde autoriteiten de in artikel 3, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2130 van de Commissie (5) bedoelde overeenstemmingscontroles uit.

Artikel 4

Frequentie van de overeenstemmingscontroles en de materiële controles

1.   De bevoegde autoriteiten verrichten overeenstemmingscontroles en materiële controles op zendingen planten, plantaardige producten en andere materialen, met de overeenkomstig leden 2 tot en met 6 vastgestelde frequentie.

2.   De basisfrequentie voor overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen goederen als bedoeld in artikel 1 bedraagt 100 %.

3.   In afwijking van lid 2 zijn de overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen, zoals vermeld in bijlage I met hun respectieve oorsprong uit alle of bepaalde derde landen, onderworpen aan de in die bijlage gespecificeerde respectieve frequenties.

4.   De in lid 3 bedoelde frequenties zijn niet van toepassing op:

a)

planten bestemd voor opplant;

b)

planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor een maatregel geldt die is vastgesteld in overeenkomstig artikel 28, lid 1, artikel 30, lid 1, en artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 vastgestelde handelingen.

5.   De in lid 3 bedoelde frequenties worden bepaald aan de hand van de in bijlage II vermelde criteria.

6.   Wanneer de invoer van een plant, plantaardig product of ander materiaal, of een categorie daarvan, niet langer voldoet aan de criteria van bijlage II, wordt die plant, dat plantaardig product of dat ander materiaal uit bijlage I geschrapt, zoals bepaald in de in artikel 6, lid 2, bedoelde evaluatie.

Artikel 5

Aanvragen tot wijziging van de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen

De lidstaten kunnen bij de Commissie een aanvraag indienen tot wijziging van de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen van een plant, plantaardig product of ander materiaal, of een categorie daarvan, die de Unie binnenkomen, waarna de Commissie kan bepalen of een dergelijke wijziging passend is. De aanvraag dient de in bijlage III vermelde gegevens te bevatten.

Artikel 6

Wijziging van de frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen

1.   De in bijlage I vastgestelde frequenties worden gewijzigd met betrekking tot de criteria van artikel 54, lid 3, punt a), i), ii), iv), v) en vi), van Verordening (EU) 2017/625, de criteria van bijlage II en, in voorkomend geval, de in bijlage III vermelde informatie.

2.   De frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, wordt ten minste eenmaal per jaar geëvalueerd om rekening te houden met nieuwe informatie die via Imsoc is verzameld of door de lidstaten is verstrekt, en dienovereenkomstig gewijzigd.

3.   In voorkomend geval voert de Commissie in het Imsoc alle wijzigingen in die worden aangebracht in de lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, en in de frequenties, zoals vastgesteld in bijlage I.

Artikel 7

Intrekkingen

Verordening (EG) nr. 1756/2004 wordt ingetrokken met ingang van 14 december 2022.

Artikel 8

Inwerkingtreding en datum van toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 14 december 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 december 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4).

(4)  Verordening (EG) nr. 1756/2004 van de Commissie van 11 oktober 2004 tot vaststelling van de gedetailleerde voorwaarden inzake de vereiste aanwijzingen en de criteria inzake type en niveau van de beperking van de fytosanitaire controles op bepaalde in bijlage V, deel B, van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad genoemde planten, plantaardige producten of andere materialen (PB L 313 van 12.10.2004, blz. 6).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2130 van de Commissie van 25 november 2019 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor de werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd tijdens en na documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles van dieren en goederen die onderworpen zijn aan officiële controles aan grenscontroleposten (PB L 321 van 12.12.2019, blz. 128).


BIJLAGE I

Frequentie van overeenstemmingscontroles en materiële controles van zendingen van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, zoals bedoeld in artikel 4, lid 3

Planten, plantaardige producten of andere materialen, of een categorie daarvan

Land van oorsprong

Minimumfrequentie van de overeenstemmings- en materiële controles (%)

Snijbloemen

Asters

Zimbabwe

75

Dianthus

Colombia

3

Dianthus

Ecuador

15

Dianthus

Kenia

5

Dianthus

Turkije

50

Gipskruid

Ecuador

5

Gipskruid

Kenia

10

Phoenix

Costa Rica

50

Rosa

Colombia

5

Rosa

Ecuador

1

Rosa

Ethiopië

5

Rosa

Kenia

10

Rosa

Tanzania

100

Rosa

Zambia

50

Vruchten

Actinidia

Alle derde landen

10

Carica papaya

Alle derde landen

10

Fragaria

Alle derde landen

5

Persea americana

Alle derde landen

3

Rubus

Alle derde landen

5

Vitis

Alle derde landen

1

Malus

Europese derde landen (1)

15

Prunus

Europese derde landen (1)  (2)

15

Pyrus

Europese derde landen (1)

100

Vaccinium

Europese derde landen (1)

50

Citrusvruchten

Egypte

50

Citrusvruchten

Israël

35

Citrusvruchten

Mexico

25

Citrusvruchten

Marokko

3

Citrusvruchten

Peru

10

Citrusvruchten

Turkije

7

Citrusvruchten

Verenigde Staten van Amerika

50

Malus

Argentinië

35

Malus

Brazilië

100

Malus

Chili

5

Malus

Nieuw-Zeeland

10

Malus

Zuid-Afrika

15

Mangifera

Brazilië

75

Passiflora

Colombia

5

Passiflora

Kenia

75

Passiflora

La Réunion

10

Passiflora

Zuid-Afrika

75

Passiflora

Vietnam

15

Passiflora

Zimbabwe

100

Prunus

Argentinië

100

Prunus

Chili

10

Prunus

Marokko

100

Prunus persica

Zuid-Afrika

50

Prunus — overige

10

Prunus

Turkije

35

Prunus

Verenigde Staten van Amerika

100

Psidium

Brazilië

100

Pyrus

Argentinië

25

Pyrus

Chili

15

Pyrus

China

100

Pyrus

Zuid-Afrika

10

Vaccinium

Argentinië

25

Vaccinium

Chili

10

Vaccinium

Peru

10

Groenten

Capsicum

Israël

100

Capsicum

Marokko

100

Solanum lycopersicum

Canarische Eilanden

25

Solanum lycopersicum

Marokko

1

Solanum melongena

Kenia

100

Solanum melongena

Turkije

100

Wortel- en knolgewassen, met uitzondering van knollen van Solanum tuberosum L. (3)

Alle derde landen (4)

5

Hout

Naaldhout (m.u.v. Larix)

Rusland (alleen de volgende delen: Centraal Federaal District (Tsentralny federalny okrug), Noordwestelijk Federaal District (Severo-Zapadny federalny okrug), Zuidelijk Federaal District (Yuzhny federalny okrug), Noord-Kaukasisch Federaal District (Severo-Kavkazsky federalny okrug) en Federaal District Privolzjski (Wolga) (Prilozhsky federalny okrug))

1

Gebruikte machines

Machines en voertuigen die werden geëxploiteerd voor land- en bosbouwdoeleinden

Alle derde landen

10


(1)  Albanië, Andorra, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Bosnië en Herzegovina, Canarische Eilanden, de Faeröer, Georgië, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Monaco, Montenegro, Noord-Macedonië, Noorwegen, Oekraïne, Rusland (alleen de volgende delen: Centraal Federaal District (Tsentralny federalny okrug), Noordwestelijk Federaal District (Severo-Zapadny federalny okrug), Zuidelijk Federaal District (Yuzhny federalny okrug), Noord-Kaukasisch Federaal District (Severo-Kavkazsky federalny okrug) en Federaal District Privolzjski (Wolga) (Prilozhsky federalny okrug)), San Marino, Servië, Turkije en het Verenigd Koninkrijk.

(2)  Andere dan Turkije.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PB L 319 van 10.12.2019, blz. 103).

(4)  Andere dan Kameroen.


BIJLAGE II

Criteria voor de vaststelling en wijziging van de frequenties voor planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, als bedoeld in artikel 4, leden 5 en 6

1.   

Een nieuwe frequentie kan worden vastgesteld wanneer:

a)

het gemiddelde aantal zendingen dat de Unie in de afgelopen drie jaar is binnengekomen, ten minste 200 per jaar bedraagt;

b)

het minimumaantal zendingen planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, die de Unie binnenkomen en waarvoor in de voorgaande drie jaar documentencontroles, overeenstemmingscontroles en materiële controles zijn uitgevoerd, ten minste 600 bedraagt;

c)

het aantal zendingen van de planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, waarvan is vastgesteld dat zij besmet zijn met EU-quarantaineorganismen, elk jaar minder dan 1 % van het totale aantal zendingen van die planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, die in de Unie zijn ingevoerd, bedraagt.

2.   

De frequentiesnelheden kunnen worden gewijzigd met inachtneming van:

a)

de geraamde mobiliteitsindex van de EU-quarantaineorganismen in het meest mobiele stadium waarin zij zich zouden kunnen ontwikkelen op de desbetreffende planten, plantaardige producten of andere materialen, of categorieën daarvan;

b)

het aantal zendingen planten, plantaardige producten en andere materialen, of categorieën daarvan, waarvoor in het voorgaande jaar overeenstemmingscontroles en materiële controles zijn uitgevoerd;

c)

het totale aantal en de bijzonderheden van gevallen van niet-naleving als gevolg van de aanwezigheid van EU-quarantaineorganismen in verband met zendingen die op grond van deze verordening zijn ingevoerd;

d)

het totale aantal zendingen van de betrokken goederen waarvan kennis is gegeven om andere redenen dan de aanwezigheid van de EU-quarantaineorganismen en de bijzonderheden daarvan, alsmede

e)

alle andere factoren die relevant zijn voor de bepaling van het fytosanitaire risico in verband met de betrokken handel.


BIJLAGE IΙΙ

Gegevens die vereist zijn voor de indiening van aanvragen bij de Commissie als bedoeld in artikel 5

De in artikel 5 bedoelde gegevens moeten het volgende omvatten:

a)

een omschrijving van de betrokken goederen;

b)

de oorsprong van de betrokken goederen;

c)

het volume van de invoer in de lidstaat van de betrokken goederen, uitgedrukt als aantal zendingen en gewicht of stuks of eenheden;

d)

de lijst van EU-quarantaineorganismen die op het betrokken product kunnen worden vervoerd;

e)

het aantal zendingen van de betrokken goederen dat niet conform is bevonden als gevolg van de aanwezigheid van de punt d) bedoelde EU-quarantaineorganismen;

f)

de geraamde mobiliteitsindex van de punt d) bedoelde EU-quarantaineorganismen in het meest mobiele stadium waarin het organisme zich op de desbetreffende plant, het desbetreffende plantaardig product of het desbetreffend ander materiaal zou kunnen ontwikkelen;

g)

het aantal zendingen van de betrokken goederen die zijn onderschept om andere redenen dan de aanwezigheid van de punt d) bedoelde EU-quarantaineorganismen;

h)

het aantal zendingen van de betrokken goederen waarop overeenstemmingscontroles en materiële fytosanitaire controles zijn uitgevoerd.

Voor de onder de punten c), e), g) en h) bedoelde informatie moet het dossier gegevens verstrekken over een periode van minimaal drie jaar voorafgaand aan het jaar waarin het wordt ingediend.


8.12.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 316/52


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/2390 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2022

tot wijziging van het bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/823 ingestelde definitieve compenserende recht op bepaalde regenboogforel van oorsprong uit Turkije naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 19 van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de “basisverordening”), en met name artikel 19,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/309 (2) heeft de Commissie definitieve compenserende rechten ingesteld op bepaalde regenboogforel van oorsprong uit Turkije (“het oorspronkelijke onderzoek”).

(2)

Naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek (“het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek”) betreffende subsidiëring van alle producenten-exporteurs overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening, heeft de Commissie op 4 juni 2018 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/823 (3) (“de verordening na het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek”) besloten de bij het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde maatregelen te handhaven.

(3)

Naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening (“het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek”) heeft de Commissie op 15 mei 2020 de hoogte van het compenserende recht voor één producent-exporteur bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/658 (4) (“de verordening na het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek”) gewijzigd.

(4)

Op 25 mei 2021 heeft de Commissie, na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening (“het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”), de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde maatregelen, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/658, bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/823 van de Commissie (5) (“de verordening na het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”) met nog eens vijf jaar verlengd.

(5)

De thans geldende definitieve compenserende rechten variëren van 1,5 % tot en met 9,5 %.

1.2.   Opening van een nieuw onderzoek

(6)

De Commissie heeft op eigen initiatief besloten een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te openen, aangezien zij over voldoende bewijsmateriaal beschikte waaruit bleek dat de omstandigheden met betrekking tot de subsidiëring op grond waarvan de bestaande maatregelen werden ingesteld, waren gewijzigd en dat die wijzigingen van blijvende aard waren.

(7)

Meer in het bijzonder zijn er sinds 2016 belangrijke wijzigingen aangebracht in de structuur en de uitvoeringsvoorwaarden van de door de Turkse overheid aan producenten van regenboogforel verleende subsidies. Deze wijzigingen leken te hebben geleid tot een daling van de rechtstreekse subsidies aan de Turkse regenboogforelkwekers.

(8)

Volgens de Commissie was er voldoende bewijsmateriaal waaruit bleek dat de subsidieomstandigheden aanzienlijk waren gewijzigd, dat die wijzigingen van blijvende aard zijn en dat de maatregelen bijgevolg voor alle producenten-exporteurs opnieuw moeten worden onderzocht.

(9)

Aangezien de Commissie, nadat zij de lidstaten had geïnformeerd, concludeerde dat er voldoende bewijsmateriaal was om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te openen, kondigde zij met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie op 20 september 2021 (6) (“het bericht van opening”) aan dat zij op grond van artikel 19 van de basisverordening een nieuw onderzoek zou openen.

1.3.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek

(10)

Het subsidieonderzoek had betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 (“het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “TNO”).

1.4.   Belanghebbenden

(11)

In het bericht van opening zijn de belanghebbenden uitgenodigd contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de bedrijfstak van de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs en de Turkse overheid specifiek van de opening van het onderzoek in kennis gesteld en hen verzocht mee te werken.

(12)

Alle belanghebbenden is verzocht hun standpunt kenbaar te maken en informatie en bewijsmateriaal in te dienen binnen de termijnen zoals vastgesteld in het bericht van opening. De belanghebbenden zijn ook in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en te verzoeken om een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

1.5.   Steekproef van exporteurs

(13)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van producenten-exporteurs zou samenstellen overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening.

(14)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in Turkije verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken.

(15)

Daarnaast heeft zij de Vertegenwoordiging van de Republiek Turkije bij de Europese Unie verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, op te sporen en/of contact met hen op te nemen.

(16)

13 producenten-exporteurs en groepen van producenten-exporteurs in Turkije hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Het door deze ondernemingen aangegeven totale volume van de uitvoer van bepaalde regenboogforel naar de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek kwam overeen met 100 % van de uitvoer uit Turkije naar de Unie.

(17)

Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van drie producenten-exporteurs of groepen van producenten-exporteurs samengesteld op basis van het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. De steekproef vertegenwoordigde meer dan 60 % van de aangegeven uitvoer naar de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

(18)

Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de Turkse autoriteiten geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef.

