ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 188

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

65e jaargang
15 juli 2022


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1214 van de Commissie van 9 maart 2022 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) 2022/1215 van de Commissie van 7 juli 2022 tot vaststelling van een sluiting van de visserij op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in de Noorse wateren van 1 en 2 voor vaartuigen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren

46

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1216 van de Commissie van 8 juli 2022 tot afwijking, met betrekking tot het jaar 2022, van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 809/2014, (EU) nr. 180/2014, (EU) nr. 181/2014, (EU) 2017/892, (EU) 2016/1150, (EU) 2018/274, (EU) nr. 615/2014 en (EU) 2015/1368 wat betreft bepaalde in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen administratieve controles en controles ter plaatse en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/725

49

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1217 van de Commissie van 14 juli 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 wat betreft de verlaging van aan Spanje toegewezen vangstquota voor 2021, 2022 en 2023

62

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1218 van de Commissie van 14 juli 2022 tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 wat betreft de goedkeuring van de ziektevrije status van bepaalde lidstaten of zones daarvan ten aanzien van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten ( 1 )

65

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1219 van de Commissie van 14 juli 2022 tot wijziging van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 wat betreft modelcertificaten voor de binnenkomst in en doorvoer door de Unie van zendingen van bepaalde samengestelde producten ( 1 )

75

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1220 van de Commissie van 14 juli 2022 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het formaat waarin bijkantoren van ondernemingen uit derde landen en bevoegde autoriteiten de in artikel 41, leden 3 en 4, van die richtlijn bedoelde informatie moeten verstrekken ( 1 )

98

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1221 van de Commissie van 14 juli 2022 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko

114

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2022/1222 van de Raad van 12 juli 2022 betreffende het namens de Europese Unie in de Algemene Vergadering van de Bijzondere Unie van Lissabon in te nemen standpunt

142

 

*

Besluit (EU) 2022/1223 van de Raad van 12 juli 2022 inzake de toewijzing van vrijgemaakte middelen van projecten in het kader van het 10e en 11e Europees Ontwikkelingsfonds teneinde acties te financieren voor het aanpakken van de voedselzekerheidscrisis en de economische schok in landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) ten gevolge van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne

147

 

*

Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2022/1224 van 13 juli 2022 tot benoeming van de commandant van de EU-strijdkrachten voor de militaire operatie van de Europese Unie teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust (Atalanta), en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2022/1179 (ATALANTA/5/2022)

150

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/913 van de Commissie van 30 mei 2022 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1793 betreffende de tijdelijke verhoging van de officiële controles en noodmaatregelen met betrekking tot de binnenkomst in de Unie van bepaalde goederen uit bepaalde derde landen tot uitvoering van de Verordeningen (EU) 2017/625 en (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( PB L 158 van 13.6.2022 )

152

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/1214 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2022

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wat betreft economische activiteiten in bepaalde energiesectoren en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (1), en met name artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De in Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie (2) opgenomen technische screeningcriteria hebben betrekking op verschillende economische sectoren en activiteiten die een bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van de Unie inzake mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering. Die economische sectoren en activiteiten zijn gekozen vanwege hun aandeel in de totale broeikasgasemissies en hun bewezen potentieel om bij te dragen aan de voorkoming van broeikasgasemissies, de vermindering van dergelijke emissies of de verwijdering van broeikasgassen. Bovendien hebben die economische sectoren en activiteiten een bewezen potentieel om een dergelijke voorkoming, vermindering en verwijdering ook voor andere economische sectoren en activiteiten mogelijk te maken, of om te zorgen voor langetermijnopslag van dergelijke emissies voor andere sectoren en activiteiten.

(2)

Het totale energieverbruik is goed voor ongeveer 75 % van de directe broeikasgasemissies in de Unie. De energiesector speelt dus een cruciale rol bij de verdere vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. De in gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 vastgestelde technische screeningcriteria bestrijken derhalve een breed scala van economische sectoren en activiteiten die betrekking hebben op de energievoorzieningsketen, van elektriciteits- of warmteopwekking uit verschillende bronnen, over transmissie- en distributienetwerken tot opslag, warmtepompen en de productie van biogas en biobrandstoffen. Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 bevat echter geen technische screeningcriteria voor economische activiteiten in de sectoren fossiel gas en kernenergie, ondanks hun potentieel om bij te dragen aan de decarbonisatie van de economie van de Unie.

(3)

Zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 21 april 2021 (“EU-taxonomie, duurzaamheidsrapportage door bedrijven, duurzaamheidsvoorkeuren en fiduciaire verplichtingen: Financiering sturen in de richting van de Europese Green Deal”) en in de mededeling van de Commissie van 6 juli 2021 (“Strategie voor de financiering van de transitie naar een duurzame economie”), is de vaststelling van technische screeningcriteria voor de energieopwekking uit fossiel gas uitgesteld gezien de noodzaak van een verdere technische beoordeling, met name wat betreft de overgangsrol van fossiel gas bij de decarbonisatie van de economie (3). De vaststelling van technische screeningcriteria voor kernenergieopwekkingsactiviteiten is ook uitgesteld in afwachting van een grondige beoordeling door deskundigen, die in 2020 van start is gegaan, van de vraag of de nucleaire levenscyclus, en met name kernafval, verenigbaar kan worden geacht met de in artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 vastgestelde vereiste dat een activiteit geen ernstige afbreuk mag doen aan andere milieudoelstellingen. In het licht van die beoordelingen moet worden erkend dat de activiteiten op het gebied van energieopwekking met fossiel gas en kernenergie kunnen bijdragen tot de decarbonisatie van de economie van de Unie.

(4)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 met betrekking tot economische transitieactiviteiten moeten technische screeningcriteria worden vastgesteld voor elektriciteitsopwekking, hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling en de productie van warmte/koude uit fossiel gas in efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling, waarbij de broeikasgasemissies uit fossiel gas onder een passende drempel liggen. Daarnaast moeten technische screeningcriteria worden vastgesteld voor het gebruik van fossiel gas voor elektriciteitsopwekking, hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling en de productie van warmte/koude in efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling, waarbij die elektriciteitsopwekking, hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling en productie van warmte/koude in efficiënte systemen voor stadsverwarming en -koeling nog niet aan die passende drempel voldoen, aangezien de transitie naast het gebruik van klimaatneutrale energie en meer investeringen in al koolstofarme economische activiteiten en sectoren aanzienlijke reducties van broeikasgasemissies vergt in andere economische activiteiten en sectoren waarvoor er geen technologisch en economisch haalbare koolstofarme alternatieven zijn. Al die economische activiteiten moeten op grond van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 als transitieactiviteiten worden aangemerkt, aangezien technologisch en economisch haalbare koolstofarme alternatieven wellicht nog niet op voldoende schaal commercieel beschikbaar zijn om op continue en betrouwbare wijze de energievraag te dekken. Met name voor elektriciteitsopwekking is het passend een alternatieve aanpak te hanteren om de broeikasgasemissies rechtstreeks te beperken. Volgens deze alternatieve aanpak, die vergelijkbare resultaten moet opleveren over een periode van twintig jaar, mogen installaties dergelijke resultaten behalen door het aantal bedrijfsuren te beperken of door op een eerdere datum over te schakelen op hernieuwbare of koolstofarme gassen. De technische screeningcriteria moeten een versnelde uitfasering van emissie-intensievere energiebronnen, waaronder vaste fossiele brandstoffen, mogelijk maken. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 10, lid 2, eerste alinea, punten a), b), en c), van Verordening (EU) 2020/852, moeten de technische screeningcriteria voor het gebruik van fossiel gas er bovendien voor zorgen dat er degelijk bewijs beschikbaar is om aan te tonen dat dezelfde energiecapaciteit niet kan worden opgewekt met hernieuwbare bronnen, en dat er doeltreffende plannen worden opgesteld voor elke installatie, in overeenstemming met de beste prestaties in de sector, om uiterlijk op een bepaalde datum volledig over te schakelen op hernieuwbare energie of koolstofarme gassen. Tot slot moeten de technische screeningcriteria voorzien in een tijdelijke erkenning van de bijdrage van die activiteiten aan de decarbonisatie.

(5)

Hernieuwbare energiebronnen zullen een fundamentele rol spelen bij de verwezenlijking van de klimaat- en milieudoelstellingen van de Unie. In dat licht moeten de investeringen in hernieuwbare energie worden opgeschaald om tegemoet te komen aan de behoeften van de energiemarkt van de Unie aan meer hernieuwbare en schone energie.

(6)

Activiteiten in verband met kernenergie zijn koolstofarme activiteiten, zij vormen geen energie uit hernieuwbare bronnen als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4) en als bedoeld in artikel 10, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2020/852 en vallen niet onder de andere categorieën economische activiteiten die in de punten b) tot en met i) van die bepaling zijn genoemd. Dergelijke economische activiteiten in verband met kernenergie moeten op grond van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 in aanmerking komen gezien het ontbreken van een technologisch en economisch haalbaar koolstofarm alternatief op voldoende schaal om op continue en betrouwbare wijze de energievraag te dekken. Voorts is in het eindverslag van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering van maart 2020 (5) gesteld dat de opwekking van kernenergie in de energieopwekkingsfase vrijwel geen broeikasgasemissies heeft en dat er uitgebreide en duidelijke bewijzen waren voor de potentiële substantiële bijdrage van kernenergie aan de doelstellingen inzake mitigatie van klimaatverandering. Bovendien omvatten de plannen van een aantal lidstaten kernenergie en hernieuwbare energie als energiebronnen die moeten worden gebruikt om de klimaatdoelstellingen te halen, inclusief de decarbonisatiedoelstelling voor 2050 die is vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (6). Tot slot vergemakkelijkt kernenergie, door te zorgen voor een stabiele levering van basislast, de inzet van intermitterende hernieuwbare bronnen en staat het de ontwikkeling daarvan niet in de weg, zoals vereist op grond van artikel 10, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2020/852. Activiteiten in verband met kernenergie moeten dan ook worden geacht in overeenstemming te zijn met artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852.

(7)

Uit een wetenschappelijke evaluatie door deskundigen (7) is gebleken dat technische screeningcriteria voor economische activiteiten in verband met kernenergie ervoor moeten zorgen dat er geen ernstige afbreuk wordt gedaan aan andere milieudoelstellingen vanwege potentiële risico’s die voortvloeien uit de langdurige opslag en eindberging van kernafval. Die technische screeningcriteria moeten dus de hoogste normen voor nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beheer van radioactief afval weerspiegelen, voortbouwend op de eisen die zijn vastgelegd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“Euratom-Verdrag”) en in de wetgeving die krachtens dat verdrag is aangenomen, en met name Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (8). Die richtlijn bevat een doelstelling van hoog niveau inzake nucleaire veiligheid die alle stadia van de levenscyclus van elke kerninstallatie omvat, inclusief de vestigingsplaats, het ontwerp, de bouw, de inbedrijfstelling, de bedrijfsvoering en de buitenbedrijfstelling van dergelijke installaties. Die richtlijn roept met name op tot aanzienlijke veiligheidsverbeteringen in het ontwerp van nieuwe reactoren, inclusief de zogenaamde generatie III+-reactoren, waarvoor geavanceerde kennis en technologie moeten worden gebruikt, rekening houdend met de meest recente internationale veiligheidsvoorschriften. Die voorschriften voorzien in een doeltreffende uitvoering van de nucleaireveiligheidsdoelstelling, inclusief de toepassing van het beginsel van verdediging in de diepte en een effectieve veiligheidscultuur. Die voorschriften zorgen ervoor dat de gevolgen van extreme door de mens veroorzaakte gevaren en natuurrampen, waaronder aardbevingen en overstromingen, tot een minimum worden beperkt en dat ongevallen, abnormale werking en defecten of verlies van beheersingssystemen worden voorkomen, onder meer door beschermingsstructuren of back-upsystemen voor koeling en elektriciteitsvoorziening.

(8)

Ongevaltolerante splijtstof voor kerncentrales, die extra bescherming biedt tegen ongevallen als gevolg van structurele schade aan splijtstof- of reactorbestanddelen, is op de markt beschikbaar gekomen. Om rekening te houden met deze recente technologische ontwikkelingen, moet het gebruik van dat type brandstof in de technische screeningcriteria worden voorgeschreven, rekening houdend met de vergunningverlening daarvoor in de Unie.

(9)

Wereldwijd worden onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen verricht om nieuwe kernreactortechnologieën te ontwikkelen die onder meer gebruikmaken van gesloten splijtstofcycli of kweekreactoren (fuel self-breeding concepts) en die de productie van hoogradioactief afval tot een minimum beperken (“generatie IV-reactoren”). Hoewel die generatie IV-reactoren nog niet commercieel levensvatbaar zijn, moeten voor dergelijke reactoren technische screeningcriteria worden vastgesteld in het licht van hun potentiële bijdrage aan de doelstelling van decarbonisatie en minimalisering van radioactief afval.

(10)

Kernenergie maakt deel uit van de toekomstige energiebronnen in een aantal lidstaten, als onderdeel van hun decarbonisatie-inspanningen. De door de Commissie beoordeelde scenario’s leiden tot een koolstofvrij energiesysteem dat in zeer grote mate is gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen, maar ook op kernenergie met een stabiel geïnstalleerd vermogen in vergelijking met de huidige niveaus. Aangezien de momenteel geëxploiteerde nucleaire installaties ouder worden, moet de veiligheid ervan worden verbeterd om de operationele levensduur te verlengen en moeten er nieuwe nucleaire installaties worden gebouwd om verouderde installaties te vervangen. Dit is een continu proces dat ervoor moet zorgen dat de nodige capaciteit beschikbaar is om het energiesysteem voor 2050, en als dat nodig is daarna, koolstofvrij te maken. Gedurende de hele periode tot 2050 en daarna zijn derhalve aanzienlijke investeringen in kernenergie nodig. Er moet voor worden gezorgd dat nieuwe kerncentrales gebruikmaken van de meest geavanceerde oplossingen die voortvloeien uit de technologische vooruitgang. De technische screeningcriteria voor dergelijke nieuwe kerncentrales moeten daarom voorzien in regelmatige evaluaties van elk investeringsproject en in technische parameters die overeenkomen met de beste beschikbare technologie in het licht van de resultaten van duurzame onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen en de voortdurende verbeteringen van technologieën. Er moeten specifieke data worden vastgesteld om te zorgen voor de geleidelijke invoering van nieuwe technologieën die verenigbaar zijn met duurzame decarbonisatie zodra deze beschikbaar komen.

(11)

In bijlage II bij het Euratom-Verdrag en Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad (9) zijn drempels en andere eisen vastgesteld voor de kennisgeving aan de Commissie van investeringen in kernenergie. Om met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de taxonomie te zorgen voor een zo goed mogelijke inachtneming van de beginselen en vereisten van de Euratom-wetgeving, waaronder de doelstelling inzake nucleaire veiligheid, moet over dergelijke investeringen een advies worden uitgebracht door de Commissie, ongeacht of een kennisgeving vereist is op grond van bijlage II bij het Euratom-Verdrag en Verordening (Euratom) nr. 2587/1999. Om dezelfde reden moeten alle door de Commissie in haar advies aan de orde gestelde kwesties in verband met de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en de technische screeningcriteria op bevredigende wijze worden aangepakt.

(12)

Gezien de lange aanlooptijd voor investeringen in nieuwe nucleaire opwekkingscapaciteit kan een verlenging van de levensduur van geselecteerde bestaande nucleaire installaties de decarbonisatie van het energiesysteem op de korte tot middellange termijn ondersteunen. De technische screeningcriteria voor dergelijke verlengingen moeten echter wijzigingen en veiligheidsverbeteringen voorschrijven om ervoor te zorgen dat die nucleaire installaties voldoen aan de hoogst haalbare veiligheidsnormen en aan alle vereisten inzake de veiligheidsdoelstelling die zijn vastgelegd in krachtens het Euratom-Verdrag aangenomen wetgeving.

(13)

In het licht van de verwachte technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen moeten investeringen in de bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties die gebruikmaken van de beste beschikbare technologieën en die uiterlijk op een passende datum door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn goedgekeurd overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving, worden onderworpen aan technische screeningcriteria en termijnen die de ontwikkeling en het toekomstige gebruik van generatie IV-reactoren met gesloten splijtstofcyclus of splijtstofkweek stimuleren zodra zij commercieel beschikbaar worden. Deze termijnen moeten op passende wijze worden herzien in het licht van de vooruitgang bij de ontwikkeling van dergelijke technologieën.

(14)

De technische screeningcriteria in verband met doelstellingen inzake mitigatie van klimaatverandering of adaptatie aan klimaatverandering moeten ervoor zorgen dat economische activiteiten geen ernstige afbreuk doen aan de andere milieudoelstellingen. Specifiek voor economische activiteiten in verband met kernenergie is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat de verwijdering van afval op lange termijn niet leidt tot aanzienlijke en langdurige schade aan het milieu, zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, punt d), iii), van Verordening (EU) 2020/852. Daarom is het passend om in de technische screeningcriteria specifieke eisen vast te stellen voor een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd, in overeenstemming met het beginsel dat afvalproducenten verantwoordelijk zijn voor de kosten van het beheer ervan, en operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het radioactief afval voor te schrijven, zodat uitvoer van radioactief afval voor berging in derde landen wordt voorkomen. In verschillende lidstaten wordt laag- en middelradioactief afval momenteel al geborgen in faciliteiten voor ondiepe berging, en gedurende de decennialange exploitatie van die faciliteiten voor ondiepe berging is aanzienlijke ervaring en knowhow opgedaan op het gebied van afvalbeheer. Voor hoogradioactief afval en verbruikte splijtstof is diepe geologische berging de meest geavanceerde oplossing die in de deskundigengemeenschap wereldwijd algemeen wordt aanvaard als de veiligste en meest duurzame optie voor het eindpunt van het beheer van hoogradioactief afval en als afval beschouwde verbruikte splijtstof. De lidstaten moeten, ook al blijven zij verantwoordelijk voor hun beleid inzake het beheer van hun verbruikte splijtstof en laag-, middel- of hoogradioactief afval, in hun nationale beleid de planning en uitvoering van bergingsopties opnemen, met name in het kader van de nationale programma’s voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval, voor alle soorten verbruikte splijtstof en radioactief afval en alle stadia van het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval van opwekking tot berging. De inhoud van de nationale programma’s is gespecificeerd in Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (10) en bevat essentiële prestatie-indicatoren om de voortgang op transparante wijze te monitoren. De lidstaten moeten regelmatig verslag uitbrengen aan de Commissie over de voortgang van de uitvoering van de nationale programma’s. Uit de verslagen van de lidstaten uit 2021 blijkt dat aanzienlijke vooruitgang is geboekt bij de verwezenlijking van de eerste diepe geologische bergingsfaciliteiten op het grondgebied van de Unie. Voor de lidstaten komen realistische oplossingen beschikbaar om dergelijke faciliteiten tegen 2050 te ontwikkelen en te exploiteren. De opname van een overeenkomstige eis in de technische screeningcriteria zorgt er dan ook voor dat geen ernstige schade wordt toegebracht aan het milieu.

(15)

Niet-financiële en financiële ondernemingen moeten beleggers een hoge mate van transparantie bieden met betrekking tot hun beleggingen in activiteiten op het gebied van energieopwekking met behulp van fossiel gas en kernenergie waarvoor technische screeningcriteria moeten worden vastgesteld. Om die transparantie te bieden, moeten specifieke openbaarmakingsvereisten voor niet-financiële en financiële ondernemingen worden vastgesteld. Om de vergelijkbaarheid van de aan beleggers verstrekte informatie te waarborgen, moet die informatie worden gepresenteerd in de vorm van een template waarin het aandeel van de activiteiten op het gebied van fossiel gas en kernenergie in de noemer en, in voorkomend geval, de teller van de kritische prestatie-indicatoren van die ondernemingen duidelijk wordt vermeld. Om beleggers in financiële producten als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van Verordening (EU) 2020/852 een hoge mate van transparantie te bieden met betrekking tot blootstellingen aan activiteiten op het gebied van fossiel gas en kernenergie, waarvoor technische screeningcriteria zijn vastgesteld, zal de Commissie het openbaarmakingskader met betrekking tot die financiële producten wijzigen of voorstellen het te wijzigen, naargelang van het geval, om te zorgen voor volledige transparantie over de gehele levensduur van die financiële producten. Om ervoor te zorgen dat deze informatie voor eindbeleggers duidelijk te herkennen is, zal de Commissie overwegen de vereisten inzake door distributeurs verstrekt financieel en verzekeringsadvies te wijzigen.

(16)

Om het beleggersvertrouwen te vergroten, moet de naleving van de technische screeningcriteria met betrekking tot activiteiten op het gebied van fossiel gas worden gecontroleerd door een onafhankelijke partij. Om een onpartijdige en zorgvuldige controle op de naleving te waarborgen, moet de onafhankelijke derde over de middelen en deskundigheid beschikken om die controle uit te voeren, onafhankelijk zijn om belangenconflicten met de eigenaar of de financier te voorkomen, en niet betrokken zijn bij de ontwikkeling of exploitatie van dergelijke activiteiten op het gebied van fossiel gas. Naast het controlemechanisme kunnen financiële en niet-financiële ondernemingen worden onderworpen aan specifieke controlevereisten in het kader van andere Uniewetgeving inzake duurzame financiering die betrekking hebben op de naleving van de technische screeningcriteria. Overeenkomstig artikel 26, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2020/852 moet de Commissie een evaluatie verrichten van de vereiste bepalingen voor het opzetten van mechanismen om te controleren of de in die verordening vermelde criteria worden nageleefd.

(17)

De sectoren fossiel gas en kernenergie worden gekenmerkt door snelle technologische ontwikkelingen. De technische screeningcriteria met betrekking tot de energieopwekkingsactiviteiten in die sectoren moeten dan ook regelmatig worden geëvalueerd overeenkomstig artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852. Voorts moet die evaluatie, op basis van de voorwaarden van artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852, betrekking hebben op de geschiktheid van de in de technische screeningcriteria opgenomen perioden.

(18)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 (11) moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. De wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 schrijven geen investeringen voor, maar zijn bedoeld om financiële markten en beleggers te helpen om, op strikte voorwaarden, relevante gas- en nucleaire activiteiten te identificeren die nodig zijn voor de transitie van de energiesystemen van de lidstaten naar klimaatneutraliteit in overeenstemming met de klimaatdoelstellingen en -verbintenissen van de Unie.

(19)

De in deze gedelegeerde verordening vastgestelde wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 houden nauw verband met elkaar. Om te zorgen voor samenhang tussen die bepalingen, die tegelijkertijd in werking moeten treden, om een volledig overzicht van het rechtskader voor belanghebbenden mogelijk te maken en om de toepassing van Verordening (EU) 2020/852 te vergemakkelijken, moeten deze bepalingen worden opgenomen in één enkele verordening.

(20)

Niet-financiële en financiële ondernemingen moeten voldoende tijd krijgen om te beoordelen of hun economische activiteiten in verband met fossiel gas en kernenergie voldoen aan de in deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria, en om op basis van die beoordeling verslag uit te brengen overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178. De datum van toepassing van deze verordening moet daarom worden uitgesteld tot 1 januari 2023,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel 2 bis wordt ingevoegd:

“Artikel 2 bis

Evaluatie

Wanneer zij de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie uitvoert, evalueert en beoordeelt de Commissie ook of de in bijlage I, afdeling 4.27, afdeling 4.28, afdeling 4.29, punt 1, b), afdeling 4.30, punt 1, b), en afdeling 4.31 punt 1, b), bedoelde data moeten worden gewijzigd.

Bij de herziening van de in punt 2 van de afdelingen 4.27 en 4.28 van bijlage I bedoelde datum wordt rekening gehouden met de technische vooruitgang op het gebied van het in de handel brengen van ongevaltolerante splijtstof in de Unie en wereldwijd.”.

2)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

3)

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 8 worden de volgende leden 6, 7 en 8 toegevoegd:

“6.   Niet-financiële ondernemingen en financiële ondernemingen rapporteren het bedrag en het aandeel van:

a)

de op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.26, 4.27 en 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer en de teller van hun kritische prestatie-indicatoren;

b)

de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.26, 4.27 en 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren;

c)

de niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten in verband met kernenergie in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren.

7.   Niet-financiële ondernemingen en financiële ondernemingen rapporteren het bedrag en het aandeel van:

a)

de op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.29, 4.30 en 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer en de teller van hun kritische prestatie-indicatoren;

b)

de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten als bedoeld in de afdelingen 4.29, 4.30 en 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren;

c)

de niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten in verband met fossiel gas in de noemer van hun kritische prestatie-indicatoren.

8.   De in de leden 6 en 7 bedoelde informatie wordt gepresenteerd in een tabel aan de hand van de templates in bijlage XII bij deze verordening.”.

2)

De tekst in bijlage III bij deze verordening wordt toegevoegd als bijlage XII.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2023.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie van 4 juni 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen (PB L 442 van 9.12.2021, blz. 1).

(3)  Mededeling van de Commissie van 21 april 2021 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, EU-Taxonomie, duurzaamheidsrapportage door bedrijven, duurzaamheidsvoorkeuren en fiduciaire verplichtingen: Financiering sturen in de richting van de Europese Green Deal (COM(2021) 188 final) en mededeling van de Commissie van dinsdag 6 juli 2021 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Strategie voor de financiering van de transitie naar een duurzame economie (COM(2021) 390 final).

(4)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

(5)  Het verslag van de TEG is beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/sites/default/files/business_economy_euro/banking_and_finance/documents/200309-sustainable-finance-teg-final-report-taxonomy_en.pdf

(6)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(7)  JRC-verslag: Technical assessment of nuclear energy with respect to the “do no significant harm” criteria of Regulation (EU) 2020/852 (“Taxonomy Regulation”), beschikbaar op: https://ec.europa.eu/info/file/210329-jrc-report-nuclear-energy-assessment_en

(8)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(9)  Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad van 2 december 1999 tot vaststelling van de investeringsprojecten die krachtens artikel 41 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie aan de Commissie moeten worden meegedeeld (PB L 315 van 9.12.1999, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).