1.6.   Opmerkingen over de selectie van de steekproef

(19)

De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van de meewerkende exporteurs Selina Balık İşleme Tesisi İthalat İhracat ve Ticaret A.Ş, (“Selina Balik”) en Kılıç Deniz Ürünleri Üretimi İhracat İthalat ve Ticaret A.Ş. (“Kılıç Deniz”), die verzochten om in de steekproef te worden opgenomen.

(20)

De Commissie heeft deze verzoeken behandeld in mededeling die op 22 oktober 2021 in het niet-vertrouwelijke dossier werd opgenomen. Zoals in de mededeling werd uiteengezet, werden beide verzoeken afgewezen omdat de steekproef was samengesteld op basis van het grootste representatieve uitvoervolume dat in de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht.

(21)

Selina Balık en Kılıç Deniz behoorden niet tot de grootste producenten-exporteurs en daarom zou de toevoeging van deze ondernemingen de steekproef niet aanzienlijk representatiever maken en de tijdige afronding van het onderzoek mogelijk in de weg staan.

(22)

Op 11 november 2021 heeft de Deense aquacultuurorganisatie (“DAO”), die de producenten van regenboogforel in de Unie vertegenwoordigt, de Commissie verzocht kleinere forelkwekers uit Turkije in de steekproef op te nemen, aangezien de subsidieregelingen zodanig waren gewijzigd dat zij kleine kwekers meer ten goede kwamen dan grote. De DAO merkte in dit verband op dat de subsidiëring van kleinere kwekers daadwerkelijk hoger uitvalt als gevolg van de wijzigingen in de regelingen inzake rechtstreekse subsidies, met name door de instelling van productieplafonds.

(23)

De DAO verzocht de Commissie derhalve de methode voor de samenstelling van de steekproef te wijzigen, en om in plaats van het grootste uitvoervolume dat redelijkerwijs kon worden onderzocht een statistisch geldige steekproef te selecteren die volgens de DAO een juiste afspiegeling vormt van de diversiteit van de Turkse forelkwekers. De DAO stelde echter geen specifieke meewerkende exporteur voor die in de steekproef moest worden opgenomen.

(24)

De Commissie heeft dit verzoek afgewezen, omdat de van de exporteurs gevraagde informatie voor de samenstelling van de steekproef geen informatie bevatte op basis waarvan zij de steekproef op die manier kon samenstellen.

(25)

De wijzigingen in de regelingen inzake rechtstreekse subsidies, zoals uiteengezet in punt 4, komen tot uiting in de berekening van het voordeel.

1.7.   Verzoeken om individuele vaststelling van de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor niet in de steekproef opgenomen ondernemingen (“individueel onderzoek”)

(26)

Na de opening van het onderzoek heeft de Commissie twee verzoeken op grond van artikel 27, lid 3, van de basisverordening ontvangen om individuele vaststelling van de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies. Deze verzoeken werden gedaan in de antwoorden op de vragenlijst.

(27)

Het eerste verzoek was afkomstig van de onderneming Selina Balık.

(28)

De Commissie heeft haar verzoek om een individueel onderzoek ingewilligd omdat zij de situatie van de onderneming reeds opnieuw onderzocht in het kader van een parallel tussentijds nieuw onderzoek met betrekking tot hetzelfde product. Dit tussentijdse nieuwe onderzoek werd op 5 februari 2021 geopend (7). Selina Balık trok haar verzoek om een nieuw onderzoek echter in, waarop de Commissie het onderzoek op 10 maart 2022 beëindigde (8).

(29)

Selina Balık had een volledig ingevulde vragenlijst ingediend voor hetzelfde tijdvak van het nieuwe onderzoek als het TNO van het onderhavige tussentijdse nieuwe onderzoek (namelijk het kalenderjaar 2020). De onderneming stemde ermee in dat de verstrekte informatie in het onderhavige nieuwe onderzoek zou worden gebruikt. De Commissie had de ingediende informatie al grotendeels gecontroleerd en had alleen de kruislingse controle op afstand niet verricht.

(30)

Daarom was er bij de opening van dit onderzoek reeds volledige informatie beschikbaar en kon het onderzoeken van de situatie van Selina Balık in het kader van dit nieuwe onderzoek niet als te belastend worden beschouwd.

(31)

Het tweede verzoek was afkomstig van de onderneming Kılıç Deniz.

(32)

De situatie van Kılıç Deniz verschilde van die van Selina Balık. Er was vooraf geen antwoord op de vragenlijst beschikbaar en daarom zouden het verzamelen van de nodige informatie en de analyse van de verstrekte gegevens volledig tijdens het onderhavige onderzoek plaatsvinden, naast de verzameling en analyse van de gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs.

(33)

De Commissie was derhalve van mening dat aanvaarding van dit verzoek te belastend zou zijn en een tijdige afronding van het onderzoek in de weg zou staan. Dit verzoek om een individueel onderzoek werd bijgevolg afgewezen.

(34)

In zijn na de mededeling van feiten en overwegingen ingediende opmerkingen stelde Kilic Deniz dat zijn verzoek om een individueel onderzoek had moeten worden ingewilligd, aangezien het op dezelfde gronden was gebaseerd als dat van Selina Balik. Kilic Deniz stelde ook dat het feit dat Selina Balik reeds informatie had verstrekt in een lopend parallel onderzoek niet in aanmerking mag worden genomen, aangezien dit discriminerend zou zijn, en dat de Commissie in het huidige gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek de antwoorden van Kılıç Deniz en Selina Balık op de vragenlijst gelijktijdig heeft ontvangen.

(35)

Zoals uiteengezet in overweging 32, was de Commissie van oordeel dat de situatie van beide ondernemingen verschilde en dat het daarom ook gerechtvaardigd was beide ondernemingen verschillend te behandelen.

(36)

Doordat er een parallel onderzoek naar de individuele situatie van Selina Balik liep, dat betrekking had op hetzelfde TNO als het huidige nieuwe onderzoek, kon de Commissie reeds in een vroeg stadium beschikken over dezelfde dataset die in het huidige nieuwe onderzoek nodig zou zijn geweest.

(37)

Zoals uiteengezet in overweging 29, hadden Selina Balik en zijn verbonden ondernemingen in hun eigen tussentijdse nieuwe onderzoek de vragenlijst al beantwoord en was een procedure met betrekking tot tekortkomingen in de verstrekte gegevens afgerond. De procedure met betrekking tot de ontoereikende gegevens vergde aanzienlijke middelen, aangezien de antwoorden op de vragenlijst grondig moesten worden onderzocht en de tekortkomingen samen met de ondernemingen moesten worden opgespoord en verholpen.

(38)

Aangezien Selina Balik de Commissie toestemming heeft verleend om de in het parallelle nieuwe onderzoek ingediende gegevens te gebruiken, kon de Commissie die gegevens ten volle in aanmerking nemen in dit nieuwe onderzoek. Daarom heeft de Commissie het argument van discriminerende behandeling afgewezen.

(39)

Kilic Deniz stelde verder dat de Commissie had moeten oordelen dat de onderneming reeds ervaring had met medewerking aan antisubsidieonderzoeken, aangezien zij heeft deelgenomen aan het oorspronkelijke onderzoek, het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek en het subsidieonderzoek betreffende de invoer van zeebaars en zeebrasem uit Turkije in 2015, dat werd beëindigd omdat de betrokken subsidieregeling werd ingetrokken.

(40)

Aangaande dit argument merkte de Commissie op dat het toekennen van een individueel onderzoek betrekking heeft op de last bij het onderzoek en niet op de last voor of de ervaring van de onderneming die om deze behandeling verzoekt.

(41)

Kilic Deniz merkte ook op dat hij tijdens het TNO de op drie na grootste producent-exporteur in Turkije was en meer naar de Europese Unie had uitgevoerd dan Selina Balık, waarmee de Commissie bij haar keuze voor een individueel onderzoek rekening had moeten houden.

(42)

De Commissie verwierp deze opmerking, aangezien dit geen voorwaarde is voor de toekenning van een individueel onderzoek, maar veeleer betrekking heeft op de vraag of een onderneming in de steekproef van exporteurs moet worden opgenomen. Zoals uiteengezet in overweging 17, moest die steekproef worden beperkt.

(43)

Kilic Deniz heeft ook verzocht om zijn gewijzigde recht van 1,5 % gedurende vijf jaar vanaf de datum van de wijziging te laten gelden, zodat het tijdens dit nieuwe onderzoek niet kon worden gewijzigd.

(44)

De Commissie merkte op dat in artikel 18, lid 1, van de basisverordening is bepaald dat een definitieve compenserende maatregel vijf jaar na de instelling ervan vervalt. Het op de invoer van Kilic Deniz geheven recht is ingesteld op 28 februari 2015, zodat de periode van vijf jaar op die datum is ingegaan.

(45)

De verordening na het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek, waarbij het individuele recht voor Kilic Deniz van 9,5 % tot 1,5 % is teruggebracht, wijzigde eenvoudigweg de tabel in artikel 2 van de oorspronkelijke verordening en heeft geen gevolgen voor de duur van de maatregelen die op een bepaald niveau van kracht blijven. Het verzoek werd derhalve afgewezen.

(46)

Kilic Deniz stelde ook dat zijn bestaande individuele recht van 1,5 %, dat het gevolg is van het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek, moet worden gehandhaafd ongeacht de resultaten van het huidige tussentijdse nieuwe onderzoek, aangezien de redenen voor de opening van beide nieuwe onderzoeken dezelfde waren en de Commissie niet heeft aangetoond dat de gewijzigde omstandigheden met betrekking tot Kilic Deniz in het huidige TNO van blijvende aard zijn en een wijziging van het niveau van het recht rechtvaardigen.

(47)

De Commissie verwerpt ook dit argument van Kilic Deniz dat de redenen voor het nieuwe onderzoek overeenkomen met die van het nieuwe onderzoek dat tot de verordening na het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek heeft geleid.

(48)

Zoals uiteengezet in punt 4 van het bericht van opening (9), zijn de redenen voor het tweede tussentijdse nieuwe onderzoek specifiek voor Kilic Deniz en de omvang van het door deze onderneming ontvangen voordeel. Het huidige nieuwe onderzoek is geopend op basis van veranderingen die gevolgen hadden voor alle producenten in Turkije.

(49)

In overweging 285 en volgende heeft de Commissie geanalyseerd of de gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het onderzoektijdvak van de oorspronkelijke verordening van blijvende aard zijn.

(50)

Die analyse betreft het gehele land, waarbij ook rekening wordt gehouden met de situatie van de individuele producenten-exporteurs die subsidies van de Turkse overheid hebben ontvangen. Het argument dat de Commissie de individuele situatie van Kilic Deniz niet in aanmerking heeft genomen, werd derhalve afgewezen.

(51)

Kilic Deniz stelde ook dat de Commissie voor elke bekende producent-exporteur een individuele subsidiemarge moet vaststellen, aangezien de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen geen bepaling inzake steekproeven bevat.

(52)

De Commissie verwerpt deze bewering, aangezien artikel 27 van de basisverordening duidelijk in steekproeven voorziet.

(53)

Tijdens het onderzoek heeft de Commissie alle belanghebbenden ook duidelijk gemaakt dat aan alle niet in de steekproef opgenomen medewerkende exporteurs waaraan geen individueel onderzoek zou worden toegestaan, het gemiddelde recht zou worden opgelegd.

1.8.   Antwoorden op de vragenlijsten en niet-medewerking

(54)

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek nodig achtte, heeft de Commissie vragenlijsten gestuurd naar de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en naar de Turkse overheid. De drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de Turkse overheid hebben antwoorden op de vragenlijst ingestuurd. De Commissie ontving ook antwoorden op de vragenlijst van de twee producenten-exporteurs die om een individueel onderzoek hadden verzocht.

1.9.   Controle

(55)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van de subsidiëring nodig achtte, verzameld en gecontroleerd.

(56)

Door het uitbreken van de COVID-19-pandemie en de maatregelen om de uitbraak in te dammen (10), kon de Commissie echter geen controlebezoeken in de bedrijfsruimten van alle ondernemingen uitvoeren in overeenstemming met artikel 26 van de basisverordening.

(57)

In plaats daarvan heeft de Commissie kruislingse controles op afstand verricht van de door de volgende ondernemingen verstrekte informatie:

 

Producenten-exporteurs en verbonden ondernemingen:

Gumusdoga-groep:

Gümüşdoğa Su Ürünleri Üretim İhracat İthalat A.Ş.

Akyol Su Ürünleri Üretim Taşımacılık Komisyon İthalat İhracat Pazarlama Sanayi Ticaret Ltd Şti

Yerdeniz Su Ürünleri Sanayi ve Ticaret Ltd Şti

Bengi Su Ürünleri Sanayi ve Ticaret Limited Şirketi

Hakan Yem Üretim Ticaret ve Sanayi Limited Şirketi

Ozpekler-groep:

Özpekler İnşaat Taahhüd Dayanıklı Tüketim Malları Su Ürünleri Sanayi ve Ticaret Limited Şirketi

Özpekler İthalat İhracat Su Ürünleri Sanayi ve Ticaret Ltd Şti

Fishark-groep:

Fishark Su Ürünleri Üretim ve Sanayi Ticaret A.Ş.

Fishark Gıda Sanayi Ticaret A.Ş.

Kemer Su Ürünleri Üretim ve Ticaret A.Ş.

Selina Balik-groep:

Selina Balık İşleme Tesisi İthalat İhracat Ticaret Anonim Şirketi

Selina Fish Su Ürünleri Ticaret Limited Şirketi

Ayhan Alp Alabalık Üretim ve Ticaret

 

Turkse overheid:

Ministerie van Handel, Republiek Turkije

Ministerie van Land- en Bosbouw, Republiek Turkije

1.10.   Vervolg van de procedure

(58)

Op 25 augustus 2022 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens is de compenserende rechten te wijzigen (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen ten aanzien van de mededeling van feiten en overwegingen.

(59)

De Commissie heeft de opmerkingen van belanghebbenden onderzocht en, indien passend, in aanmerking genomen. De partijen die hierom verzochten, werden gehoord.

(60)

Na ontvangst van de opmerkingen van de belanghebbenden heeft de Commissie bepaalde belangrijke feiten en overwegingen aangepast en op 23 september 2022 een “aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen” aan alle belanghebbenden toegezonden. De partijen kregen een termijn om opmerkingen te maken.

(61)

De Turkse overheid heeft overeenkomstig artikel 11, lid 10, van de basisverordening om overleg met de diensten van de Commissie verzocht; dit overleg vond plaats op 4 oktober 2022.

(62)

Na ontvangst van de opmerkingen van de belanghebbenden over de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Commissie twee fouten gecorrigeerd, zoals beschreven in de overwegingen 306 en 135, en zijn de daaruit voortvloeiende gewijzigde berekeningen op 6 oktober 2022 aan de betrokken belanghebbenden meegedeeld. De partijen kregen extra tijd om opmerkingen te maken over deze wijzigingen in hun subsidieberekeningen.

(63)

Gumusdoga, Fishark Ozpekler en Selina Balik herhaalden in hun opmerkingen over de tweede aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen hun reeds in de vorige twee mededelingen aangevoerde argumenten. Die argumenten worden in deze verordening behandeld.

(64)

Gumusdoga verzocht bovendien om een kleine aanpassing van zijn omzet, die door de Commissie is aanvaard en tot de in overweging 306 beschreven correctie heeft geleid.