(11)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie van 6 juli 2021 tot aanvulling van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door vaststelling van de inhoud en de presentatie van door niet aan artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU onderworpen ondernemingen te rapporteren informatie betreffende ecologisch duurzame economische activiteiten en door vaststelling van de methode om aan deze rapportageverplichting te voldoen (PB L 443 van 10.12.2021, blz. 9).


BIJLAGE I

In bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 worden de volgende afdelingen 4.26, 4.27, 4.28, 4.29, 4.30 en 4.31 ingevoegd:

“4.26.   Precommerciële fasen van geavanceerde technologieën voor de productie van energie uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus

Beschrijving van de activiteit

Onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van innovatieve installaties voor elektriciteitsopwekking die overeenkomstig het toepasselijke nationale recht een vergunning hebben gekregen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en die energie produceren uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes M72 en M72.1 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan alle in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Algemene criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

1.

Het project met betrekking tot de economische activiteit (“het project”) bevindt zich in een lidstaat die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (*1) en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (*2) volledig omgezet;

b)

de lidstaat voldoet aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (“Euratom-Verdrag”) en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2009/71/Euratom, Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad (*3), alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (*4) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (*5);

c)

de lidstaat beschikt vanaf de datum van goedkeuring van het project over een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd;

d)

de lidstaat heeft aangetoond dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale zal beschikken over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling overeenkomstig Aanbeveling 2006/851/Euratom van de Commissie (*6);

e)

de lidstaat beschikt over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad in kennis is gesteld en die zijn opgenomen in het overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom bijgewerkte nationale programma;

f)

de lidstaat beschikt over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, waarin al het volgende wordt beschreven:

i)

concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, van productie tot berging;

ii)

concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsfaciliteit, met nadere bepalingen over de termijn waarin passende controles worden aangehouden en over de in te zetten middelen om de kennis over deze faciliteit op lange termijn te behouden;

iii)

de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan en de essentiële prestatie-indicatoren om de vooruitgang te monitoren;

iv)

kostenramingen en financieringsregelingen.

Voor de toepassing van punt f) kunnen de lidstaten gebruikmaken van plannen die zijn opgesteld in het kader van het door de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2011/70/Euratom voorgeschreven nationale programma.

2.

Het project maakt deel uit van een door de Unie gefinancierd onderzoeksprogramma of het project is ter kennis van de Commissie gebracht overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (Euratom) nr. 2587/1999 van de Raad, wanneer een van deze bepalingen van toepassing is, de Commissie heeft daarover advies uitgebracht overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag, en alle in het advies aan de orde gestelde kwesties die relevant zijn voor de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en van de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria, zijn op bevredigende wijze aangepakt.

3.

De betrokken lidstaat heeft zich ertoe verbonden om de vijf jaar voor elk project aan de Commissie verslag uit te brengen over al het volgende:

a)

de toereikendheid van de in punt 1, c), bedoelde geaccumuleerde middelen;

b)

de werkelijke vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde plan.

Op basis van de verslagen evalueert de Commissie de toereikendheid van de geaccumuleerde middelen van het fonds voor het beheer van radioactief afval en het fonds voor nucleaire ontmanteling als bedoeld in punt 1, c), en de vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde gedocumenteerde plan en kan zij een advies tot de betrokken lidstaat richten.

4.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van de in de punten 1, a), en 1, b), bedoelde wetgeving, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales op het grondgebied van de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

5.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (“IAEA”) en de Vereniging van West-Europese regelgevers op nucleair gebied (“WENRA”), die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

6.

Radioactief afval als bedoeld in de punten 1, e), en 1, f), wordt geborgen in de lidstaat waar het is geproduceerd, tenzij er een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat van bestemming, zoals bepaald in Richtlijn 2011/70/Euratom. In dat geval beschikt de lidstaat van bestemming over programma’s inzake beheer en berging van radioactief afval en over een geschikte operationele bergingsfaciliteit overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2011/70/Euratom.

Aanvullende criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit beoogt of bestaat in de opwekking van elektriciteit uit kernenergie. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie zijn lager dan de drempel van 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Aanvullende criteria met betrekking tot geen ernstige afbreuk doen aan (DNSH)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

De activiteit voldoet aan de eisen van artikel 6, punt b), artikel 8 ter, lid 1, punt a), en artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, uitgevoerd overeenkomstig de internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA met betrekking tot extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom (*7) en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.27.   Bouw en veilige exploitatie van nieuwe kerncentrales voor de opwekking van elektriciteit of warmte, voor onder meer de productie van waterstof, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “beste beschikbare technologieën” verstaan technologieën die volledig voldoen aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom en die de meest recente technische parameters van de IAEA-normen en de veiligheidsdoelstellingen en referentieniveaus van de WENRA volledig in acht nemen.

Beschrijving van de activiteit

De bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties waarvoor de bouwvergunning uiterlijk in 2045 overeenkomstig het toepasselijke nationale recht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt afgegeven en die elektriciteit of proceswarmte produceren, inclusief voor stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof (nieuwe nucleaire installaties), alsook verbeteringen van de veiligheid daarvan.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.22 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan alle in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Algemene criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

1.

Het project met betrekking tot de economische activiteit (“het project”) bevindt zich in een lidstaat die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad volledig omgezet;

b)

de lidstaat voldoet aan het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2009/71/Euratom, Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

c)

de lidstaat beschikt vanaf de datum van goedkeuring van het project over een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd;

d)

de lidstaat heeft aangetoond dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale zal beschikken over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling overeenkomstig Aanbeveling 2006/851/Euratom;

e)

de lidstaat beschikt over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2587/1999 van de Raad in kennis is gesteld en die zijn opgenomen in het overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad bijgewerkte nationale programma;

f)

de lidstaat beschikt over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, waarin al het volgende wordt beschreven:

i)

concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, van productie tot berging;

ii)

concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsfaciliteit, met nadere bepalingen over de termijn waarin passende controles worden aangehouden en over de in te zetten middelen om de kennis over deze faciliteit op lange termijn te behouden;

iii)

de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan en de kritische prestatie-indicatoren om de vooruitgang te monitoren;

iv)

kostenramingen en financieringsregelingen.

Voor de toepassing van punt f) kunnen de lidstaten gebruikmaken van de plannen die zijn opgesteld in het kader van het door de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2011/70/Euratom voorgeschreven nationale programma.

2.

Het project past volledig de beste beschikbare technologie toe en maakt vanaf 2025 volledig gebruik van ongevaltolerante splijtstof. De technologie is gecertificeerd en goedgekeurd door de nationale veiligheidstoezichthouder.

3.

Het project is ter kennis van de Commissie gebracht overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening 2587/1999 van de Raad, wanneer een van deze bepalingen van toepassing is, de Commissie heeft daarover advies uitgebracht overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag, en alle in het advies aan de orde gestelde kwesties die relevant zijn voor de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en van de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria, zijn op bevredigende wijze aangepakt.

4.

De betrokken lidstaat heeft zich ertoe verbonden om de vijf jaar voor elk project aan de Commissie verslag uit te brengen over al het volgende:

a)

de toereikendheid van de in punt 1, c), bedoelde geaccumuleerde middelen;

b)

de werkelijke vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde plan.

Op basis van de verslagen evalueert de Commissie de toereikendheid van de geaccumuleerde middelen van het fonds voor het beheer van radioactief afval en het fonds voor nucleaire ontmanteling als bedoeld in punt 1, c), en de vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde gedocumenteerde plan en kan zij een advies tot de betrokken lidstaat richten.

5.

De Commissie evalueert vanaf 2025 en ten minste om de tien jaar de technische parameters die overeenstemmen met de beste beschikbare technologie op basis van de beoordeling door de Groep Europese regelgevers op het gebied van nucleaire veiligheid (Ensreg).

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van de in de punten 1, a), en 1, b), bedoelde wetgeving, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales op het grondgebied van de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

7.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

8.

Radioactief afval als bedoeld in de punten 1, e), en 1, f), wordt geborgen in de lidstaat waar het is geproduceerd, tenzij er een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat van bestemming, zoals bepaald in Richtlijn 2011/70/Euratom. In dat geval beschikt de lidstaat van bestemming over programma’s inzake beheer en berging van radioactief afval en over een geschikte operationele bergingsfaciliteit overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2011/70/Euratom.

Aanvullende criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit kernenergie. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie zijn lager dan de drempel van 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Aanvullende criteria met betrekking tot geen ernstige afbreuk doen aan (DNSH)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

De activiteit voldoet aan de eisen van artikel 6, punt b), artikel 8 ter, lid 1, punt a), en artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, uitgevoerd overeenkomstig de internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA met betrekking tot extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.28.   Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties

Beschrijving van de activiteit

Aanpassing van bestaande nucleaire installaties met het oog op de verlenging, waarvoor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uiterlijk in 2040 een vergunning afgeven overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, van de bedrijfstijd van veilige exploitatie van nucleaire installaties die elektriciteit of warmte uit kernenergie produceren (“kerncentrales”).

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.22 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een activiteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan alle in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Algemene criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

1.

Het project met betrekking tot de economische activiteit (“het project”) bevindt zich in een lidstaat die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

de lidstaat heeft Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad volledig omgezet;

b)

de lidstaat voldoet aan het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2009/71/Euratom, Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom, en aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

c)

de lidstaat beschikt vanaf de datum van goedkeuring van het project over een fonds voor het beheer van radioactief afval en een fonds voor nucleaire ontmanteling, die kunnen worden gecombineerd;

d)

de lidstaat heeft aangetoond dat hij aan het einde van de geschatte levensduur van de kerncentrale zal beschikken over middelen die overeenkomen met de geraamde kosten van het beheer van radioactief afval en de ontmanteling overeenkomstig Aanbeveling 2006/851/Euratom;

e)

de lidstaat beschikt over operationele eindbergingsfaciliteiten voor al het zeer laag-, laag- en middelradioactief afval, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2587/1999 van de Raad in kennis is gesteld en die zijn opgenomen in het overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad bijgewerkte nationale programma;

f)

voor projecten waarvoor na 2025 een vergunning wordt afgegeven, beschikt de lidstaat over een gedocumenteerd plan met gedetailleerde stappen om uiterlijk in 2050 een bergingsfaciliteit voor hoogradioactief afval in bedrijf te hebben, waarin al het volgende wordt beschreven:

i)

concepten, plannen en technische oplossingen voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof, van productie tot berging;

ii)

concepten of plannen voor de periode na de sluiting van een bergingsfaciliteit, met nadere bepalingen over de termijn waarin passende controles worden aangehouden en over de in te zetten middelen om de kennis over deze faciliteit op lange termijn te behouden;

iii)

de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan en de essentiële prestatie-indicatoren om de vooruitgang te monitoren;

iv)

kostenramingen en financieringsregelingen.

Voor de toepassing van punt f) kunnen de lidstaten gebruikmaken van de plannen die zijn opgesteld in het kader van het door de artikelen 11 en 12 van Richtlijn 2011/70/Euratom voorgeschreven nationale programma.

2.

Het verbeterde project omvat elke redelijkerwijs haalbare verbetering van de veiligheid en maakt vanaf 2025 gebruik van ongevaltolerante splijtstof. De technologie is gecertificeerd en goedgekeurd door de nationale veiligheidstoezichthouder.

3.

Het project is ter kennis van de Commissie gebracht overeenkomstig artikel 41 van het Euratom-Verdrag of artikel 1, lid 4, van Verordening 2587/1999 van de Raad, wanneer een van deze bepalingen van toepassing is, de Commissie heeft daarover advies uitgebracht overeenkomstig artikel 43 van het Euratom-Verdrag, en alle in het advies aan de orde gestelde kwesties die relevant zijn voor de toepassing van artikel 10, lid 2, en artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 en van de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria, zijn op bevredigende wijze aangepakt.

4.

De betrokken lidstaat heeft zich ertoe verbonden om de vijf jaar voor elk project aan de Commissie verslag uit te brengen over al het volgende:

a)

de toereikendheid van de in punt 1, c), bedoelde geaccumuleerde middelen;

b)

de werkelijke vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde plan.

Op basis van de verslagen evalueert de Commissie de toereikendheid van de geaccumuleerde middelen van het fonds voor het beheer van radioactief afval en het fonds voor nucleaire ontmanteling als bedoeld in punt 1, c), en de vooruitgang bij de uitvoering van het in punt 1, f), bedoelde gedocumenteerde plan en kan zij een advies tot de betrokken lidstaat richten.

5.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van de in de punten 1, a), en 1, b), bedoelde wetgeving, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

6.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

7.

Radioactief afval als bedoeld in de punten 1, e), en 1, f), wordt geborgen in de lidstaat waar het is geproduceerd, tenzij er een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de lidstaat van bestemming, zoals bepaald in Richtlijn 2011/70/Euratom. In dat geval beschikt de lidstaat van bestemming over programma’s inzake beheer en berging van radioactief afval en over een geschikte operationele bergingsfaciliteit overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2011/70/Euratom.

Aanvullende criteria met betrekking tot een substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

De activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit kernenergie. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit kernenergie zijn lager dan de drempel van 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Aanvullende criteria met betrekking tot geen ernstige afbreuk doen aan (DNSH)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

De activiteit voldoet aan de eisen van artikel 6, punt b), artikel 8 ter, lid 1, punt a), en artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom.

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, uitgevoerd overeenkomstig de internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA met betrekking tot extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.29.   Elektriciteitsopwekking uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

De bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit fossiele gasvormige brandstoffen. Deze activiteit omvat niet de opwekking van elektriciteit uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.7 van deze bijlage en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.8 van deze bijlage.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, met name D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de elektriciteitsopwekking uit fossiele gasvormige brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e/kWh.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend op basis van projectspecifieke gegevens, voor zover deze beschikbaar zijn, volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie, met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen, omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de criteria die zijn vastgesteld in de desbetreffende afdeling van deze bijlage, indien van toepassing.

Indien de CO2 die anders tijdens het elektriciteitsopwekkingsproces zou worden uitgestoten, met het oog op ondergrondse opslag wordt afgevangen, wordt de CO2 vervoerd en ondergronds opgeslagen in overeenstemming met de in de afdelingen 5.11 en 5.12 van deze bijlage vastgestelde technische screeningcriteria.

b)

faciliteiten waarvoor de bouwvergunning uiterlijk op 31 december 2030 is afgegeven, voldoen aan alle volgende voorwaarden:

i)

de directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh van de uitgangsenergie, of de jaarlijkse directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn niet hoger dan een gemiddelde van 550 kg CO2e/kW van de capaciteit van de faciliteit over een periode van 20 jaar;

ii)

de te vervangen energie kan niet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, op basis van een vergelijkende beoordeling met het meest kosteneffectieve en technisch haalbare hernieuwbare alternatief voor dezelfde capaciteit; het resultaat van deze vergelijkende beoordeling wordt gepubliceerd en wordt onderworpen aan een raadpleging van belanghebbenden;

iii)

de activiteit vervangt een bestaande energieopwekkingsactiviteit met hoge uitstoot die vaste of vloeibare fossiele brandstoffen gebruikt;

iv)

de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit overschrijdt de capaciteit van de vervangen faciliteit niet met meer dan 15 %;

v)

de faciliteit is ontworpen en gebouwd om hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen te gebruiken, en de omschakeling naar volledig gebruik van hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen vindt uiterlijk op 31 december 2035 plaats, met een verbintenis en een verifieerbaar plan die zijn goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de onderneming;

vi)

de vervanging leidt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % gedurende de levensduur van de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit;

vii)

wanneer de activiteit plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat waar steenkool wordt gebruikt voor energieopwekking, heeft die lidstaat zich ertoe verbonden het gebruik van energieopwekking uit steenkool uit te faseren en heeft hij dit gerapporteerd in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (*8) of in een ander instrument.

De naleving van de in punt 1, b), bedoelde criteria wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde. De onafhankelijke derde controleur beschikt over de nodige middelen en deskundigheid om die controle uit te voeren. Een onafhankelijke derde controleur heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit. De onafhankelijke derde controleur controleert zorgvuldig of aan de technische screeningcriteria is voldaan. Elk jaar wordt door de onafhankelijke derde met name een verslag gepubliceerd en aan de Commissie toegezonden waarin:

(a)

het niveau van de directe broeikasgasemissies als bedoeld in punt 1, b), i), wordt gecertificeerd;

(b)

indien van toepassing wordt beoordeeld of de jaarlijkse directe broeikasgasemissies van de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevinden om te voldoen aan de in punt 1, b), i), bedoelde gemiddelde drempel over een periode van 20 jaar;

(c)

wordt beoordeeld of de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevindt om te voldoen aan punt 1, b), v).

Bij de uitvoering van de in punt 1, b), bedoelde beoordeling houdt de onafhankelijke controleur met name rekening met de geplande jaarlijkse broeikasgasemissies voor elk jaar van het traject, de gerealiseerde jaarlijkse directe broeikasgasemissies, de geplande en gerealiseerde bedrijfsuren en het geplande en gerealiseerde gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen.

Op basis van de haar toegezonden verslagen kan de Commissie een advies tot de betrokken exploitanten richten. Bij de uitvoering van de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie houdt de Commissie rekening met die verslagen.

2.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, zoals die uit methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van fysieke emissiemetingen en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

3.

Indien bij de activiteit een mengeling van fossiele gasvormige brandstoffen en gasvormige of vloeibare biobrandstoffen wordt gebruikt, voldoet de agrarische biomassa die voor de productie van de biobrandstoffen wordt gebruikt, aan de criteria van artikel 29, leden 2 tot en met 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en de bosbiomassa aan de criteria van artikel 29, leden 6 en 7, van die richtlijn.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.30.   Hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

De bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmte-/koudekrachtkoppeling met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen. Deze activiteit omvat niet de hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.19 van deze bijlage en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.20 van deze bijlage.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan de NACE-codes D35.11 en D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de warmte-/koudekrachtkoppeling uit gasvormige brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e per 1 kWh energie-output van de warmte-/koudekrachtkoppeling.

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden berekend op basis van projectspecifieke gegevens, voor zover deze beschikbaar zijn, volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie, met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen, omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de desbetreffende afdelingen van deze bijlage, indien van toepassing. Wanneer de door de elektriciteitsopwekking uitgestoten CO2 wordt afgevangen, voldoet de CO2 aan de in punt 1 van deze afdeling vastgestelde emissiegrenswaarden en geschieden het transport en de ondergrondse opslag ervan op een wijze die voldoet aan de technische screeningcriteria voor transport van CO2 en opslag van CO2 die in afdeling 5.11 respectievelijk afdeling 5.12 van deze bijlage zijn vastgesteld.

b)

faciliteiten waarvoor de bouwvergunning uiterlijk op 31 december 2030 is afgegeven, voldoen aan alle volgende voorwaarden:

i)

de activiteit levert een besparing op primaire energie op van ten minste 10 % ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit; de besparing op primaire energie wordt berekend op basis van de formule van Richtlijn 2012/27/EU;

ii)

de directe broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh van de uitgangsenergie;

iii)

de te vervangen energie en/of warmte/koude kan niet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, op basis van een vergelijkende beoordeling met het meest kosteneffectieve en technisch haalbare hernieuwbare alternatief voor dezelfde capaciteit; het resultaat van deze vergelijkende beoordeling wordt gepubliceerd en wordt onderworpen aan een raadpleging van belanghebbenden;

iv)

de activiteit vervangt een bestaande warmte-/koudekrachtkoppelingsactiviteit met hoge uitstoot, een afzonderlijke warmte-/koudeopwekkingsactiviteit, of een afzonderlijke elektriciteitsopwekkingsactiviteit die vaste of vloeibare fossiele brandstoffen gebruikt;

v)

de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit overschrijdt de capaciteit van de vervangen faciliteit niet;

vi)

de faciliteit is ontworpen en gebouwd om hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen te gebruiken, en de omschakeling naar volledig gebruik van hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen vindt uiterlijk op 31 december 2035 plaats, met een verbintenis en een verifieerbaar plan die zijn goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de onderneming;

vii)

de vervanging leidt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % per kWh uitgangsenergie;

viii)

de renovatie van de faciliteit leidt niet tot een verhoging van de productiecapaciteit van de faciliteit;

ix)

wanneer de activiteit plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat waar steenkool wordt gebruikt voor energieopwekking, heeft die lidstaat zich ertoe verbonden het gebruik van energieopwekking uit steenkool uit te faseren en heeft hij dit gerapporteerd in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 of in een ander instrument.

De naleving van de in punt 1, b), bedoelde criteria wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde. De onafhankelijke derde controleur beschikt over de nodige middelen en deskundigheid om die controle uit te voeren. Een onafhankelijke derde controleur heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit. De onafhankelijke derde controleur controleert zorgvuldig of aan de technische screeningcriteria is voldaan. Elk jaar wordt door de onafhankelijke derde met name een verslag gepubliceerd en aan de Commissie toegezonden waarin:

(a)

het niveau van de directe broeikasgasemissies als bedoeld in punt 1, b), ii), wordt gecertificeerd;

(b)

wordt beoordeeld of de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevindt om te voldoen aan punt 1, b), vi).

Op basis van de haar toegezonden verslagen kan de Commissie een advies tot de betrokken exploitanten richten. Bij de uitvoering van de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie houdt de Commissie rekening met die verslagen.

2.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, waaronder die uit methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van fysieke emissiemetingen en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.31.   Productie van warmte/koude uit fossiele gasvormige brandstoffen in een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling

Beschrijving van de activiteit

De bouw, renovatie en exploitatie van warmteopwekkingsfaciliteiten die warmte/koude produceren met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen en die zijn aangesloten op efficiënte stadsverwarming en -koeling in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU. Deze activiteit omvat niet de productie van warmte/koude in een efficiënte stadsverwarming uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.23 van deze bijlage en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.24 van deze bijlage.

De activiteit is ingedeeld in NACE-code D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

De economische activiteit in deze categorie is een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) 2020/852 wanneer zij voldoet aan de in deze afdeling vastgestelde technische screeningcriteria.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

1.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de productie van warmte/koude uit gasvormige brandstoffen zijn lager dan 100 g CO2e/kWh. De broeikasgasemissiereducties gedurende de levenscyclus worden berekend volgens Aanbeveling 2013/179/EU dan wel volgens ISO 14067:2018 of ISO 14064-1:2018.

De gekwantificeerde broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus worden gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

Wanneer de installaties enige vorm van reductie, met inbegrip van koolstofafvang of gebruik van hernieuwbare of koolstofarme gassen, omvatten, voldoet die reductieactiviteit aan de desbetreffende afdelingen van deze bijlage, indien van toepassing. Wanneer de door de elektriciteitsopwekking uitgestoten CO2 wordt afgevangen, voldoet de CO2 aan de in punt 1 van deze afdeling vastgestelde emissiegrenswaarden en geschieden het transport en de ondergrondse opslag ervan op een wijze die voldoet aan de technische screeningcriteria voor transport van CO2 en opslag van CO2 die in afdeling 5.11 respectievelijk afdeling 5.12 van deze bijlage zijn vastgesteld.

b)

faciliteiten waarvoor de bouwvergunning uiterlijk op 31 december 2030 is afgegeven, voldoen aan alle volgende voorwaarden:

i)

de door de activiteit opgewekte thermische energie wordt gebruikt in een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling zoals gedefinieerd in Richtlijn 2012/27/EU;

ii)

de directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh van de uitgangsenergie;

iii)

de te vervangen warmte/koude kan niet worden opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, op basis van een vergelijkende beoordeling met het meest kosteneffectieve en technisch haalbare hernieuwbare alternatief voor dezelfde capaciteit; het resultaat van deze vergelijkende beoordeling wordt gepubliceerd en wordt onderworpen aan een raadpleging van belanghebbenden;

iv)

de activiteit vervangt een bestaande verwarmings-/koelingsactiviteit met hoge uitstoot die vaste of vloeibare fossiele brandstoffen gebruikt;

v)

de nieuw geïnstalleerde productiecapaciteit overschrijdt de capaciteit van de vervangen faciliteit niet;

vi)

de faciliteit is ontworpen en gebouwd om hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen te gebruiken, en de omschakeling naar volledig gebruik van hernieuwbare en/of koolstofarme gasvormige brandstoffen vindt uiterlijk op 31 december 2035 plaats, met een verbintenis en een verifieerbaar plan die zijn goedgekeurd door het leidinggevend orgaan van de onderneming;

vii)

de vervanging leidt tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 % per kWh uitgangsenergie;

viii)

de renovatie van de faciliteit leidt niet tot een verhoging van de productiecapaciteit van de faciliteit;

ix)

wanneer de activiteit plaatsvindt op het grondgebied van een lidstaat waar steenkool wordt gebruikt voor energieopwekking, heeft die lidstaat zich ertoe verbonden het gebruik van energieopwekking uit steenkool uit te faseren en heeft hij dit gerapporteerd in zijn geïntegreerde nationale energie- en klimaatplan als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2018/1999 of in een ander instrument.

De naleving van de in punt 1, b), bedoelde criteria wordt gecontroleerd door een onafhankelijke derde. De onafhankelijke derde controleur beschikt over de nodige middelen en deskundigheid om die controle uit te voeren. Een onafhankelijke derde controleur heeft geen belangenconflicten met de eigenaar of de financier en is niet betrokken bij de ontwikkeling of exploitatie van de activiteit. De onafhankelijke derde controleur controleert zorgvuldig of aan de technische screeningcriteria is voldaan. Elk jaar wordt door de onafhankelijke derde met name een verslag gepubliceerd en aan de Commissie toegezonden waarin:

a)

het niveau van de directe broeikasgasemissies als bedoeld in punt 1, b), ii), wordt gecertificeerd;

b)

wordt beoordeeld of de activiteit zich op een geloofwaardig traject bevindt om te voldoen aan punt 1, b), vi).

Op basis van de haar toegezonden verslagen kan de Commissie een advies tot de betrokken exploitanten richten. Bij de uitvoering van de in artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2020/852 bedoelde evaluatie houdt de Commissie rekening met die verslagen.

2.

De activiteit voldoet aan een van de volgende criteria:

a)

bij de bouw wordt meetapparatuur voor de monitoring van de fysieke emissies, zoals die uit methaanlekkage, geïnstalleerd of wordt een programma inzake lekdetectie- en reparatie opgezet;

b)

bij de exploitatie wordt verslag uitgebracht van fysieke emissiemetingen en wordt eventuele lekkage geëlimineerd.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(2)

Adaptatie aan klimaatverandering

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel A van deze bijlage.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.”


(*1)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(*2)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).

(*3)  Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1).

(*4)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(*5)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(*6)  Aanbeveling 2006/851/Euratom van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende het beheer van de financiële middelen voor de ontmanteling van nucleaire installaties en de verwerking van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 330 van 28.11.2006, blz. 31).

(*7)  Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).

(*8)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).”.


BIJLAGE II

In bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 worden de volgende afdelingen 4.26, 4.27, 4.28, 4.29, 4.30 en 4.31 ingevoegd:

“4.26.   Precommerciële fasen van geavanceerde technologieën voor de productie van energie uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus

Beschrijving van de activiteit

Onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van innovatieve installaties voor elektriciteitsopwekking die overeenkomstig het toepasselijke nationale recht een vergunning hebben gekregen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en die energie produceren uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes M72 en M72.1 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (1) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (2), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (3) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (4) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (5);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

5.

De activiteit voldoet aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2013/59/Euratom, Richtlijn 2009/71/Euratom en Richtlijn 2011/70/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG.

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2009/71/Euratom, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het regelgevingskader van de EU.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage. De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.27.   Bouw en veilige exploitatie van nieuwe kerncentrales voor de opwekking van elektriciteit en/of warmte, voor onder meer de productie van waterstof, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën

Beschrijving van de activiteit

De bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties waarvoor de bouwvergunning uiterlijk in 2045 overeenkomstig het toepasselijke nationale recht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt afgegeven en die elektriciteit of proceswarmte produceren, inclusief voor stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof (nieuwe nucleaire installaties), alsook verbeteringen van de veiligheid daarvan.

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.22 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (6) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (7), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (8) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (9) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (10);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

5.

De activiteit voldoet aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2013/59/Euratom, Richtlijn 2009/71/Euratom en Richtlijn 2011/70/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2009/71/Euratom, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de drempelwaarden overeenkomstig het regelgevingskader van de EU.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage. De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.28.   Elektriciteitsopwekking uit kernenergie in bestaande installaties

Beschrijving van de activiteit

Aanpassing van bestaande nucleaire installaties met het oog op de verlenging, waarvoor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uiterlijk in 2040 een vergunning afgeven overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, van de bedrijfstijd van veilige exploitatie van nucleaire installaties die elektriciteit of warmte uit kernenergie produceren (“kerncentrales”).

De activiteit is ingedeeld in NACE-codes D35.11 en F42.2 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (11) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (12), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (13) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (14) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (15);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

5.

De activiteit voldoet aan de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de op grond daarvan aangenomen wetgeving, met name Richtlijn 2013/59/Euratom, Richtlijn 2009/71/Euratom en Richtlijn 2011/70/Euratom, alsook aan de toepasselijke milieuwetgeving van de Unie die is aangenomen op grond van artikel 192 VWEU, met name Richtlijn 2011/92/EU en Richtlijn 2000/60/EG;

6.

De activiteit voldoet aan de nationale wetgeving ter omzetting van Richtlijn 2009/71/Euratom, ook wat betreft de evaluatie, met name door middel van stresstests, van de veerkracht van de kerncentrales in de Unie tegen extreme natuurrampen, waaronder aardbevingen. De activiteit vindt dus plaats op het grondgebied van een lidstaat waar de exploitant van een kerninstallatie:

a)

de nucleaire veiligheid heeft aangetoond, waarbij de reikwijdte en het niveau van detail evenredig zijn met de potentiële omvang en aard van het gestelde risico voor de kerninstallatie en de vestigingsplaats ervan (artikel 6, punt b), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

b)

diepteverdedigingsmaatregelen heeft genomen om er onder meer voor te zorgen dat de impact van extreme externe natuurrampen en onopzettelijk door de mens veroorzaakte gevaren tot een minimum wordt beperkt (artikel 8 ter, lid 1, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom);

c)

een passende locatie- en installatiespecifieke beoordeling heeft uitgevoerd wanneer de betrokken exploitant een vergunning aanvraagt voor de bouw of exploitatie van een kerncentrale (artikel 8 quater, punt a), van Richtlijn 2009/71/Euratom).

De activiteit voldoet aan de eisen van Richtlijn 2009/71/Euratom, ondersteund door de meest recente internationale richtsnoeren van de IAEA en de WENRA, die bijdragen tot vergroting van het vermogen van nieuwe en bestaande kerncentrales om extreme natuurrampen, waaronder overstromingen en extreme weersomstandigheden, te weerstaan.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

De risico’s van milieudegradatie in verband met het behoud van de waterkwaliteit en het voorkomen van waterstress worden bepaald en aangepakt overeenkomstig een in overleg met de betrokken belanghebbenden opgesteld beheerplan voor het gebruik en de bescherming van water.

Om thermische anomalieën in verband met de lozing van afvalwarmte te beperken, controleren exploitanten van landinwaarts gelegen kerncentrales die gebruikmaken van natte koeling met één doorloop door water uit een rivier of meer in te nemen:

(a)

de maximumtemperatuur van het ontvangende zoetwaterlichaam na vermenging, en

(b)

het maximale temperatuurverschil tussen het geloosde koelwater en het ontvangende zoetwaterlichaam.

De temperatuurcontrole wordt uitgevoerd in overeenstemming met de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, of de drempelwaarden overeenkomstig het Unierecht.

De activiteit voldoet aan de normen van de Industry Foundation Classes (IFC).

Nucleaire activiteiten worden verricht overeenkomstig de voorschriften inzake voor menselijke consumptie bestemd water van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2013/51/Euratom tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

Er is een plan voor het beheer van zowel niet-radioactief als radioactief afval voorhanden dat een maximaal hergebruik of maximale recycling van dergelijk afval aan het einde van de levensduur waarborgt overeenkomstig de afvalhiërarchie, inclusief via contractuele overeenkomsten met afvalbeheerpartners, de financiële prognoses of de officiële projectdocumentatie.

Tijdens de exploitatie en ontmanteling wordt de hoeveelheid radioactief afval tot een minimum beperkt en wordt de hoeveelheid vrij te geven materialen gemaximaliseerd in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en met inachtneming van de stralingsbeschermingsvoorschriften van Richtlijn 2013/59/Euratom.

Er is een financieringsregeling om te zorgen voor voldoende financiering voor alle ontmantelingsactiviteiten en voor het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval in overeenstemming met Richtlijn 2011/70/Euratom en Aanbeveling 2006/851/Euratom.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

De desbetreffende elementen in deze afdeling worden behandeld in de verslagen van de lidstaten aan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/70/Euratom.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage. De niet-radioactieve emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken (BBT-GEN’s) geassocieerde emissieniveaus die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties. Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op kerncentrales met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties dienen de emissies onder de emissiegrenswaarden te liggen die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

Radioactieve lozingen in de lucht, waterlichamen en de bodem (grond) voldoen aan de individuele vergunningsvoorwaarden voor de specifieke activiteiten, indien van toepassing, en/of de nationale drempelwaarden overeenkomstig Richtlijn 2013/51/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Verbruikte splijtstof en radioactief afval worden op veilige en verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig Richtlijn 2011/70/Euratom en Richtlijn 2013/59/Euratom.

Voor het project is voldoende capaciteit voor tijdelijke opslag beschikbaar, terwijl nationale plannen voor berging voorhanden zijn om de duur van de tijdelijke opslag tot een minimum te beperken, overeenkomstig de bepaling van Richtlijn 2011/70/Euratom die de opslag van radioactief afval, inclusief opslag op lange termijn, beschouwt als een tijdelijke oplossing die geen alternatief vormt voor berging.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

Voorafgaand aan de bouw van een kerncentrale wordt een milieueffectbeoordeling uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2011/92/EU. De vereiste mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

Voor sites/werkzaamheden in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden met waarschijnlijk aanzienlijke gevolgen voor biodiversiteitsgevoelige gebieden (waaronder het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, Unesco-werelderfgoedsites en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsmede andere beschermde gebieden) is er, indien nodig, een passende beoordeling uitgevoerd en worden op basis van de conclusies de nodige mitigerende maatregelen genomen.

De sites/werkzaamheden zijn niet schadelijk voor de staat van instandhouding van de habitats of soorten die in beschermde gebieden aanwezig zijn.

4.29.   Elektriciteitsopwekking uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

Bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit fossiele gasvormige brandstoffen die voldoen aan de criteria van punt 1, a), van afdeling 4.29 van bijlage I. Deze activiteit omvat niet de opwekking van elektriciteit uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.7 van bijlage I en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.8 van bijlage I.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan verschillende NACE-codes, met name D35.11 en F42.22, overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (16) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (17), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (18) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (19) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (20);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.30.   Hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uit fossiele gasvormige brandstoffen

Beschrijving van de activiteit

Bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmte-/koudekrachtkoppeling met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen die voldoen aan de criteria van punt 1, a), van afdeling 4.30 van bijlage I. Deze activiteit omvat niet de hoogrenderende warmte-/koudekrachtkoppeling uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.19 van bijlage I en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.20 van bijlage I.

De economische activiteiten in deze categorie kunnen worden gekoppeld aan de NACE-codes D35.11 en D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (21) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (22), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (23) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (24) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (25);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.

4.31.   Productie van warmte/koude uit fossiele gasvormige brandstoffen in een efficiënt systeem voor stadsverwarming en -koeling

Beschrijving van de activiteit

De bouw, renovatie en exploitatie van warmteopwekkingsfaciliteiten die warmte/koude produceren met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen en die zijn aangesloten op efficiënte stadsverwarming en -koeling in de zin van artikel 2, punt 41, van Richtlijn 2012/27/EU en voldoen aan de criteria van punt 1, a), van afdeling 4.31 van bijlage I. Deze activiteit omvat niet de productie van warmte/koude in een efficiënte stadsverwarming uitsluitend met behulp van hernieuwbare niet-fossiele gasvormige en vloeibare brandstoffen als bedoeld in afdeling 4.23 van bijlage I en biogas en vloeibare biobrandstoffen als bedoeld in afdeling 4.24 van bijlage I.

De activiteit is ingedeeld in NACE-code D35.30 overeenkomstig de statistische classificatie van economische activiteiten die bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 is vastgesteld.

Technische screeningcriteria

Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering

1.

De economische activiteit heeft fysieke en niet-fysieke oplossingen (“adaptieoplossingen”) toegepast die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen.

2.

De fysieke klimaatrisico’s die voor de activiteit van belang zijn, zijn in kaart gebracht op basis van de lijst van risico’s in aanhangsel A van deze bijlage, aan de hand van een robuuste klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling met de volgende stappen:

a)

screening van de activiteit om te bepalen welke fysieke klimaatrisico’s van de lijst in aanhangsel A van deze bijlage van invloed kunnen zijn op de prestatie van de economische activiteit tijdens haar verwachte levensduur;

b)

indien de activiteit volgens die screening onderhevig kan zijn aan een of meer van de fysieke klimaatrisico’s in aanhangsel A van deze bijlage, een klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling om de materialiteit van de fysieke klimaatrisico’s voor de economische activiteit te beoordelen;

c)

een beoordeling van de adaptatieoplossingen die het vastgestelde fysieke klimaatrisico kunnen verminderen.

De klimaatrisico- en -kwetsbaarheidsbeoordeling staat in verhouding tot de schaal van de activiteit en de verwachte levensduur ervan, zoals hieronder beschreven:

a)

voor activiteiten met een verwachte levensduur van minder dan 10 jaar wordt de beoordeling ten minste met gebruikmaking van klimaatprojecties op de kleinste passende schaal verricht;

b)

voor alle andere activiteiten wordt de beoordeling verricht met gebruikmaking van geavanceerde klimaatprojecties met de hoogst beschikbare resolutie voor de bestaande reeks toekomstscenario’s (26) die consistent zijn met de verwachte levensduur van de activiteit, waaronder, voor grote investeringen, klimaatprojecties van ten minste 10 tot 30 jaar.

3.

De klimaatprojecties en effectbeoordelingen zijn gebaseerd op beste praktijken en beschikbare richtsnoeren en houden rekening met de laatste wetenschappelijke inzichten op het gebied van kwetsbaarheids- en risicoanalyse en bijbehorende methodologieën in lijn met de recentste verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (27), collegiaal getoetste wetenschappelijke publicaties en opensource- (28) of betaalde modellen.

4.

De toegepaste adaptatieoplossingen:

a)

werken niet ongunstig uit op de adaptatie-inspanningen of op het niveau van weerbaarheid tegen fysieke klimaatrisico’s van andere mensen, van de natuur, van het culturele erfgoed, van activa en van andere economische activiteiten;

b)

geven zo veel mogelijk de voorkeur aan het gebruik van op de natuur gebaseerde oplossingen (29) of de aanwending van blauwe of groene infrastructuur (30);

c)

sluiten aan bij lokale, sectorale, regionale of landelijke adaptatieplannen en -strategieën;

d)

worden gemonitord en gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren; ingeval die indicatoren niet worden gehaald, worden corrigerende maatregelen in overweging genomen;

e)

indien de toegepaste oplossing fysiek is en bestaat in een activiteit waarvoor in deze bijlage technische screeningcriteria zijn vastgesteld, voldoet de oplossing aan de technische screeningcriteria voor “geen ernstige afbreuk doen aan” voor die activiteit.

Geen ernstige afbreuk doen aan (“DNSH”)

(1)

Mitigatie van klimaatverandering

De directe broeikasgasemissies van de activiteit zijn lager dan 270 g CO2e/kWh.

(3)

Duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel B van deze bijlage.

(4)

Transitie naar een circulaire economie

n.v.t.

(5)

Preventie en bestrijding van verontreiniging

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel C van deze bijlage.

De emissies liggen binnen of onder de waarden van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) die in de recentste BBT-conclusies ter zake zijn vastgesteld, waaronder de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

Er doen zich geen significante cross-media-effecten voor.

Voor de toepassing op stookinstallaties met een thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MW maar onder de drempels voor de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties liggen de emissies onder de emissiegrenswaarden die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Richtlijn (EU) 2015/2193.

(6)

Bescherming en herstel van de biodiversiteit en ecosystemen

De activiteit voldoet aan de criteria van aanhangsel D van deze bijlage.”


(1)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(2)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(3)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(4)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(5)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(6)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(7)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(8)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(9)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(10)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(11)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(12)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(13)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(14)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(15)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(16)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(17)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(18)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(19)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(20)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(21)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(22)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(23)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(24)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(25)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).

(26)  Toekomstige scenario’s omvatten de trajecten voor representatieve concentratie RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering.

(27)  Assessment Reports on Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability, die periodiek door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het orgaan van de Verenigde Naties voor de beoordeling van de wetenschap op het gebied van klimaatverandering, worden gepubliceerd (https://www.ipcc.ch/reports/).

(28)  Zoals de Copernicus-diensten die door de Europese Commissie worden beheerd.

(29)  Op de natuur gebaseerde oplossingen worden gedefinieerd als “oplossingen die zijn geïnspireerd en ondersteund door de natuur, die kosteneffectief zijn, die tegelijkertijd milieu-, sociale en economische voordelen bieden en die bijdragen aan het opbouwen van veerkracht. Dergelijke oplossingen brengen meer, en meer diverse, natuur en natuurlijke kenmerken en processen in de steden, landschappen en zeelandschappen aan door middel van lokaal aangepaste, hulpbronnenefficiënte en systemische ingrepen”. Op de natuur gebaseerde oplossingen zijn dus gunstig voor de biodiversiteit en ondersteunen het verrichten van een reeks ecosysteemdiensten (versie van [datum van aanneming]: https://ec.europa.eu/info/research-and-innovation/research-area/environment/nature-based-solutions_en/).

(30)  Zie mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal” (COM(2013) 249 final).


BIJLAGE III

“BIJLAGE XII

Standaardtemplates voor de in artikel 8, leden 6 en 7, bedoelde openbaarmaking

De in artikel 8, leden 6 en 7, bedoelde informatie wordt voor elke toepasselijke kritische prestatie-indicator (KPI) als volgt gepresenteerd.

Template 1 Activiteiten in verband met kernenergie en fossiel gas

Rij

Activiteiten in verband met kernenergie

1.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan onderzoek, ontwikkeling, demonstratie en uitrol van innovatieve installaties voor elektriciteitsopwekking die energie produceren uit nucleaire processen met een minimum aan afval van de splijtstofcyclus.

JA/NEE

2.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw en veilige exploitatie van nieuwe nucleaire installaties voor de productie van elektriciteit of proceswarmte, voor onder meer stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof, alsook verbetering van de veiligheid daarvan, met gebruikmaking van de beste beschikbare technologieën.

JA/NEE

3.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de veilige exploitatie van bestaande nucleaire installaties die elektriciteit of proceswarmte produceren, voor onder meer stadsverwarming of industriële processen zoals de productie van waterstof uit kernenergie, alsook verbetering van de veiligheid daarvan.

JA/NEE

 

Activiteiten in verband met fossiel gas

4.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit produceren uit fossiele gasvormige brandstoffen.

JA/NEE

5.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmte-/koudekrachtkoppeling met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen.

JA/NEE

6.

De onderneming verricht, financiert of heeft blootstellingen aan de bouw, renovatie en exploitatie van installaties voor warmteopwekking die warmte/koude produceren met behulp van fossiele gasvormige brandstoffen.

JA/NEE

Template 2 Op de taxonomie afgestemde economische activiteiten (noemer)

Rij

Economische activiteit

Bedrag en aandeel (de informatie moet worden gepresenteerd in geldbedragen en in percentages)

CCM + CCA

Mitigatie van klimaatverandering (CCM)

Adaptatie aan klimaatverandering (CCA)

Bedrag

%

Bedrag

%

Bedrag

%

1.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

8.

Totaal toepasselijke KPI

 

 

 

Template 3 Op de taxonomie afgestemde economische activiteiten (teller)

Rij

Economische activiteit

Bedrag en aandeel (de informatie moet worden gepresenteerd in geldbedragen en in percentages)

(CCM+CCA)

Mitigatie van klimaatverandering

Adaptatie aan klimaatverandering

Bedrag

%

Bedrag

%

Bedrag

%

1.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de teller van de toepasselijke KPI

 

 

 

8.

Totaal bedrag en aandeel van op de taxonomie afgestemde economische activiteiten in de teller van de toepasselijke kernprestatie-indicatoren

 

100  %

 

 

Template 4 Voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten

Rij

Economische activiteit

Bedrag en aandeel (de informatie moet worden gepresenteerd in geldbedragen en in percentages)

(CCM+CCA)

Mitigatie van klimaatverandering

Adaptatie aan klimaatverandering

Bedrag

%

Bedrag

%

Bedrag

%

1.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteit als bedoeld in afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

8.

Totaal bedrag en aandeel van voor de taxonomie in aanmerking komende, maar niet op de taxonomie afgestemde economische activiteiten in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

 

Template 5 Niet voor de taxonomie in aanmerking komende activiteiten

Rij

Economische activiteit

Bedrag

Percentage

1.

Bedrag en aandeel van de in rij 1 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.26 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

2.

Bedrag en aandeel van de in rij 2 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.27 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

3.

Bedrag en aandeel van de in rij 3 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.28 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

4.

Bedrag en aandeel van de in rij 4 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.29 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

5.

Bedrag en aandeel van de in rij 5 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.30 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

6.

Bedrag en aandeel van de in rij 6 van template 1 genoemde activiteit die niet voor de taxonomie in aanmerking komt overeenkomstig afdeling 4.31 van de bijlagen I en II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

7.

Bedrag en aandeel van andere niet voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteiten die niet zijn genoemd in de rijen 1 tot en met 6 hierboven in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

8.

Totaal bedrag en aandeel van niet voor de taxonomie in aanmerking komende economische activiteiten in de noemer van de toepasselijke KPI

 

 

”.

15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/46


VERORDENING (EU) 2022/1215 VAN DE COMMISSIE

van 7 juli 2022

tot vaststelling van een sluiting van de visserij op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in de Noorse wateren van 1 en 2 voor vaartuigen die de vlag van een lidstaat van de Europese Unie voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2022/109 van de Raad (2) zijn quota voor 2022 vastgesteld.

(2)

Uit de door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het bestand van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in de Noorse wateren van 1 en 2 door vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Unie, het voor 2022 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moeten bepaalde visserijactiviteiten met betrekking tot dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het vangstquotum dat voor 2022 aan de lidstaten van de Europese Unie is toegewezen voor het in de bijlage vermelde bestand van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in de Noorse wateren van 1 en 2, wordt met ingang van de in die bijlage vastgestelde datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

Visserijactiviteiten met betrekking tot het in artikel 1 bedoelde bestand door vaartuigen die de vlag voeren van of geregistreerd zijn in een lidstaat van de Europese Unie, zijn met ingang van de in de bijlage opgenomen datum verboden. Het is met name verboden om vis uit dat bestand die na die datum door die vaartuigen is gevangen, aan boord te houden, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juli 2022.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Virginijus SINKEVIČIUS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2022/109 van de Raad van 27 januari 2022 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 21 van 31.1.2022, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

03/TQ109

Lidstaat

Europese Unie (alle lidstaten)

Bestand

GHL/1N2AB.

Soort

Groenlandse heilbot/zwarte heilbot (Reinhardtius hippoglossoides)

Gebied

Noorse wateren van 1 en 2

Datum van sluiting

20 juni 2022


15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/49


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1216 VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2022

tot afwijking, met betrekking tot het jaar 2022, van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 809/2014, (EU) nr. 180/2014, (EU) nr. 181/2014, (EU) 2017/892, (EU) 2016/1150, (EU) 2018/274, (EU) nr. 615/2014 en (EU) 2015/1368 wat betreft bepaalde in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen administratieve controles en controles ter plaatse en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/725

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 62, lid 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (2), en met name artikel 8 en artikel 18, lid 1, tweede alinea,

Gezien Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad (3), en met name artikel 7, artikel 11, lid 3, en artikel 14, lid 1, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Als gevolg van de COVID-19-pandemie en de maatregelen die de lidstaten in dat verband hebben ingevoerd, ondervinden alle lidstaten administratieve problemen met de planning en tijdige uitvoering van het vereiste aantal controles ter plaatse. Door deze problemen dreigen de controles en de daaropvolgende betaling van de steun vertraging op te lopen. Tegelijk zijn landbouwers kwetsbaar voor de economische ontwrichting die de pandemie teweegbrengt, en kampen zij met financiële moeilijkheden en cashflowproblemen.

(2)

Gezien deze omstandigheden, die zonder weerga zijn, heeft de Commissie de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2020/532 (4) en (EU) 2021/725 (5) van de Commissie vastgesteld om die problemen te verlichten door wat de hoeveelheid en het tijdschema van bepaalde administratieve controles en controles ter plaatse betreft af te wijken van een aantal uitvoeringsverordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Nu de COVID-19-pandemie in 2022 voortduurt en daarmee de problemen aanhouden, moeten soortgelijke maatregelen ook voor 2022 worden getroffen.

(3)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie (6) bevat onder meer voorschriften inzake het tijdstip van de controles ter plaatse en inzake de controlepercentages voor bepaalde controles ter plaatse in het geïntegreerd systeem, onder meer voor steunregelingen voor dieren. Voorts bevat die verordening regels betreffende controles ter plaatse met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen inzake steunaanvragen voor vee en betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen, betreffende controlepercentages voor niet-areaalgebonden en niet-diergebonden plattelandsontwikkelingsmaatregelen en betreffende de minimumpercentages voor controles op het gebied van de randvoorwaarden.

(4)

Artikel 24, lid 4, artikel 48, lid 5, artikel 49, lid 1, artikel 52, lid 1, artikel 60, lid 2, en artikel 71, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bevatten bepaalde door de bevoegde autoriteit na te leven regels voor de uitvoering van administratieve controles en controles ter plaatse. Gezien de omstandigheden die het gevolg zijn van de COVID-19-pandemie, moet worden gestimuleerd dat deze controles worden verricht met teledetectie en nieuwe technologieën als onbemande luchtvaartuigsystemen, gegeotagde foto’s, GNSS-ontvangers (wereldwijd satellietnavigatiesysteem) gecombineerd met Egnos (European Geostationary Navigation Overlay Service — Europees overlaysysteem voor geostationaire navigatie) en Galileo, met gegevens van de Copernicus-Sentinel-satellieten en met andere bewijsstukken die te gebruiken zijn voor controles op de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen of andere verplichtingen in het kader van de betrokken steunregeling of bijstandsmaatregel en op de naleving van de eisen en normen van de randvoorwaarden.

(5)

Artikel 26, lid 4, en artikel 42, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bevatten regels voor de controles ter plaatse waarbij wordt nagegaan of aan alle subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen is voldaan, en die betrekking hebben op alle dieren waarvoor steunaanvragen of betalingsaanvragen zijn ingediend in het kader van de te controleren steunregelingen voor dieren of diergebonden bijstandsmaatregelen. Gezien de huidige situatie moet worden bepaald dat wanneer lidstaten die controles ter plaatse niet overeenkomstig die bepalingen kunnen uitvoeren en er geen alternatief bewijsmateriaal beschikbaar is, die lidstaten kunnen besluiten de controles voor claimjaar 2022 of kalenderjaar 2022 op om het even welk moment van het jaar uit te voeren, voor zover het mogelijk blijft om aan de hand daarvan na te gaan of de subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn nageleefd.

(6)

Voor verscheidene verplichtingen op grond van Verordening (EU) nr. 1306/2013 met betrekking tot de randvoorwaarden en op grond van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) met betrekking tot steunregelingen voor dieren en diergebonden bijstandsmaatregelen gelden specifieke en gedifferentieerde tijdskaders voor de nakoming ervan, waardoor het noodzakelijk is dat de controles ter plaatse binnen die tijdskaders worden uitgevoerd. Als gevolg van de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om de COVID-19-pandemie te bestrijden, is het minder goed haalbaar om de vereiste controles ter plaatse nauwkeurig en binnen de voor die verplichtingen geldende termijnen uit te voeren. Voor sommige soorten controles kan mogelijk ook geen gebruik worden gemaakt van nieuwe technologieën die in de plaats komen van de bezoeken aan het landbouwbedrijf. Daarom moet voor bepaalde in 2022 te verrichten controles worden afgeweken van de artikelen 30 tot en met 33, 40 bis, 50 en 52 en artikel 68, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 en moet het minimumpercentage van de controles ter plaatse op een lager niveau worden vastgesteld dan de normale controlepercentages voor respectievelijk areaal- en diergebonden steunregelingen en bijstandsmaatregelen, andere plattelandsontwikkelingsmaatregelen dan die in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, en de randvoorwaarden.