2.   ONDERZOCHT PRODUCT

(65)

Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op regenboogforel (Oncorhynchus mykiss):

levend, wegende 1,2 kg of minder per stuk, of

vers, gekoeld, bevroren en/of gerookt:

in gehele staat (met kop), ook indien ontdaan van kieuwen, ook indien ontdaan van ingewanden, wegende 1,2 kg of minder per stuk, of

ontdaan van de kop, ook indien ontdaan van kieuwen, ook indien ontdaan van ingewanden, wegende 1 kg of minder per stuk, dan wel

in de vorm van filets, wegende 400 g of minder per stuk,

van oorsprong uit de Republiek Turkije (“het betrokken land”) en momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 0301 91 90, ex 0302 11 80, ex 0303 14 90, ex 0304 42 90, ex 0304 82 90 en ex 0305 43 00 (Taric-codes 0301919011, 0302118011, 0303149011, 0304429010, 0304829010 en 0305430011).

(66)

Tijdens het onderzoek stelde de Commissie vast dat er gepeperde gerookte forelfilets van oorsprong uit de Republiek Turkije in de Unie werden ingevoerd. Een deel van deze filets werd ingevoerd als het onderzochte product waarvoor rechten werden betaald, een ander deel onder een andere tariefpost (GN-code 1604 19 10) waarop geen rechten werden geheven.

(67)

Zowel de producenten-exporteurs in Turkije als de bedrijfstak van de Unie waren van mening dat gepeperde gerookte forelfilets onder de productomschrijving van dit onderzoek en eerdere onderzoeken vielen.

(68)

Het onderzoek heeft ook uitgewezen dat de loutere toevoeging van peper niets verandert aan de belangrijkste basiskenmerken van de gerookte filets. Op basis hiervan en van het feit dat de exporteurs en de bedrijfstak van de Unie het eens waren over de productomschrijving, concludeerde de Commissie dat “gepeperde gerookte filets” inderdaad onder de productomschrijving vallen.

(69)

Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat gepeperde gerookte forelfilets als “gerookt” deel uitmaken van het onderzochte product. Om twijfel weg te nemen, zullen er rechten worden geheven op de invoer van gepeperde gerookte forelfilets indien deze worden aangegeven onder GN-code 1604 19 10 (Taric-code 1604191011).

3.   NAAMSWIJZIGING

(70)

De exporteur Lezita Balık A.Ş, aanvullende Taric-code B968, heeft de Commissie op 9 juni 2021 meegedeeld zijn naam te hebben gewijzigd in Abalıoglu Balik ve Gıda Ürünleri Anonim Şirketi.

(71)

De onderneming heeft de Commissie verzocht te bevestigen dat de naamswijziging niet van invloed is op haar aanspraak op het antisubsidierecht dat onder haar vroegere naam op haar van toepassing was.

(72)

De Commissie heeft de verstrekte informatie onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat de naamswijziging naar behoren bij de bevoegde autoriteiten is geregistreerd (11) en niet heeft geleid tot nieuwe betrekkingen met andere groepen ondernemingen die niet door de Commissie zijn onderzocht.

(73)

De Commissie merkte op dat de onderneming aan dit nieuwe onderzoek heeft meegewerkt door een steekproefformulier in te dienen onder haar nieuwe naam Abalıoglu Balik ve Gıda Ürünleri Anonim Şirketi.

(74)

De naamswijziging is derhalve niet van invloed op de bevindingen van dit onderzoek en met name het op de onderneming toepasselijke antisubsidierecht.

(75)

De naamswijziging moet van toepassing zijn vanaf 7 juli 2020, de datum waarop de onderneming haar naam heeft gewijzigd.

4.   SUBSIDIËRING

(76)

Op basis van de subsidies die in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen werden onderzocht, werd onderzoek gedaan naar de volgende maatregelen, die betrekking zouden hebben op toekenningen uit subsidieprogramma’s:

steun voor de forelkweek;

verlagingen van de vennootschapsbelasting;

vrijstelling van btw en douanerechten op ingevoerde machines;

vrijstelling van btw voor in het binnenland aangekochte machines;

een steunprogramma voor socialezekerheidspremies;

preferentiële leningen;

een regeling voor de toewijzing van grond;

een preferentiële exportverzekering;

verwerkte zeevruchten.

(77)

De Commissie heeft vastgesteld dat de regelingen met betrekking tot socialezekerheidspremies, de toewijzing van grond en verwerkte zeevruchten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen voordeel hebben opgeleverd voor de in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs, en heeft die derhalve niet verder onderzocht.

(78)

Op 11 november 2021 heeft de DAO opmerkingen ingediend over de subsidieregelingen die in het nieuwe onderzoek aan de orde zouden komen.

(79)

De DAO merkte daarin op dat de volgende subsidieregelingen sinds het laatste nieuwe onderzoek waren gewijzigd of geactualiseerd:

investeringssubsidies voor aquacultuur;

verwerkte zeevruchten;

verdisconteringskredieten;

viskweek in aarden vijvers;

steunbetalingen voor publicatie- en adviesdiensten in de landbouw;

door de overheid gesteunde verzekeringen;

door de overheid gesteunde leningen;

steun voor landbouwinvesteringen;

btw-vrijstellingen voor vismeel;

een digitale landbouwmarkt;

steunregelingen voor herstel na de covidpandemie.

(80)

De Commissie merkte op dat de regelingen in Turkije inderdaad van jaar tot jaar worden gewijzigd. Indien de hoogte van het voordeel voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen meeverandert met de wijziging, moet de Commissie nagaan of de omstandigheden daarbij blijvend worden gewijzigd. Zo ja, dan zal de Commissie de maatregelen dienovereenkomstig aanpassen om rekening te houden met de wijziging.

(81)

Zoals hieronder en ook in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen wordt toegelicht, zijn bepaalde door de DAO genoemde regelingen echter niet langer van kracht of leveren ze geen voordeel op voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs.

4.1.   Rechtstreekse steun aan forelkwekers

4.1.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(82)

Tijdens het TNO werd er op grond van presidentieel besluit 2020/3190 (“besluit nr. 3190”) (12) rechtstreekse steun verleend aan forelkwekers. De procedures en beginselen ter uitvoering van het besluit zijn vastgelegd in mededeling 2020/39 (“mededeling nr. 39”) van het Ministerie van Land- en Bosbouw (13).

(83)

De regeling inzake rechtstreekse steun heeft betrekking op de soort regenboogforel (Oncorhynchus mykiss). De regeling is bedoeld om de kosten van het kweken van regenboogforel te compenseren tot het productieplafond.

(84)

De Commissie is van mening dat de regeling inzake rechtstreekse steun is toegesneden op de forelopbrengst. De forelopbrengst van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs omvat zowel eigen gekweekte forel als gekochte forel van andere kwekers in Turkije, en de producenten-exporteurs verwerken en exporteren de forel vervolgens in verschillende aanbiedingsvormen naar de Europese Unie. Deze aanbiedingsvormen, waaronder van ingewanden ontdane en gefileerde forel, vormen het onderzochte product.

(85)

Het steunbedrag voor de productie van “forel” (ongeacht het formaat) werd vastgesteld op 0,75 TL per kg, met een maximum van 350 000 kg per jaar.

(86)

Het steunbedrag voor de productie van “forel boven 1 kg” werd vastgesteld op 1,5 TL per kg, met een maximum van 350 000 kg per jaar. In de mededeling voor 2020 wordt “forel boven 1 kg” gedefinieerd als forellen die minstens 1,25 kg per stuk wegen (14).

(87)

Deze subsidiebedragen voor de forelproductie zijn dezelfde die golden in 2019, het tijdvak van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen.

4.1.2.   Wijzigingen van de regeling voor rechtstreekse steun in de loop van de tijd

(88)

De steun voor de forelkweek wordt verleend op basis van presidentiële besluiten en mededelingen, die jaarlijks worden vastgesteld uit hoofde van artikel 19 van de landbouwwet nr. 5488. Bij deze besluiten en mededelingen wordt de aard van de steun jaarlijks gewijzigd:

Tabel 1

Regeling inzake rechtstreekse steun aan forelkwekers

Jaar

Steunregeling

Steunbedrag per kg

2016

Forel tot 250 MT

0,65  TL

 

Forel tot 500 MT

0,325  TL

2017

Forel tot 250 MT

0,75  TL

 

Forel tot 500 MT

0,375  TL

 

Forel boven 1 kg (aanvullende betaling)

0,25  TL

2018

Forel tot 250 MT

0,75  TL

 

Forel tot 500 MT

0,375  TL

 

Forel boven 1 kg tot 250 MT (aanvullende betaling)

0,25  TL

 

Forel boven 1 kg tot 500 MT (aanvullende betaling)

0,125  TL

2019

Forel tot 350 MT

0,75  TL

 

Forel boven 1 kg tot 350 MT

1,5  TL

2020 (TNO)

Forel tot 350 MT

0,75  TL

 

Forel boven 1 kg tot 350 MT

1,5  TL

(89)

Tijdens het oorspronkelijke onderzoek bestond de regeling uit de betaling van steun aan forelkwekers op basis van de totale forelproductie, ongeacht het formaat, waarbij het voordeel per kilogram forel werd betaald volgens twee afzonderlijke tarieven op basis van de geproduceerde hoeveelheid, met een maximum van 500 ton per jaar.

(90)

Voor het kweekjaar 2017 heeft de Turkse overheid een kleine betaling van 0,25 TL per kilo toegevoegd voor geproduceerde forellen die meer dan één kilo wegen, onder de noemer “forel boven 1 kg”. Deze extra betaling was nog steeds van toepassing op het onderzochte product, dat op het moment van de oogst tot 1,2 kg kan wegen.

(91)

Na overleg met de Commissie over de definitie van “forel boven 1 kg” tijdens het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek (zie de overwegingen 40 tot en met 45 van verordening na het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek) heeft de Turkse overheid in 2018 “forel boven 1 kg” geherdefinieerd als forel met een gewicht van meer dan 1,25 kilo op het moment van de oogst.

(92)

In 2019 heeft de Turkse overheid de extra betaling voor “forel boven 1 kg” geschrapt en in plaats daarvan de regeling opgesplitst in twee betalingen: 0,75 TL/kg voor “forel” (ongeacht het formaat) en 1,5 TL/kg voor “forel boven 1 kg”.

(93)

De Turkse overheid heeft voorts het plafond verlaagd van 500 ton tot 350 ton per jaar en de subsidiebetalingen beperkt tot één vergunning per regio. Het productieplafond van 350 ton is van toepassing op de productie van alle forel die onder dezelfde kweekvergunning valt.

(94)

In het huidige tijdvak van het nieuwe onderzoek heeft de Commissie vastgesteld dat twee van de drie in de steekproef opgenomen ondernemingen forellen van elk formaat kweekten in dezelfde installaties en op basis van dezelfde kweekvergunning en bijgevolg beide tarieven ontvingen.

(95)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek konden forelkwekers een aanvraag indienen voor het tarief voor “forel” (ongeacht het formaat) of voor het tarief voor “forel boven 1 kg”, afhankelijk van het gewicht van de geoogste forel. Vanwege het hogere steunbedrag voor “forel boven 1 kg” hebben de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die forel van meer dan 1,25 kg kweken, in de meeste gevallen het tarief voor “forel boven 1 kg” aangevraagd.

(96)

Hierdoor verdubbelden de gesubsidieerde productie van “forel boven 1 kg” in kilo en het subsidiebedrag in TL dat in het kader van deze regeling aan forelkwekers werd uitbetaald tussen 2019 en 2020, waarbij een duidelijke verschuiving plaatsvond naar de productie van grotere forellen.

(97)

Rekening houdend met de subsidie voor “forel” (ongeacht het formaat) en voor “forel boven 1 kg”, heeft de Commissie vastgesteld dat de subsidiëring door de Turkse overheid in de beoordelingsperiode in feite met 59 procentpunten was toegenomen:

Tabel 2

Veranderingen in hoeveelheid en subsidiebedragen, 2017-2020

 

2017

2018

2019

2020 TNO

Gesubsidieerde kweek van “alle forel” (kg)

62 461 873

53 390 032

48 859 007

44 991 877

Gesubsidieerde kweek van “forel boven 1 kg” (kg)

6 075 006

14 175 924

15 261 470

30 102 632

Totale gesubsidieerde productie (kg)

68 536 879

67 565 956

64 120 477

75 094 509

Index

100

99

94

110

Subsidie voor “alle forel” (TL)

42 948 500

36 900 761

35 769 405

32 547 179

Subsidie voor “forel boven 1 kg” (TL)

5 017 996

11 953 949

22 428 846

43 742 770

Totaal betaalde subsidie (TL)

47 966 496

48 854 710

58 198 251

76 289 949

Index

100

102

121

159

(98)

Daarom was de Commissie van oordeel dat de aanpassing van de regeling de onderliggende subsidiëring niet wezenlijk heeft gewijzigd en — voor zover deze al wijzigingen met zich meebracht — de mate van subsidiëring heeft verhoogd. Daar leek noch een financiële, noch een economische reden voor te zijn.

4.1.3.   Conclusie betreffende de aanleiding om compenserende maatregelen te nemen

(99)

De rechtstreekse steunbetalingen aan de forelkwekers vormen tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies in de zin van artikel 3, punt 1, a), i), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening, d.w.z. een rechtstreekse overdracht van middelen van de Turkse overheid aan de forelkwekers.

(100)

De rechtstreekse subsidies zijn specifiek en geven aanleiding tot compenserende maatregelen in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening, aangezien de subsidieverlenende autoriteit en de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, de mogelijkheid om deze subsidies te verkrijgen uitdrukkelijk beperken tot ondernemingen in de aquacultuursector. Aquacultuurondernemingen worden uitdrukkelijk genoemd en forel is duidelijk aangewezen als een van de soorten die voor de subsidieregeling in aanmerking komen.

(101)

De Commissie heeft vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het TNO zowel tegen het tarief van 0,75 TL/kg (“forel” van elk formaat) als tegen het tarief van 1,5 TL/kg (“forel boven 1 kg”) hebben geprofiteerd van de regeling.

(102)

In het oorspronkelijke onderzoek gold er geen afzonderlijk subsidiebedrag voor de productie van “forel boven 1 kg”, zodat de kwestie niet aan de orde was. In latere nieuwe onderzoeken, waaronder het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, kon de Commissie niet vaststellen dat de productie van forel van meer dan 1,25 kg een voordeel opleverde, aangezien de productie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen geen “forel boven 1 kg” omvatte (15).

(103)

In het kader van dit onderzoek heeft de Commissie vastgesteld dat twee van de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het TNO forel van elk formaat kweekten op basis van dezelfde kweekvergunning en derhalve van beide subsidietarieven hebben geprofiteerd.

(104)

De Commissie merkte op dat de forellen in dezelfde productiefaciliteiten worden gekweekt, namelijk vijvers op het land en kooien in meren of op zee. Kleine en grote exemplaren worden in dezelfde faciliteiten gekweekt, in dezelfde vijvers tot wasdom gebracht en krijgen hetzelfde voer. Elke forel van minder dan 1,25 kg kan een forel van meer dan 1,25 kg worden. Het enige verschil is dat grotere forel later wordt geoogst en eerst de tijd krijgt om tot de vereiste grootte door te groeien.