(7)

Om het preventieve effect van de controles te handhaven, moet de verplichting uit hoofde van artikel 35 en artikel 50, lid 5, en artikel 68, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 om de controlepercentages te verhogen als gevolg van significante gevallen van niet-naleving die tijdens de controles van het voorgaande jaar zijn geconstateerd, worden gehandhaafd voor claimjaar 2022. Significante gevallen van niet-naleving die bij de controles ter plaatse in 2021 zijn geconstateerd, moeten leiden tot een verhoging van het aantal controles ter plaatse voor het jaar 2022. Daarom moeten de lidstaten die op grond van artikel 35 of artikel 50, lid 5, of artikel 68, lid 4, van die verordening verplicht zijn het controlepercentage in claimjaar 2022 te verhogen, en besluiten om de verlaagde controlepercentages van de onderhavige verordening toe te passen, die verhogingen boven op de verlaagde controlepercentages van de onderhavige verordening toepassen.

(8)

In de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 180/2014 (8) en (EU) nr. 181/2014 (9) van de Commissie zijn controlepercentages vastgesteld voor controles in het kader van de specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee. Omdat de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie ook de ultraperifere gebieden van de Unie en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee treffen, moet van die verordeningen worden afgeweken door verlenging van de mogelijkheid om nieuwe technologieën als alternatieve bewijsbronnen voor controles te gebruiken, en door aanpassing van de percentages controles ter plaatse voor 2022. Om ervoor te zorgen dat de controles in het kader van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 180/2014 en (EU) nr. 181/2014 een preventief effect blijven sorteren, moet de verplichting om het controlepercentage overeenkomstig artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 te verhogen, echter worden gehandhaafd. Daarom moeten de lidstaten die op grond van artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verplicht zijn het controlepercentage in claimjaar 2022 te verhogen, en besluiten om de verlaagde controlepercentages van de onderhavige verordening toe te passen, die verhogingen boven op die verlaagde controlepercentages toepassen.

(9)

Krachtens artikel 24 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie (10) moeten de lidstaten controles, ook ter plaatse, verrichten om na te gaan of producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties in de groente- en fruitsector voldoen aan de erkenningscriteria. Vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie moeten controles ter plaatse op de naleving van de erkenningscriteria in 2022 vervallen.

(10)

In artikel 27, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 is de steekproef voor jaarlijkse controles ter plaatse vastgesteld op ten minste 30 % van de totale aangevraagde steun. Omdat de lidstaten vanwege de COVID-19-maatregelen mogelijk niet aan die eisen kunnen voldoen, moet het hun worden toegestaan om in 2022 een lager percentage van die controles te verrichten.

(11)

In artikel 27, lid 7, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 is bepaald dat acties in individuele bedrijven van leden van producentenorganisaties die onder de in artikel 27, lid 2, van die verordening bedoelde steekproef vallen, ten minste eenmaal moeten worden bezocht om de uitvoering ervan te verifiëren. Omdat de lidstaten vanwege de COVID-19-maatregelen mogelijk niet aan die eisen kunnen voldoen, mogen zij in 2022 niet worden onderworpen aan de eisen inzake de frequentie van de bezoeken aan individuele bedrijven van producentenorganisaties.

(12)

In artikel 29, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 is bepaald dat de eerstelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten betrekking moeten hebben op 100 % van de hoeveelheid uit de markt genomen producten, behalve wanneer het gaat om voor gratis verstrekking bestemde producten, waarvoor de lidstaten op grond van artikel 29, lid 3, van die verordening een lager percentage mogen controleren, mits per verkoopseizoen en per producentenorganisatie niet minder dan 10 % van de betrokken hoeveelheden wordt gecontroleerd. Vanwege de COVID-19-maatregelen kunnen de lidstaten mogelijk niet aan die eis voldoen en moet het hun worden toegestaan om in 2022 ook voor alle andere uit de markt genomen producten, ongeacht de bestemming ervan, een lager percentage te controleren, mits per verkoopseizoen en per producentenorganisatie niet minder dan 10 % van de betrokken hoeveelheden wordt gecontroleerd.

(13)

In artikel 30, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 is bepaald dat elke controle een steekproef moet omvatten van ten minste 5 % van de hoeveelheden die de producentenorganisatie in de loop van het verkoopseizoen uit de markt heeft genomen. Vanwege de COVID-19-maatregelen kunnen de lidstaten mogelijk niet aan die eis voldoen en moet het hun worden toegestaan om in 2022 gebruik te maken van steekproeven van ten minste 3 % van de hoeveelheden die de producentenorganisatie in de loop van het verkoopseizoen 2020 uit de markt heeft genomen.

(14)

Vanwege de COVID-19-maatregelen zal het voor de lidstaten materieel moeilijk blijven om in 2022 controles ter plaatse van de jaarlijkse steunaanvragen, eerste- en tweedelijnscontroles op het uit de markt nemen van producten en controles op het groen oogsten en niet oogsten te verrichten, als bedoeld in respectievelijk artikel 27, leden 2 en 7, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 3, en artikel 31, leden 1 en 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om te voorzien in controles die gelijkwaardig zijn aan controles ter plaatse, zoals gegeotagde foto’s, gedagtekende foto’s, gedagtekende rapporten over dronebewaking, administratieve controles of videoconferenties met de begunstigden.

(15)

Vanwege de COVID-19-maatregelen blijft het voor de lidstaten materieel moeilijk om in 2022 systematische en steekproefgebaseerde controles ter plaatse te verrichten voor concrete acties waarvoor steun wordt verleend op grond van de artikelen 45 tot en met 52 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11). Daarom moet ook voor begrotingsjaar 2022 worden voorzien in een afwijking van artikel 32, lid 1, en artikel 42, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1150 van de Commissie (12), zoals toegepast in de begrotingsjaren 2020 en 2021, zodat de lidstaten ook voor dit jaar kunnen voorzien in controles die gelijkwaardig zijn aan systematische controles ter plaatse, zoals gedagtekende foto’s, gedagtekende rapporten over dronebewaking, administratieve controles of videoconferenties met de begunstigden, en die waarborgen dat alleen betalingen worden gedaan als de wetgeving inzake de steunprogramma’s in de wijnsector wordt nageleefd.

(16)

Het zal voor de lidstaten ook materieel moeilijk worden om met betrekking tot begrotingsjaar 2022 binnen de termijn van artikel 43, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1150 systematische controles ter plaatse te verrichten voor concrete groenoogstacties waarvoor steun wordt verleend op grond van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Daarom moet in een afwijking worden voorzien om de voltooiing van de controles uit te stellen tot 15 september 2022.

(17)

In artikel 27, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274 van de Commissie (13) is bepaald hoeveel monsters verse druiven in de periode waarin de druiven van het betrokken perceel worden geoogst, in de wijngaarden moeten worden genomen met het oog op de oprichting van de analytische databank van isotopische gegevens als bedoeld in artikel 39 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 van de Commissie (14). Wanneer lidstaten dergelijke controles vanwege de COVID-19-maatregelen nog steeds niet kunnen verrichten, moet het hun worden toegestaan van het minimumaantal monsters af te wijken.

(18)

In artikel 31, lid 2, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274 is bepaald dat de lidstaten jaarlijkse controles ter plaatse moeten verrichten bij ten minste 5 % van alle in het wijnbouwkadaster vermelde wijnbouwers. Aangezien het vanwege de COVID-19-maatregelen in diverse wijnproducerende lidstaten nog steeds materieel moeilijk is om dergelijke controles te verrichten, moet dit percentage voor 2022 worden verlaagd. Om dezelfde reden moet het de lidstaten worden toegestaan de in artikel 31, lid 2, punt c), van die verordening bedoelde systematische controles ter plaatse van met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in enig dossier over de wijnbouwer zijn opgenomen, in 2022 tijdelijk op te schorten.

(19)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 van de Commissie (15) met betrekking tot de activiteitenprogramma’s ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven bevat regels voor controles ter plaatse op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van Uniefinanciering. De COVID-19-maatregelen kunnen het moeilijk maken om dergelijke op grond van artikel 6 van die verordening vereiste controles uit te voeren. Daarom moet de lidstaten flexibiliteit worden geboden door toe te staan dat de controles ter plaatse in kalenderjaar 2022 worden vervangen door alternatieve controles.

(20)

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1368 van de Commissie (16), die betrekking heeft op steun in de bijenteeltsector, bevat voorschriften voor de monitoring en controles met betrekking tot de correcte uitvoering van de nationale bijenteeltprogramma’s, de daadwerkelijk verrichte uitgaven en het juiste aantal door de bijenhouders gerapporteerde bijenkasten. Overeenkomstig artikel 8, lid 3, van die verordening moeten de lidstaten ervoor zorgen dat controles ter plaatse worden verricht bij ten minste 5 % van de aanvragers van steun in het kader van hun bijenteeltprogramma’s. De COVID-19-maatregelen kunnen het moeilijk maken om het aantal controles ter plaatse uit te voeren dat nodig is om die drempel te bereiken. Daarom moet de lidstaten flexibiliteit worden geboden door toe te staan dat van die eis wordt afgeweken. Die afwijking mag echter niet leiden tot een hoger risico op onverschuldigde betalingen. Daarom moet elke verlaging van het aantal controles ter plaatse zo veel mogelijk door alternatieve controles worden vervangen.

(21)

Gezien de flexibiliteitsopties die de lidstaten de afgelopen twee jaar zijn geboden met betrekking tot de verhoging van de controlepercentages, is het van belang de oorspronkelijke regel, die een aanzienlijk afschrikkend effect heeft, weer in te voeren en te verduidelijken op basis van welk jaar de verhoging van het controlepercentage overeenkomstig artikel 35 en artikel 50, lid 5, en artikel 68, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 en artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet worden bepaald. Gezien de mogelijke wijzigingen die de lidstaten na de ontdekking van niet-nalevingen in hun controleprocedures hebben doorgevoerd, wordt het niet passend geacht corrigerende mechanismen toe te passen voor gevallen van niet-naleving die tijdens de controles met betrekking tot claimjaar 2019 aan het licht zijn gekomen, en moet rekening worden gehouden met het meest recente jaar. Daarom moeten de artikelen 3, 5 en 6 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/725 worden gewijzigd.

(22)

De afwijkingen van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 809/2014, (EU) nr. 180/2014, (EU) nr. 181/2014, (EU) 2017/892, (EU) 2016/1150, (EU) 2018/274, (EU) nr. 615/2014 en (EU) 2015/1368 waarin de onderhavige verordening voorziet, moeten de lidstaten in staat stellen vertragingen bij de controlemaatregelen en de verwerking van de steunaanvragen en zo vertragingen bij de betalingen aan de begunstigden voor 2022 te voorkomen. Het is evenwel van essentieel belang dat die afwijkingen het goede financiële beheer en het vereiste van voldoende zekerheid niet in het gedrang brengen. Daarom zijn de lidstaten die van die afwijkingen gebruikmaken, verantwoordelijk voor het nemen van alle nodige maatregelen om te waarborgen dat te hoge betalingen worden voorkomen en dat onverschuldigde bedragen worden teruggevorderd. Bovendien moet het gebruik van die afwijkingen onder de in artikel 7, lid 3, eerste alinea, punt b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde beheersverklaring vallen voor de begrotingsjaren 2022 en 2023.

(23)

Met het oog op een vlotte uitvoering van de maatregelen van deze verordening, die voor de lidstaten nodig zijn om controlecampagnes te organiseren zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de maatregelen tegen de COVID-19-pandemie, moet deze verordening op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking treden en met terugwerkende kracht van toepassing zijn zodat de lidstaten de beoogde wijzigingen vanaf het begin van de desbetreffende controlecampagnes kunnen doorvoeren: de maatregelen van de hoofdstukken I en II en van de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk III moeten met ingang van 1 januari 2022 van toepassing zijn voor het claimjaar in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem of het kalenderjaar voor niet-areaal- en niet-diergebonden steunmaatregelen inzake plattelandsontwikkeling en voor maatregelen in de wijnsector; de maatregelen van de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk III moeten met ingang van 16 oktober 2021 van toepassing zijn voor het begrotingsjaar en de maatregelen van afdeling 5 van hoofdstuk III moeten met ingang van 1 augustus 2021 van toepassing zijn voor het bijenteeltjaar.

(24)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de landbouwfondsen, het Comité voor rechtstreekse betalingen, het Comité voor plattelandsontwikkeling en het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

AFWIJKINGEN VAN UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 809/2014

Artikel 1

In afwijking van artikel 24, lid 4, artikel 48, lid 5, artikel 49, lid 1, artikel 52, lid 1, artikel 60, lid 2, derde alinea, en artikel 71, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 kunnen de lidstaten, vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie, voor de met betrekking tot claimjaar 2022 respectievelijk kalenderjaar 2022 te verrichten controles besluiten om de op grond van die verordening uit te voeren fysieke inspecties, met name veldbezoeken en controles ter plaatse, volledig te vervangen door foto-interpretatie van door satelliet- of luchtfotografie verkregen orthobeelden of door het gebruik van nieuwe technologieën zoals gegeotagde foto’s, of ander bewijsmateriaal, waaronder bewijsstukken die de begunstigde op verzoek van de bevoegde autoriteit aanlevert, aan de hand waarvan definitieve conclusies kunnen worden getrokken ten genoegen van de bevoegde autoriteit.

Indien de bezoeken aan de gesteunde concrete actie of de locatie van de investering als bedoeld in artikel 48, lid 5, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, niet kunnen worden vervangen door bewijsstukken, verrichten de lidstaten die bezoeken nadat de eindbetaling is gedaan.

Artikel 2

Wanneer lidstaten vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat zijn om de controles ter plaatse binnen het in artikel 26, lid 4, en artikel 42, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 voorgeschreven tijdskader uit te voeren, en met de alternatieve methoden, zoals het gebruik van nieuwe technologieën, niet het nodige bewijsmateriaal kan worden geleverd, kunnen die lidstaten in afwijking van de genoemde bepalingen besluiten dergelijke controles voor claimjaar 2022 respectievelijk kalenderjaar 2022 op om het even welk moment van het jaar uit te voeren, voor zover het mogelijk blijft om aan de hand daarvan na te gaan of de subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn nageleefd.

Artikel 3

1.   Wanneer lidstaten vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat zijn om in claimjaar 2022 respectievelijk kalenderjaar 2022 controles ter plaatse te verrichten overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 33, artikel 40 bis, lid 1, eerste alinea, punt c), artikel 40 bis, lid 2, punt b), artikel 50, lid 1, eerste alinea, artikel 52, lid 2, artikel 60, lid 2, derde alinea, en artikel 68, lid 1, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, kunnen die lidstaten besluiten om de leden 2 tot en met 10 van dit artikel toe te passen.

2.   In afwijking van artikel 30 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het controlepercentage in claimjaar 2022 ten minste:

a)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling;

b)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de herverdelingsbetaling;

c)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen;

d)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling voor jonge landbouwers;

e)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor areaalgebonden betalingen in het kader van vrijwillige gekoppelde steun;

f)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling in het kader van de regeling voor kleine landbouwbedrijven;

g)

10 % van de arealen die voor de productie van hennep zijn aangegeven;

h)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de gewasspecifieke betaling voor katoen.

Lidstaten die reeds hebben besloten de controlepercentages voor bepaalde regelingen tot 3 % te verlagen overeenkomstig artikel 36 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, mogen de voor die regelingen in dit lid vermelde percentages verder verlagen tot 1 %. lidstaten die overeenkomstig artikel 36, lid 6, van die verordening een systeem van voorafgaande vergunningen voor de teelt van hennep hebben ingevoerd, verlagen het controlepercentage niet verder tot onder de 10 %.

3.   In afwijking van artikel 31 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het controlepercentage in claimjaar 2022 ten minste:

a)

3 % van alle begunstigden die de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht moeten nemen;

b)

1 % van:

i)

hetzij alle voor de vergroeningsbetaling in aanmerking komende begunstigden die zowel van de verplichtingen inzake gewasdiversificatie als van de verplichtingen inzake ecologische aandachtsgebieden zijn vrijgesteld doordat zij de in artikel 44 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde drempelwaarden niet halen, en die niet aan de in artikel 45 van die verordening bedoelde verplichtingen onderworpen zijn;

ii)

hetzij, in de jaren waarin artikel 44 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie (17) niet van toepassing is in een lidstaat, de voor de vergroeningsbetaling in aanmerking komende begunstigden die zowel van de verplichtingen inzake gewasdiversificatie als van de verplichtingen inzake ecologische aandachtsgebieden zijn vrijgesteld doordat zij de in artikel 44 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde drempelwaarden niet halen, en die niet aan de in artikel 45, lid 1, van die verordening bedoelde verplichting onderworpen zijn;

(c)

3 % van alle begunstigden die de vergroeningspraktijken in acht moeten nemen en gebruikmaken van nationale of regionale milieucertificeringsregelingen als bedoeld in artikel 43, lid 3, punt b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

Het in de eerste alinea, punt a), genoemde controlepercentage omvat tegelijk ten minste 3 % van alle begunstigden met gebieden met ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in zones als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (18) of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (19) en andere kwetsbare gebieden als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

4.   In afwijking van artikel 32 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het controlepercentage in claimjaar 2022 ten minste:

a)

3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen in het kader van een plattelandsontwikkelingsmaatregel;

b)

3 % van alle collectieven die een collectieve aanvraag indienen.

Wat betreft het in de eerste alinea, punt a), genoemde controlepercentage voor de in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (20) bedoelde maatregelen moet het controlepercentage van 3 % op het niveau van de individuele maatregel worden gehaald.

5.   In afwijking van artikel 33 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het controlepercentage in claimjaar 2022 ten minste 3 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen in het kader van steunregelingen voor dieren en ten minste 3 % van de dieren.

6.   In afwijking van artikel 40 bis, lid 1, eerste alinea, punt c), eerste zin, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 worden de controles in het kader van de subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen verricht voor ten minste 3 % van de betrokken begunstigden.

7.   In afwijking van artikel 40 bis, lid 2, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 vinden de verificaties van het tetrahydrocannabinolgehalte van hennep plaats voor ten minste 10 % van het areaal.

8.   In afwijking van artikel 50, lid 1, eerste alinea, en artikel 60, lid 2, derde alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het controlepercentage in kalenderjaar 2022 ten minste 3 %.

9.   In afwijking van artikel 52, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het controlepercentage in kalenderjaar 2022 bij de controles achteraf ten minste 0,6 %.

10.   In afwijking van artikel 68, lid 1, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 bedraagt het minimumpercentage controles in claimjaar 2022 bij de randvoorwaarden ten minste 0,5 %.

HOOFDSTUK II

AFWIJKINGEN VAN DE SPECIFIEKE MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN DE ULTRAPERIFERE GEBIEDEN VAN DE UNIE EN DE KLEINERE EILANDEN IN DE EGEÏSCHE ZEE

AFDELING 1

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014

Artikel 4

1.   In afwijking van artikel 16, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014 kunnen lidstaten die vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat zijn om in 2022 fysieke controles in de ultraperifere gebieden te verrichten overeenkomstig die bepaling, besluiten om de fysieke controles te organiseren overeenkomstig lid 2 van het onderhavige artikel.

2.   De in het betrokken ultraperifere gebied verrichte fysieke controles bij de invoer, het binnenbrengen, de uitvoer en de verzending van landbouwproducten hebben betrekking op een representatieve steekproef van ten minste 3 % van de certificaten die overeenkomstig artikel 9 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014 worden overgelegd.

3.   In afwijking van artikel 22 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014 kunnen lidstaten die vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat zijn om in 2022 controles ter plaatse in de ultraperifere gebieden te verrichten overeenkomstig dat artikel, besluiten om de controles ter plaatse te organiseren overeenkomstig lid 4 van het onderhavige artikel.

4.   Op basis van een risicoanalyse overeenkomstig artikel 24, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014 controleren de bevoegde autoriteiten ter plaatse een steekproef van ten minste 3 % van de steunaanvragen. De steekproef vertegenwoordigt ook voor elke actie ten minste 3 % van de bedragen waarop de steun betrekking heeft.

5.   In afwijking van artikel 16, lid 2, en artikel 22 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014 kunnen lidstaten die vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat zijn om met betrekking tot de specifieke maatregelen ten behoeve van de ultraperifere gebieden voor 2022 controles ter plaatse uit te voeren overeenkomstig die bepalingen, besluiten:

a)

de controles ter plaatse te vervangen door het gebruik van nieuwe technologieën, waaronder gegeotagde foto’s, gedagtekende foto’s, gedagtekende rapporten over dronebewaking, videoconferenties met de begunstigden of bewijsstukken die ter staving kunnen dienen bij het verifiëren van de correcte uitvoering van de maatregelen;

b)

die controles op om het even welk moment van het jaar uit te voeren, voor zover het mogelijk blijft om aan de hand daarvan de naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden te verifiëren, ook nadat de eindbetaling is gedaan.

AFDELING 2

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014

Artikel 5

1.   In afwijking van artikel 13, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014 kan Griekenland, wanneer het vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat is om in 2022 fysieke controles te verrichten overeenkomstig die bepaling, besluiten om de fysieke controles te organiseren overeenkomstig lid 2 van het onderhavige artikel.

2.   De op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee verrichte fysieke controles bij het binnenbrengen van landbouwproducten hebben betrekking op een representatieve steekproef van ten minste 3 % van de certificaten die overeenkomstig artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014 worden overgelegd. De op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee verrichte fysieke controles bij uitvoer of verzending als bedoeld in sectie 3 van die verordening, hebben betrekking op een representatieve steekproef van ten minste 3 % van de concrete acties die is gebaseerd op de door Griekenland opgestelde risicoprofielen.

3.   In afwijking van artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014 kan Griekenland, wanneer het vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat is om in 2022 controles ter plaatse te verrichten overeenkomstig dat artikel, besluiten om de controles ter plaatse te organiseren overeenkomstig lid 4 van het onderhavige artikel.

4.   Op basis van een risicoanalyse overeenkomstig artikel 22, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014 controleren de bevoegde autoriteiten ter plaatse voor elke actie een steekproef van ten minste 3 % van de steunaanvragen. De steekproef vertegenwoordigt ook voor elke actie ten minste 3 % van de bedragen waarop de steun betrekking heeft.

5.   In afwijking van artikel 13, lid 2, en artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014 kan Griekenland, wanneer het vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet in staat is om in 2022 in het kader van de specifieke maatregelen ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee controles ter plaatse te verrichten overeenkomstig die bepalingen, besluiten:

a)

de controles ter plaatse te vervangen door het gebruik van nieuwe technologieën, waaronder gegeotagde foto’s, gedagtekende foto’s, gedagtekende rapporten over dronebewaking, videoconferenties met de begunstigden of bewijsstukken die ter staving kunnen dienen bij het verifiëren van de correcte uitvoering van de maatregelen;

b)

die controles op om het even welk moment van het jaar uit te voeren, voor zover het mogelijk blijft om aan de hand daarvan de naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden te verifiëren, ook nadat de eindbetaling is gedaan.

HOOFDSTUK III

AFWIJKINGEN VAN DE UITVOERINGSBEPALINGEN VOOR DE GEMEENSCHAPPELIJKE MARKTORDENING

AFDELING 1

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892

Artikel 6

1.   In afwijking van artikel 24 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 gelden de controles ter plaatse op de naleving van de erkenningscriteria niet voor 2022.

2.   In afwijking van artikel 27, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 hebben de in artikel 27 van die verordening bedoelde controles ter plaatse in 2022 betrekking op een steekproef van ten minste 10 % van de voor 2021 aangevraagde totale steun.

3.   De regel dat acties in individuele bedrijven van leden van producentenorganisaties die onder de in artikel 27, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 bedoelde steekproef vallen, ten minste eenmaal op de plaats van uitvoering van de actie moeten worden bezocht om de uitvoering ervan te verifiëren, geldt, in afwijking van artikel 27, lid 7, van die verordening niet voor de controles ter plaatse die in 2022 worden verricht.

4.   In afwijking van artikel 29, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 mogen de lidstaten in 2022 voor alle uit de markt genomen producten, ongeacht de bestemming ervan, een lager dan het in die bepaling vastgelegde percentage controleren, mits per verkoopseizoen en per producentenorganisatie niet minder dan 10 % van de betrokken hoeveelheden wordt gecontroleerd.

5.   In afwijking van artikel 30, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 omvat elke controle in 2022 een steekproef van ten minste 3 % van de hoeveelheden die de producentenorganisatie in de loop van het verkoopseizoen 2021 uit de markt heeft genomen.

6.   In afwijking van artikel 27, leden 2 en 7, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 3 en artikel 31, leden 1 en 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 mogen, wanneer lidstaten vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie geen controles ter plaatse kunnen verrichten overeenkomstig die bepalingen, de controles ter plaatse in 2022 worden vervangen door door de lidstaten te bepalen andere soorten controles, zoals gegeotagde foto’s, gedagtekende foto’s, gedagtekende rapporten over dronebewaking, administratieve controles of videoconferenties met de begunstigden.

AFDELING 2

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1150

Artikel 7

1.   In afwijking van artikel 32, lid 1, en artikel 42, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1150 mogen, wanneer lidstaten vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie geen controles ter plaatse kunnen verrichten overeenkomstig die bepalingen, dergelijke controles tijdens begrotingsjaar 2022 worden vervangen door door de lidstaten te bepalen andere soorten controles, zoals gedagtekende foto’s, gedagtekende rapporten over dronebewaking, administratieve controles of videoconferenties met de begunstigden, die garanderen dat de voorschriften inzake de steunprogramma’s in de wijnsector worden nageleefd.

2.   In afwijking van artikel 43, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1150 mogen, wanneer lidstaten vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie geen controles ter plaatse kunnen verrichten overeenkomstig die bepaling, dergelijke controles van concrete groenoogstacties tijdens begrotingsjaar 2022 uiterlijk op 15 september 2022 plaatsvinden.

AFDELING 3

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274

Artikel 8

1.   In afwijking van artikel 27, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274 mogen lidstaten die in 2022 vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie tijdens de periode van de wijnoogst geen verse druiven kunnen inzamelen en verwerken volgens het in deel II van bijlage III bij die verordening vermelde aantal monsters, afwijken van dat aantal monsters.

2.   In afwijking van artikel 31, lid 2, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274 verrichten lidstaten die in 2022 vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie geen controles ter plaatse kunnen verrichten overeenkomstig die bepaling, dergelijke controles bij ten minste 3 % van alle in het wijnbouwkadaster vermelde wijnbouwers.

3.   In afwijking van artikel 31, lid 2, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274 mogen lidstaten de systematische controles ter plaatse van met wijnstokken beplante oppervlakten die niet in enig dossier over de wijnbouwer zijn opgenomen, in 2022 tijdelijk opschorten indien zij dergelijke controles vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet kunnen verrichten.

AFDELING 4

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014

Artikel 9

In afwijking van artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 mogen lidstaten die de controles ter plaatse in kalenderjaar 2022 vanwege de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie niet tijdig kunnen verrichten, besluiten om de controles ter plaatse geheel of gedeeltelijk te vervangen door administratieve controles of door het gebruik van bewijsmateriaal als gegeotagde foto’s, videogesprekken of ander bewijsmateriaal in elektronische vorm.

AFDELING 5

Afwijkingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1368

Artikel 10

In afwijking van artikel 8, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1368 kunnen lidstaten besluiten om in het bijenteeltjaar 2022 van de drempel van 5 % voor controles ter plaatse van de aanvragers van steun in het kader van hun bijenteeltprogramma af te wijken mits zij de geplande controles ter plaatse vervangen door alternatieve controles zoals het opvragen van foto’s, videogesprekken of enig ander middel dat ter staving kan dienen bij het verifiëren van de correcte uitvoering van de maatregelen van het bijenteeltprogramma.

HOOFDSTUK IV

WIJZIGINGEN VAN UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/725

Artikel 11

Uitvoeringsverordening (EU) 2021/725 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 6 wordt vervangen door:

“6.   In afwijking van artikel 35 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 kunnen de lidstaten besluiten om de verhoging van het controlepercentage die in claimjaar 2021 had moeten worden toegepast voor de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel bedoelde steunregelingen en bijstandsmaatregelen, niet toe te passen.”;

b)

lid 10 wordt vervangen door:

“10.   In afwijking van artikel 50, lid 5, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 kunnen de lidstaten besluiten om de verhoging van het controlepercentage die in kalenderjaar 2021 had moeten worden toegepast voor de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel bedoelde steunregelingen en bijstandsmaatregelen, niet toe te passen.”;

c)

lid 13 wordt vervangen door:

“13.   In afwijking van artikel 68, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 kunnen de lidstaten besluiten om de verhoging van de controlepercentages die in claimjaar 2021 had moeten worden toegepast, niet toe te passen.”.

2)

In artikel 5 wordt lid 6 vervangen door:

“6.   In afwijking van artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kunnen de lidstaten besluiten om de verhoging van het controlepercentage die in claimjaar 2021 had moeten worden toegepast voor de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bedoelde steunregelingen en bijstandsmaatregelen, niet toe te passen.”.

3)

In artikel 6 wordt lid 6 vervangen door:

“6.   In afwijking van artikel 59, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kan Griekenland besluiten om de verhoging van het controlepercentage die in claimjaar 2021 had moeten worden toegepast voor de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bedoelde steunregelingen en bijstandsmaatregelen, niet toe te passen.”.

HOOFDSTUK V

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 12

Voor lidstaten die de bepalingen van de hoofdstukken I, II en III toepassen, omvat de op grond van artikel 7, lid 3, eerste alinea, punt b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 op te stellen beheersverklaring voor de begrotingsjaren 2022 en 2023 een bevestiging, op basis van de verificatie van alle nodige informatie, dat te hoge betalingen aan begunstigden zijn voorkomen en dat is overgegaan tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De hoofdstukken I en II, de afdelingen 3 en 4 van hoofdstuk III, en hoofdstuk IV zijn met ingang van 1 januari 2022 van toepassing.

De afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk III zijn met ingang van 16 oktober 2021 van toepassing.

Afdeling 5 van hoofdstuk III is met ingang van 1 augustus 2021 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.

(2)  PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23.

(3)  PB L 78 van 20.3.2013, blz. 41.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/532 van de Commissie van 16 april 2020 tot afwijking, met betrekking tot het jaar 2020, van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 809/2014, (EU) nr. 180/2014, (EU) nr. 181/2014, (EU) 2017/892, (EU) 2016/1150, (EU) 2018/274, (EU) 2017/39, (EU) 2015/1368 en (EU) 2016/1240 wat betreft bepaalde in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen administratieve controles en controles ter plaatse (PB L 119 van 17.4.2020, blz. 3).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/725 van de Commissie van 4 mei 2021 tot afwijking, met betrekking tot het jaar 2021, van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 809/2014, (EU) nr. 180/2014, (EU) nr. 181/2014, (EU) 2017/892, (EU) 2016/1150, (EU) 2018/274, (EU) nr. 615/2014 en (EU) 2015/1368 wat betreft bepaalde in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid toe te passen administratieve controles en controles ter plaatse (PB L 155 van 5.5.2021, blz. 8).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 69).

(7)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2014 van de Commissie van 20 februari 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie (PB L 63 van 4.3.2014, blz. 13).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2014 van de Commissie van 20 februari 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 63 van 4.3.2014, blz. 53).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PB L 138 van 25.5.2017, blz. 57).

(11)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(12)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1150 van de Commissie van 15 april 2016 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat de nationale steunprogramma’s in de wijnsector betreft (PB L 190 van 15.7.2016, blz. 23).

(13)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/274 van de Commissie van 11 december 2017 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken, certificering, het in- en uitslagregister, verplichte opgaven en meldingen, en voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepasselijke controles, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/561 van de Commissie (PB L 58 van 28.2.2018, blz. 60).

(14)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/273 van de Commissie van 11 december 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het vergunningenstelsel voor het aanplanten van wijnstokken, het wijnbouwkadaster, begeleidende documenten en certificering, het in- en uitslagregister, de verplichte opgaven, meldingen en de bekendmaking van meegedeelde informatie, tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepasselijke controles en sancties, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 555/2008, (EG) nr. 606/2009 en (EG) nr. 607/2009 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie en Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/560 van de Commissie (PB L 58 van 28.2.2018, blz. 1).

(15)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 van de Commissie van 6 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de activiteitenprogramma’s ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 95).

(16)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1368 van de Commissie van 6 augustus 2015 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft steun in de bijenteeltsector (PB L 211 van 8.8.2015, blz. 9).

(17)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die Verordening (PB L 181 van 20.6.2014, blz. 1).

(18)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(19)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(20)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).


15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/62


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1217 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2022

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 wat betreft de verlaging van aan Spanje toegewezen vangstquota voor 2021, 2022 en 2023

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 105, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wegens overbevissing van het makreelquotum in 2009 heeft de Commissie in 2013 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 (2) vastgesteld tot verlaging van het in 2013 aan Spanje toegewezen makreelquotum in ICES-sector 8c, de ICES-deelgebieden 9 en 10 en de wateren van de Unie van Cecaf 34.1.1 en van het ansjovisquotum in ICES-deelgebied 8.

(2)

Spanje heeft 3 400 ton van het desbetreffende makreelquotum voor 2021 niet gebruikt, en oefent op die manier een lagere visserijdruk uit op dat bestand dan maximaal is toegestaan op grond van de voor dat jaar toegewezen vangstmogelijkheden. Spanje heeft gevraagd dat bij de verlaging voor 2021 rekening zou worden gehouden met die niet-gevangen hoeveelheid en dat deze dienovereenkomstig in mindering wordt gebracht op de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 voor de jaren 2022 en 2023 vastgestelde verlagingen. De bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 vastgestelde hoeveelheden voor verlagingen voor 2021, 2022 en 2023 moeten derhalve dienovereenkomstig worden aangepast.

(3)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot verlaging van bepaalde aan Spanje toegewezen vangstquota in 2013 en de daaropvolgende jaren wegens overbevissing van een bepaald makreelquotum in 2009 (PB L 62 van 6.3.2013, blz. 1).


BIJLAGE

Bestand

Oorspronkelijk quotum 2009

Aangepast quotum 2009

Vastgestelde vangsten 2009

Verschil quotum — vangsten (overbevissing)

Verlaging in 2013

Verlaging in 2014

Verlaging in 2015

Verlaging in 2016

Verlaging in 2017

Verlaging in 2018

Verlaging in 2019

Verlaging in 2020

Verlaging in 2021

Verlaging in 2022

Verlaging in 2023

MAC8C 3411

29 529

25 525

90 954

-65 429

100

100

100

5 544

6 283

4 805

7 762

3 328

8 944

2 411

0

ANE08 (1)

 

 

 

 

 

 

 

3 696

4 539

2 853

3 696

3 696

3 696

3 696

180


(1)  Voor ansjovis moet het jaar worden opgevat als het visseizoen dat in dat jaar van start gaat.


15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/65


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1218 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2022

tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 wat betreft de goedkeuring van de ziektevrije status van bepaalde lidstaten of zones daarvan ten aanzien van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 31, lid 3, en artikel 36, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2016/429 bevat ziektespecifieke voorschriften voor de overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die verordening in de lijst opgenomen ziekten, en voorziet in de toepassing van die voorschriften op verschillende categorieën van in de lijst opgenomen ziekten. Verordening (EU) 2016/429 voorziet in de vaststelling door de lidstaten van verplichte uitroeiingsprogramma’s voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, punt b), en in optionele uitroeiingsprogramma’s voor in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, punt c), en in de goedkeuring van dergelijke programma’s door de Commissie. Die verordening voorziet ook in de goedkeuring of intrekking door de Commissie van de ziektevrije status van lidstaten of zones of compartimenten daarvan ten aanzien van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, punten b) en c).

(2)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie (2) vult Verordening (EU) 2016/429 aan en stelt de criteria vast voor de verlening, handhaving, opschorting en intrekking van de ziektevrije status voor lidstaten of zones of compartimenten daarvan, alsmede de voorschriften voor de goedkeuring van verplichte of optionele uitroeiingsprogramma’s voor lidstaten of zones of compartimenten daarvan.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 van de Commissie (3) worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de in de lijst opgenomen ziekten van dieren als bedoeld in artikel 9, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2016/429 wat betreft de ziektevrije en non-vaccinatiestatus van bepaalde lidstaten of zones of compartimenten daarvan en de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s voor die in de lijst opgenomen ziekten. Meer in het bijzonder worden in de bijlagen bij die verordening de lidstaten of gebieden of compartimenten daarvan met de ziektevrije status vermeld en worden ook de bestaande goedgekeurde uitroeiingsprogramma’s vermeld. Gezien de veranderende epidemiologische situatie van bepaalde ziekten moeten nieuwe ziektevrije lidstaten of zones daarvan worden opgenomen en moeten bepaalde bij de Commissie ingediende uitroeiingsprogramma’s worden goedgekeurd.

(4)

Verscheidene lidstaten hebben onlangs bij de Commissie een aanvraag ingediend om de ziektevrije status of volledige uitroeiingsprogramma’s voor hun gehele grondgebied ten aanzien van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (Mycobacterium bovis, M. caprae en M. tuberculosis) (MTBC), enzoötische boviene leukose (EBL), infectie met boviene virusdiarree (BVD) en infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) (BTV) te laten goedkeuren.

(5)

Spanje heeft informatie bij de Commissie ingediend waaruit blijkt dat in de provincie Vibo Valentia in de regio Calabrië en in de provincie Teramo in de regio Abruzzo aan de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 vastgestelde voorwaarden voor de erkenning van de ziektevrije status ten aanzien van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij runderen is voldaan. Daarom moeten die zones in de lijst in deel I, hoofdstuk 1, van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden opgenomen als vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij runderen.

(6)

Italië heeft informatie bij de Commissie ingediend waaruit blijkt dat in de provincie Lecce in de regio Puglia aan de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 vastgestelde voorwaarden voor de erkenning van de ziektevrije status ten aanzien van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij schapen en geiten is voldaan. Daarom moet die zone in de lijst in deel I, hoofdstuk 2, van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden opgenomen als vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij schapen en geiten.

(7)

Voor infectie met MTBC heeft Italië bij de Commissie informatie ingediend waaruit blijkt dat aan de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 vastgestelde voorwaarden voor de erkenning van de ziektevrije status ten aanzien van infectie met MTBC is voldaan in de provincies Aquila, Chieti en Teramo in de regio Abruzzo, in de provincie Latina in de regio Lazio, in de provincies Bari en Taranto in de regio Puglia en in de provincie Nuoro in de regio Sardinië. Daarom moeten die zones in de lijst in deel I van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 als vrij van infectie met MTBC worden opgenomen.

(8)

Voor infectie met EBL heeft Kroatië bij de Commissie een aanvraag ingediend om een uitroeiingsprogramma voor zijn grondgebied te laten goedkeuren. Uit de beoordeling door de Commissie is gebleken dat die aanvraag voor de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s voor EBL aan de criteria van deel II, hoofdstuk 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 voldoen. Daarom moet deze lidstaat dienovereenkomstig in de lijst in deel II van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden opgenomen als lidstaat met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor EBL.

(9)

Denemarken en Duitsland hebben informatie bij de Commissie ingediend waaruit blijkt dat respectievelijk op het gehele Deense grondgebied en in Landkreis Ravensburg, Erding, Weilheim-Schongau, Oberallgäu en Fulda in Duitsland aan de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 vastgestelde voorwaarden voor de erkenning van de ziektevrije status ten aanzien van BVD is voldaan. Daarom moeten die lidstaat en die zones dienovereenkomstig in de lijst in deel I van bijlage VII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden opgenomen als lidstaat en zones met de ziektevrije status ten aanzien van BVD.

(10)

Voor infectie met BVD heeft Ierland bij de Commissie een aanvraag ingediend om een uitroeiingsprogramma voor zijn grondgebied te laten goedkeuren. Uit de beoordeling door de Commissie is gebleken dat die aanvraag voor de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s voor BVD aan de criteria van deel II, hoofdstuk 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 voldoet. Daarom moet deze lidstaat dienovereenkomstig in de lijst in deel II van bijlage VII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden opgenomen als lidstaat met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor BVD.

(11)

Wat infectie met BTV betreft, heeft Duitsland bij de Commissie informatie ingediend waaruit blijkt dat voor het gehele grondgebied van Baden-Württemberg, Hessen en Nordrhein-Westfalen aan de voorwaarden voor de erkenning van de ziektevrije status ten aanzien van BTV wordt voldaan. Uit de beoordeling door de Commissie is gebleken dat die aanvragen voor het toekennen van de ziektevrije status ten aanzien van BTV aan de criteria van deel II, hoofdstuk 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 voldoen. Daarom moeten die zones in de lijst in deel I van bijlage VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden opgenomen als zones met de ziektevrije status ten aanzien van BTV.

(12)

De bijlagen I, II, IV, VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I, II, IV, VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 211).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 van de Commissie van 15 april 2021 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de goedkeuring van de ziektevrije en non-vaccinatiestatus van bepaalde lidstaten of zones of compartimenten daarvan ten aanzien van bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s voor die in de lijst opgenomen ziekten (PB L 131 van 16.4.2021, blz. 78).


BIJLAGE

De bijlagen I, II, IV, VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/620 worden als volgt gewijzigd:

1)

bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel I wordt als volgt gewijzigd:

i)

in hoofdstuk 1 worden de gegevens voor Italië vervangen door:

Lidstaat

Gebied

“Italië

Regione Abruzzo: Provincia di Pescara, Teramo

Regione Calabria: Provincia di Vibo Valentia

Regione Campania: Province di Avellino, Benevento, Napoli

Regione Emilia-Romagna

Regione Friuli Venezia Giulia

Regione Lazio

Regione Liguria

Regione Lombardia

Regione Marche

Regione Molise: Provincia di Campobasso

Regione Piemonte

Regione Puglia: Province di Bari, Barletta-Andria-Trani, Brindisi, Lecce

Regione Sardegna

Regione Toscana

Regione Trentino — Alto Adige

Regione Umbria

Regione Valle d’Aosta

Regione Veneto”

ii)

hoofdstuk 2 wordt vervangen door:

HOOFDSTUK 2

Lidstaten of zones daarvan met de ziektevrije status ten aanzien van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in schapen- en geitenpopulaties

Lidstaat ((*))

Gebied

België

Het gehele grondgebied

Tsjechië

Het gehele grondgebied

Denemarken

Het gehele grondgebied

Duitsland

Het gehele grondgebied

Estland

Het gehele grondgebied

Ierland

Het gehele grondgebied

Spanje

Het gehele grondgebied

Frankrijk

Région Auvergne et Rhône-Alpes

Région Bourgogne-Franche-Comté

Région Bretagne

Région Centre-Val de Loire

Région Corse

Région Grande Est

Région Hauts-de-France

Région Ile-de-France

Région Normandie

Région Nouvelle-Aquitaine

Région Occitanie

Région Pays de la Loire

Région Provence-Alpes-Côte d’Azur

Italië

Regione Abruzzo

Regione Calabria: Province di Catanzaro, Cosenza

Regione Campania: Provincia di Benevento

Regione Emilia-Romagna

Regione Friuli Venezia Giulia

Regione Lazio

Regione Liguria

Regione Lombardia

Regione Marche

Regione Molise

Regione Piemonte

Regione Puglia: Province di Bari, Barletta-Andria-Trani, Brindisi, Lecce, Taranto

Regione Sardegna

Regione Toscana

Regione Trentino — Alto Adige

Regione Umbria

Regione Valle d’Aosta

Regione Veneto

Cyprus

Het gehele grondgebied

Letland

Het gehele grondgebied

Litouwen

Het gehele grondgebied

Luxemburg

Het gehele grondgebied

Hongarije

Het gehele grondgebied

Nederland

Het gehele grondgebied

Oostenrijk

Het gehele grondgebied

Polen

Het gehele grondgebied

Portugal

Autonome regio Azoren

Roemenië

Het gehele grondgebied

Slovenië

Het gehele grondgebied

Slowakije

Het gehele grondgebied

Finland

Het gehele grondgebied

Zweden

Het gehele grondgebied

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)

Noord-Ierland

b)

deel II wordt als volgt gewijzigd:

i)

in hoofdstuk 1 worden de gegevens voor Italië vervangen door:

Lidstaat

Gebied

“Italië

Regione Abruzzo: Provincia dell’Aquila, di Chieti

Regione Basilicata

Regione Calabria: Provincia di Catanzaro, Cosenza, Crotone, Reggio Calabria

Regione Campania: Provincia di Caserta, Salerno

Regione Molise: Provincia di Isernia

Regione Puglia: Provincia di Foggia, Taranto

Regione Sicilia”

ii)

in hoofdstuk 2 worden de gegevens voor Italië vervangen door:

Lidstaat

Gebied

“Italië

Regione Basilicata

Regione Calabria: Provincia di Crotone, Reggio Calabria, Vibo Valentia

Regione Campania: Provincia di Caserta, Salerno, Avellino, Napoli

Regione Puglia: Provincia di Foggia

Regione Sicilia”

2)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel I wordt vervangen door:

“DEEL I

Lidstaten of zones daarvan met de ziektevrije status ten aanzien van infectie met MTBC

Lidstaat

Gebied

België

Het gehele grondgebied

Tsjechië

Het gehele grondgebied

Denemarken

Het gehele grondgebied

Duitsland

Het gehele grondgebied

Estland

Het gehele grondgebied

Spanje

Comunidad Autónoma de Canarias

Comunidad Autónoma de Galicia

Comunidad Autónoma del País Vasco

Comunidad Autónoma del Principado de Asturias

Frankrijk

Het gehele grondgebied

Italië

Regione Abruzzo

Regione Basilicata: Provincia di Matera

Regione Emilia-Romagna

Regione Friuli Venezia Giulia

Regione Lazio: Provincia di Frosinone, Latina, Rieti, Viterbo

Regione Liguria

Regione Lombardia

Regione Marche: Provincia di Ancona, Ascoli Piceno, Fermo, Pesaro-Urbino

Regione Molise

Regione Piemonte

Regione Puglia: Provincia di Bari, Taranto

Regione Sardegna: Citta metropolitana di Cagliari, Provincia di Nuoro, Oristano, Sud Sardegna

Regione Toscana

Regione Trentino — Alto Adige

Regione Umbria

Regione Valle d’Aosta

Regione Veneto

Letland

Het gehele grondgebied

Litouwen

Het gehele grondgebied

Luxemburg

Het gehele grondgebied

Hongarije

Het gehele grondgebied

Nederland

Het gehele grondgebied

Oostenrijk

Het gehele grondgebied

Polen

Het gehele grondgebied

Portugal

Região Algarve: alle distritos

Região Autónoma dos Açores behalve Ilha de São Miguel

Slovenië

Het gehele grondgebied

Slowakije

Het gehele grondgebied

Finland

Het gehele grondgebied

Zweden

Het gehele grondgebied”

b)

deel II wordt vervangen door:

“DEEL II

Lidstaten of zones daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met MTBC

Lidstaat ((*))

Gebied

Bulgarije

Het gehele grondgebied

Kroatië

Het gehele grondgebied

Cyprus

Het gehele grondgebied

Griekenland

Het gehele grondgebied

Ierland

Het gehele grondgebied

Italië

Regione Basilicata: Provincia di Potenza

Regione Calabria

Regione Campania

Regione Lazio: Provincia di Roma

Regione Marche: Provincia di Macerata

Regione Puglia: Provincia di Barletta-Adria-Trani, Brindisi, Foggia, Lecce

Regione Sardegna: Provincia di Sassari

Regione Sicilia

Malta

Het gehele grondgebied

Portugal

Região Autónoma dos Açores: Ilha de São Miguel

Região Autónoma da Madeira

Distritos Aveiro, Beja, Braga, Bragança, Castelo Branco, Coimbra, Evora, Guarda, Leiria, Lisboa, Portalegre, Porto, Santarem, Setubal, Viana do Castelo, Vila Real, Viseu

Roemenië

Het gehele grondgebied

Spanje

Comunidad Autónoma de Andalucía

Comunidad Autónoma de Aragón

Comunidad Autónoma de Islas Baleares

Comunidad Autónoma de Cantabria

Comunidad Autónoma de Castilla-La Mancha

Comunidad Autónoma de Castilla y León

Comunidad Autónoma de Cataluña

Comunidad Autónoma de Extremadura

Comunidad Autónoma de La Rioja

Comunidad Autónoma de Madrid

Comunidad Autónoma de Murcia

Comunidad Autónoma de Navarra

Comunidad Autónoma de Valencia

Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland)

Noord-Ierland

3)

Bijlage IV, deel II, komt als volgt te luiden:

“DEEL II

Lidstaten of zones daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor EBL

Lidstaat

Gebied

Datum van de eerste goedkeuring als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689

Kroatië

Het gehele grondgebied

18 juli 2022”

4)

In bijlage VII worden deel I en deel II vervangen door:

“DEEL I

Lidstaten of zones daarvan met de ziektevrije status ten aanzien van BVD

Lidstaat

Gebied

Oostenrijk

Het gehele grondgebied

Denemarken

Het gehele grondgebied

Finland

Het gehele grondgebied

Duitsland

Bundesland Baden-Württemberg:

Bundesland Bayern:

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Oberbayern: Ingolstadt, Stadt München, Stadt Rosenheim, Altötting, Berchtesgadener Land, Bad Tölz-Wolfratshausen, Ebersberg, Eichstätt, Erding, Freising, Fürstenfeldbruck, Garmisch-Partenkirchen, Landsberg am Lech, Miesbach, Mühldorf am Inn, Lkr. München, Neuburg-Schrobenhausen, Pfaffenhofen an der Ilm, Lkr. Rosenheim, Starnberg, Traunstein, Weilheim-Schongau

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Niederbayern: Stadt Landshut, Stadt Passau, Stadt Straubing, Freyung-Grafenau, Kelheim, Lkr. Landshut, Lkr. Passau, Regen, Rottal-Inn

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Oberpfalz: Stadt Amberg, Stadt Regensburg, Weiden in der Oberpfalz, Lkr. Amberg-Sulzbach, Cham, Neumarkt in der Oberpfalz, Neustadt an der Waldnaab, Lkr. Regensburg, Schwandorf, Tirschenreuth

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Oberfranken: Stadt Bamberg, Stadt Bayreuth, Stadt Coburg, Stadt Hof, Lkr. Bamberg, Lkr. Bayreuth, Lkr. Coburg, Forchheim, Lkr. Hof, Kronach, Kulmbach, Lichtenfels, Wunsiedel im Fichtelgebirge

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Mittelfranken: Stadt Ansbach, Stadt Erlangen, Stadt Fürth, Nürnberg, Schwabach, Lkr. Ansbach, Lkr. Erlangen-Höchstadt, Lkr. Fürth, Nürnberger Land, Neustadt an der Aisch-Bad Windsheim, Roth, Weißenburg-Gunzenhausen

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Unterfranken: Stadt Aschaffenburg, Stadt Schweinfurt, Stadt Würzburg, Lkr. Aschaffenburg, Bad Kissingen, Röhn-Grabfeld, Haßberge, Kitzingen, Miltenberg, Main-Spessart, Lkr. Schweinfurt, Lkr. Würzburg

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Schwaben: Stadt Augsburg, Kaufbeuren, Kempten im Allgäu, Memmingen, Aichach-Friedberg, Dillingen an der Donau, Neu-Ulm, Lindau, Oberallgäu, Unterallgäu, Donau-Ries

Bundesland Brandenburg

Bundesland Bremen

Bundesland Hamburg

Bundesland Hessen

Bundesland Mecklenburg-Vorpommern

Bundesland Rheinland-Pfalz

Bundesland Saarland

Bundesland Sachsen

Bundesland Sachsen-Anhalt

Bundesland Thüringen

Zweden

Het gehele grondgebied

DEEL II

Lidstaten of zones daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor BVD

Lidstaat

Gebied

Datum van de eerste goedkeuring als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689

Duitsland

Bundesland Bayern:

 

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Oberbayern: Dachau

 

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Niederbayern: Deggendorf, Lkr. Straubing-Bogen, Dingolfing-Landau

 

de volgende steden en Landkreise in Regierungsbezirk Schwaben: Lkr. Augsburg, Günzburg, Ostallgäu

Bundesland Berlin

Bundesland Niedersachsen

Bundesland Nordrhein-Westfalen

Bundesland Schleswig-Holstein”

21 februari 2022

Ierland

Het gehele grondgebied

18 juli 2022”

5)

In deel 1 van bijlage VIII wordt de vermelding voor Duitsland vervangen door:

Lidstaat

Gebied

“Duitsland

Bundesland Baden-Württemberg:

Bundesland Bayern

Bundesland Berlin

Bundesland Brandenburg

Bundesland Bremen

Bundesland Hamburg

Bundesland Hessen

Bundesland Mecklenburg-Vorpommern

Bundesland Niedersachsen

Bundesland Nordrhein-Westfalen

Bundesland Sachsen

Bundesland Sachsen-Anhalt

Bundesland Schleswig-Holstein”

Bundesland Thüringen”


((*))  Voor de toepassing van deze bijlage wordt, overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, bij verwijzingen naar de lidstaten ook het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland bedoeld.”;

((*))  Voor de toepassing van deze bijlage wordt, overeenkomstig het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 5, lid 4, van het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland, in samenhang met bijlage 2 bij dat protocol, bij verwijzingen naar de lidstaten ook het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland bedoeld.”.