(105)

Bovendien geldt het volgende zoals vermeld in overweging 45 van de verordening na het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek: “Op grond van artikel 4, punt f), van mededeling nr. 2017/38 wordt de subsidie daarenboven aan een viskweker verstrekt “zodra de forellen worden geoogst”. Zelfs als Turkije voornemens was de subsidie voor forellen van meer dan 1,25 kg in 2018 te beperken, is er nog steeds geen wettelijk criterium in het besluit dat de subsidie uitsluit indien de forel in een andere vorm wordt verkocht. Volgens de verstrekte informatie is het in de sector gebruikelijk dat enkele van de grote geoogste forellen worden verwerkt en worden verkocht als het betrokken product, bijvoorbeeld in de vorm van filets.”

(106)

Daarom is elk voordeel dat wordt ontvangen voor de kweek van grotere forel automatisch ook gekoppeld aan de kweek van kleinere forel. Ongeacht of het ene of het andere subsidietarief wordt toegepast, wordt de rechtstreekse steun verleend voor de productie van forel, het onderzochte product (dood of levend, en in verschillende vormen verwerkt). De voordelen gelden ook wanneer de forel wordt verkocht in de vorm van filets, die niet worden onderscheiden op basis van de grootte van de geoogste forel.

(107)

Beide subsidiebedragen zijn afhankelijk van de forelkweek. De in de kweekvergunning vermelde productiecapaciteit heeft betrekking op forel van elk formaat, en het voordeel dat uit beide steuntarieven voortvloeit, wordt in één enkele betaling aan de kweker betaald en geboekt op de rekening voor algemene inkomsten van de onderneming.

(108)

De Commissie was derhalve van oordeel dat de aan forelkwekers verrichte betalingen in 2020 de totale rechtstreekse steun vormen die zij voor het kweken van forel, waaronder het onderzochte product, hebben ontvangen.

4.1.4.   Subsidiebedrag voor eigen productie

(109)

Het voordeel per onderneming bestond uit de rechtstreekse steun die zij in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ontvingen op basis van de tarieven voor de productie van “forel” (ongeacht het formaat) en voor “forel boven 1 kg”. De ondernemingen verstrekten informatie over het ontvangen steunbedrag en over de vraag van wie en voor welke specifieke productie zij deze hadden ontvangen.

(110)

Om het subsidiebedrag per kilo forel in TL te bepalen, werd het bedrag aan rechtstreekse steun dat in het kader van beide steuntarieven voor de productie van forel van elk formaat werd ontvangen, gedeeld door de totale forelproductie.

4.1.5.   Subsidiebedrag voor ingekochte forel

(111)

Uit het oorspronkelijke onderzoek (16) bleek dat deze subsidies ook voordeel opleverden wanneer de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs forel inkochten bij niet-verbonden kwekers in Turkije met het oog op de verwerking, aangezien het onderzochte product zowel de rechtstreeks gesubsidieerde grondstof, namelijk levende forel, als de afgeleide producten, zoals verse of bevroren hele vis, filets en gerookte forel, omvat.

(112)

Het voordeel voor de ingekochte forel werd in het oorspronkelijke onderzoek berekend op basis van de totale door de Turkse autoriteiten toegekende subsidies, gedeeld door de totale forelkweek in Turkije.

(113)

De Commissie merkte op dat de bevinding dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voordeel haalden uit de inkoop van forel, werd bevestigd in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (17). Het voordeel werd berekend op basis van het totale toegekende subsidiebedrag, gedeeld door het totale volume van de gesubsidieerde forelkweek in Turkije.

(114)

De bevindingen in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen waren echter gebaseerd op informatie van de Turkse overheid over het gehele land en lieten de specifieke situatie van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs buiten beschouwing. Een dergelijke gedetailleerde bevinding is niet noodzakelijk in het kader van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen, aangezien daarbij alleen de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van subsidiëring moet worden vastgesteld, en geen precieze compenserende marges.

(115)

In dit tussentijdse nieuwe onderzoek heeft geen enkele belanghebbende betwist dat de producenten-exporteurs nog steeds profiteren van de subsidie bij de inkoop van forel bij niet-verbonden kwekers. De Turkse overheid heeft gegevens verstrekt over de subsidie die elke forelkweker in 2020 ontving tegen het tarief van 0,75 TL (“forel” van elk formaat) en dat van 1,5 TL (“forel boven 1 kg”). Deze gegevens werden afgezet tegen de inkooplijsten van de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, waarbij de Commissie het volgende vaststelde:

a)

5 % van de inkopen op basis van hoeveelheid was afkomstig van kwekers die geen subsidie ontvingen of over wie geen gegevens konden worden gevonden;

b)

49 % van de inkopen op basis van hoeveelheid was afkomstig van kwekers met een productie hoger dan het productieplafond van 350 ton per jaar, die dus voor een deel van hun productie geen subsidie ontvingen, en

c)

46 % van de aankopen op basis van hoeveelheid was afkomstig van kwekers met een productie lager dan het productieplafond van 350 ton per jaar, waarvan de gehele productie bijgevolg als gesubsidieerd werd beschouwd.

(116)

Voor de productie in 2020 werd de subsidie per kilo forel van elk formaat berekend op 0,53 TL per kg indien de gehele productie in aanmerking werd genomen, en op 1,02 TL per kg indien er alleen rekening werd gehouden met gesubsidieerde productie.

4.2.   Rechtstreekse steun aan forelproducenten — ontvangen opmerkingen over de productiesubsidie

(117)

Na de mededeling van feiten en overwegingen hebben de Turkse overheid, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, Selina Balik en Kilic Deniz opmerkingen ingediend over de bevindingen van de Commissie betreffende de rechtstreekse steun aan forelproducenten.

(118)

Zij betwistten voornamelijk de opname in de subsidieberekening van het aan de in de steekproef opgenomen producenten en Selina Balik betaalde voordeel voor de productie van “forel boven 1 kg”, aangezien dit niet was opgenomen in de subsidieberekeningen in eerdere onderzoeken. Zij stelden ook dat “forel boven 1 kg” niet tot het onderzochte product behoort en evenmin voorkwam in de vragenlijst voor producenten-exporteurs.

(119)

Zoals uiteengezet in punt 4.1.3, heeft de Commissie bevestigd dat de omstandigheden met betrekking tot de betaling van het voordeel voor de productie van forel gewijzigd zijn, met name sinds het oorspronkelijke onderzoek, maar ook sinds het TNO van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Terwijl in het verleden rechtstreekse steun werd verleend op basis van het aantal kilogram product, zonder onderscheid naar de grootte van de forel, is de Turkse overheid geleidelijk overgestapt op een systeem van uitbetalingen op basis van verschillende steunpercentages die afhankelijk zijn van de grootte van de geproduceerde forel. Uit de omstandigheden in het TNO bleek dus duidelijk dat forelproducenten in Turkije bij de kweek en de productie van het onderzochte product beide subsidiepercentages genoten die in het kader van deze regeling werden betaald.

(120)

Selina Balik betoogde dat de Commissie niet bevoegd was om de productomschrijving van dit nieuwe onderzoek uit te breiden met “forel boven 1 kg”.

(121)

De Commissie merkt op dat de productomschrijving dezelfde bleef als in eerdere onderzoeken, namelijk de productie van forel, dood of levend, en in verschillende vorm verwerkt. Of het subsidiepercentage afhankelijk is van de specifieke grootte van de geproduceerde forel verandert niets aan de aard en de werking ervan, in die zin dat het ten goede komt aan de kweek van forel, die vervolgens in verschillende vormen wordt verkocht. Dit argument werd dan ook afgewezen.

(122)

De partijen betwistten ook de bevindingen van de Commissie dat “forel boven 1 kg” verder kan worden verwerkt tot filets die onder de omschrijving van het onderzochte product vallen. Zij stelden dat de bevindingen in overweging 45 van de verordening na het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek, waarnaar de Commissie in de mededeling van de definitieve bevindingen verwees, tijdens het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek niet aan de belanghebbenden zijn meegedeeld en dat de partijen er derhalve geen opmerkingen over konden maken. Zij herhaalden dat in geen van de vorige onderzoeken een voordeel was berekend voor “forel boven 1 kg”.

(123)

De partijen hadden na de mededeling van de definitieve bevindingen in dit nieuwe onderzoek voldoende tijd om opmerkingen in te dienen over overweging 45 van de verordening na het eerste tussentijdse nieuwe onderzoek. Dit argument werd dan ook afgewezen.

(124)

De Commissie merkte verder op dat de in dit geval gebruikte verhoudingen voor helevisequivalenten dezelfde waren als die in het oorspronkelijke onderzoek. Zij hebben altijd duidelijk aanvaard dat een “forel boven 1 kg” tot het onderzochte product wordt verwerkt, met dien verstande dat één vis twee filets oplevert:

Aanbiedingsvorm als onderzocht product

Verhouding helevisequivalenten

Maximumgewicht voor hele vis

Levende vis tot 1,2 kg

1,00

1,2  kg

Ontdaan van ingewanden, met kop tot 1,2 kg

0,85

1,4  kg

Ontdaan van ingewanden, zonder kop tot 1 kg

0,75

1,3  kg

Filets, vers, gekoeld of bevroren tot 400 g

0,47

1,7  kg

Gerookte filets tot 400 g

0,40

2  kg

(125)

Dit werd duidelijk opgemerkt door de exporteur Selina Balik, die in zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen verklaart dat “grote forel, gezien de intrinsieke aard van het [onderzochte] product, kan worden verwerkt tot filets die onder de omschrijving van het [onderzochte] product vallen”.

(126)

Het argument dat in eerdere onderzoeken geen voordeel is berekend voor “forel boven 1 kg” en dat in dit nieuwe onderzoek derhalve geen voordeel mag worden berekend, moet worden afgewezen omdat de omstandigheden zijn gewijzigd. In het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen ontvingen beide in de steekproef opgenomen exporteurs geen voordeel uit de subsidie van 1,5 TL per geproduceerde kilogram. In het TNO van dit nieuwe onderzoek was dat wel het geval.

(127)

Twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs stelden verder dat zij tijdens het TNO geen filets uit “forel boven 1 kg” produceerden of verkochten en verzochten de Commissie daarom de berekening van hun rechtstreekse subsidie dienovereenkomstig te herzien door “forel boven 1 kg” uit te sluiten.

(128)

De Commissie merkte op dat geen bewijsmateriaal werd verstrekt om dit argument te staven. Uit het onderzoek is integendeel gebleken dat beide in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het tijdvak van het nieuwe onderzoek bedragen op basis van beide steunpercentages van de directe subsidieregeling voor forel hebben ontvangen. Zij hebben dus forel van alle grootten geproduceerd. Gelet op de in de tabel in overweging 119 vermelde verhouding helevisequivalenten, kan “forel boven 1 kg” worden verwerkt tot vormen als filets en van ingewanden ontdane vis. Dit argument werd dan ook afgewezen.

(129)

Twee van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs stelden ook dat het grootste deel van de “forel boven 1 kg” naar Rusland en Japan werd uitgevoerd en dat daarom voor de subsidie voor “forel boven 1 kg” geen compenserende maatregelen mogen worden ingesteld voor de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie.

(130)

De Commissie wees dit argument af. Zoals eerder al is uiteengezet, heeft de Commissie geoordeeld dat de betalingen die in het kader van beide subsidiepercentages voor de productie van forel zijn ontvangen, ten goede komen aan alle forellen die vervolgens worden verkocht. Het subsidiebedrag per kilogram forel, ongeacht de grootte, die naar Rusland of Japan wordt uitgevoerd, is derhalve gelijk aan het subsidiebedrag per kilogram naar de Europese Unie uitgevoerde forel, ongeacht de grootte ervan.

(131)

Ten slotte betwistten de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs de bevindingen van de Commissie in overweging 96, namelijk dat elk voordeel voor de kweek van “forel boven 1 kg” automatisch verband houdt met de kweek van kleinere forel, met het argument dat:

de productieprocessen voor “forel boven 1 kg” aanzienlijk langer zijn dan voor kleinere forel en hogere kosten meebrengen;

“forel boven 1 kg” en kleinere forel met elkaar concurreren;

kwekers op hetzelfde bedrijf niet tegelijkertijd “forel boven 1 kg” en kleinere forel kunnen produceren, en

“forel boven 1 kg” grotendeels wordt geproduceerd in de Zwarte Zee en niet in binnenlandse vijvers.

(132)

De Commissie merkt op dat het productieproces langer is voor “forel boven 1 kg”, hetgeen verklaart dat de subsidie ten tijde van de productie 1,5 TL per kilogram bedraagt in plaats van de standaard 0,75 TL per kilogram. De forelkwekers ontvangen echter de totale uitbetalingen in het kader van beide subsidiepercentages.

(133)

De bewering dat “forel boven 1 kg” en kleinere forel met elkaar concurreren, lijkt niet relevant te zijn voor de toewijzing van het voordeel van de directe subsidieregeling aan het onderzochte product. Concurrentie zou de kwekers er gewoon toe aanzetten hun vijvers te gebruiken om forel van een bepaalde grootte te produceren.

(134)

Kwekers produceren forel, ongeacht hun grootte, in het kader van dezelfde kweekvergunning en ontvangen één enkele betaling in het kader van beide subsidiepercentages.

(135)

Op basis van de opmerkingen die Selina Balik na de mededeling van de definitieve bevindingen en de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen heeft ingediend, heeft de Commissie schrijffouten in de totale productiecijfers van de onderneming gecorrigeerd overeenkomstig de bevindingen van de kruislingse controle op afstand.

(136)

Selina Balik betwistte echter dat de Commissie voor een van de twee kwekerijondernemingen van deze groep een ander rechtstreeks subsidievoordeel had gebruikt dan in zijn antwoord op de vragenlijst was aangegeven. Daarnaast heeft Selina Balik de Commissie verzocht de voor de transacties betaalde bankkosten in mindering te brengen op het bedrag van het directe subsidievoordeel.

(137)

Beide argumenten worden afgewezen. Ten eerste heeft de Commissie voor alle producenten waarop dit onderzoek betrekking heeft (met inbegrip van Selina Balik) gebruikgemaakt van de door de Turkse overheid verstrekte gecontroleerde gegevens betreffende uitgekeerde subsidiebedragen. Selina Balik heeft geen informatie of bewijsmateriaal verstrekt waarmee het verschil tussen het in het antwoord op de vragenlijst opgegeven bedrag en het door de Turkse overheid verstrekte bedrag kon worden gerechtvaardigd of verklaard. Daarom heeft de Commissie zich gebaseerd op de door de Turkse overheid verstrekte gegevens. Deze laatste werden door de Commissie gecontroleerd en in alle andere gevallen in overeenstemming gebracht met de door de in de steekproef opgenomen ondernemingen gerapporteerde gegevens. Zij werden daarom consequent gebruikt als basis voor de berekening van het directe subsidievoordeel. Ten tweede heeft Selina Balik niet aangetoond dat de bankkosten tijdens het TNO rechtstreeks aan de Turkse overheid werden betaald. De Commissie is derhalve van oordeel dat deze kosten aan derden (bv. banken) werden betaald en dat zij geen correctie omvatten die op grond van artikel 7, lid 1, van de basisverordening kan worden toegestaan.

(138)

Na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Turkse overheid dat “forel boven 1 kg” niet tot het onderzochte product behoort; dat het productieproces ervan verschilt van dat van kleinere forel; en dat het onder andere GS- en GN-codes valt dan kleinere forel. Deze argumenten werden om de in overweging 113 en volgende genoemde redenen opnieuw afgewezen.

(139)

De Commissie is met name van mening dat betalingen voor de productie van “forel boven 1 kg” onder de definitie van het onderzochte product vallen. Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op forel, dood of levend, en verwerkt in verschillende vormen, waaronder filets. Indien de voordelen die via rechtstreekse steun aan “forel boven 1 kg” worden toegekend niet in aanmerking zouden worden genomen, zouden de daaruit voortvloeiende compenserende rechten niet op het gehele onderzochte product (uitvoer naar de Unie van verwerkte forel) betrekking hebben.

4.3.   Rechtstreekse steun aan forelproducenten — opmerkingen over de subsidie voor aangekochte forel

4.3.1.   Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen

(140)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistten de Turkse overheid, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de onderneming Selina Balik de berekening van het indirecte voordeel dat de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en Selina Balik ontvingen voor de aankoop van forel bij andere forelproducenten in Turkije.

(141)

Deze belanghebbenden stelden ook dat de methode voor de berekening van de voor aangekochte forel ontvangen subsidie verschilde van de methode die in eerdere onderzoeken is gebruikt, terwijl er geen gewijzigde omstandigheden waren die een dergelijke wijziging van de methode rechtvaardigden. Zij betoogden dat de subsidies voor “forel boven 1 kg” buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van het subsidiebedrag dat in het huidige TNO is ontvangen.

(142)

Selina Balik merkte met name op dat er altijd forelproducenten zijn geweest die minder dan het productieplafond produceerden, maar dat dit in eerdere onderzoeken niet is gebruikt om het voordeel voor aangekochte forel te berekenen.

(143)

In eerdere onderzoeken nam de Commissie aan dat alle kwekers in Turkije hetzelfde subsidiebedrag ontvingen per kilogram forel die vervolgens door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd aangekocht. In punt 4.1.5 wordt uitgelegd waarom gewijzigde omstandigheden hebben geleid tot een wijziging van de door de Commissie gehanteerde methode.

(144)

Belanghebbenden merkten met name op dat de Commissie gebruik had kunnen maken van kwekerspecifieke gegevens die van de Turkse overheid waren ontvangen, maar dat zij een gemiddelde had berekend voor de drie in de steekproef opgenomen producenten, en dat cijfer in Turkse lira per kilogram had gebruikt om het voordeel te berekenen voor forel die werd aangekocht door de drie in de steekproef opgenomen producenten en Selina Balik.

(145)

De Commissie werd verzocht een individueel bedrag voor de vier groepen ondernemingen te berekenen op basis van dezelfde dataset, in plaats van het gemiddelde percentage voor alle groepen van ondernemingen toe te passen. Aangezien de Commissie over de nodige gegevens beschikte, heeft zij dit argument aanvaard.

(146)

Belanghebbenden, waaronder Selina Balik, merkten ook op dat door de drieledige opsplitsing door de Commissie van de aankopen van de vier groepen ondernemingen (“niet gevonden of geen subsidie ontvangen”, “onder het plafond” of “boven het plafond”) en de berekeningen die uit deze opsplitsing voortvloeiden, bepaalde subsidiebedragen voor forelproducenten in Turkije als geheel dubbel waren geteld.

(147)

De Commissie heeft dit argument aanvaard en haar methode na de mededeling van de definitieve bevindingen dienovereenkomstig herzien.

4.3.2.   Aangekochte forel — methode vermeld in aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen

(148)

De Commissie heeft haar analyse gebaseerd op de door de Turkse overheid verstrekte lijst van forelkwekers. Op basis van die lijst heeft de Commissie vastgesteld of de gesubsidieerde productie van een kweker boven of onder het productieplafond van 350 ton lag. Deze lijst bevat de totale gesubsidieerde forelproductie en de in 2020 ontvangen subsidie per licentie en per licentiehouder op basis van juridische entiteiten.

(149)

De totale productie en het voordeel voor heel Turkije bedroegen volgens de Turkse overheid 144 283 000 kg en 76 316 948 Turkse lira.

(150)

Ten eerste heeft de Commissie de kwekers “onder het plafond” geïdentificeerd, namelijk de kwekers die een subsidie ontvingen voor een geproduceerde hoeveelheid van minder dan 350 ton, ongeacht het aantal kweekvergunningen tijdens het TNO. Vervolgens berekende zij het tarief van 0,966 Turkse lira per kilogram voor kwekers die waren geïdentificeerd als “onder het plafond”, door hun productie als volledig gesubsidieerd te beschouwen en het totale bedrag van de ontvangen subsidie (37 441 048 Turkse lira) te delen door de totale gesubsidieerde hoeveelheid forel (38 753 671 kg).

(151)

Ten tweede werd het bedrag van de gesubsidieerde productie en het voordeel onder het plafond afgetrokken van de totale productie en het totale bedrag van het voordeel op landniveau, wat resulteerde in 105 529 329 kg en een subsidie van 38 875 901 TL. Dit resulteerde in een gemiddelde subsidie van 0,368 TL per geproduceerde kilogram voor alle andere kwekers, namelijk de kwekers waarvan eerder was vastgesteld dat zij produceerden boven het plafond of dat zij geen subsidie ontvingen.

(152)

Deze twee subsidiepercentages, namelijk 0,966 TL per kilogram en 0,368 TL per kilogram, werden vervolgens toegepast op de individuele leveranciers van de in de steekproef opgenomen groepen van ondernemingen en Selina Balik, waarbij de bovenstaande indeling werd gebruikt en voor elke groep ondernemingen een gemiddeld subsidiepercentage werd berekend.

(153)

Na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen stelde de Turkse overheid dat de opsplitsing van de aan de “onder het plafond” producerende kwekers en de overige kwekers betaalde subsidie onjuist was, en verstrekte zij een andere opsplitsing van de subsidie, zonder aan te tonen waar deze opsplitsing vandaan kwam of op welke basis deze was berekend. Het argument werd daarom afgewezen.

(154)

Belanghebbenden voerden aan dat de mededeling van feiten en overwegingen over de indirecte subsidie ontoereikend was en dat zij inzage moesten krijgen in de ontvangen subsidies per leverancier. Dit argument werd afgewezen omdat de door de Turkse overheid verstrekte informatie vertrouwelijk was. De Commissie beschouwde de herziene beschrijving van de methode hierboven, samen met de aanvullende informatie die aan de medewerkende producenten-exporteurs is verstrekt, als voldoende informatie om de rechten van de partijen te waarborgen.

(155)

Twee producenten-exporteurs stelden dat de berekening van de subsidie per kilogram aangekochte forel voor hen onjuist was, aangezien hun aankopen tijdens het TNO in feite hoofdzakelijk of volledig betrekking hadden op forel van minder dan 1,2 kg. Zij stelden voor dat de Commissie moest aannemen dat hun leveranciers daarom slechts werden gesubsidieerd volgens het tarief van 0,75 TL per kilogram en dat zij het voordeel voor de door hen aangekochte forel dienovereenkomstig moest herberekenen.

(156)

Dit betoog werd afgewezen, aangezien uit het bewijsmateriaal duidelijk bleek dat de forelproductie in Turkije wordt gesubsidieerd op basis van de totale bedragen die in het kader van beide subsidiepercentages aan de kwekers worden uitgekeerd. Ongeacht de grootte van de door de producenten-exporteurs aangekochte forel, is het subsidiepercentage per kilogram aangekochte forel gebaseerd op de situatie van de leverende kweker en niet op het gewicht van de forellen die de producent-exporteur van die kweker koopt. Dat sommige producenten-exporteurs geen forel boven 1 kg produceren, betekent dus niet dat hun leveranciers (kwekers) niet voor beide soorten forel worden gesubsidieerd. Zoals nader toegelicht in overweging 160, werden in dit verband van de Turkse overheid geen opmerkingen of aanvullend bewijsmateriaal ontvangen.

(157)

Na de mededeling van feiten en overwegingen betwistten sommige producenten-exporteurs de door de Commissie gebruikte methode en gebruikten zij voorbeelden van een aantal van hun eigen leveranciers om aan te tonen dat de gebruikte methode de betrokken forelkweker niet correct indeelde.

(158)

De Commissie wees deze argumenten af, omdat de voorbeelden niet voldoende representatief werden geacht en derhalve niet aantoonden dat de methode van de Commissie ongeschikt was.

(159)

De Commissie was daarom van mening dat haar methode, die gebaseerd is op een wiskundige vergelijking van de door de Turkse overheid verstrekte gegevens, de meest geschikte en redelijke manier is om forelproducenten op te splitsen in de twee categorieën die nodig zijn om de subsidie voor aangekochte forel correct te identificeren.

(160)

De methode werd samen met alle berekeningen op het niveau van de kwekers ook aan de Turkse overheid meegedeeld, en die verstrekte geen bewijsmateriaal om een aanpassing van de door de Commissie toegepaste methode te rechtvaardigen.

(161)

De Commissie merkte ook op dat, zelfs indien zij deze voorbeelden zou aanvaarden, zij zonder enige controle of ondersteunende verklaringen van de betrokken leverancier niet louter verklaringen van producenten-exporteurs over de toestand van hun leveranciers kon aanvaarden.

(162)

Fishark stelde verder dat de totale aangekochte hoeveelheid die bij de berekening van de indirecte subsidie was gebruikt, onjuist was, aangezien de Commissie geen rekening heeft gehouden met de totale aangekochte hoeveelheden die aan niet-verbonden afnemers werden teruggezonden.

(163)

De Commissie heeft dit argument afgewezen omdat de onderneming tijdens de kruiscontroles op afstand heeft verduidelijkt dat de onder “Teruggezonden verkopen” geregistreerde transacties betrekking hadden op boekhoudkundige correcties van onjuist berekende aankoopwaarden en derhalve geen betrekking hadden op de fysieke teruggave van het onderzochte product. Fishark heeft na ontvangst van het verslag van de kruislingse controle op afstand geen opmerkingen over deze bevinding gemaakt en heeft vóór de mededeling van de definitieve bevindingen geen verder bewijsmateriaal ingediend, zodat dit argument werd afgewezen.

(164)

Gumusdoga en Fishark stelden na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen dat de Commissie de categorie kwekers “niet gevonden of geen subsidie ontvangen” opnieuw moet invoeren en geen voordeel mag toewijzen aan aankopen bij deze kwekers.

(165)

De Commissie verwierp dit argument op grond van het feit dat uit alle eerdere onderzoeken is gebleken dat alle aangekochte forel tot op zekere hoogte wordt gesubsidieerd en dat de meest recente methode die algemene regel weerspiegelt.

(166)

Selina Balik stelde dat de methode voor de berekening van de indirecte subsidie onjuist is omdat zij geen rekening houdt met de nominale capaciteit die in elke kweekvergunning is vermeld. De Commissie heeft met name geen rekening gehouden met het feit dat de productievolumes die voor subsidiëring in aanmerking komen, niet alleen worden beperkt door het maximum van 350 000 kg helevisequivalent, maar ook door de nominale capaciteit die in de desbetreffende kweekvergunning van elke kweker is vermeld.

(167)

De Commissie heeft de methode op basis van de gesubsidieerde productie gebruikt wegens de discrepantie tussen de voor het gehele land opgegeven nominale capaciteit van 244 000 ton en de werkelijke productie van 144 000 ton. De gesubsidieerde productie werd daarom geacht een redelijker methode te zijn voor de berekening van de aan de producenten-exporteurs toe te rekenen indirecte subsidiepercentages. De gedetailleerde bevindingen, waaronder de indeling van de ondernemingen, werden aan de Turkse overheid voorgelegd en in de opmerkingen van de Turkse overheid over de mededeling van feiten en overwegingen werden geen opmerkingen over de nauwkeurigheid daarvan, noch een alternatieve methode verstrekt. Daarom heeft de Commissie alle door de producenten-exporteurs voorgestelde alternatieve methoden afgewezen.

(168)

Op basis hiervan werden de volgende berekeningen gemaakt:

Tabel 3

Voordeel per onderneming voor gekochte forel 2020

Groep van ondernemingen

Gemiddelde subsidie in TL per kilogram

Fishark

0,614

Gumusdoga

0,791

Ozpekler

0,728

Selina Balik

0,899

Tabel 4

Steun voor de forelkweek

Groep van ondernemingen

Subsidiepercentage

Fishark

3,47  %

Gumusdoga

2,10  %

Ozpekler

2,75  %

Selina Balik

2,54  %

4.4.   Gederfde inkomsten — steun voor investeringen in de aquacultuursector

4.4.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(169)

Besluit 2012/3305 (18) en mededeling 2012/1 (19), waarmee uitvoering wordt gegeven aan dat besluit, liggen ten grondslag aan de staatssteun voor investeringen in de aquacultuursector (20) en leggen de basis voor het investeringsstimuleringsprogramma van Turkije. Dit programma omvat twee stimuleringsregelingen:

regionale investeringsstimulansen, waaronder steun voor btw-vrijstelling, vrijstelling van douanerechten, belastingaftrek, steun voor socialezekerheidspremies (werkgeversaandeel), rentesubsidies, toewijzing van grond, inhouding op vennootschapsbelasting aan de bron en steun voor socialezekerheidspremies (werknemersaandeel), en

algemene investeringsstimulansen, waaronder steun voor btw-vrijstelling, vrijstelling van douanerechten en inhouding op vennootschapsbelasting aan de bron.

(170)

Ondernemingen die niet kunnen voldoen aan de criteria inzake minimuminvesteringsbedragen in het kader van de regionale investeringsstimuleringsregeling, kunnen in aanmerking komen voor de algemene investeringsstimuleringsregeling, die beschikbaar is voor alle zes in besluit nr. 2012/3305 vastgelegde regio’s. De steunintensiteit is gebaseerd op het niveau van economische ontwikkeling van de zes regio’s en kan dus variëren.

(171)

Zowel het besluit als de mededeling is nog steeds geldig, en de zes regio’s zijn sinds het oorspronkelijke onderzoek niet gewijzigd.

4.4.2.   Conclusie

(172)

Tijdens het TNO profiteerde Gumusdoga van verlagingen van de vennootschapsbelasting.

(173)

De drie in de steekproef opgenomen ondernemingen genoten in het kader van de regionale investeringsstimulansen een vrijstelling van de btw en de douanerechten.

(174)

Zoals bevestigd in het oorspronkelijke onderzoek (21) en in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (22), wordt de steun voor investeringen beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, a), ii), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening, wanneer de steun een fiscale stimulus is, dat wil zeggen wanneer de overheid afstand doet van inkomsten die haar normaal toekomen of deze niet int.

(175)

De subsidie is specifiek en geeft aanleiding tot compenserende maatregelen aangezien zij expliciet beperkt is tot ondernemingen die zijn gevestigd in een van de regio’s op de lijst. De subsidie is bovendien enkel toegankelijk voor bepaalde ondernemingen in bepaalde sectoren. Daarnaast voldoet de subsidie niet aan de niet-specificiteitsvereisten van artikel 4, lid 2, punt b), van de basisverordening, gezien het aantal en de aard van de beperkingen die van toepassing zijn op bepaalde sectoren, voornamelijk de beperkingen waardoor slechts bepaalde soorten ondernemingen toegang tot de subsidie hebben of bepaalde sectoren volledig worden uitgesloten.

(176)

Aquacultuur is in bijlage 2A bij besluit 2012/3305 uitdrukkelijk vermeld als een van de activiteiten waarvoor dergelijke belastingvrijstellingen kunnen worden verleend. In bijlage 4 bij dat besluit zijn de sectoren opgesomd die voor geen enkele stimulans op grond van deze regeling in aanmerking kunnen komen.

4.4.3.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(177)

Om het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie in de vorm van belastingvrijstellingen vast te stellen, is het tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek aan de ontvangers toegekende voordeel berekend als het verschil tussen de totale verschuldigde belasting tegen het normale belastingtarief en de totale verschuldigde belasting tegen het verlaagde belastingtarief.

(178)

Wat de vrijstellingen van btw en douanerechten betreft, heeft de Commissie vastgesteld welke activa tijdens het TNO waren aangekocht en wat het bedrag aan vrijgestelde btw of rechten was. Een kasstroomvoordeel van twee maanden werd berekend aan de hand van de kortetermijnrente voor het TNO.

(179)

Na de mededeling van feiten en overwegingen verzochten Gumusdoga en de Turkse overheid de Commissie om geen compenserende maatregelen in te stellen voor de btw-vrijstellingen.

(180)

De Turkse overheid voerde aan dat de btw-vrijstellingen in het kader van de investeringsstimuleringsregeling in Turkije volgens de Amerikaanse onderzoeksinstanties geen aanleiding geven tot compenserende maatregelen, en verwees naar een beslissing van de Verenigde Staten, “Countervailing Duty Investigation of Common Alloy Aluminium Sheet from the Republic of Turkey” (23).

(181)

De Commissie wijst erop dat het Ministerie van Handel van de VS op bladzijde 17 van dit document opmerkt dat het van oordeel is dat deze regeling geen voordeel oplevert, maar dat het bezig was met het verzamelen van aanvullende feiten met betrekking tot de werking van het btw-stelsel van de Turkse overheid.

(182)

De Commissie merkt ook op dat het Ministerie van Handel van de VS het met de Commissie eens is dat de vrijstelling van douanerechten wel degelijk een voordeel in het kader van deze regeling oplevert.

(183)

De Turkse overheid voerde aan dat de producenten weliswaar de voorbelasting betalen over hun aankopen bij leveranciers, maar dat zij btw innen over hun verkopen aan hun afnemers; derhalve dragen de afnemers de uiteindelijke belastingdruk en geven de btw-vrijstellingen dus geen aanleiding tot compenserende maatregelen.

(184)

Ook Gumusdoga voerde aan dat hij de door hem verschuldigde btw kon verrekenen met de aan hem verschuldigde btw, en dat het enige voordeel van deelname aan de regeling dus was om voorafgaande btw-betalingen en daarmee de administratieve lasten bij de verrekening van btw-schulden met btw-vorderingen te vermijden. Daarom verzocht hij om, zoals in eerdere onderzoeken, geen voordeel te berekenen.

(185)

Anders dan Gumusdoga was de Commissie van mening dat tegen deze vrijstellingen van btw en douanerechten compenserende maatregelen moeten worden ingesteld.

(186)

Om de in de overwegingen 148, 149 en 150 uiteengezette redenen heeft de Commissie, in overeenstemming met de vorige onderzoeken, vastgesteld dat de btw-vrijstellingsregeling in Turkije een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is in de zin van artikel 3, punt 1, a), ii), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening. Het feit dat de btw-schulden boekhoudkundig gezien met de btw-vorderingen worden verrekend, betekent niet dat er geen sprake is van voordeel in termen van kasstroom doordat de producenten-exporteurs geen voorafgaande betalingen in contanten hoeven te verrichten en vervolgens in afwachting zijn van teruggaaf door de belastingdienst op basis van de verwerking van hun maandelijkse btw-aangiften, zoals het geval is voor ondernemingen die geen gebruik van de regeling maken.

(187)

Na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Turkse overheid dat de btw-vrijstellingsregeling in Turkije geen tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is. Om de in bovenstaande overwegingen uiteengezette redenen werd dit argument afgewezen.

(188)

Met betrekking tot de btw-vrijstellingen ten gunste van Gumusdoga berekende de Commissie een tijdswinst van twee maanden. Na de mededeling van de definitieve bevindingen vroeg de onderneming om opheldering over de wijze waarop de Commissie de termijn van twee maanden heeft bepaald, met als argument dat er slechts een termijn van één maand was om de btw-betaling te compenseren. Zoals in overweging 42 van de voorlopige verordening wordt gesteld, bestonden de tijdens het onderzoektijdvak verkregen voordelen slechts uit een tijdwinst van twee maanden, de tijd die de belastingautoriteiten nodig hebben om btw te restitueren. In het oorspronkelijke onderzoek zijn over deze verklaring geen opmerkingen ingediend en de Commissie beschikt niet over bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het btw-stelsel in Turkije sindsdien is gewijzigd.

(189)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Gumusdoga dat de Commissie de belastingverlagingen moest toewijzen aan de verschillende producten waarnaar wordt verwezen in de investeringssteuncertificaten waarop de belastingverlagingen waren gebaseerd.

(190)

Dit argument werd afgewezen omdat de verlagingen van de vennootschapsbelasting voor de onderneming inkomsten zijn en derhalve worden toegerekend aan de totale omzet van de groep.

(191)

Voor de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie in de vorm van vrijstelling van btw en douanerechten werd het voordeel berekend als een kasstroomvoordeel voor inkopen tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

Tabel 5

Gederfde inkomsten

Onderneming

Subsidiepercentage

Fishark

0,00  %

Gumusdoga

1,77  %

Ozpekler

0,00  %

Selina Balik

0,00  %

4.5.   Rechtstreekse overdracht van middelen — gesteunde verzekering voor de aquacultuursector

4.5.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(192)

Volgens de landbouwverzekeringswet nr. 5363 (24) en besluit 2018/380 (25) betreffende door de landbouwverzekeringspool en de premieondersteuning voor het TNO te bestrijken risico’s, gewassen en regio’s, kunnen producenten van aquacultuurproducten in aanmerking komen voor een lagere verzekeringspremie ter dekking van verlies van visbestanden en opbrengsten van forel als gevolg van talrijke mogelijke ziekten, natuurrampen, incidenten enz. De steun van de Turkse overheid bedraagt 50 % van de verzekeringspremie.

4.5.2.   Conclusie

(193)

Zoals in het oorspronkelijke onderzoek (26) en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (27) werd bevestigd, bestaat het in het kader van deze regeling toegekende voordeel in een verlaging van de financiële kosten voor een levensverzekeringsdekking van aquacultuurbestanden.

(194)

Bij deze regeling gaat het om een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, a), i), van de basisverordening in de vorm van een door de Turkse overheid rechtstreeks uitbetaald bedrag aan forelkwekers, alsmede om een financiële bijdrage omdat de ontvangers van de subsidie een gunstige verzekeringspremie krijgen aangeboden, die een flink stuk onder de op de markt beschikbare verzekeringspremies voor de dekking van vergelijkbare risico’s ligt.

(195)

De regeling kent een voordeel toe in de zin van artikel 3, punt 2, van de basisverordening. Het voordeel is gelijk aan het verschil tussen de in de context van een commerciële verzekeringspolis aangeboden premies en de gesubsidieerde premie.

(196)

De steun is specifiek, aangezien de subsidieverlenende autoriteit en de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit handelt, de toegang tot deze verlaagde premie uitdrukkelijk beperken tot ondernemingen in de landbouwsector en zich zelfs uitdrukkelijk richten op de risico’s die de aquacultuurproducenten lopen.

4.6.   Rechtstreekse overdracht van middelen — overige regelingen

4.6.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(197)

In het tijdvak van het nieuwe onderzoek ontving de in de steekproef opgenomen producent-exporteur Gumusdoga rechtstreeks middelen van de Turkse overheid, die in de boekhouding als inkomsten werden vermeld.

(198)

De Commissie heeft informatie opgevraagd over alle boekingen voor 2020 op deze rekening en de onderneming heeft voor alle boekingen nadere informatie verstrekt. De volgende drie boekingen betreffen rechtstreekse overdrachten van middelen die alleen bestemd waren voor exporteurs:

(199)

Ten eerste ontving de onderneming middelen op een rekening getiteld “Steun van de vereniging van Egeïsche exporteurs”, die volgens de onderneming verband hield met steun voor luchtvervoer. Deze steun werd verleend uit hoofde van Presidentieel Besluit nr. 2552 van 16 mei 2020 betreffende de ondersteuning van luchtvrachtvervoerkosten voor de periode mei tot en met juli 2020 (28).

(200)

Ten tweede ontving de onderneming middelen op een rekening getiteld “Exportstimulansen van het Ministerie van Economische Zaken” (“exportstimuleringssteun”). De onderneming verklaarde dat “Besluit 2014/8 (29) bedoeld is om ondernemingen die industriële en/of commerciële activiteiten verrichten in Turkije, te ondersteunen en in staat te stellen markttoegangscertificaten te verwerven en hun deelname aan de mondiale toeleveringsketen te waarborgen”.

(201)

Ten derde ontving de onderneming middelen op een rekening getiteld “Inkomsten ter ondersteuning van beursdeelname”. De onderneming verklaarde dat deze bijstand wordt geregeld bij Besluit 2017/4 betreffende de ondersteuning van de deelname aan beurzen in het buitenland, dat is bekendgemaakt in Turks Staatsblad nr. 30031 van 7 april 2017. Op grond van dit besluit kunnen exporteurs bij het directoraat-generaal Uitvoer van het Ministerie van Handel verzoeken om terugbetaling van de kosten van deelname aan handelsbeurzen in het buitenland die door dat ministerie als subsidiabel zijn aangemerkt.

4.7.   Conclusie

(202)

Volgens de Commissie is de eerste subsidie uitvoerafhankelijk, aangezien het gaat om een terugbetaling van de kosten van het vervoer bij uitvoer. Bovendien moet de exporteur zich ertoe verbinden te exporteren en de subsidie terug te betalen indien de uitgevoerde goederen in Turkije worden wederingevoerd. Daarnaast is de regeling specifiek bestemd voor exporteurs in bepaalde sectoren, waaronder aquacultuur.

(203)

De Commissie is van mening dat ook de tweede subsidie uitvoerafhankelijk is, aangezien die betrekking heeft op de terugbetaling van uitgaven voor uitvoertransacties om toegang te krijgen tot buitenlandse markten, zoals kosten voor certificering en kwaliteitscontroles.

(204)

Ook de derde subsidie is volgens de Commissie uitvoerafhankelijk, aangezien die is bedoeld om de uitvoer te bevorderen via handelsbeurzen in het buitenland.

(205)

Deze regeling is een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, a), i), van de basisverordening, in de vorm van een rechtstreekse subsidie van de Turkse overheid aan de Turkse exporteurs. De regeling kent een voordeel toe in de zin van artikel 3, punt 2, van de basisverordening.

(206)

Deze subsidies zijn afhankelijk van uitvoerprestaties in de zin van artikel 4, lid 4, punt a), van de basisverordening. Sommige daarvan zijn ook specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), en artikel 4, lid 3, van de basisverordening, aangezien zij blijkens de door de meewerkende producent-exporteur verstrekte documenten beperkt zijn tot bepaalde industriële sectoren, zoals de aquacultuur. De Commissie is derhalve van oordeel dat deze subsidies aanleiding geven tot compenserende maatregelen en specifiek zijn.

(207)

Het voordeel is het bedrag van de inkomsten die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek zijn ontvangen en geboekt.

(208)

Na de mededeling van feiten en overwegingen betwistte Gumusdoga het besluit van de Commissie betreffende de vraag of deze drie subsidies aanleiding geven tot compenserende maatregelen.

(209)

Aangaande de “Aegean Exporters” Association Support” (de eerste subsidie) stelde Gumusdoga dat de regeling geen verband houdt met het onderzochte product, aangezien de uitvoer van producten van de GS-codes 0302, 0303 en 0304 naar de Europese Unie niet binnen de reikwijdte van de steun valt.

(210)

De Commissie heeft dit argument afgewezen omdat de steun betrekking kan hebben op producten onder andere GS-codes die deel uitmaken van de productomschrijving van dit onderzoek, namelijk de GS-codes 0301 en 0305. De onderneming verstrekte ook niet voldoende informatie om de Commissie in staat te stellen na te gaan welke productgroepen onder de in het TNO ontvangen steun vielen.

(211)

Gumusdoga stelde ook dat deze eerste subsidie geen verband houdt met de uitvoer naar de markt van de Unie.

(212)

De Commissie betwist niet dat deze regeling niet uitsluitend betrekking heeft op het onderzochte product, en daarom is het voordeel dat de onderneming heeft ontvangen bepaald voor de totale uitvoer van de groep en vervolgens naar verhouding toegerekend aan het onderzochte product.

(213)

Aangaande de exportstimuleringssteun (de tweede subsidie) stelde Gumusdoga dat slechts één van de acht aanvragen die in de berekening van het voordeel waren opgenomen, betrekking had op het onderzochte product en het TNO. Bijgevolg verzocht hij de Commissie de berekening van het voordeel dienovereenkomstig te herzien en de zeven aanvragen die niet op het onderzochte product en het TNO betrekking hebben, uit te sluiten.

(214)

De Commissie verwerpt dit argument, aangezien het voordeel is bepaald als de inkomsten die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek zijn geboekt, en is bepaald voor de totale uitvoer van de groep en vervolgens naar verhouding is toegerekend aan het onderzochte product.

(215)

Gumusdoga verzocht de Commissie ook geen rekening te houden met het voordeel dat voortvloeit uit de “Inkomsten ter ondersteuning van beursdeelname” (de derde subsidie), aangezien deze regeling niet specifiek is voor een sector of onderneming en evenmin verband houdt met het onderzochte product of het TNO.

(216)

De Commissie verwerpt dit argument, aangezien het uitvoerafhankelijk is en de inkomsten die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek zijn geboekt, zijn bepaald voor de totale uitvoer van de groep en vervolgens naar verhouding zijn toegerekend aan het onderzochte product.

Tabel 6

Rechtstreekse overdracht van middelen

Onderneming

Subsidiepercentage

Fishark

0,00  %

Gumusdoga

0,21  %

Ozpekler

0,09  %

Selina Balik

0,08  %

4.8.   Preferentiële leningen

(217)

Tijdens het oorspronkelijke onderzoek en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft de Commissie vastgesteld dat forelkwekers preferentiële leningen ontvingen, waaronder:

laagrentende of renteloze landbouwkredieten;

laagrentende uitvoerkredieten van Eximbank, rechtstreeks of via andere banken.

(218)

De Commissie heeft in 2020 onderzoek gedaan naar de verstrekking van preferentiële leningen aan de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, met inbegrip van landbouwkredieten, uitvoerkredieten en andere leningsregelingen, waaronder die welke de Turkse overheid in 2020 heeft opgezet in reactie op de covidpandemie.

4.9.   Landbouwkredieten

4.9.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(219)

Bij Besluit 2020/2015 is bepaald dat coöperatieve landbouwkredietinstellingen en T.C. Ziraat Bankasi A.S. (“Ziraat Bankasi”) laagrentende leningen en bedrijfskredieten kunnen verstrekken aan producenten in de aquacultuursector. De forelkwekers kunnen 10 % tot 80 % korting krijgen op de toepasselijke rentetarieven. Het krediet bedraagt maximaal 10 000 000 TL. Het besluit heeft betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022.

(220)

De coöperatieve landbouwkredietinstellingen zijn privaatrechtelijke entiteiten die door landbouwproducenten (d.w.z. natuurlijke personen of rechtspersonen die landbouwproducten produceren) in Turkije zijn opgericht ter ondersteuning van hun financiële bedrijfsbehoeften.

(221)

Ziraat Bankasi is de Landbouwbank van de Republiek Turkije, een 100 % staatsbank. Tijdens het oorspronkelijke onderzoek waren de aandelen ervan in handen van het Staatssecretariaat van Financiën. In 2018 werd het kapitaal ervan echter overgedragen aan het Turkse Staatsinvesteringsfonds, en uit het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen is gebleken dat de bank nog steeds voor 100 % in handen is van dat fonds (30).

(222)

Overeenkomstig artikel 2 van wet nr. 6741 betreffende de oprichting van de beheermaatschappij van het Turkse Staatsinvesteringsfonds en houdende wijziging van bepaalde wetten, is het Turkse Staatsinvesteringsfonds een aan het presidentschap gelieerde instelling (31).

(223)

Volgens artikel 13, lid 2, van Besluit 2016/9429 van de raad van ministers treedt de president van de Republiek op als voorzitter van de raad van bestuur van het fonds. De president kan een van de leden van de raad van bestuur aanwijzen als vicevoorzitter (32).

(224)

Zoals vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek (33), verstrekt Ziraat Bankasi preferentiële leningen aan de aquacultuursector om de landbouwproductie en de agro-industrie te bevorderen. In het kader van dit programma bepaalt de ministerraad jaarlijks de looptijd, de procedures en de beginselen van het programma, en de Schatkist betaalt het resterende bedrag van de rentebetaling, dat overeenkomt met de verdisconteerde rente, aan Ziraat Bankasi.

(225)

In het oorspronkelijke onderzoek werd derhalve vastgesteld dat Ziraat Bankasi op grond van Besluit 2013/4271, dat is vervangen door Besluit 2020/2015 met dezelfde strekking, een entiteit met overheidsgezag was.

(226)

Daarom blijft T.C. Ziraat Bankasi A.S. een entiteit met overheidsgezag en blijft de Commissie de bank net als in eerdere onderzoeken beschouwen als een overheidsinstantie.

4.9.2.   Bevindingen

(227)

Tijdens het TNO hadden de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs laagrentende leningen uitstaan bij Ziraat Bankasi.

(228)

Na de mededeling van feiten en overwegingen merkte Gumusdoga op dat de Commissie landbouwleningen van Ziraat Bankasi niet als tot compenserende maatregelen aanleiding gevende leningen mag beschouwen, aangezien deze verband hielden met de aankoop van een verzekeringspolis in verband met de productie van andere producten en niet met de productie van het onderzochte product.

(229)

Dit argument werd afgewezen omdat de lening aan de onderneming werd verstrekt en er geen bewijs was dat vergelijkbare leningen algemeen beschikbaar zijn voor ondernemingen in Turkije. Bovendien was de lening niet afhankelijk van de productie van andere producten, maar alleen van de aankoop van een verzekeringspolis voor een bepaalde kwekerij.

4.10.   Uitvoerkredieten

4.10.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(230)

Zoals in het oorspronkelijke onderzoek (34) en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (35) werd vastgesteld, werd Türkiye İhracat Kredi Bankası A.Ş (“Eximbank”) op 21 augustus 1987 door de Turkse overheid bij besluit 87/11914 opgericht op grond van wet nr. 3332 (36) inzake uitvoerkredieten; zij is voor 100 % een staatsbank die fungeert als het instrument waarmee de Turkse overheid in het kader van haar uitvoerstrategie de uitvoer stimuleert.

(231)

Eximbank heeft van de overheid de opdracht gekregen om de buitenlandse handel en Turkse contractanten/investeerders die in het buitenland actief zijn, te ondersteunen met het oog op een grotere uitvoer door Turkse bedrijven en een sterker internationaal concurrentievermogen.

(232)

De Commissie blijft Eximbank beschouwen als een bank die met overheidsgezag is bekleed en derhalve een overheidsorgaan is.

(233)

Wet nr. 3332 en resolutie nr. 2013/4286 (37) betreffende de oprichting van Eximbank vormen de rechtsgrondslag voor de uitvoerkredieten die via Eximbank worden verstrekt.

(234)

Eximbank verleent financiële steun (hetzij rechtstreeks, hetzij via correspondentbanken die op commissiebasis werken), zoals uitvoerafhankelijke uitvoerkredieten vóór of na verzending en uitvoergerichte investeringskredieten voor exporteurs, met als doel het concurrentievermogen van Turkse exporteurs op buitenlandse markten te versterken.

(235)

Eximbank maakt ook gebruik van verdisconteringskredieten om de exporteurs contante voorschotten te verstrekken op basis van de verdiscontering van aan de verkopen voor uitvoer gerelateerde wissels en documenten (38). De rechtsgrondslag voor deze kredieten wordt gevormd door de “Uitvoeringsbepalingen en -circulaire voor verdisconteringskredieten voor diensten in verband met de uitvoer en buitenlandse valuta (verdisconteringsprogramma)” (39) en artikel 45 van de wet op de centrale bank.

(236)

In het jaarverslag 2020 van de Centrale Bank van Turkije (TCMB) werd opgemerkt dat de verdisconteringskredieten bedoeld waren om “exportondernemingen makkelijker en tegen gunstige voorwaarden toegang te bieden tot kredieten en de reserves van de TCMB te versterken” (40).

(237)

De verdisconteringskredieten worden gefinancierd door de Centrale Bank van Turkije, maar worden afgewikkeld via de Turkse financiële instellingen (zowel overheidsbanken als particuliere banken) die als correspondentbank van de TCMB optreden. De rentetarieven worden vastgesteld door de TCMB en de correspondentbanken worden vergoed via een commissie die aan de ontvangers in rekening wordt gebracht.

4.10.2.   Bevindingen

(238)

Tijdens het TNO hadden de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs uitstaande laagrentende uitvoerkredieten die hetzij rechtstreeks door Eximbank, hetzij via andere overheidsbanken of particuliere banken die als correspondentbank van Eximbank optreden, waren verstrekt. De ondernemingen hadden eveneens verdisconteringskredieten ontvangen die door Eximbank of via andere overheidsbanken of particuliere banken werden verstrekt.

4.11.   Andere leningsregelingen

4.11.1.   Beschrijving en rechtsgrondslag

(239)

Sommige in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs meldden dat zij in 2020 andere leningen waren aangegaan. De Commissie heeft drie door hen gebruikte regelingen geïdentificeerd en heeft de Turkse overheid verzocht om informatie over de volgende regelingen:

Can Suyu (levenswater)

Ise Devam (bedrijfscontinuïteit)

IVME-krediet (versnellingskrediet)

(240)

De regeling “Can Suyu” (levenswater) is een algemeen leningsprogramma dat openstaat voor alle ondernemingen die toezeggen hun activiteiten voort te zetten en het aantal bij de socialezekerheidsinstantie geregistreerde werknemers per eind februari 2020 te handhaven (en niet te verminderen). Het programma betreft een bedrijfscontinuïteitslening van de Turkse overheid aan de Kredi Garanti Fonu en de vijf overheidsbanken die aandelen daarin bezitten.

(241)

De regeling “Ise Devam (bedrijfscontinuïteit)” is een ander algemeen programma van leningen dat op dezelfde manier als “Can Suyu (levenswater)” betrekking heeft op de lopende activiteiten. Het programma betreft een bedrijfscontinuïteitslening van de Turkse overheid aan de Kredi Garanti Fonu en de vijf overheidsbanken die aandelen daarin bezitten.

(242)

Het IVME-versnellingskrediet is een specifiekere regeling voor bepaalde economische sectoren. Het Ministerie van Financiën kondigde de regeling op 23 mei 2019 samen met drie overheidsbanken, Ziraat Bankasi, Halkbank en Vakifbank, aan in het kader van het financieringspakket voor versnelling IVME (41). Het pakket voor versnelde financiering is op zijn beurt onderdeel van het nationale economische langetermijnbeleid van de Turkse overheid, zoals vervat in het programma voor de nieuwe economie (“Yeni Ekonomi Programi”).

(243)

In de officiële aankondiging staat dat het programma gericht is op “de ondersteuning van sectoren die sterk invoerafhankelijk zijn, een tekort op de handelsbalans hebben, een grote bijdrage leveren aan de werkgelegenheid en hoge uitvoeropbrengsten of deviezeninkomsten genereren”. Volgens de inaugurele toespraak van de minister van Financiën heeft “het financieringspakket een productgerichte financieringsaanpak. Niet alleen door elke sector afzonderlijk te beoordelen, maar ook door producten te financieren die het tekort op de handelsbalans kunnen verminderen. Doel hiervan is de betrokken producten op de internationale markten concurrerender te maken en zo het uitvoerpotentieel van strategische producten voor het voetlicht te brengen” (42).

(244)

De belangrijkste te ondersteunen activiteiten zijn “de productie van grondstoffen en halffabricaten, de productie van machines en de landbouw”. Op het gebied van grondstoffen en ingevoerde goederen werden vier belangrijke sectoren aangewezen: chemische/medische (farmaceutische) producten, kunststoffen en rubberproducten; kunstmatige en synthetische garens, en de papier- en kartonsector (43).

(245)

Wat betreft de productie van machines is een lijst opgesteld van machinefabrikanten op basis van bepaalde NACE-codes. Het financieringspakket omvat leningen aan binnenlandse machinefabrikanten op de NACE-codelijst die investeren in nieuwe productiecapaciteit of capaciteitsuitbreiding, alsook leningen aan binnenlandse kopers die investeren in nieuwe machines die door diezelfde fabrikanten worden geproduceerd. Het pakket is gericht op de volgende sectoren:

elektrische machines en onderdelen, computers, elektronica, optische apparatuur;

delen en onderdelen van motorvoertuigen;

motor en onderdelen daarvan;

algemene industriële machines en onderdelen daarvan;

elektrische apparatuur (44).

(246)

Landbouw omvat “veeteelt en de teelt van voedergewassen” en één in de steekproef opgenomen producent-exporteur ontving tijdens het TNO dergelijke leningen voor aquacultuur. Qua aangeboden rentevoet zijn de leningsvoorwaarden duidelijk preferent.

4.11.2.   Bevindingen

(247)

De Commissie heeft geen aanwijzingen dat de twee algemene leningsregelingen Can Suyu (levenswater) en Ise Devam (bedrijfscontinuïteit), die gebaseerd zijn op de werkgelegenheid bij de ondernemingen in februari 2020, specifiek zijn of aanleiding geven tot compenserende maatregelen.

(248)

Voor de IVME-kredietregeling heeft de Commissie echter bewijs gevonden dat deze beperkt is tot specifieke sectoren en specifieke activiteiten (zoals hierboven uiteengezet) en dat het leningenpakket verbonden is met de overheidsbanken Ziraat Bank, Halkbank en Vakifbank.

(249)

De Commissie heeft vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen alleen IVME-kredieten van Ziraat Bank en Halkbank gebruikten. Daarom heeft de Commissie de status van Vakifbank in het kader van dit onderzoek niet onderzocht.

(250)

De Commissie heeft in punt 4.5.1 bevestigd dat Ziraat Bank een overheidsinstantie met overheidsgezag is.

(251)

Op basis van openbare informatie en van de informatie die de bank zelf had verstrekt in het antwoord op de vragenlijst van de overheid, die kopieën van de jaarverslagen 2019 en 2020 bevatte, beschouwde de Commissie Türkiye Halk Bankası A.Ş (“Halkbank”) als een overheidsinstantie met overheidsgezag.

(252)

Halkbank werd in 1933 door de Turkse overheid opgericht. Mustafa Kemal Atatürk, die de weg bereidde voor de oprichting van de Halkbank, merkte op dat “het van het allergrootste belang is een organisatie op te zetten die kleine ondernemers en grote industriële ondernemingen de makkelijk verkrijgbare, goedkope leningen verstrekt die zij zo dringend nodig hebben, en om de kredietkosten onder normale omstandigheden te verlagen”.

(253)

De Turkse overheid is via het Turkse Staatsinvesteringsfonds voor 77,9 % eigenaar van Halkbank (45). De Commissie merkte op dat alle leden van de raad van bestuur van de bank overheidsfunctionarissen zijn of waren, of werkzaam zijn geweest bij andere overheidsinstanties (46).

(254)

Zo stelde de Commissie vast dat Maksut Serim — die in 2020 senior adviseur was van de president van de Republiek Turkije en tussen 2003 tot 2016 hoofdadviseur was van de Turkse premier — zetelde in de raad van bestuur.

(255)

De Commissie constateerde ook dat Sezai Uçarmak, die in 2020 onderminister was van het Ministerie van Handel, in de raad van bestuur zat.

(256)

De Commissie merkte voorts op dat de statuten van Halkbank duidelijk vermelden dat de bank specifiek als doel heeft kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), handelaren en ambachtslieden goedkoop toegang te bieden tot financiering (artikel 4, lid 4), en dat de raad van ministers van de Republiek Turkije daarbij betrokken is.

(257)

Artikel 4, lid 5, gaat in op de mogelijkheid dat minder dan 50 % van de aandelen van de bank in overheidshanden is: “Indien het percentage overheidsaandelen van de Bank onder 50 % daalt, worden de activiteiten van de bank met betrekking tot het aanbieden van kredietfaciliteiten aan handelaren en kleine en middelgrote industriële ondernemingen voortgezet volgens de methoden en beginselen die door de raad van ministers worden vastgesteld.” (47)

(258)

De bank is opgericht door de Turkse overheid en de prioriteiten ervan liggen bij de behoeften van kmo’s, handelaren en ambachtslieden.

(259)

Halkbank merkt zelf het volgende op: “Aangezien de prioriteit van Halkbank altijd is geweest om zo gunstig mogelijke leningen te verstrekken aan deze doelgroep, verdient de bank de voorname plaats die zij heeft verworven in de harten van de handelaars, ambachtslieden en kmo’s.” (48) In haar jaarverslagen over 2020 en 2021 verwijst Halkbank ook meermaals naar haar rol als bank voor het overheidsbeleid die de prioriteiten van de overheid uitvoert.

(260)

Volgens de officiële missieverklaring die Halkbank in haar jaarverslagen vermeldt, heeft de bank tot taak “de ontwikkeling en groei van Turkije te ondersteunen met aandacht voor haar maatschappelijke verantwoordelijkheid, en een bank van het volk te zijn die een grote toegevoegde waarde creëert voor alle belanghebbenden”.

(261)

De missie wordt als volgt in de praktijk gebracht: “Aangezien we onze middelen hebben gericht op de prioriteiten van de Turkse economie als onderdeel van onze opdracht “Wij zijn eerst mensen, daarna een bank”, zetten wij in op een bedrijfskoers die mens, samenleving en milieu respecteert.”

(262)

Zo is op bladzijde 52 van het jaarverslag over 2021 het volgende te lezen: “de bank heeft […] 12,1 miljard TRY aan leningen met rentesubsidie van het Ministerie van Financiën verstrekt aan 500 000 handelaren en ambachtslieden. Daarnaast heeft Halkbank de terugbetaling van leningen door handelaren en ambachtslieden wier bedrijven verlies hebben geleden als gevolg van de pandemie, uitgesteld op grond van een presidentieel besluit.” (49)

(263)

Meer in het bijzonder wat betreft de IVME-leningen prees algemeen directeur Osman Arslan “de harmonie en sterke coördinatie tussen de instellingen op het gebied van economisch beheer om goede resultaten te boeken”, en voegde hij daaraan toe: “Wij zijn vastberaden om de doelstellingen van het programma voor de nieuwe economie te verwezenlijken en zullen dit jaar veel werk verzetten op dat gebied en grote inspanningen leveren om oplossingen aan te bieden die zo goed mogelijk aansluiten op de behoeften van onze klanten. De kredietverstrekking via onze innovatieve producten, zoals het financieringspakket voor versnelling, op de werkgelegenheid gerichte bedrijfsleningen, leningen om economische waarde te creëren, de campagnes rond woningkredieten en consumptieve kredieten, de TLREF-geïndexeerde leningen en de leningen voor in het binnenland geproduceerde voertuigen, kwam in 2019 uit op 30 miljard TL.” (50)

(264)

De voorwaarden van het IVME-krediet omvatten een aflossingsvrije periode en een preferentieel tarief dat is vastgesteld als een procentuele toeslag (van 1 % tot 3 %, afhankelijk van de looptijd van de lening) op de staatsobligaties met een laag risico (DIBS).

(265)

De rentevoet voor IVME-leningen is vastgelegd in de instructies van de overheid aan de banken en wordt vastgesteld ongeacht de kapitaalkostenstructuur van de bank, de omstandigheden van de kredietnemer of diens kredietwaardigheid. De banken worden derhalve geacht op te treden namens de overheid en de instructies van de overheid uit te voeren.

(266)

De Commissie was derhalve van oordeel dat de IVME-kredietregeling aanleiding geeft tot compenserende maatregelen.

4.12.   Leningen — Conclusie

(267)

Zoals in het oorspronkelijke onderzoek (51) en in het onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen (52) werd bevestigd, wordt de preferentiële financiering beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, punt 1, a), i), en artikel 3, punt 2, van de basisverordening.

(268)

Op basis van de bevindingen van het lopende onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat de preferentiële-financieringsregelingen de ontvangers ervan voordelen toekennen, aangezien dergelijke financiering tegen een lagere rente dan de marktrente wordt verstrekt, dat wil zeggen tegen voorwaarden die niet overeenstemmen met de marktvoorwaarden voor financieringen met een vergelijkbare looptijd.

(269)

Deze preferentiële-financieringsregelingen zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, punt a), van de basisverordening wat de landbouwkredieten betreft, aangezien de financiering verlenende autoriteiten of de wetgeving op grond waarvan deze autoriteiten handelen, de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperken.

(270)

De uitvoergerelateerde kredieten zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 4, punt a), van de basisverordening, aangezien zij van uitvoerprestaties afhankelijk zijn.

(271)

Na de mededeling van feiten en overwegingen betwistten de Turkse overheid en Gumusdoga de compenserende maatregelen tegen het voordeel dat was berekend voor uitvoergerelateerde kredieten die van uitvoerprestaties afhankelijk zijn, indien de lening werd verstrekt door een particuliere bank.

(272)

Dit argument is ook aangevoerd in het kader van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, en wel in overweging 87, en de Commissie heeft dit argument in de overwegingen 88 en 89 verworpen (53).

(273)

De Commissie heeft de door de onderneming verstrekte documentatie zorgvuldig geanalyseerd en gezocht naar bewijzen dat deze leningen waren verstrekt door particuliere banken zonder inmenging van de Eximbank of andere overheidsinstanties, aangezien de onderneming deze leningen voor de uitvoer van het onderzochte product had verkregen tegen tarieven die ver onder de door het TCMB voor leningen in euro gepubliceerde tarieven lagen.

(274)

De door de onderneming verstrekte documentatie bevatte geen leningsovereenkomst met de betrokken bank of enig bewijs dat de betrokken bank de onderneming om een bepaalde reden een bepaalde rentevoet had aangeboden.

(275)

Er werd derhalve geen bewijsmateriaal gevonden waaruit bleek dat deze leningen op marktbasis waren verstrekt; het argument werd dan ook afgewezen.

(276)

Bovendien stelde Gumusdoga dat de methode die de Commissie gebruikte om het voordeel van uitvoergerelateerde leningen te berekenen, inconsequent was, aangezien sommige van die leningen niet in de berekening van het totale voordeel waren opgenomen.

(277)

De Commissie wees dit argument af. De enige reden waarom bepaalde uitvoergerelateerde leningen van particuliere banken niet in aanmerking zijn genomen bij de berekening van het totale voordeel, is dat die leningen in Turkse lira zijn verstrekt.

(278)

Gumusdoga stelde dat hij wegens zijn hoge kredietwaardigheid gunstige lage rentetarieven kan krijgen voor zijn uitvoerafhankelijke leningen van particuliere banken, en dat de Commissie het uit die leningen voortvloeiende voordeel derhalve niet in haar berekeningen mag opnemen.

(279)

De Commissie verwierp dit argument, aangezien de referentierentevoeten die voor de berekening van het voordeel waren gebruikt, overeenkomen met de gemiddelde rentevoet van alle Turkse leningen die in een bepaalde periode en in een bepaalde munt zijn verstrekt. Dit gemiddelde omvat alle soorten kredietwaardigheid.

(280)

Dit argument van Gumusdoga, dat sommige uitvoergerelateerde leningen op grond van de specifieke omstandigheden van deze onderneming tegen lage rentetarieven werden verstrekt, is ook in het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen aangevoerd en werd om dezelfde redenen als hierboven afgewezen. Gumusdoga kon niet aantonen een uitvoerafhankelijke lening tegen een lage rente te verkrijgen op basis van zijn kredietrating of op basis van onderhandelingen met een bank.

(281)

Volgens de Commissie bestaat er geen verband tussen de vraag of een lening aanleiding geeft tot compenserende maatregelen en de mate van kredietwaardigheid van een onderneming. De referentierentevoeten werden alleen gebruikt om het bedrag van het uit de leningen voortvloeiende voordeel te bepalen en niet om te bepalen of een lening al dan niet kon worden geacht aanleiding te geven tot compenserende maatregelen.

(282)

Alle preferentiële-financieringsregelingen worden derhalve beschouwd als tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.

4.12.1.   Berekening van de hoogte van de subsidie

(283)

Overeenkomstig artikel 6, punt b), van de basisverordening werd het voordeel van de preferentiële financiering berekend als het verschil tussen de betaalde rente en de rente die zou worden betaald voor een vergelijkbare commerciële lening. Als benchmark paste de Commissie opnieuw de gewogen gemiddelde rentevoet voor commerciële leningen op de Turkse binnenlandse markt toe; hiervoor baseerde zij zich op van de TCMB afkomstige gegevens (54). Dit is dezelfde benchmark als in het oorspronkelijke onderzoek en in alle eerdere nieuwe onderzoeken. De Commissie rekende het voordeel in verband met de uitvoerkredieten aan de verkoop bij uitvoer toe, terwijl de landbouwkredieten aan de totale verkoop werden toegerekend.

(284)

Na de mededeling van feiten en overwegingen plaatste Gumusdoga vraagtekens bij de methode voor de toerekening van het voordeel voor uitvoergerelateerde leningen. In de mededeling van feiten en overwegingen wees de Commissie het voordeel als volgt toe:

a)

uitvoergerelateerde leningen die zijn gerapporteerd als “geen verband houdend met het onderzochte product”, leverden geen voordeel op dat aan het onderzochte product werd toegerekend;

b)

van uitvoergerelateerde leningen die niet als zodanig zijn gerapporteerd, werd het voordeel volledig aan de uitvoer van het onderzochte product toegerekend.

(285)

Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde Gumusdoga dat alle punt b) vallende leningen in feite moeten worden toegerekend aan de totale uitvoer, aangezien al die leningen ook afhankelijk waren van de uitvoer van andere producten. Dit argument is hetzelfde argument dat dezelfde producent-exporteur heeft aangevoerd in de verordening na het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (55), overweging 92.

(286)

In het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen kon de Commissie het voordeel van bepaalde uitvoergerelateerde leningen toerekenen aan de totale uitvoer, wanneer daarvoor bewijsmateriaal was (56). Aangezien sommige van die leningen tijdens dit nieuwe onderzoek nog steeds liepen, kon de Commissie tot dezelfde conclusie komen.

(287)

Voor de leningen die in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen niet zijn onderzocht, heeft de Commissie de documentatie geanalyseerd die Gumusdoga in zijn antwoorden op de vragenlijst en in latere opmerkingen heeft verstrekt.

(288)

Wanneer uit die documenten bleek dat de lening afhankelijk was van de uitvoer van alle producten, werd het voordeel toegerekend aan de totale uitvoer van de groep. Anders werd het voordeel toegerekend aan de uitvoer van het onderzochte product. Door Gumusdoga na de mededeling van feiten en overwegingen verstrekte documentatie die niet kon worden gecontroleerd, werd niet in aanmerking genomen.

(289)

Na de mededeling van feiten en overwegingen wezen twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs op rekenfouten bij de berekening van het voordeel, die werden gecorrigeerd. De Commissie heeft er ook voor gezorgd dat aangezien de referentierentevoet elke vrijdag werd gepubliceerd, de referentierentevoet van toepassing zou zijn op leningen die in de daaropvolgende week begonnen te lopen, zoals ook is gebeurd in overweging 93 van de verordening na het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen.

(290)

Voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs zijn de volgende subsidiepercentages berekend ten aanzien van preferentiële leningen:

Tabel 7

Financiering

Onderneming

Subsidiepercentage

Fishark

0,00  %

Gumusdoga

0,49  %

Ozpekler

0,36  %

Selina Balik

0,19  %

4.13.   Definitieve hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

(291)

De Commissie heeft de geaggregeerde tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies overeenkomstig de basisverordening als volgt vastgesteld:

Tabel 8

Totale vastgestelde subsidie

Onderneming

Subsidiepercentage

Fishark

3,47  %

Gumusdoga

4,46  %

Ozpekler

3,19  %

Selina Balik

2,81  %

5.   BLIJVENDE AARD VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN

(292)

Het onderzoek bevestigde dat de structuur en de voorwaarden voor de uitvoering van de rechtstreekse subsidies van de Turkse overheid aan de forelkwekers aanzienlijk zijn gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke onderzoek. Zoals reeds vastgesteld in de vorige nieuwe onderzoeken zoals genoemd in de overwegingen 2 en 3, heeft de Turkse overheid bij Besluit 2016/8791 (57) een wetswijziging doorgevoerd met betrekking tot de in 2016 te verlenen landbouwsteun. De voorwaarden om voor de subsidies in aanmerking te komen zijn uitvoerig beschreven in mededeling 2016/33 (58) inzake steun voor de aquacultuur.

(293)

In wezen, en in tegenstelling tot het oorspronkelijke onderzoek, werden, als een forelkweker beschikte over meer dan één productievergunning (of viskwekerij) in dezelfde potentiële zone op zee zoals afgebakend door het ministerie, in hetzelfde bassin (stuwbekken) of in dezelfde bassins in dezelfde regio’s, die aan dezelfde persoon of dezelfde onderneming/hetzelfde bedrijf toebehoorden, die vergunningen of viskwekerijen beschouwd als één enkele vergunning of één enkele viskwekerij van dat bedrijf, en moest de rechtstreekse subsidie worden uitbetaald overeenkomstig die interpretatie.

(294)

Deze wetswijziging werd gehandhaafd in de besluiten met betrekking tot de volgende jaren en ook in het in overweging 57 genoemde besluit nr. 3190 voor het TNO. Dit wijst erop dat de wijziging in de structuur en de uitvoering van de rechtstreekse subsidies van de Turkse overheid al enkele jaren van kracht is en dat er geen aanwijzingen zijn dat de Turkse overheid voornemens is deze verder te wijzigen.

(295)

Bovendien werd de voor rechtstreekse subsidies in aanmerking komende hoeveelheid bij een wijziging van de regeling voor rechtstreekse subsidies in 2019 (59) verlaagd tot 350 MT, wat neerkomt op een verlaging van het plafond ten opzichte van het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek. Dit plafond werd in 2020 gehandhaafd bij besluit nr. 3190. Zoals hierboven vermeld, heeft het onderzoek geen aanwijzingen opgeleverd dat deze praktijk niet zou worden voortgezet.

(296)

Uit het onderzoek is ook gebleken dat de Turkse overheid, zoals uiteengezet in de overwegingen 57 tot en met 72, in toenemende mate forelproducenten subsidieerde door de steunpercentages op te splitsen. Bedrijven die forellen van welke grootte dan ook kweken met dezelfde kweekvergunning, ontvingen voordelen in het kader van de subsidietarieven “forel” en “forel boven 1 kg”.

(297)

De verschuiving van de Turkse overheid van subsidiëring van alle forel tegen één subsidiebedrag naar de subsidiëring van zowel alle forel als specifiek “forel boven 1 kg”, wordt geacht van blijvende aard te zijn. Deze verschuiving is in de afgelopen jaren flink versneld en de Turkse overheid heeft geen aanwijzingen gegeven waaruit blijkt dat deze niet zou worden voortgezet. De daling van de voordelen voor “forel” werd gedeeltelijk gecompenseerd door deze stijging van de voordelen door de uitbetaling van steun voor “forel boven 1 kg”. Over het algemeen blijven forelkwekers rechtstreekse steun van de Turkse overheid ontvangen.

(298)

De Commissie merkte op dat de totale subsidiëring van het onderzochte product in Turkse lira per kilo uitvoer naar de Unie niet in dezelfde mate was gedaald als de tijdens het TNO berekende compenserende rechten. Dit houdt verband met de daling van de waarde van de Turkse lira ten opzichte van de euro sinds het oorspronkelijke onderzoek, en met het feit dat het recht wordt berekend op basis van de subsidie in Turkse lira per kilo gedeeld door de cif-waarde in Turkse lira.

(299)

De Commissie merkte echter ook op dat Turkije, parallel aan de daling van de waarde van de Turkse lira ten opzichte van de euro, ook perioden van hoge inflatie doormaakte. Hierdoor is ook de waarde van de Turkse lira in het land gedaald en zijn de uitgekeerde subsidiebedragen in Turkse lira, die constant zijn gebleven, in reële termen gedaald. Daarom beschouwde de Commissie de verlaging van het compenserend recht uit het oorspronkelijke onderzoek als een blijvende wijziging van de omstandigheden.

(300)

Op 11 november 2021 heeft de DAO opgemerkt dat de subsidieregelingen in Turkije voortdurend en regelmatig worden gewijzigd en dat wijzigingen in de subsidiebedragen derhalve niet als blijvend kunnen worden beschouwd. De uitvoer van forel uit Turkije onderbiedt de prijzen van de bedrijfstak van de Unie nog steeds en veroorzaakt nog steeds aanmerkelijke schade voor die bedrijfstak. Daarom moet dit nieuwe onderzoek worden beëindigd en moet het niveau van de geldende maatregelen worden gehandhaafd.

(301)

De argumenten van de DAO gingen voorbij aan de aanzienlijke wijzigingen in de structuur en uitvoering van de regelingen inzake rechtstreekse subsidies die tijdens dit onderzoek werden vastgesteld. De mogelijke jaarlijkse variaties in de subsidietarieven hadden geen invloed op de conclusie dat de omstandigheden in het oorspronkelijke onderzoek aanzienlijk verschilden en dat de wijzigingen van blijvende aard waren. De desbetreffende argumenten van de DAO werden derhalve afgewezen.