15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/75


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1219 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2022

tot wijziging van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 wat betreft modelcertificaten voor de binnenkomst in en doorvoer door de Unie van zendingen van bepaalde samengestelde producten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 7, lid 2, punt a),

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (2), en met name artikel 238, lid 3, en artikel 239, lid 3,

Gezien Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (3), en met name artikel 90, eerste alinea, punten a) en b), en artikel 126, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 van de Commissie (4) bevat regels met betrekking tot de diergezondheidscertificaten als bedoeld in Verordening (EU) 2016/429, de officiële certificaten als bedoeld in Verordening (EU) 2017/625 en de diergezondheids-/officiële certificaten op basis van beide verordeningen die vereist zijn voor de binnenkomst in de Unie van bepaalde zendingen van dieren en goederen (hierna samen “de certificaten” genoemd). Meer bepaald bevat bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 onder andere modelcertificaten voor de binnenkomst in en doorvoer door de Unie van zendingen van bepaalde samengestelde producten.

(2)

Hoofdstuk 50 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 bevat het model van diergezondheids-/officieel certificaat voor de binnenkomst in de Unie van voor menselijke consumptie bestemde niet-houdbare samengestelde producten en houdbare samengestelde producten die een zekere hoeveelheid vleesproducten, met uitzondering van gelatine, collageen en zeer verfijnde producten, bevatten (model COMP). Hoofdstuk 52 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 bevat het model van diergezondheidscertificaat voor de doorvoer door de Unie naar een derde land, hetzij rechtstreeks, hetzij na opslag in de Unie, van voor menselijke consumptie bestemde niet-houdbare samengestelde producten en houdbare samengestelde producten die een zekere hoeveelheid vleesproducten bevatten (model TRANSIT-COMP). Beide modellen bevatten een specifieke verklaring inzake de diergezondheid voor zuivelproducten die in de samengestelde producten zijn verwerkt. De voorschriften inzake warmtebehandelingen in die verklaringen moeten worden afgestemd op de behandelingen die zijn vastgesteld in bijlage XXVII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie (5). Daarnaast moet het voorschrift dat de productiedata moeten worden vermeld van de zuivelproducten en de producten op basis van colostrum die in de samengestelde producten zijn verwerkt, worden geschrapt, omdat dit overbodig is gezien de beschrijving in voetnoot (2) die betrekking heeft op alle bestanddelen van dierlijke oorsprong. Ook moeten bepaalde voetnoten in de toelichting bij deel II van die modellen worden aangevuld en verduidelijkt. De hoofdstukken 50 en 52 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Daarnaast moet in hoofdstuk 52 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 het voorschrift dat het erkenningsnummer moet worden vermeld van de inrichting van oorsprong van de zuivelproducten in de samengestelde producten die door de Unie worden doorgevoerd, worden geschrapt, aangezien de Unie niet de eindbestemming van die samengestelde producten is. Hoofdstuk 52 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Om verstoringen van de handel wat de binnenkomst in en doorvoer door de Unie van zendingen van bepaalde samengestelde producten betreft, te voorkomen, moet het gebruik van certificaten die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 zoals die vóór de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen van toepassing was, zijn afgegeven, toegestaan blijven gedurende een overgangsperiode, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

(6)

Aangezien Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 met ingang van 21 april 2021 van toepassing is, moeten de wijzigingen die bij deze verordening in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 worden aangebracht, omwille van de rechtszekerheid en met het oog op het vergemakkelijken van de handel met spoed in werking treden.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Gedurende een overgangsperiode die loopt tot en met 15 april 2023, blijft de binnenkomst in en de doorvoer door de Unie van zendingen van bepaalde samengestelde producten die vergezeld gaan van het toepasselijke certificaat dat is afgegeven overeenkomstig de modellen in de hoofdstukken 50 en 52 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 zoals die van toepassing was vóór de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen, toegestaan, op voorwaarde dat het certificaat uiterlijk op 15 januari 2023 is afgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(2)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(3)  PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 van de Commissie van 16 december 2020 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de Verordeningen (EU) 2016/429 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft modellen van diergezondheidscertificaten, modellen van officiële certificaten en modellen van diergezondheids-/officiële certificaten, voor de binnenkomst in de Unie en verplaatsingen binnen de Unie van zendingen van bepaalde categorieën dieren en goederen, en officiële certificering met betrekking tot dergelijke certificaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 599/2004, Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 636/2014 en (EU) 2019/628, Richtlijn 98/68/EG en de Beschikkingen 2000/572/EG, 2003/779/EG en 2007/240/EG (PB L 442 van 30.12.2020, blz. 1).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong (PB L 174 van 3.6.2020, blz. 379).


BIJLAGE

Bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2235 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Hoofdstuk 50 wordt vervangen door:

“HOOFDSTUK 50:

MODEL VAN DIERGEZONDHEIDS-/OFFICIEEL CERTIFICAAT VOOR DE BINNENKOMST IN DE UNIE VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMDE NIET-HOUDBARE SAMENGESTELDE PRODUCTEN EN HOUDBARE SAMENGESTELDE PRODUCTEN DIE EEN ZEKERE HOEVEELHEID VLEESPRODUCTEN, MET UITZONDERING VAN GELATINE, COLLAGEEN EN ZEER VERFIJNDE PRODUCTEN, BEVATTEN (MODEL COMP)

Image 1

Image 2

Image 3

Image 4

Image 5

Image 6

Image 7

Image 8

Image 9

Image 10

Image 11

Image 12

Image 13
”.

2)

Hoofdstuk 52 wordt vervangen door:

“HOOFDSTUK 52:

MODEL VAN DIERGEZONDHEIDSCERTIFICAAT VOOR DE DOORVOER DOOR DE UNIE NAAR EEN DERDE LAND, HETZIJ RECHTSTREEKS, HETZIJ NA OPSLAG IN DE UNIE, VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMDE NIET-HOUDBARE SAMENGESTELDE PRODUCTEN EN HOUDBARE SAMENGESTELDE PRODUCTEN DIE EEN ZEKERE HOEVEELHEID VLEESPRODUCTEN BEVATTEN (MODEL TRANSIT-COMP)

Image 14

Image 15

Image 16

Image 17

Image 18

Image 19

Image 20

Image 21
”.


15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/98


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1220 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2022

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het formaat waarin bijkantoren van ondernemingen uit derde landen en bevoegde autoriteiten de in artikel 41, leden 3 en 4, van die richtlijn bedoelde informatie moeten verstrekken

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 41, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de betrokken bevoegde autoriteiten alle informatie ontvangen die nodig is om toezicht te houden op bijkantoren van ondernemingen uit derde landen, en te waarborgen dat die informatie efficiënt en snel wordt verwerkt. De in artikel 41, leden 3 en 4, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie moet daarom worden verstrekt in een taal die in internationale financiële kringen gebruikelijk is.

(2)

Uit hoofde van artikel 39, lid 2, van Richtlijn 2014/65/EU moeten bijkantoren van ondernemingen uit derde landen die op het grondgebied van een lidstaat beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten wensen te verlenen of te verrichten, een voorafgaande vergunning verkrijgen van de bevoegde autoriteit van die lidstaat. Dergelijke bijkantoren mogen geen beleggingsdiensten verlenen of beleggingsactiviteiten verrichten in andere lidstaten dan de lidstaat waar zij hun vergunning hebben gekregen. De Europese Commissie kan echter overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2) een gelijkwaardigheidsbesluit vaststellen waarin wordt verklaard dat de wettelijke en toezichtsregelingen van dat derde land met betrekking tot beleggingsondernemingen gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie van toepassing zijn. In dat geval zouden de vergunninghoudende bijkantoren van beleggingsondernemingen die onder het toepassingsgebied van een dergelijk gelijkwaardigheidsbesluit vallen onder toezicht blijven staan van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar die bijkantoren zijn gevestigd, ongeacht of zij grensoverschrijdende diensten verlenen of grensoverschrijdende activiteiten verrichten. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat het formaat voor de verstrekking van de in artikel 41, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie ook geschikt is voor de rapportage over dergelijke grensoverschrijdende diensten en activiteiten van die bijkantoren.

(3)

Overeenkomstig artikel 41, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU moeten bijkantoren van ondernemingen uit derde landen die overeenkomstig artikel 41, lid 1, van die richtlijn een vergunning hebben verkregen, jaarlijks aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar die vergunning is verleend, de in dat artikel 41, lid 3, bedoelde informatie verstrekken. Om niet alleen het formaat maar ook de timing voor de informatieverstrekking te harmoniseren, moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen die informatie aan de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt.

(4)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de ESMA bij de Commissie heeft ingediend.

(5)

De ESMA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten om advies verzocht (3),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Formaat van de informatie die bijkantoren van ondernemingen uit derde landen jaarlijks aan de bevoegde autoriteiten moeten verstrekken

1.   Het bijkantoor van een onderneming uit een derde land dat overeenkomstig artikel 41, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU een vergunning heeft verkregen, gebruikt het in bijlage I beschreven formaat om de in artikel 41, lid 3, van die richtlijn bedoelde informatie te verstrekken. Wanneer er voor de onderneming uit een derde land echter een gelijkwaardigheidsbesluit is vastgesteld als bedoeld in artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014, moet het bijkantoor van die onderneming uit een derde land het in bijlage II beschreven formaat gebruiken voor de diensten en activiteiten die onder een dergelijk gelijkwaardigheidsbesluit vallen.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt verstrekt in een in internationale financiële kringen gebruikelijke taal.

3.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt elk jaar uiterlijk op 30 april ingediend en heeft betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar. De verstrekte informatie moet nauwkeurig zijn tot en met 31 december van het voorgaande jaar.

Artikel 2

Formaat van de informatie die op verzoek van de bevoegde autoriteiten aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) moet worden verstrekt

Voor de toepassing van artikel 41, lid 4, van Richtlijn 2014/65/EU delen de bevoegde autoriteiten de volgende velden uit de bijlagen I en II aan de ESMA mee:

1.

rapportageperiode: 1a en 1b en, indien van toepassing, 19a en 19b;

2.

naam van de onderneming uit het derde land en van het bijkantoor: 2a en 2d en, indien van toepassing, 20a en 20d;

3.

beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten van het bijkantoor: 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 3f, 3 g en 3h en, indien van toepassing, 21a, 21b, 21c, 21d, 21e, 21f, 21 g en 21h;

4.

aantal cliënten en tegenpartijen en aantal personeelsleden van het bijkantoor: 4a, 4b, 4c, 4d en, indien van toepassing, 22a, 22b en 22c;

5.

omzet en totale waarde van de activa van het bijkantoor: 5a, 5b, 5c en, indien van toepassing, 23a, 23b en 23c.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 juli 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).

(3)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


BIJLAGE I

Formaat voor het verstrekken van de in artikel 41, leden 3 en 4, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie (1)

#

Veld

Subvelden

1a

Rapportageperiode

De begindatum van de rapportage voor het kalenderjaar

(JJJJ-MM-DD)

1b

De einddatum van de rapportage voor het kalenderjaar

(JJJJ-MM-DD)

2a

Naam en contactgegevens van de onderneming uit een derde land, met inbegrip van de gegevens van het bijkantoor, van de persoon die verantwoordelijk is voor het verstrekken van de informatie, en van de autoriteiten van het derde land die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de onderneming uit het derde land

Volledige bedrijfsnaam van het bijkantoor en identificatiecode voor juridische entiteiten (Legal Entity Identifier — LEI)

2b

Adres van het bijkantoor

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

2c

Contactgegevens van het bijkantoor, met inbegrip van e-mailadres, telefoonnummer en websitegegevens

2d

Volledige officiële benaming van de onderneming uit een derde land en, indien beschikbaar, de identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI)

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

2e

Statutaire zetel van het hoofdkantoor van de onderneming uit een derde land

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

2f

Contactgegevens van de onderneming uit een derde land, met inbegrip van e-mailadres, telefoonnummer en websitegegevens

2g

Land van het hoofdkantoor van de onderneming uit een derde land

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

2h

Naam, adres en land van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de onderneming uit een derde land. Indien er meer dan één autoriteit verantwoordelijk is voor het toezicht op de onderneming uit een derde land, moeten nadere details en de respectieve bevoegdheidsterreinen van die autoriteiten worden verstrekt

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

2i

Volledige naam contactpersoon

2j

Adres contactpersoon

2k

Telefoonnummer contactpersoon

2l

E-mailadres contactpersoon

2 m

Functie/titel contactpersoon

3a

Tijdens de rapportageperiode door het bijkantoor verleende of verrichte beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

De lijst van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten (als omschreven in de delen A en B van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU) van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

3b

De lijst van categorieën financiële instrumenten (als omschreven in de deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU) in verband waarmee dergelijke diensten en activiteiten zijn verleend en verricht

3c

Indien het bijkantoor vermogensbeheer verricht, de totale waarde aan het eind van de rapportageperiode van de activa die worden beheerd voor cliënten in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

3d

Indien het bijkantoor vermogensbeheer verricht, de gemiddelde waarde tijdens de rapportageperiode van de activa die worden beheerd voor cliënten in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

3e

Indien het bijkantoor beleggingsadvies verstrekt, de totale waarde aan het eind van de rapportageperiode van de activa in verband waarmee aan cliënten beleggingsadvies is verstrekt in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

3f

Indien het bijkantoor beleggingsadvies verstrekt, de gemiddelde waarde tijdens de rapportageperiode van de activa in verband waarmee aan cliënten beleggingsadvies is verstrekt in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

3g

Indien het bijkantoor nevendiensten verstrekt als het bewaren en beheren van financiële instrumenten voor rekening van cliënten of gelden van cliënten aanhoudt, de totale waarde aan het eind van de rapportageperiode van de activa (met inbegrip van contanten) die door het bijkantoor voor de cliënten worden aangehouden in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

3h

Indien het bijkantoor nevendiensten verstrekt als het bewaren en beheren van financiële instrumenten voor rekening van cliënten of gelden van cliënten aanhoudt, de gemiddelde waarde tijdens de rapportageperiode van de activa (met inbegrip van contanten) die door het bijkantoor voor de cliënten worden aangehouden in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

4a

Aantal cliënten en tegenpartijen en aantal personeelsleden van het bijkantoor in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, tijdens de rapportageperiode

Het totale aantal cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

4b

De uitsplitsing van het totale aantal cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd, per beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst die in die lidstaat wordt verleend of verricht

4c

Het aantal niet-professionele cliënten, professionele cliënten en in aanmerking komende tegenpartijen (als bedoeld in Richtlijn 2014/65/EU) voor wie het bijkantoor beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten verricht in de lidstaat waar het is gevestigd

4d

De uitsplitsing van het totale aantal personeelsleden van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd per beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst die in die lidstaat wordt verleend of verricht

5a

Omzet en totale waarde van de activa van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd, tijdens de rapportageperiode

De omzet van het bijkantoor en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten die worden verleend of verricht in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

5b

De uitsplitsing van de omzet van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd per beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst die in die lidstaat wordt verleend of verricht

5c

De uitsplitsing van de omzet van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd per categorie cliënten als bedoeld in Richtlijn 2014/65/EU

6

Indien het bijkantoor voor eigen rekening handelt, informatie over de blootstelling van de onderneming uit een derde land tijdens de rapportageperiode aan tegenpartijen in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

De maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

7

Indien het bijkantoor financiële instrumenten overneemt en/of financiële instrumenten met plaatsingsgarantie plaatst, informatie over de waarde tijdens de rapportageperiode van de overgenomen of met plaatsingsgarantie geplaatste financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

De totale waarde en het aantal financiële instrumenten die afkomstig zijn van tegenpartijen in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd en die door het bijkantoor zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst

8a

Samenstelling van het leidinggevend orgaan van de onderneming uit een derde land

Lijst van de leden van het leidinggevend orgaan van de onderneming uit een derde land

8b

Voor elk lid van het leidinggevend orgaan, de volledige naam, het land van woonplaats en de contactgegevens van het lid

8c

De functie die elk lid van het leidinggevend orgaan bekleedt

9a

Medewerkers met een sleutelfunctie voor de activiteiten van het bijkantoor

De lijst van medewerkers met een sleutelfunctie voor de activiteiten van het bijkantoor

9b

Voor elke medewerker met een sleutelfunctie, de volledige naam, het land van woonplaats en de contactgegevens van de persoon

9c

De functie die elke medewerker met een sleutelfunctie bekleedt

9d

De rapportagelijnen tussen de medewerkers met een sleutelfunctie en het leidinggevende orgaan van de onderneming uit een derde land

10

Informatie over klachten die het bijkantoor of de onderneming uit een derde land heeft ontvangen met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd en tijdens de rapportageperiode

Het aantal klachten dat het bijkantoor of de onderneming uit een derde land heeft ontvangen met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, samen met:

een uitsplitsing van de vijf financiële instrumenten die het grootste aantal klachten hebben opgeleverd;

een uitsplitsing van de vijf meest voorkomende onderwerpen van de klachten;

het aantal klachten dat in de rapportageperiode is behandeld;

de bestaande regelingen om de klachten zorgvuldig af te handelen

11a

Informatie over de marketingactiviteiten tijdens de rapportageperiode van het bijkantoor of de onderneming uit een derde land met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

Een beschrijving van de marketingstrategie van het bijkantoor of van de onderneming uit een derde land in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor, met inbegrip van details over het geografische toepassingsgebied ervan en de marketingmiddelen die de onderneming uit het derde land heeft gebruikt (zoals agenten, roadshows, telefoongesprekken, websites)

11b

De lijst van handelsnamen die door het bijkantoor van de onderneming uit een derde land worden gebruikt in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, samen met, voor elke handelsnaam:

de categorieën financiële instrumenten in verband waarmee hij wordt gebruikt, alsmede

de categorieën cliënten in verband waarmee hij wordt gebruikt

11c

Voor agenten of soortgelijke entiteiten die door het bijkantoor van de onderneming uit een derde land in die lidstaat worden ingezet, de naam van de persoon of entiteit, samen met het adres en de contactgegevens

11d

De lijst van websites die door het bijkantoor worden gebruikt in de lidstaat waar het is gevestigd, samen met, voor elke website, de respectieve URL

12a

Beschrijving van de beleggersbeschermingsregelingen van de onderneming uit een derde land die beschikbaar zijn voor de cliënten van het bijkantoor in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, met inbegrip van de rechten van die cliënten die voortvloeien uit het beleggerscompensatiestelsel als bedoeld in artikel 39, lid 2, punt f), van Richtlijn 2014/65/EU

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

Informatieverstrekking en rapportage aan cliënten

Beschrijving van de regelingen die de onderneming uit een derde land heeft getroffen met betrekking tot haar verplichtingen inzake informatieverstrekking en rapportage jegens cliënten en uitvoeringsmaatregelen voor de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

12b

De taal of talen die het bijkantoor met zijn cliënten zal gebruiken in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

12c

Geschiktheid en adequaatheid

Beschrijving van de regelingen van de onderneming uit een derde land om de geschiktheid of adequaatheid te beoordelen, al naargelang het geval, wanneer het bijkantoor diensten verleent aan cliënten in de lidstaat waar het is gevestigd

12d

Optimale uitvoering

Indien het bijkantoor orders voor zijn cliënten uitvoert in de lidstaat waar het is gevestigd, een beschrijving van de regelingen die zijn getroffen om orders van cliënten uit te voeren tegen de voor de cliënten gunstigste voorwaarden.

12e

Regels voor de verwerking van cliëntenorders

Indien het bijkantoor orders voor zijn cliënten verwerkt, een beschrijving van de regelingen die het bijkantoor heeft getroffen voor een onmiddellijke, billijke en vlotte uitvoering van de cliëntenorders, met bijzondere aandacht voor de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

12f

Productgovernanceregelingen

Indien de onderneming uit een derde land via haar bijkantoor financiële instrumenten ontwikkelt en/of distribueert, een beschrijving van de productgovernanceregelingen die door de onderneming uit een derde land zijn opgezet voor de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

12g

De regelingen van de onderneming uit een derde land om belangenconflicten te identificeren, te voorkomen en te beheersen

Beschrijving van de maatregelen die door de onderneming uit een derde land zijn genomen om via haar bijkantoor belangenconflicten die zich voordoen bij het verlenen van beleggings- en nevendiensten te identificeren, te voorkomen en te beheersen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit het vergoedingsbeleid voor de personen die betrokken zijn bij verrichten van beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

12h

De regelingen van de onderneming uit een derde land voor de behandeling van klachten

Beschrijving van de procedure die is ingesteld door de onderneming uit een derde land die via haar bijkantoor optreedt, en die door cliënten van het bijkantoor moet worden gevolgd voor het indienen van een klacht

12i

De afdeling die verantwoordelijk is voor de behandeling van klachten van cliënten van het bijkantoor

12j

De taal of talen waarin de cliënten hun klacht moeten indienen

12k

De betrokken rechtbanken (in geval van een geschil) waarnaar wordt verwezen in contractuele overeenkomsten tussen de onderneming uit een derde land die via haar bijkantoor optreedt en haar cliënten in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

12l

De entiteit(en) voor alternatieve geschillenbeslechting die bevoegd is/zijn om geschillen te behandelen waarbij cliënten betrokken zijn uit de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd en de onderneming uit een derde land

12m

Het lidmaatschap van de onderneming uit een derde land van een beleggerscompensatiestelsel

De beschrijving van het lidmaatschap van de onderneming uit een derde land van een beleggerscompensatiestelsel, met inbegrip van de vermelding of cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor al dan niet in aanmerking komen voor een dergelijk stelsel, het toepassingsgebied ervan, een beschrijving van de voorwaarden om in aanmerking te komen en de bedragen en financiële instrumenten die onder het stelsel vallen

12n

De regelingen van de onderneming uit een derde land om gelden en activa van cliënten te beschermen en te beheren

De beschrijving van alle regelingen ter vrijwaring van gelden of activa van cliënten (met name, wanneer financiële instrumenten en gelden door een bewaarnemer worden aangehouden, de naam van de bewaarnemer en de daarmee verband houdende overeenkomsten) die zijn ingevoerd in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd

12o

Andere regelingen

De beschrijving van alle andere regelingen die de onderneming uit een derde land relevant kan achten voor het verlenen van diensten en het verrichten van de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, op een eerlijke, billijke en professionele wijze die de belangen van cliënten bevordert

13a

Informatie over de uitbestedingsregelingen van de onderneming uit een derde land die van toepassing zijn op de activiteiten van het bijkantoor

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

De lijst en beschrijving van de uitbestede functies (of die welke zullen worden uitbesteed)

13b

De beschrijving van de middelen (met name personele en technische middelen en het internecontrolesysteem) die zijn toegewezen aan de controle van de uitbestede functies, diensten of activiteiten, voor zover deze verband houden met de activiteiten van het bijkantoor in de lidstaat waar het is gevestigd

14

Informatie over de door de onderneming uit een derde land opgezette regelingen (met inbegrip van IT-regelingen) die van toepassing zijn op de activiteiten van het bijkantoor met betrekking tot algoritmische handel, hoogfrequentiehandel en directe elektronische toegang

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

Beschrijving van alle regelingen en middelen (met name personele en IT-middelen) die de onderneming uit een derde land voor de activiteiten van haar bijkantoor in de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, heeft ingezet en/of toegewezen voor algoritmische handel, hoogfrequentiehandel en directe elektronische toegang en voor de controle op dergelijke activiteiten

15a

Informatie over de activiteiten van de compliancefunctie (of gelijkwaardige functie)

Wijzigingen in de regelgeving

Beschrijving van het beheer en de uitvoering van materiële wijzigingen en ontwikkelingen in de regelgevingsvereisten tijdens de rapportageperiode die van invloed zijn op de beleggersbeschermingsregelingen voor de activiteiten van het bijkantoor van de onderneming uit een derde land

15b

Bevindingen

Het aantal ter plaatse uitgevoerde en uitbestede controles en een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van de compliancefunctie met betrekking tot de activiteiten van de onderneming uit een derde land, voor zover deze relevant zijn voor de activiteiten van het bijkantoor

15c

Genomen of te nemen maatregelen (ook naar aanleiding van klachten of afwijkingen van de aanbevelingen van de compliancefunctie aan het hogere management) om vastgestelde tekortkomingen of risico’s op tekortkomingen van de onderneming uit een derde land aan te pakken, voor zover deze verband houden met de activiteiten van het bijkantoor

15d

Overig

Alle andere informatie die het bijkantoor relevant acht om mee te delen

16a

Informatie over de activiteiten van de interne controlefunctie (of gelijkwaardige functie)

Bevindingen

Een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van de interne controlefunctie met betrekking tot de activiteiten van de onderneming uit een derde land, voor zover deze relevant zijn voor de activiteiten van het bijkantoor

16b

Wereldwijd genomen of te nemen maatregelen (met vermelding van een tijdschema en de betrokken organisatorische eenheden van de onderneming uit een derde land) om vastgestelde tekortkomingen of risico’s op tekortkomingen van de onderneming uit een derde land aan te pakken, voor zover deze verband houden met de activiteiten van het bijkantoor

17a

Informatie over de activiteiten van de risicobeheerfunctie (of gelijkwaardige functie) en het risicobeheerbeleid van de onderneming uit een derde land

Risicobeheerbeleid

Een samenvatting van het risicobeheerbeleid van de onderneming uit een derde land voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten van het bijkantoor en de door het bijkantoor toegepaste regelingen voor de diensten en activiteiten die het verleent of verricht.

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

17b

Bevindingen

Een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van de risicobeheerfunctie met betrekking tot de wereldwijde activiteiten van de onderneming uit een derde land en de naar aanleiding van deze bevindingen genomen of te nemen maatregelen

18

Alle andere informatie die het bijkantoor van een onderneming uit een derde land relevant acht om mee te delen aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het is gevestigd


(1)  Alle informatie met betrekking tot het verrichten van grensoverschrijdende diensten door bijkantoren van ondernemingen uit derde landen valt onder bijlage II.


BIJLAGE II

Formaat voor het verstrekken van de in artikel 41, leden 3 en 4, van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde informatie ingeval de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit als bedoeld in artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014 heeft genomen

Naast de krachtens bijlage I bij deze uitvoeringsverordening vereiste informatie nemen ondernemingen uit derde landen die ook beleggingsdiensten en -activiteiten in de Europese Unie verlenen of verrichten overeenkomstig artikel 47, lid 3, van Verordening (EU) nr. 600/2014 via de gelijkwaardigheidsregeling voor derde landen (indien zij daadwerkelijk als zodanig zijn erkend op grond van artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) nr. 600/2014), in hun rapportage aan de bevoegde autoriteit ook de volgende velden op, zoals vereist op grond van artikel 41, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU:

#

Veld

Subvelden

19a

Rapportageperiode

De begindatum van de rapportage voor het kalenderjaar

(JJJJ-MM-DD)

19b

De einddatum van de rapportage voor het kalenderjaar

(JJJJ-MM-DD)

20a

Naam en contactgegevens van de onderneming uit een derde land, met inbegrip van de gegevens van het bijkantoor, van de persoon die verantwoordelijk is voor het verstrekken van de informatie, en van de autoriteiten van het derde land die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de onderneming uit het derde land

Volledige bedrijfsnaam van het bijkantoor en, indien beschikbaar, identificatiecode voor juridische entiteiten (Legal Entity Identifier — LEI)

20b

Adres van het bijkantoor

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

20c

Contactgegevens van het bijkantoor, met inbegrip van e-mailadres, telefoonnummer en websitegegevens

20d

Volledige officiële benaming van de onderneming uit een derde land en, indien beschikbaar, de identificatiecode voor juridische entiteiten (LEI)

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

20e

Statutaire zetel van het hoofdkantoor van de onderneming uit een derde land

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

20f

Contactgegevens van de onderneming uit een derde land, met inbegrip van e-mailadres, telefoonnummer en websitegegevens

20 g

Land van het hoofdkantoor van de onderneming uit een derde land

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

20h

Naam, adres en land van de autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op de onderneming uit een derde land. Indien er meer dan één autoriteit verantwoordelijk is voor het toezicht op de onderneming uit een derde land, moeten nadere details en de respectieve bevoegdheidsterreinen van die autoriteiten worden verstrekt

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

20i

Volledige naam contactpersoon

20j

Adres contactpersoon

20k

Telefoonnummer contactpersoon

20l

E-mailadres contactpersoon

20m

Functie/titel contactpersoon

21a

Beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten die tijdens de rapportageperiode door het bijkantoor worden verleend of verricht in elke andere lidstaat dan die waar het is gevestigd

De lijst van beleggingsdiensten en -activiteiten en nevendiensten (als bedoeld in de delen A en B van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU) die worden verleend aan of verricht voor in aanmerking komende tegenpartijen en professionele cliënten in de zin van deel I van bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU in elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd

21b

De lijst van categorieën financiële instrumenten (als omschreven in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU) in verband waarmee dergelijke diensten en activiteiten zijn verleend en verricht

21c

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waarin het bijkantoor vermogensbeheer verricht, de totale waarde aan het einde van de rapportageperiode van de activa die worden beheerd voor cliënten in de lidstaat

21d

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waarin het bijkantoor vermogensbeheer verricht, de gemiddelde waarde tijdens de rapportageperiode van de activa die worden beheerd voor cliënten in de lidstaat

21e

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waarin het bijkantoor beleggingsadvies verstrekt, de totale waarde aan het einde van de rapportageperiode van de activa in verband waarmee deze dienst is verleend aan cliënten in de lidstaat

21f

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waarin het bijkantoor beleggingsadvies verstrekt, de gemiddelde waarde tijdens de rapportageperiode van de activa in verband waarmee deze dienst is verleend aan cliënten in de lidstaat

21g

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waarin het bijkantoor de nevendienst verstrekt van het bewaren en beheren van financiële instrumenten voor rekening van cliënten of gelden van cliënten aanhoudt, de totale waarde aan het eind van de rapportageperiode van de activa (met inbegrip van contanten) die door het bijkantoor voor de cliënten worden aangehouden in de lidstaat

21h

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waarin het bijkantoor de nevendienst verstrekt van het bewaren en beheren van financiële instrumenten voor rekening van cliënten of gelden van cliënten aanhoudt, de gemiddelde waarde tijdens de rapportageperiode van de activa (met inbegrip van contanten) die door het bijkantoor voor cliënten worden aangehouden in de lidstaat

22a

Aantal cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor in andere lidstaten dan die waar het bijkantoor is gevestigd en wereldwijd, tijdens de rapportageperiode

Het totale aantal cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor in de Europese Unie (exclusief de lidstaat waar het is gevestigd)

22b

Het totale aantal cliënten en tegenpartijen wereldwijd van de onderneming uit een derde land

22c

Voor elke andere lidstaat dan de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, waar het bijkantoor beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten heeft verleend of verricht, het totale aantal cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor in die andere lidstaat, samen met:

een uitsplitsing van dit aantal per in elke lidstaat verleende of verrichte beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst, alsmede

een uitsplitsing per categorie cliënten als bedoeld in Richtlijn 2014/65/EU

23a

Omzet en totale waarde van de activa van het bijkantoor in andere lidstaten dan die waar het bijkantoor is gevestigd en van de onderneming uit een derde land wereldwijd, tijdens de rapportageperiode

De omzet van het bijkantoor in de Unie (exclusief de lidstaat waar het is gevestigd) en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met de diensten en activiteiten die door de onderneming uit een derde land in de Unie worden verleend of verricht (exclusief de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

23b

De omzet wereldwijd van de onderneming uit een derde land

23c

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waar het bijkantoor beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten heeft verleend of verricht, de omzet en de totale waarde van de activa die overeenstemmen met dergelijke beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten of nevendiensten, samen met:

een uitsplitsing per verleende of verrichte beleggingsdienst, beleggingsactiviteit of nevendienst in de lidstaat, alsmede

een uitsplitsing per categorie cliënten als bedoeld in Richtlijn 2014/65/EU

24a

Indien het bijkantoor voor eigen rekening handelt, informatie over de blootstelling van de onderneming uit een derde land aan tegenpartijen in de Unie (exclusief de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) tijdens de rapportageperiode

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waar het bijkantoor voor eigen rekening handelt, de maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen in die lidstaat

24b

De maandelijkse minimale, gemiddelde en maximale blootstelling aan tegenpartijen in de Unie (exclusief de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

25a

Indien het bijkantoor financiële instrumenten overneemt en/of financiële instrumenten met plaatsingsgarantie plaatst, informatie over de waarde tijdens de rapportageperiode van de overgenomen of met plaatsingsgarantie geplaatste financiële instrumenten afkomstig van tegenpartijen in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

Voor elke andere lidstaat dan die waar het bijkantoor is gevestigd, waar het bijkantoor het overnemen van financiële instrumenten en/of het plaatsen van financiële instrumenten met plaatsingsgarantie aanbiedt, de totale waarde van de financiële instrumenten die afkomstig zijn van tegenpartijen in de lidstaat en die door het bijkantoor zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst

25b

De totale waarde van de financiële instrumenten die afkomstig zijn van tegenpartijen in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) en die door het bijkantoor zijn overgenomen of met plaatsingsgarantie zijn geplaatst

26

Informatie over klachten die het bijkantoor en/of de onderneming uit een derde land heeft ontvangen met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) tijdens de rapportageperiode

Het aantal klachten dat het bijkantoor en/of de onderneming uit een derde land heeft ontvangen met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor in andere lidstaten dan die waar het bijkantoor is gevestigd, samen met:

een uitsplitsing per lidstaat;

een uitsplitsing van de vijf financiële instrumenten die het grootste aantal klachten hebben opgeleverd;

een uitsplitsing van de vijf meest voorkomende onderwerpen van de klachten;

het aantal klachten dat in de rapportageperiode is behandeld;

de bestaande regelingen om de klachten zorgvuldig af te handelen

27a

Informatie over de marketingactiviteiten tijdens de rapportageperiode van het bijkantoor of de onderneming uit een derde land met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

Een beschrijving van de marketingstrategie van de onderneming uit een derde land in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) met betrekking tot de activiteiten van het bijkantoor, met inbegrip van details over het geografische toepassingsgebied ervan en de marketingmiddelen die de onderneming uit het derde land heeft gebruikt (zoals agenten, roadshows, telefoongesprekken, websites)

27b

De lijst van handelsnamen die door de onderneming uit een derde land worden gebruikt in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd), samen met, voor elke handelsnaam:

de lijst van lidstaten waarin de naam wordt gebruikt;

de categorieën financiële instrumenten in verband waarmee hij wordt gebruikt, alsmede

de categorieën cliënten in verband waarmee hij wordt gebruikt

27c

Voor agenten of soortgelijke entiteiten die door de onderneming uit een derde land in de Unie worden ingezet (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd), de naam van de persoon of entiteit, samen met het adres en de contactgegevens

27d

De lijst van websites die door de onderneming uit een derde land worden gebruikt in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd), samen met, voor elke website, de respectieve URL

28a

Beschrijving van de beleggersbeschermingsregelingen van de onderneming uit een derde land die beschikbaar zijn voor de cliënten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd), met inbegrip van de rechten van die cliënten die voortvloeien uit het beleggerscompensatiestelsel als bedoeld in artikel 39, lid 2, punt f), van Richtlijn 2014/65/EU

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

Informatieverstrekking en rapportage aan cliënten

De beschrijving van de regelingen van de onderneming uit een derde land om ervoor te zorgen dat zij voldoet aan haar verplichtingen inzake informatieverstrekking en rapportage jegens cliënten uit hoofde van de artikelen 24 en 25 van Richtlijn 2014/65/EU en uitvoeringsmaatregelen voor de activiteiten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28b

De taal of talen die het bijkantoor met zijn cliënten zal gebruiken in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28c

Geschiktheid en adequaatheid

Beschrijving van de regelingen van de onderneming uit een derde land om ervoor te zorgen dat zij haar verplichtingen inzake de beoordeling van geschiktheid of adequaatheid nakomt, al naargelang het geval, wanneer het bijkantoor diensten verleent aan cliënten in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28d

Optimale uitvoering

Indien het bijkantoor orders voor zijn cliënten uitvoert in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd), een beschrijving van de regelingen die ervoor zorgen dat het de orders van cliënten uitvoert tegen de voor de cliënten gunstigste voorwaarden

28e

Regels voor de verwerking van cliëntenorders

De beschrijving van de regelingen van de onderneming uit een derde land die zorgen voor een onmiddellijke, billijke en vlotte uitvoering van orders van cliënten, met bijzondere aandacht voor de activiteiten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28f

Productgovernanceregelingen

Indien de onderneming uit een derde land financiële instrumenten in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) ontwikkelt en/of distribueert, een beschrijving van de productgovernanceregelingen die door de onderneming uit een derde land zijn opgezet voor haar activiteiten in de Unie

28g

De regelingen van de onderneming uit een derde land om belangenconflicten te identificeren, te voorkomen en te beheersen

Een beschrijving van de maatregelen die door de onderneming uit een derde land zijn genomen om belangenconflicten die zich voordoen bij het verlenen van beleggings- en nevendiensten te identificeren, te voorkomen en te beheersen, met inbegrip van die welke voortvloeien uit het vergoedingsbeleid voor de personen die betrokken zijn bij het verrichten van beleggingsdiensten, beleggingsactiviteiten en nevendiensten die worden verstrekt in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28h

De regelingen van de onderneming uit een derde land voor de behandeling van klachten

Een beschrijving van de procedure die cliënten van de onderneming uit een derde land in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) moeten volgen om een klacht in te dienen

28j

De afdeling die verantwoordelijk is voor de behandeling van klachten van cliënten van het bijkantoor

28k

De taal of talen waarin de cliënten hun klacht moeten indienen

28l

De betrokken rechtbanken (in geval van een geschil) waarnaar wordt verwezen in contractuele overeenkomsten tussen de onderneming uit een derde land en haar cliënten in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28m

De entiteit(en) voor alternatieve geschillenbeslechting die bevoegd is/zijn om grensoverschrijdende geschillen te behandelen waarbij cliënten in de Unie zijn betrokken (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

28n

Het lidmaatschap van de onderneming uit een derde land van een beleggerscompensatiestelsel

De beschrijving van het lidmaatschap van de onderneming uit een derde land van een beleggerscompensatiestelsel, met inbegrip van de vermelding of cliënten en tegenpartijen van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) al dan niet in aanmerking komen voor een dergelijk stelsel, het toepassingsgebied ervan, een beschrijving van de voorwaarden om in aanmerking te komen en de bedragen en financiële instrumenten die onder het stelsel vallen

28o

De regelingen van de onderneming uit een derde land om gelden en activa van cliënten te beschermen en te beheren

De beschrijving van alle regelingen ter vrijwaring van gelden of activa van cliënten in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) (met name, wanneer financiële instrumenten en gelden door een bewaarnemer worden aangehouden, de naam van de bewaarnemer en de daarmee verband houdende overeenkomsten)

28p

Andere regelingen

De beschrijving van alle andere regelingen die de onderneming uit een derde land relevant acht voor het verlenen van diensten en het verrichten van de activiteiten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd), op een eerlijke, billijke en professionele wijze die de belangen van cliënten bevordert

29a

Informatie over de uitbestedingsregelingen van de onderneming uit een derde land die van toepassing zijn op de activiteiten van het bijkantoor

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

De lijst en beschrijving van de uitbestede functies (of die welke zullen worden uitbesteed) voor het verlenen van de beleggingsdiensten van het bijkantoor en het verrichten van zijn activiteiten in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

29b

De beschrijving van de middelen (met name personele en technische middelen en het internecontrolesysteem) die zijn toegewezen aan de controle van de uitbestede functies, diensten of activiteiten, voor zover deze verband houden met de activiteiten van het bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd)

30

Informatie over de door de onderneming uit een derde land opgezette regelingen (met inbegrip van IT-regelingen) die van toepassing zijn op de activiteiten van het bijkantoor met betrekking tot algoritmische handel, hoogfrequentiehandel en directe elektronische toegang

(te verstrekken in geval van wijzigingen van de eerder aan de bevoegde autoriteit meegedeelde informatie)

Beschrijving van alle regelingen en middelen (met name personele en IT-middelen) die de onderneming uit een derde land voor de activiteiten van haar bijkantoor in de Unie (buiten de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd) heeft ingezet en/of toegewezen voor algoritmische handel, hoogfrequentiehandel en directe elektronische toegang en voor de controle op dergelijke activiteiten

31

Alle andere informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht voor een alomvattende monitoring van de activiteiten van het bijkantoor in de Unie.


15.7.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 188/114


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1221 VAN DE COMMISSIE

van 14 juli 2022

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (de “basisverordening”), en met name artikel 7,

Na raadpleging van de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding

(1)

Op 17 november 2021 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van bepaalde aluminium wielen van oorsprong uit Marokko (“het betrokken land”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (het “bericht van inleiding”).

(2)

De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een op 4 oktober 2021 door de Association of European Wheel Manufacturers (“de klager” of “EUWA”) ingediende klacht. De klacht werd ingediend namens de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om het onderzoek te openen.

1.2.   Registratie

(3)

De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/934 (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen.

1.3.   Belanghebbenden en verzoek om anonimiteit

(4)

In het bericht van inleiding werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. De Commissie heeft de klager, haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs alsmede de autoriteiten van Marokko, haar bekende importeurs en bekende betrokken gebruikers en verenigingen specifiek op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek en hun verzocht daaraan mee te werken.

(5)

De klagers en twee medewerkende gebruikers hebben om geheimhouding van hun namen gevraagd uit vrees voor vergeldingsacties van afnemers. De Commissie oordeelde dat vergeldingsacties inderdaad een ernstig risico vormden en ging er derhalve mee akkoord de namen van de klagers en de twee medewerkende gebruikers geheim te houden. Met het oog op een daadwerkelijke anonimiteit zijn de namen van de andere producenten in de Unie eveneens geheimgehouden, om te voorkomen dat de namen van de klagers door deductie kunnen worden achterhaald.

1.4.   Opmerkingen over de opening van het onderzoek

(6)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen over de opening van het onderzoek te maken en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

(7)

Vier partijen hebben om een hoorzitting met de diensten van de Commissie verzocht en zijn gehoord: de European Automobile Manufacturers” Association (de Europese Federatie van Autoproducenten, “ACEA”), EUWA, Dika Morocco Africa S.A.R.L (“Dika”) en Hands 8 SA (“Hands”).

(8)

Dika en de Marokkaanse autoriteiten beweerden dat de cijfers die in de klacht werden vermeld, achterhaald waren, aangezien er tussen het onderzoektijdvak en de datum van opening van het onderzoek bijna acht maanden waren verstreken. Bovendien viel het door de klager gekozen onderzoektijdvak precies samen met de piek van de COVID-19-pandemie. Voorts was de door de klager aangegeven beoordelingsperiode een jaar langer dan wat gebruikelijk is bij de Commissie, zoals beschreven in de desbetreffende handleiding (4). Dika was van mening dat deze beslissing als oneerlijk en partijdig kon worden beschouwd en dat het gebruik van achterhaalde cijfers geen voorlopig bewijsmateriaal over dumping, schade en oorzakelijk verband kan vormen zoals voorgeschreven bij artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

(9)

De Commissie merkte eerst op dat in de handleiding waarnaar Dika verwees, uitdrukkelijk vermeld is dat deze gericht is op het geven van algemeen advies, maar geen juridisch bindend document is en dat de inhoud ervan geen dwingend recht is (5). Bovendien bevat artikel 5 van de basisverordening geen specifieke bepalingen ten aanzien van het tijdsverloop tussen de klacht en de verstrekte gegevens. Hoe dan ook is het onderzoektijdvak van de klacht afgelopen op 31 maart 2021, terwijl de klacht op 4 oktober 2021 werd ingediend. Bovendien heeft de klager ook aanvullende gegevens over schade verstrekt tot en met 30 juni 2021 (6). De door de klager verstrekte gegevens waren dus actueel en sloten zo dicht mogelijk aan bij de datum van indiening van de klacht. Met betrekking tot het argument ten aanzien van de beoordelingsperiode en het onderzoektijdvak, is het bij de Commissie gebruikelijk om een onderzoektijdvak te selecteren van één jaar en de drie voorgaande kalenderjaren, teneinde de ontwikkelingen te onderzoeken die relevant zijn om de schade te beoordelen. Het feit dat in de klacht informatie over een extra jaar is verstrekt, betekent niet dat achterhaalde gegevens zijn gebruikt die de beoordeling oneerlijk of partijdig zouden maken. Er is juist informatie verstrekt over het meest recente beschikbare tijdvak, te weten tot en met 31 maart 2021. Het argument werd derhalve afgewezen.

(10)

Dika voerde aan dat in de klacht geen bewijsmateriaal werd aangeleverd om het gebruik van een door berekening vastgestelde normale waarde zoals vereist bij artikel 5, lid 2, van de basisverordening te rechtvaardigen. Zij stelde voorts dat de berekening van de door berekening vastgestelde normale waarde tekortkomingen vertoonde. De Commissie had derhalve moeten concluderen dat de klacht onvoldoende bewijs voor dumping bevatte en had de klacht moeten afwijzen overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening.

(11)

Dika stelde dat de klager geen gebruik had gemaakt van de binnenlandse verkoopprijs van aluminium wielen in Marokko, hoewel zij die prijzen had kunnen kennen aangezien de bedrijfstak van de Unie zelf aluminium wielen uitvoert naar Marokko. Daarnaast voerde Dika aan dat de klager de financiële rekeningen van de producenten-exporteurs van 2018 en 2019 gebruikte om te concluderen dat er geen verkoop in het kader van normale handelstransacties plaatsvond, terwijl die financiële rekeningen afkomstig waren uit een periode vóór het in de klacht gekozen onderzoektijdvak.

(12)

De Commissie was het hier niet mee eens. De klager in dit onderzoek is EUWA, en niet de individuele leden. Aangezien de klager noch producent, noch exporteur is, had hij geen toegang tot dergelijke gegevens. Bovendien worden facturen in het algemeen als vertrouwelijke bedrijfsinformatie beschouwd. De klager moest daarom gebruikmaken van openbare informatie over de binnenlandse verkoopprijzen in Marokko, die niet beschikbaar was ten tijde van de klacht. Wat het gebruik van de financiële rekeningen van 2018 en 2019 voor de Marokkaanse producenten-exporteurs betreft, waren dat de enige rekeningen waarover de klager op het moment van indiening van de klacht beschikte. De klager kon derhalve alleen concluderen dat er op basis van de redelijkerwijs beschikbare informatie geen binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties door de bekende Marokkaanse producenten-exporteurs plaatsvond. Hij heeft dus terecht de normale waarde door berekening vastgesteld. Bijgevolg heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(13)

Dika voerde eveneens argumenten aan over vermeende fundamentele tekortkomingen bij de vaststelling van de normale waarde. Die argumenten betreffen de keuze van de wielgrootte, het gebruik van prijzen voor aluminiumingots op basis van invoer uit de VRC, het gebruik van de kostenstructuur van producenten in de Unie, de uitsluiting van bepaalde kostenfactoren uit de berekening en de toepassing van een winstmarge van 6 %.

(14)

De Commissie was het niet eens met die argumenten. De aannames waarop de klager de berekening van de normale waarde baseerde, berustten op de marktervaring en -kennis van de klager en op algemeen beschikbare informatie. Het feit dat de belanghebbende het niet eens is met die aannames, betekent niet dat zij niet kunnen worden gebruikt om de normale waarde in de klacht te berekenen. De cijfers waarop de normale waarde was gebaseerd, werden gestaafd met voldoende bewijsmateriaal en bevestigd door de analyse van dat bewijsmateriaal door de Commissie. Zelfs wanneer bepaalde correcties zoals gesuggereerd door de belanghebbende werden toegepast, wat de Commissie ook gedaan heeft bij de beoordeling van de klacht, was er nog steeds voldoende bewijs van dumping.

(15)

Dika en de Marokkaanse autoriteiten stelden dat de klager in zijn schadeanalyse had weggelaten dat de markt onderverdeeld is in fabrikanten van originele uitrusting (Original Equipment Manufacturers, “OEM”) en aftermarkets, met verschillende soorten wielen binnen elke markt, d.w.z. lagere en hogere marktsegmenten.

(16)

De Commissie merkte op dat er voor aluminium wielen in het OEM-segment en in het aftermarketsegment weliswaar verschillende distributie- en verkoopkanalen bestaan, maar dat de wielen dezelfde fysische en technische kenmerken hebben en onderling uitwisselbaar zijn. Het OEM-segment en het aftermarketsegment moeten daarom worden beschouwd als verschillende verkoopkanalen en niet als verschillende segmenten.

(17)

Wat de twee verkoopkanalen betreft, werd volgens de klager de Marokkaanse uitvoer waarschijnlijk nagenoeg uitsluitend aan OEM-afnemers geleverd. Dit werd bevestigd bij de daaropvolgende analyse door de Commissie van de informatie waarover zij beschikte. Dit was ook het geval voor de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, die bijna uitsluitend aan OEM-afnemers verkochten (ongeveer 99,6 %).

(18)

Wat de verschillende soorten wielen betreft, merkte de Commissie op dat de klacht weliswaar geen volledige schadeanalyse per verschillende soort aluminium wielen bevatte, maar berekeningen van de prijsonderbieding en het prijsbederf voor tien representatieve soorten wielen.

(19)

Het argument werd derhalve afgewezen.

(20)

Dika, Hands en de Marokkaanse autoriteiten voerden aan dat de ontwikkeling van de Marokkaanse invoer geen schade aan de bedrijfstak van de Unie kan veroorzaken of dreigen te veroorzaken, aangezien deze invoer slechts 2,8 % van de markt van de Unie vertegenwoordigde in de periode van 1 april 2020 tot en met 31 maart 2021 en geen prijsverlaging of verhindering van een prijsverhoging veroorzaakt.

(21)

Uit de specifieke schadeanalyse van de klacht bleek dat er voldoende aanwijzingen waren voor een grotere penetratie van de Uniemarkt (zowel in absolute als in relatieve termen) door de invoer uit Marokko tegen prijzen die de eigen prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbieden en zorgen voor aanzienlijk prijsbederf. Dit lijkt aanmerkelijke schade te hebben toegebracht aan de bedrijfstak van de Unie, bijvoorbeeld door een daling van de verkoop en het marktaandeel, een verslechtering van de financiële resultaten of het peil van de door de bedrijfstak van de Unie aangerekende prijzen. Het argument werd derhalve afgewezen.

(22)

Volgens Dika boden bepaalde in de klacht aangevoerde schade-indicatoren, zoals productiecapaciteit, prijzen in de Unie en verbruik in de Unie, geen steun voor de vaststelling van het bestaan van schade tijdens het onderzoektijdvak. Bovendien is het voor producenten van aluminium wielen geen optie om de volledige capaciteit te benutten, gelet op de “just-in-time”-toeleveringsketenmodellen die worden gehanteerd door de autofabrikanten in de Europese Unie, waardoor producenten van aluminium wielen flexibel moeten zijn en capaciteit voorhanden moeten hebben om in te spelen op behoeften op het laatste moment.

(23)

De Commissie wijst erop dat voor de vaststelling van aanmerkelijke schade, die noodzakelijk is voor de opening van een onderzoek, onder meer de in de basisverordening beschreven relevante factoren moeten worden beoordeeld. In artikel 5 van de basisverordening wordt echter niet specifiek vereist dat alle in artikel 3, lid 5, genoemde schadefactoren een verslechtering te zien geven om te kunnen spreken van voldoende gestaafde aanmerkelijke schade met het oog op de opening van een onderzoek. Artikel 5, lid 2, van de basisverordening bepaalt immers dat de klacht gegevens moet bevatten omtrent veranderingen in de omvang van de beweerde invoer met dumping, de weerslag van deze invoer op de prijzen van het soortgelijke product op de markt van de Unie en de weerslag van de invoer op de bedrijfstak van de Unie, zoals blijkt uit relevante (maar niet noodzakelijk alle) factoren. De klacht bevatte deze gegevens, die wezen op het bestaan van schade. De Commissie was dan ook van oordeel dat de klacht voldoende bewijs van schade bevatte en verwierp dit argument.

(24)

Dika en Hands voerden aan dat het instellen van antidumpingmaatregelen niet in het belang van de Unie kan zijn.

(25)

Wat dit laatste betreft, geldt dat het belang van de Unie geen relevant criterium is om te beoordelen of een klacht de inleiding van een antidumpingprocedure op grond van artikel 5 van de basisverordening rechtvaardigt. De desbetreffende opmerkingen werden derhalve niet in aanmerking genomen bij de argumenten betreffende de inleiding van de procedure.

(26)

Dika, Hands en de Marokkaanse autoriteiten stelden dat de klager geen rekening had gehouden met andere factoren, zoals het vermeende gebrek aan mededinging tussen aluminium wielen uit de Unie en aluminium wielen uit Marokko als gevolg van marktsegmentering, de invoer uit derde landen en de gevolgen van de COVID-19-pandemie.

(27)

De analyse van de klacht door de Commissie bevestigde dat de genoemde elementen niet onderbouwd, feitelijk onjuist of niet toereikend waren om de conclusie te betwisten dat in de klacht voldoende bewijsmateriaal was opgenomen waaruit bleek dat de invoer van het betrokken product de Unie tegen dumpingprijzen binnenkwam en materiële schade leek toe te brengen aan de producenten in de Unie. Deze aspecten waren vastgesteld op basis van de beste gegevens die de klager op dat moment ter beschikking had, en waren voldoende representatief en betrouwbaar. Bovendien zijn de door Dika, de Marokkaanse autoriteiten en ACEA aangevoerde argumenten in de loop van het onderzoek grondig onderzocht; ze komen hieronder verder aan bod.

(28)

Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie bevestigd dat de klager voldoende bewijsmateriaal ten aanzien van dumping, schade en oorzakelijke verband heeft verstrekt, en dus voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening.

1.5.   Steekproeven

(29)

In het bericht van inleiding deelde de Commissie mee dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening.

1.5.1.   Steekproef van producenten in de Unie

(30)

In haar bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. De Commissie heeft een definitieve steekproef van drie producenten in de Unie samengesteld. Overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening was het criterium dat werd gebruikt om de steekproef samen te stellen de grootste representatieve productiehoeveelheid van het soortgelijke product in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, d.w.z. 1 oktober 2020 tot en met 30 september 2021. Deze voorlopige steekproef bestond uit drie producenten in de Unie, die in drie verschillende lidstaten waren gevestigd. De steekproef vertegenwoordigde bijna 20 % van de totale productiehoeveelheid van het soortgelijke product in de Unie en verzekert een goede geografische spreiding. De Commissie heeft de belanghebbenden om opmerkingen over de voorlopige steekproef verzocht. Er zijn geen opmerkingen ontvangen.

1.5.2.   Steekproef van importeurs

(31)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken.

(32)

Geen van de haar bekende niet-verbonden importeurs leverde de gevraagde informatie en stemde ermee in om in de steekproef te worden opgenomen.

1.5.3.   Steekproef van producenten-exporteurs in Marokko

(33)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in Marokko verzocht de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de Vertegenwoordiging van het Koninkrijk Marokko verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, op te sporen en/of contact met hen op te nemen.

(34)

Slechts twee producenten-exporteurs in het betrokken land, die goed zijn voor nagenoeg alle invoer van aluminium wielen uit Marokko, hebben de gevraagde informatie verstrekt. De Commissie bepaalde daarom dat er geen steekproef nodig was.

1.6.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(35)

De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar drie producenten in de Unie, de klager, twee haar bekende gebruikers en twee producenten-exporteurs in het betrokken land. Die vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek ook online (7) beschikbaar gesteld.

(36)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Gezien de uitbraak van de COVID-19-pandemie en de inperkingsmaatregelen die door verschillende landen zijn genomen, kon de Commissie niet alle controlebezoeken op grond van artikel 16 van de basisverordening verrichten.

Er werden controlebezoeken overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening verricht bij twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, bij één gebruiker (8) en bij de volgende producenten-exporteurs in Marokko: HANDS 8 SA (“Hands”).

DIKA MOROCCO AFRIKA S.A.R.L (“Dika”).

(37)

Daarnaast verrichte de Commissie in overeenstemming met haar mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (9) kruiselingse controles op afstand met betrekking tot de verbonden onderneming van Dika, te weten CITIC Dicastal Co., Ltd (“CITIC”), en één producent in de Unie.

1.7.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(38)

Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 september 2021 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2018 tot het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(39)

Het onderzoek heeft betrekking op aluminium wielen voor motorvoertuigen van de GS-posten 8701 tot en met 8705, al dan niet met toebehoren en al dan niet met banden, van oorsprong uit Marokko, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8708 70 10 en ex 8708 70 50 (Taric-codes 8708701015, 8708701050, 8708705015 en 8708705050) (“het betrokken product”).

(40)

Aluminium wielen worden in de Unie gewoonlijk verkocht via twee distributie- en verkoopkanalen: de OEM — in hoofdzaak autofabrikanten — en de aftermarket, waartoe bijvoorbeeld distributeurs, detailhandelaren, reparatiebedrijven en dergelijke behoren. Het betrokken product uit Marokko werd tijdens de beoordelingsperiode uitsluitend verkocht via het OEM-kanaal. In het OEM-distributiekanaal organiseren autofabrikanten aanbestedingsprocedures voor aluminium wielen en zijn zij vaak betrokken bij de ontwikkeling van een nieuw wiel dat met hun merk wordt geassocieerd. De producenten in de Unie en de Marokkaanse exporteurs kunnen inschrijven op dezelfde aanbestedingen.

2.2.   Soortgelijk product

(41)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:

het betrokken product;

het product dat in Marokko wordt geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht, en

het in de Unie door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde en verkochte product.

(42)

De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Marokko

3.1.1.   Medewerking van producenten-exporteurs

(43)

Zoals beschreven in overweging 34, hebben twee Marokkaanse producenten-exporteurs, Dika en Hands, zich tijdens het onderzoek gemeld en antwoorden op de vragenlijst verstrekt. Dika heeft een verbonden onderneming, CITIC, die een Chinese producent van aluminium wielen is. CITIC koopt aluminium wielen van Dika en verkoopt die naar de Unie, Marokko en andere derde landen. Tijdens de kruiselingse controle op afstand met CITIC werd een aantal fouten ontdekt, die ernstige twijfels doen rijzen over de betrouwbaarheid van de binnenlandse verkooplijsten en de verkooplijsten voor de EU. Deze fouten hadden hoofdzakelijk betrekking op verschillen tussen de prijzen op de verkooplijsten, de prijzen op de facturen en de daadwerkelijk betaalde bedragen.

(44)

Op 1 april 2022, tijdens de controle ter plaatse bij Dika, nadat de kruiselingse controle op afstand met CITIC was afgerond, verstrekte de onderneming een herziene versie van de verkooplijsten, met een toelichting bij de aangetroffen discrepanties. Op dat moment was er geen gelegenheid meer om de herziene verkooplijsten te verifiëren of aan een kruiselingse controle te onderwerpen. Bovendien bleek uit een voorlopige controle van de nieuw ingediende gegevens dat bij de herzieningen door de onderneming niet alle tijdens de kruiselingse controle op afstand vermelde discrepanties werden rechtgezet, terwijl het totale aantal herzieningen veel hoger was dan verwacht op basis van de kruiselingse controle op afstand. De aard van en het aantal fouten, waarvan sommige ook na de herziening bleven voortduren, waren van dien aard dat de Commissie niet kon vertrouwen op de nauwkeurigheid van de verkooplijsten. Derhalve was de Commissie niet in staat de informatie te verifiëren die nodig was om een dumpingmarge voor de onderneming vast te stellen.

(45)

In overeenstemming met artikel 18, lid 4, van de basisverordening werden Dika en haar verbonden onderneming bij brief van 5 mei 2022 in kennis gesteld van de redenen waarom de Commissie voornemens was de verstrekte informatie buiten beschouwing te laten, en in de gelegenheid gesteld om nadere toelichtingen te verstrekken (“de brief op grond van artikel 18”).

(46)

De onderneming heeft op 12 mei 2022 op de brief van de Commissie geantwoord. In haar antwoord legde de onderneming uit dat zij haar verkopen op de verkooplijsten had geregistreerd in overeenstemming met haar boekhoudkundige beginselen. De onderneming stelde derhalve, in tegenstelling tot de verklaringen ten tijde van de kruiselingse controle op afstand en de controle ter plaatse, dat de oorspronkelijke verkooplijsten, waarvan de totale waarden in overeenstemming met het SAP-boekhoudsysteem van de onderneming konden worden gebracht, volledig en nauwkeurig waren, geen fouten bevatten en geen herzieningen vereisten. De herzieningen die de onderneming na de kruiselingse controle op afstand had doorgevoerd, zouden in feite enkel aan de Commissie zijn verstrekt om aan te tonen dat CITIC haar volledige medewerking verleende aan het onderzoek. De onderneming verklaarde derhalve dat de Commissie de oorspronkelijke, niet-herziene versie van de verkooplijsten zou moeten gebruiken. Als alternatief zou de Commissie de samen met de brief verstrekte herziene verkooplijsten kunnen gebruiken, aangezien de tekortkomingen volgens de onderneming niet van dien aard waren dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig zouden bemoeilijken. Deze verkooplijsten waren vergelijkbaar met die welke werden verstrekt tijdens de controle ter plaatse, waaraan eerder ontbrekende gegevens waren toegevoegd, waarin enkele fouten waren gecorrigeerd en waarbij aanvullende toelichtingen waren verstrekt. Er waren echter nog steeds verscheidene fouten: voor een aantal transacties werd het daadwerkelijk ontvangen bedrag nog steeds niet aangegeven en de Commissie was niet in staat de herziene verkooplijsten die samen met het antwoord van de onderneming op de brief op grond van artikel 18 waren verstrekt, aan een kruiselingse controle te onderwerpen of te verifiëren. De onderneming verklaarde ook dat de Commissie, indien zij erop zou staan artikel 18 van de basisverordening toe te passen, de jaarrekeningen van CITIC diende te gebruiken als beschikbare gedeeltelijke gegevens.

(47)

De Commissie was het niet eens met de argumenten van de onderneming in haar antwoord op de brief op grond van artikel 18. In de antidumpingvragenlijst voor producenten-exporteurs werd duidelijk gevraagd om de verkooplijsten transactie per transactie te verstrekken. In de modellen van de tabellen die bij de vragenlijst werden verstrekt, werd ondubbelzinnig gevraagd dat de gegevens worden meegedeeld zoals vermeld op de factuur (gefactureerde hoeveelheid, factuurwaarde, gerelateerde creditnota’s enz.). De onderneming erkent zelf dat zij de verkooplijsten niet heeft ingevuld op basis van facturen. Zij heeft de lijsten daarentegen ingevuld op basis van de eigen boekhoudpraktijken. Daarnaast voerde de onderneming aan dat eventuele verschillen tussen de factuurwaarde en de daadwerkelijk ontvangen prijs gewoonlijk in de verkooplijsten worden vermeld als korting, rabat, creditnota of op een andere manier. Er werd evenwel vastgesteld dat deze verschillen niet stelselmatig bleken uit de verkooplijsten van de onderneming.

(48)

Zoals vermeld in overweging 44, konden de herziene verkooplijsten niet tijdig aan een kruiselingse controle worden onderworpen of worden geverifieerd. Zoals aan de onderneming werd uitgelegd in de brief voorafgaand aan de kruiselingse controle op afstand en de controle ter plaatse die op 11 maart 2022 werd verzonden, en in overeenstemming met de mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (10), was het doel van de kruiselingse controle op afstand zekerheid te krijgen over de gegevens die de onderneming in haar antwoord op de vragenlijst had verstrekt. Die zekerheid werd niet verkregen ten aanzien van de verkooplijsten tijdens de kruiselingse controle op afstand. Een aanvullende kruiselingse controle op afstand met CITIC, zoals de onderneming voorstelde in haar antwoord op de brief op grond van artikel 18, mag niet worden gebruikt als manier om de te late beschikbaarheid van gegevens of de fouten die tijdens de kruiselingse controle op afstand die al had plaatsgevonden binnen de vastgestelde termijn te remediëren.

(49)

Sommige wijzigingen die tijdens de kruiselingse controle op afstand werden besproken, waren bovendien niet meegenomen in de herziene tabellen. Bij haar antwoord op de brief op grond van artikel 18 had de onderneming een nieuwe herziene verkooplijst verstrekt waarin aanvullende wijzigingen waren doorgevoerd die evenmin aan een kruiselingse controle konden worden onderworpen of konden worden geverifieerd. De Commissie was derhalve van oordeel dat de onderneming de gevraagde gegevens niet binnen de termijn van het onderzoek had verstrekt. Het alternatief dat door de onderneming werd voorgesteld, namelijk om de jaarrekeningen van CITIC als beschikbare gedeeltelijke gegevens te hanteren, was niet aanvaardbaar. Op basis van de jaarrekeningen zou de Commissie geen normale waarde en geen uitvoerprijs kunnen vaststellen op het in de basisverordening voorgeschreven gedetailleerde en nauwkeurige niveau, aangezien de jaarrekeningen geen analyse op basis van producten of transacties mogelijk maken.

(50)

Aangezien Dika en haar verbonden onderneming CITIC geen gegevens verstrekten op basis waarvan de Commissie een redelijk betrouwbare conclusie had kunnen bereiken en er geen verifieerbare gegevens werden voorgelegd die een dergelijke conclusie mogelijk hadden kunnen maken, heeft de Commissie besloten de door de onderneming verstrekte gegevens over de binnenlandse verkooplijsten en de verkooplijsten voor de EU buiten beschouwing te laten. Aangezien die gegevens van cruciaal belang zijn om de normale waarde en een uitvoerprijs vast te stellen, kon de Commissie geen individuele dumpingmarge berekenen voor de onderneming.

(51)

De Commissie heeft de door deze producent-exporteur verstrekte gegevens daarom voorlopig buiten beschouwing gelaten en bevestigd dat zij overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening gebruik zou maken van de beschikbare gegevens over deze producent-exporteur.

3.1.2.   Normale waarde

(52)

Vanwege de toepassing van artikel 18, lid 1, van de basisverordening zoals beschreven in punt 3.1.1 gold onderstaande beschrijving van de berekening van de dumpingmarge alleen voor de resterende Marokkaanse producent-exporteur, Hands.

(53)

Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening is de normale waarde gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald. De Commissie heeft echter vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur geen binnenlandse verkoop had. De geringe verkoop van aluminium wielen aan afnemers in Marokko tijdens het onderzoektijdvak vond plaats aan één autofabrikant in een economische vrije zone (“zone d’accélération industrielle”, voorheen ook “zone franche” of “zone franche d’exportation” genoemd) die vergelijkbaar was met de economische zone waarin de medewerkende producent gevestigd was. Die autofabrikant kocht de aluminium wielen voor gebruik bij de assemblage van een auto. Het was dan ook de auto en niet de aluminium wielen die vanuit de vrije zone zou worden verzonden, hetzij om in eigen land te worden verkocht, hetzij voor uitvoer. De eindbestemming van de auto was waarschijnlijk echter niet de binnenlandse markt. Uit een studie van 2020 bleek dat 90 % van alle in Marokko geproduceerde auto’s bestemd zijn voor de exportmarkt (11), hetgeen ook werd bevestigd door informatie van Marokkaanse autofabrikanten (12). Daarnaast moeten ondernemingen in vrijhandelszones volgens wet 19-94 inzake vrijhandelszones ten minste 70 % van hun omzet uit export halen (13).

(54)

Zoals hiervoor uiteengezet, was de verkoop van aluminium wielen door de medewerkende producent-exporteur aan die afnemer in Marokko een verkoop van de ene economische zone aan de andere. Ondernemingen die in dergelijke economische zones in Marokko zijn gevestigd, zijn vrijgesteld van de douanewetten en -voorschriften die normaal gezien van toepassing zijn op het Marokkaanse grondgebied, en goederen die de economische zone binnenkomen, worden als uitvoer beschouwd (14). Aangezien de aluminium wielen in een economische zone werden geproduceerd en vervolgens werden verkocht en verzonden naar een andere economische zone, zijn de aluminium wielen het douanegebied van Marokko nooit binnengekomen en konden zij derhalve niet als binnenlandse verkoop worden beschouwd.

(55)

Hoe dan ook geldt dat zelfs indien de verkoop in de economische vrije zone in Marokko als binnenlandse verkoop zou worden beschouwd, deze verkoop niet representatief was noch in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden zoals voorgeschreven bij artikel 2, lid 1, van de basisverordening.

(56)

In dat verband onderzocht de Commissie eerst of de totale binnenlandse verkoop van de medewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt ten minste 5 % bedraagt van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het onderzoektijdvak. Op basis daarvan was de verkoop van de medewerkende producent-exporteur in Marokko niet representatief.

(57)

Verder heeft de Commissie voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Uit de analyse van de binnenlandse verkoop bleek dat geen van de binnenlandse verkopen winstgevend was en dat deze verkopen dus niet hadden plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties.

(58)

Aangezien er in het kader van normale handelstransacties geen soortgelijk product werd verkocht op de binnenlandse markt, heeft de Commissie de normale waarde vastgesteld door berekening overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening.

(59)

In artikel 2, lid 3, van de basisverordening is bepaald dat wanneer er geen binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden, de normale waarde van het soortgelijke product wordt berekend aan de hand van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en winst. Artikel 2, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat de VAA-kosten en de winst worden gebaseerd op feitelijke gegevens over de productie en de verkoop van het soortgelijke product, in het kader van normale handelstransacties, door de exporteur of de producent op wie het onderzoek betrekking heeft. In artikel 2, lid 6, van de basisverordening zijn echter drie alternatieve methoden opgenomen, voor gevallen waarin er, zoals hierboven uiteengezet voor Hands, geen verkoop van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden:

a)

het gewogen gemiddelde van de werkelijke bedragen die voor andere bij het onderzoek betrokken exporteurs of producenten zijn vastgesteld in verband met de vervaardiging en de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van het land van oorsprong;

b)

de werkelijke bedragen die in het kader van normale handelstransacties voor de betrokken exporteur of producent op de binnenlandse markt van het land van oorsprong van toepassing zijn bij de productie en de verkoop van dezelfde algemene categorie van producten;

c)

elke andere redelijke methode, mits het aldus vastgestelde bedrag voor winst niet hoger is dan de winst die andere exporteurs of producenten gewoonlijk maken bij de verkoop van producten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong.

(60)

Wat artikel 2, lid 6, punt a), betreft, was er maar één andere producent-exporteur van aluminium wielen in Marokko, te weten Dika. Dika verkocht ook al haar aluminium wielen in Marokko aan autofabrikanten in economische zones. Zoals uiteengezet in de overwegingen 53 en 54, werd deze verkoop niet als binnenlandse verkoop beschouwd. Bovendien moet het in artikel 2, lid 6, punt a), bedoelde gemiddelde een gewogen gemiddelde zijn van ten minste twee producenten-exporteurs (15). De gegevens van Dika konden derhalve niet worden gebruikt, zelfs indien de verkoop ervan als betrouwbaar zou zijn bevonden. Artikel 2, lid 6, punt a), kon dus niet worden toegepast.

(61)

Volgens artikel 2, lid 6, punt b), moet er sprake zijn van productie en verkoop van dezelfde algemene categorie van producten, in het kader van normale handelstransacties, voor de betrokken exporteur of producent op de binnenlandse markt. Hands produceerde echter alleen aluminium wielen, en geen van haar verkopen vond plaats in het kader van normale handelstransacties. Artikel 2, lid 6, punt b), kon dus evenmin worden toegepast.

(62)

In artikel 2, lid 6, punt c), wordt verwezen naar “elke andere redelijke methode” om de VAA-kosten en winst vast te stellen. Aangezien er geen andere producenten van aluminium wielen in Marokko waren, achtte de Commissie het redelijk de VAA-kosten en de winst voor producenten van aluminium wielen in Brazilië toe te passen. Brazilië werd als geschikt representatief land voorgesteld in het verzoek om een nieuw onderzoek dat als basis diende voor het lopende nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen ten aanzien van aluminium wielen uit de VRC (16). De vastgestelde gewogen gemiddelde VAA-kosten bedroegen 11,49 % en de gewogen gemiddelde winst 4,89 %.

(63)

Artikel 2, lid 6, punt c), schrijft ook voor dat een maximum wordt toegepast op de winst die op basis van deze methode wordt gebruikt, om te verzekeren dat het gebruikte bedrag voor winst niet hoger is dan de winst die andere exporteurs of producenten gewoonlijk maken bij de verkoop van producten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong. Er waren geen andere Marokkaanse producenten van aluminium wielen dan Dika en Hands, waarvan de winst niet kon worden gebruikt omdat zij geen verkoop hadden op de Marokkaanse binnenlandse markt. Bovendien beschikte de Commissie niet over informatie over de winst die werd gemaakt door mogelijke producenten of exporteurs van aluminium auto-onderdelen of andere met de automobielindustrie verbonden aluminium producten in Marokko.

(64)

De Commissie was van oordeel dat aluminium wielen tot dezelfde algemene categorie behoren als andere aluminium producten, zoals aluminium extrusies of aluminium profielen. Voor die producten wordt dezelfde grondstof gebruikt (aluminium), die het grootste deel van de productiekosten van dergelijke producten uitmaakt. Voorts wordt het aluminium bij de verschillende productieprocessen gesmolten of verhit om het de gewenste vorm te geven. De gewogen gemiddelde winst van de zeven Marokkaanse producenten van dergelijke aluminium producten voor wie financiële gegevens uit 2020 beschikbaar waren, bedroeg 4,16 %. Dat percentage werd gebruikt als maximum voor de winst van de Braziliaanse producenten van aluminium wielen.

(65)

Vervolgens werd de normale waarde berekend door de productiekosten van Hands te vermeerderen met de in overweging 62 genoemde Braziliaanse VAA-kosten en winst, maar met een maximum van 4,16 %.

3.1.3.   Uitvoerprijs

(66)

De uitvoer van de medewerkende producent-exporteur naar de Unie heeft hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers, hetzij via een als importeur optredende verbonden onderneming plaatsgevonden.

(67)

Voor de rechtstreekse verkoop aan onafhankelijke afnemers in de Unie was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(68)

Voor de uitvoer naar de Unie via een als importeur optredende verbonden onderneming werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. In dit geval werden correcties op de prijs toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst. De winst was gebaseerd op de winst die normaliter door niet-verbonden importeurs werd behaald, aangezien de werkelijke winst van de verbonden importeur niet betrouwbaar werd geacht vanwege de relatie tussen de medewerkende producent-exporteur en de verbonden importeur. Aangezien geen enkele niet-verbonden importeur aan dit onderzoek meewerkte met de Commissie, heeft de Commissie gebruikgemaakt van de winst die was vastgesteld in het laatste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen met betrekking tot aluminium wielen van oorsprong uit de VRC (17).

3.1.4.   Vergelijking

(69)

De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producent-exporteur vergeleken in het stadium af fabriek.

(70)

Waar dat voor een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er werden correcties toegepast voor kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing, verpakking, kredietkosten, rabatten en andere vergoedingen.

3.1.5.   Dumpingmarge

(71)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening heeft de Commissie voor de medewerkende producent-exporteur de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product.

(72)

Wat alle andere producenten-exporteurs in Marokko betreft, werd de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens. Hiertoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking komt overeen met de omvang van de uitvoer naar de Unie van de medewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van de totale invoer — volgens de Comext-databank van Eurostat — uit het betrokken land naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak.

(73)

Zoals toegelicht in punt 3.1.1, was er slechts één medewerkende Marokkaanse producent-exporteur. Aangezien de uitvoer van aluminium wielen door deze onderneming minder dan 50 % van de totale invoer van aluminium wielen in de Unie tijdens het onderzoektijdvak uitmaakte, werd de mate van medewerking in dit geval laag geacht. Op basis hiervan heeft de Commissie besloten dat het passend was de residuele dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de hoogste dumpingmarge die werd vastgesteld voor productsoorten die in representatieve hoeveelheden werden verkocht door de medewerkende producent-exporteur. De uitvoer van deze productsoorten vertegenwoordigde ongeveer 50 % van alle uitvoer naar de Unie door de medewerkende producent-exporteur.

(74)

Onderstaande tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

HANDS 8 S.A.

8,0  %

Alle andere ondernemingen

16,5  %

4.   SCHADE

4.1.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie